RIS313177 Bijlage Ruimtelijke onderbouwing VVGB Apeldoornselaan 240-242
Tekst van het document
4.2
Geluidhinder wegverkeerslawaai
4.2.1 Inleiding Het plan bestaat tevens uit de realisatie van nieuwe woningen binnen de onderzoekszone van bestaande wegen, te weten de Apeldoornselaan en de Dierenselaan. Bij het inpassen van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient onderzocht te worden of deze vanuit de Wet geluidhinder op deze locatie gerealiseerd kunnen worden. 4.2.2 Resultaten akoestisch onderzoek Om te onderzoeken of het plan voldoet aan de wettelijke normen en of sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van weg- en tramverkeer uitgevoerd door Peutz bv. Het onderzoek, rapportnummer L 794-3-RA, gedateerd 29 juni 2017, is opgenomen als bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing. De conclusie van het onderzoek is hieronder overgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar het rapport in bijlage 2. Voor het bepalen van de gecumuleerde geluidbelasting zijn de resultaten van het onderzoek industrielawaai meegenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de Apeldoornselaan en de Dierenselaan (inclusief HTM-lijnen 4 en 6) ten hoogste respectievelijk 61 en 60 dB bedraagt, inclusief aftrek ex 110g Wet geluidhinder (Wgh). Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.
1
'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer' van 29 februari 1996.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
22/44
Milieu- en omgevingsaspecten
Voor alle appartementen dient een hogerewaarden-procedure te worden gevolgd volgens artikel 83, lid 2 Wgh. Maatregelen om de geluidbelasting ten gevolge van de wegen te reduceren zijn onvoldoende doeltreffend, danwel ontmoeten overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of financiële aard. De gecumuleerde geluidbelasting (zonder aftrek) bedraagt ten hoogste 67 dB en voldoet hiermee aan de maximaal aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting van 69,5 dB volgens het 'Beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder' van de gemeente Den Haag. Tevens hebben de appartementen aan de noord- en zuidzijde van het plan een achtergevel waar de gecumuleerde geluidbelasting LCUM (inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) 53 dB of lager is. Hiermee wordt voldaan aan het criterium van een geluidluwe gevel. De appartementen in het midden van het plan hebben geen geluidluwe gevel. Voor deze appartementen wordt door middel van afscherming ter plaatse van de balkonranden en het toepassen van een goed geluidabsorberend plafond een geluidluwe gevel achter het balkon gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de randvoorwaarden voor het verlenen van een hogere waarde. De benodigde hogere waarden zijn opgenomen in onderstaande tabel. In het onderzoek wegverkeerslawaai is in bijlage 7 het formulier hogere waarden Wet geluidhinder opgenomen. Geluidsgevoelig object: woningen
Geluidsbron
Benodigde hogere grenswaarde in dB t/m maximaal
Omschrijving Aantal Geprojecteerde appartementen aan 17 Apeldoornselaan 61 Apeldoornselaan Geprojecteerde appartementen aan 12 Dierenselaan 60 Apeldoornselaan Figuur 10: Benodigde hogere grenswaarden in het kader van de Wet geluidhinder voor het bouwplan
De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van het weg- en tramverkeer bedraagt ten hoogste 67 dB zonder aftrek ex artikel 110g Wgh. Bij de opbouw van de gevel van de appartementen dient conform het Bouwbesluit 2012 rekening gehouden te worden met de benodigde geluidwering van de gevel. De karakteristieke geluidwering dient minimaal gelijk te zijn aan de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer minus 33 dB, met een minimum van 20 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel van de appartementen varieert derhalve tussen 20 en 34 dB afhankelijk van de optredende geluidbelasting op de betreffende gevel.
4.3
Verkeer en parkeren
Met de voorgenomen ontwikkeling kunnen significante wijzigingen optreden in het verkeers- en parkeerpatroon. Deze wijzigingen zijn door Sweco Nederland B.V. cijfermatig in kaart gebracht en beoordeeld in de vorm van een verkeersnotitie. De notitie, gedateerd 30 juni 2017, is opgenomen in bijlage 3. Hieronder is eerst ingegaan op parkeren (paragraaf 4.3.1) en vervolgens op de verkeersituatie (paragaaf 4.3.2). Door Goudappel Coffeng is een analyse uitgevoerd van de aansluiting van het parkeerdek op de openbare weg. Dit is in paragraaf 4.3.3. behandeld. 4.3.1 Parkeren Middels de parkeerbalans wordt beschreven in hoeverre vraag en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in balans zijn, en of er eventueel sprake zal zijn van een tekort aan plaatsen (en op welk moment van de week). Voor een parkeerbalans van een toekomstige situatie is het essentieel dat betrouwbare parkeerkencijfers worden toegepast. In dit geval is gerekend met de normen uit de Nota Parkeernormen Den Haag d.d. 10 november 2011 in combinatie met de aangepaste Nota Parkeernormen (RIS291425) d.d. 10 maart 2016. Hierbij zijn de volgende karakteristieken toegepast: · Zone voor woonfuncties: “Stad” (keuze: Centrum – Stad – Rand). · Zone voor winkelfuncties: Zone 3 (keuze: Zone 1 – Zone 2 – Zone 3). · Woningtype: 17 maal “Sociale sector appartementen“ (norm: 0,7 plaats per woning).
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
23/44
Milieu- en omgevingsaspecten
· Supermarkt: 2,50 parkeerplaatsen per 100 m 2 BVO. · Overige winkelfuncties: 2,30 parkeerplaatsen per 100 m 2 BVO. Onderstaande figuur geeft de opsomming van de gestelde parkeernormen weer.
