CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315753 Discriminatie en veilige werkomgevingen in de WMO bijlage 1

Commissie Samenleving 12 oktober 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken46.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Uit dat onderzoek is onder andere gebleken dat patiënten met een Marokkaanse achtergrond significant minder vaak aanvullende chemotherapie ontvangen. De hogere mortaliteit onder patiënten met een Marokkaanse achtergrond werd verklaard door het uitblijven van aanvullende chemotherapie. Suurmond et al (2017) deden onderzoek naar culturele competenties van zorgverleners in de kinderoncologie. Daaruit blijkt dat zorgverleners contact met Turkse en Marokkaanse ouders als moeizaam beschrijven. Dit wordt toegeschreven aan taalbarrières en cultuurbarrières. Sommige zorgverleners gaven aan gebruik te maken van tolken en het beter leren kennen van verschillende culturen. Toch concluderen de onderzoekers dat er onvoldoende gebruik wordt gemaakt van tolken en was er onvoldoende aandacht voor het perspectief van ouders. Daarnaast werd er geen gebruik gemaakt van communicatietechnieken om dillema's tussen patiënten en zorgverleners op te lossen en bleken zorgverleners zich niet bewust van stereotypen en vooroordelen (Suurmond et al, 2017). Het gebrek aan culturele competenties en de aanwezigheid van vooroordelen en stereotypen bij zorgverleners zorgen ervoor dat patiënten met een migratieachtergrond minder goede zorg ontvangen en meer risico lopen op negatieve uitkomsten (Suurmond et al, 2010).

Ook gaven respondenten in een ander onderzoek aan dat ze minder goede informatie ontvingen van zorgverleners, er sprake was van verschillende verwachtingen tussen respondent en zorgverleners en patiënten ervaarden vooroordelen van zorgverleners (Suurmonder et al, 2011). Ook bij dementie zien we dat mensen met een migratieachtergrond extra risico’s lopen binnen de zorg. Mensen met een migratieachtergrond krijgen minder vaak de diagnose of moeten langer wachten voordat de diagnose goed gesteld wordt (Van den Broeke, 2021). Vervolgens sluit ook na de diagnose de zorg vaak onvoldoende aan bij de belevingswereld en behoeften van ouderen met een migratieachtergrond en dementie. Dit heeft onder andere negatieve gevolgen voor de kwaliteit van leven van ouderen (Van Broeke, 2021). Pharos deed onderzoek waarbij ervaringsverhalen van zowel zorggebruikers als zorgverleners zijn opgehaald (Kolste & Vanderbos, 2022). Veel van deze ervaringsverhalen gaan over ervaringen binnen de curatieve zorg. Zo gaf een van de respondenten aan dat een zorgverlener letterlijk zei dat hij haar anders behandeld door haar hoofddoek. Verder vertelden respondenten dat ze zich niet serieus genomen voelden in sommige situaties en sterk het gevoel hadden dat dit door hun achtergrond kwam. Bijvoorbeeld doordat ze zien dat witte patiënten om hen heen vriendelijker en respectvoller bejegend worden door zorgverleners.

Voorbeelden die genoemd worden, gaan bijvoorbeeld ook over huisartsen die klachten niet serieus zouden nemen. Ook in dit onderzoek wordt weer een voorbeeld genoemd gerelateerd aan de huidskleur van een patiënt. Een van de respondenten had na vele bestralingen last van verbranding van haar huid. De radiologen reageerden hier erg geschrokken op en adviseerden zelfs om de behandeling te stoppen. Het

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

22

was uiteindelijk een arts van kleur die aangaf dat er geen reden tot zorgen zijn en dat de huid van donkere mensen anders verbrand. Ook in gesprekken met zorgverleners wordt discriminatie van patiënten bevestigd. Zo blijkt dat sommige zorgverleners patiënten met een migratieachtergrond vermijden en liever hebben dat een collega met een migratieachtergrond die zorg verleent. Ook geven zorgverleners aan dat ze het moeilijk vinden om collega's aan te spreken die zich schuldig maken aan discriminatie (Kolste & Vanderbos, 2022). Discriminatie komt ook voor binnen de opleiding voor geneeskunde. Recent zijn verschillende onderzoeken gepubliceerd waaruit blijkt dat studenten geneeskunde met een migratieachtergrond op verschillende manieren discriminatie ervaren. Zo blijkt uit onderzoek van Mulder et al (2022) dat studenten met een migratieachtergrond minder kans hebben om toegelaten te worden tot medische studies. Een aantal jaar geleden is de numerus fixus voor medische opleidingen afgeschaft. Sindsdien is het aantal studenten met een migratieachtergrond afgenomen op medische opleidingen. Uit onderzoek van Mulder bleek dat het hebben van een medisch netwerk ervoor zorgde dat studenten hogere kans hadden om door de selectieprocedure te komen.

Als je een ouder hebt met een medisch beroep is het namelijk een stuk makkelijker om vrijwilligerswerk te doen in het ziekenhuis of een zorginstelling, meeloopdagen te doen of een snuffelstage. Studenten met een migratieachtergrond zijn vaker eerste generatie student en ervaren vaker een gebrek aan een netwerk wat hierbij kan ondersteunen. De conclusie is dan ook dat het vooral studenten zijn met ouders die behoren tot de rijkste 10% van Nederland die goede kans maken. Daarnaast zijn er ook onderzoeken gedaan onder geneeskundestudenten uit Caribisch Nederland. Daaruit blijkt dat er voor studenten van het Caribische deel van het koninkrijk zeer beperkte kansen zijn om medische opleidingen te volgen (Ficheroux, 2022). Ondertussen is er een tekort aan artsen op Caribisch Nederland en krijgen patiënten geen adequate zorg. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Chantal Andel (2022) dat studenten met een migratieachtergrond bij het Erasmus MC significant lagere cijfers krijgen dan studenten zonder migratieachtergrond. zij concludeert dat de medische wereld een veroordeelde plek is, waar coschapbeoordelingen subjectief zijn. Studenten gaven zelf ook aan dat hun cijfers vooral afhankelijk zijn van de klik die ze hebben met een arts en of ze gedeelde interesses hebben.

Daarnaast gaven studenten met een migratieachtergrond vaker aan minder vertrouwen te hebben in hun begeleider en voelden zij zich vaker oneerlijk behandeld. Dat studenten met een migratieachtergrond lagere cijfers krijgen, heeft negatieve gevolgen voor de inclusie van artsen met een migratieachtergrond. Lagere cijfers kunnen studenten bijvoorbeeld beperken in het verkrijgen van een specialisatieplek (van Andel, 2022). Dit wordt bevestigd door arts Mahdi Salih die concludeert dat artsen met een migratieachtergrond minder kans maken op een opleidingsplek voor specialisatie. Zelfs als ze gepromoveerd zijn, maken artsen met een migratieachtergrond minder kans op een opleidingsplek in vergelijking met hun witte collega's (Ficheroux, 2022). Uit andere artikelen blijkt dat geneeskundestudenten met een migratieachtergrond tijdens hun coschappen verschil merken in hoe artsen omgaan met witte Nederlandse patiënten en patiënten met een migratieachtergrond. Ook geven studenten aan dat ze artsen racistische opmerkingen horen maken over patiënten met een migratieachtergrond. Studenten die deze ervaringen beschrijven, geven aan dat ze nog onvoldoende steun ervaren vanuit hun opleiding en docenten (Hok, 2022). Voor discriminatie op basis van seksuele gerichtheid hebben we een beperkt aantal publicaties kunnen vinden.

