CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315753 Discriminatie en veilige werkomgevingen in de WMO bijlage 1

Commissie Samenleving 12 oktober 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken46.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

5.2

Discriminatie in cliëntondersteuning in Nederland

Prevalentie Er zijn geen onderzoeken gevonden over discriminatie in cliëntondersteuning: zowel niet over discriminatie van professional naar cliënt, als niet van cliënt naar professional als niet tussen cliënten als niet tussen professionals. Ook is er geen onderzoek gevonden over discriminatie op institutioneel niveau in de cliëntondersteuning. Aard van de discriminatie Er zijn geen onderzoeken gevonden over de aard van de discriminatie in cliëntondersteuning: zowel niet over discriminatie van professional naar cliënt, als niet van cliënt naar professional als niet tussen cliënten als niet tussen professionals. Ook is er geen onderzoek gevonden over de aard van de discriminatie op institutioneel niveau in de cliëntondersteuning. Zoals hierboven is beschreven, is wel duidelijk dat cliëntondersteuning veel burgers niet bereikt (Bruijn & Friedel, 2018; Hulshof et al. 2021). In het rapport van het RIVM wordt beschreven dat het vaak bepaalde doelgroepen zijn die niet of minder bereikt worden, zoals mensen met een verstandelijke beperking of psychische stoornis, ouderen en dak- en thuislozen en bevolkingsgroepen die minder goed bereikbaar zijn, zoals jongeren en mensen met een migratieachtergrond (Hulshof et al. 2021). Dit sluit aan bij wat er naar voren komt uit het POC Rapport van de Eerste Kamer over discriminatie in de sociale zekerheid.

Dit rapport kaart aan dat een deel van de burgers geen uitkering ontvangt, omdat ze de informatie bijvoorbeeld niet kunnen vinden of de procedure te ingewikkeld vinden. Doordat de onafhankelijke cliëntondersteuning onvoldoende is ingericht om groepen met een afstand tot de sociale zekerheid te bereiken, verbetert dit niet (Houtzager & Verbeek, 2021). Mogelijk zijn er dus bepaalde mechanismen en manieren van werken binnen de onafhankelijke cliëntondersteuning die ervoor zorgen dat bepaalde groepen potentiële cliënten niet worden bereikt. Onduidelijk is in het POC rapport welke groepen dit precies zijn. Uit een verkennend onderzoek van het KIS blijkt dat mensen met een migratieachtergrond relatief weinig gebruik maken van preventieve ondersteuning, terwijl intensieve hulpverlening verhoudingsgewijs vaak wordt ingezet.

Het gaat in dit onderzoek niet specifiek over cliëntondersteuning, maar over de sociale wijkteams en dit rapport is daarvoor mogelijk wel relevant, omdat het laat zien dat met name de eerste generatie migranten een hoge drempel ervaren bij het aangaan van ondersteuning vanuit sociaal professionals (Koçak & Jonkman, 2016) In deze verkenning over sociale wijkteams en diversiteit komen een aantal terugkerende aandachtspunten naar voren uit de wijkteams als het gaat om de hulp aan mensen met een migratieachtergrond: met de taalbarrière wordt onvoldoende rekening gehouden, waardoor sociale wijkteams onbereikbaar zijn, de regelgeving – soms complex – verandert voortdurend, waardoor de professional het moeilijk vindt om die simpel uit te leggen aan cliënten die de Nederlandse taal slecht beheersen, de schaamte rondom hulpvragen vanuit de cliënt en de tijdsinvestering en deskundigheid die nodig is om een vertrouwensband op te bouwen, onder meer door de angst voor discriminatie vanuit cliënten, de onvoldoende inzet van sleutelpersonen als intermediairs om wederzijdse bekendheid en vertrouwen op te bouwen, het gebrek aan deskundigheidsbevordering van professionals in cultureel sensitief werken (Koçak & Jonkman, 2016). Bij dit laatste wordt ook genoemd dat bewustwording van eigen vooroordelen bij de professionals belangrijk is (Koçak & Jonkman, 2016).

Er worden in dit rapport ook oplossingen genoemd, zoals de inzet van sleutelfiguren om de cliënten beter te bereiken en trainingen aan

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

38

professionals over cultuursensitief werken. De auteurs verwachten dat dit handelingsverlegenheid van sociale professionals kan verminderen. Ook wordt de tip gegeven om gebruik te maken van diversiteit tussen professionals mét en zonder een migratieachtergrond: treedt met elkaar in contact om kennis en ervaring uit te wisselen, zo stellen de auteurs voor (Koçak & Jonkman, 2016). Omgang met discriminatie Ook hier zijn geen onderzoeken over gevonden. Wel is er bekend dat in het eerder genoemde Koploperproject en daarbuiten gemeenten experimenteren met het inrichten van cliëntondersteuning voor specifieke groepen. Zij krijgen hierdoor meer aandacht voor hun behoeften aan ondersteuning bij het regelen van zorg en ondersteuning voor jeugd, ouderen, dak- en thuisloze mensen, mensen met een licht verstandelijke beperking (Movisie, 9 december 2020) Daarnaast is er een zeer bescheiden aanwijzing gevonden dat er in de werkwijzen van cliëntondersteuning aandacht is voor mogelijke vooroordelen vanuit de professional: op de conferentie ‘Koplopers onafhankelijke cliëntondersteuning’ in 2018 wordt opgemerkt door een medewerker van een organisatie voor cliëntondersteuning dat in de intervisie aan de cliëntondersteuners, vooroordelen van cliëntondersteuners worden besproken (Movisie, 2018).

Er zijn verder geen aanwijzingen gevonden dat er aandacht is voor eventuele vooroordelen vanuit cliëntondersteuners. Wel zijn er publicaties die cliëntondersteuners tips geven om beter om te gaan met diverse cliënten: naar aanleiding van het eerder genoemde KIS rapport (Koçak & Jonkman, 2016) worden tips voor gemeenten gedeeld door Movisie (van Eden & Avric, 2020) om mensen met een migratieachtergrond als cliëntondersteuner beter te bereiken. Ook is er een handreiking van Pelita (2022) waarin tips staan cliëntondersteuning aan migrantenouderen met oorlogs- en geweldservaringen. Bedoeling is om context-gebonden cliëntenondersteuning te bieden, met andere woorden: ondersteuning die cultuursensitiever is en daardoor rekening houdt met de (migratie)achtergrond van de cliënt. Er is verder niet onderzocht of de tips van Movisie of Pelita ook worden opgevolgd door cliëntondersteuners in de praktijk. Daarnaast is bekend dat in cliëntondersteuning discriminatie, uitsluiting of stigma een thema kan zijn, maar dan gaat het over dat wat de cliënt meemaakt vanuit de buitenwereld, bijvoorbeeld stigmatisering vanuit buren vanwege het hebben van een beperking. In de ‘bouwstenen’ voor de cliëntondersteuning door de consulenten van MEE Gelderse Poort neemt ‘Inclusie’ een prominente plek in.

Beschreven wordt in een publicatie dat cliëntondersteuners dagelijks meemaken hoe het bevorderen van sociale inclusie van mensen met een beperking een complex vraagstuk is, onder meer door vooroordelen en stigmatisering van mensen met een beperking en het ‘anders-zijn’ en de soms negatieve houding van hulp- en dienstverleners (Venneman, 2021). MEE stelt dat het cliëntondersteuners de taak is om ‘het juiste pad’ te zoeken, waarin het bevorderen van kwaliteit van leven en persoonlijk welzijn van de cliënt voorop staan. Ook ‘kwartiermaken’ is een taak van de cliëntondersteuners van MEE en dat betekent onder meer het zoeken naar ‘gastvrijheid’ in een buurt of wijk en het contact tussen een cliënt en wijkbewoners te faciliteren. Het gaat volgens MEE veelal om begrip kweken en ruimte maken waar iemand welkom is (Venneman, 2021). Onderdeel hiervan is de MEE Bruggenbouwen methodiek: dat is gericht op het bevorderen van een buurtklimaat waarmee het mogelijk is dat mensen met een beperking of psychiatrische beperking op een eigen wijze kunnen wonen, contacten hebben en onderhouden en aansluiting vinden bij het leven in de wijk of buurt (Vennema, 2021). Zoals ‘Bruggenbouwen’ zijn er meer projecten in verschillende regio’s. Bijvoorbeeld in Amsterdam is er stigMAG Amsterdam vanuit het stedelijk Platform LVB (Licht Verstandelijke Beperking).