Figuur 11: Theoretisch maximale parkeereis
Normaliter zou deze parkeereis lager uitvallen vanwege de verdiscontering van dubbelgebruik. Dubbelgebruik houdt hier in dat de winkelfuncties op een ander moment van de week (zaterdagmiddag) hun piekbezetting hebben dan de woonfuncties (doordeweeks ‘s nachts), waardoor een deel van de parkeerplaatsen voor beide functies gebruikt wordt en de maximale bezetting dus lager uitvalt. In dit geval is hier echter geen sprake van, aangezien voor de bewoners parkeerplaatsen worden gereserveerd. Er zullen altijd 12 parkeerplaatsen voor bewoners van de sociale huurwoningen voorbehouden blijven, waardoor eventuele winst door dubbelgebruik vervalt. Om het aantal nieuw te realiseren parkeerplaatsen te berekenen dienen nog twee zaken verdisconteerd te worden: · De parkeervraag van de Sint Teresia van Lisieuxkerk en bijbehorende (ambst)woning komen te vervallen; deze mag van de parkeereis worden afgetrokken. De berekende parkeervraag voor de huidige functie van kringloopwinkel en woning bedragen 7,8 parkeerplaatsen. O.b.v. kencijfers (CROW publicatie 317) geldt voor de kringloopwinkel in de kerk een parkeervraag van ca. 1 per 100 m2 BVO. De kringloopwinkel heeft een vloeroppervlak van ca. 600 m2. Daarnaast is de parkeervraag van de woning 1,8 parkeerplaatsen. De gemeente Den Haag heeft in overleg met Kavel Vastgoed deze parkeervraag op maximaal 6 plaatsen vastgesteld.
· Door de nieuwbouw komt een aantal parkeerplaatsen aan de Apeldoornselaan te vervallen; deze maken plaats voor de inrit naar de bevoorrading en naar het parkeerdek. Het gaat naar schatting om 5 parkeerplaatsen. Na het verdisconteren van deze twee zaken komt de eis voor het aantal nieuw te realiseren parkeerplaatsen uit op 69 – 6 + 5 = 68. Op het parkeerdek is plaats voor 74 parkeerplaatsen. Ter overcompensatie van de 5 parkeerplaatsen die voor de in- en uitrit verdwijnen zijn er 6 parkeerplaatsen over. Van deze 6 parkeerplaatsen zullen er 5 worden aangewend om de gebruikers/bewoners van het “klooster” aan de Kootwijkstraat te laten parkeren. Dit betekent dat de bewoners en gebruikers van het klooster geen recht meer zullen krijgen om een parkeervergunning aan te vragen (danwel te houden) bij de gemeente, zodoende zullen zij genoodzaakt zijn om op het dek te parkeren. Door het vervallen/inleveren van de parkeervergunningen worden er dus 5 parkeerplaatsen toe bedeeld/ terug gegeven aan de wijk Rustenburg. 4.3.2 Verkeersgeneratie en toedeling De berekening van de verkeersgeneratie is mede uitgevoerd ten behoeve van de onderzoeken naar geluid en luchtkwaliteit. De berekening is onderverdeeld in een viertal stappen: 1. Berekening van de verkeersgeneratie van de nieuwe functies. 2. Verdeling van het nieuwe verkeer over de mogelijke in-/uitvalsrichtingen. 3.
Toedeling van het nieuwe verkeer over de verwachte routes naar de in-/uitvalsrichtingen. 4. Berekening van bestaande en toekomstige verkeersintensiteiten op de belaste wegen.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
24/44
Milieu- en omgevingsaspecten
In het vervolg van deze paragraaf wordt elke uitgevoerde stap toegelicht alsmede de resultaten daarvan. 4.3.2.1 Berekening verkeersgeneratie Net als bij de parkeerbalans gelden ook bij de verkeersgeneratieberekening kencijfers per functie, met dien verstande dat een andere bron is gebruikt: CROW publicatie 317 “Kencijfers Verkeersgeneratie en Parkeren” (oktober 2012). Deze kencijfers bieden een bandbreedte tussen een minimum en maximumwaarde. In dit geval wordt het gemiddelde aangehouden. Hierbij zijn de volgende karakteristieken toegepast: · Stedelijkheidsgraad “Zeer sterk stedelijk”. · Gebiedstypering “Schil centrum”. · Woningtype: 17maal “Sociale sector appartementen” · Supermarkt “Fullservice supermarkt, laag / middellaag prijsniveau” · Overige winkels: “Wijkcentrum gemiddeld” Uitgaande van deze karakteristieken en de nieuwe oppervlaktes is de totale verkeersgeneratie berekend. Figuur 12 bevat de rekenresultaten voor een weekdag. Functie
Aantal
Verkeersgeneratie Min. Max. per Appartementen sociale sector 17 2,8 3,6 Woning Supermarkt 1908 54,0 98,6 100 m2 bvo Winkels 400 34,8 58,5 100 m2 bvo Totaal Figuur 12: Resultaten verkeersgeneratieberekening
Totale verkeersgeneratie Min. Max. Gem. 48 61 54 1.088 1.881 1.484 139 234 187 1.274 2.176 1.725
Vervolgens is nader onderscheid gemaakt naar de weekdag, donderdag (i.v.m. koopavond) en zaterdag. Per dag en per dagdeel zijn de maatgevende intensiteiten gehanteerd. Om de weekdagintensiteiten door te rekenen naar de overige dagen zijn percentages aangehouden, die zijn ontleend aan de eerder genoemde CROW-publicatie. Berekening op basis van deze percentages heeft geleid tot de volgende dagtotalen, zoals zichtbaar in onderstaande Figuur 13.
functie woningen winkels totaal
weekdag 54 1.671 1.725
donderdag
zaterdag
60 1.922 1.982
werkdag
50 2.105 2.156
59 1.922 1.981
Figuur 13: Dagtotalen verkeersgeneratie planontwikkeling
4.3.2.2 Verdeling van verkeer over uitvalsrichtingen Voordat het verkeer dat de ontwikkeling van Teresiatoren aan specifieke wegen wordt toegedeeld, dient een uitgangspunt te worden geformuleerd over de richtingen waarin het verkeer zich verspreid. Er wordt aangenomen dat het verkeer zich gelijkmatig spreidt over de volgende drie uitvalsrichtingen: · Loosduinseweg / Regentesselaan; · Apeldoornseweg richting Escamplaan; · De La Reyweg en Steijnlaan. Deze verdeling is weergegeven in Figuur 14.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
25/44
Milieu- en omgevingsaspecten
Figuur 14: Spreiding van het verkeer van en naar Teresiatoren
4.3.2.3 Toedeling verkeer over autoroutes De ligging van de planlocatie is zodanig dat veel in-/uitvalsrichtingen niet via de ogenschijnlijk meest rechtstreekse route bereikt kunnen worden. Dit heeft onder andere te maken met éénrichtingswegen en beperkingen om bepaalde wegen over te steken. Per richting is beredeneerd wat de meest logische autoroute is. Figuur 15 laat voor respectievelijk het aankomende en het vertrekkende verkeer zien welke autoroutes zij neemt, en welk aandeel van de totale verkeersproductie deze routes neemt.
