RIS316039 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Willem Royaardsplein (1)
Tekst van het document
Winkelend publiek is dan ook belangrijk voor een winkelgebied. Meerdere winkels die een divers publiek aantrekken versterken elkaar, doordat zij profiteren van elkaars nabijheid en klanten en zorgen voor een prettige winkelomgeving. Bij flitsbezorging is hiervan geen sprake. Klanten bezoeken de hubs niet om boodschappen te doen en halen de producten in de regel ook niet ter plaatse op. Sterker nog fietsbezorgers, die door het winkelend publiek flitsen, doen af aan een prettige winkelervaring. Daarmee draagt een dergelijke invulling niet bij aan de versterking van een winkelgebied zoals bedoeld is in het beleid en heeft het veelal een negatieve invloed op de (winkel)omgeving.
Aanwezige en rechtmatig gevestigde flitsbezorgdiensten worden van een positieve bestemming voorzien en worden nieuwe vestigingen van flitsbezorging verboden in de bestemmingsplangebieden die vallen
74
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
binnen de winkelgebieden van de Haagse Hoofdwinkelstructuur, zoals aangeduid van de Retailmonitor Den Haag 2017 (RIS301527 Bijlage 3 Kernwinkelgebied retailmonitor Den Haag 2017 (RIS301527)). Er kunnen op grond van dit bestemmingsplan geen nieuwe vestigingen in de Hoofdwinkelstructuur worden geopend. Via een Wabo procedure, kan de gemeente dan nog wel door middel van een afwijking van het planologisch gebruik medewerking verlenen indien daar reden voor is. Ambulante handel In de nota Markten, Straathandel en Kiosken 2016-2021 “De straat verdient het: handel in de buitenruimte” (zie RIS283882) heeft de gemeente de ambitie uitgesproken meer ruimte te willen bieden aan ambulante handel. Straathandel zorgt voor reuring en dynamiek op straat, verhoogt de aantrekkelijkheid van de stad voor bewoners en bezoekers en schept werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De uitwerking van deze nota is in de Markt- en Straathandelsverordening vastgelegd.
Doel van de Verordening straathandel Den Haag 2017 (RIS 295091) is het stimuleren van economische activiteiten, het bieden van een gelijk speelveld, kansen aan zittende en nieuwe ondernemers, het garanderen van de leefbaarheid voor bewoners, het corrigeren van in het verleden ontstane scheefgroei en het realiseren van een straatbeeld dat past bij de dynamiek van een grote stad.Kiosken hebben een permanent karakter en moeten opgenomen worden in het bestemmingsplan. In het winkelcentrum zijn in de bestaande situatie twee standplaatsen (de Bloemendoos, Vis en snacktiek Duinzigt, beide detailhandel en een kiosk (Take Away Dönner & Pizza) aanwezig. Het uitgangspunt is dat alle 3 de ondernemers de mogelijkheid hebben in het plangebied terug te keren. Daartoe zijn verschillende mogelijkheden: In een winkelpand in de winkelstrip In het paviljoen In een eigen kiosk dat voldoet aan de nieuwe verordening (omgevingsvergunning en standplaatsvergunning is noodzakelijk) Ambulant worden De regeling in het bestemmingsplan is dusdanig geformuleerd dat alle vier de opties mogelijk zijn. Er is het plangebied ruimte voor 3 kiosken, twee op het plein en één voor de huidige Albert Heijn (Kopgebouw). Aan de zijde The Mann Bouwmeesterlaan mag op het winkelplein een gebouw voor twee kiosken komen.
Dit gebouw: mag maximaal 50 m² groot zijn (maximaal 25 m2 per kiosk); mag (uitgezonderd kleine overschrijdingen) maximaal 4 meter hoog zijn. Aan deze kiosken wordt de functieaanduiding Gemengd toegekend waarbinnen horeca en/of detailhandel is toegestaan. De kiosken op het plein zijn een ontmoetingsplek en er kan op een laagdrempelige manier geconsumeerd worden. Zodoende dragen zij op economisch en ruimtelijk gebied iets bij aan het winkelgebied Willem Royaardsplein. 3.8.3
Horeca
3.8.3.1 Horecavisie Den Haag wil met de kracht van horeca de aantrekkelijkheid van Den Haag vergroten, de ontwikkeling van gebieden met grote economische betekenis verder aanjagen en groei van werkgelegenheid in de horecasector stimuleren. De visie voor het gemeentelijk horecabeleid in de komende jaren wordt in de 'Horecavisie Den Haag' (RIS 288645) uiteengezet langs de belangrijkste thema's. Hiermee zet Den Haag in op het verder optimaliseren van de randvoorwaarden voor een bloeiend horecaklimaat in de stad.
75
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
In de horecavisie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Ontwikkeling van de Haagse economie en groei van werkgelegenheid; Ruimte voor vernieuwing en innovatieve concepten; Een gelijk speelveld voor ondernemers; Een toegankelijk en veilig horecaklimaat; Meewegen van bewonersbelangen in beleidskeuzes. De gemeente heeft als rol om afwegingen te maken tussen de belangen van ondernemers onderling en die tussen ondernemers en bewoners. Hierbij wordt uitgegaan van gebiedsprofielen voor de vestiging van horecazaken. Het resultaat is dat de kracht van Haagse horecaondernemers optimaal bijdraagt aan de quality of life voor bewoners, de aantrekkingskracht op (zakelijke) toeristen, een concurrerend vestigingsklimaat voor bedrijven en aan de werkgelegenheid in het algemeen. Horecavisie: uitwerkingsplan 2016-2019 Het Uitwerkingsplan 2016-2019 (RIS 288643) maakt de vertaling van de Horecavisie naar concrete acties. In het uitwerkingsplan zijn een aantal regels en locaties specifiek benoemd. Horeca in winkelgebieden Den Haag streeft naar een optimale verhouding tussen winkels en horeca die winkelgebieden versterken. Daghoreca kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van een winkelgebied. Op een aantal pleinen kan de levendigheid in de avonduren worden versterkt, waardoor de verblijfstijd van de bezoeker wordt verlengd.
Gekozen wordt nu voor het uitgangspunt van maximaal 30% lichte horeca in winkelgebieden. Op sommige locaties is een concentratie tot maximaal 60% lichte en/of middelzware horeca wenselijk. Dat is in onderhavig plangebied echter niet aan de orde. Het percentage heeft betrekking op het totaal aantal panden (niet-woningpanden) in het betreffende winkelgebied. Inventarisatie Uit een verrichte inventarisatie blijkt dat er de volgende zelfstandige horeca-inrichtingen zijn: 1. 2. 3. 4. 5.
