CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315753 Discriminatie en veilige werkomgevingen in de WMO bijlage 1

Commissie Samenleving 12 oktober 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken46.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)? Een literatuuronderzoek in opdracht van het ministerie van VWS

Colofon Auteurs: Caroline Harnacke (Movisie), Mariam Badou (Verwey-Jonker Instituut), Hanneke Felten (Movisie), en Mellouki Cadat-Lampe (Movisie) Projectleider: Hanneke Felten (Movisie) Met bijzondere dank aan: Serena Does (Verwey-Jonker Instituut) Redactie: Joke Martens (Movisie) Maart 2023, Utrecht © Movisie Deze publicatie is ontwikkeld in opdracht van het ministerie van VWS

Movisie: kennis en aanpak van sociale vraagstukken Movisie is hét landelijk kennisinstituut voor een samenhangende aanpak van sociale vraagstukken. Samen met de praktijk ontwikkelen we kennis over wat echt goed werkt en passen we die kennis toe. De unieke rol van Movisie is het versnellen van leerprocessen. We zijn alleen tevreden als we een duurzame positieve verandering voor mensen in een kwetsbare positie realiseren. Kijk voor meer informatie op www.movisie.nl.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

2

INHOUDSOPGAVE Inleiding

1

2

3

4

5

6

5

Doel en Onderzoeksvragen

5

Onderzoeksmethode

6

Opbouw van dit rapport

6

Wat is discriminatie en hoe vaak komt het voor?

8

1.1 Wat is discriminatie?

8

1.2 Discriminatiegronden en vormen

9

1.3 Prevalentie discriminatie algemeen

10

1.4 Discriminatie in de zorg in het algemeen

11

Langdurige zorg

15

2.1 Langdurige zorg in Nederland: een korte inleiding

15

2.2 Discriminatie in de langdurige zorg in Nederland

15

2.3 Discriminatie in de langdurige zorg in omringende landen

18

2.4 Hiaten in onderzoek in Nederland

19

Curatieve zorg

20

3.1 Curatieve zorg in Nederland: een korte inleiding

20

3.2 Discriminatie in de curatieve zorg in Nederland

20

3.4 Hiaten in curatieve zorg

25

Maatschappelijke ondersteuning

27

4.1 Maatschappelijke ondersteuning in Nederland: een korte inleiding

27

4.2 Discriminatie in de maatschappelijke ondersteuning in Nederland

27

4.3 Discriminatie in de maatschappelijke ondersteuning in omringende landen

33

4.4 Hiaten in onderzoek in Nederland - per terrein

35

Cliëntondersteuning

37

5.1 Cliëntondersteuning in Nederland: een korte inleiding

37

5.2 Discriminatie in cliëntondersteuning in Nederland

38

5.3 Discriminatie in cliëntondersteuning in omringende landen

40

5.4 Hiaten in onderzoek in Nederland

40

Sport

42

6.1 Sport in Nederland: een korte inleiding

42

6.2 Discriminatie in de sport in Nederland

42

6.3 Discriminatie in de sport in omringende landen

49

6.4 Hiaten in onderzoek in Nederland

50

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

3

Conclusies

52

Bronnen

61

Bijlagen: casussen

78

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

4

INLEIDING Discriminatie aanpakken staat inmiddels hoog op de politieke agenda. Het ministerie van VWS is door het kabinet aangemerkt als een van de departementen met een specifieke verantwoordelijkheid voor het tegengaan van discriminatie. Daarom heeft de Bestuursraad van VWS besloten om een VWS brede aanpak en benadering te willen hanteren op het thema discriminatie binnen het VWS terrein. Er is op dit moment nog te weinig kennis van discriminatie op de VWS werkterreinen en veel medewerkers geven aan dat kennis en bewustzijn over het voorkomen van discriminatie in onvoldoende mate aanwezig zijn, aldus het ministerie. Er is daardoor weinig zicht op hoe groot het probleem is. Het is voor de aanpak van discriminatie en kansengelijkheid binnen de beleidsterreinen van het ministerie van VWS belangrijk dat hier meer zicht op komt.

DOEL EN ONDERZOEKSVRAGEN Het hoofddoel van dit onderzoek is antwoord geven op de volgende hoofdvraag: Hoe staat het met discriminatie binnen de (brede) beleidsterreinen van VWS? Welke vormen van (institutionele) discriminatie zijn al bij VWS bekend uit eerdere onderzoeken en waar hebben we nog geen zicht op/is nader onderzoek nodig? Simpel gezegd gaat dit onderzoek over de vraag wat we weten over discriminatie op de beleidsterreinen van het ministerie van VWS en welke hiaten er zijn in kennis. Het gaat om de volgende beleidsterreinen: • Langdurige zorg: ouderenzorg, gehandicaptenzorg, GGZ • Curatieve zorg: ziekenhuiszorg, huisartsenzorg, wijkverpleging, GGZ • Maatschappelijke Ondersteuning: thuiszorg, sociaal werk, maatschappelijke opvang (waaronder dak- en thuislozenopvang en vrouwenopvang) • Cliëntondersteuning • Sport Per beleidsterrein stellen we dus concreet de volgende vragen: (1) Welke feiten, cijfers en signalen zijn er bekend over de prevalentie en aard van verschillende vormen van discriminatie op het beleidsterrein? (2) Op welke terreinen is nader onderzoek nodig? Met discriminatie focussen we op de volgende vier vormen van discriminatie: • Discriminatie op grond van afkomst, huidskleur, nationaliteit, en nationale of etnische afstamming (ook wel racisme genoemd)1 • Discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte (ook wel validisme genoemd) • Discriminatie

op grond van geslacht, sekse, gender en seksuele oriëntatie

1

We gebruiken verschillende termen om te verwijzen naar verschillende groepen mensen omdat we de termen gebruiken die in de onderzoeken gebruikt die we aanhalen.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

5

• Discriminatie op grond van godsdienst en levensovertuiging (zoals antimoslimracisme en antisemitisme)

ONDERZOEKSMETHODE We zijn op zoek naar feiten, cijfers en signalen van prevalentie en naar effectieve aanpakken uit binnen- en buitenland. Dit deden we door middel van: • Search van de wetenschappelijke literatuur: we focusten hierbij op de peer-reviewed literatuur. Deze zoeken we via Google Scholar. We gebruiken zoektermen als ‘prejudice’, ‘stereotypes’, ‘bias’ en ‘discrimination’ in combinatie met zoektermen die verwijzen naar de domeinen (en de sectoren die daaronder vallen zoals ‘thuiszorg’ en ‘vrouwenopvang’) die worden onderzocht. Dit deden we zowel in het Nederlands als in het Engels. Wanneer we via deze zoektermen een relevant artikel vonden, lazen we deze nauwkeurig en noteerden de uitkomsten. Vervolgens spoorden we de referenties op in dit artikel en bekeken we door welke artikelen dit artikel is geciteerd om gerelateerde artikelen te bekijken. We gingen na of de artikelen die we op die manier vonden relevant zijn, noteerden de belangrijkste uitkomsten en gingen op dezelfde manier verder. Wanneer we voldoende artikelen hadden gevonden, vergeleken we de uitkomsten met elkaar, beschreven deze en beantwoorden op basis daarvan de onderzoeksvragen. • Deskresearch naar ‘grijze’ literatuur: hierbij zoeken we onderzoeken en rapporten die niet peer-reviewed zijn. Ook hier gebruikten we vergelijkbare zoektermen en zoekstrategie.

We vulden vervolgens de antwoorden op de onderzoeksvragen aan met de gevonden resultaten. We hebben ook expliciet gezocht naar casussen bij het College voor de Rechten van de Mens op verzoek van het ministerie van VWS, zodat er meer zicht komt op hoe discriminatie er in de onderzochte sectoren in de praktijk kan uitzien. • We hebben alleen bronnen meegenomen die gepubliceerd in de periode vanaf 2008 t/m februari 2023. Tevens is er in onderzoek vanzelfsprekend gebruik gemaakt van eerdere onderzoeksrapporten en dossiers van Movisie en het Verwey-Jonker Instituut op het terrein van discriminatie, zoals onder meer het uitgebreide dossier ‘Wat werkt tegen discriminatie’ (Felten & Broekroelofs, 2022), de handreiking ‘Antidiscriminatiebeleid voor gemeenten’ (Movisie, 2022) en het onderzoek dat Movisie en het Verwey-Jonker Instituut momenteel in opdracht van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme uitvoeren naar discriminatie in de zorg. We hebben meer dan 190 relevante bronnen gevonden: de meeste hiervan zijn onderzoeksrapporten van kennisinstituten en onderzoeksbureaus (zowel lokaal als landelijk) maar het gaat ook om peer reviewed studies en om 20 casussen van het College voor de Rechten van de Mens en enkele nieuwsberichten. Op basis van de verzamelde kennis beschreven we overzichtelijke hoofdstukken.