Figuur 15: Vertrekkend verkeer (links) en aankomend verkeer (rechts)
In vrijwel alle gevallen is de routekeuze eenvoudig te beredeneren, met één uitzondering: De route vanaf de Teresiatoren naar de Apeldoornselaan in zuidwestelijke richting. Hierbij hebben automobilisten de keuze om via de Kootwijkstraat (30km-weg) te rijden of de Apeldoornselaan
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
26/44
Milieu- en omgevingsaspecten
af te rijden en te keren op de verkeerslichtenkruising met de Loosduinseweg. Qua wegenstructuur is de laatstgenoemde optie logischer, maar deze duurt langer en kent ten opzichte van de eerste optie een extra barrière in de vorm van verkeerslichten. Bij de eerste optie zijn de barrières de vorm (woonstraat) en maximumsnelheid. Een schatting over de verdeling van het verkeer over beide routes is lastig. Om het routekeuze-effect in ieder geval over beide wegen te verdisconteren is de verdeling op 50/50 gesteld. 4.3.2.4 Berekening en beschouwing van bestaande en toekomstige verkeersintensiteiten Voor de hier relevante wegvakken is in het verkeersonderzoek voor de jaren 2016, 2021 en 2026 de verkeersintensiteit berekend, met en zonder planontwikkeling. Op de gebieds- en wijkontsluitingswegen neemt de verkeersintensiteit ten gevolge van de planontwikkeling met 2,5% (Dierenselaan tussen Kootwijkstraat en De La Reyweg) tot ca. 28% (Apeldoornselaan tussen Eerbeeklaan en Loosduinsekade) toe. In sommige gevallen is er in relatieve zin sprake van een aanzienlijke toename. In absolute zin blijft deze echter beperkt. Er wordt niet verwacht dat hier afwikkelingsproblemen ontstaan. Op de Kootwijkstraat, een 30-km/u –straat die de Apeldoornselaan met de Dierenselaan verbindt, is een grotere toename berekend.
De intensiteit neemt hier relatief gezien aanzienlijk toe, maar de absolute toename is beperkt. De toename bestaat namelijk uit 140 voertuigen per etmaal, waarbij tijdens het drukste uur elke vijf minuten een auto door de straat rijdt. Er worden hier dan ook geen verkeersknelpunten verwacht. 4.3.3 Aansluiting parkeerdek en laden en lossen Ten behoeve van de geplande ontwikkeling wordt het parkeren op het dak van de supermarkt gefaciliteerd. Het parkeerdek bestaat uit 74 parkeerplaatsen en is in de planvorming bereikbaar vanaf de Apeldoornselaan. Goudappel Coffeng BV heeft de aansluiting van het parkeerdek verkeerskundig beoordeeld (notitie ‘Analyse aansluiting parkeerdek’, 23 maart 2017). De notitie is als bijlage 4 bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Hieronder is de conclusie overgenomen. ·
·
·
De aansluiting van het parkeerdek op de Apeldoornselaan zoals in het plan is voorgesteld, functioneert verkeerskundig goed. De kwaliteit van de verkeersafwikkeling is goed. Tevens is het uitzicht vanaf de aansluiting op de Apeldoornselaan op zowel het auto- als fietsverkeer ruim voldoende. Vanwege de verplichte rijrichting op de Apeldoornselaan, gecombineerd met de brede middenberm bestaande uit een trambaan, dient het vertrekkende verkeer verplicht rechtsaf uit te rijden. Formeel dient het verkeer in de tegengestelde richting gebruik te maken van de keerlus nabij de Loosduinseweg. Deze wordt echter regelmatig geblokkeerd als gevolg van een wachtrij op de rechtsafstrook voor het verkeerslicht. Daarnaast is de ‘omrijroute’ circa 700 meter. Het is daarom aannemelijk dat zonder aanvullende maatregelen een deel van het vertrekkende verkeer gebruik gaat maken van de Kootwijkstraat. Desondanks is het vanwege de bereikbaarheid niet gewenst om het eenrichtingsverkeer om te draaien ten opzichte van de huidige situatie. Het effect is dat alle verkeer, ook dat vanaf de Kootwijkstraat, in dat geval gebruik moet maken van de bestaande keerlus. Dit gaat ten koste van de kwaliteit van de verkeersafwikkeling. Daarom wordt geadviseerd de route via de Kootwijkstraat minder aantrekkelijk te maken door de aanleg van drempels en een kruispuntplateau.
Tevens wordt geadviseerd de route via de bestaande keerlus aantrekkelijker te maken/versnellen. Het opstelvak kan (iets) verlengd worden en mogelijk kunnen de rechtsafstroken op de Apeldoornselaan meer groen krijgen, waardoor de keerlus beter bereikbaar is. Daarmee wordt het gebruik van de Kootwijkstraat tot een minimum beperkt. De expeditieruimte is voor een solovrachtwagen (bakwagen) goed bereikbaar. Vanwege het kruisen van het fiets- en voetpad is begeleiding buiten het voertuig bij het maken van de achterwaartse beweging noodzakelijk. Hierdoor wordt voorkomen dat fietsverkeer en/of voetgangers achter de vrachtwagen langs kruisen.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
27/44
Milieu- en omgevingsaspecten
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1 Wet milieubeheer In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: a) Het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; b) De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; c) Het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; d) De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. 4.4.2 Betekenis voor het plangebied De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en de omgeving is van belang bij deze ontwikkeling en het effect van het plan op de luchtkwaliteit.
De effecten op de luchtkwaliteit zijn onderzocht door Peutz bv. Het onderzoek, gedateerd 5 april 2016, is opgenomen als bijlage 5. In het onderzoek is inzicht gegeven in de concentraties van fijn stof (PM 10, PM2,5) en stikstofoxide (NOx), waarna deze worden beoordeeld in het licht van de van toepassing zijnde luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Uit het onderzoek volgt dat: · zowel in 2026 (autonoom) als in 2026 na planrealisatie geen sprake is van overschrijding van de grenswaarden voor de stoffen NOx, PM10, PM2,5; · aangezien de toename van de concentraties van deze stoffen minder bedraagt dan 3% van de grenswaarden sprake is van een ‘niet in betekenende mate bijdragen’(NIBM) van het plan; · de berekende concentraties van de stoffen, die bepalend zijn voor de luchtkwaliteit, inherent zijn verbonden aan de ligging van het plangebied in een stedelijke omgeving nabij diverse wegen. Voor het aspect luchtkwaliteit wordt dan ook geconcludeerd dat ook na realisatie van het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening en er geen belemmering is het plan te realiseren.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreeren anderzijds.. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: · Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; · Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
28/44
Milieu- en omgevingsaspecten
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Den Haag de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies: direct naast woningen komen andere functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Binnen gemengd gebied is het mogelijk om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk.
Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dit milieuaspect wordt niet verlaagd. Figuur 16 geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Figuur 16: Bedrijven en milieuzonering
Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’, kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkeling. Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond die op grond van de geldende bestemming kunnen worden gevestigd. 4.5.2 Betekenis voor het project Het gebied rond de inrichting kan vanwege de verscheidenheid aan functies; wonen, al bestaande winkels en maatschappelijke voorzieningen, worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Supermarkten en winkels (SBI-code 47 en 471) en lichte horeca (SBI-code 561) vallen in milieucategorie 1 in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009). In een gemengd gebied wordt een richtafstand van 0 m tot omliggende woningen voorgeschreven. In een rustige woonwijk wordt een richtafstand van 10 m voorgeschreven. De meest nabijgelegen woningen liggen op de hoek van de Apeldoornselaan en de Kootwijkstraat, direct ten noorden van het plangebied.
De nieuwe detailhandel en lichte horeca komen op meer dan 10 meter tot deze woningen. Hierbij is de afstand aangehouden tussen enerzijds de grens van de nieuwbouw, waarbinnen de functies detailhandel en lichte horeca zijn geves-
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
29/44
Milieu- en omgevingsaspecten
tigd en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan mogelijk is. Vanuit oogpunt van milieuzonering en functiescheiding is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. · Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt; · Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.6.2 Betekenis voor het project Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen met een externe veiligheidsrisico. Daarnaast is in de directe omgeving geen infrastructuur aanwezig, die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Op basis hiervan hoeft geen verdere toetsing plaats te vinden. Op het gebied van externe veiligheid is er geen belemmering om het plan te realiseren.
4.7
Bodem
4.7.1 Verkennend en nader bodemonderzoek Voor het project is door Search Ingenieursbureau B.V. in 2015 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om in verband met de voorgenomen sloop van de panden de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de locatie vast te stellen. Het verkennend bodemonderzoek, gedateerd 5 februari 2015, is opgenomen in bijlage 6. Uit het verkennend bodemonderzoek bleek dat de bovengrond plaatselijk sterk verontreinigd is met PAK en zink. In de ondergrond en in het grondwater zijn hoogstens lichte verontreinigingen gemeten. In verband met de voorgenomen herontwikkeling is daarom door Search Ingenieursbureau B.V. een nader onderzoek conform de NTA 5755 uitgevoerd om de omvang van de sterke grondverontreinigingen vast te stellen. Het nader bodemonderzoek, gedateerd 2 februari 2017, is opgenomen in bijlage 7. Met het nader onderzoek is de ernst en de omvang van de verontreiniging afgeperkt. Op de onderzoekslocatie is de bovengrond plaatselijk sterk verontreinigd met zink of PAK. Aangezien deze verontreinigingen zich in de bovengrond bevinden en direct contact met de verontreinigde grond mogelijk is, is de locatie niet geschikt voor het huidige gebruik als pastorie met tuin. Er is sprake van 3 afzonderlijke verontreinigingskernen, waarbij geen van de verontreinigingen een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
30/44
Milieu- en omgevingsaspecten
Aangezien men voornemens is om de bestaande bebouwing te slopen en een supermarkt met parkeerruimte te realiseren op deze locatie, zal het uitvoeren van een functiegerichte sanering mogelijk zijn. Voor de ruimtelijke procedure is hiermee het aspect bodem voldoende onderzocht. 4.7.2 Asbestinventarisatie gebouwen Search Ingenieursbureau B.V. heeft een asbestinventarisatie uitgevoerd in het kerkgebouw en de pastorie. Het rapport, gedateerd 23 december 2014, is opgenomen in bijlage 6. Het onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van het aanwezige asbest in de gebouwen. Het onderzoek omvat historisch onderzoek, een asbestinventarisatie ter plaatse, analyse van asbestverdachte materialen en een asbestrisicoclassificatie met betrekking tot de asbestsanering. Bij de asbestinventarisatie zijn 12 asbesthoudende toepassingen aangetroffen in de gebouwen. De aanbevelingen uit het rapport worden opgevolgd voordat de geplande sloopwerkzaamheden voor de pastorie en de kerk worden uitgevoerd. 4.7.3 Asbestinventarisatie in grond In 2015 is reeds door Search Ingenieursbureau B.V. een verkennend bodemonderzoek op de locatie uitgevoerd in verband met de voorgenomen sloop van het pand. Tijdens de veldwerkzaamheden werd in de bovengrond bijmengingen met puin waargenomen. In het kader hiervan is door Search Ingenieursbureau B.V.
een verkennend onderzoek asbest in grond uitgevoerd om vast te stellen of de verdenking van de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest terecht is. Het asbestonderzoek, gedateerd 2 februari 2017, is opgenomen in bijlage 8. Op de locatie is geen asbest aangetroffen in een gehalte boven de detectiegrens, waardoor de locatie onverdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig en toekomstig gebruik van de locatie. Er zijn geen beperkingen in het kader van de voorgenomen herontwikkeling.
4.8
Cultuurhistorie
4.8.1 Algemeen Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een bestemmingsplan verankerd worden. 4.8.2 Betekenis voor het project In het plangebied van het bestemmingsplan ‘Rustenburg-Oostbroek’, waarbinnen deze ontwikkeling plaatsvindt, bevinden zich in het geheel geen Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten en cultuurhistorische waardevolle of landschappelijk waardevolle elementen. Vanuit cultuurhistorie gelden er geen randvoorwaarden ten aanzien van de realisatie van het plan.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
31/44
Milieu- en omgevingsaspecten
4.9
Archeologie
4.9.1 Algemeen Gemeenten hebben op grond van artikel 38a Monumentenweg 1988 de taak om bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (verder: AWVK) opgesteld. In de Beleidsnota Archeologie 2011 – 2020 geeft de gemeente aan hoe zij zorgt wil dragen voor de archeologische sporen en resten in de ondergrond. Op de gemeentedekkende AWVK komen drie zones voor waaraan beleid is gekoppeld: 1. Terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: waarvan is vastgesteld dat er zich belangrijke archeologische sporen en resten bevinden. In het kader van de archeologische monumentenzorg stelt de gemeente hier voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten dieper dan 50 cm onder maaiveld; 2. Gebieden waar archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht, dit op basis van de bodemopbouw en/of historische kaarten. Bij activiteiten met een bodemverstoring groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld stelt de gemeente hier voorwaarden voor onderzoek en bescherming van mogelijk aanwezige sporen en resten. 3. Gebieden waar geen archeologische sporen dan wel resten (meer) worden verwacht. Hier verbindt de gemeente op het gebied van archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten.