Toko Batavia, Willem Royaardsplein 7, lichte horeca, Brasserie The Clipper, Willem Royaardsplein 8, middelzware horeca Chinees restaurant Foe City, Willem Royaardsplein 20, middelzware horeca De Bakery, Willem Royaardsplein 24, lichte horeca Döner Take Away, Willem Royaardsplein 32 (kiosk), lichte horeca
Voor Willem Royaardsplein 6 is een vergunning verleend voor een restaurant-café. Er zijn dus in totaal 6 horecabedrijven. De horecavoorziening in het Sportcentrum Duinzigt is aan de hoofdfunctie gerelateerd en betreft geen zelfstandige horeca. Dit geldt ook voor de viskiosk, wat detailhandel met ondergeschikte horeca betreft. Deze tellen daarom niet mee in het aantal (zelfstandige) horecabedrijven. Op basis van het vorige planologisch regime (beheersverordening) was horeca in de categorie middelzwaar tot een maximum van zes vestigingen uitsluitend op de begane grond toegestaan. In dit bestemmingsplan wordt horeca tot en met categorie middelzwaar toegestaan. Hierin een verwijzing opgenomen naar de Staat van horeca-categorieën die als bijlage bij de regels is opgenomen. Hierin is beschreven welke verschillende horeca-categorieën er zijn en wat daaronder valt. Conclusie In het plangebied, uitsluitend op de begane grond, wordt in bestemmingen Gemengd - 1, Gemengd - 2 en Gemengd - 3 horeca in de categorie licht en middelzwaar toegestaan. Zware horeca is niet toegestaan. Het totaal aantal toegestane zelfstandige horecabedrijven in de categorie middelzwaar bedraagt zes. Dit
76
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
is gebaseerd op bestaande juridische planologische rechten (voorheen beheersverordening Benoordenhout Noord Oost, (1.4 Geldende planologische regelingen). Gezien het gemeentelijk horeca beleid waarbij rekening wordt gehouden met openstellingen in relatie tot de gewenste leefbaarheid van winkelcentra voor de nabije omgeving is in overleg met initiatiefnemer bepaald dat maximaal vier zelfstandige horecabedrijven in de categorie middelzwaar in dit nieuwe plan zullen worden toegestaan. Uitleg van de berekening toegestane horeca in het plangebied. Voor deze planvorming zijn de (bestaande rechten van de) middelzware horeca vestigingen inclusief meegenomen. Dit wil zeggen: het aantal van vier maakt onderdeel uit van de berekening van het huidige horeca beleid waarin 'maximaal 30% lichte horeca in winkelgebieden' is toegestaan. In de regels van de betreffende bestemmingen is vervolgens aan dit percentage het aandeel middelzware horeca toegevoegd. Hierdoor wordt op basis van huidige horeca beleid én op basis van huidige juridisch planologische rechten per saldo niet meer horeca toegestaan. Binnen deze kaders is (flexibele) invulling door middel van uiteindelijke exploitatie en verhuur van horeca units in het winkelcentrum mogelijk gemaakt.
3.8.3.2 Terrassen De oppervlakte van terrassen ten behoeve van toegestane horeca in de aangrenzende bestemmingen Gemengd - 1, Gemengd - 2 en Gemengd - 3 en in Verkeer - Verblijfsgebied met de functieaanduiding "gemengd" (gd) mag maximaal 75m² bedragen. Deze begrenzing betreft alleen losstaande eilandterrassen op het plein en alleen in de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied. Daarnaast is het mogelijk om gevelterrassen direct grenzend aan de gevels van de horecazaken te situeren. De gevelterrassen mogen zich in een zone tot maximaal 2 meter uit de gevel bevinden. 3.8.4
Hotelbeleid
In het plangebied komen geen hotels voor en aangezien het plangebied niet in een toeristisch kerngebied ligt, maakt het bestemmingsplan ook geen nieuwe hotels mogelijk. Een Bed & Breakfast exploiteren door de bewoner(s) van een woning is onder voorwaarden toegestaan in Den Haag: Gasten logeren in een kamer bij u thuis. U serveert de gast alleen ontbijt. U schenkt geen alcohol tegen betaling. Er mogen maximaal 4 personen per keer overnachten. De gasten maken gebruik van de aanwezige sanitaire voorzieningen. De hoofdbestemming van de woning blijft wonen. U houdt een nachtregister bij. Uw woning moet brandveilig zijn. U betaalt toeristenbelasting aan de gemeente. In het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de vestiging van een bed & breakfast binnen een woonfunctie, met dien verstande dat dit geen onevenredige aantasting van de leefomgeving met zich mee brengt. 3.8.5
Kantoren
Het kantorenbeleid is vastgelegd in de nota 'Kantorenstrategie Den Haag 2018-2025, de gebruiker centraal 2.0' (RIS 300807). De oude kantorenstrategie uit 2010 (RIS 170032) had als doel om het overaanbod van kantoorruimte in Den Haag en de regio te verminderen, door transformatie van kantoren naar ander vastgoed te stimuleren. Echter, de Haagse kantorenmarkt is in korte tijd sterk veranderd. De vraag naar kantoorruimte neemt toe, terwijl het aanbod (met name) door het succes van de kantorentransformatie afneemt. Er is nu al
77
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
sprake van kwalitatieve tekorten en onvoldoende aanbod in bepaalde segmenten, bijvoorbeeld bij kantoorverzamelgebouwen. Daarnaast verandert de aard van de vraag onder invloed van de 'nieuwe economie'. Het gaat nu steeds vaker om kleine bedrijven, start-ups en doorgroeiende bedrijven. Het Midden en Kleinbedrijf (MKB) is hierdoor een belangrijk onderdeel van de Haagse economie en is op zoek naar passende kantoorruimte op een locatie die goed bereikbaar is met het OV, centraal gelegen en dichtbij andere bedrijven en voorzieningen. Belangrijke elementen van de kantorenstrategie zijn het aanhouden van een planvoorraad van 200.000 m2 bvo voor nieuwbouw, het terughoudend omgaan met transformaties van panden boven de 1500 m2 bvo, het respecteren van bestaande transformatieplannen, het stimuleren van verduurzaming en het verruimen van bestemmingsmogelijkheden. Voor het plangebied van bestemmingsplan Willem Royaardsplein wordt de planologische mogelijkheid uit de vorige beheersverordening waarmee kantoren op de begane grond worden toegestaan bij de bestemming Gemengd-1. Het totale bruto-vloeroppervlak ten behoeve van kantoren mag per zelfstandige vestiging niet meer bedragen dan 1000 m2.
3.9
Onderwijs, Welzijn en Maatschappelijke Zorg
3.9.1
Onderwijs en kinderopvang
Het 'Lokaal onderwijsplan 2006-2010 'Haagse klasse(n)' biedt een richtinggevend kader ten behoeve van schoolbesturen (Rv 164 -2005; RIS 131462). In dit beleidsdocument staat de autonomie van de schoolbesturen ten aanzien van het onderwijsleerproces, de kwaliteitszorg en alle overige 'schoolinterne zaken' centraal. De kernwoorden zijn autonomievergroting, professionalisering, privatisering, marktwerking en schaalvergroting. Uitgangspunt van het beleid van het ministerie van OCW is dat de professionals in de scholen meer ruimte moeten krijgen om het onderwijs in te richten naar hun eigen professionele inzichten. Is er voldoende goed onderwijs beschikbaar, dan wordt de stad tevens een prettige vestigingsplaats voor werknemers en werkgevers. Voor de onderwijshuisvesting en spreiding van onderwijsvoorzieningen betekent dit dat er naar gestreefd wordt om scholen zo goed mogelijk te huisvesten en met inachtneming van de wettelijke mogelijkheden een zo evenwichtig mogelijke spreiding over de stad te bevorderen.
