RIS316039 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Willem Royaardsplein (1)
Tekst van het document
32
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Conclusie De herontwikkeling van het winkelcentrum, inclusief het realiseren van woningen, is een wenselijke vorm van binnenstedelijke verdichting volgens de Agenda Ruimte voor de Stad. Hierdoor blijft aantasting van direct omliggende zeer waardevolle groengebieden achterwege. Het bouwen van extra woningen doet recht aan de Agenda Ruimte voor de Stad die voor (onder andere) Benoordenhout aangeeft dat op beperkte schaal en op daarvoor geschikte plekken verdichting mogelijk én noodzakelijk is, met het oog op de grote woningbouwopgave waarvoor Den Haag staat. 3.2.4.3 Nota van Uitgangspunten (NvU) Op 31 januari 2017 is de Nota van Uitgangspunten (NvU) voor de herontwikkeling vastgesteld. (RIS296211). Hierin zijn de uitgangspunten voor de herontwikkeling van het winkelcentrum benoemd. Na de vaststelling van de Nota van Uitgangspunten zijn de uitgangspunten hieruit verder uitgewerkt in het projectdocument (RIS298751). Dit document is aangenomen op 19 december 2019 en is een verdere verdieping van de NvU. In het projectdocument zijn het programma en de stedenbouwkundige uitstraling verder beschreven. De uitgangspunten uit het projectdocument zijn vervolgens verder uitgewerkt in de samenwerkingsovereenkomst (SOK) tussen WPRI en de gemeente. Dit bestemmingsplan is het planologisch juridisch kader waarin de ontwikkeling, conform de uitgangspunten van de NVU, is verwerkt.
3.2.4.4 Motie gemeenteraad De raad heeft het college door middel van een motie (RIS296771) verzocht om uiting te geven aan de wens uit de NvU om de bestaande ambulante handel op een goede locatie op het nieuwe plein terug te laten keren na de verbouwing. Het college heeft in de beantwoording van deze motie aangegeven dat er op het plein drie plekken voor kiosken of standplaatsen worden gereserveerd voor de bestaande ambulante ondernemers. Deze reserveringen komen te vervallen indien de ondernemers en ontwikkelaar overeenstemming bereiken over het huren van een ruimte in het nieuwe vastgoed en zijn zodoende niet beschikbaar voor nieuwe ambulante ondernemers.
3.3
Cultureel erfgoed
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: bescherming van stads- en dorpsgezichten vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie 3.3.1
Cultuurhistorische waarde
3.3.1.1 Rijksbeschermd stadsgezicht Een beschermd stadsgezicht is omschreven als 'groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke en structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke waarde of cultuurhistorische waarde (..)' en dat vanwege dit algemene belang en als zodanig is aangewezen. Het plangebied Willem Royaardsplein maakt onderdeel uit van het Rijksbeschermd stadsgezicht Benoordenhout, vastgesteld op 29 oktober 1996. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is erop gericht om de waardevolle karakteristieken binnen een gebied in stand te houden en te versterken. Het ruimtelijk karakter van deze woonwijk wordt bepaald door de typische schaal en structuur van het vooroorlogse bebouwingsbeeld, gekenmerkt door de grote harmonie in de baksteen-woonhuisarchitectuur en de homogeniteit in verschillende straatwanden, wat leidt tot 33
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
hoogwaardige stedenbouwkundige ensembles. Daarnaast onderscheidt zich de waarde van de huizen in het Nassaukwartier en voorts van veel gebouwen met een (nationaal gezien) hoge architectuurhistorische kwaliteit. De strook waarin het winkelcentrum ligt is vanaf de jaren zeventig ontwikkeld, evenals de grootschalige woonbebouwing tegenover het winkelcentrum. Het winkelcentrum en omgeving behoren niet tot de waarden van het beschermd stadsgezicht. Op basis van het overgangsrecht van de Erfgoedwet is de gemeenteraad van Den Haag verplicht een bestemmingsplan vast te stellen ter bescherming van het Rijksbeschermd stadsgezicht. Aanwijzing tot beschermd stadsgezicht leidt niet tot individuele bescherming van gebouwen. De cultuurhistorische waarden die zijn aangewezen, vallen niet onder dit bestemmingsplan. Er is daarom geen dubbelbestemming opgenomen in dit bestemmingsplan ten behoeve van de bescherming van het stadsgezicht.
afbeelding 14: aanwijzing rijksbeschermd stadsgezicht
3.3.1.2 Provinciaal beleid Cultuurhistorie is van groot belang voor de leefomgeving in Zuid-Holland. Tientallen eeuwen ontginnen en bouwen, wonen en werken hebben deze provincie gemaakt tot een cultuurlandschap bij uitstek. Niet alleen oude molens, boerderijlinten of stadsgezichten maar ook dijken, verkavelingspatronen en archeologische vindplaatsen getuigen daarvan. Deze cultuurhistorische waarden bepalen in sterke mate de identiteit en kwaliteit van een gebied of plek, en op die manier dus ook de leefbaarheid en het welbevinden van bewoners en bezoekers. Het beleid voor cultureel erfgoed van provinciaal belang is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie en uitgewerkt in de provinciale Omgevingsverordening. Daarnaast is het cultureel erfgoed ook opgenomen
34
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
in de provinciale kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie. Het cultureel erfgoed van Zuid-Holland is een belangrijke drager van ruimtelijke kwaliteit. Zeker in combinatie met groen en water verhoogt het erfgoed de variëteit en daarmee de aantrekkelijkheid van stad en landschap. Deze toegevoegde waarde van erfgoed bevordert de provincie op diverse manieren: behoud en versterking van cultuurhistorisch waardevolle structuren en ensembles die van bijzonder provinciaal belang zijn, via bescherming én passende ruimtelijke ontwikkeling, cultureel erfgoed vormt een integraal onderdeel van het provinciaal ruimtelijk kwaliteitsbeleid via de kwaliteitskaart en de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. De cultuurhistorische,aardkundige waarden zijn gebundeld in de cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS), die de basis vormt voor het provinciaal erfgoedbeleid. Het beschermende ruimtelijk beleid richt zich met name op een selectie van de CHS: cultuurhistorische kroonjuwelen, molen- en landgoedbiotopen, werelderfgoed (bestaand en potentieel); Voor dit bestemmingsplan Willem Royaardsplein zijn geen van de genoemde CHS kenmerkende structuren en elementen in het plangebied aanwezig en van belang. 3.3.1.3 Gemeentelijk beleid De Structuurvisie Den Haag 2020 benoemt vier grote troeven van Den Haag, een daarvan is de monumentale residentie.