Een concept versie van het rapport is voorgelegd aan het ministerie van VWS en op basis van hun vragen en feedback verder aangescherpt.

OPBOUW VAN DIT RAPPORT We beginnen met een inleidend hoofdstuk over wat discriminatie is en de verschillende vormen ervan zijn en wat voorspellers zijn van discriminatie. Hierin beschrijven we ook onderzoeksgegevens met betrekking tot zorg die niet gekoppeld is aan een specifiek beleidsterrein. Daarna beschrijven we in ieder hoofdstuk een beleidsterrein van het ministerie van VWS: respectievelijk langdurige zorg, curatieve zorg, maatschappelijke

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

6

ondersteuning, cliëntondersteuning en sport. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een conclusie over wat de hiaten zijn voor dat beleidsterrein met betrekking tot discriminatie. We eindigen dit rapport met conclusies over alle beleidsterreinen. In de bijlagen zijn de casussen toegevoegd die in de hoofdstukken als illustratie aan de orde komen.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

7

1

WAT IS DISCRIMINATIE EN HOE VAAK KOMT HET VOOR?

In dit inleidende hoofdstuk beschrijven we wat discriminatie is en welke verschillende vormen er zijn. Ook beschrijven we wat er bekend is in het algemeen over de prevalentie van discriminatie. Hierbij gaan we in het bijzonder in op de zorg, het grootste beleidsterrein van het ministerie van VWS. In de hoofdstukken hierna gaan we dan in op de specifieke beleidsterreinen van het ministerie van VWS.

1.1

WAT IS DISCRIMINATIE?

De juridische definitie van discriminatie is de volgende: ‘elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast2.’ Het Sociaal en Cultureel Planbureau formuleert het als volgt: ‘discriminatie is het nadelig behandelen van personen omdat zij behoren, of gerekend worden, tot een bepaalde groepering’ (Andriessen, Nievers, Faulk & Dagevos, 2010). Essentieel is dat het bij discriminatie gaat om onderscheid maken op basis van een kenmerk dat niet relevant is in een bepaalde kwestie. Bijvoorbeeld: iemand weigeren voor een baan vanwege de afkomst van deze persoon. Afkomst is immers een factor die er niet toe doet. Wanneer iemand anders wordt behandeld, vanwege een kenmerk dat wél relevant is in de context, dan is er geen sprake van discriminatie. Bijvoorbeeld: wanneer iemand wordt geweigerd voor een baan wegens niet voldoen aan de competenties die nodig zijn om de baan goed te kunnen uitvoeren, dan is er geen sprake van discriminatie (Felten & Broekroelofs, 2022; Movisie, 2022). Discriminatie kan er verschillend uitzien (Andriessen et al.

2017): (a) Negatieve bejegening: denk aan onvriendelijke behandeling, naroepen of pesten. Dit wordt door burgers als het meest voorkomend genoemd. (b) Ongelijke behandeling: zoals geweigerd worden voor een discotheek of café of minder betaald krijgen voor hetzelfde werk. (c) Vernieling, bedreiging of geweld: denk aan mensen die op straat worden aangevallen of van wie eigendommen door anderen vernield of beklad worden. In dit rapport kijken we naar al deze verschillende vormen van discriminatie. De oorzaak van discriminatie ligt onder meer in vooroordelen (negatieve gevoelens) en stereotypen (kenmerken die worden toegeschreven aan mensen uit een bepaalde groep) (Gordijn & Wigboldus, 2013). Zowel vooroordelen als stereotypen kunnen impliciet zijn: ze zijn als het ware automatisch, enigszins 2 www.wetboek-online.nl/wet/Sr/90quater.html

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

8

‘onbewust’ en mensen hebben vaak niet in de gaten dat deze invloed hebben op hun gedrag (Amodio & Devine, 2006; Gawronski & Bodenhausen 2006; Greenwald & Banaji, 1995). Dat betekent dat beslissingen van mensen sterk beïnvloed worden op basis van impliciete vooroordelen en stereotypen zonder dat mensen hier bij stilstaan (Hardin & Banaji, 2013). Vrijwel iedereen heeft deze impliciete vooroordelen (Nosek, et al. 2007). Bijvoorbeeld: in een studie in Zweden is te zien dat 94% van de werkgevers impliciete stereotiepe beelden heeft over mannen van Arabische afkomst. Voor expliciete stereotypen was dit 54%. Expliciete stereotypen en vooroordelen zijn de stereotypen en vooroordelen waar mensen open over zijn en zich bewust van zijn. Deze zijn makkelijk te meten met vragenlijsten. Expliciete vooroordelen komen in Nederland ook veel voor: zo onderschrijft de helft van de bevolking grove negatieve uitspraken over etnische minderheden (Coenders, et al. 2015). Echter, de meer onbewuste (impliciete) vooroordelen en stereotypen hebben veel meer invloed dan de bewuste (expliciete): de schatting vanuit diverse wetenschappers is namelijk dat we slechts zo’n 5% van ons gedrag bewust overdenken (Baumeister & Bargh, 2014; Martin, 2008).

Een andere oorzaak van discriminatie zijn sociale normen: als mensen denken dat het de norm is om te discrimineren, doen zij dat vaker (Blanchard, Crandall, Brigham, Vaughn, 1994). Ook impliciete normen worden sterk bepaald door de omgeving (Vuletich en Payne, 2019).

1.2

Discriminatiegronden en vormen

Voor een aantal discriminatiegronden zijn in verschillende wetten, zoals Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene Wet gelijke behandeling, bepalingen opgenomen die bescherming bieden tegen discriminatie, zo staat beschreven in de handreiking van het ministerie van BZK over gemeentelijk antidiscriminatiebeleid (Movisie 2022). Het gaat onder meer om de volgende gronden: • godsdienst/levensovertuiging • ras, afkomst • geslacht waaronder ook zwangerschap, genderidentiteit of genderexpressie • zwangerschap • genderidentiteit • seksuele voorkeur / seksuele gerichtheid • handicap en chronische ziekte • leeftijd Veel voorkomende vormen van discriminatie zijn: • Racisme: Volgens de Europese Unie is racisme ‘ideas or theories of superiority of one race or group of persons of one colour or ethnic origin’3. In het rapport ‘Institutioneel racisme in Nederland’ van KIS (Felten et al. 2021) staat verder hierover toegelicht dat alhoewel de term ‘ras’ een sociaal construct is dat mensen op arbitraire gronden (zoals huidskleur) hebben bedacht, er tegenwoordig nog steeds wordt gedacht in ‘raciale’ categorieën (Saini, 2019). Wanneer we spreken over racisme, dan bedoelen we dus deze dominante ideologie of denken dat ervan uitgaat dat ‘ras’ een fundamentele determinant is van de intellectuele, fysieke of andersoortige capaciteiten van mensen én daarbij het ene ras superieur stelt aan een ander ras.