Dit uit zich in de volgende doelstelling: 'Er is in Den Haag voldoende onderwijsaanbod beschikbaar, dat afgestemd is op de behoeften en capaciteiten van de leerling/ student, dat algemeen toegankelijk is en met de juiste spreiding over de stad.' Om deze doelstelling te behalen wordt ook aangesloten bij de nota 'Visie op Onderwijshuisvesting Den Haag 2000-2010' die de gemeenteraad in 2001 heeft vastgelegd (RIS 86719). In het licht van de uitvoering van deze nota heeft de raad bepaald dat nieuwbouw ter vervanging van schoolgebouwen die niet meer aan de eisen van deze tijd voldoen, prioriteit heeft en dat bij de realisering daarvan onder meer rekening wordt gehouden met bouwkundige eisen ten aanzien van moderne arbeidsomstandigheden en adaptief onderwijs. Daarnaast wordt een goede spreiding van de onderwijsvoorzieningen bevorderd. Het betreffende schoolgebouw dient gemoderniseerd te worden om zodoende goed afgestemd te zijn op de eisen van het huidige onderwijs en bijbehorende voorzieningen. Peuterspeelzaalwerk De gemeente Den Haag streeft in haar huisvestingsplannen naar de vestiging van voorscholen: een peuterspeelzaal en een (Gemeentelijk Onderwijs Achterstand of GOA-)basisschool die dezelfde voor- en vroegschoolse educatieve programma's gebruiken. Voor deze samenwerking is het wenselijk dat de peuterspeelzaal in of nabij de samenwerkende basisschool is gehuisvest.
Als een basisschool in de toekomst nieuwbouw pleegt of wordt verplaatst, moet ook de huisvesting van de samenwerkende peuterspeelzaal daarop worden afgestemd. Kinderopvang Het doel van de nota beleidsnota 'Ruimtelijke implementatie kindercentra in Den Haag' (Rv 85 2001; RIS 85329) is om ruimtelijke criteria op te stellen, waaraan locaties moeten voldoen willen zij in aanmerking komen voor de vestiging van een kindercentrum. Deze nota vormt nog steeds het uitgangspunt voor de beoordeling van initiatieven voor kinderopvang.
78
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Bij het beoordelen van nieuwe initiatieven voor kinderopvang zijn de volgende criteria van belang: kindercentra moeten bij voorkeur in een woonbuurt liggen, in een gemengde wijk met een woonkarakter of in een gebied met concentraties van kantoren; kindercentra in percelen met een school, welzijns- of zorgbestemming ontmoeten vanuit ruimtelijk oogpunt geen enkel bezwaar (amendement raadsvergadering 19 april 2001); kindercentra in vrijstaande of halfvrijstaande percelen zijn toelaatbaar (nadere eisen t.a.v. geluidoverdracht naar aangrenzende panden is mogelijk); kindercentra bij voorkeur niet in een rijtjeshuis of tussen aansluitende woningen; kindercentra moeten bij voorkeur liggen nabij (of aan) een ontsluitingsweg of in ieder geval aan een doorgaande weg en er moeten voldoende mogelijkheden zijn voor het veilig halen en brengen zonder dat de doorgang van het verkeer wordt belemmerd; het moet mogelijk zijn om een geschikte en veilige buitenspeelruimte te realiseren. In het plangebied van bestemmingsplan Willem Royaardsplein zijn geen onderwijsvoorzieningen, GOAbasisscholen, peuterspeelzalen en kinderopvangcentra aanwezig. Er zijn geen nieuwe onderwijsvoorzieningen in dit plan voorzien. 3.9.2
Welzijn en zorg
De doelstellingen en uitgangspunten van het welzijnsbeleid zijn opgenomen in het meerjarenbeleidsplan maatschappelijke ondersteuning 'Zorg voor elkaar' 2011-2014 (Rv 66 - 2011; RIS 180162). Doel van het gemeentelijke welzijnsbeleid is dat Hagenaars actief deelnemen en voor elkaar klaarstaan, zich inzetten voor een ander, de buurt of een vereniging. Het Meerjarenbeleidsplan heeft het karakter van een kadernota, waarin in grote lijnen de missie, hoofddoelen, centrale thema's en het financiële raamwerk worden geschetst. Het vormt daarmee de paraplu voor verschillende (nog op te stellen) uitvoeringsprogramma's, waarin de kaders per beleidsgebied worden vertaald in concrete doelen, activiteiten, tijdsfaseringen en financiële middelen. De volgende hoofddoelen zijn geformuleerd: 1. Het bevorderen van de participatie van Hagenaars; 2. Het ondersteunen van de meest kwetsbare Hagenaars. Bij participatie gaat het om het aanbieden van faciliteiten om deelname van Hagenaars in wijken & buurten én in stedelijke netwerken te bevorderen. Bij ondersteuning gaat het om het bieden van voorzieningen voor Hagenaars in kwetsbare posities, om zo zelfstandig mogelijk deel te kunnen nemen aan de samenleving. In het plangebied van bestemmingsplan Willem Royaardsplein zijn geen welzijns- of zorgvoorzieningen aanwezig. Er worden geen nieuwe welzijns- of zorgvoorzieningen in dit bestemmingsplan voorzien.