Den Haag is een stad met een belangrijk cultuurhistorisch erfgoed. Er zijn talrijke monumenten en 30% van de stad is beschermd stadsgezicht. De structuurvisie beschrijft de beschermde stadsgezichten als zéér waardevol en geeft aan dat deze door goed beheer hun kwaliteit zullen moeten behouden. Dat wil zeggen dat in ruimtelijke veranderingsprocessen in de stad bestaande cultuurhistorische waarden een volwaardige rol spelen. Het wil ook zeggen, dat de betreffende gebieden blijvend een betekenis hebben voor de identiteit en het karakter van de stad. In het beschermd stadsgezicht is op een groot aantal plekken sprake van beeldbepalende bebouwing met een hoge ensemblewaarde. Deze bebouwing is op de waarderingskaart van het MIP aangegeven (zie onderstaande kaart) en zal in het bestemmingsplan als zodanig 'beschermd' worden. Om binnen het beschermde stadsgezicht een nadere ordening aan te brengen van het te onderscheiden cultuurhistorische gehalte zijn ordekaarten opgesteld. Den Haag kent belangrijk materieel en immaterieel erfgoed. In de Erfgoedvisie, gezamenlijke visie van Archeologie, Monumentenzorg & Welstand en het Haags Gemeentearchief op het Haagse erfgoed (RIS308176), noemen we dat ‘de Collectie Den Haag’. De betekenis van erfgoed ligt vooral in de bijdrage die het levert aan ons identiteitsbesef.
We ervaren het verleden pas als een erfenis, een erfgoed, als we ons erin kunnen herkennen. En wat we als erfgoed ervaren en benoemen kan voor verschillende groepen en culturen verschillend zijn in aard en uitingsvorm. Zorg voor erfgoed betekent nadrukkelijk niét dat veranderingen in de woon- en leefomgeving zouden moeten worden tegengehouden. Integendeel: stad en samenleving ontwikkelen zich, in reactie op een steeds veranderende maatschappelijke context. Met de ontwikkeling worden geen bestaande culuurhistorische waarden aangetast. De ontwikkeling is in lijn met de Erfgoedvisie.
35
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
3.3.2
Archeologie
Gemeenten hebben de taak om bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden (Erfgoedwet 2016). Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK) opgesteld. In de Beleidsnota Archeologie geeft de gemeente aan hoe de gemeente zorg wil dragen voor de archeologische sporen en resten in de Haagse ondergrond. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het gemeentelijk archeologiebeleid is vertaald in dit bestemmingsplan. Gemeentelijk beleid Op de gemeentedekkende AWVK komen drie eenheden voor waaraan de gemeentebeleid heeft gekoppeld: 1. Terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: waarvan is vastgesteld dat er zich belangrijke archeologische sporen en resten bevinden. In het kader van de archeologische monumentenzorg stelt de gemeente hier voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten dieper dan 50 cm onder maaiveld; 2. Gebieden waar archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht (op basis van de bodemopbouw en/of historische kaarten). Bij activiteiten met een bodemverstoring groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld stelt de gemeente hier voorwaarden voor onderzoek en bescherming van mogelijk aanwezige sporen en resten. 3. Gebieden waar geen archeologische sporen/resten (meer) worden verwacht.
Hier verbindt de gemeente op het gebied van de archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten. Voor de zones met een archeologische verwachting gelden onderzoekseisen en een vrijstellingsregime, waarbij de gemeente gebruik heeft gemaakt van de beleidsvrijheid die de Erfgoedwet daarvoor biedt. De keuzes zijn gebaseerd op gegevens uit archeologisch onderzoek, en beschreven, gemotiveerd en vastgelegd in de Beleidsnota archeologie van de gemeente Den Haag (In het verleden ligt het heden; 2011-2020), de Toelichting op de AWVK, de Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie (GOA) en het gemeentedekkende paraplubestemmingsplan Archeologie Den Haag. Wanneer tussentijds uit archeologisch onderzoek nieuwe gegevens beschikbaar komen, wordt deze informatie meegewogen in de beoordeling van vergunningaanvragen en te zijner tijd verwerkt in de actualisatie van het beleid en de beleidsinstrumenten. In het bestemmingsplangebied komt de eenheid 2 voor. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt van initiatiefnemers van activiteiten met bodemverstoringen in zones met een archeologische of verwachting gevraagd om de archeologische waarde van het terrein, dat door de bodemingreep verstoord wordt, in voldoende mate vast te stellen.
Als blijkt dat er sprake is van een bedreiging van behoudenswaardige archeologische resten, kan de gemeente aan de uitvoering van de geplande bodemingreep voorwaarden verbinden, zoals: technische aanpassingen zodat archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; het laten verrichten van een opgraving teneinde behoudenswaardige resten die verstoord zullen worden, te documenteren en veilig te stellen; of de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, archeologisch te laten begeleiden. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van kracht (art. 5.10 en 5.11 Erfgoedwet 2016). Dit houdt in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag. De meldingsplicht leidt niet tot een bepaling in het bestemmingsplan. De afdeling Archeologie van de Dienst Stadsbeheer verricht namens het bevoegd gezag de taken en besluitvorming inzake de archeologische monumentenzorg. Meer informatie over het archeologiebeleid van de gemeente Den Haag is te vinden op www.denhaag.nl/archeologie. 36
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
De kosten van vooronderzoek en indien noodzakelijk opgraving of begeleiding zijn voor de initiatiefnemer. Alle archeologische werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een erkende, gecertificeerde archeologische partij. Verricht onderzoek ontwikkeling Voor het oostelijke deel van het plangebied is in 2007 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Bijlage 24 Archeologisch onderzoek). Bij het booronderzoek kon worden vastgesteld dat de bodemopbouw niet overeen kwam met de situatie op de geologische kaart. In het onderzochte gebied bleek de ondergrond te bestaan uit een strandwal met geërodeerde lage duinkopjes. In de tussenliggende lage delen was veen aanwezig. In het uiterste zuidoosten van het plangebied heeft zich op de strandwal een bodem gevormd, maar daarin zijn bij het onderzoek geen archeologische resten aangetroffen. Het onderzochte deel van het plangebied is daarop vrijgegeven voor ontwikkeling. In het kader van de nieuwe ontwikkelplannen is in 2019 een bureauonderzoek uitgevoerd voor het westelijke deel van het plangebied (zie bijlage). Hieruit is gebleken dat er in dit gebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn die dateren vanaf de bronstijd. De bodemverstoring voor de voorziene herontwikkeling in dit deelgebied is echter van beperkte omvang en diepte en zal geen schade aan eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen aanrichten.
Voor het westelijke deel van het plangebied is op de plankaart een dubbelbestemming Waarde Archeologie opgenomen, met uitzondering van het onderkelderde kopgebouw, waar geen archeologische waarden meer te verwachten zijn. Conclusie Het onderzochte deel van het plangebied is vrijgegeven voor ontwikkeling. Voor het niet-onderzochte deel blijft de archeologische verwachting bestaan. Dit deel is op de plankaart aangegeven met een dubbelbestemming Waarde - Archeologie.