Transgender Netwerk Nederland (NTT) heeft in januari 2022 een kleinschalig onderzoek gedaan via sociale media naar discriminatie in de zorg onder transgender personen (Van den Voorn, 2022). Uit dat onderzoek blijkt dat 60% de deelnemers discriminatie in de zorg heeft ervaren. Hierbij gaat het om de huisarts, ambulancepersoneel en de gynaecologie in het bijzonder. Respondenten gaven aan ongepaste

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

23

vragen te krijgen van cisgender zorgverleners en voelden zich onder druk gezet om fysiek en psychologisch onderzoek te ondergaan. Een voorbeeld is een transgender persoon die niet wordt meegenomen door de ambulance met ademhalingsproblemen omdat de ambulancemedewerker denkt dat transgender personen vaak psychische problemen hebben waardoor de fysieke klachten niet meer serieus worden genomen. Daarnaast blijken transgender personen angst en schaamte te ervaren wanneer ze fysiek onderzocht worden door cisgender personen Van Den Voorn, 2022). Een casus die is beoordeeld is door het College voor de Rechten van de Mens in 2022(i) laat zien dat er inderdaad discriminatie voorkomt in de curatieve zorg (zie: casus 4). Niet alleen transgender personen maar ook intersekse personen hebben te maken met discriminatie. Volgens seksediversiteit.nl hebben intersekse personen te maken met zorg die beperkt of niet beschikbaar is, terwijl ze daar wel afhankelijk voor zijn (Have, n.d.). Stichting NNID en het COC rapporteren dat intersekse personen vaker geconfronteerd worden met onnodige medicalisering van hun zorgvragen in vergelijking met cisgender personen. Tegelijkertijd ontvangen transgender personen en non-binaire personen juist minder vaak de zorg die ze werkelijk nodig hebben (Winden, 2022).

Tot slot geeft Alzheimer Nederland aan dat dementie bij mensen uit de lhbti+ identiteit vaak langer moeten wachten op een diagnose. Mensen uit een lhbti+ identiteit stellen een bezoek aan de huisarts regelmatig uit, omdat ze zich niet begrepen voelen of het gevoel hebben ze niet serieus genomen worden door hulpverleners en artsen (Alzheimer Nederland, 2021). Uit de LHBT monitor van het SCP in 2018 blijkt dat biseksuele personen er minder goed voor staan als het gaat om leefstijl, gezondheid en zorggebruik in vergelijking met heteroseksuele personen (Movisie 2021; Van Beusekom & Kuyper. 2018). Het College voor de Rechten van de Mens heeft tien oordelen over discriminatie op basis van seksuele gerichtheid binnen de zorg. Vier van deze oordelen gaan over Stichting Sanquin Bloedvoorziening en het uitsluiten van bloeddonoren op basis van seksuele gerichtheid. Er zijn een aantal casussen die een melding beschrijven van mannen die discriminatie hebben ervaren op basis van hun seksuele gerichtheid. In twee gevallen zijn de mannen permanent uitgesloten als bloeddonor op grond van homoseksuele gerichtheid en seksueel contact met een man (College voor de Rechten van de Mens, 2021a). Inmiddels mogen homo mannen met een vaste partner bloeddonor worden (COC Nederland, 2021).

Er zijn drie casussen die een situatie beschrijven waarin homoseksuele en lesbische koppels afgewezen zijn voor IVF-behandelingen en/of draagmoederschap. Het College voor de Rechten van de Mens concludeert in twee gevallen dat er geen sprake is van ongelijke behandeling op basis van seksuele gerichtheid, omdat de gewenste behandeling ook niet aangeboden wordt aan heteroseksuele koppels College voor de Rechten van de Mens, 2015; College voor de Rechten van de Mens). In één geval oordeelt het college dat er mogelijk onderscheid wordt gemaakt op grond van seksuele gerichtheid in de dagelijkse praktijk en bij de uitvoering van het beleid. Nu is het namelijk zo dat het ziekenhuis in deze casus geen behandeling aangeboden wordt aan personen die donorsperma wensen te gebruiken. Hoewel dit in lijn is met de wettelijke regels, is dit onder de aandacht gebracht bij de minister, omdat het indirect voor ongelijke behandeling zou zorgen in de praktijk (College voor de Rechten van de Mens, 2009). Omgang met discriminatie In het onderzoek van Pharos (Loenen et al, 2022) worden verschillende aanbevelingen gegeven voor het omgaan met discriminatie en om discriminatie tegen te gaan. Een groot deel van deze aanbevelingen zijn al eerder genoemd onder het algemene stuk over discriminatie in de zorg. Zo is het belangrijk dat er meer aandacht komt voor bewustwording en erkenning.

Zorgverleners die discriminatie ervaren, voelen zich nog onvoldoende gesteund door collega's en missen erkenning voor hun ervaringen. Daarnaast moeten zorgverleners eigenaarschap tonen als het gaat om het komen tot oplossingen binnen organisaties. Maar

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

24

ook meer diversiteit in het personeelsbestand draagt bij aan verrijking van de cultuur en zorgt dat zowel patiënten als personeel zich beter herkennen in anderen. Aanvullend zijn er ook nog aanbevelingen als het gaat om zorgopleidingen. Zo is een van de aanbevelingen om meer aandacht te hebben voor etnische diversiteit en het risico van discriminatie in de zorg. Al in het curriculum van zorgopleidingen moet aandacht zijn voor impliciete en expliciete vooroordelen die invloed kunnen hebben op het handelen. Daarnaast is het belangrijk dat geneeskundeopleidingen zich inzetten voor het aantrekken en behouden van studenten met een migratieachtergrond, zodat de artsenpopulatie een afspiegeling wordt van de samenleving.

3.3

Discriminatie in de curatieve zorg in omringende landen

Van Eechoud et al. (2015) deed in Vlaanderen onderzoek naar ervaringen, percepties en attitudes van zorgverleners in de oncologische zorg ten aanzien van zorg aan patiënten met een migratieachtergrond. Hoewel zorgverleners gelijkwaardige zorg vooropstellen, geven zij ook aan van mening te zijn dat zorg aan mensen met een migratieachtergrond niet (veel) meer inspanning mag kosten. Deze zorgverleners leggen de verantwoordelijkheid hiervoor bij de patiënt zelf. Ook geven ze aan dat zorg aan mensen met een migratieachtergrond niet ten koste mag gaan van zorg aan autochtone patiënten. Dit zorgt ervoor dat de zorg aan mensen met een migratieachtergrond beperkt wordt door de strikt medische aspecten (cure) en dat er weinig aandacht ik voor ‘care’ (Van Eechoud et al., 2015). In België deed ook Van de Graaf (2021) onderzoek naar percepties van discriminatie van specifiek moslimvrouwen in België. In België is de islamofobie de afgelopen jaren flink toegenomen en de meeste klachten komen van vrouwen. In dit onderzoek zijn 22 moslimvrouwen geïnterviewd die melding hebben gedaan van discriminatie. In dit onderzoek komen verschillende ervaringen terug met betrekking tot discriminatie in de zorg. Zo geven verschillende vrouwen aan dat artsen bevooroordeelde opmerkingen maken op basis van hun etnisch culturele achtergrond.

Zo vertelt een van de respondenten dat ze met gezondheidsklachten naar de arts ging en de opmerking kreeg dat overgewicht normaal is in haar (Marokkaanse) cultuur en dat ‘haar Marokkaanse eten vet en ongezond is’. Ook gaven vrouwen aan irrelevante vragen te krijgen tijdens medische consulten of zelfs beledigende opmerkingen. De onderzoekers concluderen ook dat er sprake is van geïnstitutionaliseerde islamofobie. Bijvoorbeeld door de invoering van een hoofddoekverbod onder personeel in de zorg. Het zorgt ervoor dat moslimvrouwen worden buitengesloten en negatief benaderd worden door artsen, maar ook docenten en collega's (Van de Graag, 2021).

3.4

Hiaten in curatieve zorg Gronden

Tweedelijnszorg (Ziekenhuizen en UMC’s)

Prevalentie

Aard van de discriminatie Omgang met (1) Van professional naar cliënt discriminatie (2) Van cliënt naar professional (3) Tussen cliënten (4) Tussen professionals (5) Op institutioneel niveau

Vooral op grond van Alleen bekend (2) Van cliënt naar professional etniciteit/migratieachtergro voor ervaringen (4) Tussen professionals nd. Over andere professionals 5) Op institutioneel niveau discriminatiegronden weinig bekend. Nog te weinig bekend over

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

Wordt nog onvoldoende erkend

25

discriminatie op grond van beperking en religie. Eerstelijnszorg Niks bekend over (huisartsen & discriminatiegrond gezondheidscentra) Institutioneel (onderzoek, literatuur, richtlijnen)

Alleen bekend (2) Van cliënt naar professional voor ervaringen (4) Tussen professionals professionals (5) Op institutioneel niveau

Op grond van etniciteit/ Niet bekend migratieachtergrond. norm is wit.