De bedoeling is destigmatisering van Amsterdammers met 'een etiket', zoals mensen met een licht verstandelijke handicap en psychische problemen (Cliëntbelang Amsterdam, jaartal onbekend).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

39

5.3

Discriminatie in cliëntondersteuning in omringende landen

Het Nivel heeft een internationale literatuur review uitgevoerd5 naar voorbeelden van effectieve cliëntenondersetuning in de curatieve zorg in het buitenland (Murugesu et al., 2018). Uit de review blijkt dat deze vorm van cliëntenondersteuning vaak is gericht op mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden, mensen met een migratieachtergrond of burgers die in medisch, sociaal en/of economisch opzicht in een kwetsbare positie verkeren. Het is daardoor vergelijkbaar met de gerichtheid van cliëntenondersteuning in Nederland. Doel is toegang tot zorg verbeteren bij groepen in een kwetsbare positie. Uit de review blijkt dat vooral mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden of mensen met een migratieachtergrond het meest profijt hebben van cliëntondersteuning interventies: elementen die bijdragen aan de effectiviteit zijn flexibiliteit en voldoende tijd voor cliënten, onderling respect en vertrouwen, samenwerking van cliëntondersteuners met professionele zorgverleners, het betrekken van cliënten bij de ontwikkeling en het vormgeven van cliëntondersteuning, het betrekken van cliëntondersteuners met ervaring tot de betreffende zorgvraag en cliëntondersteuners met eenzelfde achtergrond als de cliënt. (Murugesu et al., 2018: 55). Naast deze onderzoeken die gaan over kwaliteit bieden aan cliënten met een migratieachtergrond, zijn er ook onderzoeken die gaan over discriminatie en racisme.

Het gaat dan niet letterlijk om cliëntondersteuning maar om ‘community health workers’ of ‘Health Community Workers’ en peer begeleiding ondersteuning in relatie tot het sociaal werk en sociaal werkers. In die discipline zijn er een aantal artikelen te vinden over discriminatie, zoals een artikel van Beckford (2018), een directeur van een organisatie voor community health in Toronto die pleit om meer kennis over racisme te integreren in het werk van de professionals of zoals van Occhiuto en Rowlands (2019), die ervoor pleiten dat witte community workers zich bewust worden van hun ‘witte blik’. Wat er verder over sociaal werk en sociaal werkers bekend is, staat in hoofdstuk 4.

5.4

Hiaten in onderzoek in Nederland

Cliëntondersteuning

Gronden

Prevalentie

Aard van de discriminatie Omgang met (1) Van professional naar cliënt discriminatie (2) Van cliënt naar professional (3) Tussen cliënten (4) Tussen professionals (5) Op institutioneel niveau

Geen onderzoek over discriminatie gevonden. Wel onderzoek waaruit blijkt dat bepaalde doelgroepen (mensen met een verstandelijke beperking of psychische stoornis, ouderen en dak- en thuislozen en mensen met

Niet bekend

Niet bekend

Niet bekend

5 Het ministerie van VWS (Directie Patiënt en Zorgordening) heeft het Nivel gevraagd in kaart te brengen hoe het gesteld

is met de cliëntondersteuning in de curatieve zorg in Nederland, of er zogenaamde best practices zijn in gemeenten waar andere gemeenten door geïnspireerd kunnen worden en of er voorbeelden zijn van effectieve cliëntondersteuning in het buitenland die mogelijk ook in de Nederlandse context gebruikt zouden kunnen worden.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

40

een migratieachtergrond) minder goed worden bereikt.

Geconcludeerd kan worden dat er geen onderzoek beschikbaar is over discriminatie in cliëntondersteuning. Onduidelijk is dus of en hoe dit speelt. Er zijn wel onderzoeken die aanwijzingen geven dat bepaalde groepen cliënten, zoals mensen met een migratieachtergrond en mensen met een verstandelijke beperking, minder goed worden bereikt door cliëntondersteuning. In de praktijk zijn er al verschillende initiatieven om dit te verbeteren. Daarnaast zijn er een aantal initiatieven die aandacht besteden aan het thema discriminatie, vooroordelen en omgang met stigma, in de cliëntondersteuning. Maar of en hoe discriminatie speelt in deze sector is niet onderzocht.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

41

6

SPORT

De sport staat centraal in dit hoofdstuk. We zullen eerst een korte schets maken van wat we verstaan onder sport en welke vormen er zijn. Vervolgens beschrijven we wat we weten over discriminatie in de sport in Nederland. Daarna beschrijven we wat er bekend is uit omringende landen en stellen we vast wat de hiaten zijn in kennis in Nederland over discriminatie in de sport.

6.1

Sport in Nederland: een korte inleiding

In Nederland bestaan 26.000 sportverenigingen en ruim 6.000 sport- en beweegondernemers (Sport verenigt Nederland, 2018). En 9,6 miljoen Nederlanders sporten minstens wekelijks (Sport verenigt Nederland, 2018). Sport in Nederland omvat sportclubs voor volwassenen en kinderen. Sporten vindt plaats op verschillende plekken zoals sportvelden, sporthallen, zwembaden, tennisbanen en clubhuizen, maar ook in parken en in de natuur. In Nederland zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de aanleg en het onderhoud van routes en plekken om buiten te bewegen zoals fiets- en wandelpaden of speel- en sportveldjes (Rijksoverheid, 2022). Daarnaast subsidiëren gemeenten ook vaak amateur sportverenigingen (Alles over sport, 2020). Veel vrijwilligers zijn actief om sporten mogelijk te maken, bijvoorbeeld in het bestuur, als trainers, coaches en scheidsrechters. Daarnaast zijn er ook betaalde banen in de sport: in 2019 waren er 150.000 personen werkzaam in de sport (CBS, 2021b). Naast deze amateursport verstaan we onder sport ook topsport en sportevenementen. In Nederland kent de topsport verschillende organisatiestructuren, afhankelijk van het type sport, zo wordt duidelijk uit een rapport van het Mulier Instituut (Poel & van der Pulles, 2020).

Er zijn sportbonden die talentvolle sporters selecteren voor regionaal en nationaal aangestuurde topsportprogramma’s, en daarnaast vindt bij een (beperkt) aantal sporten de topsport vooral binnen commerciële organisaties plaats. Denk aan onder meer het betaald voetbal, de wieler- en de schaatsploegen. Bij deze commerciële topsportorganisaties hebben topsporters een contract bij een club of een team, waardoor zij als werknemer een salaris krijgen (Poel & van der Pulles, 2020). Hieronder maken we een onderscheid tussen ten eerste amateursport/breedtesport en ten tweede topsport en sportevenementen.

6.2

Discriminatie in de sport in Nederland

6.2.1 Amateursport Prevalentie Het SCP heeft onderzoek gedaan naar de ervaren discriminatie in Nederland (Andriessen et al., 2020). Volgens dit onderzoek ervaart 1% van de totale bevolking in Nederland die in de afgelopen twaalf maanden in de vrije tijd heeft gesport, discriminatie. Dit uitte zich in uitgescholden of nageroepen zijn. Andere vormen van discriminatie, zoals uitsluiting van deelname, zijn in dit onderzoek niet uitgevraagd. Groepen die meer dan anderen discriminatie bij het sporten ervaren zijn mannen, mensen met een beperking en mensen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond (Andriessen et al., 2020).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

42

Lesbische-, homo- en bi personen rapporteren dus niet duidelijk meer ervaringen van discriminatie dan heteroseksuele personen. Het Mulier Instituut beschrijft in de voortgangsrapportage van het actieplan ‘Naar een veiliger sportklimaat’ hogere cijfers van ervaren discriminatie op basis van cijfers uit de Vrijetijdsomnibus uit 2016 van SCP/CBS (Romijn & Van Kalmthout, 2017). Hieruit komt namelijk naar voren dat 9% van amateursporters van 15 jaar en ouder in de afgelopen 12 maanden is geconfronteerd met discriminatie vanwege sekse, cultuur of religie, huidskleur, homoseksualiteit of handicap. Als we naar specifieke groepen sporters kijken die tot een groep behoren waartegen discriminatie vaak voorkomt, dan zien we dat deze sporters meer discriminatie ervaren. Het Mulier Instituut (2021) constateert dat 37% van de sporters met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond wel eens te maken heeft met negatieve uitingen. Deze negatieve uitingen variëren van zogenoemde microagressies, zoals algemene en persoonlijk gerichte grappen/opmerkingen (resp. 24% en 21%) en onbegrip (19%), tot meer expliciet negatieve ervaringen als uitschelden (16%), uitsluiting (15%) en/of bedreiging/lichamelijk geweld (15%; verenigingsleden 22%).

