CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315969 Bijlage 1

Commissie Ruimte 8 februari 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Hoorzitting Ontwerp-bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 133.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Witteveen + BOS heeft in opdracht van Provast en het RVB de vormvrije m.e.r.-beoordeling 'Herontwikkeling KC-locatie' opgesteld. De m.e.r.-beoordeling is opgebouwd aan de hand van de relevante criteria uit de Wet milieubeheer en bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn (2014/52/EU). De m.e.r.-beoordeling gaat in op de vraag of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden bij de herontwikkeling van de KC-locatie. De beoordeling geeft antwoord op de vraag: wat zijn te verwachten effecten en (mogelijke) maatregelen of randvoorwaarden om negatieve effecten en risico's te beperken of kansen en positieve effecten te vergroten? is het doorlopen van een procedure van de milieueffectrapportage nodig?

53

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is als Bijlage 2 opgenomen bij deze toelichting. 5.1.3

m.e.r.-beoordelingsbesluit

Op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling beslist het bevoegd gezag of een milieueffectrapportage (m.e.r.)-procedure moet worden doorlopen of dat kan worden volstaan met het toevoegen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling bij het besluit. Het m.e.r. beoordelingsbesluit is op 13 juni 2023 genomen. Besloten is dat voor de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met het bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

5.2

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheren van de risico's voor de omgeving ten gevolge van: het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen; het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen). Er zijn twee situaties waarbij externe veiligheid een rol speelt, namelijk bij het ontplooien van een risicovolle activiteit en bij het realiseren van een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een dergelijke activiteit. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het bestemmingsplan betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), indien er sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het groepsrisico met meer dan 10%, verantwoord te worden. Ook een eventuele toename van het PR en GR van meer dan 10% dient berekend en verantwoord te worden. In het geval dat nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden mogelijk gemaakt in een Plasbrandaandachtsgebied geldt een verplichting tot het geven van een toelichting.

Onafhankelijk van de hoogte van het groepsrisico dient voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van het transport van gevaarlijke stoffen aandacht besteed te worden aan: mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg, of dat binnenwater een ramp voordoet. Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook LNG- en waterstoftankstations en windturbines. Hierop is het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing.

Voor dergelijke objecten zijn wel rekenmethoden vastgelegd om de veiligheidscontouren te bepalen. Hierbij worden vergelijkbare grenswaarden (PR 10-6) gehanteerd. Voor de opslag van explosieven wordt geen risicobenadering maar een effectbenadering gehanteerd. Op grond van artikel 2.6.6 (veiligheidszones munitieopslag civiele inrichting) van het Besluit algemene

54

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

regels ruimtelijke ordening worden drie veiligheidszones aangewezen. Voor zowel LPG- als LNG-tankstations heeft het Rijk aanvullend effectgericht beleid geformuleerd door middel van het vaststellen van circulaires. In de circulaires wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een verzorgingstehuis en een kindercrèche). Mensen op hoge leeftijd en kleine kinderen zijn beperkt zelfredzaam. Daarom moet voor dergelijke verblijfsobjecten een grotere afstand tot het vulpunt van een LNG- of LPG-installatie aangehouden worden tenzij aanvullende maatregelen aan de gebouwen worden getroffen. Aan de effectbenadering wordt verder vormgegeven in het kader van de Omgevingswet. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet.

In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale).

Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2).

Dit routeringsbesluit is gewijzigd (RIS302166) en bij besluit van 16 mei 2019 door de gemeenteraad vastgesteld (besluiten-lijst RIS302538 onder G.10). De wijziging is op 1 oktober 2019 in werking getreden. Vanaf die datum zijn de venstertijden voor het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg komen te vervallen. Doorgaand vervoer van routeplichtige stoffen is niet meer

55

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

mogelijk behoudens voor het bevoorraden van de LPG-tankstations aan de Prof. B.M. Teldersweg en de Rijksstraat 447 (Wassenaar) door middel van een ontheffing. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: 1.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 1. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 2. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 3. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 4. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 5.

Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: Structuurvisieniveau -> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen Bestemmingsplanniveau -> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen -> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen. Bouwplanniveau: Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen.

56

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

5.2.1

Onderzoek

Peutz heeft in opdracht van Provast/ Rijksvastgoedbedrijf onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's. In deze paragraaf worden de uitkomsten van het onderzoek samengevat weergegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. 5.2.1.1 Plangebied De KC-locatie ligt in het Beatrixkwartier, het Haagse business district ten oosten van de sporen, en maakt onderdeel uit van het Central Innovation District (CID). De te realiseren kantoorgebouwen zijn respectievelijk op een afstand van circa 20 en 65 meter gelegen van de Utrechtsebaan (A12) waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Hiermee zijn beide gebouwen gelegen binnen de 200 meter zone rondom een transportroute. Het plangebied ligt op meer dan 3,5 kilometer van de A4, waarover ook transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Afbeelding 5.1: ligging KC-locatie in de omgeving (bron: Peutz) Vanwege de ligging binnen de 200 meter zone rondom de transportroute A12 dient een QRA te worden uitgevoerd. De A4 kan buiten beschouwing worden gelaten. 5.2.1.2 Risicoberekening vervoer gevaarlijke stoffen (QRA) Voor de risicoberekening is uitgegaan van onderstaande populatiegegevens:

57

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Plaatsgebonden risico 5.2.1.2.1 In afbeelding 5.2 is de ligging van de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour) van 10-7 en 10-8 per jaar weergegeven als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Links zijn de contouren weergegeven voor de huidige situatie en rechts voor de situatie na openstelling van de Rijnlandroute.