5) Institutioneel niveau

Inclusiever materiaal

Man is vaak de norm in onderzoek en richtlijnen. Nog te weinig bekend over discriminatie op grond van beperking en religie.

Voor de sector curatieve zorg zijn er verschillende onderzoeken die ervaringen met discriminatie van zowel zorgverleners als patiënten inzichtelijk maken. Het niet altijd duidelijk op welke discriminatiegrond dat plaatsvindt. De onderzoeken die we tot nu toe hebben gevonden, gaan voornamelijk over discriminatie op grond van etniciteit en migratieachtergrond. Dit komt ook duidelijk terug als het gaat om de medische opleidingen. Studenten met een migratieachtergrond hebben niet dezelfde kansen. Echter is er nog weinig bekend over de andere discriminatiegronden. Binnen de curatieve zorg is nog weinig bekend over discriminatie op basis van seksuele geaardheid. Binnen de andere domeinen is er meer bekend. Het is belangrijk om meer inzicht te krijgen over discriminatie van mensen uit de LGBTQ+ community en de kwaliteit van zorg die zij op dit moment krijgen. Verder zien we op institutioneel niveau dat de witte man het uitgangspunt is in zowel onderzoek als richtlijnen. Hierdoor is het niet altijd duidelijk hoe bepaalde ziekten tot uiting komen bij vrouwen en laten diagnoses langer op zich wachten. Maar ook medicaties en behandelingen zijn niet altijd voldoende onderzocht als het gaat om vrouwen. Verder zijn er beperkt cijfers bekend als het gaat om prevalentie. De meeste cijfers die we hebben verzameld, komen uit het onderzoek van Ipsos.

Echter is er behoefte aan meer inzicht als gaat om verschillende discriminatiegronden. Ook de aard van de discriminatie is nog beperkt onderzocht. Zo hebben we vrijwel niks kunnen vinden over discriminatie op grond van religie.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

26

4

MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

In dit hoofdstuk beschrijven we wat er bekend is over discriminatie in de maatschappelijke ondersteuning. We zullen eerst beschrijven wat we hieronder verstaan en hoe deze ondersteuning er uitziet in Nederland en vervolgens beschrijven wat er bekend is aan discriminatie in deze sector. Daarna maken we net als in de andere hoofdstukken een uitstapje naar het buitenland om vervolgens te beschrijven wat de hiaten zijn in kennis in Nederland.

4.1

Maatschappelijke ondersteuning in Nederland: een korte inleiding

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uit 2015 is de wet die stelt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van mensen die niet op eigen kracht zelfredzaam zijn (rijksoverheid.nl). Het gaat bijvoorbeeld om begeleiding en dagbesteding, ondersteuning om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten, een plaats in een beschermde woonomgeving voor mensen met een psychische aandoening (beschermd wonen) en opvang in geval van huiselijk geweld en mensen die dakloos zijn (rijksoverheid.nl). Gemeenten mogen zelf bepalen hoe ze deze ondersteuning vormgeven. Veel gemeenten hebben bijvoorbeeld sociale wijkteams waar mensen terecht kunnen met hun hulpvraag en die het eerste aanspreekpunt zijn (rijksoverheid.nl; Zorg & Sociaal web, 2015). In veel sociale wijkteams werken verschillende organisaties samen zoals jeugdhulp, thuiszorg en welzijn en helpen zij bij lichte problemen en verwijzen zij door bij zware en meer ingewikkelde problematiek (Zorg & Sociaal web, 2015). Sommige gemeenten hebben geen sociaal wijkteam, maar werken met een (WMO) loket waar burgers terecht kunnen met hun vragen (rijksoverheid.nl; Zorg & Sociaal web, 2015). Wanneer het dus gaat over de maatschappelijke ondersteuning gaat het dus onder meer over de dak -en thuislozenopvang, de vrouwenopvang, het beschermd wonen, de thuiszorg, de sociale wijkteams en/of het sociaal werk.

4.2

Discriminatie in de maatschappelijke ondersteuning in Nederland

Hieronder beschrijven we wat we hebben gevonden aan onderzoeken die gaan over discriminatie in de thuiszorg, de sociale wijkteams en/of het sociaal werk en dak- en thuislozenopvang en de vrouwenopvang.

4.2.1 Thuiszorg Prevalentie Er zijn geen landelijke onderzoeken gevonden die specifiek en alleen gaan over discriminatie in de thuiszorg. Er zijn dus geen specifieke prevalentie cijfers voor de thuiszorg. Ipsos heeft in 2021 onderzoek gedaan onder 11.092 respondenten die werkzaam zijn in de sector Zorg en Welzijn waaronder thuiszorgmedewerkers. In het rapport worden de uitkomsten voor medewerkers in de verpleging, verzorging en thuiszorg samen genomen. Zoals ook benoemd wordt in hoofdstuk 2 over de langdurige zorg, is het dus niet precies duidelijk wat de cijfers zijn voor de thuiszorg, maar als het gaat om de verpleging, verzorging en thuiszorg samen, dan is bekend dat 18% discriminatie vanuit de cliënten heeft meegemaakt in het afgelopen jaar. Als het gaat om discriminatie vanuit familie, vrienden, bezoekers, patiënten en cliënten en omstanders

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

27

gaat het om 10%. En als het gaat om discriminatie vanuit collega’s en leidinggevenden dan rapporteert van de medewerkers in de verpleging, verzorging en thuiszorg 5% dit. Uit onderzoek van het CBS uit 2019 blijkt dat bijna 2 op de 3 werknemers in de brede zorg- en welzijnssector in het voorgaande jaar een of meerdere keren te maken hebben gehad met agressie en geweld door patiënten of cliënten, of door hun familieleden. Hiervan betrof 23% discriminatie. Voor de verpleging, verzorging en de thuiszorg betrof het 69% die agressie en geweld heeft meegemaakt. Hierbij is niet vermeld hoeveel procent hiervan discriminatie betrof. Recent heeft Radar een enquête uitgezet onder zorgverleners in de ouderenzorg. Deze vragenlijst is ingevuld door 45 zorgverleners in Rotterdam die wel eens discriminatie hebben ervaren door een cliënt en/of door naasten van een cliënt en waarvan de meeste in de thuiszorg werken (60%) en waarvan het merendeel huishoudelijke hulp is (40%). De respondenten ervaren het vaakst discriminatie vanwege hun afkomst, gevolgd door hun geslacht en geloof. Het valt op dat verschillende respondenten zich gediscrimineerd voelen vanwege hun (over)gewicht, wat geen wettelijke discriminatiegrond is (Van der Tuin & Fiere, 2022).

Aard van de discriminatie Ook als het gaat om de aard van de discriminatie zijn er geen landelijke onderzoeken gevonden die specifiek en alleen gaan over discriminatie in de thuiszorg. Wel is er recent lokaal onderzoek gedaan door Radar naar discriminatie in de Rotterdamse ouderenzorg. Dit onderzoek wordt ook beschreven in hoofdstuk 2 over de langdurige zorg. Het gaat dan om verpleging, verzorging en thuiszorg. Voor dit onderzoek zijn interviews gehouden met twaalf zorgverleners, tien leidinggevenden, vier medewerkersvertrouwenspersonen, een arbocoördinator en een kwaliteitsmedewerker. Daarnaast zijn de resultaten van een online vragenlijst voor zorgverleners in de analyse meegenomen. Zoals beschreven wordt in hoofdstuk 2 over de langdurige zorg, blijkt dat met name medewerkers van kleur in de ouderenzorg te maken krijgen met onder meer discriminatie. Het gaat om agressie, fysiek geweld en bedreiging vanwege hun afkomst en/of huidskleur en met kleinerende opmerkingen en beledigingen. Ze worden onder meer geweigerd door cliënten: bij de thuiszorg wordt er dan niet opengedaan of gaat de deur meteen weer dicht, vaak met de opmerking dat de zorgverlener niet gewenst is (Van der Tuin & Fiere, 2022). Naast dit lokale onderzoek is er een recent peer-reviewed gepubliceerd onderzoek van Duijs (et al.