Bij sporters met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond die aangesloten zijn bij een vereniging is het percentage dat wel eens te maken heeft met negatieve uitingen nog hoger, namelijk 47%. Ook heeft 17% van deze sporters wel eens te maken met een trainer die dergelijke opmerkingen maakte. Dat sporters met een migratieachtergrond en/of van kleur veel vaker ervaring hebben met gediscrimineerd worden dan anderen, komt ook uit eerder onderzoek uit 2010 van Coenders, Boog en Dinsbach: toen ging het om 7% van de mensen met een migratieachtergrond en/of van kleur die discriminatie had ervaren het afgelopen jaar tegenover 0,3% van wat werd genoemd ‘autochtonen’ (Coenders et al., 2010). En uit onderzoek van EenVandaag (2020) komt naar voren dat de helft van wat door EenVandaag ‘getinte spelers’ wordt genoemd op het veld zelf slachtoffer worden van racisme. Bij één op de vijf (18%) gebeurde dat in de afgelopen maanden, zo komt uit het onderzoek naar voren. Tevens ervaren transgender personen vaak discriminatie in de sport: ongeveer 1 op de 5 respondenten die meedeed aan een onderzoek van het Mulier instituut (2021) heeft te maken met uitschelden/naroepen bij de beoefening van sporten. Over ervaringen met seksisme in de sport in Nederland zijn geen recente cijfers gevonden.

Wel is te zien dat veel minder vrouwen dan mannen aan de top van bonden en clubs staan en veel minder vaak trainers zijn. Bij bonden zijn 18% van de bestuursleden vrouwen en 11% van de trainers vrouwen; bij clubs zijn 29% van de bestuursleden vrouwen en 26% van de trainers (van Kouwen, 2019). Naast onderzoek naar de ervaren discriminatie, zijn er ook onderzoeken naar hoe vaak discriminatie wordt gemeld. Er kan onder meer gemeld worden bij antidiscriminatiebureaus, de politie, MIND (voor online discriminatie), de (kinder)ombudsman en het College voor de Rechten van de Mens. Samen ontvingen zij 345 meldingen in 2021 over discriminatie in de sport. Meldingen over discriminatie kunnen ook bij verenigingen of bestuurders in de sport terechtkomen (Walz & Fiere, 2022). De monitor Sportakkoord ‘Sport verenigt Nederland’ (2020) heeft in totaal 485 bestuurders van sportverenigingen hierover bevraagd. 16% van de bestuurders geeft aan dat er binnen de vereniging wel eens ‘grappen’ en negatieve opmerkingen worden gemaakt over homoseksualiteit. 15% geeft aan dat deze opmerkingen worden gemaakt vanwege iemands huidskleur en/of herkomst, en 10% geeft aan dat dit wordt gedaan vanwege iemands religieuze achtergrond of overtuiging.

Opvallend is het hoge cijfer van bestuurders van voetbalverenigingen (totaal 89) dat aangeeft dat ‘grappen’ en negatieve opmerkingen over homoseksualiteit worden gemaakt: 45%. Uit de Vrijetijdsomnibus, een tweejaarlijkse enquête van SCP en CBS rondom sportbeoefening en cultuurparticipatie, blijkt dat er geen verschil is in de mate waarin heteroseksuele sporters of wedstrijdbezoekers en lesbische, homoseksuele en biseksuele sporters of wedstrijdbezoekers wangedrag in de sport hebben meegemaakt (Pulles & Visser, 2017). De KNVB heeft ook

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

43

een eigen online meldpunt van discriminatie ingericht. Hier kwamen tussen april 2019 en november 2020 93 discriminatiemeldingen binnen (Kramer, 2020). Deze meldingen betreffen homodiscriminatie, antisemitisme en racisme. In 2021 waren het 52 meldingen waarvan 47 betrekking hadden op amateurvoetbal (RTL nieuws, 2022). 25 van deze meldingen zijn tuchtrechtelijk in behandeling genomen (RTL nieuws, 2022). Sporten gebeurt niet alleen bij verenigingen, maar ook bij commerciële instellingen, zoals fitnessscholen. Er is geen specifiek onderzoek gevonden dat zicht geeft op de prevalentie van discriminatie in die sector. Wel is duidelijk dat dit voorkomt; zie bijvoorbeeld de casus over een vrouw die met hoofddoek werd geweigerd bij een sportschool (casus 1) en een casus genoemd in een rapport voor de provincie Utrecht (Butter & Omlo, 2022). Onduidelijk is ook in hoeverre er discriminatie speelt in ongeorganiseerde vormen van sportbeoefening. Sporters kunnen ook getuige worden van discriminatie in de sport zonder zelf het doelwit van discriminatie te zijn. Volgens het SCP-rapport Sport en cultuur (2016) zei in 2014 12% van de bevolking die minstens maandelijks sport en/of maandelijks of vaker sportwedstrijden bezoekt dat ze discriminatie in de sport heeft gezien of meegemaakt.

Mannen en 12-19-jarigen zien en ervaren vaker vormen van lichamelijk en verbaal geweld en discriminatie dan anderen. Tiessen-Raaphorst en Breedveld (2007) beschrijven dat 20% van de sporters in de afgelopen drie jaar negatieve opmerkingen over andere culturen of religies tijdens het sporten heeft gehoord, 17% vrouwonvriendelijke ‘grappen’ en 14% negatieve opmerkingen of ‘grappen’ over homoseksualiteit. Hierbij valt op dat de percentages onder mannen twee keer zo hoog liggen als onder vrouwen en onder teamsporters duidelijk vaker voorkomen dan onder solosporters. Daarnaast valt op dat seksuele intimidatie volgens dit onderzoek maar sporadisch voorkomt (Tiessen-Raaphorst & Breedveld, 2007) of blijkbaar alleen in uitzonderlijke gevallen door getuigen wordt waargenomen. Het recentere factsheet LHBT in de breedtesport door het Mulier Instituut (2018) beschrijft dat 18% van de mannelijke teamsporters aangeeft dat er in hun sportgroep regelmatig negatieve opmerkingen worden gemaakt over homoseksualiteit. Aard van de discriminatie Sport staat bekend om mensen met elkaar te verbinden en mensen over scheidslijnen in de samenleving heen bij elkaar te kunnen brengen.