Afbeelding 5.2: weergave plaatsgebonden risicocontouren (PR-contour 10-7 is blauw en PR-contour 10-8 is groen) (bron: Peutz) In tabel 5.1 is de afstand van de PR-contouren tot de as van de Utrechtsebaan gegeven.

Tabel 5.1: Afstand PR-contouren tot as Utrechtsebaan (bron: Peutz)

58

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

5.2.1.2.2 Groepsrisico Uit de berekening van het groepsrisico (transport van gevaarlijke stoffen over de Utrechtsebaan) blijkt dat de oriëntatiewaarde in de huidige situatie en in de toekomstige situatie niet wordt overschreden. Het groepsrisico neemt ten opzichte van de huidige situatie met 30,5% toe. Wanneer rekening wordt gehouden met de implementatie van de Rijnlandroute, neemt het groepsrisico af en is er geen sprake meer van een groepsrisico ter plaatse van de Utrechtsebaan.

Tabel 5.2: Hoogst berekende groepsrisico per kilometer in de huidige en toekomstige situatie (bron: Peutz) 5.2.2

Verantwoording Groepsrisico

Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico de oriëntatiewaarde overschrijdt en met meer dan 10% toeneemt (30,5%). In een dergelijke situatie is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig. De aspecten zelfredzaamheid en ontvluchting vragen in het kader van de verantwoording van het groepsrisico om aandacht. Het treffen van bouwkundige maatregelen en het uitvoeren van een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico gericht op risico's van het transport van LPG die niet meer aan de orde zijn op het moment dat de bebouwing in gebruik wordt genomen, wordt als niet noodzakelijk gezien. Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied vanwege het relatief beperkte transport van brandbare vloeistoffen. Daarnaast zijn eventuele effecten als gevolg van een plasbrand beperkt vanwege de verdiepte ligging van de Utrechtsebaan en de realisatie van een overkapping. Dit neemt niet weg dat er rekening wordt gehouden met eventuele risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen, niet routeplichtig transport. Hierna wordt specifiek ingegaan op aspecten als zelfredzaamheid en ontvluchting. Naar verwachting zullen de meeste gebruikers/ bezoekers van de gebouwen in voldoende mate zelfredzaam zijn. Bij een calamiteit op de Utrechtsebaan is het - een toxische calamiteit uitgezonderd, gewenst om van de risicobron af te vluchten.

Bij een toxische calamiteit is het 'binnen blijven en ramen en deuren sluiten' (het schuilen) het beste handelingsperspectief. Conform het bouwbesluit zal het gebouw reeds een hoge mate van luchtdichtheid kennen. De inlaat van het ventilatiesysteem van de kantoortorens zal niet aan de zijde van de Utrechtsebaan worden gepositioneerd. De ventilatie wordt uitschakelbaar uitgevoerd. Er wordt waar mogelijk gestreefd om (ook) van de Utrechtsebaan af te kunnen vluchten. Via de ondergrondse kelder kan er (ook) veilig worden gevlucht. Gezien het voorgaande hoeven de zelfredzaamheid en ontvluchtingsmogelijkheiden geen belemmering op te leveren voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten. 5.2.3

Advies Veiligheidsregio Haaglanden

De Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) heeft op 8 september 2022 advies gegeven. De VRH concludeert dat door de ontwikkeling van de twee nieuwe kantoorpanden de risico's toenemen. Om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te verbeteren, worden de volgende maatregelen geadviseerd: A. Afschakelbare ventilatie (effectbeperking) B. Vluchtwegen van de risicobron af (verhogen zelfredzaamheid)

59

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

C. Voorbereiden interne organisatie (verhogen zelfredzaamheid) D. Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid) E. Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen (maatregelen t.b.v. de hulpverlening). Het volledige advies is als Bijlage 8 bij de toelichting opgenomen.

5.3

Geluid

5.3.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Als geluidsgevoelige gebouwen dan wel terreinen zijn aangewezen: woningen onderwijsgebouwen m.u.v. gymnastieklokalen; ziekenhuizen en verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; medisch centra; poliklinieken; medische kleuterdagverblijven; terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg; woonwagenstandplaatsen. Met voorliggend bestemmingsplan worden geen van deze functies mogelijk gemaakt. Het uitvoeren van geluidsonderzoek is daardoor niet noodzakelijk.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

5.4.1

Algemeen

Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.

60

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Tabel 5.4.1: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. 5.4.2

Relatie tot ontwikkeling

De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt bestaat uit de realisatie van een tweetal kantoorpanden. De kantoorfunctie gaat gepaard met de realisatie van voorzieningen, zoals horeca, dienstverlenende en maatschappelijke functies, maar ook functies gericht op cultuur en ontspanning (denk hierbij aan het 'ANWB Theater'). Een woonfunctie is uitgesloten. De te realiseren functies vallen ten hoogste binnen milieucategorie 2 van de VNG-publicatie. Voor milieucategorie 2 geldt in het omgevingstype rustige woonwijk een richtafstand van 30 meter en in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'gemengd gebied'. In de directe nabijheid van de projectlocatie komen immers zowel bedrijf- als woonfuncties voor. Ook ligt het plangebied aan doorgaande wegen. De ligging in gemengd gebied zorgt ervoor dat de richtafstanden met één afstandsstap mogen worden verlaagd. De dichtstbijzijnde woningen zijn op een afstand van circa 60 meter gelegen en dit betreffen de woningen aan de Adelheidstraat. Aan de richtafstand wordt derhalve ruimschoots voldaan. Gelet op voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1

Algemeen

Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht.