3.9.3
Maatschappelijke voorzieningen
3.9.3.1 Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen De groei van Den Haag zorgt voor veel veranderingen. De opgave om vorm en inhoud te geven aan een evenwichtige groei van de stad is groot en vraagt om een nieuwe aanpak vanuit de gemeente. De integrale gebiedsontwikkeling die het college voorstaat en de implementatie van de omgevingswet bieden een kans om fysieke en sociale waarden, in balans met elkaar, een plek te geven in de langetermijn ontwikkeling van de gemeente. Op 19 januari 2021 zijn de “Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen” vastgesteld. Er is een tabel opgenomen met richtinggevende oppervlaktes voor diverse voorzieningen als uitgangspunt te hanteren bij de start van gebiedsontwikkelingen en grootschalige projecten. Na twee jaar zal de gemeente evalueren of de richtinggevende oppervlaktes a. werkbaar zijn en b. tot een bredere implementatie van voorzieningen leidt;
79
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Door de voorzieningenbehoefte voor onderwijs, zorg, welzijn, cultuur, groen en spelen uit te drukken in vierkante meters per 1.000 woningen, voorziet dit document in de behoefte om de maatschappelijke opgaven mee te nemen in de stedelijke ontwikkeling. Met dit bestemmingsplan wordt geen gebiedsontwikkeling mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan betreft wel een ontwikkelplan. Binnen het plangebied worden geen maatschappelijke voorzieningen voorzien. Er is wel van sprake van functiemenging, winkelcentrum met wonen erboven. 3.9.4
Publieke Gezondheidszorg
In het verlengde van de Wet Publieke Gezondheid (WPG) heeft de gemeente een taak in het realiseren van samenhang tussen diverse onderdelen van zorg- en dienstverlening, en moet zij zorgen voor voldoende toegankelijkheid van voorzieningen. Het is dus een taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat in de stad voldoende aanbod van zorg aanwezig is en dat deze bereikbaar is voor bewoners. Het bestemmingsplan faciliteert de behoefte aan zorgvoorzieningen door in de ruimtelijke vormgeving van de wijk de 'fysieke kwaliteit' te bewaken en zo een gezonde leefomgeving voor burgers te bewerkstelligen. Van gemeentewege wordt gestreefd naar multidisciplinaire samenwerking binnen de eerstelijnszorg. In iedere wijk is idealiter een kristallisatiepunt van zorg gesitueerd van waaruit naast zorg ook (zorg)informatie en (zorg)diensten kunnen worden geleverd. Naast bovenstaande algemene (zorg)voorzieningen zijn er ook voorzieningen nodig voor burgers die minder bedeeld zijn. Niet alleen in economische zin maar vooral mensen die vanwege verstandelijke of fysieke beperkingen moeite hebben zelfstandig te wonen. Het is belangrijk om ook voor deze mensen woningen ter beschikking te hebben waar ze al dan niet met begeleiding kunnen wonen. Daarnaast is er behoefte aan voorzieningen waar deze mensen gezamenlijk onderdak kunnen vinden in de vorm van een opvang.
In het plangebied van bestemmingsplan Willem Royaardsplein bevinden zich geen wooncomplexen met zorgvoorzieningen. Er worden geen nieuwe woon-zorgcomplexen voorzien in het bestemmingsplan.
3.9.5
Buurthuis van de Toekomst
Het college wil accommodaties in de stad optimaal benutten door verschillende functies met elkaar te combineren zoals bibliotheken, zorg, welzijn, onderwijs en sport. Daarnaast wil het college de kracht van onder meer sportverenigingen beter benutten voor behoeften en vraagstukken uit de buurt. In het Buurthuis van de Toekomst werken sportclubs, scholen, culturele instellingen en andere organisaties in de wijk met elkaar samen. In het plangebied van bestemmingsplan Willem Royaardsplein zijn geen buurthuizen aanwezig. In het algemeen en binnen een scala aan functies, horen dorpshuizen (wijkcentra, buurthuizen) tot een maatschappelijke functie. Dorpshuizen, maar ook MFC's of MFA' zijn in het bestemmingsplan opgenomen onder de bestemming Gemengd - 1 en Gemengd - 2 onder lid e "maatschappelijk". Dat is een ruime regeling voor allerlei maatschappelijke voorzieningen zoals bibliotheek, gezondheidszorg, openbare dienstverlening, praktijkruimte, verenigingsleven en welzijnsinstelling en overige maatschappelijke functies met dien verstande dat deze zijn toegestaan voor zover deze niet kunnen worden aangemerkt als 'andere geluidgevoelige gebouwen' als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; In ondergeschikte mate kan horeca (artikel 1.47) worden toegestaan.
Binnen de betreffende bestemmingen is onder lid f 'sport' toegestaan, waaronder wordt begrepen: fitnesscentrum, sportcentrum, sportschool. Bij een functieverandering, naar andere zoals commerciële functies, moet een aparte afweging plaatsvinden met zo nodig een omgevingsvergunning of een bestemmingswijziging.
80
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
3.9.6
Jeugdverblijven
De Wet op de jeugdverblijven (geldend vanaf 01-07-2016) zorgt voor wettelijk toezicht op volledig privaat gefinancierde internaten waar kinderen verblijven. Deze internaten – die naar aard verschillen van Turks-Nederlandse internaten tot huizen waar slachtoffers van loverboys worden opgevangen – krijgen onder andere een meldplicht jegens het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente, dienen een kwaliteitskader met voorgeschreven onderwerpen vast te stellen en dienen een onafhankelijke vertrouwenspersoon aan te stellen. Verder dient de houder en alle bij het jeugdverblijf betrokkenen die met minderjarigen in aanraking komen te beschikken over een verklaring omtrent het gedrag. De wet beoogt de controleerbaarheid en transparantie van de situatie in jeugdverblijven te vergroten om uiteindelijk de ongestoorde ontwikkeling en de veiligheid van kinderen die aldaar verblijven zo veel mogelijk te vergroten. In het plangebied van bestemmingsplan Willem Royaardsplein zijn geen jeugdverblijven aanwezig. Er worden geen nieuwe jeugdverblijven in dit bestemmingsplan voorzien. 3.9.7
Levensovertuiging
Den Haag is een internationale stad. Dit komt ook tot uitdrukking in de vele religies en levensbeschouwingen die de stad rijk is. Een deel van de religieuze organisaties heeft huisvestingsproblemen. Tijdens de raadsvergadering op 16 december 2004 bij het tweeminuten debat over "Ruimte voor gebed" is in een motie aangenomen om een feitenonderzoek te doen naar de reële behoefte aan gebedsruimten en naar mogelijkheden van bestaande en nieuwe ruimtelijke bestemmingen van kerken. Het onderzoek Gebedsruimte in Den Haag (2005; RIS 132713), geeft voor een periode van 5 tot 10 jaar een behoefte aan van circa 20.000 m2. De omschrijving van de bestemming Maatschappelijk (M) is daarom zo omschreven dat ook gebedsruimten mogelijk zijn. In het plangebied van bestemmingsplan Willem Royaardsplein zijn geen religieuze voorzieningen aanwezig. Er worden geen nieuwe religieuze voorzieningen in dit plan voorzien. 3.9.8
Sport en recreatie
3.9.8.1 Sport Het gemeentelijke sportbeleid (Rv 7 - 2011; RIS 177242) is gericht op het creëren van een optimaal sportklimaat, zodat zoveel mogelijk Hagenaars regelmatig, intensief, verantwoord, en op een prettige manier kunnen sporten. De voorkeur van de gemeente gaat daarbij uit naar sportbeoefening in georganiseerd verband. De gemeente wil de kwaliteit van het sportaanbod verhogen door: voldoende goede sportaccommodaties te realiseren die betaalbaar, toegankelijk, bereikbaar en voor sportdoeleinden geschikt zijn; een kwaliteitsimpuls te geven aan het sportaanbod door een sportief recreatieve inrichting van openbare ruimten; herkenbare topsport te faciliteren; maatschappelijk sterke sportverenigingen te ontwikkelen; sportverenigingen te ondersteunen; kinderopvang bij sportaccommodaties mogelijk maken. De gemeente wil de bestaande sportvoorzieningen in de wijk behouden. Haar sportbeleid overlapt het groenbeleid daar waar sport buiten plaatsvindt. Het gaat dan niet alleen om sportvelden en buitensportaccommodaties maar ook om parken, pleinen en straten en grote groengebieden en water. Binnen Gemengd 1 en 2 is in de regels opgenomen dat op de begane grond sport is toegestaan waaronder wordt begrepen een fitnesscentrum, sportcentrum en/of sportschool.