Zo vindt ook een meerderheid van de bevraagde mensen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond dat sport bijdraagt aan een positieve beeldvorming over mensen met een migratieachtergrond en dat in de sport minder discriminatie plaatsvindt dan elders in de samenleving (Elling & Cremers, 2021). Maar bijna alle (9 op de 10) bevraagde Nederlanders met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond vindt aandacht voor het tegenaan van racisme in de sport belangrijk. De hoge prevalentiecijfers van racisme in de sport kunnen deze houding waarschijnlijk verklaren. Ook worden met het trefwoord ‘sport’ 180 casussen over discriminatie gevonden in de databank met oordelen van het College voor de Rechten van de Mens. Een aantal van deze casussen zijn ter illustratie in de bijlage opgenomen. Hierbij staan ook twee zaken die betrekking hebben op racisme/geloofsovertuiging als discriminatiegrond. Zo is er een zaak uit 2022(d) waarbij een vrouw onrechtmatig geen hoofddoek mocht dragen tijdens het sporten in een sportschool (casus 1 in de bijlage) en een casus uit 2019 waarin geoordeeld werd dat een vereniging discrimineert bij de toelating van haar leden omdat de vereniging een maximumpercentage voor leden met een migratieachtergrond hanteerde (casus 5 in de bijlage).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

44

Hier valt op dat in veel casussen van het College voor de Rechten van de Mens beperking de mogelijke discriminatiegrond is terwijl weinig bekend is over de prevalentie en precieze aard van discriminatie ten aanzien van deze discriminatiegrond. Na geslacht (47 oordelen) en ras (44 oordelen) staat handicap of chronische ziekte met 35 oordelen op plaats drie. Zo is er een casus (College voor de Rechten van de Mens, 2022e) over de discriminatie van een persoon met een lichamelijke beperking voor wie de gewichten in de sportschool niet meer toegankelijk waren (casus 2 in de bijlage) en een casus uit 2017 over een speler die door zijn beperking niet werd toegelaten op het jeugdkamp van de sportvereniging (casus 6). Daarnaast is er een zaak uit 2020(b) rondom de toegankelijk van de Vierdaagse voor sporters met een visuele beperking (casus 4;) en een zaak uit 2022 van een sporter met een psychische kwetsbaarheid die onder andere omstandigheden wil sporten (casus 3; College voor de Rechten van de Mens, 2022f). Zoals uit deze casussen naar voren komt, is het verplicht om doeltreffende aanpassingen te verrichten voor sporters met een handicap of chronische ziekte, tenzij deze onevenredig belastend zijn. Doeltreffende aanpassing is bijvoorbeeld zoals in casus 2 het rek en de lichtere gewichten naar de benedenverdieping verplaatsen.

Daarnaast is er een onderzoek van het Nivel over de sportdeelname van mensen met een licht verstandelijke beperking (Haarmann, Voss & Boeije, 2019). Hieruit wordt duidelijk dat mensen met een LVB een laagdrempelig aanbod nodig hebben om te kunnen sporten met begeleiding bij het sporten en op weg daarnaartoe, maar dat is niet overal mogelijk. Ook een lange reistijd is een probleem voor deze doelgroep. Daarnaast weten zij en hun familieleden vaak niet waar ze goede informatie kunnen vinden over het sportaanbod en vergoedingen voor sport en vervoer (Haarmann et al., 2019). Mensen met een beperking lijken algemeen meer belemmeringen te ervaren om te sporten dan mensen zonder een beperking zoals sportmogelijkheden dicht bij huis of passend vervoer, gebrek aan deskundige begeleiding en de angst niet mee te kunnen komen (Van den Dool, R., Van Lindert, C., Van den Berg, S. van den & Wendel-Vos, G.C.W. 2022; Van Lindert, C., & De Jonge, M. 2020; Gutter, K. & Van Lindert, C. 2020; Van Lindert, C. & De Jonge, M. 2022). Waarschijnlijk is er weinig onderzoek naar discriminatie van mensen met een beperking in de sport, omdat problemen in de deelname of de geringe deelname van mensen met een beperking gezien wordt als een belemmering dat in de beperking ligt en niet in de sociale uitsluitingsmechanismen in de maatschappij.

Wel is uit onderzoek bekend dat mensen met een beperking vaak gediscrimineerd worden (Andriessen et al., 2020) en roept het grote aantal oordelen van het College voor de Rechten van de Mens ook vragen hierover op. Naast racisme wordt discriminatie van lhbti-personen in de sport veel besproken. Het Mulier Instituut beschrijft dat er een groeiend bewustzijn op dit gebied bestaat bij verenigingsbestuurders, met name bestuurders van voetbalverenigingen, door de toegenomen beleids- en media-aandacht voor dit onderwerp (Cremers & Elling, 2021a). Het onderzoeksinstituut stelt ook vast dat lhbti-acceptatie in de sport is toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren (Hoeijmakers & Elling, 2018). Het SCP heeft onderzoek gedaan naar de ervaringen van lbhti-personen met sport (Pulles & Visser, 2017). Uit dit onderzoek valt op dat homoseksuele mannen vooral ‘macho-‘ of team- en contactsporten zoals voetbal mijden, omdat ze verwachten dat ze hier niet worden geaccepteerd. Maar als homoseksuele mannen in zo’n team sporten, dan voelen ze zich over het algemeen daar geaccepteerd. Vooral de deelname aan een dergelijk sport lijkt dus een drempel te zijn. Seksuele oriëntatie heeft dan invloed op het sportgedrag. Voor lesbische en biseksuele vrouwen geldt dit in duidelijk mindere mate.

Wel voelen lesbische en biseksuele vrouwen zich aanzienlijk minder veilig dan homo- en biseksuele mannen en heteroseksuele sporters (Pulles & Visser, 2017). Over transgender personen in de sport is nog weinig bekend. Wel weten we dat meer dan de helft van de transgender personen in de sport wel eens te maken heeft gehad met negatieve gedragingen die samenhangen met hun transgender achtergrond (Cremers & Elling, 2021c). En bijna de helft van de transgender personen voelt zich weleens onveilig rondom sportgelegenheden (Cremers & Elling, 2021c).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

45

Omgang met discriminatie De sportdeelname van mensen met kenmerken waartegen vaak discriminatie voorkomt, zoals een nietWesterse migratieachtergrond, blijft achter op de sportdeelname van mensen zonder deze kenmerken (CBS/RIVM, 2021). Het lijkt erop dat deze groepen de sport mijden. Alsnog vindt twee derde van de bevolking het bestaan van lhbti+ sportverenigingen onzin volgens onderzoek van het Mulier Instituut (Hoeijmakers & Elling, 2018). Volgens een onderzoek van het SCP geeft 59% van de bevolking die in ieder geval maandelijks sport en/of maandelijks of vaker sportwedstijden bezoekt en aangeeft wangedrag te hebben gezien of meegemaakt aan dat er actie is ondernomen naar aanleiding van dit wangedrag (Tiessen-Raaphorst & van den Brok, 2016). Dat kan een waarschuwing of het geven van een straf zijn. Maar bijna een kwart (24%) geeft aan dat er niets is gebeurd en 17% weet niet of het wangedrag gevolgen heeft gehad. Ook vinden 71% van de Nederlanders dat scheidsrechters moeten ingrijpen als er ‘homo’ of ‘mietje’ wordt geroepen tijdens het sporten (Hoeijmakers & Elling, 2018). Bij mannelijke teamsporters is dat wel maar 47%. Hoe kijken verenigingen zelf tegen discriminatie aan? De meeste sportverenigingen, namelijk 66%, hadden in 2018 en 2019 geen antidiscriminatiebeleid (Pulles et al., 2020).

Uit hetzelfde onderzoek blijkt ook dat bijna alle verenigingen, 88%, aangeven in het afgelopen jaar geen aandacht te hebben gehad voor het tegengaan van discriminatie. Alleen 1% heeft hier expliciete aandacht voor. En daarnaast geeft slechts 29% van de verenigingsbestuurders aan dat de vereniging expliciet beleid tegen discriminatie heeft. Twee derde van de voetbalverenigingen hebben dit wel (Pulles et al., 2020). 43% van de voetbalverenigingen hebben in 2021 een antidiscriminatiebeleid dat ook gericht is op seksuele oriëntatie en 1 op de 5 van de overige verenigingen (Cremers & Elling, 2021a). Deze aantallen zijn duidelijk hoger dan in 2010 met 24% voor voetbalverenigingen en 10% voor overige sportverenigingen (Cremers & Elling, 2021a). Tegelijkertijd benoemt 1 op de 3 verenigingsleden – en de helft van de clubvoetballers – met migratieachtergrond dat er in de afgelopen twee jaar in hun sportteam of vereniging aandacht was voor het tegengaan van racisme (Elling & Cremers, 2021). Ook op nationaal niveau groeit de aandacht voor het thema discriminatie in de sport. Sinds 2008 bestaat de Alliantie Gelijkspelen met ondersteuning door de ministeries van OCW en VWS. Doel is de sociale acceptatie van lhbti+ personen in de sport op de beleidsagenda van bonden en verenigingen te brengen.