2021, 2022) waarin racisme naar voren komt in thuiszorg en in verpleeghuizen; dat racisme blijkt een van de redenen voor medewerkers in onder meer de thuiszorg verder te gaan als zelfstandige/zzp’er. In het artikel wordt verder niet ingegaan op welke manier dit racisme speelt. In een krantenartikel in het NRC licht de eerste onderzoeker Duijs (2022) dit verder toe en zegt zij dat racisme zich vooral onderhuids afspeelt. Het gaat onder meer om zorgprofessionals van kleur die tijdens hun opleiding worden tegengewerkt door witte collega’s door te weigeren vaardigheden af te tekenen die ze al onder de knie hadden. Ook wordt er gemeld dat witte collega’s ruilen van dienst om niet met een collega van kleur te hoeven samenwerken of dat zorgmedewerkers van kleur minder kans krijgen op een goed salaris of het volgen van een opleiding. Tevens komt ook hier de discriminatie vanuit patiënten of cliënten aan de orde waarbij wordt opgemerkt dat de ervaring is dat de managers vaak in die situaties niet voor de betreffende collega van kleur opkomen (NRC, 2022). Naast deze onderzoeken is er een onderzoek van Pharos (2022) naar discriminatie van patiënten op grond van afkomst, in de brede sector zorg, dat ook beschreven staat in hoofdstuk 3 over de curatieve zorg. Hier wordt dus niet specifiek gerapporteerd over de thuiszorg, maar de thuiszorg is hier wel in meegenomen.

Uit het kwalitatief onderzoek wat is gedaan waarin de ervaringen van patiënten met discriminatie door zorgverleners centraal staan, blijkt dat patiënten door de ervaring met discriminatie soms de zorg gaan mijden (Kolste & Venderbos, 2022). Tevens blijkt dat discriminatie lastig bespreekbaar is vanwege de ongelijke en onzekere positie van de patiënt. Ook wordt discriminatie door zorgverleners lang niet altijd

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

28

herkend. En ook drukte, het gebrek aan eigenaarschap van de oplossing en gêne bij een zorgverlener als die wordt beschuldigd van discriminatie, leiden ertoe dat discriminatie niet altijd wordt besproken (Kolste & Venderbos, 2022). Pharos (2022) heeft tevens een literatuuronderzoek gedaan (Loenen et al. 2022) en constateert op basis daarvan en het kwalitatieve onderzoek (Kolste & Venderbos, 2022) in een artikel op de eigen site dat patiënten en cliënten met een migratieachtergrond niet altijd dezelfde behandeling krijgen als patiënten zonder migratieachtergrond. In hoeverre dit specifiek ook speelt binnen de thuiszorg wordt dus niet helemaal duidelijk, maar er wordt geen melding van gemaakt dat het probleem anders zou spelen in de thuiszorg dan bij andere type zorg. Er zijn tot slot veel oordelen van het College voor de Rechten van de Mens gevonden over discriminatie in de thuiszorg: zowel zaken die gaan over discriminatie van medewerkers als zaken die gaan over discriminatie door cliënten. Drie voorbeelden hiervan zijn opgenomen in de bijlage. Het gaat om een zaak waarin een medewerker ontslagen werd vanwege haar zwangerschap uit 2012 (casus 1), een zaak waarin een vrouwelijke medewerker minder betaald kreeg dan een mannelijke medewerker uit 2021(b) (casus 2) en een zaak waarin een medewerker niet werd beschermd tegen discriminatie door een cliënt uit 2022 (c) (casus 3).

Ook is er bijvoorbeeld een zaak uit 2012 waarin een verpleegkundige niet wordt aangenomen bij de thuiszorg omdat hij een man is met een donkere huidskleur (casus 4). Uit de verschillende casussen kan worden afgeleid dat discriminatie in de thuiszorg op verschillende manieren (zowel vanuit de cliënt naar de medewerker als vanuit de instelling naar de medewerker) en op verschillende gronden voorkomt. Omgang met discriminatie Er zijn geen landelijke onderzoeken gevonden. Wel is er het lokale onderzoek van Radar. In dit onderzoek door Radar in de Rotterdamse ouderenzorg is er specifiek gekeken naar hoe de medewerkers en de zorginstellingen omgaan met discriminatie. Een van de belangrijkste conclusies is dat zorgmedewerkers die worden gediscrimineerd in zowel de thuiszorg als verpleeghuizen worstelen met dillema’s als ‘Zorg ik goed voor de cliënt of zorg ik goed voor mezelf?’ Het gaat om verschillende vormen van discriminatie: zowel op basis van afkomst (treft met name medewerkers van kleur en/of met migratieachtergrond), op basis van gender (treft vooral mannen) en op basis van seksuele oriëntatie (treft vooral homo- en biseksuele zorgverleners). Zorgverleners willen goede zorg verlenen aan de ouderen en voelen zich dermate verantwoordelijk, dat ze hun eigen welzijn naar de achtergrond schuiven, zo blijkt uit het onderzoek (Van der Tuin & Fiere, 2022).

Medewerkers ervaren het als extra pijnlijk om te worden gediscrimineerd door iemand die jij probeert te helpen. Vaak speelt bij deze ouderen een cognitieve stoornis, zoals dementie, een rol en laten veel zorgverleners de discriminatie om die reden over zich heen komen, zo blijkt uit het onderzoek. Medewerkers zien het vaak als een teken van professionaliteit om desondanks zo goed mogelijk hulp te verlenen aan de discriminerende cliënt (Van der Tuin & Fiere, 2022). Als het gaat om het beleid van de Rotterdamse zorginstellingen en discriminatie door cliënten, observeert Radar dat zij allen een meldsysteem hebben voor grensoverschrijdend gedrag door cliënten, zoals discriminatie. Ook zijn er protocollen aanwezig over hoe om te gaan met dit soort gedrag, maar in de praktijk wordt discriminatie door cliënten niet veel gemeld. Als een officiële melding wordt gemaakt, dan gaat het om de meest ernstige gevallen (Van der Tuin & Fiere, 2022). Tevens worden discriminerende verzoeken van cliënten tijdens een intakegesprek niet langer getolereerd door de Rotterdamse zorginstellingen. Uitzondering is als er een traumatische ervaring aan het verzoek ten grondslag ligt (waardoor de cliënt bijvoorbeeld geen mannelijke hulpverlener wil).

Verschillende leidinggevenden geven aan dat als een cliënt onomstotelijk en herhaaldelijk discrimineert, zij de zorgverleningsovereenkomst willen ontbinden (Van der Tuin & Fiere, 2022).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

29

4.2.2 Sociaal werk en sociale professionals Prevalentie Als het gaat om de prevalentie van discriminatie zijn er cijfers van Ipsos en Movisie. Uit onderzoek van Ipsos (2021) naar agressie en ongewenst gedrag op de werkvloer komt naar voren dat het afgelopen jaar er van de sociaal werkers 25% van de medewerkers discriminatie heeft ervaren door cliënten. Als het gaat om discriminatie vanuit familie, vrienden, bezoekers, patiënten en cliënten en omstanders dan gaat het 12%. Als het gaat om discriminatie vanuit collega’s en leidinggevenden dan blijkt dat 8% dit heeft ervaren. Discriminatie in het sociaal werk komt dus meer voor dan in de thuiszorg (zie paragraaf 4.2.1). Uit onderzoek van Movisie (een enquête onder 189 mensen waarvan 105 de vragenlijst volledig hebben ingevuld) komt naar voren dat 49% van de sociaal professionals discriminatie en/of discriminatoire micro agressie ervaren, waarvan de meeste discriminatie betrof op basis van huidskleur. Als het specifiek gaat om sociaal professionals die tot een gestigmatiseerde groep behoren, heeft 53% discriminatie ervaren (Broekroelofs, 2023). Dit gaat om groepen met een niet-herleidbare migratieachtergrond, lhbti+ personen, met een beperking en/of handicap, op basis van sekse, op basis van huidskleur, op basis van genderidentiteit, op basis van etniciteit en op basis van religie.