81
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
3.9.9
Spelen
De nota Spelen in de stad 2015 – 2018 (RIS 157604 en RIS 281389) heeft als ambitie om in de stad een goed aanbod te bieden aan speelplekken voor kinderen en jongeren van verschillende leeftijden. Dat betekent dat er voldoende speelplekken moeten zijn voor zowel de kinderen als de jongeren. Deze speelplekken moeten aansluiten bij de wensen die leven in de stad. Bij de aanleg van speelplekken wordt daarom de omgeving nauw betrokken. Gebruikers, ouders en bewoners willen zich bij speelplekken meer verantwoordelijk voelen (mede-eigenaarschap), als zij bij de aanleg van die speelplek nauw betrokken zijn. Verder dient er rekening te worden gehouden met de actieradius verschillen per leeftijdsgroep, omdat oudere kinderen verder van huis spelen en meer ruimte nodig hebben dan jongere. Onderstaande tabel geeft voor Den Haag invulling aan de nieuwe richtlijn. Onderstaande tabel geeft invulling aan de nieuwe richtlijn: leeftijdscategorie 0 tot 6 jaar 7 tot 12 jaar 13 tot 18 jaar
aantal kinderen per speelplek 50 tot 75 kinderen 75 tot 100 kinderen 100 tot 125 kinderen
actieradius 100 - 150 meter 400 - 600 meter 1.000 meter
speeloppervlakte 200 m² 500 m² > 750 m²
In dit bestemmingsplan worden speelvoorzieningen toegestaan onder een algemene gebruiksregel. Via een algemene bouwregel is opgenomen dat een speelvoorziening maximaal 4 meter hoog mag zijn. Bij nieuwe woningbouwlocaties dient in principe de richtlijn van 3% aan openbare speelruimte te worden gehanteerd in relatie tot het 'uitgeefbaar' gebied. Groenvoorzieningen die ook als informele speel- en/of recreatie ruimte kunnen fungeren, worden hierin meegeteld. Uitgaande van de onderstaande tabel kunnen bij nieuwe woningbouwlocaties prognoses gemaakt worden wat de openbare buiten speelruimtebehoefte is. Bijvoorbeeld bij een nieuwbouwvariant Stadsrand. De gemiddelde bezetting is hier 2.996 personen per nieuwbouwwoning. Uitgaande van een tweeoudergezin betekent dit dat er 0.996 kind per woning is. Stel dat er 150 woningen worden gebouwd, dan is de prognose 149 inwonende kinderen. Afhankelijk van de verwachte leeftijdsopbouw en het huidige omgevingsaanbod kan bepaald worden hoe groot de behoefte is aan buiten speelruimte voor de komende jaren. Woonmilieu Centrum stedelijk Stedelijk vooroorlogs Groen stedelijk Stedelijk naoorlogs Stadsrand 20e eeuw Stadsrand modern Werkgebieden Totaal
Gemiddelde woning bezetting in deze nieuwbouw 2,742 2,260 1,779 2,160 2,152 2,996 2,245 2,702
Tabel Woonmilieu huidige situatie naar 7 milieus (incl. Werkgebieden) Bron: Bev olkingsprognose Den Haag 2006-2022 blz.96
Daar waar in de richtlijn 3% niet haalbaar is, maar wel nodig is gezien de bevolkingsopbouw, dienen de volgende mogelijkheden te worden geïnventariseerd: het autoluw/vrij maken van een primair woongebied, samenwerken met scholen en sportverenigingen, om het potentieel aan speelruimte te vergroten. In het standaardonderwerp van een speelplek is een aantal uitgangspunten genoemd waaraan een speelplek bij ontwerp dient te voldoen: 1. 2. 3. 4. 5.
een centrale, sociaalveilige plek in de buurt, dus geen 'overhoek' woningen moeten gericht zijn op het spelen, sociale controle (belangrijk voor meisjes) speelruimte combineren met een ontmoetingsplek of groen verkeersveiligheid rondom een speelplek speelplekken dienen bruikbaar en toegankelijk zijn voor kinderen met en zonder handicap.
82
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
In dit bestemmingsplan wordt voldaan aan de richtlijn van 3% aan openbare speelruimte in de vorm van openbare groenvoorzieningen.
3.10
Duurzaamheids- en milieubeleid
3.10.1 Duurzaamheidsbeleid Het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Den Haag heeft zijn weerslag gekregen in verschillende beleidsdocumenten, waaronder ook de 'Kadernota duurzaamheid - schone energie in een groene stad (5 maart 2019, RIS 301829)'. De kadernota beschrijft op hoofdlijnen hoe Den Haag de energievoorziening, leefomgeving, mobiliteit en het afval- en grondstoffengebruik duurzaam en daarmee toekomstbestendig wil maken. Een en ander zal hieronder nader worden toegelicht. Energietransitie De kadernota geeft aan dat Den Haag streeft naar actieve invulling van het klimaatakkoord van Parijs. Hiermee sluit de gemeente aan op de besluiten van de Rijksoverheid die op energieterrein zijn genomen. Uitgangspunten hierbij zijn: reductie van het energieverbruik en stimulering van het gebruik van schone energie. De omschakeling van fossiele naar duurzame en daarmee schone energie wordt beschreven in het Stedelijk EnergiePlan (RIS306869). Zij is gericht op de ontwikkeling van een klimaatneutrale stad in 2030 waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: een duurzame stroom- en warmtevoorziening voor de woningraad, utiliteitsbouw en maatschappelijke voorzieningen vraagt om de realisatie van duurzame bronnen. Voor het grondgebied van de gemeente Den Haag zijn dit zowel bronnen voor duurzaam opgewekte elektriciteit (zon en wind) maar ook geothermie, aquathermie en restwarmte.
Om deze duurzame energie vervolgens te kunnen gebruiken is het van belang netwerken aan te leggen en het elektriciteitsnet te verzwaren. Naast gebruik van duurzame energie is ook energiebesparing (isolatie, duurzaam gedrag) van belang omdat juist dit een bijdrage kan leveren aan de haalbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie. De markt kan hier zelf zijn werk doen maar de gemeente geeft daarbij zelf het goede voorbeeld door het verlagen van de energievraag van gemeentelijke gebouwen. In aanvulling op het vorenstaande is het beleid voor een duurzame warmtevoorziening nader uitgewerkt in 'Transitievisie Warmte (RIS310442)'. Deze visie focust vooral op maatregelen en investeringen op wijkniveau. Zij hanteert daarbij de volgende veronderstellingen: Een aanzienlijk deel van het vastgoed in Den Haag is niet in gemeentelijk eigendom. Verduurzaming van het particuliere vastgoed kan daarom alleen slagen als burgers, ondernemers en overige partijen bij het veranderingsproces intensieve betrokken zijn of worden. Een belangrijk hulpmiddel voor de overstap naar schone energie is de wijk- resp. buurt-gerelateerde kaartanalyse van de 'Transitievisie'. Zij inzicht in de verschillende opties voor de overstap van fossiele naar schone technologie, en de tijdhorizon die hiervoor gehanteerd kan worden (zie de behoefte aan verschillende overstapsnelheden).