Simpeler gezegd gaat racisme dus over het denken en handelen dat er vanuit gaat dat de ene groep mensen beter is dan de andere, wat voorkomt uit, en zorgt voor, structurele machtsverschillen in onze samenleving en deze in stand houdt of vergroot. het gaat niet alleen het individuele handelen

3 https://home-affairs.ec.europa.eu/pages/glossary/racism_en

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

9

maar het handelen in de samenleving. Racisme wordt daarom ook wel een ‘systeem’ genoemd (BonillaSilva, 1997; Haeny, Holmes, Williams, 2021; Trent, Dooley, Dougé, 2019). Racisme gaat dus niet alleen over een individueel probleem maar over een fenomeen dat ingebakken zit in de structuur van onze samenleving (Bonilla-Silva, 1997). Kortom: racisme kan beschreven worden als een systeem van overtuigingen, praktijk en beleid die er voor zorgen dat witte mensen bevoordeeld worden en mensen die worden gezien als niet (helemaal) wit, benadeeld worden (Haeny, et al., 2021). Er bestaan dan ook verschillende vormen van racisme zoals anti-zwart racisme, antisemitisme, antimoslimracisme (ook wel moslimdiscriminatie of islamofobie genoemd) en antiziganisme (het racisme tegenover Roma en Sinti) en xenofobie (ENAR, 2020). En ook anti-Aziatisch racisme is te beschouwen als een specifieke vorm van racisme (Broekroelofs & Poerwoetmodjo, 2021). • Lhbti+ discriminatie: Lhbti+ discriminatie gaat over het ongelijk behandelen, negatief bejegenen en/of het gebruik van geweld tegen lhbti+ personen (mede) vanwege hun seksuele oriëntatie, genderidentiteit, genderexpressie en/of geslachtskenmerken (Asante et al. 2022). Onder lhbti+ personen verstaan we: lesbische personen, homoseksuele personen, biseksuele personen en transgender personen en intersekse personen.

De ‘+’ staat voor alle andere variaties die niet-heteroseksueel en/of cisgender zijn. Bijvoorbeeld de ‘q’ van queers, de ‘a’ voor aseksuele personen, de ‘p’ voor panseksuele personen of bi+ personen (Asante et al. 2022). • Validisme: Deze term wordt gebruikt om discriminatie, marginalisering en stigmatisering van mensen met een beperking aan te duiden (Den Brok-Rouwendal, 2005; Koster, 2021). Het gaat zowel om discriminatie in persoonlijke interactie, maar ook juist door instanties. ‘Validisme’ is de Nederlandse vertaling van het Engelse woord ‘ableism’ (Keers, Felten, Harnacke, 2021). • Seksisme of gender-discriminatie: hiermee worden discriminerende en vooroordelen en praktijken bedoeld gericht tegen een van de seksen. Seksisme kan ook genderdiscriminatie genoemd worden. Het gaat gepaard met acceptatie van stereotypen over sekserollen en kan op meerdere niveaus voorkomen: individueel, organisatorisch, institutioneel en cultureel (APA, zonder jaartal). Veel seksisme is gericht op vrouwen, zoals vrouwen minder betalen voor het zelfde werk, maar het kan ook gericht zijn op mannen, denk aan beperkt verlof voor mannen als zij vader worden. Al deze verschillende vormen van discriminatie kunnen zowel op persoonlijk niveau spelen (dus tussen mensen) als op institutioneel niveau (Felten & Broekroelofs, 2022).

Een voorbeeld van discriminatie op institutioneel niveau is ‘institutioneel racisme’. Deze heeft betrekking op racisme dat is ingebed in instituten: het betekent dat de processen, het beleid en de (geschreven en ongeschreven) regels van instituten leiden tot structurele ongelijkheid tussen mensen met verschillende achtergrond, huidskleur of religie . Belangrijk is dat dit kan gaan om twee typen regels of processen: (1) regels of processen die expliciet onderscheid maken en de bedoeling hebben om ongelijkheid te creëren en (2) regels of processen (geschreven of ongeschreven) die niet expliciet onderscheid maken tussen groepen, maar er in de praktijk wel voor zorgen dat de ene groep benadeeld wordt en de andere groep bevoordeeld (Felten et al. 2021).

1.3

PREVALENTIE DISCRIMINATIE ALGEMEEN

Uit onderzoek van het SCP (Andriessen et al. 2020) naar hoe vaak mensen discriminatie ervaren, komt naar voren dat 27% van de Nederlandse bevolking in 2018 discriminatie ervaarde en dat 11% twijfelde of een incident dat zij meemaakten te maken had met discriminatie. Mensen hebben vaak discriminatie ervaren op een of meerdere terreinen. Tussen de 9% en 16% van alle Nederlanders ervaart discriminatie door

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

10

instanties. Daarbij valt te denken aan discriminatie op de woningmarkt, door de politie of een overheidsinstelling zoals een gemeente (Andriessen et al. 2020). Niet iedereen maakt evenveel kans op het meemaken van discriminatie. Zo hebben Nederlanders met een migratieachtergrond twee keer zo vaak discriminatie ervaren dan andere Nederlanders. En lesbische vrouwen, homo mannen en biseksuele personen ervaren meer discriminatie dan heteroseksuelen. Ook mensen met een beperking ervaren meer discriminatie: een kwart van de mensen zonder beperking heeft in de afgelopen twaalf maanden discriminatie ervaren, terwijl van de mensen met een beperking dat een derde is. Mensen met een beperking ervaren ook vaker discriminatie over meerdere terreinen dan mensen zonder beperking (Andriessen et al. 2020). Het is uiteindelijk lastig vast te stellen welke vorm van discriminatie uiteindelijk het meest voorkomt, maar uit het onderzoek van het SCP weten we dat mensen met een migratieachtergrond, moslims, jongeren, lesbische vrouwen, homo mannen, biseksuele personen en mensen met een beperking relatief veel discriminatie ervaren. Ouderen en autochtone Nederlanders ervaren relatief weinig discriminatie, aldus dit onderzoek van het SCP (Andriessen et al. 2020).

Maar vergelijkingen over wat het meest voorkomt, zijn lastig, want de discriminatiegronden zijn niet evenredig verdeeld over de bevolking: bijvoorbeeld discriminatie op grond van seksuele oriëntatie komt veel minder voor dan bijvoorbeeld discriminatie op grond van sekse, maar er is ook slechts een klein deel van de bevolking lesbisch, homo of bi. En nog kleinere groepen zijn niet meegenomen in het onderzoek van het SCP, maar ervaren zeker wel veel discriminatie zoals transgender personen (zie bijvoorbeeld Oosterhout & Alink, 2015) en joden (zie bijvoorbeeld de Wit & Fiere, 2021). Naast ervaringscijfers zijn er ook cijfers over discriminatie uit onderzoeken met praktijktesten. Dat betekent dat in de praktijk worden getest of mensen worden geweigerd op basis van bijvoorbeeld hun afkomst. Denk bijvoorbeeld aan een test waarbij eenzelfde cv wordt gestuurd naar werkgevers, maar met een andere naam (Movisie, 2022). Zo bleek uit zo’n praktijktest op de arbeidsmarkt dat de sollicitant met een Nederlands klinkende achternaam 60% meer kans had om door de selectie heen te komen dan een sollicitant met een Arabisch klinkende achternaam (Blommaert, Coenders, Van Tubergen, 2014). Ook op de woningmarkt zijn praktijktesten gedaan en bleek er sprake van discriminatie onder meer op grond van afkomst (Andriessen & Wittebrood, 2021).

1.4

DISCRIMINATIE IN DE ZORG IN HET ALGEMEEN

Een groot deel van het beleidsterrein van het ministerie van VWS is gericht op de zorg. In deze paragraaf beschrijven we daarom wat er in het algemeen bekend is over discriminatie in de zorg dat niet specifiek gebonden is aan een van de beleidsterreinen die in de andere hoofdstukken aan de orde komt. Het SCP publiceerde in 2020 cijfers over discriminatie die Nederlanders ervaren door instanties. Daaruit blijkt dat in 2018 80% van de Nederlanders een bezoek bracht aan een huisarts, ziekenhuis of andere zorginstelling (Andriessen, 2020). Van deze groep gaf 4% aan discriminatie te hebben ervaren door een instelling. Mensen met een beperking hebben, in vergelijking met mensen zonder beperking, minstens twee keer zo vaak het vermoeden dat ze worden gediscrimineerd bij contact met een zorgverlener. Vrouwen blijken relatief vaker te werken in de sector zorg en daardoor ook vaker te maken te hebben met discriminatie en negatieve opmerkingen vanuit patiënten, cliënten en externen. Daarnaast ervaart 14% van de Marokkaanse Nederlanders en 18% van de Turkse Nederlanders vermoedens van discriminatie wanneer zij een zorgvraag hebben. Onder Nederlanders zonder migratieachtergrond is dit 3% (Andriessen, 2020).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