Er werd een significant verband gezien tussen ervaren discriminatie en huidskleur en migratieachtergrond: duidelijk is dat medewerkers van kleur en/of medewerkers met een migratieachtergrond veel meer risico lopen op het meemaken van discriminatie dan andere medewerkers (Broekroelofs, 2023). Naast dat sociaal professionals zelf discriminatie ervaren, kunnen zij het ook signaleren. Van de respondenten heeft 71% discriminatie gezien bij anderen. Door middel van een meerkeuzevraag is doorgevraagd op deze ervaring. Bij 73% van de sociaal professionals die dit zagen, ging het om burgers of cliënten onderling die elkaar discrimineren, bij 42% ging het (daarnaast) om cliënten/burgers die collega’s discrimineerden en nog eens bij 30% ging het om collega’s die burgers/ cliënten discrimineerden (Broekroelofs, 2023). Aard van de discriminatie Uit een verkenning van Movisie waarbij interviews zijn gehouden met 31 sociaal professionals die werken in kwetsbare wijken komt naar voren dat discriminatie op verschillende manieren speelt in de sociale basis en het sociaal werk: tussen collega’s, tussen bewoners, van sociaal professionals naar bewoners en van bewoners naar sociaal professionals en op institutioneel niveau, dus binnen instituties (Broekroelofs, et al. 2023).

Het gaat zowel om discriminatie op grond van afkomst, als discriminatie op grond van seksuele voorkeur en discriminatie op grond van beperking. Zo wordt door een sleutelfiguur met een beperking aangegeven dat veel mensen met een beperking uitsluiting en discriminatie ervaren vanuit sociaal professionals (Broekroelofs, et al. 2023). Dat sociaal werkers te maken krijgen met discriminatie vanuit cliënten komt ook naar voren uit een proefschrift van Hendriks (2018) naar vrouwelijke sociaal werkers van Turkse en Marokkaanse achtergrond. Hierin wordt beschreven dat deze vrouwen regelmatig discriminatie meemaken: cliënten willen bijvoorbeeld niet door hen worden geholpen of schelden hen uit (Hendriks, 2018). Daarnaast zijn er enkele oordelen van het College voor de Rechten van de Mens waaruit blijkt dat discriminatie naar medewerkers lijkt voor te komen, zoals blijkt uit een casus uit 2011(a): een medewerker krijgt zijn contract niet verlengd vanwege zijn chronische ziekte (casus 1 sociaal werk) en uit een casus uit 2020 blijkt dat een andere medewerker haar contract niet krijgt verlengd vanwege haar zwangerschap (casus 2 sociaal werk). Omgang met discriminatie Er zijn een aantal onderzoeken gevonden die gaan over hoe de sector en de medewerkers omgaan met discriminatie. Allereerst is er het eerder genoemde onderzoek van Movisie uit 2023 (Broekroelofs, 2023). De

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

30

respondenten gaven aan relatief vaak in te grijpen als omstander van discriminatie: 85% heeft wel eens ingegrepen als zij discriminatie zagen op hun werk. Ook als de sociaal professionals die deze enquête invulden zelf discriminatie ervaarden, is nog niet de helft (47%) het gesprek hierover aangegaan. En iets meer dan de helft, 60%, van de sociaal professionals die discriminatie ervaarden, heeft hiervan geen melding gedaan (Broekroelofs, 2023). Ten tweede is er de eerder genoemde verkenning van Movisie waarbij interviews zijn gehouden met 31 sociaal professionals die werken in kwetsbare wijken. Hierin wordt geconcludeerd dat discriminatie niet altijd wordt gezien en herkend binnen het sociaal werk. Het wordt soms weggewuifd met ‘het is niet zo bedoeld’ (Broekroelofs, et al. 2023). Er zijn verschillende redenen waarom discriminatie lastig is om aan te kaarten in dit domein. Allereest zijn er veel informele netwerken binnen het sociaal werk, waardoor er weinig grip lijkt te zijn op discriminerende processen en incidenten. Dit maakt het ook lastiger om het aan te kaarten en een melding te doen. Ten tweede kan de relatie die een sociaal professional heeft, bijvoorbeeld met een cliënt, het aankaarten van discriminatie bemoeilijken. Dit komt door de professionele hulprelatie waarin het soms niet helpend kan zijn voor de ondersteuning om discriminatie aan te kaarten.

Dit dilemma zagen we eerder terug bij de Rotterdamse zorgverleners: men wil vaak goed zorgen voor de cliënt of patiënt, ook als deze discrimineert. Tot slot hebben professionals en vrijwilligers vaak het idee dat zij al bezig zijn om inclusief te werken en dat ze hier dus niet meer op hoeven letten. Er wordt dus vaak gedacht dat men niet discrimineert, waardoor discriminatie lastig wordt herkend (Broekroelofs, et al. 2023). Wat de onderzoekers van Movisie tevens opvalt, is dat er vooral gereageerd wordt als een discriminerend incident al heeft plaats gevonden; er wordt dus minder ingezet op preventie. Organisaties lijken ook weinig motivatie te hebben om bijvoorbeeld trainingen te geven aan hun personeel om discriminatie aan te pakken. Opvallend was dat er weinig sociaal professionals interventies kennen die kunnen bijdragen aan het verminderen van discriminatie, zowel in de wijk als in de eigen organisatie. Kortom: een proactieve aanpak van discriminatie ontbreek dus nog vaak. maar wordt dan ook aanbevolen (Broekroelofs, et al. 2023). Dat de relatie die een sociaal professional heeft met een cliënt, het aankaarten van discriminatie kan bemoeilijken omdat het soms in een professionele hulprelatie niet helpend kan zijn voor de cliënt om de discriminatie aan te kaarten, zoals Movisie constateert (Broekroelofs, et al.

2023), komt ook naar voren in een klacht die is behandeld door het College voor de Rechten van de Mens. In een artikel hierover legt het College voor de Rechten van de Mens (2022a) uit dat er een klacht was over een instelling voor maatschappelijke ondersteuning biedt aan mensen die in een sociaal zeer zwakke positie verkeren: zogenoemde ‘bemoeizorg’4 bij mensen thuis. Een medewerker van deze organisatie meldt bij haar werkgever dat zij herhaaldelijk vragen en opmerkingen over haar hoofddoek krijgt van een cliënte, zo beschrijft het College (2022a). De werkgever is hierover met de medewerker in gesprek gegaan en heeft geprobeerd haar te ondersteunen, maar uiteindelijk besloot de organisatie om de medewerkster te plaatsen bij andere cliënten, om het risico op discriminatie te verkleinen. Volgens het College (2022a) is dit een ingewikkelde situatie, waarin geen reële mogelijkheden waren om de cliënte op haar gedrag aan te spreken. De cliënte was immers beperkt ontwikkeld en had bemoeizorg nodig (College voor de Rechten van de Mens, 2022b). Daarom oordeelde het College (2022a, 2022b) dat de werkgever zich voldoende heeft ingespannen om te voldoen aan zijn zorgplicht voor een discriminatievrije werkomgeving (zie ook bijlage voor meer info over deze casus 3 sociaal werk).

Niet alleen de werkgever, ook de sociaal professional zelf kan met een dilemma te maken krijgen als de cliënt discrimineert. In het eerder genoemde proefschrift van Hendriks (2018) komt naar voren dat vrouwelijke sociaal werkers van Turkse en Marokkaanse afkomst (in opleiding) discriminatie in het sociaal 4 Bemoeizorg is zorg voor mensen die uit zichzelf geen hulp vragen of accepteren, maar wel hulp nodig hebben:

https://www.regelhulp.nl/onderwerpen/psychische-klachten/bemoeizorg-oggz.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

31

werk vaak niet aan de orde stellen en vaak zelfs negeren. Een van de reden die hiervoor wordt genoemd, is omdat de vrouwen zich geen slachtoffer willen voelen.