37
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
3.4
Groen
3.4.1
Agenda Groen voor de stad
In de Agenda Groen voor de Stad (RIS294705) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komen te staan. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven: groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen. De stedelijke leefkwaliteit is afhankelijk van gebiedskenmerken als bebouwingsgraad, aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik van de ruimte (wonen, werken, recreatie, natuur). Het Haagse Groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met de ecologische, de maatschappelijke en de economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema's: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling. Voor Hagenaars voelt het vaak of groen voor nieuwe ontwikkeling moet wijken.
Het is de uitdaging om intensivering te combineren met een waardevolle, betekenisvolle, gezonde en goed functionerende groenstructuur. Intensivering van de stad vraagt om intensivering van groen en groenkwaliteit. Naarmate de stad verdicht, neemt de waarde van het groen toe. Omgekeerd zorgt groen ook voor toename van vastgoedwaarde. Deze twee waarden zouden elkaar moeten vinden en versterken. We streven er naar dat elke (vastgoed)ontwikkeling bijdraagt aan de groene kwaliteit van Den Haag. Dit gebeurt op verschillende wijze: op de klassieke wijze door ontwikkeling van parken en straatgroen, door het ontwikkelen en openstellen van groene binnengebieden en daktuinen, als ook het realiseren van geveltuintjes of groene gevels. Ook kunnen investeringen in kwaliteit of gebruikswaarde uitkomst bieden. Stedelijke Groene Hoofdstructuur De Stedelijke Groene Hoofdstructuur van Den Haag bepaalt voor een belangrijk deel het karakter van de stad. De Stedelijke Groene Hoofdstructuur dient duurzaam in stand gehouden te worden en waar mogelijk versterkt (RIS300506). Het groen heeft vele functies, één daarvan is de functie als stedelijk natuurnetwerk, dat wil zeggen de drager van de stedelijke natuur en verbindingsstructuur voor de omliggende natuur. Deze structuur sluit aan op het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
De Stedelijke Groene Hoofdstructuur bestaat uit kerngebieden (de groengebieden) met daartussen de ecologische verbindingszones.
38
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
afbeelding 15: Stedelijke Groene Hoofdstructuur (RIS300506) In hoofdstuk 5 zal nader ingegaan worden op de wijze van bestemmen van de onderdelen van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur. 3.4.2
Nota Stadsnatuur
In Den Haag zien we de natuur als belangrijk onderdeel van onze stad. Een stad met een vitale stadsnatuur is een gezonde stad. In de Nota Stadsnatuur (RIS305824) zijn handvatten opgenomen waarmee we werken aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. De groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten. De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden.
In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van vuistregels voor biotopen en -beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones. Is extra ruimtebeslag van een niet-ecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht. Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in
39
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
brede zin. We werken aan een natuurinclusieve stad met een ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlastgevende planten en dieren en zetten we in op monitoring van onze stadsnatuur.
afbeelding 16: uitsnede van plangebied m.b.t. aangewezen natuurzones Het plangebied maakt geen deel uit van het netwerk aan ecologische verbindingszones. In Den Haag altijd een natuurkansenscan Bij elke herinrichting en omvorming van de openbare ruimte stellen we een natuurkansenscan verplicht. Ontwerpen die ter beoordeling worden voorgelegd aan de Adviescommissie Openbare Ruimte worden, mede op basis van de natuurkansencan, van nu af aan ook beoordeeld op het gebied van stadsnatuur. Natuurinclusief denken én werken wordt zo steeds meer een vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerpproces. De Natuurkansenscan is opgenomen in bijlage 6 van de Nota Stadsnatuur (RIS3058240). 3.4.3
Nota Stadsbomen
Stadsbomen zorgen met hun ecosysteemdiensten voor leefkwaliteit in de stad. Stadsbomen spelen ook een belangrijke rol bij en zijn een oplossing voor grootstedelijke uitdagingen zoals klimaatadaptatie en verdichting. Het verhogen van de ecosysteemdiensten van bomen door in te zetten op meer kroonoppervlak en het werken aan een toekomstbestendig Haags stadsbomennetwerk zijn dan ook twee hoofddoelen. Dit is opgenomen in de Nota Stadsbomen (15 april 2021 RIS 307827). Voor het verbeteren van ecologische verbinding, het activeren van recreatie en de verbetering van gezondheid in de stad is het oplossen van onderbrekingen in het netwerk gewenst. De eerste focus ligt hierbij op de Hoofdboomstructuur, het verbeteren en uitbreiden van de Haagse groene middenbermen en het planten van bomen op boomloze plekken in de stad. Wanneer we ontwerpen met bomen, dan doen we dat met aandacht voor diversiteit, ecologie en het maken van diverse microklimaten in onze stad. Diversiteit in soorten, maar ook in leeftijdsopbouw van de bomen, dus jong naast oud.
40
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Voor de Hoofdboomstructuur zijn ambities verwoord voor toekomstige projecten en gebieden.
afbeelding 17: uitsnede plangebied m.b.t. hoofdboomstructuur Er zijn binnen de planlocatie geen bomen aanwezig die deel uit maken van de hoofdboomstructuur (zie afbeelding 17). De bijdrage van bomen aan de leefkwaliteit hangt af van de maat van de kroon. Dit is te meten met het kroonoppervlak. In 2030 willen we 5% meer kroonoppervlak. Om meer kroonoppervlak te maken zijn goede groeiplaatsen voor bomen essentieel. De boom groeit anders niet goed, kan niet goed presteren en kan overlast veroorzaken. Investeren in goede bestaande en nieuwe groeiplaatsen is een methode om meer kroonoppervlak te krijgen. Specifiek geldt extra aandacht voor het realiseren van goede groeiplaatsen bij daktuinen op straat- en gebouwniveau. Meer kroonoppervlak is ook te realiseren door extra bomen te planten en bestaande bomen goed te beheren. Ook op particulier terrein liggen hiervoor kansen. In alle (herinrichting)projecten wordt gewerkt aan het behalen van de doelen. Het gaat dan om projecten van ontwikkeling, herinrichting en groot onderhoud in de stad. Hoe omgaan met bestaande en nieuwe stadsbomen is een vast onderwerp van gesprek in deze projecten. Extra aandacht gaat uit naar het realiseren van goede groeiplaats voor bomen voor daktuinen op straatniveau. Hiervoor moet een zo natuurlijk mogelijke situatie kunstmatig worden gesimuleerd.
Tijdens de initiatieffase zal hierover al goed moeten worden nagedacht. Nieuwe daktuinen op straatniveau moeten standaard voldoen aan de eisen voor een goede doorwortelbare ruimte (zie afbeelding 18). Afhankelijk van de gewenste inrichting en de gewenste grootte van een boom is maatwerk nodig en bestaan hiervoor minimale maten. Het is daarbij belangrijk vooraf rekening te houden met de benodigde draagkrachten (zie voor meer informatie de Nota Stadsbomen, RIS 307827).