Algemeen bekende mogelijkheden in dit kader zijn de realisatie van volledig elektrische warmtepompen, hybride warmtepompen en warmtenetten. Verder geldt voor iedere buurt in Den Haag dat men aan de slag kan met isolatie, de overstap naar inductie koken en het plaatsen van zonnepanelen op het dak. Leefomgeving en klimaatadaptatie De groei en klimaatadaptieve doorontwikkeling van de stad dient volgens de kadernota gepaard te gaan met de ambitie om een gezonde, aangename leefomgeving te creëren. Dit vraagt om een maximale
83
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
inzet op klimaatbestendigheid (omgaan met wateroverlast, hitte en droogte) en een sterke vooruitgang in milieukwaliteit. Klimaatbestendigheidsmaatregelen moeten zo mogelijk samenvallen met andere fysieke werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. de aan te leggen groenvoorzieningen in de stad zullen aan specifieke kwaliteitseisen moeten voldoen, zodat zij toekomstbestendig worden. in intensiveringsgebieden zullen zij in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om een bijdrage te leveren aan de vermijding van hittestress en wateroverlast in het geval van clusterbuien en langdurige regenval. Daarnaast hebben zij een ondersteunende functie voor het stadsgroen en de stadsnatuur en als leefomgeving voor rust en ontspanning. Andere doelen bij de doorontwikkeling van een duurzame leefomgeving zijn de borging van schone lucht, water en bodem, een aangenaam omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze mogelijk worden gemaakt. Dit is alleen mogelijk indien ook het gebruik en het beheer van ondergrondse voorzieningen op een duurzame manier georganiseerd wordt en aan hiervoor geldende duurzaamheidsnormen voldoet. In aanvulling hierop heeft de gemeente de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) vastgesteld.
De wegwijzer biedt ontwerpprincipes om gebouwen en de buitenruimte klimaatbestendig te ontwerpen en in te richten. Wateroverlast en de schade die daardoor veroorzaakt wordt zijn per locatie te analyseren door middel van stresstesten en consultatie van de klimaatatlas. Het waterbergende vermogen ofwel de sponswerking van de stad moet vergroot worden om de gevolgen van klimaatverandering te beperken. Daarvoor zal het beheer en gebruik van hemelwater gericht worden op het vasthouden en bergen, infiltreren en/of hergebruiken van water en in voorkomende gevallen op het vertraagd afvoeren van hemelwater. Oplossingsrichtingen zijn sterk afhankelijk van lokale omstandigheden zoals grondwaterstanden en typen ondergrond (zand of veen). Een robuuste oplossing vraagt daarom altijd om een vorm van maatwerk. Het rapport Haagse Hitte (RIS299474) biedt inzicht in de diverse hitte-eilanden van onze stad en de overlast door hoge omgevingstemperaturen. Dergelijke knelpunten kunnen worden vermeden door: technische maatregelen op en aan gebouwen, die gericht zijn op verkoeling of het weren van zonnestraling (zonwering, overstekken, groene daken, verticaal groen, geveltuintjes) en stadsgroen in de openbare ruimte; hier met name stadsbomen en de hoofdbomenstructuur in Den Haag, die op een klimaatbestendig manier beheer moeten worden.
Voor Den Haag zijn verder ook de effecten van droogte onderzocht; e.e.a. in het kader van een Droogtestudie (RIS306855). De studie geeft aan dat verschillende delen van de stad kwetsbaar kunnen zijn voor diverse effecten van droogte. Droogte wordt beperkt door de maximale sponswerking in de stad te benutten door oplossingen in groenvoorzieningen, bodem- en waterbuffers en wateraanvoer via het (stedelijke/regionale) oppervlaktewatersysteem. Mobiliteit Een belangrijk doel van de kadernota is tevens een schoon, duurzaam en efficiënt mobiliteitssysteem. Hiervoor is een verandering in het mobiliteitsgedrag noodzakelijk zoals vastgelegd in de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 (RIS310664). Deze strategie is gericht op de volgende vier thema's. Ter realisatie van 'stadsvriendelijke vervoerswijzen' zijn duurzame mobiliteitsoplossingen, die zo min
84
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
mogelijk schade brengen aan mens en milieu, en die ten dienste staan van het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte. Dat betekent dat wordt uitgegaan van het STOMP-principe: Stappen-Trappen-OV-MaaS-Privéauto. Bij het ontwerp van de openbare ruimte én de gebouwen wordt in de eerste plaats gekozen voor de voetganger en fietser, gevolgd door het openbaar vervoer (OV), deelmobiliteit en privéauto. Zo vormt de mens het startpunt. Lopen is de basis, voor wat langere afstanden bieden fiets, openbaar vervoer en auto's de uitkomst. De privéauto geldt als sluitstuk, deze neemt namelijk de meeste ruimte in beslag. Om de noodzakelijke doorontwikkeling van het mobiliteitssysteem te bewaken, zijn zes doelstellingen voor mobiliteit geformuleerd, waaronder schone mobiliteit; er wordt ingezet op een klimaatneutrale stad in 2030 en op emissievrije mobiliteit. Dat wordt gedaan door: realisatie van schoner vervoer; reductie van het aantal en de lengte van verplaatsingen; meer verplaatsingen te voet, fiets en openbaar vervoer, de omschakeling naar schone en emissievrije stadslogistiek, taxi- en doelgroepenvervoer. Luchtvervuiling heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid van onze inwoners en bezoekers. Ter borging van een gezonde leefomgeving wil Den Haag daarom luchtkwaliteitsnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteren.
In het verlengde hiervan wordt in de 'Aanpak Schoon Vervoer (RIS303606)' versneld ingezet op schonere voertuigen voor een gezondere lucht. Het spreekt voor zich dat daarnaast ook de inrichting van (de omgeving van) gebouwen een bijdrage aan de realisatie van dit kwaliteitsdoel kan leveren. Voorbeelden hiervan zijn ruimtereserveringen voor bijvoorbeeld (deel)fietsen, (deel)auto's en laadpunten voor elektrische vervoermiddelen. Om de luchtkwaliteit in het centrum te verbeteren kent Den Haag diverse milieuzones, waar het gebruik van gemotoriseerde voertuigen gereguleerd wordt. Vanaf 2025 moet alle logistiek in de binnenstad emissieloos plaatsvinden (Milieu Zones Den Haag RIS305702). Afval en grondstoffen Met de vaststelling van het Grondstoffenplan (RIS310284) heeft de gemeente Den Haag een belangrijke stap gezet bij de realisatie van Rijksdoeldoelstellingen op het gebied van afval- en reststoffenbeheer. Hoofddoel daarbij is het volledige hergebruik van grond- en reststoffen in 2050 (met als tussenstap 50% secundair materiaalgebruik in 2030). De visie van de gemeente is dat afval als grondstof waarde heeft en zoveel mogelijk hergebruikt of gerecycled moet worden. Dit vraagt om een andere aanpak op het gebied van inzameling, verwerking, inkoop, ontwerp en bouwen en slopen.