4.2.3 Dak- en thuislozenopvang, beschermd wonen en vrouwenopvang Prevalentie Er zijn geen onderzoeken bekend over de prevalentie van discriminatie in de dak- en thuislozenopvang, in het beschermd wonen en de vrouwenopvang. Wel zijn er de eerder genoemde cijfers van Ipsos (2021) waarvoor ook sociaal werkers bevraagd zijn waarvan mogelijk een deel werkzaam is in de dak- en thuislozenopvang of de vrouwenopvang. Zoals hierboven beschreven heeft 25% van de sociaal werkers discriminatie ervaren door cliënten, 1% door familie, vrienden, bezoekers, patiënten en cliënten en omstanders en 8% door collega’s en leidinggevenden (Ipsos, 2021). Er zijn verder geen cijfers gevonden. Wel zijn er cijfers met betrekking tot de diversiteit van de dak- en thuislozen populatie. Ongeveer de helft van de daklozen heeft ‘een niet-westerse migratieachtergrond’, zoals het CBS dit noemt. Dit cijfer is de afgelopen jaren flink gestegen (CBS, 2021). Daarnaast is er een onderzoek, ook van Movisie, gedaan naar de situatie van dak- en thuisloze lhbti+ jongeren door middel van 15 interviews met deze doelgroep. Het blijkt dat deze jongeren onder meer te maken met discriminatie vanuit hun ouders en/of familie wat kan bijdragen of zelfs de directe oorzaak zijn van hun dak- en thuisloosheid (De Groot, Vijlbrief, Emmen, 2018).

Tevens wordt vermoedt dat het aantal dak- en thuisloze lhbti+ jongeren hoger is dan je op basis van gemiddelde bevolkingscijfers zou verwachten. Gezien de hogere risicofactoren op dak- en thuisloosheid voor lhbti+ jongeren is de voorzichtige schatting gemaakt dat Nederland tussen de 1.000 en 2.000 dak- en thuisloze lhbti+ jongeren tot en met 27 jaar kent (Meijsen en Timmerman, 2020). Daarnaast is bekend dat mensen met een licht verstandelijke beperking gemiddeld vaker dakloos zijn: in onderzoek uit 2014 zijn 387 geregistreerde daklozen gescreend om te bekijken of er mogelijk sprake kan zijn van een LVB en dit bleek bij 29,5% het geval (Van Straaten et al. 2014). Aard van de discriminatie Er zijn nauwelijks onderzoeken beschikbaar. Er is onderzoek uit 2008 van Movisie dat is opgesteld op basis van een kwalitatief onderzoek in de dak- en thuislozenopvang (interviews). Op basis daarvan wordt gesteld dat in de maatschappelijke opvang voor dak- en thuislozen racisme voorkomt. Vaak trekken daklozen van dezelfde etniciteit met elkaar op en mijden zij andere etnische groepen, zo staat er beschreven (Felten, 2008). Vooroordelen en racistische ideeën over en weer kunnen dit nog versterken, zo wordt geconstateerd. Tevens wordt gesteld dat mannen nog steeds in de meerderheid zijn onder de dak- en thuislozen en dat de straatcultuur erg gericht is op mannen (Felten, 2008).

Omgang met discriminatie Als het gaat om de omgang met discriminatie dan zijn er enkel onderzoeken gevonden die betrekking hebben op discriminatie op grond van seksuele en genderdiversiteit. In het eerder genoemde onderzoek uit 2018 is door Movisie de situatie van dak- en thuisloze lhbti+ jongeren onderzocht en blijkt dat de hulp die deze jongeren krijgen weinig lhbti-specifiek en -sensitief is. Hulpverleners praten vaak niet over seksuele oriëntatie of genderidentiteit en gaan ervanuit dat de jongeren die zij helpen heteroseksueel zijn. Hulpverleners hebben vaak ook weinig kennis over seksuele en genderdiversiteit en zien de samenhang tussen lhbti-zijn en psychische en sociale problemen van de jongeren niet (De Groot, Vijlbrief, Emmen, 2018). Ook is nauwelijks aanbod voor ouders van lhbti-jongeren en zijn de lhbtibelangenorganisaties en activiteiten in Amsterdam grotendeels onbekend bij de jongeren. Deze organisaties zouden mogelijk een positieve impact hebben op de zelfacceptatie, steun en weerbaarheid van de jongeren in het omgaan met discriminatie, maar hier worden zij niet naar verwezen naar de hulpverlening (De Groot,

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

32

Vijlbrief, Emmen, 2018). Dat hulpverleners weinig aandacht hebben voor seksuele en genderdiversiteit is in lijn met een eerder peer-reviewed gepubliceerd onderzoek waarin 421 professionals die werken met jongeren (zoals in het jongerenwerk, in de jeugdhulpverlening etc.) een vragenlijst hebben ingevuld. Uit de resultaten van dat onderzoek bleek dat 41% van de respondenten niet wist hoe te signaleren dat een jongere worstelt met lesbische, homo- of biseksuele gevoelens en voor transgenderjongeren is dat 64% (Emmen et al. 2015). Geen van de respondenten ontmoette ooit bewust een jongere met een intersekse conditie. En net als in het Amsterdamse onderzoek brengen professionals die werken met jongeren dit niet in verband met andere psychische en sociale problemen die deze jongeren hebben. Zij ervaren lhbti+ gevoelens zelf niet als iets bijzonders en zien geen rol voor zichzelf in het ondersteunen van de betreffende jongere (Emmen et al. 2015). In een later onderzoek uit 2020 is gekeken naar de literatuur en gesproken met professionals die werken met dak- en thuisloze jongeren onder meer om na te gaan of het eerdere onderzoek van Emmen (et al. 2015) nog actueel was en het Amsterdamse onderzoek (De Groot et al. 2018) mogelijk relevant was voor het hele land. Die vragen worden beide bevestigend beantwoord (Meijsen & Timmerman, 2020).

Dat betekent dat de verwachting is dat de zorg en hulp voor dak- en thuisloze lhbti+ jongeren niet alleen in Amsterdam maar in heel Nederland onvoldoende lhbti+ sensitief is en nog onvoldoende open staat voor jongeren (Meijsen & Timmerman, 2020). Naast deze onderzoeken, is er een casus bij het College voor de Rechten van de Mens (2011b) bekend waaruit blijkt dat het niet altijd mogelijk is voor mensen met een beperking (in de casus iemand in een rolstoel) om veilig te werken in de daklozenopvang. Een vrouw wordt om die reden afgewezen voor een baan, maar volgens het College staat de daklozenopvang in haar recht omdat de veiligheid van de vrouw niet gegarandeerd kan worden (casus 1). Een andere casus die is gevonden (uit 2022) gaat over dat de klachtbehandeling m.b.t. discriminatie niet voldoende is bij een organisatie voor maatschappelijke opvang (casus 2). Over specifiek de vrouwenopvang is één onderzoek gevonden en ook deze gaat over seksuele diversiteit. Het gaat om een onderzoek van Hera vrouwenopvang uit 2009 waarin is onderzocht in hoeverre de vrouwenopvang toegankelijk is voor vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van geweld in vrouw-vrouw relaties.

Uit dit onderzoek komt naar voren dat de medewerkers vrij positief staan ten opzichte van vrouwen die op vrouwen vallen (dus geen sterke vooroordelen hebben), maar dat ze er niet zo zeer rekening mee houden in hun hulpaanbod (Thompson, 2009).