11

Verder deed Zemouri (2022) onderzoek naar zorgdiscriminatie van patiënten met een migratieachtergrond. Zij maakte onder andere gebruik van een enquête die ingevuld is door 188 mensen. Ongeveer 80% van de respondenten had een migratieachtergrond ten opzichte van 20% zonder migratieachtergrond. 53.7% van de respondenten geeft aan ooit zorgdiscriminatie te hebben ervaren. Vrouwen rapporteerden vaker (2,3 keer) zorgdiscriminatie te hebben ervaren in vergelijking tot mannen. Uit verschillende toelichtingen blijkt dat patiënten zich niet serieus genomen voelden bij hun hulpvraag en pijn werd soms toegeschreven aan hun cultuur, waardoor zorgverlening uitbleef. Uit gesprekken met zorgprofessionals bleek dat discriminatie van patiënten plaatsvond op basis van afkomst, achternaam, cultuur en religie. Het gevolg hiervan was dat behandelplannen soms ten nadele van de patiënt werden aangepast. Taalbarrière werd hierbij als reden genoemd (Zemouri, 2022). Ook uit onderzoek van Pharos uit 2022 blijkt dat patiënten en cliënten met een migratieachtergrond niet altijd dezelfde behandeling krijgen als patiënten zonder migratieachtergrond. Er is door Pharos een literatuuronderzoek en een kwalitatief onderzoek uitgevoerd waarin de ervaringen van patiënten met discriminatie door zorgverleners centraal staan.

Uit die laatste blijkt dat patiënten door de ervaring met discriminatie soms zorg gaan mijden die zij eigenlijk nodig hebben (Kolste & Venderbos, 2022). Tevens blijkt dat discriminatie lastig bespreekbaar is vanwege de ongelijke en onzekere positie van de patiënt. Ook wordt discriminatie door zorgverleners lang niet altijd herkend. Ook drukte, het gebrek aan eigenaarschap van de oplossing en gêne bij een zorgverlener als die beschuldigd wordt van discriminatie, leiden ertoe dat discriminatie niet altijd wordt besproken, zo concludeert Pharos (Kolste & Venderbos, 2022). Een aanverwant probleem is dat uit diverse onderzoeken blijkt dat de generieke zorg nog niet altijd voldoende aansluit op de behoeften van bepaalde groepen mensen met een migratieachtergrond, hen niet altijd effectief bereikt en te weinig maatwerk biedt (Bellaart et al. 2020). De kenmerken en achtergrond van de patiënt worden dus niet altijd meegenomen in het bieden van zorg. Ook is er onderzoek gedaan naar de ervaringen van zorgverleners met discriminatie. in 2021 deed Ipsos onderzoek naar onder ruim 11.000 respondenten die in de sector Zorg en Welzijn werken. Aan de respondenten is onder andere gevraagd naar de ervaringen met discriminatie in de afgelopen 12 maanden.

19% van de respondenten die werkzaam zijn in de sector zorg en welzijn gaven aan in de voorafgaande 12 maanden discriminatie te hebben ervaren door patiënten of cliënten. Ook gaf 11% aan discriminatie te hebben ervaren door familie, vrienden of bezoekers van patiënten/cliënten of omstanders. Daarnaast gaf 6% aan discriminatie te hebben ervaren door collega’s of leidinggevenden (Ipsos, 2021). In dit onderzoek is geen onderscheid gemaakt tussen discriminatiegronden. Uit onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (Nhass & Poerwoatmodjo, 2021) blijkt dat zorgverleners van kleur en/of met een migratieachtergrond discriminatie ervaren en regelmatig te maken hebben met vooroordelen. Hierbij gaat het om directe discriminatie waarbij een patiënt direct iets zegt tegen de zorgverlener. Dit kan ook zijn dat een patiënt of cliënt niet geholpen wil worden door iemand op basis van uiterlijke kenmerken, zoals huidskleur of het dragen van een hoofddoek. Er zijn ook voorbeelden genoemd van indirecte discriminatie waarbij de patiënt iets zegt over de zorgverlener van kleur tegen een witte collega. Daarnaast hebben zorgverleners met een migratieachtergrond de ervaring dat patiënten verwachten dat zij minder competenties of diploma’s hebben dan zorgmedewerkers zonder migratieachtergrond (Nhass & Poerwoatmodjo, 2021).

Vergelijkbare ervaringen komen terug in een oproep van het RTL Nieuws (2022) waarvoor zorgmedewerkers ervaringsverhalen deelden met racisme en discriminatie. Ook op institutioneel niveau zijn er verschillende signalen die wijzen op racisme en discriminatie. Muijsenbergh en Busari (2020) concluderen dat de medische wereld wordt gedomineerd door de witte

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

12

cultuur. Dit heeft onder andere tot gevolg dat studenten discriminatie en racisme ervaren. Onder andere in de vorm van micro-agressie. Dit wordt bevestigd door verschillende onderzoekers, waaronder Isik (2019) die in haar promotieonderzoek tot de conclusie komt dat geneeskundestudenten met een migratieachtergrond discriminatie ervaren, te maken hebben met culturele barrières en een gebrek hebben aan rolmodellen met een migratieachtergrond (Isik, 2019). Daarnaast stromen minder studenten met een migratieachtergrond door naar een specialistische vervolgopleiding. 2 tot 4% van de specialisten in Nederland heeft een migratieachtergrond. Onder studenten geneeskunde is dit 20 tot 30%. Dit wijst op een nadelige impact van de ‘witte blik’ die heerst in de medische wereld (Muijsenbergh en Busari, 2020). Ook uit onderzoek binnen het VUmc blijkt dat artsen met een migratieachtergrond verschillende belemmeringen ervaren bij het doorstromen naar specialisatieplaatsen. Belemmeringen die genoemd worden zijn onder andere: taalbeheersing, onvoldoende kennis hebben van het belang van loopbaanplanning en het gebrek aan een relevant professioneel netwerk. Hier speelt onder meer dat het voornamelijk eerstegeneratiestudenten zijn, maar ook het gebrek aan interculturalisatie binnen de zorg (Leyerzapf & Abma, 2012). Uit onderzoek van Nhass et al.

(2021) blijkt dat er binnen zorginstellingen een gebrek is aan interne protocollen tegen discriminatie en dat zorgverleners niet weten hoe ze terecht kunnen komen bij een vertrouwenspersoon. Daarnaast spreken witte collega’s zich vaak nog niet of beperkt uit, terwijl er wel behoefte is aan die steun en erkenning. Bovendien wordt dat als belangrijke manier gezien om racisme en discriminatie tegen te kunnen gaan. Daarnaast tonen verschillende onderzoeken aan dat wetenschappelijk medisch onderzoek vaak nog uitsluitend gebaseerd is op witte mensen en niet inclusief is (Carpten et al, 2021; Mapes, et al, 2020; Zou & Schiebinger, 2021; Sirugo et al, 2019). Maar ook als het gaat om sekse en gender blijkt uit verschillende onderzoeken dat medisch onderzoek nog onvoldoende inclusief is. De (witte) man is vaak het uitgangspunt. Er wordt nog weinig rekening gehouden met verschillen tussen mannen en vrouwen. Dit werd bijvoorbeeld duidelijk tijdens de coronaperiode toen bleek dat vrouwen andere bijwerkingen ervaren van het coronavaccin in vergelijking met mannen (Vassallo et al, 2021). In onderzoekvoorstellen is er vaak zelfs helemaal geen aandacht voor man-vrouwverschillen. Dat blijkt uit onderzoek van Van Hagen en collega’s (Van Hagen et al, 2021). Wanneer er wel rekening mee wordt gehouden, kijkt men niet altijd met de juist blik. Alleen onderscheid maken in hokjes is niet voldoende.