41
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
afbeelding 18: weergave doorwortelbareruimte (dak)tuinen De inzet van groen vraagt om maatwerk en het bepalen van de gewenste functies. Het vooraf bepalen van de ambitie voor de ecosysteemdiensten is een basisopgave voor elke herinrichting in het gebied. Stadsbomen zien we als dragers van het groen. Voor het realiseren van de twee hoofddoelen, een toekomstbestendig Haags bomennetwerk en 5% meer kroonoppervlak in 2030, hebben we concrete maatregelen benoemd. Voor het realiseren van een toekomstbestendig Haags Stadsbomennetwerk bestaan verschillende opgaven: uitbreiden en versterken van de Hoofdboomstructuur. Een Hoofdboomstructuur verbindt direct of indirect belangrijke groengebieden met elkaar, begeleidt over het algemeen hoofd- en ontsluitingswegen en bestaat vooral uit lanen (met of zonder middenberm) en voldoet aan enkele andere specifieke voorwaarden (zie Nota Stadsbomen); Versterken en uitbreiden van Haagse groene middenbermen; Grootschalige uitval voorkomen door te kiezen voor diversiteit in geslacht, soort en cultivar i.p.v. monoculturen; Kiezen voor biodiversiteit en te ontwerpen met het ecologisch passend principe. Het stedelijke doel is dat in 2030 75% van de bomen ecologisch passend 2-4* is. (zie uitleg in Nota Stadsbomen); Werken aan goede microklimaten in de stad met behulp van bomen.
Houdt hierbij wel rekening dat bomen een slecht windklimaat niet kunnen oplossen. Voor het realiseren van meer kroonoppervlak in de stad bestaande volgende opgaven: Actief verbeteren van bestaande groeiplaatsen door te ontstenen , zoveel mogelijk 'open groeiplaatsen' te realiseren en groeiplaatsverbeteringen toe te passen; Aanplant van extra bomen (let op! In beperkte mate in ecologische verbindingszones) Nieuwe aanplant met toekomstbestendige groeiplaatsen (zoveel mogelijk in 'open' groeiplaatsen); Bij kabels en leidingen maatwerk toepassen, vooraf ondergronds ontwerp maken; Zorgvuldig omgaan met bestaande bomen; Stadsbreed denken over meer kroonoppervlak: stimuleren meer bomen en struiken op privaat terrein. Betekenis voor het plangebied Op 23 juli 2019 is er een bomeninventarisatie uitgevoerd voor het Willem Royaardsplein en omgeving. Hieruit blijkt dat er op de locatie 67 bomen aanwezig zijn. Als gekeken wordt naar de nieuwe
42
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
ontwikkeling zullen er binnen het bouwplan circa 38 bomen verwijderd moeten worden. Van deze 38 bomen zijn er circa 6 verplantbaar. Er zijn geen monumentale bomen aanwezig in het plangebied. Uitgangspunt is om de bomen te compenseren in het nieuwe ontwerp of in de nabije omgeving (in de wijk Duinzigt). Op het plein zullen circa 9 bomen terugkeren. In totaal zullen er circa 25 bomen herplant worden in de directe omgeving van het Willem Royaardsplein. Indien dit niet mogelijk blijkt, dan moet compensatie plaatsvinden middels storting in het bomenfonds. Uit de bomeninventarisatie blijkt dat voor alle te kappen (en eventueel te verplanten) bomen een kapvergunning zal worden aangevraagd.
3.5
Water
3.5.1
Europees en Rijksbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is december 2000 in werking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers). Het nationaal waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2). Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico's. De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het NWP2.
Tegelijk met het NWP2 is het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021(Bprw) vastgesteld met daarin de operationele uitwerking van het NWP2 voor de rijkswateren: de rollen en taken van Rijkswaterstaat en de hoofdlijnen van het beheer en onderhoud. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 wordt een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het landelijke watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij wordt gestreefd naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. 3.5.2
Provincie
Het beleid van de Provincie Zuid Holland is gebaseerd op het besluit van 29 juni 2016 waarin is aangegeven dat het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 – 2021 bestaat uit: de onderdelen van de Visie Ruimte en Mobiliteit voor wat betreft de onderdelen die behoren tot het regionale waterbeleid, waaronder specifiek paragraaf 4.2: 'Water: versterking van de samenhang in identiteit, kwaliteit, en veiligheid', inclusief de kaarten 11 (Waterveiligheid) en 12 (Zoetwater-voorziening en oppervlaktewater); inclusief bijbehorende bijlagen.; de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 inclusief bijlagen, vastgesteld door PS van Zuid-Holland d.d. 14 oktober 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015, op de onderdelen: Waarborgen waterveiligheid, Regionale keringen (Normen compartimenteringdijken en voorlandkeringen(paragraaf 4.4.3 doelstelling 4) en Realiseren mooi en schoon water: het thema 'Water en natuur': opstelling
43
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
beheerplannen voor Natura2000 gebieden, inclusief aanpak van verdroging (paragraaf 5.4.3, doelstelling 1) en het thema 'Vismigratie': opheffen vismigratieknelpunten (paragraaf 5.6.3). 3.5.3
Hoogheemraadschap van Delfland
Waterbeheerplan 2016-2021 Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap” [7] In het Waterbeheerplan heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor 'droge voeten', 'stevige dijken' en 'schoon water' zijn meerjarenprogramma's opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2027. Delfland zet in op stedelijk waterbeheer en samen met gemeenten werken wij aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorziening door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners en werken we aan het waterbewustzijn om draagvlak te vergroten. Ambities: Zoet water is van levensbelang en daarom is het belangrijk dat iedereen zuinig omgaat met water en zorgt dat het water schoon blijft. Gezuiverd afvalwater hergebruiken en zorgen dat water langer in het gebied bewaard blijft voor droge tijden. Klimaatverandering leidt vaker tot langdurige droogte en heftiger regenbuien. Om de stad klimaatbestendig te maken wordt met partijen gezorgd naar slimme manieren om water langer vast te houden zonder dat het tot overlast leidt. Om de waterkwaliteit te verbeteren neemt Delfland verschillende maatregelen en controleert nog beter op illegale lozingen.
Het water in zwemplassen moet tijdens warme dagen vrij zijn van blauwalgen en bacteriën. Door samen te werken kunnen ook kosten worden bespaard. Bij elke ontwikkeling wordt gekeken welke kansen er zijn om het watersysteem toekomstbestendiger te maken. Watertoets Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Delfland heeft de Handreiking Watertoets voor gemeenten opgesteld. In de Handreiking Watertoets (www.hhdelfland.nl/watertoets) worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht en op welke wijze deze in het plan dienen te worden verwerkt. 3.5.4
Toekomstbestendig Haags water!