61

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd. De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. 5.5.2

Onderzoek

In opdracht van Provast en Rijksvastgoedbedrijf heeft Witteveen + Bos luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek gegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Het onderzoek is aan de hand van de NIBM rekentool uitgevoerd, waarbij gebruik is gemaakt van verkeersdata uit het verkeersmodel van Goudappel (Modelberekeningen herontwikkeling KC-locatie Den Haag). 5.5.2.1 Huidige situatie De concentraties NO2 (stikstofdioide) bedraagt volgens de monitoringstool maximaal 30,89 ug/m3. De concentraties liggen overal beneden de grenswaarde uit de Wet milieubeheer van 40 ug/m3. De concentraties PM10 (fijnstof) bedraagt volgens de monitoringstool maximaal 18,66 ug/m3. De concentraties fijnstof liggen overal ruim beneden de grenswaarde uit de Wet milieubeheer van 40 ug/m3. 5.5.2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is berekend dat er 1244,5 mvt/etmaal licht verkeer, 20 mvt/etmaal middelzwaar verkeer en 32,5 mvt/etmaal zwaar verkeer zal plaatsvinden. Wanneer hiermee in de NIBM-tool gerekend wordt blijkt dat de NO2-concentratietoename van het extra verkeer minder dan 1,2 ug/m3 bedraagt, namelijk 1,19 ug/m3. De PM-10 concentratie bedraagt 0,22 ug/m3. Zie ook onderstaande afbeelding.

De achtergrondconcentraties liggen op de KC-locatie in 2030 tussen de 14,3 en 17,1 ug/m3 NO2 en 15,2 en 15,5 UG/m3 PM10.

62

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Op basis van toenames berekend met de NIBM-tool en de achtergrond concentraties, zijn de volgende totale concentraties voor het plangebied berekend: - 15,5 - 18,3 ug/m3 NO2; - 15,42 - 15,72 ug/m3 PM10 De concentraties No2 en PM10 voldoen daarmee aan de wettelijke grenswaarden. Het plan leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.6

Trillingen

Vanwege de ligging nabij (verhoogde) tramlijnen heeft Peutz, in opdracht van Provast en het Rijksvastgoedbedrijf onderzoek verricht naar optredende trillingsniveaus door railverkeer ter plaatse van de gevellijn van de beoogde kantoren (Bijlage 9) De tramlijnen liggen op een afstand tussen van circa 18 en 35 meter. Gezien deze afstand zijn voelbare trillingen niet op voorhand uit te sluiten. Doel van het onderzoek is om ter plaatse van de beoogde bebouwing de optredende trillingsniveaus te bepalen en deze te toetsen aan de streefwaarden voor nieuwe situaties uit Richtlijn B 'Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn' van stichting Bouwresearch. Op het gebied van trillingen bestaan geen wettelijke grenswaarden voor optredende trillingsniveaus in kantoren vanwege railverkeer. Wel wordt, om een goed werk- en leefklimaat te garanderen getoetst aan de streefwaarden uit de Richtlijn B 'Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet en beoordelingsrichtlijn' van de Stichting Bouwresearch. Voor kantoren in nieuwe situaties, waarbij er sprake is van herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd (waarvan bij trillingen veroorzaakt door spoorwegen sprake is) de in onderstaande tabel gegeven streefwaarden gehanteerd.

Optredende trillingniveaus voldoen aan de streefwaarden indien voldaan wordt aan een van onderstaande twee voorwaarden: - de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax ) is kleiner dan A1; - de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax ) is kleiner dan A2, waarbij de kwadratische gemiddelde trilingssterkte over de beoordelingsperiode in deze ruimte Vper kleiner is dan A 3. Op 20 mei 2022 van circa 08:30 tot en met circa 10:00 hebben metingen plaatsgevonden. De meetposities staan aangegeven in onderstaande afbeelding.

63

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Afbeelding 5.6.1: meetlocaties ten opzichte van plangebied en tramlijnen (bron: Peutz) In de periode dat er gemeten werd vonden meer dan 40 trampassages plaats. Uit de metingen blijkt dat de optredende trillingsniveaus op meetpositie: 1. niet voldoen aan streefwaarde A1 maar wel aan streefwaarde A2 en A3; 2. voldoen aan de streefwaarde A1; 3. niet voldoen aan streefwaarde A1 maar wel aan de streefwaarde A2 en A3. Op alle meetposities wordt voldaan aan de streefwaarden uit de SBR-B. Geconcludeerd wordt dat er op de beoogde planlocatie een goed werk- en leefklimaat ontstaat voor een gebouw met een kantoorfuncties.