Het is juist belangrijk om ook te kijken naar de specifieke gevolgen die dat heeft voor bepaalde gezondheidsproblemen. Een voorbeeld is het HPV-virus wat voornamelijk gezien werd als een vrouwelijk virus. Vaccinatie werd in de eerste instantie dan ook alleen aangeboden aan meisjes. Er is toen niet gekeken in hoeverre het virus bij jongens voorkomt en door hen wordt verspreid (Geurts, 2022). Omgang met discriminatie Er zijn verschillende onderzoeken, handreikingen en toolkits die uitwerken hoe om te gaan met discriminatie in de zorg of hoe dit tegen te gaan. In het onderzoek van Pharos (Loenen et al. 2022) worden hiervoor een aantal aanbevelingen gedaan. Allereerst is het belangrijk dat er persoonsgericht gewerkt wordt met aandacht voor culturele factoren. Hierbij staat niet de aandoening centraal, maar de persoon. Hierbij is aandacht voor de sociale en culturele omstandigheden van de patiënt, maar ook de emoties, waarden en behoeften. Ten tweede is het belangrijk om te werken aan bewustwording van impliciete en expliciete bias die aanwezig is bij zorgverleners. Hiermee kan je ongelijke behandeling van patiënten tegengaan. Wel is het belangrijk om te werken vanuit succesverhalen om weerstand van zorgverleners te voorkomen. Voor veel zorgverleners is het namelijk moeilijk om te accepteren dat ze zich mogelijk schuldig maken aan ongelijke behandeling.

Vanuit organisaties moet scholing en training gefaciliteerd worden om te werken aan impliciete vooroordelen en de gevolgen van discriminatie. Verder is het als zorginstelling belangrijk om een duidelijke

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

13

visie en missie te formuleren en in te zetten op een divers personeelsbestand binnen verschillende niveaus van de organisatie. Het is ook belangrijk om gelijke kansen te creëren voor alle medewerkers, zodat ook zorgverleners met een migratieachtergrond dezelfde kansen krijgen. Verder wordt ook geadviseerd om patiënttevredenheid en ervaringen met discriminatie te monitoren. Het is niet makkelijk voor patiënten om dit aan te kaarten, daarom is het nodig om dit te faciliteren. Daarnaast moeten ook richtlijnen en standaarden getoetst worden op kennis over diversiteit en de impact op de uitkomsten van zorg en moet wetenschappelijk onderzoek inclusiever (Loenen et al. 2022). Onduidelijk is nog in hoeverre de bestaande handreikingen en toolkits over hoe om te gaan met discriminatie in de zorg of hoe dit tegen te gaan, al gebruikt worden in de praktijk en wat het effect hiervan is. Geconcludeerd kan worden dat discriminatie in de zorg op verschillende manieren speelt: vanuit professionals naar cliënten (in onder meer het bieden van minder goede zorg), vanuit cliënten naar professionals (in onder meer het weigeren van een zorgverlener vanwege bijvoorbeeld de afkomst) en tussen professionals onderling (onder meer professionals en studenten met een migratieachtergrond ervaren discriminatie). Nog niet duidelijk is of discriminatie ook speelt tussen cliënten en patiënten onderling.

Wel is bekend dat discriminatie ook speelt op institutioneel niveau, onder meer in de zin dat witte mannen (en mogelijk ook: zonder beperking, heteroseksueel en niet-transgender) vaak als norm worden genomen in onderzoek en opleiding. Op welke grond discriminatie het meest speelt in de zorg is niet vast te stellen, omdat niet op alle gronden onderzoek is gedaan. Tevens is onduidelijk in hoeverre zorginstellingen in Nederland al werk maken van de preventie en aanpak van discriminatie en in hoeverre deze aanpakken effectief zijn.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

14

2

LANGDURIGE ZORG

In dit hoofdstuk beschrijven we wat er bekend is over discriminatie in de langdurige zorg. We beginnen met een korte inleiding over hoe de langdurige zorg in Nederland is georganiseerd. Vervolgens beschrijven we wat er bekend is over discriminatie in de langdurige zorg in Nederland. We maken vervolgens een korte vergelijking met omringende landen: wat is hier bekend over discriminatie? Tot slot benoemen we de hiaten: wat weten we nog niet over discriminatie in de langdurige zorg in Nederland?

2.1

Langdurige zorg in Nederland: een korte inleiding

De Wet Langdurige zorg (Wlz) is van kracht sinds 1 januari 2015 en maakt het mogelijk om langdurige en intensieve zorg te organiseren voor mensen die via permanent toezicht of 24 uur per dag zijn aangewezen op zorg en/of toezicht. Het gaat vooral om kwetsbare ouderen, mensen met vergevorderde dementie, een ernstige beperking of met een langdurige psychische aandoening (Zorginstituutnederland.nl; Rijksoverheid.nl). In de Wlz is opgenomen welke zorg allemaal mogelijk is, waaronder verblijf in een zorginstelling, persoonlijke verzorging en verpleging, medische zorg, dagbesteding, vervoer naar de plek waar dagbesteding of dagbehandeling wordt aangeboden en hulpmiddelen. Het is ook mogelijk om zorg vanuit de Wlz thuis te ontvangen. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) is verantwoordelijk voor het beoordelen of iemand zorg kan krijgen vanuit de Wlz en verstrekt indicaties aan mensen die aanspraak kunnen maken op de Wlz. Het organiseren van de zorg, thuis of binnen een instelling, wordt gedaan door een zorgkantoor (Rijksoverheid.nl).

2.2

Discriminatie in de langdurige zorg in Nederland

Prevalentie langdurige zorg Ipsos deed in 2021 onderzoek naar agressie en ongewenst gedrag in verschillende branches en verzamelde onder andere informatie over ervaren discriminatie in de langdurige zorg in de afgelopen twaalf maanden. De discriminatiegronden zijn bij dit onderzoek niet gespecificeerd. Uit hun onderzoek blijkt dat 30% van de zorgmedewerkers in de Geestelijke gezondheidszorg discriminatie ervaarde van patiënten of cliënten. Dit was significant hoger dan in de totale sector van zorg en welzijn waar het percentage 19% is. 14% van de zorgverleners ervaarde discriminatie van familie, vrienden of bezoekers van patiënten/cliënten of omstanders. Daarnaast ervaarde 7% discriminatie van collega's of leidinggevenden. Van de professionals die werkzaam zijn in de gehandicaptenzorg gaf 20% aan weleens discriminatie te hebben ervaren door patiënten of cliënten. Ook gaf 8% aan discriminatie te hebben ervaren door familie, vrienden of bezoekers van patiënten of cliënten. 5% gaf aan discriminatie te hebben ervaren door collega's of leidinggevenden. Verpleging, verzorging en thuiszorg zijn door Ipsos samengenomen. Binnen deze instellingen gaf 18% van de zorgprofessionals aan discriminatie te hebben ervaren door patiënten of cliënten. Discriminatie door familie, vrienden of bezoekers van patiënten/cliënten was 10%.

Ten slotte gaf 5% aan discriminatie te hebben ervaren door collega's of leidinggevenden.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

15

Prevalentie ouderenzorg Uit een handreiking van Movisie (2021) blijkt dat 36% van de lhbti+ ouderen van 65 jaar en ouder ooit te maken heeft gehad met discriminatie en/of voordelen door zorgverleners (Pijpers, 2020). Daarnaast blijkt uit Onderzoek van het SCP (2015) laat zien dat ouderen met LGBTQI+ identiteit minder positief zijn over zorg en mantelzorg ten opzichte van twintig jaar geleden (Kuyper & Van Lisdonk, 2015).12 tot 13% verwacht dat zorgverleners niet goed kunnen omgaan met ouderen die lesbisch, homo of bi zijn. Meer dan de helft van de lesbische en homoseksuele ouderen vindt het dan ook belangrijk dat zorgverleners kennis opdoen over homo- en biseksualiteit. Op het gebied van seksuele en genderdiversiteit verwachten lhbti+ ouderen zelf dus dat hun kenmerken en achtergrond cruciaal zijn om doelmatige zorg te bieden. Daarnaast geeft 20% van de homoseksuele of bi+ ouderen aan bang te zijn uitgesloten te worden door medebewoners in ouderenzorg of in een zorgcomplex (Kuyper, 2015). Verder geeft 45% aan graag een lhbti+ vertrouwenspersoon te willen in een verpleeg- of verzorgingshuis (Kuypers & Van Lisdonk, 2015). Recent heeft Radar een enquête uitgezet onder zorgverleners in de ouderenzorg.