4.9.2 Betekenis voor het project In het bestemmingsplan ‘Rustenburg – Oostbroek’, waarbinnen het plangebied ligt, is een archeologisch beschermingsregime opgenomen. Binnen het projectgebied bevinden zich geen archeologisch waarden en het plangebied is in het bestemmingsplan volledig aangeduid als ‘zone zonder waarde / verwachting’, oftewel zone 3. In de toelichting op de AWVK staat beschreven dat er vanuit het archeologisch beleid geen eisen worden gesteld aan ontwikkelingen binnen een dergelijke zone. Wel blijft de archeologische meldingsplicht van kracht op grond van artikel 53 Monumentenwet 1988. Deze plicht houdt in dat wanneer bij graafwerkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dat dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag.
4.10
Natuur
4.10.1 Algemeen Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Wet natuurbescherming, welke sinds 1 januari 2017 de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet vervangt. De toetsing aan de onderdelen uit de vroegere Boswet blijft hier buiten beschouwing, aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt. 4.10.1.1 Soortenbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming, voorheen Flora- en faunawet (verder: Wnb) is iedere handeling verboden die schade kan toebrengen aan de op grond van de wet beschermde planten en dieren en/of hun leefgebied. De wet kent een algemene zorgplicht, omvat daarnaast een reeks van verbodsbepalingen en heeft een groot aantal soorten (verdeeld over verschillende categorieën) als beschermd aangewezen. De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op de instandhouding van soorten worden voorkomen. Een aantal voor planten en dieren schadelijke handelingen is op grond van de Wnb verboden. Op grond van de Wnb kunnen ontheffingen van de verboden worden verleend en gelden enkele vrijstellingen van het verbod. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing of vrijstelling
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
32/44
Milieu- en omgevingsaspecten
hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen. Hierbij wordt volgens de wettelijke kaders onderscheid gemaakt in drie categorieën, waarin soorten zijn ingedeeld op basis van zeldzaamheid en kwetsbaarheid. · Algemene soorten Voor de algemene soorten die zijn genoemd in tabel 1 bij de AMvB geldt de lichtste vorm van bescherming. · Overige soorten De overige soorten, genoemd in tabel 2 bij de AMvB, genieten een zwaardere bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van het verbod, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode. · Soorten genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn en bijlage 1 AMvB ex artikel 75 Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 van de AMvB ex artikel 75 Ffw geldt de zwaarste bescherming. Het hangt van de precieze aard van de werkzaamheden en van de betrokken soort(en) af of een vrijstelling met gedragscode geldt, of dat een ontheffing noodzakelijk is. Vogelsoorten zijn niet opgenomen in de hierboven genoemde categorieën. Voor verstoring van vogels en vogelnesten door ruimtelijke ontwikkelingen kan geen ontheffing worden verleend. Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd.
Voor de overige vogelsoorten geldt dat verstoring van broedende exemplaren is verboden. 4.10.1.2 Gebiedsbescherming Naast de soortenbescherming wordt de gebiedsbescherming geregeld binnen de Natuurbeschermingswet (in de Natura 2000-gebieden) en binnen de Ecologische Hoofdstructuur (tegenwoordig Natuurnetwerk Nederland). 4.10.2 Resultaten verkennend natuuronderzoek Sweco Nederland BV heeft een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de effecten van deze ontwikkeling op beschermde soorten planten en dieren en/of natuurgebieden. Het rapport, gedateerd 26 mei 2015, is opgenomen in bijlage 9. Het onderzoek is erop gericht een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het plan op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen in het kader van de planfase en/of realisatiefase. 4.10.2.1 Gebiedsbescherming Het voorgenomen plan leidt niet tot effecten op buiten Den Haag gelegen Natura 2000-gebieden en/of beschermde natuurmonumenten. Er is geen nader (effect)onderzoek in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling noodzakelijk. 4.10.2.2 Soortenbescherming Er zijn mogelijk beschermde soorten aanwezig in het plangebied, waarop effecten zouden kunnen optreden. Het betreft veelal algemeen beschermde soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt.
Voor deze soorten hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Daarnaast kunnen algemeen voorkomende zangvogels in het groen rondom de gebouwen broeden en duiven in de toren en op de zolders van de kerk. Om verstoring van broedvogels tijdens het broedseizoen te voorkomen kunnen verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd. Indien werkzaamheden toch in het broedseizoen moeten plaatsvinden, dan moet voorkomen worden dat broedende vogels worden verstoord. Wanneer bovengenoemde in acht wordt genomen, kan verstoring van broedende vogels voorkomen worden en is geen ontheffing noodzakelijk ten aanzien van vogels. De enige zwaarder beschermde soorten waarvan de aanwezigheid in de te slopen gebouwen niet op voorhand kan worden uitgesloten zijn gebouwbewonende vleermuissoorten, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Derhalve is aanvullend natuur-
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
33/44
Milieu- en omgevingsaspecten
onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk geweest om te kunnen bepalen welke functie de gebouwen hebben voor vleermuizen. De conclusies van dit onderzoek zijn weergegeven in paragraaf 4.10.3. 4.10.2.3 Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) ligt en de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent voor het Natuurnetwerk Nederland, is nadere toetsing aan de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland voor het aspect Natuurnetwerk Nederland niet noodzakelijk. 4.10.3 Aanvullend natuuronderzoek naar vleermuizen Sweco Nederland BV heeft een aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd om te kunnen bepalen welke functie de gebouwen hebben voor vleermuizen. In de zomer en het najaar van 2015 is dit onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het rapport, gedateerd 3 november 2015, is opgenomen in bijlage 10. 4.10.3.1 Werkwijze Het inventariseren van vleermuizen is uitgevoerd conform het vigerend Vleermuisprotocol 2013. Het aantal veldbezoeken is gebaseerd op de potentiële aanwezigheid van de volgende functies: kraam- / zomerverblijfplaats, paarplaats en foerageergebied.