5.7

Natuurbescherming

5.7.1

Algemeen

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogel- en Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2

64

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

(Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten). De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Zuid-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 5.7.2

Onderzoek

5.7.2.1 Quickscan flora en fauna De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Aan Adviesbureau ECOlogisch is gevraagd om verkennend onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde planten- en diersoorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. Het onderzoek is bijgesloten als Bijlage 10. Geconcludeerd wordt dat in de bebouwing verblijfplaatsen van gebouwgebonden soorten vleermuizen; de gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. In een boom in de binnentuin is een nest aanwezig welke mogelijk gebruikt wordt door de boomvalk of sperwer. In de binnentuin kunnen algemene amfibieën en zoogdieren niet worden uitgesloten. De daken en het groen bieden broedgelegenheid voor algemene broedvogels. Bij het amoveren of aanpassen van de bebouwing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden beschadigd en vernield. Individuen kunnen worden verstoord of gedood. Bij het amoveren of aanpassen van bebouwing en het verwijderen van groen kunnen (jaarrond beschermde) nesten van vogels worden beschadigd en vernield.

Bij het verwijderen of aanpassen van bebouwing en het verwijderen groen in de binnentuin kunnen algemene zoogdieren en amfibieën worden gedood. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar vast rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de boomval en de sperwer. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Indien de geplande ontwikkeling in de gebruiksfase gaat leiden tot een toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de 'AERIUS Calculator' benodigd om uitsluitsel te geven of de ontwikkeling een effect heeft op Natura 2000-gebieden. Er bevinden zich bomen in de binnentuin en op het erf. Voor de kap van enkele bomen is een

65

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

kapvergunning noodzakelijk. 5.7.2.2 Aanvullend onderzoek 5.7.2.2.1 Vleermuizen Onderzoeksbureau ECOlogisch heeft aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen, zie Bijlage 11. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat binnen het projectgebied de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis zijn waargenomen. In het projectgebied zijn geen paarverblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld, maar op basis van het waargenomen gedrag wordt er een (1) paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in het projectgebied verwacht. Gedurende het onderzoek naar de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen is een (1) baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het baltsterritorium is vastgesteld in de binnenplaats. Op basis van het waargenomen gedrag wordt verwacht dat de bijbehorende paarverblijfplaats in een (1) van de omliggende gevels van de binnenplaats aanwezig is. Ten noorden van het projectgebied is een baltsend individu van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Er is geen binding tussen desbetreffend individu en de bebouwing van het projectgebied waargenomen. In het projectgebied zijn geen zwermende individuen van vleermuizen waargenomen welke kunnen duiden op de aanwezigheid van massawinterverblijfplaatsen.

De bij het balsterritorium bijbehorende paarverblijfplaats in het projectgebied, kan onder gunstige weersomstandigheden gebruikt worden als winterverblijfplaats. De bebouwing maakt vooralsnog geen onderdeel uit van de vliegroutes van vleermuizen. Bij passerende vleermuizen in de omgeving van het projectgebied is geen binding met lijnvormige structuren vastgesteld. Om te bepalen of in het projectgebied zomer- en kraamverblijfplaatsen aanwezig zijn is apart onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 12. In dit onderzoek wordt ook ingegaan op de vraag of er in het projectgebied broedvogels aanwezig zijn. Verder blijkt dat er in het projectgebied drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn. Alle verblijfplaatsen bevinden zich in de gevels aangrenzend aan de binnentuin. Er zijn geen kraamverblijfplaatsen in het projectgebied aangetroffen. Er is een baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld in de binnentuin. Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld waar de bijbehorende paarverblijfplaats zich exact in de bebouwing bevindt. Het is waarschijnlijk dat een van de zomerverblijfplaatsen tevens als paarverblijfplaats wordt gebruikt. Onder gunstige omstandigheden kunnen de aangetroffen verblijfplaatsen gebruikt worden als winterverblijfplaats. Zomerverblijfplaatsen en baltsterritorium zijn beschermde functies (Wet natuurbescherming).

Door de werkzaamheden kunnen de verblijfplaatsen verloren gaan. Ook kunnen individuen worden vertoord en gedood. De verbodsbepalingen uit artikel 3.5 Wet natuurbescherming zullen daarmee worden overtreden. Vergunningplicht Voor doorgang van de werkzaamheden is een ontheffing nodig voor overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 lid 2 en lid 4 van de Wet natuurbescherming. PM ontheffingsaanvraag. 5.7.2.2.2 Jaarrond beschermde nesten Uit onderzoek, zie Bijlage 12, blijkt dat er geen bezette jaarrond beschermde nesten in het plangebied aanwezig zijn. Wel is een bezet nest van een houtduif aangetroffen.

66

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

5.7.2.2.3 Stikstofdepositie Witteveen + Bos (aanlegfase) en Peutz (gebruiksfase) hebben ten behoeve van de nieuwbouwplannen ter plaatse van de Juliana van Stolberglaan 1 stikstofdepositieberekening uitgevoerd, zie ook Bijlage 13 bij deze toelichting. Hierna wordt een samenvatting van de rapportages gegeven. Aanlegfase Bij de berekening van de aanlegfase is rekening gehouden met de sloop- en bouwwerkzaamheden, waarbij stikstofemissies vrijkomen door de inziet van mobile werktuigen en bouwverkeer. De sloopwerkzaamheden duren circa 3 maanden. De bouwfase duurt tot medio 2027. Omdat in het eerste jaar de meeste zware mobiele werktuigen worden ingezet en veel transport plaatsvindt, worden dan de grootste emissies en daarmee hoogste stikstofdeposities verwacht. In onderstaande tabellen zijn de intensiteiten van het zware en lichte verkeer weergegeven. Sloop

Bouwfase

Referentiesituatie Voor de referentiesituatie wordt uitgegaan van het huidige gebruik van de KC-locatie. In onderstaande tabel zijn de intensiteiten van het zware, middelzwaar en lichte verkeer weergegeven in de referentiesituatie.