Deze vragenlijst is ingevuld door 45 zorgverleners in Rotterdam die wel eens discriminatie hebben ervaren door een cliënt en/of door naasten van een cliënt en waarvan de meeste in de thuiszorg werken (60%) en waarvan het merendeel huishoudelijke hulp is (40%). De respondenten ervaren het vaakst discriminatie vanwege hun afkomst, gevolgd door hun geslacht en geloof. Het valt op dat verschillende respondenten zich gediscrimineerd voelen vanwege hun (over)gewicht, wat geen wettelijke discriminatiegrond is (Van der Tuin & Fiere, 2022). Aard van de discriminatie Wat betreft lhbti+ discriminatie zijn er verschillende onderzoeken relevant. Sleutelpersonen en homoorganisaties signaleren dat homoseksuelen ouderen regelmatig weer verbergen dat ze homoseksueel zijn, of ze verwachten dat te doen wanneer ze afhankelijk worden van zorg van derden (Fokkema, 2012). Daarnaast blijkt dat zorgverleners niet altijd goed kunnen omgaan met homoseksualiteit en dat er ook weinig aandacht voor is binnen de ouderenzorg. Dat blijkt uit verschillende onderzoeken die gedaan zijn onder homoseksuelen ouderen. Homoseksuelen geven aan dat de ouderenzorg homovriendelijker moet. Dit gaat voornamelijk over de context waarin de zorg wordt gegeven en de bejegening. Homoseksuele ouderen ervaren geen erkenning voor hun leefstijl en voor hun relaties.

Het gaat vooral om het centraal stellen van een open houding van zowel medebewoners als zorgverleners. Om dit te bewerkstelligen wordt er onder andere gepleit voor diversiteittrainingen waarin kennis wordt opgedaan over de homoseksualiteit en de levensloop van homoseksuele ouderen. In het onderzoek van Hoekstra-Pijpers (2022) naar ervaringen van (115) lhbti+ ouderen van 65 jaar en ouder wordt duidelijk dat 36% van deze ouderen last heeft gehad van discriminatie door zorgverleners. Uit SCP-onderzoek (2015) naar 55-plussers en seksuele oriëntatie geeft 45% van de lhbt-ouderen aan voorkeur te hebben voor een lhbt-vertrouwenspersoon in het verpleeghuis. Ook komt

naar voren dat zo’n 13% van de lhbti+ ouderen (375 ouderen zijn bevraagd) verwacht dat zorgverleners niet goed met hen omgaan vanwege hun seksuele oriëntatie (Kuyper, 2015). Voor wat betreft de discriminatiegrond etniciteit/migratieachtergrond is er een onderzoek van Ham (2000) gevonden dat buiten de zoekperiode valt (bronnen zijn meegenomen vanaf 2008). Echter dit onderzoek lijkt zeer relevant en wordt hier daarom kortgenoemd. Ham deed onderzoek naar sociale processen die een rol spelen bij de integratie van eerste generatie migranten zorgverleners in de ouderenzorg (Ham, 2000). Er is een kwalitatief onderzoek gedaan onder een steekproef bestaande uit tien migranten en tien gevestigde verplegers bestaande uit zowel observaties als interviews. Uit het onderzoek bleek dat zorgverleners met een migratieachtergrond verschillende vormen van uitsluiting en discriminatie ervaren door hun collega’s zonder migratieachtergrond, veelal ‘gevestigde zorgverleners’. Gevestigde verplegers die mainstream handelingen verrichten, twijfelden aan de professionele vaardigheden van de migranten zorgverleners en

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

16

presenteerden eigen standaarden als de enige norm. Niet-westerse zorgpraktijken werden door sommige zelfs als inferieur beschreven (Ham, 2000). Uit een ander onderzoek van IDEM Rotterdam deed een kwalitatief onderzoek naar discriminatie van zorgverleners door cliënten in de Rotterdamse ouderenzorg (Van der Tuin & Fiere, 2022). Het gaat hierbij om zorgverleners in de thuiszorg en in zorginstellingen. Uit dit onderzoek blijkt dat zorgverleners met een migratieachtergrond regelmatig discriminatie ervaren door cliënten en/of naasten van cliënten. Met name zorgverleners die een hoofddoek dragen of een donkere huidskleur hebben, geven aan regelmatig afgewezen te worden door cliënten. Zorgverleners worden soms bij een kennismaking al geweigerd door cliënten. In zorginstellingen worden zorgverleners soms ook weggestuurd uit de kamer door cliënten, ze krijgen beledigende opmerkingen of hun deskundigheid wordt in twijfel getrokken. Mannelijke zorgverleners geven aan regelmatig afgewezen te worden wegens hun geslacht of gender. Ten slotte geven ook homoseksuele zorgverleners aan dat ze door cliënten worden beledigd of afgewezen. Vergelijkbare signalen komen terug in verschillende artikelen die gepubliceerd zijn door het tijdschrift Nursing. In een oproep aan verpleegkundigen is gevraagd naar hun ervaring met discriminatie door patiënten.

Zorgverleners van kleur vertellen onder andere dat cliënten zorg weigeren of hun aanwezigheid negeren wanneer er ook een witte zorgverleners aanwezig is. Daarnaast maken cliënten opmerkingen, zoals dat iemand alleen binnen mag komen om schoon te maken omdat ‘zwartjes niet geschoold zijn om medicatie uit te zetten’ (Starremans, 2020). Maar ook collega-artsen maken in het bijzijn van zorgverleners met een migratieachtergrond racistische opmerkingen over patiënten, bijvoorbeeld door te spreken over vrouwen met theedoeken om hun hoofd (Starremans, 2020). Zorgverleners geven aan dat ze het moeilijk vinden om er iets van te zeggen tegen patiënten, maar ook tegen witte collega’s. Zorgverleners van kleur voelen zich nog onvoldoende erkend en gesteund door hun witte collega’s als het gaat om racisme en discriminatie (Starremans, 2020a, Starremans, 2020b). Tegelijkertijd weten we uit onderzoek dat witte mensen beter luisteren naar witte mensen, waardoor juist de witte collega’s een belangrijk rol kunnen spelen in het tegengaan van racisme en discriminatie binnen de zorg. Discriminatiegrond handicap of chronische ziekte Er zijn helaas geen cijfers of specifieke onderzoeken waarin aandacht is voor discriminatie binnen de gehandicaptenzorg of van mensen met een handicap of chronische ziekten.

Wel heeft het College voor de Rechten van de Mens dertig casussen waarbij gekeken is of er sprake is van discriminatie op basis van handicap of chronische ziekte. Een aantal van deze casussen beschrijft situaties binnen de geestelijke gezondheidszorg waarbij mensen zich gediscrimineerd voelden op basis van een handicap of chronische ziekte. Een van de voorbeelden is een man met astma die herhaaldelijk geen toegang kreeg tot de instelling, omdat hij mondkapje zou dragen (College voor de Rechten van de Mens, 2022g). Het College oordeelt dat de zorgaanbieder in dit geval onterecht onderscheid heeft gemaakt bij het verlenen van toegang tot goederen of diensten. De zorgaanbieder had moeten onderzoeken hoe de man op een andere manier geholpen kon worden. In een andere casus wordt beschreven hoe een man met psychosegevoeligheid niet in behandeling werd genomen voor verslavingszorg. De zorgaanbieder heeft aangegeven niet in staat te zijn om passende hulp te bieden aan deze man. Het College concludeert dat er geen sprake is van discriminatie, omdat deze uitsluiting niet categorisch is en ook geldt voor andere mensen met een contra-indicatie (College voor de Rechten van de Mens, 2022h).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

17

Omgang met discriminatie Er wordt gepleit voor verschillende maatregelen om discriminatie van zorgverleners te verminderen (Starremans, 2020). Allereerst roepen zorgverleners van kleur hun witte collega's op om zich uit te spreken tegen discriminatie en racistische opmerkingen van cliënten. Daarnaast wensen zorgverleners van kleur meer steun te krijgen van hun directe collega's en van de zorginstellingen waar ze werkzaam zijn. Zorgverleners met een migratieachtergrond geven aan dat ze zich niet gesteund voelden door hun collega’s wanneer ‘witte’ patiënten weigeren om zorg van hen te ontvangen. Ook gaven migranten zorgverleners (die recent in Nederland zijn) aan dat ze geen ruimte voelden om kritisch te zijn naar Nederlandse collega’s, omdat ze het gevoel had dat daar kennis en vaardigheden niet erkend werden. Momenteel is er vaak nog een gebrek aan concrete procedures voor wanneer zorgverleners geconfronteerd worden met racisme en discriminatie. Het is belangrijk dat leidinggevenden en zorginstellingen hierin verandering brengen (Starremans, 2020). Daarnaast blijkt uit verschillende onderzoeken dat zorgverleners onvoldoende cultuursensitief werken. Er is een gebrek aan kennis over verschillende culturen en aan vaardigheden om communicatie barrières te overbruggen.