In de visie 'Toekomstbestendig Haags water!' is aangeven hoe het watersysteem in Den Haag anno 2014 functioneert, welke knelpunten er zijn en hoe het systeem robuust te houden. Het Haagse watersysteem is op dit moment grotendeels op orde. Door kansen te benutten die zorgen voor een robuuster watersysteem en die ook bijdragen aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de stad, wordt het stedelijke gebied bestand tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte. In het stedelijke gebied is beperkte ruimte voor de traditionele opvang van water. Daarom is inzetten op onderzoek naar meer creatieve en innovatieve maatregelen belangrijk. Samenwerking tussen gemeente Den Haag en Delfland is daarvoor essentieel. De ambitie is: "Den Haag heeft een goed functionerend en toekomstbestendig watersysteem dat de gevolgen van klimaatverandering en verstedelijking kan opvangen en dat bijdraagt aan een aantrekkelijke stad." Samengevat zijn de drie belangrijkste strategische pijlers om te komen tot een toekomstbestendig Haags watersysteem: 1. De basis op orde: zorgen dat het systeem goed blijft functioneren. Eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding moeten worden voorkomen of dienen te worden gecompenseerd. 2.
Pak kansen door samen te werken en door slimme combinatie te zoeken: Als overheden het goede voorbeeld geven, tijdig kansrijke initiatieven en projecten herkennen en optrekken met partijen in de stad. 3. Kennis, onderzoek en innovatie: Kennisontwikkeling, onderzoek en innovatie is van belang om creatieve oplossingen te vinden in het voorkomen van wateroverlast en het leefbaar en aantrekkelijk 44
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
houden van de stad. Als gevolg van klimaatverandering krijgen we ook in Den Haag vaker te maken met hevige regenbuien, meer hete zomerse dagen, langere droge perioden en een verdere stijging van de zeespiegel. Dergelijke weersextremen kunnen veel schade en overlast veroorzaken, ook op het gebied van gezondheid en economie. De opgave voor de komende decennia is om de bestaande en nieuwe stad meer klimaatbestendig in te richten tegen de gevolgen van extreme neerslag, hitte en droogte. Wat echter nog ontbreekt zijn eenduidige ambities en eisen voor klimaatbestendige inrichting en een gezamenlijke aanpak. Het opstellen van deze aanpak is aangekondigd in de Nota Duurzaamheid (RIS301829) en Programmabrief duurzaamheid 2020 (RIS303503). Met de vaststelling van de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308745) is deze leemte gevuld. Deze wegwijzer is onze kapstok om alle projecten en initiatieven bij te laten dragen aan een meer klimaatbestendig Den Haag.
3.5.5
Rioleringsplan
Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is het "Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (RIS 306620, vastgesteld 17-11-2020). Het plan beschrijft voor het eerst integraal de hoofdtaken van de gemeente voor de vier watercompartimenten: afvalwater, hemelwater, grond- en oppervlaktewater waarbij de onderlinge relaties, beleid en opgaven beschreven zijn. De raakvlakken met de uitwerking van de stadsbrede klimaatadaptatiestrategie zijn opgezocht en geïntegreerd. Deze strategie wordt in een apart traject behandeld en vastgesteld. De gemeente neemt haar verantwoordelijkheid voor de zorgplichten zoals omschreven in de Wet milieubeheer en de Waterwet. De zorg voor het rioolstelsel en het grond- en oppervlaktewater vindt gebiedsgericht plaats en op basis van maatschappelijk aanvaardbare kosten. De klimaatverandering zal effect hebben op de grondwaterstanden. Naast monitoring op mogelijke verhoogde grondwaterstanden zullen ook te lage grondwaterstanden nauwlettender worden gevolgd.
afbeelding 19:Het grondwatersysteem van Den Haag (bron: Integraal Rioleringsplan 20121-2025) De bodemgesteldheid in polders, en in het bijzonder in Wateringseveld, Ypenburg en Leidschenveen (diepe polders) is ongunstiger dan in andere stadsdelen, de verwachte levensduur van de riolering is hier dan ook korter dan gemiddeld. Deze wijken liggen op veengrond en hebben een gemiddeld hoge grondwaterstand die met behulp van sloten en soms ook lokale drainage wordt beheerst. Risico van bodemdaling met invloed op riool en op gebouwen is hier het grootst. In de nieuwe planperiode wordt extra nadruk gelegd op de samenhang tussen diverse gebruiksvormen van en werkzaamheden op maaiveld en ondergronds. Fasering van wegwerkzaamheden en rioolvervanging wordt op elkaar afgestemd. Een primaire notie bij het klimaatbestendiger maken van de stad door het afkoppelen van verharde oppervlakken is het ontstenen en bij voorkeur vergroenen. Verder vormt de aanwezigheid van bomen een uitdaging voor het vervangen van de riolering. Omgekeerd stelt de aanwezigheid van riolering randvoorwaarden aan te planten bomen. Er zal een goede afstemming nodig blijven met programma's van andere partijen, zoals met name het vervangen van waterleidingen door
45
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Dunea en gasleidingen door Stedin. Dubbel ruimtegebruik is wenselijk maar stelt wel de nodige voorwaarden. Een goede en tijdige afweging van de belangen is nodig om de verschillende ondergrondse ruimtegebruikers een plek te geven. Er is ook sterke samenhang met energietransitie: aan de ene kant kan er warmte uit de riolering en het water worden gewonnen. Aan de andere kant kan de toenemende vraag naar ruimte in de ondergrond door warmtenetwerken leiden tot een nog grotere druk op de toch al schaarse ruimte in de ondergrond. Bij herstructureringen en nieuwbouwprojecten wordt in samenwerking met het hoogheemraadschap van Delfland een watertoets uitgevoerd. Via een waterparagraaf in het bestemmingsplan wordt de visie op de verwerking van afvalwater, hemelwater en grondwater en de samenhang met oppervlaktewater beschreven en worden eisen voor de verdere uitwerking verwoord. Het hoogheemraadschap hanteert hierbij de watersleutel. Deze is in 2020 vernieuwd en via de website van het hoogheemraadschap te gebruiken. Indien de ontwikkeling kan leiden tot overlast in het project of de nieuwe wijk, kunnen in een vroeg stadium passende maatregelen worden genomen om overlast te voorkomen. Meer dan de helft van het oppervlak van Den Haag is niet in bezit van de gemeente zelf. Bewoners en bedrijven zullen hun steentje moeten bijdragen om de stad water robuuster te maken.