Resultaten aanlegfase Uit de berekening met het rekeninstrument AERIUS, versie 2022.1, op het moment van schrijven van de rapportage de meest actuele versie, blijkt dat er tijdens de aanlegfase sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De hoogste bijdrage is op Meijendel & Berkeheide. In onderstaande tabel zijn de grootste berekende stikstofdepositietoenamen per Natura 2000-gebied weergegeven. Voor de berekening wordt verwezen naar de bijlage (Bijlage 13)

67

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Grootste stikstofdepostietoename door aanlegfase KC-locatie Mogelijke significante negatieve effecten door stikstof tijdens de aanlegfase zijn niet op voorhand uit te sluiten. Met een ecologische beoordeling kan worden nagegaan of er sprake is van mogelijke significante effecten door stikstof op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het project omvat echter meer dan alleen de KC-locatie. Het in de aanloop naar de verhuizing van de ANWB buiten gebruik stellen van delen van het bestaande kantoorgebouw aan de Wassenaarseweg 220 kan feitelijk en organisatorisch niet los worden gezien van de realisatie van het nieuwere (kleinere) kantoorgebouw aan de Juliana van Stolberglaan 1 en valt daar in de tijd ook mee samen. Deze aspecten zijn in dit opzicht onderdeel van één en hetzelde project. Om de gevolgen van het project als geheel tijdens de sloop- en bouwfase in beeld te krijgen, dient daarom niet alleen het effect van de werkzaamheden op de nieuwbouwlocatie te worden beschouwd, maar ook de verandering van de stikstofdepositie als gevolg van het gelijktijdig buiten gebruik stellen van kantoren ter plaatse van de locatie aan de Wassenaarseweg 220. Doordat de ANWB de buitengebruik gestelde kantoormeters niet meer terug in gebruik neemt is gewaardborgd dat het destbetreffende deel van de bebouwing gedurende de gehele sloop- en bouwfase buiten gebruik zal blijven.

De verandering in stikstofdepositie - als gevolg van het buiten gebruik stellen van de kantoren op de oude locatie- dient te worden betrokken bij de berekening of er in relatie tot het project in de sloop- en nieuwbouwfase al dan niet sprake is van een relevante toename van stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden. In aanloop naar de verhuiding naar het nieuwe ANWB kantoor zal er 6.534 m2 BVO aan kantoorbebouwing leeg worden gemaakt op de huidige locatie (Wassenaarseweg 220). Deze ruimte zal gedurende de volledige sloop- en bouwfase op de nieuwe locatie (Juliana van Stolberglaan 1) buiten gebruik zijn. Het buiten gebruik stellen en houden van 6.534 m2 BVO kantoorruimte leidt tot een afname van stikstofemissies als gevolg van het wegvallen van gebouwverwarming en verkeersaantrekkende werking. Deze afname is te kwantificeren in een emissiereducite van 1.045 kg NOx per jaar. Om inzicht te krijgen in de stikstofdepositie die als gevolg van deze situatie optreedt is een berekening uitgevoerd met het rekenprogramma AERIUS Calculator versie 2022 (zie Bijlage 13, notitie Peutz stikstofdepositie project ANWB dd 17 maart 2023). Uit de berekening volgt een maximale afname van de stikstofdepostie van 0,12 mol N/ha/jaar ter plaatse van het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied. In onderstaande tabel is per beschouwde situatue aangegeven wat het effect is.

Tussen haakjes is de afname van de stikstofdepositie tijdens de sloop- en bouwfase weergegeven.

68

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Gebruiksfase Als uitgangspunt voor de berekening van de stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase zijn de verkeersgeneratiecijfers in onderstaande tabel genomen.

Verkeersgeneratie in de referentiesituatie en beoogde situatie (bron: Peutz) Berekening Met behulp van de Aerius Calculator 2021 is de stikstofemissie in de huidige situatie en de situatie in 2025 doorgerekend, aangezien de beoogde ontwikkeling niet voor 2025 in gebruik zal worden genomen.

totale stikstofemissie (bron: Peutz) Uit de verschilberekening volgt dat op geen enkel Natura 2000-gebied een maximale stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend. De beoogde ontwikkeling op de Juliana van Stolberglaan 1 leidt tijdens de gebruiksfase niet tot een toename van stikstofdepositie in relevante Natura 2000-gebieden.

Verschilberekening stikstofdepositie (bron: Peutz) Conclusie Uit bovenstaande volgt dat tijdens de sloop-, bouw- en gebruiksfase in zijn totaliteit niet leidt tot een toename van stikstofdepositie van meer dan 0,0045 mol N/ha/jaar. Hiermee is aangetoond dat het project uitvoerbaar is en er geen sprake is van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.