4.3

Discriminatie in de maatschappelijke ondersteuning in omringende landen

Thuiszorg Als het gaat om thuiszorgmedewerkers dan is er een recente review uit het Verenigd Koningrijk over de situatie van thuiszorgmedewerkers die migrant zijn (Turnpenny & Hussein, 2022). Hieruit blijkt dat discriminatie en racisme veel naar voren komen uit de wetenschappelijke literatuur. Racisme is niet altijd direct en openlijk, maar toont zich bijvoorbeeld ook door verwachtingen over de competenties van de thuiszorgmedewerker. Ook komt naar voren dat vaak van thuiszorgmedewerkers wordt verwacht dat zij racisme tolereren van cliënten, in het bijzonder van cliënten die worden gezien als kwetsbaar (Turnpenny & Hussein, 2022). Er wordt onder meer verwezen naar een eerdere studie uit 2012 waarin statistieken zijn geanalyseerd en 96 interviews zijn afgenomen. Uit deze studie komt naar voren dat thuiszorgmedewerkers van migrantenafkomst racisme en discriminatie ervaren vanuit cliënten, hun collega’s en leidinggevenden. Het ging om racistische opmerkingen, maar ook om cliënten die niet geholpen willen worden door een thuiszorgmedewerker die een zichtbare migrantenafkomst heeft (Stevens, Hussein, Manthorpe, 2012). Ook uit een recent kwalitatief onderzoek in Zweden in de ouderenzorgen (waaronder de thuiszorg) komen

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

33

signalen naar voren dat racisme daar een probleem is; onder meer van de cliënt naar de zorgverlener (Lill, et al. 2022). Sociaal werk In omringende landen zien we met name onderzoek naar hoe sociaal werkers omgaan met lhbti+ cliënten en in hoeverre zij hier adequate hulp verlenen. Kort gezegd komt naar voren uit onderzoek dat lhbti+ personen in Europa vaak te maken hebben met slechtere dienstverlening of dienstverlening die hen benadeeld en niet in hun behoeften voorzien (Nothdurfter & Nagy, 2017). De attitude van sociaal werkers ten aanzien van lhbti+ personen lijkt hier mogelijk debet aan. Uit onderzoek blijkt dat in het bijzonder onder religieuze sociaal werkers een gebrek aan acceptatie van lhbti+ personen speelt (Westwood, 2022). Over het algemeen hebben sociaal werkers behoefte aan training rondom seksuele en genderdiversiteit en dat geldt met name voor professionals die onder meer kennis en contact hebben met lhbti+ personen en die meer compassie hebben voor lhbti+ personen (Baiocco, et al. 2022). Mogelijk dat zij dus meer onderkennen dat ze meer kennis nodig hebben dan mensen die nog minder contact hebben met lhbti+ personen. Het gebrek aan aandacht voor seksuele en genderdiversiteit manifesteert zich mogelijk al in de Social Work opleidingen.

Uit een kwalitatieve onderzoek onder studenten Social Work in het Verenigd Koninkrijk, blijkt dat zwarte studenten, lhbti+ studenten en studenten met een beperking, merken dat heteronormativiteit, subtiele manifestaties van racisme en aannames over validiteit, heersen in een deel van het curriculum van hun studie (Bernard et al. 2014). Hun minderheidsstatus wordt door het onderwijs bevestigd. In hun ontmoetingen met leeftijdsgenoten in de klas worden ze er constant aan herinnerd dat mensen die wel aan de norm voldoen (die geen beperking hebben, heteroseksueel en wit zijn) voorrang krijgen (Bernard et al. 2014). Als het gaat over racisme dan zijn er ook verschillende onderzoeken uit het nabije buitenland die relevant zijn. Allereerst een onderzoek uit Antwerpen uit 2022 van Neyens, Driessens en El Massaoudi. Met dit onderzoek beoogden zij onder meer door middel van focusgroepen en enquêtes zicht te krijgen op welke (laagdrempelige) organisaties brede signalen van discriminatie opvangen in de stad Antwerpen, welke signalen dit zijn, op welke manier ze hiermee aan de slag gaan en welke ondersteuningsbehoeften de professionals daarbij kennen. Uit dit onderzoek blijkt het sociaal werk, anders dan het geval lijkt te zijn in Nederland (zie onder meer het eerder genoemde onderzoek van Movisie, Broekroelofs et al. 2022), een belangrijke schakel te zijn in de strijd tegen discriminatie.

Onder meer doordat sociaal werk praktijken vaak een actieve rol op zich nemen in het bespreekbaar maken van ervaringen van discriminatie (Neyens et al. 2022). Ook spelen sociaal werkers vaak een belangrijk rol als intermediair tussen de betrokken persoon en de instanties en ondersteunen sociaal werkers hun doelgroep collectief door een veilig klimaat te creëren om onder meer ervaringen te delen. Tevens spelen sociaal werkers via het publieke debat in de structurele aanpak van discriminatie. Wel zijn er nog ondersteuningsbehoeften op het terrein van anti-discriminatie bij sociaal werkers, zo wordt vastgesteld (Neyens et al. 2022). Ook in het Verenigd Koninkrijk lijkt er aandacht te zijn voor anti-discriminatie en antiracisme in het bijzonder in het sociaal werk. Zo wordt in een artikel voor het Britse Journal of Social Work gerapporteerd over vooroordelen en racisme bij een deel van de studenten (Mlcek, 2014) en wordt er geëxperimenteerd met hoe vooroordelen te verminderen onder sociaal werk studenten (zie bijvoorbeeld Nadan & Stark, 2017), net als bijvoorbeeld in Noorwegen (Lian Flem et al. 2021). Een onderzoeker van Hogeschool van Oberösterreich in Oostenrijk heeft kwalitatief onderzoek gedaan onder sociale werkers naar het belang van de dominantie van de ‘Witte cultuur’ ('witheid') in sociaal werk.

Geanalyseerd wordt wat de betekenis is van ‘Witheid’ in het sociaal werk en hoe deze ertoe bijdraagt dat sociaal werk een witte ruimte wordt en sociale werkers ‘(...) sich selbst zu Kompliz [machen] der Kolonialität von Macht’ (Tißberger 2020). Tißberger stelt sociale werkers een 'hegemonische zelfreflectie' voor: witte professionals moeten zich bewust zijn van hun positie en in staat zijn om in interacties met mensen met een

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

34

migratieachtergrond alsmede met cliënten, patiënten en collega's van kleur na te gaan welke invloed dit kan hebben op de werkrelatie. Zij kunnen alleen het vertrouwen van hun gesprekpartners winnen als zij hen ervan kunnen overtuigen dat zij zich bewust zijn van de invloed van racisme op het leven van alle mensen met een migratieachtergrond (Tißberger, 2021). Verder van huis, in de VS en Canada, lijkt dit nog verder ontwikkeld te zijn en lijkt antiracisme al een onderwerp van aandacht te zijn in het sociaal werk en de scholing, maar waar ook discussie is over hoe dit nog beter kan (zie bijvoorbeeld: Baines, 2002; Hamilton-Mason & Schneider, 2018; Kolivoski, Weaver, Constance-Huggins, 2014). Dak- en thuislozenopvang en vrouwenopvang We hebben geen onderzoeken gevonden naar discriminatie in de vrouwenopvang die specifiek in Europa zijn uitgevoerd. Maar wel is er een kwalitatief onderzoek gedaan onder vrouwen van kleur in de vrouwenopvang in de VS waaruit naar voren komt dat zij te maken met micro-agressies (Nnawulezi & Sullivan, 2014). Uit een recente internationale review komt naar voren dat racisme een probleem is in de vrouwenopvang maar dat slachtoffers dat vaak niet durven aan te kaarten (Waller, Harris, Quinn, 2022). Als het gaat om discriminatie in de dak- en thuislozenopvang is er ook maar weinig onderzoek te vinden.

Uit een Europees rapport over dakloosheid komt als enige aandachtspunt dat dakloze mannen soms wijzen op positieve discriminatie ten aanzien van vrouwen en hun kinderen: zij krijgen soms voorrang op ondersteuning of een huis (Busch-Geertsema, Edgar, O’Sullivan, Pleace, 2010). Daarnaast zijn er wel onderzoeken uit de Verenigde Staten die laten zien dat dak- en thuisloze mensen discriminatie ervaren op grond van afkomst (Milburn, et al. 2010) en op grond van seksuele voorkeur en genderidentiteit (Romero, Goldberg, Vasquez, (2020). Zo zijn bepaalde opvangplekken niet toegankelijk voor transgender personen omdat er een strikt onderscheid wordt gemaakt op basis van sekse (Romero et al. 2020).