De netwerkpartners van de huidige Alliantie Gelijkspelen zijn de John Blankenstein Foundation, voetbalbond KNVB, hockeybond KNHB, en sportkoepel NOC*NSF (Alliantie Gelijkspelen, 2023). In 2011 werd het actieplan van het ministerie van VWS, sportbonden, NOC*NSF en gemeenten ‘Naar een veiliger sportklimaat’ gelanceerd. Het doel is om sportplezier en gewenst gedrag te stimuleren en ongewenst gedrag te voorkomen en te bestraffen. Dit thema vindt ook zijn plaats in het eerste Nationaal Sportakkoord ‘Sport verenigt Nederland’ (2018-2022) onder ‘positieve sportcultuur’ (Nationaal Sportakkoord, 2018). In het Nationaal Akkoord II (2022-2026) is naast discriminatie ook het tegengaan van racisme opgenomen (Nationaal Sportakkoord, 2022). Specifiek gericht op voetbal is begin 2020 het plan ‘Ons voetbal is van iedereen. Samen zetten we racisme en discriminatie buitenspel’ (KNVB, 2020) gelanceerd. Dit plan ontstond naar aanleiding van de racistische bejegeningen tegen speler Mendes Moreira tijdens een voetbalwedstrijd eind 2019. Het plan werd opgesteld door de KNVB, de Eredivisie, de Keuken Kampioen Divisie en de Rijksoverheid in afstemming met maatschappelijke belangenorganisaties. Het doel is racisme en discriminatie te voorkomen, signaleren en sanctioneren door middel van een pakket van 20 verschillende maatregelen (zie ook Reitsma et al., 2022).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

46

In zijn kwantitatief promotieonderzoek uit 2022 stelt Arend van Haaften vast dat verenigingen die een grotere diversiteit kennen voor extra uitdagingen staan (van Haaften, 2022). Leden van alle achtergronden hebben namelijk een voorkeur voor een club met veel leden van de eigen etnische achtergrond en daarnaast weinig etnische verschillen tussen de leden. Dit leidt tot etnische segregatie en tot verloop onder leden met een migratieachtergrond. En dus tot meer uitdagingen voor clubs die wel diversiteit in hun ledenbestand hebben. Van Haaften beveelt daarom aan dat de overheid en sportorganisaties deze clubs extra ondersteunen zodat ze ontmoetingsplaatsen voor mensen met verschillende achtergronden blijven. Onderzoekers van het Mulier Instituut hebben in een kwalitatieve studie op basis van zestien interviews in multiculturele wijken in Utrecht gekeken hoe verschillende sportaanbieders invulling geven aan de veel gebruikte uitspraak ‘wij staan open voor iedereen’ met betrekking tot de inclusie van mensen met een nietWesterse migratieachtergrond (Cremers & Elling, 2020). De onderzoekers concluderen dat sportaanbieders sterk verschillen in de betekenis die zij geven aan ‘het open staan voor iedereen’. Inclusie is voor veel sportaanbieders een gevoelig thema, waar zij zich ongemakkelijk bij voelen en onderwerpen als discriminatie en racisme blijven onbenoemd.

6.2.2 Topsport en sportevenementen Prevalentie 8% van de topsporters en oud-topsporters ervaart discriminatie als een serieus probleem, zo blijkt uit een onderzoek van Dopheide et al. (2020). Topsporters zonder status ervaren discriminatie vaker als probleem dan statustopsporters (14% vs. 5%). Onderzoek naar discriminatie in de topsport richt zich voor een groot deel op profvoetbal. Zo vindt 41% van de mannelijke betaald voetbalspelers dat discriminatie in het betaald voetbal regelmatig voorkomt. En 27% van de spelers met migratieachtergrond heeft zelf wel eens te maken gehad met discriminatie (Cremers & Elling, 2021b). Uit onderzoek van Movisie, bestaande uit een enquête, deskresearch en interviews, wordt duidelijk dat ook online discriminatie in het betaald voetbal veel voorkomt (Verloove et al, 2022). Zo blijkt uit de enquête dat bijna 92% van de respondenten op hun sociale media wel eens discriminerende berichten ziet gericht aan andere voetbalspelers in de Eredivisie en Eerste divisie. De berichten die de respondenten online ontvangen, zijn veelal van racistische aard en krijgen ze voornamelijk via privéberichten. Daarnaast is bekend dat antisemitische spreekkoren in het voetbal een terugkerend probleem zijn (Verhoeven, 2015).

Uit onderzoek van EenVandaag in samenwerking met VVCS uit 2020 blijkt dat drie op de tien voetbalsupporters in stadions geregeld racistische spreekkoren van medesupporters horen en slechts 18% zegt daar wat van. Ook in het wielrennen komt discriminatie voor. In een onderzoek van Wijk et al. (2018) naar wangedrag algemeen, dus naast discriminatie ook dwang/chantage, geweld, roddelen en seksueel grensoverschrijdend gedrag, rapporteren topsporters in veel grotere mate vervelende ervaringen dan de amateurwielrenners (60% versus 36%). Welk deel hiervan precies discriminatie betreft is niet bekend. Aard van de discriminatie In zijn kwalitatief onderzoek resulterend in het boek ‘Gelijkspel’ (2008) portretteert Huub ter Haar tien homoseksuele topsporters en hun ervaringen met seksualiteit in de topsport. In veel sporten bleek homoseksualiteit nog een taboe. In ogenschijnlijk ‘mannelijke’ teamsporten zoals voetbal, volleybal en hockey, zo stelt ter Haar vast, lijkt homoseksualiteit niet te bestaan. Dat bevestigd ook eerdere bevindingen over de hogere prevalentie van discriminatie tegenover homoseksuele sporters. Volgens Pulles en Visser (2017) vinden ruim 80% van 400 ondervraagde contractspelers in de Ere- en Eerste divisie van het

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

47

Nederlandse betaald voetbal dat het voor een homoseksuele speler moeilijk is om in het Nederlandse betaald voetbal uit de kast te komen. Zoals het SCP in onderzoek concludeert: het betaald mannenvoetbal is nog niet uit de kast (Pulles & Visser, 2017). Ook bij de casussen van het College voor de Rechten van de Mens komen casussen uit de betaalde sport terecht. Zo is er een zaak uit 2020(a) waarin werd geoordeeld dat de stage met een vrouw onrechtmatig werd beëindigd nadat ze vertelde dat ze epilepsie heeft (casus 7 in de bijlage). Er is weinig onderzoek over de ervaringen met discriminatie van trainers in de betaalde sport. Een uitzondering hierop vormt het onderzoek van Jacco van Sterkenburg (2020). Van Sterkenburg zet zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek in. Hij stelt vast dat trainers uit een etnische minderheidsgroep zoals de term in het onderzoek gebruikt wordt, ondervertegenwoordigd zijn in de drie hoogste levels van het mannenvoetbal. Om de redenen hiervoor uit te zoeken voerde hij tien diepte-interviews met coaches uit een etnische minderheidsgroep die de hoogste of een na hoogste UEFA licentie hebben. De onderzoeker concludeert dat impliciete en vaak niet-erkende vormen van racistische stereotypering en uitsluiting de kansen en ambities van de voetbaltrainers negatief beïnvloeden.