69

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

5.7.2.3 Bomeninventarisatie Vanwege de voorgenomen sloop van de bebouwing van het Koninklijk Conservatorium zullen de aanwezige bomen in de binnentuin worden gekapt. Door ECOlogisch is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige bomen, waaronder kapvergunningplichtige bomen (bomen met een diameter groter dan 15 centimeter op een hoogte van 1.30 meter), zie Bijlage 14 In het projectgebied zijn 23 bomen aangetroffen. 17 daarvan hebben een diameter groter dan 15 centimeter op borsthoogte. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de in het plan aanwezig bomen.

Tabel 5.7.4: aanwezige bomen (bron: ECOlogisch) In onderstaande afbeelding is de plek van de verschillende bomen weergegeven.

70

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Afbeelding 5.7.1: locatie aanwezige bomen (bron: ECOlogisch) De aanleg van het Pocketpark kan gebruikt worden om meer bomen toe te voegen dan momenteel

71

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

aanwezig zijn. De gemeente heeft de ambitie om 5% meer kroonoppervlakte toe te realiseren in 2030. 5.7.3

Natuurinclusief bouwen

Borging van het puntensysteem 'natuurinclusief bouwen' vindt plaats door in de gronduitgifte overeenkomst een verplichting op te nemen, waarin het volgende is bepaald: a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt niet eerder verleend dan wanneer er, conform het instrument 'Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen Den Haag (2019, RIS 301953)': 1. 6 punten behaald worden voor gevel/ dak maatregelen; 2. 4 punten behaald worden voor verblijfsmaatregelen; 3. 6 punten behaald worden voor omgevingsmaatregelen; b. Voor de toepassing van het instrument 'Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen Den Haag (2019, RIS 301953)' is de inzet van expertise in de vorm van een deskundig ecoloog verplicht; c. over in hoeverre aan het bepaalde onder a en b wordt voldaan wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijk ecoloog; d. borging van instandhouding, beheer en onderhoud van de te realiseren maatregelen wordt vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen ontwikkelaar en de afnemer/ gebruiker van het pand/ gebied.

5.8

Bodem

5.8.1

Algemeen

Op 1 januari 2006 is de wijziging van de Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is voortaan functiegericht. Vroeger moesten alle functies van de bodem worden hersteld maar dit bleek in de praktijk lastig haalbaar. Hoge kosten en langdurige saneringen zorgden van stagnatie. De gewijzigde wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen wordt een stuk flexibeler. Het is niet meer altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Wanneer economische of maatschappelijke omstandigheden rond de vervuilde locatie uitstel vragen, kunnen tijdelijke maatregelen worden genomen, op voorwaarde dat risico's voldoende worden beheerst.

Op 1 juli 2013 heeft de laatste wijziging plaatsgevonden onder de Circulaire bodemsanering. Deze circulaire heeft het karakter van richtlijnen, dat wil zeggen dat het bevoegd gezag uit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming rekening moet houden met hetgeen hier is bepaald. Het bevoegd gezag mag voor specifieke situaties gemotiveerd maatwerk toestaan. De reikwijdte van deze circulaire omvat met name de risicobeoordeling en de saneringsdoelstelling. De wijze waarop de risico's worden weggenomen (saneringsaanpak) is een afweging van het bevoegd gezag en blijft hier buiten beschouwing. Voor de saneringsaanpak is een afweging gemaakt tussen de kosten en baten van het wegnemen van de risico's. In voorkomende gevallen kan bijvoorbeeld bij ecologische risico's het wegnemen van de verontreiniging schadelijker zijn voor het ecosysteem dan niet ingrijpen in het ecosysteem.

72

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

5.8.2

Nota bodembeheer 2013-2023

De bodemkwaliteit van het betreffende gebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt en het hergebruiksbeleid is vastgesteld in de Nota bodembeheer 2013-2023 (RIS 60571). Inmiddels heeft van de Nota bodembeheer een actualisatie plaatsgevonden inzake PFAS. RIS-nummer 309914. 5.8.3

Situatie in het plangebied

Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag blijkt dat het plangebied is gelegen in zone B3 / O1 'Vroeg bebouwd gebied rond centrum', de grond (0-2,0 m-maaiveld) valt binnen de bodemkwaliteitsklasse 'Wonen'. 5.8.4

Onderzoeken in de omgeving

Verkennend bodemonderzoek uit 2019 direct ten zuiden van de planlocatie: In de bovengrond zijn resten puin aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met polychloorbifenyl, de ondergrond is licht verontreinigd met barium, cadmium, kwik, lood, zink en polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Het grondwater is licht verontreinigd met 1,2-dichloorethenen. Geconcludeerd wordt dat er op basis van dit onderzoek geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. In de directe omgeving, locatiecode 2550015, is sprake van een ernstige verontreiniging in het grondwater aan vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl's). Hier wordt gedurende een lange periode gemonitord op stabiliteit. Op de locatie heeft in 2010 in het kader van Landsdekkend Beeld met als locatiecode 2530066 een oriënterend onderzoek plaatsgevonden. Ten tijde van dit onderzoek zijn geen ernstige verontreinigingen aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek uit 2008 aan de westzijde van de planlocatie: Zowel in de bovengrond als in de ondergrond is een zwakke bijmenging met puin aangetroffen. De bovengrond is niet verontreinigd, de ondergrond is licht verontreinigd met polycyclische aromatische koolwaterstoffen en minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met zink.