In totaal hebben vijf veldbezoeken plaatsgevonden in de zomer en het najaar van 2015, waarvan drie in de zomerperiode om kraamverblijven, zomerverblijven en foerageergebieden van vleermuizen in kaart te brengen en twee in het najaar voor paarverblijven en foerageergebieden. 4.10.3.2 Resultaten en conclusie Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de te slopen bebouwing. Ook is geen middernachtzwermen vastgesteld dat kan duiden op gebruik van de bebouwing als massawinterverblijf. Tijdens de veldbezoeken zijn enkele foeragerende exemplaren van de gewone dwergvleermuis aangetroffen rondom het kerkgebouw. Het betreft in alle gevallen dieren die van buiten het onderzoeksgebied komen om in de tuin achter de kerk te foerageren. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied dat van belang is voor de functionaliteit van elders gelegen vaste rust- en verblijfplaatsen. De voorgenomen ontwikkeling leidt dan ook niet tot een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. De te slopen bebouwing vormt geen vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen en in het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen aanwezig dat onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van elders gelegen vaste rust- en verblijfplaatsen.
Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wnb is niet aan de orde. Er is geen sprake van een belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.11
Water
4.11.1 Beleid 4.11.1.1 Rijk Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan is hét rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Water krijgt een meer prominente rol bij de inrichting van Nederland. De beleidslijnen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water, die inspelen op de verwachte klimaatsveranderingen, zijn een belangrijke impuls voor de koers van het nieuwe waterbeleid. Het hoofdthema is: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van het waterveiligheid en de Stroomgebiedbeheerplannen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
34/44
Milieu- en omgevingsaspecten
Watertoets De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Het Besluit ruimtelijke ordening verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het project voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen. 4.11.1.2 Provincie Zuid-Holland Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Dit waterplan is 11 november 2009 door Provinciale Staten vastgelegd. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale Waterplan vertaalt naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: · Waarborgen van de waterveiligheid; · Zorgen voor mooi en schoon water; · Ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening; · Realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem.
4.11.1.3 Hoogheemraadschap van Delfland Het Waterbeheerplan 2016 – 2021is het document waarin het Hoogheemraadschap Delfland de ambities voor de komende jaren heeft vastgelegd. Het plan beschrijft de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Delfland heeft in het waterbeheerplan vijf integrale opgaven benoemd: · Een zelfvoorzienend gezond en schoon watersysteem; · Interactie tussen watersysteem en waterketen; · Stedelijk waterbeheer en klimaatadaptatie; · Iedereen bewust van water; · Duurzaamheid. Het Nationaal Bestuursakkoord Water is gesloten op 2 juli 2003. Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Delfland heeft de Handreiking watertoets 2007 opgesteld. In de handreiking worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht. 4.11.1.4 Gemeente Den Haag De gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland werken aan een goed waterbeheer door middel van een gezamenlijke Wateragenda. Het beschrijft hoe de komende jaren omgegaan zal worden met water in de stad en welke acties hiervoor nodig zijn. Belangrijk nieuw element in de Wateragenda is dat het zich behalve op de waterkwaliteit en waterveiligheid ook op veiligheid in algemene zin, recreatie en ruimtelijke ontwikkelingen richt.
De gemeente streeft naar het realiseren van een duurzaam vitale en aantrekkelijke leefomgeving. Daarom is de lange termijndoelstelling van het waterplan: het realiseren van een duurzaam schoon en gezond watersysteem, dat bijdraagt aan een aantrekkelijke en veilige leefomgeving, waar bewoners en bezoekers van Den Haag op een bewuste manier mee omgaan. In 2006 hebben het Hoogheemraadschap en de gemeente de Waterbergingsvisie Den Haag vastgesteld. Hierin is aangegeven welke ruimtelijke en technische maatregelen er genomen moeten worden om het watersysteem in Den Haag op orde te brengen. Afvalwater en riolering Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020. Opgave voor het plan is het vasthouden van de behouden winst. Daarnaast krijgt duurzaamheid extra aandacht. Werken aan duurzaamheid betekent voor riolering dat meer rekening dient te worden gehouden met het voorkomen dan wel scheiden van afvalwaterstromen aan de bron, meer oog
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
35/44
Milieu- en omgevingsaspecten
te hebben voor hergebruik en het terugdringen van energiegebruik en het voorkomen dat schoon water vuil wordt. Hierbij is het gebruik van voor het oppervlaktewater schadelijke stoffen als koper, zink en bitumineuze dakbedekking niet toegestaan. Duurzaam denken en doen komt zo terug in het ontwerp, de aanleg, het beheer en het gebruik van riolering. Het afkoppelen van hemelwater is een voorbeeld van een aanpak, waarmee zoveel mogelijk bij de bron wordt voorkomen dat water vuil wordt, dat water wordt vastgehouden op de plaats waar het valt en waarmee gemalen en zuiveringsinstallaties niet onnodig worden belast met het verwerken van schoon hemelwater. Een ander voorbeeld is het meer toepassen van minder milieubelastende materialen bij de huisaansluitleidingen en de hoofdriolering. 4.11.2 Watertoets Oppervlaktewater/waterkwantiteit In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Veiligheid en waterkering Hier is de vraag relevant of de locatie in een beschermingszone of kernzone van een waterkering ligt. Dit is niet het geval, want in het plangebied en de nabijheid daarvan is geen waterkering aanwezig. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij ecologie gaat de aandacht uit naar de ruimte voor natuurvriendelijke oevers en natte ecologische verbindingszones. Binnen het plangebied zijn geen waterlichamen in de zin van de Kaderrichtlijn Water aanwezig.