Het lijkt volgens van Sterkenburg erop dat betekenissen over de professie van voetbaltrainers in de Nederlandse voetbalindustrie een racistische ondertoon hebben waarbij witte mensen geassocieerd worden met management- en leidinggevende vaardigheden (Van Sterkenburg, 2020). Sportvrouwen krijgen minder betaald dan sportmannen (Andere Tijden Sport, z.d.). Zelfs als seksisme niet de enige reden voor deze ongelijkheid is, zal seksisme hierop van invloed zijn. Zo krijgt voetballer Lionel Messi in een dag wat voetbalster Lieke Martens in een jaar verdient (Andere Tijden Sport, z.d.). Wel heeft de KNVB in 2022 besloten dat de voetbalvrouwen dezelfde vergoeding krijgen als de mannen (Andere Tijden Sport, z.d.). Omgang met discriminatie De aanpak van discriminatie in de sport op landelijk niveau is geschetst in het voorafgaande hoofdstuk over discriminatie in de amateursport. Veel van de landelijke initiatieven zijn ook van toepassing op de topsport. Daarnaast zijn er enkele initiatieven gericht op de topsport. Zo hebben de Anne Frank Stichting Het Spreekkorenproject ontwikkeld (Anne Frank Stichting, z.d.). Met dit educatieve programma worden ‘voetbalsupporters’ bewust gemaakt van discriminerende acties op de voetbaltribune, met als doel racistische leuzen te bestrijden.

Dit project is nu voornamelijk gericht op antisemitische spreekkoren, maar kan als voorbeeld gebruikt worden voor het aanpakken van lhbti+ discriminatie en seksisme in de sport. Ook ZonMw ondersteunt onderzoeken die zich richten op het voorkomen van discriminatie. Zo wordt bijvoorbeeld naar nieuwe technologische oplossingen gezocht om ongewenst gedrag in het voetbalstadion van Feyenoord Rotterdam beter te kunnen signaleren, registreren, identificeren en sanctioneren (ZonMw, z.d.). Maar het is de vraag of deze initiatieven voldoende zijn. Het Mulier Instituut heeft een eerder aangehaald onderzoek gedaan naar racisme in het betaald mannenvoetbal (2021). 91% van de bevraagde profvoetballers vindt dat er meer aandacht moet zijn voor het tegengaan van racisme en discriminatie in en rond het betaald voetbal. Zo vinden bijna alle spelers dat er sancties aan verbonden moeten zijn wanneer een speler racistische scheldwoorden gebruikt of wanneer het publiek racistische spreekkoren scandeert. De aanpak van racisme in het betaald voetbal in het algemeen beoordelen spelers algemeen en door de KNVB met een krappe voldoende (5,9 vs. 6,2). Ook hier zijn de beoordelingen door spelers met een migratieachtergrond – die gedupeerden van discriminatie – lager (Cremers & Elling, 2021).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

48

6.3

Discriminatie in de sport in omringende landen

Er is veel onderzoek gedaan naar discriminatie in de sport in omringende landen. Hieronder wordt alleen een selectie weergegeven van onderzoeken die relevant zijn om de Nederlandse context te verhelderen en kennishiaten in Nederland zichtbaar maken. In Duitsland is er een kwantitatieve survey gedaan onder 858 lhbti+ sporters (Hartmann-Twes et al., 2022). Het onderzoek laat zien dat meer homoseksuele dan lesbische sporters discriminerende ervaringen in de sport hebben. In het jaar voorafgaand aan het onderzoek was bijna de helft van de lhbti+ sporters getuige geweest van het gebruik van homo- en transnegatief taalgebruik in hun sportactiviteiten en 13% rapporteerde persoonlijke negatieve ervaringen. Bovendien voelde een vijfde van alle respondenten zich buitengesloten of afgehouden van sportbeoefening (Hartmann-Twes et al., 2022). Deze cijfers zijn dus hoger dan de Nederlandse cijfers. Ook internationaal richt onderzoek zich op de ervaringen van lhbti+ sporters. In een recente systematische review (Rollè et al., 2022) van de internationale literatuur hebben de onderzoekers 38 artikelen verzameld waarbij ongeveer de helft van de studies uit Europa komen. Uit sommige studies wordt directe, open discriminatie van lhbti+ sporters duidelijk en rapporteren sporters ook deze ervaringen.

De onderzoekers stellen daarnaast vast dat alhoewel in de helft van de onderzoeken positieve houdingen tegenover homoseksualiteit vastgesteld kunnen worden, er vastgehouden wordt aan traditionele betekenissen over mannelijkheid en verhullend discriminerende uitingen blijven bestaan (Rollè et al., 2022). Daarmee past deze internationale studie in het geschetste beeld in Nederland. Aan de ene kant kunnen we vaststellen dat de wereld van sport zich steeds meer uitspreekt voor de inclusie van lhbti+ atleten, maar aan de andere kant blijven impliciete vooroordelen, negatieve assumpties en stereotypen bestaan. In deze lijn argumenteren ook Nobis en Lazaridou (2022). Zij onderzoeken racisme in het profvoetbal in Duitsland en hebben hiervoor naar 36 teams in de mannelijke eerste en tweede Bundesliga in het seizoen 2020/2021 gekeken. Hier identificeren zij ‘racist stacking’: een fenomeen in teamsporten waarbij zwarte spelers onder gepresenteerd zijn in tactische posities en leiderschapsposities terwijl zij over gepresenteerd zijn in decentraliseerde posities die veel lichaamsinzet vragen. Inderdaad was het ook bij de teams in de Bundesliga het geval dat het waarschijnlijker was dat witte spelers op een positie speelden die geassocieerd wordt met leiderschap, overzicht, verantwoordelijkheid, intelligentie en organisatie.

De zwarte spelers hadden een grotere kans in posities te spelen die geassocieerd worden met agressiviteit, snelheid en instinct. Professioneel voetbal, zo concluderen de auteurs, maakt dus racistische toeschrijvingen (Nobis & Lazaridou, 2022). De niet meteen herkenbare manier hoe dit proces hier wordt toegepast en ingezet, sluit aan bij ook in Nederland vastgestelde impliciete manier hoe stereotypering plaatsvindt zoals bijvoorbeeld in het eerder aangehaalde onderzoek door Van Sterkenburg (2020) beschreven. Het onderzoek door Van Sterkenburg (2020) is een van de weinige Nederlandse onderzoeken die zich expliciet richten op racisme en discriminatie bij de professionele trainers. Internationaal is hier al iets meer onderzoek over met de bundel door Bradbury, Lusted en Van Sterkenburg (2020). Hierin staan naast internationaal vergelijkende studies ook onderzoeken over de situatie in Engeland en België. Er is geen onderzoek gevonden dat zich richt op discriminatie bij sportfans in Nederland. Voor Engeland is dat er wel. Cashmore en Cleland (2012) hebben een online uitvraag hierover gedaan bij 3.500 voetbalfans. Zij stellen vast dat onder fans homofobie duidelijk afneemt. 93% van fans in alle leeftijdscategorieën zegt dat

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

49

er geen plaats is voor homofobie in de voetbal. Fans geven clubs en voetbalorganisaties de schuld voor het gebrek aan openheid voor homoseksualiteit en verwachten van hen een meer inclusieve omgeving te creëren voor spelers ongeacht hun seksuele oriëntatie (Cashmore & Cleland, 2012). Over de discriminatie van transgender personen in de sport is weinig bekend in Nederland, maar ook internationaal weinig bekend. Dat ligt er waarschijnlijk aan dat genderidentiteit nog niet zo lang uitgevraagd wordt. Wel is er een internationale bundel verschenen (Anderson & Travers, 2017). Hier ligt met name de focus bij individuele ervaringen en kwalitatief onderzoek dat focust op verschillende landen. Het sportsysteem is bij uitsteek lastig voor transgender personen omdat in de sportwereld geslacht alleen binair beschouwt wordt met van elkaar gescheiden mannen- en vrouwenteams. Voor mensen met een beperking kan professionele sport juist helpen om stereotypen te verminderen. Dit stelt een onderzoek uit 2019 vast (Stone et al., 2019). De onderzoekers hebben surveydata van 302 mensen zonder beperking gebruikt en met een clusteranalyse gewerkt.

De resultaten lieten zien dat volwassenen met een lichamelijke beperking die worden beschreven als topsporters (paralympiërs) geclusterd zijn met een warmte en competentie, vergelijkbaar met hun niet beperkte atletische tegenhangers (olympiërs) (Stone et al., 2019).