Op basis van dit onderzoek is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. 5.8.5

Milieuhygienisch bodemonderzoek planlocatie

In opdracht van de gemeente Den Haag heeft IDDS in juni 2022 een milieuhygienisch vooronderzoek, verkennend bodemonderzoek en een fundatieonderzoek (indicatief) uitgevoerd, zie Bijlage 15. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen totaalsloop van de onderzoekslocatie. Het doel van het onderzoek is meerledig, te weten: het bepalen van de milieuhygienische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater); het indicatief vaststellen van de dikte, opbouw en chemische kwaliteit van het aanwezige fundatiemateriaal teneinde inzicht te krijgen in de hergebruik - dan wel afzetmogelijkheden van het vrijkomende fundatiemateriaal. Bovengrond De bovengrond bestaat uit zand. In de grond is zeer plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name resten baksteen, sporen metselpuin en zwakke en matige bijmenging met repac. Ook is een volledige repaclaag in- en onder tegelverharding aangetroffen wat vermoedelijk dient als funderingsmateriaal. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ondergrond De ondergrond bestaat tot dieptes van maximaal 3,2 m-mv overwegend uit zand. Zeer plaatselijk is sprake van veen in de diepere ondergrond. Er zijn ter plaatse van de waarschijnlijke locaties van de

73

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

gedempte sloten geen slib- en rietresten aangetroffen dan wel een duidelijke afwijkende bodemopbouw. In de grond is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name zwakke tot matige bijmengingen metselpuin. Zeer plaatselijk is sprake van resten baksteen. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het zand zonder bijmegingen blijkt niet tot matig verontreindigd met kwik. Het zand met bijmengingen blijkt over het algemeen licht verontreinigd met koper, zink en kwik. In een mengmonster is een lichte verontreiniging met PCB en minerale olie, matige verontreiniging met lood en een sterke verontreiniging met PAK aangetroffen. Grondwater Aan het bemonsterde grondwater zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. De gemeten waarden voor de zuurgraad en het elektrisch geleidingsvermogen duiden niet op een eventuele verontreiniging van het grondwater. In het grondwater overschrijden plaatselijk de concentraties zink, molybdeen en naftaleen de desbetreffende streefwaarden. De concentraties van de overige onderzochte parameters zijn alle lager dan de betreffende streefwaarden.

Conclusie Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grond) en de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater), kan de hypothese 'verdacht' voor de onderzoekslocatie worden aangenomen. Middels onderhavig onderzoek is de milieuhygienische kwaliteit van de vrijkomende materialen in afdoende mate vastgelegd en geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Er is in afdoende mate een beeld verkregen van de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Belemmeringen inzake de voorgenomen werkzaamheden worden vanuit milieuhygienisch oogpunt niet voorzien. Aanbevelingen In het diepe grondwater (>10 m-mv) van een deel van de onderzoekslocatie bevindt zich een sterke verontreiniging van VOCI, afkomstig van bronnen buiten de onderzoekslocatie. Indien bemaling van de diepere waterlagen, bijvoorbeeld bij de aanleg van een parkeergarage, gaat plaatsvinden dient hiermee rekening te worden gehouden. Indien uit een op te stellen bemalingsplan blijkt dat deze verontreiniging wordt verplaatst of verminderd is een melding nodig bij het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming.

Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt verwacht dat vrijkomend fundatiemateriaal zonder beperkingen kan worden hergebruikt (vrij toepasbaar). Het volledige onderzoek is als Bijlage 14 bij deze toelichting opgenomen.

5.9

Windhinder en bezonning

Onderdeel van de toetsing voor stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning gehanteerd (RIS 170509).

74

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

5.9.1

Algemeen

Indien het project niet voldoet aan de normen kan het project worden geweigerd dan wel desalniettemin worden besloten dat onder voorwaarden met de planontwikkeling wordt ingestemd. Naast bezonning en wind weegt de gemeente immers nog vele andere aspecten af zoals architectonische vormgeving, functies, verkeer, parkeren, financiën, volkshuisvesting, sociale veiligheid etcetera. Onderdeel van de afweging is ook dat er voorwaarden (financieel en materieel) kunnen worden opgelegd aan de initiatiefnemer om maatregelen te nemen aan de vormgeving van het project en/of in de openbare ruimte met het oog op de reductie van windhinder. Overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening kunnen deze eisen worden vastgelegd in een grondexploitatieplan of in een overeenkomst met de initiatiefnemer. De gemeente heeft als taak om al deze aspecten op een evenwichtige wijze tot gelding te laten komen. Het spreekt voor zich dat het aspect veiligheid/gevaar en een slecht klimaat bij wind een hard punt moet zijn. Indien hiervan toch wordt afgeweken dan moeten daarvoor zwaarwegende redenen zijn. De overige aspecten t.a.v. wind en bezonning maken deel uit van de genoemde bredere afweging. Afwijking van die normen is in concrete gevallen mogelijk als de totale belangenafweging daartoe noopt. 5.9.2

Windhinder

Van windhinder is sprake als gedurende een te groot aantal uren per jaar een bepaalde windsnelheid wordt overschreden. Dit treedt op rond hoge gebouwen wanneer er sprake is verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. Over het algemeen wordt gesteld dat voor gebouwen hoger dan 30 meter windonderzoek noodzakelijk is. De gemeente Den Haag sluit zich wat betreft beleid ten aanzien van windhinder aan op de NEN 8100. Hierin wordt aangegeven wanneer onderzoek naar wind bij bouwwerken nodig is, hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, aan welke eisen moet worden getoetst en hoe rapportage moet plaatsvinden. De gemeente Den Haag hanteert als ondergrens een 'matig' windklimaat. Een 'slecht' windklimaat wordt slechts bij hoge uitzondering en onder nadere voorwaarden toegestaan. Aan de hand van onderstaande tabel, afkomstig uit de NEN 8100, wordt een beoordeling gegeven van de te verwachte mate van windhinder.