Er wordt daarom nog in verschillende onderzoeken en publicaties gepleit voor meer aandacht voor inclusieve zorg (Suurmond, 2010; Suurmond 17; Loenen et al, 2022). Aanverwant aan het thema discriminatie is cultuurspecifieke zorg. Hier verschijnen al jaren publicaties over en kort gezegd betekent het dat er rekening wordt gehouden met de culturele achtergrond van patiënten en cliënten in het bieden van zorg (zie bijvoorbeeld Baas, 2004). Echter, onderzoekers Marina Jonkers en Nina Conkova stellen in een artikel op movisie.nl uit 2021 dat bij migrantenouderen rekening moet worden gehouden met hun specifieke achtergrond in het bieden van zorg, maar dat moet worden voorkomen dat er gehandeld wordt vanuit stereotypen. Het gaat dus volgens hen vooral om een persoonsgerichte zorg.

2.3

Discriminatie in de langdurige zorg in omringende landen

Aard van de discriminatie Als het gaat om de discriminatiegrond etniciteit/migratieachtergrond, dan is er onderzoek van de Belgische onderzoeker Saloua Berdai Chaouni. Zij deed eerder onderzoek naar zorgtrajecten bij oudere arbeidsmigranten met een Marokkaanse, Turkse en Italiaanse achtergrond (Sillis, 2022). Ook deed ze onderzoek naar diversiteitsensitieve zorg in wooncentra. Momenteel zijn ouderen nog ondervertegenwoordigd in de wooncentra. Het idee heerst dat men vanuit de eigen cultuur zelf voor de ouderen wil zorgen. Echter blijkt uit onderzoek dat ouderen met een migratieachtergrond wel behoefte hebben aan professionele zorg, maar dat het aanbod niet goed aansluit. Daarnaast spreekt Chaouni van onzichtbare barrières waar ouderen met een migratieachtergrond tegenaan lopen. Bij ontvangst van ouderen is er al onvoldoende aandacht voor hun behoeften, gebruiken en voedingswensen. Daarnaast zorgt betrokkenheid van mantelzorgers gezien als bemoeienis. Chaouni komt tot de conclusie dat mensen met een migratieachtergrond minder kwalitatieve zorg krijgen en gereduceerd worden tot hun anders-zijn. Bijvoorbeeld de wens om gewassen te worden door iemand van het eigen geslacht wordt gezien als een probleem in plaats als een zorgvraag.

Daarnaast hebben zorgverleners blinde vlekken en hebben ze vaak niet eens door hoe hun eigen aannames en stereotypen doorwerken in hun eigen gedrag en de zorg die ze leveren. Omgang met discriminatie Belgische onderzoeker Saloua Berdai Chaouni pleit voor meer proactief beleid en meer aandacht voor uitsluitingsmechanismen binnen de ouderenzorg, zoals racisme (Chaouni, 2022). Het is belangrijk om

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

18

aandacht te hebben voor cultuursensitief werken. Het Kenniscentrum Welzijn, Wonen en Zorg deed samen met Karel De Grote Hogeschool onderzoek naar drie wooncentra die hun leerproces om cultuursensitiever te werken lieten onderzoeken. Uit het onderzoek kwamen een aantal principes naar boven die belangrijk zijn en als hefboom kunnen dienen. Bijvoorbeeld de potentie van een divers team benutten (Chaouni, 2022). Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het benutten van meertaligheid van zorgverleners met een migratieachtergrond (Sillis, 2022). Dat wordt nu nog zelden als een competentie gezien. Andere belangrijk principes zijn samenwerken met partners in de buurt en inzetten op duurzame intervisie, vorming en uitwisseling binnen de organisaties (Chaouni, 2022). Het belangrijkste is dat er diepgaand en duurzaam samengewerkt moet worden. Oppervlakkige en losstaande acties leveren onvoldoende op. Het doel is om cultuursensitiviteit te verankeren in het DNA van de organisatie.

2.4

Hiaten in onderzoek in Nederland Gronden

Prevalentie

Aard van de discriminatie Omgang met (1) Van professional naar cliënt discriminatie (2) Van cliënt naar professional (3) Tussen cliënten (4) Tussen professionals (5) Op institutioneel niveau

Ouderenzorg

Op grond van seksuele gerichtheid en migratieachtergrond. Geen onderzoeken kunnen vinden die kijken naar discriminatie op grond van beperking of chronische ziekte.

Geen cijfers specifiek over ouderenzorg. Alleen beperkt als het gaat om discriminatie op basis van seksuele gerichtheid.

1) Van professional naar cliënt 2) Van cliënt naar professional 4) Tussen professionals 5)

Er wordt nog te weinig over gezegd door collega’s.

Geestelijke Gezondheidszorg

Onbekend

Ipsos cijfers

2) Van cliënt naar professional 4) Tussen professionals

Onbekend

Gehandicaptenzorg Onbekend

Ipsos cijfers

2) Van cliënt naar professional 4) Tussen professionals

Onbekend

Uit de verkenning die we hebben gedaan, is gebleken dat er binnen de ouderenzorg zeker sprake is van discriminatie. Ouderen met een LGBTQI+ identiteit en ouderen met een migratieachtergrond geven aan discriminatie te ervaren en de zorg als niet inclusief te ervaren. Het is onduidelijk hoe dit is voor ouderen met een beperking. Zorgverleners geven aan discriminatie te ervaren in zowel de ouderenzorg, geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg. Het is echter niet bekend op welke gronden deze discriminatie plaatsvindt. Wel weten we uit onderzoeken dat zorgverleners van kleur gediscrimineerd worden door patiënten en cliënten die bijvoorbeeld zorg weigeren of opmerkingen maken. Over de andere sectoren binnen de langdurige zorg hebben we weinig onderzoeken kunnen vinden. Alleen het onderzoek van Ipsos geeft inzicht in discriminatie die ervaren wordt door professionals die werkzaam zijn in de geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg. Verder zijn er geen onderzoeken te vinden die een beter beeld geven over ervaringen van patiënten en cliënten.

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

19

3

CURATIEVE ZORG

In dit hoofdstuk beschrijven we wat er bekend is over discriminatie in de curatieve zorg. Eerst leggen we uit hoe de curatieve zorg in Nederland eruit ziet. Vervolgens beschrijven we wat er bekend is over discriminatie in de curatieve zorg in Nederland. Daarna volgt een korte vergelijking met omringende landen: wat is hier bekend over discriminatie? Tot slot benoemen we de hiaten: wat weten we nog niet over discriminatie in de curatieve zorg in Nederland?

3.1

Curatieve zorg in Nederland: een korte inleiding

Curatieve zorg is alle zorg die erop is gericht om ziekten en kwalen te genezen. De curatieve zorg gaat over preventie, behandeling en genezing van ziekten. Deze zorg betreft zowel acute als chronische lichamelijke aandoeningen. De curatieve zorg betreft onder andere de eerstelijnszorg, zoals de huisarts. De huisarts fungeert in het Nederlandse zorgstelsel als ‘een poortwachter’ bij de toegang tot curatieve zorg. Daarnaast bestaat de curatieve zorg onder meer uit ziekenhuiszorg en (kortdurende) geestelijke gezondheidszorg (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2022). Bij curatieve zorg is de behandeling bedoeld om te genezen. Dit wordt uitgedrukt in de veel onder huisartsen gebruikte zin: ‘De behandeling is in opzet genezend’. De betekenis daarvan is dat het aannemelijk is dat de patiënt door de behandeling geneest (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2022).