In het gemeentelijke grondstoffenplan zijn drie uitgangspunten vastgesteld om de waarde van afval zo maximaal mogelijk te benutten. Het eerste uitgangspunt is dat aan de slag wordt gegaan met vraaggericht inzamelen. Dit houdt in dat specifiek afval wordt ingezameld waar lokale ondernemers vraag naar hebben zodat ze dit weer kunnen verwerken in nieuwe producten. Het tweede doelstelling is de borging van zoveel mogelijk 'waardebehoud' van afval en waar mogelijk de toevoeging van waarde toevoegen, het zogenaamde upcyclen. Tot slot moet afval zoveel mogelijk lokaal worden ingezameld en verwerkt. Als het binnen de gemeentelijke grenzen niet lukt, dan in samenwerking met de regio. Circulariteit van projecten worden getoetst aan de hand van de R-ladder. Dit is een meetinstrument met negen vormen van circulariteit. Voorbeelden zijn re-use (producten hergebruiken) en recycle (materialen verwerken tot nieuwe kwaliteit). In totaal zijn er acht prioritaire stromen gedefinieerd: bioafval, plastic, textiel, elektrische apparaten, papier en karton, grofvuil, bedrijfsafval en bouw- en sloopafval. Voor ieder van deze stromen wordt
85
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
gekeken hoe deze het beste ingezameld en uiteindelijk hoogwaardig verwerkt kan worden. Voor bedrijfsafval geldt op dit moment het uitgangspunt, dat ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor de inzameling van hun eigen afval. De gemeente Den Haag stimuleert waar mogelijk collectieve inzameling door ondernemers en lobbyt nationaal en Europees voor stedelijke afvalinzameling. Dit houdt in dat op termijn de inzameling van huishoudelijk- en bedrijfsafval wellicht gecombineerd kan worden. Het aanbieden en ophalen van afval brengt een ruimtevraag met zich mee. De opstelplekken en aanrijroutes moeten voldoen aan de daarvoor geldende randvoorwaarden, zoals geformuleerd in onder andere het 'Handboek Openbare Ruimte (www.hor.denhaag.nl)'. Afvalscheiding van de acht prioritaire stromen wordt zoveel mogelijk in de stad gestimuleerd. In de laagbouw geschiedt dit veelal via huis-aan-huisinzameling (waar mogelijk) in combinatie met afvalsorteerstraatjes in de openbare ruimte. In de gestapelde bouw en hoogbouw kan gescheiden inzamelen uitdagend zijn, omdat er inpandig vaak beperkt ruimte is. Waar mogelijk worden nieuwe pilots opgezet met alternatieve inzamelmiddelen. Daarnaast zal de gemeente bij gebiedsontwikkeling met gronduitgifte het circulair gebruik van materialen en grondstoffen stimuleren middels gunningscriteria in ontwikkelcompetities.
Grote winst is te behalen met slimme, modulaire ontwerpoplossingen in bouwprojecten. Er wordt daarbij onder andere ingezet op biobased bouwen (gebruik maken van materiaal dat CO2 opslaat en hernieuwbaar is) en geïndustrialiseerd conceptueel bouwen (bouwproductie versnellen en milieu-impact verlagen). Tot slot Rekening houdend met diverse doelstelling op het gebied van duurzaamheid zoals hiervoor is omschreven, is het project Willem Royaadsplein ook in het Haags Duurzaamheidsteam besproken. De gemeente Den Haag voert een duurzaam bouwen beleid waarbij de initiatiefnemer wordt gevraagd een duurzaam bouwen prestatie-instrument te hanteren, bij voorkeur de 'Gemeentelijke Praktijk Richtlijn (GPR) duurzaam bouwen'. Daarnaast zal de initiatiefnemer moeten voldoen aan de geldende BENG-normen. BENG staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen. De initiatiefnemer heeft ambities een duurzame ontwikkeling te realiseren en ook hierover met de gebruikers (huurders) afspraken te maken. Uitgangspunt is geen aardgas toe te passen. Het Willem Royaardsplein ligt in een grondwaterbeschermingsgebied. Dat beperkt de mogelijkheden voor Warmte Koude Opslag (WKO). Op ongeveer 1 km ligt een lage temperatuurleiding (Aloysiuscollege naar ICC). Voor de nieuwbouw van NATO/TNO wordt ook gebruik gemaakt van deze lage temperatuurleiding. Den Haag hanteert een GPR score van minimaal 8,5.
Dan is er groene legeskorting mogelijk op de aanvraag bouwvergunning. Bij een GPR van 8,5 geldt een legeskorting van 100% en bij een GPR van 8 geldt een legeskorting van 75%. Toepassing van de duurzaamheidskansen Onderzocht is of het plan aangesloten kon worden op de bron die het ICC voorziet, dat is echter niet mogelijk. Verder zijn de woningen gasloos en voorzien van en luchtwarmtepomp. Naast voornoemde maatregelen en enige vergroening van de daken, zijn er verder geen duurzaamheidsmaatregelen toegepast in het plan. Het bestemmingsplan Willem Royaardsplein is in overeenstemming met het duurzaamheidsbeleid.
86
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Hoofdstuk 4 4.1
Fysieke leefomgevingsaspecten
Inleiding
De Wet milieubeheer schaart onder milieu het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat. In de ruimtelijke context gaat het om het fysieke milieu, de fysieke ruimtelijke omgeving. Voor de inkadering van milieu gebruikt men dan vaak de begrippen: 'milieuhygiëne': gericht op het bestrijden van milieuhinder van geluid, lucht, geur, stank, bodemverontreiniging en veiligheidsrisico's; 'ecologische duurzaamheid': bestaat naast milieuhygiëne uit aspecten van aardkunde, hydrologie, cultuurhistorie, natuur en klimaat en energie, die bij aantasting niet of zeer moeilijk te herstellen zijn; In dit hoofdstuk komen aan de orde: de m.e.r.-beoordeling, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, natuurbescherming, bodem, windhinder en bezonning en bedrijven en milieuzonering.
4.2
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In het Besluit milieueffectgrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (in dat geval dient een volledige mer-procedure doorlopen te worden). Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van de projecten; • de plaats van de projecten; • de kenmerken van de potentiële effecten. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen opgenomen.