Voorbeelden van maatregelen op eigen terrein zijn het aanleggen van groene daken en het verminderen van verharding (tegels) in tuinen en op binnenterreinen. Het Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan verwijst ook naar de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308745) die op 25 mei 2021 is vastgesteld door het college. Deze nota geeft aan hoe om te gaan met klimaatbestendigheidsmaatregelen en de ambities en eisen daarvoor betreffende verschillende thema's. 3.5.6
Betekenis van het beleid voor het plangebied
Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur. Dat wil zeggen: er moet voldoende ruimte zijn voor waterberging, goede waterkwaliteit, waterkeringen en waterzuivering. Belangrijk uitgangspunt voor Delfland is dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (standstillbeginsel). Indien bij het realiseren van een ontwikkeling de waterhuishouding verslechtert, dient gezamenlijk te worden gezocht naar een oplossing. Dit kan door compensatie, bijvoorbeeld in de vorm van nieuw oppervlaktewater toevoegen in het plan, of nabij de locatie. Er vindt geen extra verharding plaats ten gevolge van onderhavig bestemmingsplan. De waterhuishouding zal daarom niet verslechteren ten gevolge van het bestemmingsplan. Kansen om de waterhuishouding te verbeteren worden beschreven en overlegd en zo mogelijk benut. In hoofdstuk 4 van de Handreiking Watertoets is een overzicht opgenomen van alle wateraspecten die van belang zijn bij het opstellen van een ruimtelijk plan of besluit. De aspecten zijn binnen de programma's onderverdeeld naar de volgende thema's: Stevige dijken: Veiligheid en waterkeringen; Voldoende water: Voorkomen van wateroverlast, Grondwater en voorkomen van (zoet)watertekort, Onderhoud en bagger; Schoon water: Watersysteemkwaliteit en ecologie; Gezuiverd afvalwater: Afvalwaterketen; Klimaatadaptatie. Ad. 1.
Stevige dijken: Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. In het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.
46
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Ad. 2. Voldoende water: Voorkomen van wateroverlast, Grondwater en voorkomen van (zoet)watertekort, Onderhoud en bagger; Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken of vasthouden bij de plaats waar het valt, De gemeente draagt zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar. Deze norm wordt voor deze ontwikkeling aangehouden in het vaststellen van de waterbergingsopgave. Het plangebied ligt binnen de boezem van Delfland (-0,43 m NAP). Binnen het plangebied zijn geen primaire of secundaire watergangen aanwezig.
afbeelding 20: ingevulde watersleutel Voor de beoogde ontwikkeling is de watersleutel ingevuld (Bijlage 20 Watersleutel). Ook de bijbehorende memo Watersleutel is als bijlage bij de toelichting opgenomen (Bijlage 21 Memo watersleutel). De huidige situatie betreft 7823 m2 aan verhard oppervlakte/bebouwing en 0 m2 aan onverhard stedelijk oppervlakte. In de beoogde situatie blijft dit hetzelfde. Qua waterberging dient 75 m3 47
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
gerealiseerd te worden. Dit om op lange termijn (scenario 2050) voldoende waterbergingscapaciteit te bezitten en de toenemende neerslagextremen het hoofd te kunnen bieden. De aanleg, realisatie en instandhouding van de waterberging van 75 m3 wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.
afbeelding 21: Stroomschema toepassen van vasthoudmaatregelen Het graven van open water in het plangebied of peilvlak is voor de ontwikkeling niet mogelijk dus wordt conform het stroomschema van het Hoogheemraadschap (afbeelding 21) gecompenseerd door middel van vasthoudmaatregelen. Bij het tot stand komen van de vasthoudmaatregelen wordt de 'richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces' in acht genomen. Deze richtlijn is raadpleegbaar op de website van het Hoogheemraadschap. De opgave van 75 m3 waterberging zal geschieden door de afvoer van hemelwater van de twee middelste daken (A3 en A5) in blok A naar de ruimte onder de hellingbaan te verslepen om daar te bergen. Uit de tabel van de watersleutel volgt dat er in 48 uur 130l/m² moet worden verwerkt. Het totaal dakoppervlak van blok A3 en A5 = 700 m² en kan maximaal 91 m3 (700 x 0,13) verwerken, ruim voldoende om aan de gevraagde 75 m3 te kunnen voldoen.
afbeelding 22: Doorsnede hellingbaan met bufferingscapaciteit Het water wat wordt geborgen onder de hellingbaan zal uitgepompt worden gezien dit niet op natuurlijke wijze afgevoerd kan worden. Via een pompinstallatie wordt het water afgepompt naar het
48
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
(schoonwater)riool. Het vullen en het legen van de voorziening gebeurt automatisch. Menselijk handelen is niet nodig. De bergcapaciteit moet zodanig vormgegeven worden dat die in ca, 48 uren, als deze volledig gevuld is, vertraagd leegloopt, zodat de berging weer beschikbaar is voor een volgende regenbui. Het beheer en onderhoud van de voorziening wordt vastgelegd in een beheerplan. Het beheerplan van de vasthoudmaatregel wordt in een latere fase nader uitgewerkt in afstemming met Delfland. En de eigenaar van de voorziening draagt zorg voor de levensduur en het vernieuwen van de voorziening. De eigenaar van het perceel is zelf verantwoordelijk voor de aanleg, het functioneren en het instandhouden van de voorziening. De gemeente heeft de instandhouding van de voorziening vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met de initiatiefnemer. Het openbaar groen komt in het beheer en onderhoud van de gemeente. Hemelwater wordt zo veel als mogelijk in de bodem geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd. Drooglegging Hiermee wordt het verschil tussen het maaiveld en het polderpeil aangeduid. Voldoende drooglegging is belangrijk, omdat het mede bepaalt of de ontwateringsdiepte voldoende groot is. De peilhoogte van gebouwen en constructies dienen zodanig gekozen te zijn dat bij maximale waterstanden er geen schade optreedt.
Voor het plangebied geldt dat het bouwpeil van nieuwe gebouwen minimaal 1,60 meter boven NAP is. In de bouwregels wordt dit opgenomen om wateroverlast te voorkomen.
afbeelding 23: weergave bebouwde oppervlakte
49
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
afbeelding 24: weergave oppervlakte daken Grondwater Het onttrekken dan wel infiltreren van (grond)water heeft effect op de grondwaterstand. Deze verandering van grondwaterstand kan negatieve gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Dit is voor Delfland aanleiding om regels te verbinden aan het onttrekken en infiltreren van grondwater. Het doel van het grondwaterbeleid is om zo effectief en efficiënt mogelijk met grondwater om te gaan en het voorkomen van negatieve effecten door grondwateronttrekkingen en infiltraties. De beleidsregel Grondwateronttrekkingen en infiltraties d.d. april 2015 is het toetsingskader bij de beoordeling van watervergunningaanvragen voor onttrekkingen en infiltraties. Er zal geen sprake zijn van permanente onttrekkingen, wel van een tijdelijke grondwateronttrekking met retourbemaling tijdens de aanleg van de ondergrondse parkeergarage. Hiervoor wordt door de initiatiefnemer een watervergunning aangevraagd bij het waterschap. In het kader van de realisatie van een winkelcentrum aan de Esther de Boer van Rijklaan te Den Haag is geotechnisch onderzoek uitgevoerd door Inpijn-Blokpoel ingenieursbureau (Bijlage 22 Geotechnisch onderzoek en Bijlage 23 Monitoringsplan). Het plan omvat de nieuwbouw van een winkelcentrum, welke grotendeels wordt voorzien van een kelder. De kelder heeft een oppervlakte van ca. 5.500 m2.