Riolering en hemelwaterafvoer Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is de “Leidraad Riolering” en de “Beslisboom aan- en afkoppelen verharde oppervlakken”. Hierbij is het gebruik van voor het oppervlaktewater schadelijke stoffen zoals koper, zink en bitumineuze dakbedekking niet toegestaan. De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd door duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. De omgang met hemelwater krijgt een steeds belangrijkere rol in het landelijke en gemeentelijke beleid. Beleid is gericht op het lokaal verwerken (infiltreren, bergen, vertraagd afvoeren) van regenwater, zodat er minder schoon hemelwater naar het riool en de zuivering wordt afgevoerd en er bij hevige neerslag minder vuilwater via de overstorten op het oppervlaktewater wordt geloosd. In de nieuwe situatie zal het vuilwater via de riolering worden afgevoerd. Infiltratie van hemelwater in de bodem is het meest duurzaam. Waterberging Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot de versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, moet in bepaalde situaties nieuw oppervlaktewater worden gecreëerd waarmee een toename van verhard oppervlak kan worden gecompenseerd.
Onderhavig plan resulteert slechts in een beperkte toename van het verhard oppervlak, omdat de nieuwbouw grotendeels plaatsvindt op gronden die in de huidige situatie reeds volledig bebouwd en verhard zijn. Conclusie Tijdens het bestuurlijk vooroverleg wordt het ontwerpplan voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Delfland. De reactie van het hoogheemraadschap zal in de ruimtelijke onderbouwing worden meegenomen.
4.12
Bezonning
Ten aanzien van de bezonning wordt opgemerkt dat het beperkt toegenomen volume ten opzicht van het voormalige kerkgebouw niet of nauwelijks effect heeft op de bezonning van de woningen in de directe omgeving.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
36/44
Milieu- en omgevingsaspecten
In de stedenbouwkundige onderbouwing van KOW is een bezonningsstudie opgenomen. Daaruit blijkt de toename aan schaduwwerking beperkt is doordat de afstand tot de meest schaduwondervindende woningen aanzienlijk is.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
37/44
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.1.1 Achtergrond In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. De ladder schrijft niet voor wanneer en waar wel of niet gebouwd mag worden, maar vraagt om een goede afweging van belangen zodat onder andere voorkomen wordt dat er voor leegstand wordt gebouwd. Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder voor duurzame verstedelijking is met ingang van 1 juli 2017 herzien. De herziening heeft een vereenvoudiging tot gevolg gehad, waarbij de drie treden zijn samengevoegd tot een. Ook zijn de begrippen ‘actuele’ en ‘regionale’ geschrapt. Voor het project is nog een onderbouwing gegeven op basis van de oude ladder. Het rijk heeft aangegeven dat bij gebruik van de oude laddersystematiek ook wordt voldaan aan de nieuwe motiveringsvereisten.
Hieronder de opbouw van de ladder van voor 1 juli 2017: a) Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b) Indien uit de beschrijving onder a blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c) Indien uit de beschrijving onder b blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende manieren van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Daarnaast zijn in de provinciale Verordening Ruimte 2014 aanvullende eisen gesteld aan detailhandelsontwikkelingen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Aangezien de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied is gelegen, is alleen de eerste trede van de ladder relevant (aantonen van de regionale behoefte). Hier wordt bestaand onroerend goed getransformeerd: een langdurig leegstand kerkgebouw op een cruciale, beeldbepalende locatie, wordt gesloopt en getransformeerd tot trekker van het bestaande winkelgebied.
In het vervolg van deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de ontwikkeling van woningen en detailhandel, beide in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. 5.1.2 Wonen De eerste trede van de ladder houdt in dat aangetoond wordt dat de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd. In het Programma Ruimte is aangegeven welke voorwaarden de provincie stelt aan regionale afstemming. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de beschikbaarheid van een actuele regionale woonvisie. De provincie Zuid-Holland geeft aan dat het de voorkeur heeft als de gemeente de ladder niet per plan toepast, maar vooraf in regionaal verband afspraken maakt over de kwantitatieve en kwalitatieve regionale behoefte. Als het plan past in een actuele regionale visie die is aanvaard door Gedeputeerde Staten, is daarmee voldaan aan één of meer treden van de ladder. Gedeputeerde Staten geven bij de aanvaarding van de regionale visie aan in hoeverre daarmee op
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
38/44
Uitvoerbaarheid
regionaal niveau de ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen, zodat bij individuele ruimtelijke plannen daar naar kan worden verwezen. Bij brief van 24 januari 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland bericht dat de notitie “actueel en realiseerbaar woningbouwprogramma” wordt aanvaard als kader voor de verantwoording van de woningbouwopgave in ruimtelijke plannen van het Stadsgewest Haaglanden. Onderdeel van de beoordeling van een regionale woonvisie is of het programma kwantitatief en kwalitatief realistisch is en of sprake is van verbetering van de woonmilieubalans in de regio. Over beide aspecten is op basis van analyse van de regionaal beoogde planontwikkeling in relatie tot onderzoek naar kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte een positief oordeel uitgesproken door de provincie. De in dit plan opgenomen woningen passen binnen de regionale afstemming van het woningbouwprogramma en daarmee is de actuele regionale behoefte aangetoond. De beoogde locatie betreft een in onbruik geraakte op een markante, in het oog springende locatie. Dit gebouw wordt via herontwikkeling getransformeerd tot de zogeheten Teresiatoren, een ontwikkeling waarbij onder meer 17 appartementen met bijbehorende parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. 5.1.3 Detailhandel De ontwikkeling van de Teresiatoren omvat onder meer een supermarkt en zoomwinkels.
Een dergelijke detailhandelontwikkeling behoeft vanuit meerdere toetsingskaders een gedegen onderbouwing. Zo past een extra supermarkt in dit winkelgebied weliswaar binnen het gemeentelijk beleid, maar moet tevens worden gemotiveerd dat deze ontwikkeling aansluit bij de doelstelling het functioneren van dit winkelgebied versterkt. Daarnaast wijkt uitbreiding van het detailhandelsaanbod in dit winkelgebied af van het beleid van de provincie Zuid-Holland. Tot slot vraagt ook de ladder voor duurzame verstedelijking om een gedegen onderbouwing van de ontwikkeling. Bureau Stedelijke Planning heeft een onderzoeksrapport opgesteld dat de benodigde (distributieve) onderbouwing biedt, in combinatie met inzicht in de kwantitatieve en kwalitatieve effecten van de ontwikkeling. Het onderzoek, gedateerd 16 maart 2016, is opgenomen als bijlage 11. 5.1.3.1 Analyse van huidige vraag- en aanbodsituatie Aan de (distributieve) onderbouwing en beschouwing van de kwantitatieve en kwalitatieve effecten van de ontwikkeling ligt een uitvoerige contextanalyse ten grondslag. Met een dergelijke analyse wordt de huidige vraag- en aanbodsituatie in beeld gebracht.