6.4

Hiaten in onderzoek in Nederland

Hieronder de resultaten schematisch weergegeven: Gronden

Prevalentie

Aard van de discriminatie (1) Van trainer/coach naar sporters (2) Van sporters naar trainer/coach (3) Tussen cliënten (4) Tussen trainers/coaches (5) Op institutioneel niveau

Amateursport

Met name op afkomst, seksuele voorkeur. Weinig bekend over beperking, wel veel oordelen van het CRM hierover.

Cijfers over ervaren Niveau 1, 3 en 5 gesignaleerd discriminatie, meldingen van discriminatie en getuigenissen van discriminatie

Sporters zien verantwoordelijkheid bij sportaanbieders. Meeste verenigingen hebben geen antidiscriminatiebeleid, er is wel landelijk beleid

Professionele sport

Algemeen op discriminatie en op afkomst, seksuele voorkeur

Cijfers vooral over voetbal bekend

Landelijk beleid, maar dat lijkt niet voldoende

Alle niveaus

Omgang met discriminatie

Samengevat zien we dat in de sport discriminatie vooral op afkomst en seksuele voorkeur onderzocht wordt. Hierover zijn verschillende cijfers over de prevalentie bekend is. Ook is discriminatie hier op verschillende niveaus gesignaleerd. Er is ook beleid om deze discriminatie tegen te gaan, maar dat lijkt nog niet voldoende.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

50

Specifiek valt rondom de discriminatie van homoseksuelen in het (betaald) mannenvoetbal op dat er allerlei initiatieven zijn om homoacceptatie ter verhogen en spelers ook zeggen deze acceptatie breed te delen. Maar toch kiezen weinig homoseksuelen voor deze sporten en kennen we in Nederland ook geen openlijk homoseksuele profvoetballers. Er is meer onderzoek nodig om te begrijpen welke oorzaken en mechanismen hier precies achterliggen. Internationaal onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat subtiele, homo negatieve microagressieve taalhandelingen (speech acts) bijdragen aan het bestaan van heteronormativiteit in de sport ondanks de groeiende acceptatie van niet-heteroseksuele mannelijke atleten (Smits, Knoppers & Elling-Machartzki, 2020). Er is weinig kennis beschikbaar over de discriminatie van mensen met een beperking in de sport. Dat is opvallend omdat juist voor mensen met een beperking sport een kans voor inclusie kan bieden en specifiek voor mensen met een lichamelijke beperking sport belangrijk is om vitaal te blijven. Een oorzaak voor dit kennishiaat zou daarin kunnen liggen dat een geringere deelname van mensen met een beperking aan sport wordt verklaard vanuit de gedachte dat hier een belemmering van mensen met beperkingen ten grondslag ligt in plaats van discriminatie vanuit de samenleving.

Het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een beperking maakt duidelijk dat we ook naar de samenleving moeten kijken om de achterstand van personen met een beperking op te heffen.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

51

CONCLUSIES Discriminatie is een thema dat de afgelopen jaren steeds steviger op de agenda is komen te staan in Nederland. Het ministerie van VWS wil daarom graag weten wat er al bekend is over discriminatie op de eigen beleidsterreinen en welke hiaten er zijn. Om die reden hebben zij gevraagd aan Movisie en het Verwey-Jonker Instituut om hier een verkennend onderzoek over uit te voeren door middel van het in kaart brengen van de literatuur op dit gebied. De hoofdvraag van het onderzoek luidt: Hoe staat het met discriminatie binnen de (brede) beleidsterreinen van VWS? Welke vormen van (institutionele) discriminatie zijn al bij VWS bekend uit eerdere onderzoeken en waar hebben we nog geen zicht op/is nader onderzoek nodig? Omdat het ministerie van VWS vele beleidsterreinen kent zijn er 5 beleidsterreinen uitgelicht, namelijk de langdurige zorg, de curatieve zorg, de maatschappelijke ondersteuning, cliëntondersteuning en sport.

Per beleidsterrein zijn de volgende vragen gesteld: (1) Welke feiten, cijfers en signalen zijn er bekend over de prevalentie en aard van verschillende vormen van discriminatie op het beleidsterrein? En (2) op welke terreinen is nader onderzoek nodig? We hebben meer dan 190 relevante bronnen gevonden: het gaat met name om onderzoeksrapporten van kennisinstituten en onderzoeksbureaus (zowel lokaal als landelijk), maar ook om peer reviewed studies, casussen van het College voor de Rechten van de Mens en enkele nieuwsberichten. De conclusies per beleidsterrein apart staan beschreven op het einde van ieder hoofdstuk. Op basis van het onderzoek kunnen we de volgende voorzichtige 11 algemene conclusies trekken. Deze staan hieronder beschreven. De conclusie in een notendop: er is sprake van discriminatie binnen de zorg en de sport, maar nauwkeurig zicht hierop en evidence based aanpakken ontbreken Discriminatie komt op verschillende leefdomeinen en op verschillende manieren voor in Nederland. Denk aan de arbeidsmarkt, de stagemarkt, het onderwijs en de woningmarkt. De brede sector zorg (curatieve zorg, langdurige zorg, maatschappelijke ondersteuning en cliëntondersteuning) en de sport zijn hier geen uitzondering op.

Hoewel de onderzoeken en cijfers nog beperkt zijn voor wat betreft de zorg is er geen twijfel over mogelijk dat er sprake is van discriminatie: er is nog niet veel onderzocht, maar wanneer er wel onderzoek is, laat dit veelal zien dat discriminatie zich op verschillende gronden en op verschillende manieren manifesteert. Mechanismen die discriminatie in de hand werken en in stand houden, zijn ook deels vergelijkbaar per sector, denk aan stereotypen en vooroordelen over bepaalde groepen die logischerwijs niet alleen spelen op de arbeidsmarkt, de stagemarkt, het onderwijs, de woningmarkt of de sport, maar ook in de zorg. Zowel zorgverleners als patiënten en cliënten hebben hiermee te maken. Daarnaast zijn er verschillende aanwijzingen dat er wordt gewerkt met richtlijnen, onderzoeken en protocollen in de zorg die eenzelfde ‘bias’ hebben. Hoewel de onderliggende mechanismen bij discriminatie in verschillende sectoren vaak vergelijkbaar zijn, is het belangrijk om inzicht te krijgen hoe discriminatie zich in verschillende praktijken manifesteert. Een nauwkeurige analyse hiervan ontbreekt nog in de brede sector zorg. In de sport is er al meer zicht op het probleem en zijn er ook al aanpakken ontwikkeld. Maar ook hier is nog werk te doen: zo is het belangrijk om beter zicht te krijgen op welke aanpak, welk effect heeft.

Want uiteindelijk gaat het niet alleen om weten of en hoe het probleem speelt, maar vooral om evidence based methoden om het probleem adequaat aan te pakken.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

52

Conclusie 1: Er is weinig onderzoek als het gaat om discriminatie in de zorg In geen enkel beleidsterrein binnen de zorg (curatieve zorg, langdurige zorg, maatschappelijke ondersteuning en cliëntondersteuning) is al een helder zicht op het probleem. In de ouderenzorg is iets meer zicht op het probleem dan in de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidzorg. Zo is bekend dat lhbti+ ouderen en ouderen met een migratieachtergrond aangeven discriminatie te ervaren en de zorg als niet inclusief te ervaren. In de curatieve zorg is er meer bekend in de tweedelijnszorg dan in de eerstelijnszorg, maar bij allebei gaat dit met name om discriminatie op grond van afkomst. Als het gaat om de maatschappelijke ondersteuning is er nog het meeste onderzoek, maar die gaat met name over sociaal werk, er is geen enkel onderzoek gevonden over discriminatie in het beschermd wonen en de vrouwenopvang. Als het gaat om de dak- en thuislozenopvang zijn er enkel onderzoeken die gaan over discriminatie op grond van seksuele voorkeur en genderidentiteit en deze spitsen zich meer toe op inclusie (hoe sluiten professionals aan bij lhbti-cliënten?) dan op discriminatie. Conclusie 2: Weinig zicht op prevalentie Het onderzoek wat er is en dat gaat over zorg (curatieve zorg, langdurige zorg, maatschappelijke ondersteuning en cliëntondersteuning), is veelal kwalitatief van aard.