De bouwput ten behoeve van de kelder zal worden omsloten door een grond- en waterkering. In onderstaande tabel zijn de uitgangspunten omtrent de peilmaten gepresenteerd.
50
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
Op de projectlocatie zijn 2 waterremmende lagen aanwezig, één rond een diepte van ca. 7,0 m - NAP en rond een diepte van 15,0 m - NAP. De lagen zijn wisselend van samenstelling en dikte. Mogelijk zijn de laagjes niet over het gehele grondvlak van de kelder aanwezig. Voor wat betreft de grondwaterstanden is gerekend met een maximale grondwaterstand van 0,75 m + NAP, een gemiddelde grondwaterstand van 0,2 m + NAP en een minimale grondwaterstand van 0,2 m - NAP (TNO peilbuis B30G4835). Indicatieve berekening CSM-WAND Vanuit bemalingstechnisch oogpunt zal de kering naar een dieper niveau moeten worden doorgezet teneinde het te verwachten waterbezwaar te minimaliseren. Voor de berekening van het waterbezwaar is uitgegaan van een bemaling bestaande uit verticale filters rond de bouwput, in combinatie met horizontale drains. Uitgangspunt is dat de bouwput volledig wordt omsloten door een CSM-wand. VOCl verontreiniging De locatie maakt deel uit van een beschikt geval van ernstige bodemverontreiniging met VOCI in het grondwater (kenmerk EU4420001, d.d. 20 maart 2002). Hiervan is sprake bij een gemiddelde overschrijding van de interventiewaarde in meer dan 25 m3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater (bodemvolume) of bij de overschrijding van de norm voor asbest van 100 mg/kg.ds. Er is op de projectlocatie een VOCl verontreiniging aanwezig.
Door het grillige karakter van de slecht doorlatende laag die aanwezig is op een diepte van ca. 7,0 m - NAP zal deze verontreiniging altijd aangetrokken worden door de bemaling. Derhalve zal er voor de grondwateronttrekking een saneringsplan aangevraagd worden bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Het onttrokken grondwater moet worden gereinigd voordat het geloosd kan worden (striptorens). Barrièrewerking In een normale situatie is de gradiënt van het grondwater ca. 1/2500, een relatief flauw verloop derhalve. Gezien de dikte van het watervoerende pakket in relatie tot de gradiënt en de omvang van de bouwput wordt, op basis van in het verleden uitgevoerde berekeningen voor gelijksoortige projecten, verwacht dat de mate van obstructie van het grondwater door de bouwput beperkt zal zijn. Verhogingen/verlagingen van het grondwater rond de bouwput worden eerder ingeschat in de orde grootte van centimeters dan van decimeters. Bij het definitieve ontwerp van de bemaling in het kader van de vergunningaanvraag, zal dit aspect nader worden beschouwd. Bij een eventuele obstructie van het grondwater kan een eenvoudige en zeer effectieve mitigerende maatregel getroffen worden, namelijk het aanbrengen van een drainage rondom de kelder van het gebouw. Monitoring Door de realisatie van de bouwput zal invloed worden uitgeoefend op de omgeving.
Enerzijds door het aanbrengen en vervormen van de CSM-wand, anderzijds door een mogelijke bemaling. Invloed kan worden uitgeoefend op bestaande bebouwing in de omgeving als gevolg van vervormingen en trillingen, op kabels- en leidingen, op bomen maar ook op de grondwaterverontreiniging of KWOinstallaties. Door de doorbuiging van de CSM-wand mogen in de omgeving niet zodanige vervormingen optreden dat schade kan ontstaan aan de omliggende bebouwing of aan kabels en leidingen. Verder mogen tijdens de uitvoering niet zodanige trillingen worden opgewekt (bijvoorbeeld tijdens het aanbrengen van een paalfunderingen of het verdichten van een grondverbetering) dat hierdoor schade ontstaat aan de belendende bebouwing. Door een eventuele bemaling wordt de grondwaterstand in de omgeving verlaagd, met mogelijke
51
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
zettingen van het maaiveld/panden (afhankelijk van de bodemopbouw en de grondwaterstandsverlaging). Door de bemaling mag de grondwaterverontreiniging niet verplaatst of verergerd worden. Ook mag de werking van bestaande KWO installatie niet negatief worden beïnvloed. De uitgangspunten voor de monitoring dienen gericht te zijn op bovenstaande. De monitoring bestaan uit: Inventarisatie van de omgeving (op staal gefundeerde panden, kabels & leidingen, bomen, KWO installaties, actuele situatie grondwaterverontreiniging etc.) Fotografische voor- en ná-opname van panden binnen het invloedgebied van de bouwput /bemaling. Plaatsen hoogte boutjes in op staal gefundeerde panden binnen het invloedgebied, waarvan de hoogte met een regelmatige interval wordt gemeten (afhankelijk van de bouwfase). Zo nodig plaatsen scheurmeters bij panden die in slechte staat zijn. Plaatsen peilbuizen waarin de grondwaterstand wordt gemeten m.b.v. druksensoren. Enerzijds teneinde de grondwaterstandsverlagingen te kunnen meten, anderzijds om de grondwaterstandverhogingen te kunnen meten indien een retourbemaling noodzakelijk mocht blijken. Op basis van de peilbuismetingen kan ook de grondwaterstromingsrichting nauwkeurig worden bepaald. Monitoren verplaatsing van grondwaterverontreinigingen d.m.v. hoogtemetingen in peilbuizen en analyse grondwaterkwaliteit op basis van een tracer.
Afhankelijk van de uitvoeringswijze: trillingsmetingen aan de panden in de directe nabijheid. Afhankelijk van de aard van de kabels en leidingen: deformatie aan gevoelige leidingen. Milieubeschermingsgebieden voor grondwater Onder het begrip milieubeschermingsgebieden voor grondwater vallen waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Elke beschermingszone heeft een eigen beschermingsniveau. Waterwingebieden zijn de meest kwetsbare zones van de beschermingsgebieden, waarin het beschermingsniveau het hoogste is. Alleen activiteiten in het kader van de grondwaterwinning zijn toegestaan. Grondwaterbeschermingsgebied is een bufferzone rondom het waterwingebied. Hier is het beschermingsniveau iets lager dan in een waterwingebied, er gelden minder verboden. Vaak zijn deze gebieden aangeduid als 25- of 100-jaarzones. Rondom het grondwaterbeschermingsgebied is veelal nog een boringsvrije zone opgenomen. Binnen de boringsvrije zone kan bijvoorbeeld het hebben van een boorput of het dieper graven dan x meter verboden zijn. Het plangebied ligt nabij het waterwingebied Meijendel en binnen een milieubeschermingsgebied voor grondwater.