Tabel 5.9.1.: Criteria windhinder volgens NEN 8100 (bron: Peutz) Afhankelijk van de activiteitenklasse wordt de waardering van het lokale windklimaat gekwalificeerd met 'goed', 'matig' of 'slecht'. Bij een goed windklimaat ondervindt met geen overmatige windhinder. In een situatie zonder overmatige windhinder heeft het publiek onder normale omstandigheden geen last van windhinder. Bij een matig windklimaat ervaart met af en toe overmatige windhinder. In een slecht windklimaat ervaart men regelmatig overmatige windhinder. Voor windgevaar wordt 15 m/s uurgemiddelde windsnelheid als drempelwaarde VDR;G gehanteerd. Op basis van onderstaande tabel, afkomstig uit de NEN 8100, wordt bepaald of er sprake is van windgevaar.

75

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Tabel 5.9.2: Criteria windgevaar volgens NEN 8100 De norm stelt: 'Situaties waarvoor een overschrijdingskans geldt van 0,05 < p < 0,30 mogen alleen worden geaccepteerd als deze vallen binnen activiteiten klasse I (doorlopen). Voor activiteiten klasse II en III geldt de eis p is kleiner of gelijk aan 0,05. Situaties met een overschrijdingskans van p is groter of gelijk aan 0,30 zijn evident gevaarlijk en behoren te allen tijde te worden vermeden; het publiek mag hier niet aan worden blootgesteld." 5.9.2.1 Nota van Uitgangspunten In de Nota van uitgangspunten is het volgende over windhinder opgenomen: De bebouwingsplannen moeten voldoen aan de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor 'Windhinder en bezonning rond nieuwbouw' (RIS 170509), gebaseerd op NEN-norm 8100. Windhinder en bezonning zijn sturend in het ontwerp. Studies naar de impact van het ontwerp hierop worden daarom vanaf het beginstadium ingezet als ontwerptool. M.b.t. windklimaat zijn binnen het plangebied de volgende kwaliteitsniveaus in de openbare ruimte te onderscheiden: 1. Zones voor verblijven: nieuwe verblijfsplek langs de Prinses Beatrixlaan (pocketpark) 2. Zones voor slenteren: De Prinses Beatrixlaan en de Juliana van Stolberglaan. 3. Zones voor doorlopen: n.v.t.

Op het gebied van windklimaat dient ook gekeken te worden naar de impact van de ontwikkeling op de ruimere context zoals het windklimaat op de kruispunten van de Juliana van Stolberglaan met de Utrechtsebaan en met de Prinses Beatrixlaan. Deze mogen niet verslechteren t.o.v. de bestaande situatie. 5.9.2.2 Onderzoek In opdracht van Provast en het Rijksvastgoedbedrijf heeft Peutz een windklimaatonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 16 bij de toelichting opgenomen. In het windhinderonderzoek zijn de volgende situaties onderzocht: huidige bebouwingssituatie; maximale invulling conform NvU, toren RVB 91 m; alternatieve situatie; toren RVB 75 meter; alternatieve situatie; toren RVB 75 m, inclusief geplande begroeiing ter plaatse van entree ANWB aan de Juliana van Stolberglaan; bestemmingsplansituatie, inclusief luifel aan de zuidwestgevel ANWB, toren RVB 76 m; bestemmingsplan situatie; toren RVB 76 m. In deze paragraaf wordt alleen ingegaan op het windhinderklimaat voor de huidige bebouwingssituatie en de situatie die in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Voor een beschouwing van de overige varianten wordt verwezen naar Bijlage 16. Rekenresultaten huidige situatie In afbeelding 5.9.2 is, in een horizontale doorsnede op hoofdhoogte (1,75 meter boven het plaatselijk maaiveld) de berekende hinderkans voor de huidige situatie weergegeven.

Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de categorieën doorlopen en slenteren, waarbij het criterium slenteren van toepassing is bij gebouwentrees.

76

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

Afbeelding 5.9.1: te verwachte windklimaat in huidige situatie (bron: Peutz) In het gebied rondom de huidige bebouwing bevindt zich een locatie waar een beperkt risico op windgevaar te verwachten is. Deze locatie is in afbeelding 5.9.1 aangegeven met B.R. In de noordwesthoek is in de huidige situatie sprake van een matig windklimaat en ten zuiden van de huidige bebouwing is in de huidige situatie plaatselijk sprake van een slecht winklimaat met een beperkt risico op windgevaar. Resultaten bestemmingsplansituatie, toren RVB 76 meter In afbeelding 5.9.2 is, in een horizontale doorsnede op hoofdhoogte (1,75 meter boven het plaatselijk maaiveld) de berekende hinderkans voor de invulling van het plangebied met de bestemmingsplansituatie, een RVB toren van 76 meter, weergegeven.

77

bestemmingsplan Juliana van Stolberglaan 1 (ontwerp)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12932173/1