In het onderzoek is aandacht besteed aan wat de bewoners van het winkelgebied en de wijk kenmerkt, welke ontwikkelingen we zien in de komende jaren, zowel in de lokale verhoudingen tussen vraag en aanbod als meer generiek (beleid, trends en ontwikkelingen). Zie hoofdstuk 2 van het als bijlage 11 opgenomen onderzoek voor een volledige beschrijving van de huidige vraag- en aanbodsituatie. 5.1.3.2 Distributieve toets De distributieve mogelijkheden voor de detailhandelsontwikkeling in het project Teresiatoren zijn geanalyseerd aan de hand van een analyse van distributieve mogelijkheden, de actuele behoefte en een kwalitatieve toets. De supermarkt neemt het overgrote deel van het planvolume voor zijn rekening. Vandaar dat het accent van de analyse op de supermarkt ligt. Er kan worden geconcludeerd dat er behoefte is aan uitbreiding van het supermarktaanbod in Rustenburg-Oostbroek. De supermarktdekking en kooporiëntaties tonen aan dat wijkinwoners nu in grote mate gedwongen zijn om voor hun boodschappen naar andere winkelgebieden te reizen, vaak op grotere afstand van hun woning. Een substantieel deel van het dagelijkse winkelaanbod is bovendien op verspreide locaties, buiten het winkelgebied Dierenselaan/Apeldoornselaan, gesitueerd. De gemeente Den Haag streeft ernaar zoveel mogelijk detailhandel te concentreren in de winkelgebieden die tot de Hoofdwinkelstructuur worden gerekend.
Het winkelgebied Dierenselaan/Apeldoornselaan is de enige winkelconcentratie in Rustenburg-Oostbroek met die status en daarmee de logische vestigingsplaats voor een extra supermarkt.
Ruimtelijke onderbouwing Teresiatoren Apeldoornselaan te Den Haag
39/44
Uitvoerbaarheid
Het initiatief sluit aan bij de wens van de gemeente Den Haag om een extra supermarkt te faciliteren in het winkelgebied. Dit beleidsvoornemen is opgenomen in zowel de Detailhandelsmonitor 2013 en het Actieprogramma Den Haag Winkelstad uit 2015. De ontwikkeling van de Teresiatoren vervult niet alleen die wens,maar biedt tevens de unieke mogelijkheid een supermarkt te realiseren die past bij de moderne maatstaven, voorzien van ruime parkeermogelijkheden. In hoogstedelijk gebied zijn deze kenmerken zeldzaam. Daarnaast maakt de locatie niet alleen deel uit van de Haagse Hoofdwinkelstructuur, het vormt tevens het enige winkelgebied in de wijk Rustenburg-Oostbroek. Een verdere versterking verbetert het toekomstperspectief van het winkelgebied. Zo wordt op een cruciale, centrale plek in het winkelgebied een leegstaande toren vervangen door een markante toren met een supermarkt die een belangrijke ankerfunctie van het winkelgebied kan vervullen. 5.1.3.3 Effecten In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn – naast de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking – de effecten op de bestaande winkelstructuur en op het woon-, leefen ondernemersklimaat in de wijk Rustenburg-Oostbroek van belang. In deze paragraaf worden deze effecten van de ontwikkeling in beeld gebracht.
Economische en ruimtelijke impuls De ontwikkeling van de Teresiatoren geeft een substantiële economische impuls aan de wijk, hetgeen is onder te verdelen in drie typen effecten. Ten eerste ontstaat gedurende de ontwikkeling tijdelijke werkgelegenheid en met name in de bouwnijverheid. Een deel hiervan komt voor rekening van de supermarkt. Ten tweede heeft de ontwikkeling ook een structureel werkgelegenheidseffect. Zo levert de supermarktontwikkeling een directe werkgelegenheid van circa 50 arbeidsplaatsen en indirecte werkgelegenheid van bijna 10 arbeidsplaatsen bij toeleverende bedrijven. De werkgelegenheidsvraag betreft hoofdzakelijk lager en middelbaar geschoold personeel. Aangezien lageropgeleiden over het algemeen dicht bij hun woning werk vinden, treedt het werkgelegenheidseffect grotendeels binnen het verzorgingsgebied op. Ten derde zal het project naast de genoemde kwantitatieve economische effecten ook zogeheten uitstralingseffecten. Dit zijn effecten die lastig kwantificeerbaar en moeilijk onder een noemer te vatten zijn. In deze zijn onder meer relevant: · Structuurversterking: de ontwikkeling van de onderscheidende supermarkt in de Teresiatoren in combinatie met een bronpunt voor parkeren versterkt het winkelgebied Dierenselaan/Apeldoornselaan. Het creëert meer aanloop en markeert de westelijke entree van het winkelgebied.
· Versterking vestigingsklimaat in de wijk: de ontwikkeling draagt bij aan een aantrekkelijk dagelijks voorzieningenaanbod en daarmee het concurrentieprofiel van met name de wijk. Effecten op de bestaande structuur Behalve positieve economische, ruimtelijke en uitstralingseffecten zijn er ook verdringingseffecten. In het geval van de wijk Rustenburg-Oostbroek is het gevestigde supermarktaanbod niet goed in staat om de lokale koopkracht goed aan zich te binden. Deels resulteert dat in afvloeiing naar omliggende wijken, deels ook in een laag marktaandeel van supermarkten ten opzichten van andere aankoopkanalen voor dagelijks aanbod. In het onderzoek wordt dan ook de verwachting uitgesproken dat de effecten voor de supermarkten in het verzorgingsgebied (Rustenburg-Oostbroek) fors kleiner zijn dan het verdringingseffect (50%) dat gewoonlijk wordt gehanteerd. Met andere woorden, de verdringingseffecten zullen zich over meer aanbieders, binnen en buiten het verzorgingsgebied, verdelen. Binnen het verzorgingsgebied, maar buiten het winkelgebied, gaat het vooral om parallellisatie (verschuiving van andere aankoopkanalen voor dagelijks aanbod naar supermarkten). Momenteel beschikt de wijk Rustenburg-Oostbroek over circa 590 m 2 wvo aan supermarktmeters die géén deel uitmaken van de Hoofdwinkelstructuur.