Dit betreft een gebied waarvoor in de provinciale milieuverordening Zuid-Holland regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; Voor werkzaamheden op of in de bodem wordt voorafgaand aan de uitvoering ontheffing/melding gedaan in het kader van de Provinciale Milieuverordening. Op de verbeelding is een gebiedsaanduiding opgenomen “milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied” en in de regels is opgenomen dat bouwen slechts is toegestaan als dit in overeenstemming is met de belangen van het grondwaterbeschermingsgebied. Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die op basis van het beleid van het Hoogheemraadschap Delfland worden gesteld. Op de voor 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' aangewezen gronden zijn aanvullend de gebruiksregels van toepassing zoals opgenomen in het beleid van het Hoogheemraadschap Delfland. Voor het onttrekken en infiltreren van grondwater binnen het grondwaterbeschermingsgebied is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland benodigd).
52
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
afbeelding 25: ligging ten opzichte van milieubeschermingsgebieden voor grondwater Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het grondwatersysteem. Voor eventueel negatieve effecten worden mitigerende maatregelen getroffen. Ad.3. Schoon water: Watersysteemkwaliteit en ecologie; Er is in en nabij het plangebied geen sprake van natte ecologische zones. Het bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die acute risico's voor de kwaliteit van het watersysteem kunnen opleveren (zoals opslagplaatsen voor chemicaliën) en gevaar kunnen opleveren voor kwetsbare gebieden, zoals het grondwaterbeschermingsgebieden en drink waterwingebied. De extra belasting op de riolering ten gevolge van de ontwikkeling valt binnen de capaciteit van het toekomstige rioolstelsel en het rioolgemaal. De ontwikkeling leidt niet tot extra overstorten op het oppervlaktewater. Daarmee is geen sprake van een negatieve invloed op de waterkwaliteit als gevolg van de ontwikkeling. Het plan niet leidt tot een achteruitgang van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem (inclusief natte ecologische zones). Ad. 4. Gezuiverd afvalwater: Afvalwaterketen; Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is "De Leidraad Riolering" en de "Beslisboom aan- en afkoppelen
53
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
verharde oppervlakken" waarbij een gescheiden rioolstelsel het uitgangspunt. Hemelwater, dat afkomstig is van het verhard oppervlak mag niet direct op het oppervlaktewater of riolering afgevoerd worden. Er moet daarbij gebruik gemaakt worden van vasthoudmaatregelen. Gebruik van voor het oppervlaktewater schadelijke stoffen zoals koper, zink en bitumineuze dakbedekking is niet toegestaan Gezien met dit plan een toename in het aantal huishoudens op locatie wordt voorzien zal de hoeveelheid afvalwater toenemen. In de huidige situatie is er sprake van een gemengd rioolstelsel. De afvoer van de capaciteit is voldoende om de extra belasting op de riolering op te vangen. Met de ontwikkeling wordt geen extra verhard oppervlak toegevoegd, maar het Willem Royaardsplein ligt dermate ver van het oppervlaktewater dat als er toevoeging van verhard oppervlak was dit nauwelijks effect zal hebben op eventuele vuiluitworp van riooloverstorten. Het zal hooguit bijdragen in iets langduriger water op straat situaties in het tussentraject, maar dat is in dit gebied niet kritisch. De kwantitatieve en kwalitatieve effecten van lozingen en de verwachte veranderingen daarin op het oppervlaktewater zijn nihil. Qua vasthoudmaatregelen is er sprake van het realiseren van groene daken en een waterbuffer onder de hellingbaan naar de parkeergarage. Ad. 5. Klimaatadaptatie.
De gemeente is ondertekenaar van het Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland, waarin is opgenomen dat deze netwerkpartijen het overeengekomene willen borgen in het beleid van de betrokken overheden en het meenemen in hun bouwprojecten. Als gevolg van klimaatverandering neemt namelijk de kans op weersextremen toe. Om knelpunten te beperken en te zorgen dat Den Haag in 2050 bestand is tegen neerslag, droogte en hitte is de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig vastgesteld (RIS 308745). Het geeft de ambities en eisen aan ten behoeve van de verschillende thema's en stelt een integrale aanpak voor. Extreme neerslag Ambitie is dat in 2050 in Den Haag bij een korte hevige bui van 70mm in 1 uur (eens in 100 jaar in 2050 volgens huidig klimaatscenario KNMI/STOWA): Er ontstaat geen schade vanuit de openbare ruimte aan gebouwen; Vitale infrastructuur en nutsvoorzieningen blijven functioneren; Routes en locaties blijven voor hulpdiensten beschikbaar.
afbeelding 26: Uitsnede klimaatatlas Den Haag Bij nieuwbouw geldt als eis dat er 50 mm van een korte hevige bui van 70 mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en dat na minimaal 24 en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer
54
bestemmingsplan Willem Royaardsplein (ontwerp)
beschikbaar is. Het plan is gelegen in bestaand stedelijk gebied. De locatie is in de huidige situatie nagenoeg volledig verhard. Ondanks dat er bebouwing bij komt neemt het verhard oppervlak niet toe. Er wordt 1200 m2 aan groene daken gerealiseerd. Vanwege ruimte voor installaties e.d. op het dak kan niet het volledige dakvlak benut worden voor groene daken. Van de 2340 m2 aan dakoppervlakte in het plangebied wordt 1200 m2 benut als groen dak. Naast groene daken wordt er als vasthoudmaatregel een waterbuffer onder de hellingsbaan naar de parkeergarage gerealiseerd. Gebufferd water zal afgevoerd worden op het schoonwaterriool. De bergcapaciteit moet zodanig vormgegeven worden dat die in ca, 48 uren, als deze volledig gevuld is, vertraagd leegloopt, zodat de berging weer beschikbaar is voor een volgende regenbui. Er wordt in het plangebied alleen ondergronds geparkeerd. In het plangebied zelf zijn geen bovengrondse parkeerplaatsen aanwezig. De ondergrondse parkeerplaatsen gaan niet ten koste van potentiële ruimte voor groen. Hitte Het aantal tropische zomers neemt naar verwachting tot 2050 verder toe. Het KNMI heeft in het "warmste" klimaatscenario berekend dat de zomertemperatuur zo'n 2,5 graad toeneemt vergeleken met het huidige klimaat. In 2085 zou het zelfs bijna 4 graden warmer worden in de zomer. Hitte heeft effect op de gezondheid van mens en dier.