De drempelwaarden hiervoor liggen op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer bevat of de ontwikkeling van een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Dit bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van een winkelcentrum met een winkeloppervlak van 6.537 m2 en 39 appartementen mogelijk, het winkeloppervlak neemt hierbij toe met circa 1.025 m2, en is daarmee niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig. Wel is sprake van een vormvrije mer-beoordeling (zie volgende alinea). Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar die beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een volledige mer-procedure nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan – ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerdergenoemde omstandigheden. Dit is een zogenoemde vormvrije mer-beoordeling. 87
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Toetsing aan Besluit m.e.r. In het kader van de toetsing aan het besluit m.e.r. is een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld (Bijlage 1 van de toelichting). Uit deze notitie blijkt dat de omvang en plaats van het project, bestaande uit herontwikkeling van een winkelcentrum met een winkeloppervlak van 6.537 m2 en 39 appartementen in een sterk verstedelijkt gebied beperkt is aangezien het een woon-werkomgeving betreft. De te verwachten milieueffecten zijn dan ook verwaarloosbaar, zodat er geen aanleiding is voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure. In de voorbereiding op het bestemmingsplan is hierover op 14 juni 2023 een besluit genomen. Dit besluit is in Bijlage 2 van de toelichting (Besluit m.e.r.-beoordeling) toegevoegd aan dit bestemmingsplan. In de volgende paragraaf wordt een beoordeling gegeven van de kenmerken, de plaats en de potentiële effecten van de ontwikkeling. Natura 2000 gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. In de gemeente Den Haag zijn er drie Natura2000 gebieden aangewezen. In onderstaande kaart zijn de verschillende deelgebieden op kaart weergegeven.
Westduinpark & Wapendal maken deel uit van een aaneenschakeling van Natura-2000 gebieden die in het duinlandschap langs de Noordzeekust zijn gelegen (de aaneenschakeling is hier en daar onderbroken door onder andere bebouwing, zoals steden als Den Haag of Katwijk). Ten noorden van het Westduinpark ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide en ten zuiden ligt het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen.
afbeelding 34: deelgebieden in het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal
88
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
afbeelding 35: ligging projectlocatie ten opzichte van de stad Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland. Op circa 360 meter afstand bevindt zich het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden (de herinrichting van het bestaande winkelgebied in stedelijke omgeving) en de afstand tot natuurgebieden, zijn effecten op natuurgebieden niet direct uit te sluiten. Hiervoor is een Aerius-berekening uitgevoerd. Uit deze Aerius-berekening blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase. Hiermee is er geen sprake van significantie effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Het bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsbestemmingsplan waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Voor een volledige beschrijving van de in het plan opgenomen ontwikkelingen wordt verwezen naar Hoofdstuk 5 Planbeschrijving. Voor dit bestemmingsplan is een m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen. De conclusie daarvan is dat significant negatieve milieueffecten als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten en dat er derhalve geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld. Voor het natuurgebied Meijendel & Berkerheide is er geen sprake van een significante depositie op de kwetsbare onderdelen binnen dit Natura2000 gebied.
Hiermee kunnen significante effecten op Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling worden uitgesloten.
4.3
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent
89
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6-contour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6-contour gerealiseerd worden.
Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.
In een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied worden op bouwplanniveau op grond van de Regeling Bouwbesluit nadere eisen gesteld aan kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Advies Veiligheidsregio Risicobronnen In het kader van fysieke en externe veiligheid zijn het plangebied en de directe omgeving beschouwd op de aanwezigheid van risicobronnen met de opslag, het transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Geconstateerd is dat het plangebied niet in het invloedsgebied ligt van transportroutes gevaarlijke stoffen, buisleidingen of objecten waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen of andere relevante externe veiligheid wet- en regelgeving van toepassing is.
De uitvoering van dit bestemmingsplan leidt daarom niet tot een noemenswaardige toename of afname van bestaande risico's. De Veiligheidsregio Haaglanden heeft op basis hiervan besloten om in het kader van externe veiligheid geen specifieke
90
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
adviezen uit te brengen met betrekking tot dit bestemmingsplan. Incidentbestrijding door hulpdiensten In verband met de ruimtelijke inrichting van het plangebied is het voor de hulpdiensten van belang dat voor de bereikbaarheid[1] en bestrijdbaarheid[2] van incidenten, de toegankelijkheid, opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen voor dit plangebied voldoende zijn. Omdat de precieze inrichting van het plangebied nog in ontwikkeling is, kan nog niet worden beoordeeld in hoeverre de toegankelijkheid, opstelplaatsen en bluswatervoorziening(en) voor wat betreft de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van incidenten voldoende zijn. Geadviseerd wordt om de risicobeheerder in de wijk te betrekken bij de nadere uitwerking van het plangebied zodat de bereikbaarheid en bluswatervoorziening(en) geborgd worden. Parkeergarage Onderdeel van het plan is een parkeergarage met 158 plaatsen, deze is bereikbaar middels een autolift systeem. Het bestemmingsplan heeft met het oog op duurzaamheidskansen ook het plaatsen van (loze) leidingen opgenomen zodat de exploitant laadpalen kan laten plaatsen voor elektrische voertuigen. Elektrisch aangedreven voertuigen kennen andere veiligheidsrisico's dan conventionele (fossiel aangedreven) voertuigen. De brandveiligheid van parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen is een actueel onderwerp.
Elektrisch aangedreven voertuigen gebruiken veelal lithium-ion battery packs als energieopslag. Branden in dergelijke battery packs wijken af in met name het brandverloop en de brandduur. Daarnaast wijkt de samenstelling van de zeer giftige en bijtende stoffen die vrijkomen bij een brand in een elektrisch aangedreven voertuig af ten opzichte van die van een conventioneel voertuig. Deze risico's dragen eraan bij dat brandbestrijding, zeker in parkeergarages, mogelijk beperkt of helemaal niet kan plaatsvinden. Onderzoekers van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) hebben, in samenspraak met brandpreventisten en deskundigen van de repressieve dienst, een set maatregelen ontwikkeld in een publicatie die kunnen helpen bij het realiseren van brandveilige parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen. De Veiligheidsregio Haaglanden adviseert om gebruik te maken van deze publicatie bij het ontwerp van de parkeergarage (Bijlage 19 Brandveiligheid van parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen). Tot slot Het is belangrijk dat in de verdere uitwerking van het plangebied, zoals (vervangende) nieuwbouw, ook specifiek wordt gekeken naar de brandveiligheid. Hiervoor kunnen extra maatregelen benodigd zijn.
Vervoer gevaarlijke stoffen Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een nieuw routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2). Het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) is aan venstertijden gebonden, met het oog op de veiligheid. Tijdens kantoortijden (tussen 8.00 uur en 18.00 uur gedurende werkdagen) is het vervoer van routeplichtige stoffen op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg niet toegestaan. Deze beperking geldt niet gedurende het weekend. Tijdens de venstertijden worden tankwagens met routeplichtige stoffen gedwongen de rijksweg via bebording te verlaten (K14-borden met vermelding van venstertijden) en via een eveneens gemarkeerde keerlus in omgekeerde richting hun weg op de rijksweg te vervolgen (zogenaamde 'gesloten verklaring'). In voornoemd besluit zijn ook de Lozerlaan en de Ockenburghstraat aangewezen voor het vervoer van routeplichtige stoffen. Voor dit traject gelden geen venstertijden. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt
91
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.