4.4

Hiaten in onderzoek in Nederland - per terrein

Hieronder de resultaten schematisch weergegeven: Gronden

Prevalentie

Aard van de discriminatie (1) Van professional naar cliënt (2) Van cliënt naar professional (3) Tussen cliënten (4) Tussen professionals (5) Op institutioneel niveau

Omgang met discriminatie

Thuiszorg

Met name op afkomst, niet op handicap of seksuele voorkeur

Onbekend (alleen cijfers zorg of ouderenzorg algemeen)

(1) Van professional naar cliënt Rest niet bekend

Niets over bekend

Sociaal werk / sociale basis

Discriminatie gesignaleerd op grond van afkomst, beperking en seksuele voorkeur en religie.

Cijfers (maar niet representatief) vanuit de ervaringen van sociaal professionals Geen cijfers vanuit cliënten

Van niveau 1 t/m 5 is gesignaleerd

Bekend is dat er vaak niet wordt ingegrepen

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

35

Dak- en thuislozenopvang, beschermd wonen en vrouwenopvang

Met name alleen op seksueel voorkeur en genderidentiteit

Niets over bekend

Alleen op niveau 1: en alleen op seksuele voorkeur en genderidentiteit

Niets over bekend

Samenvattend valt op dat er veel onderzoek ontbreekt. Allereerst: er is geen onderzoek dat specifiek gaat over de thuiszorg waardoor onbekend is wat de prevalentie is van discriminatie op verschillende gronden. Wel is er enigszins zicht op de aard van de discriminatie; het gaat onder meer om cliënten die zorgverleners weigeren vanwege hun afkomst. Maar het is onbekend hoe vaak dit voorkomt en hoe thuiszorgorganisaties hiermee omgaan. Ook is onbekend of andersom voorkomt: hebben cliënten te maken met discriminatie vanuit thuiszorgmedewerkers? Daar is geen onderzoek naar gedaan. Over het sociaal werk is meer bekend dan over de thuiszorg: duidelijk is dat discriminatie voorkomt van professional naar cliënt, van cliënt naar professional, tussen cliënten en tussen professionals en op institutioneel niveau. Duidelijk is dat deze discriminatie speelt op verschillende gronden. Echter, ook hier is nog niet helemaal duidelijk hoe vaak dat dit nu speelt, een peiling van Movisie uit 2023 geeft hier enigszins zicht op maar representatief onderzoek ontbreekt. Over de vrouwenopvang, beschermd wonen en dak- en thuislozenopvang is het minste bekend: wat er bekend is, is oud of gaat enkel over de hulp aan lhbti+ jongeren: duidelijk is dat de hulp vanuit de dak- en thuislozenopvang niet altijd goed aansluit bij wat deze groep nodig heeft.

Maar als het gaat om andere vormen van discriminatie is er geen onderzoek beschikbaar. Onbekend is bijvoorbeeld of discriminatie op grond van afkomst en religie speelt in de dak- en thuislozenopvang, in het beschermd wonen of vrouwenopvang. Ook is onbekend of deze plekken toegankelijk zijn voor mensen met een beperking. Kun je bijvoorbeeld als rolstoelgebruiker gebruik maken van de dak- en thuislozenopvang? Dit is niet onderzocht. Wel is bekend dat jongeren met een licht verstandelijke beperking meer kans lopen op dakloosheid. Datzelfde geldt voor lhbti+ jongeren. Als het gaat om die laatste groep is bekend dat de opvang lang niet altijd goed inspeelt op hun situatie en behoeften. Voor alle domeinen binnen de maatschappelijke opvang geldt dat er geen grootschalige en/of kwantitatieve onderzoeken zijn gedaan onder de cliënten die gebruik van de diensten: er zijn alleen enkele aanwijzingen uit kwalitatief onderzoek, maar onduidelijk is of cliënten discriminatie ervaren vanuit de professionals en zo ja, hoe vaak dit voorkomt.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

36

5

CLIËNTONDERSTEUNING

In dit hoofdstuk staat de cliëntondersteuning centraal. We zullen eerst beschrijven wat dit is. Vervolgens beschrijven we wat we weten over discriminatie in de cliëntondersteuning in Nederland.

5.1

Cliëntondersteuning in Nederland: een korte inleiding

Sinds 2015 bestaat een wettelijk recht op gratis cliëntondersteuning. Artikel 1.1.1. van de Wmo 2015 definieert cliëntondersteuning als: ‘Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.’ (Bakker et al. 2017). Cliëntenondersteuning wordt verleend door beroepsmatige (formele) cliëntondersteuners (sociaal professionals op hbo-niveau) en vrijwillige (informele) cliëntondersteuners (ervaringsdeskundigen). De verantwoordelijkheid voor cliëntondersteuning ligt bij de gemeenten (voor de Wmo-indicatie in het sociaal domein) en bij de zorgkantoren (voor de Wet Langdurige zorg/Wlz-indicatie). Het RIVM heeft in 2021 een monitor gepubliceerd, dat bestaat uit cijfers uit onderzoeken en ervaringen uit interviews met onder andere cliëntondersteuners en cliënten (Hulshof et al. 2021). Uit de RIVM-monitor komt naar voren dat als mensen eenmaal een cliëntondersteuner aan hun zijde hebben, ze daarmee goed zijn geholpen. Het ontlast hen dat er iemand meekijkt en weet welke wetten en regels er gelden, zeker bij complexe zorgvragen.

In een eerder onderzoek van de Nationale Ombudsman kwam een ander beeld naar voren: burgers die wel toegang krijgen, wijzen vaak op onvoldoende kennis bij de cliëntondersteuner (Tuzgöl-Broekhoven, Stam, Atalikyayi, 2018). In beide onderzoeken komt naar voren dat veel mensen niet weten dat ze een cliëntondersteuner kunnen krijgen en hoe ze ermee in contact kunnen komen (Tuzgöl-Broekhoven, Stam, Atalikyayi, 2018; Hulshof et al. 2021). Vaak omdat de functie van cliëntenondersteuning formeel ontbreekt, het is officieel geen functie (Tuzgöl-Broekhoven, Stam, Atalikyayi, 2018). Er zijn dus mensen die voor cliëntondersteuning in aanmerking zouden komen (potentiële cliënten) en er gebruik van hadden willen maken, maar dat niet hebben gedaan, omdat het niet bestaat of ze niet weten dat er zoiets bestaat. In dit laatste geval wordt 50% van de potentiële cliënten niet geholpen (Hulshof et al. 2021). Een ander knelpunt is dat de rol van de cliëntondersteuner niet altijd precies duidelijk is en hoe die zich verhoudt tot andere partijen in de zorg. Ook komt de onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner soms in het geding, bijvoorbeeld wanneer de cliëntondersteuner ook zelf kan besluiten of ondersteuning wordt toegekend, of bij een organisatie werkt die zelf zorg aanbiedt (Hulshof et al.

2021) of bij sommige gemeenten waar de ondersteuner lid is van het wijkteam en samen met de Wmo-consulent indicatie stelt (Tuzgöl-Broekhoven, Stam, Atalikyayi, 2018). In het Nationaal Actieplan Mensenrechten 2020 Toegankelijkheid van voorzieningen erkent de Rijksoverheid het vraagstuk van toegankelijkheid van de zorg en onderstreept daarbij de rol die de cliëntondersteuner kan spelen om barrières te slechten. Er is besloten in 2018 tot een landelijke aanpak om een impuls te geven aan cliëntenondersteuning in het sociaal domein (Wmo) en de Wet Langdurige zorg (Wlz) (Ministerie van BZK, december 2019). Een groot aantal lokale overheden zijn betrokken bij dit meerjarig traject van koplopergemeenten, 113 deelnemende gemeenten in 2021. Hoofdvragen luiden: ‘Hoe kan ik onafhankelijke cliëntondersteuning goed inrichten voor mijn inwoners en hoe zorg ik voor meer bekendheid?’ Het Koploperproject Cliëntondersteuning is een initiatief van de VNG, Ieder(in) en de Koepel Adviesraden

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

37

Sociaal Domein. Movisie ondersteunt de uitvoering ervan. Het project wordt mogelijk gemaakt door financiering van het ministerie van VWS.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12836238/1