Dat betekent dat er weinig concrete cijfers zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de discriminatie die patiënten en cliënten ervaren. Er is geen goed zicht op hoe vaak dit voorkomt, op welke grond en in welke domein binnen de zorg. Enige uitzondering hierop is onderzoek naar de ervaringen van lhbti+ ouderen in de ouderenzorg; hiervan zijn prevalentiecijfers van, maar ook over andere vormen van discriminatie en andere sectoren zijn geen prevalentiecijfers. Onderzoek naar de prevalentie van de discriminatie die wordt ervaren door cliënten en patiënten in de brede zorg sector (curatieve zorg, langdurige zorg, maatschappelijke ondersteuning en cliëntondersteuning)is dus aan te raden. In het bijzonder in de thuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg, eerstelijnszorg, tweedelijnszorg, sociaal werk, dak- en thuislozenopvang, beschermd wonen en vrouwenopvang. Als het gaat om concrete cijfers hebben de meeste cijfers betrekking op discriminatie die professionals ervaren; dit wordt in onderzoeken zoals die Ipsos periodiek bevraagt. Echter uit de cijfers komt niet naar voren om welke discriminatiegrond het gaat. Ook worden meerdere domeinen (zoals thuiszorg en ouderenzorg) bij elkaar opgeteld.

Conclusie 3: Discriminatie wordt vaak niet bij de naam genoemd In het onderzoek valt op dat discriminatie en racisme vaak niet bij de naam worden genoemd, maar informatie over de prevalentie en aard van discriminatie onder termen als ‘inclusie’ en ‘positieve cultuur’ worden genoemd. De kennis over discriminatie is daardoor versnipperd en niet altijd even goed vindbaar. Dat is een probleem omdat de versnippering van kennis over discriminatie een goede bestrijding van discriminatie in de weg staat. Ook binnen de zorgdomeinen zien we dat discriminatie niet altijd bij de naam wordt genoemd. Er wordt eerder gesproken over bijvoorbeeld ongewenst gedrag. Conclusie 4: Sport het meest onderzocht Het beleidsterrein waar het meest onderzoek op is gedaan die we hebben bekeken is sport, waar echter wel bijzonder weinig onderzoek is over discriminatie in de sport op grond van beperking. Het bestaande onderzoek richt zich met name op discriminatie op grond van afkomst (waarbij soms overlap met religie) en vooral op grond van seksuele voorkeur. Een goed in beeld gebracht probleem is het gebrek aan acceptatie van homo- en biseksualiteit in het mannenvoetbal, al is nog niet helemaal duidelijk hoe de onderliggende problematiek in elkaar zit. Er is al beleid om deze discriminatie op deze gronden tegen te gaan, maar de vraag is of dit voldoende (effectief) is.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

53

Conclusie 5: Groot verschil in discriminatiegronden De discriminatiegrond beperking/handicap, de discriminatiegrond religie en de discriminatiegrond sekse (geslacht) en gender zijn duidelijk het minst onderzocht: wat er bekend is, gaat meestal over discriminatie op grond van afkomst (waar religie wel een rol bij kan spelen) en discriminatie op van seksuele voorkeur. Het gaat dan echter ook lang niet altijd over discriminatie, maar vaker over de vraag of de zorg aansluit bij lhbti+ patiënten en cliënten en bij patiënten en cliënten met een migratieachtergrond. En binnen specifieke doelgroepen zijn er ook verschillen: zo is er wel enige info over de zorg aan lesbische-, homo- en bi patiënten maar veel minder over transgender patiënten. Juist als het gaat om transgender personen zijn er ernstige signalen dat er discriminatie speelt in de zorg ten aanzien van deze groep. Conclusie 6: Cliënten/patiënten die zorg/welzijns-professionals weigeren Een probleem dat op verschillende beleidsterreinen die gaan over zorg en welzijn terugkomen, is het probleem van patiënten of cliënten die een zorgverlener weigeren. Het gaat dan met name om patiënten en cliënten zonder migratieachtergrond die een zorgverlener weigeren die een zichtbare migratieachtergrond heeft, van kleur is en/of zichtbaar moslim is. Vooral in de thuiszorg is bekend dat dit voorkomt.

Echter er is geen zicht op de prevalentie van het probleem. Wel is duidelijk dat lang niet alle instellingen hier een beleid en aanpak voor hebben over hoe ze hiermee om gaan. Conclusie 7: Weinig zicht op discriminatie tussen patiënten/cliënten onderling Er is nog weinig zicht op in hoeverre er discriminatie speelt tussen patiënten en cliënten onderling; denk aan patiënten en cliënten die samen op een ziekenhuiskamer verblijven, die samen in de gehandicaptenzorg of in de ouderenzorg verblijven. Enige uitzondering hierop is onderzoek onder lhbti+ ouderen en de angst voor uitsluiting door medebewoners. Conclusie 8: Niet alleen discriminatie tussen mensen maar ook op institutioneel niveau Er zijn verschillende aanwijzingen dat discriminatie niet alleen speelt tussen cliënten/patiënten, professionals en tussen cliënten/patiënten en professionals, maar ook verankerd is binnen instituten. Zo is in medisch onderzoek de witte man vaak het uitgangspunt. Dit geldt ook voor medische richtlijnen, waardoor bijvoorbeeld mensen met een migratieachtergrond groter risico lopen op een verkeerde diagnose of een behandelplan dat onvoldoende is afgestemd. Dit heeft onder andere tot gevolg dat er risico is op slechtere gezondheidsuitkomsten. Ook lijkt er sprake van discriminatie in de medische opleidingen: studenten met een migratieachtergronden hebben niet dezelfde kansen.

Conclusie 9: Geen zicht op discriminatie in cliëntondersteuning Discriminatie in de cliëntondersteuning is een thema dat geheel nog niet onderzocht is: er is daarover geen enkel onderzoek gevonden. Wel is duidelijk dat bepaalde doelgroepen niet goed bereikt worden door de cliëntondersteuning, waaronder mensen met een migratieachtergrond en mensen met een verstandelijke beperking. Of er echter ook sprake is van discriminatie is niet onderzocht en dus ook niet bekend. Conclusie 10: Weinig zicht op hoe er wordt omgegaan met discriminatie door instellingen Er is nog weinig op hoe instellingen in de brede sector zorg (curatieve zorg, langdurige zorg, maatschappelijke ondersteuning en cliëntondersteuning) omgaan met discriminatie (van patiënten/cliënten naar professionals, van professionals naar patiënten/cliënten, cliënten/patiënten onderling, professionals onderling). Onduidelijk is bijvoorbeeld of en hoeveel zorginstellingen beleid of aanpakken hebben tegen discriminatie; is dit bijvoorbeeld 4% van de zorginstellingen of eerder 84%? Op dit moment is dat onbekend;

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

54

het enige wat duidelijk is uit kwalitatief onderzoek is dat er lang niet altijd een aanpak is. Maar we weten dus niet of de preventie en aanpak van discriminatie door zorginstellingen de regel is of de uitzondering. Ook is onbekend of de aanpakken die worden gebruikt effectief zijn: werken deze aanpakken? Ook is onbekend of deze aanpakken in lijn zijn met de wetgeving. Zoals blijkt uit casussen van het College voor de Rechten van de Mens is het bijvoorbeeld niet geoorloofd om een zorgverlener simpelweg over te plaatsen als deze wordt gediscrimineerd, maar dat gebeurt nog wel in de praktijk. Kortom: onbekend is ook welke aanpakken en welk beleid wél goed werken en kunnen zorgen voor structureel minder discriminatie. Conclusie 11: Relevant onderzoek uit België, Duitsland en Verenigd Koninkrijk In omringende landen wordt relevant onderzoek gedaan op de betreffende terreinen: zo is er in België recent onderzoek gedaan naar discriminatie en sociaal werk, is er in Duitsland onderzoek gedaan naar discriminatie in de sport en in het Verenigd Koninkrijk naar discriminatie van thuiszorgmedewerkers. Dit onderzoek kan als inspiratie of voorbeeld dienen voor onderzoek in Nederland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12836238/1