3.2

Discriminatie in de curatieve zorg in Nederland

Prevalentie Volgens onderzoek van Ipsos (2021) heeft 22% van de zorgverleners die werkzaam is binnen een UMC in de afgelopen 12 maanden discriminatie ervaren door patiënten of cliënten. Voor zorgverleners die werkzaam zijn binnen andere ziekenhuizen was dit 17%. Daarnaast gaf 16% van de zorgverleners werkzaam in een UMC aan discriminatie te hebben ervaren door familie, vrienden of bezoekers van patiënten/cliënten. Dit is significant hoger in vergelijking tot de totale sector zorg en welzijn (11%). Onder zorgverleners in ziekenhuizen was dit 12% van de respondenten. 9% van de zorgverleners in een UMC gaf aan discriminatie te hebben ervaren door collega's of leidinggevenden. Onder respondenten die werkzaam zijn in andere ziekenhuizen was dit 7%. Verder heeft Ipsos ook cijfers verzameld over de huisartsen en gezondheidscentra. Ook hier is weer gekeken naar discriminatie door patiënten/cliënten, door familie, vrienden of bezoekers van patiënten en collega's of leidinggevenden. De percentages waren hiervoor respectievelijk 19%, 14% en 4%. Ten slotte zijn er ook nog cijfers bekend over zorgprofessionals die werkzaam zijn in de ambulancezorg. 19% van de respondenten geeft aan discriminatie te hebben ervaren door patiënten of cliënten. Ook gaf 19% aan discriminatie te hebben ervaren door familie, vrienden of bezoekers van patiënten of cliënten.

Dit was significant hoger dan de totale sector zorg en welzijn (11%). 9% gaf aan discriminatie te hebben ervaren door collega's of leidinggevenden. Ook dit was significant hoger dan de totale sector zorg en welzijn (6%).

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

20

Aard van de discriminatie Uit verschillende onderzoeken blijkt dat er binnen de curatieve zorg sprake is van discriminatie op grond van etniciteit/migratieachtergrond. Zowel in medisch onderzoek als in medische richtlijnen voor behandeling en diagnose zien we dat witte mensen als norm worden genomen. Daardoor wordt er een soort ‘kleurenblind’ idee gehanteerd. Dit is onder andere terug te zien in de medische literatuur en de medische opleidingen, waar witte mensen en de witte huid domineren en als uitgangspunt worden genomen. Anatomische plaatjes van zwarte mensen worden bijvoorbeeld zelden gebruikt. Het gevolg hiervan is onder andere dat mensen van kleur, zwarte mensen en/of mensen met een migratieachtergrond laat of zelfs verkeerd worden gediagnosticeerd. Dit zie je bijvoorbeeld bij huidaandoeningen waar ‘roodheid van de huid’ een belangrijk signalement is in het diagnosticeren van bijvoorbeeld eczeem of psoriasis. Echter wordt het steeds moeilijker om roodheid van de huid te signaleren en beoordelen naarmate de huid donkerder wordt (Ter Steege, 2022). Een concreet voorbeeld hiervan zijn de vinger pulse oximeters die gebruikt worden om het zuurstofgehalte in het bloed te meten (Helberg-Proctor, 2021). Hoewel het bekend is dat huidskleur effect heeft op de werking van een oximeter, wordt daar op dit moment nog geen rekening mee gehouden.

De zuurstofmeter geeft een te hoge saturatie aan, waardoor een verlaagde zuurstofconcentratie in het bloed niet geïdentificeerd wordt (Sjoding, 2020). Maar ook als we bijvoorbeeld kijken naar hartinfarcten zien we dat dit vaker herkend wordt bij mannen dan bij vrouwen (Snijders & Lagro-Janssen, 2021). Institutioneel racisme is ook terug te zien in onder andere handreikingen en richtlijnen die gebruikt worden binnen de zorg. Zemouri (2022) noemt als voorbeeld de ‘Richtlijn voor Somatisch Onvoldoende Verklaarbare Klachten’. Hierin wordt het hebben van beperkte gezondheidsvaardigheden en kennis over het menselijk lichaam toegeschreven aan het hebben van een migratieachtergrond (Nederlands Huisartsen Genootschap, 2013). Huisartsen kunnen hierdoor op basis van vooroordelen en etnische bias onterecht een stereotype beeld toepassen (Zemouri, 2022). Inmiddels is deze richtlijn herzien. Dit voorbeeld laat echter wel zien dat dit soort dingen er in sluipen bij richtlijnen en dat het goed is om daar kritisch op te zijn als het gaat om andere richtlijnen. We zien ook het onterecht denken in ‘rassen’ terugkomen in onderzoek. Dit blijkt onder andere uit onderzoek van Pharos waarbij een patiënt per ongeluk een brief van het laboratorium te zien kreeg waarin stond dat haar bloed onderzocht was. Hierbij werd het N-woord gebruikt om de patiënt haar ‘ras’ te omschrijven (Van Loenen et al, 2022).

Uit een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van Achterbergh, Suurmond en Linthorst (2019) blijkt dat dit geen uitzondering is: deze term wordt volgens hen frequent gehanteerd zoals in de NHGstandaard ‘Cardiovasculair risicomanagement’. Deze auteurs geven aan dat het N-woord kwetsend is en ook erg vaag omdat het weinig specifiek is; als bijvoorbeeld uit onderzoek komt dat een bepaalde ziekte vaker speelt bij mensen van Ghanese afkomst of juist bij Afro-Amerikanen dan is nog niet gezegd dat dit speelt voor alle zwarte mensen in alle landen, leggen zij uit (Achterbergh et al 2019). In een artikel gebaseerd op literatuuronderzoek en interviews, plaatst Jeffrey Buckle (2019) ook kritische vraagtekens bij het gebruik van het begrip ‘ras’ in de Nederlandse medische praktijk. ‘Ras’ wordt in de Nederlandse praktijk gebruikt voor klinische beslissingen omdat sommige ziekten vooral voorkomen bij bepaalde bevolkingsgroepen maar het gevaar is dat ‘ras’ wordt gezien als biologische objectief gegeven (Buckle, 2019), terwijl de verschillen tussen deze bevolkingsgroepen voornamelijk op sociaaleconomische verschillen berusten. In Nederland deden Goodarzi et al. (2022) hier onderzoek naar binnen de geboortezorg. Ook zij concludeerden dat er ook in Nederland onterecht gebruik wordt gemaakt van etnische categorieën.

Deze categorieën zijn niet eenduidig, niet goed gedefinieerd en vaak overgenomen uit Amerika. Het gevolg is dat dit kan leiden tot stigmatisering, onjuiste conclusies en slechtere gezondheidsuitkomsten. Een voorbeeld hiervan is een voorspellingsmodel waarin etniciteit is opgenomen om risico te bepalen op zwangerschapsdiabetes, vroeggeboorte en foetale groeibeperking. Er wordt gebruik gemaakt van categorieën als Kaukasisch, negroïde, Aziatisch en Hindoestaans, maar het is niet duidelijk waar deze categorieën op gebaseerd zijn en

Movisie • Discriminatie in de zorg en de sport: wat weten we (niet)?

21

voor wie deze voorspellingen gelden (Goodzari et al, 2022). In ander onderzoek van Jonkers et al. (2011) zijn vrouwen met een migratieachtergrond in Nederland geïnterviewd over hun ervaring met geboortezorg. Aanleiding hiervoor was de hogere moedersterfte onder vrouwen met een migratieachtergrond. Vrouwen met een migratieachtergrond gaven vaker aan dat zorgverleners onvoldoende aandacht hadden voor hun zwangerschap gerelateerde klachten, met name bij zwangerschapsvergiftiging. Daarnaast gaven zij vaker aan dat er sprake was van vertraging bij het ontvangen van informatie over de diagnose en behandeling. Er zijn 20 casussen beoordeeld door verloskundigen. Zij concludeerden dat er in 16 van deze 20 gevallen sprake was van zorg die onder de maat was (Jonkers, 2011). Hoewel er in Nederland geen onderzoek naar is gedaan, weten we uit internationaal onderzoek uit de VS dat er verschillen zijn in pijnbestrijding tussen patiënten van kleur en witte patiënten (Lee et al, 2019). Achterbergh (et al. 2019) merken wel op dat bekend is dat artsen de pijnbeleving van patiënten met een migratieachtergrond minder serieus nemen omdat zij dit eerder zien als een culturele uiting en niet als somatisch en behandelbaar. Lamkaddem et al. (2017) deden onderzoek naar etnische verschillen in behandeling en overleving van darmkanker in Nederland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12836238/1