RIS313164 Bijlage 2
Tekst van het document
49
8.5.5 Maatregel 4: Opleggen van een extra heffing voor aardgas Als met de voorgaande maatregelen nog onvoldoende bereikt is om de gasschaarste op te vangen, kan gedacht worden aan economische maatregelen. Het instellen van een heffing die leidt tot het sterk verhogen van de aardgasprijs, bijvoorbeeld tien keer de aardgasprijs, kan werken voor industrie, wanneer de reactietijd van de markt groot genoeg is om een verhoogde aardgasprijs te merken. Het doorvoeren van een dergelijke prijsstijging wordt in de koude fase voorbereid. Deze maatregel grijpt in op de markt en wordt genomen door de minister van EZK. Daarmee is deze maatregel een niet-marktgebaseerde maatregel volgens de EU-verordening. Om meerdere redenen is besloten huishoudens uit te sluiten van een heffing. Ten eerste zijn huishoudens beschermde afnemers. Ten tweede zouden economische maatregelen vermoedelijk een zeer beperkt effect hebben, omdat huishoudens meestal (afhankelijk van hun contract) jaarlijks achteraf betalen en het effect derhalve niet direct genoeg voelbaar is. Daarnaast is de uitvoerbaarheid te betwisten, omdat niet alle afnemers een slimme meter hebben waardoor niet is na te gaan hoeveel gas zij hebben afgenomen gedurende de gascrisis/noodsituatie. Het is ongewis hoe groot het effect van de maatregel zal zijn.
8.5.6 Maatregel 5: Gedwongen brandstofomschakeling van industrieën Als met de voorgaande maatregelen nog onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, kunnen bedrijven die die mogelijkheid hebben, worden gedwongen om over te schakelen op een andere brandstof, bijvoorbeeld olieproducten of biomassa. Dit zou de vraag naar aardgas van de industrie kunnen reduceren, zonder dat afschakeling van een industrie noodzakelijk is. Deze maatregel kan worden genomen op basis van de lijst met industrieën voor wie een dergelijke brandstofomschakeling mogelijk is23. Een dergelijke lijst dient nog te worden opgesteld, onder meer in overleg met de GTS en de RNBs.
8.5.7 Maatregel 6: Gedwongen brandstofomschakeling bij de productie van elektriciteit Als met de voorgaande maatregelen nog onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, kunnen elektriciteitscentrales die die mogelijkheid hebben, worden gedwongen om over te schakelen op een andere brandstof, bijvoorbeeld olieproducten of biomassa. Doel is om de gasvraag vanuit elektriciteitscentrales zo veel mogelijk te beperken. Hiertoe zullen alle andere mogelijkheden om in elektriciteit te voorzien eerst ingezet worden, voordat aardgascentrales worden ingezet. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan elektriciteitscentrales op een andere brandstof, zoals biomassa, en de import van elektriciteit uit het buitenland. De inzet van gascentrales zal niet op elk moment vermeden kunnen worden. Het vermogen van bronnen die niet afhangen van aardgas is immers beperkt door de capaciteit aan centrales en interconnectie met het buitenland. In de praktijk zal deze maatregel voor de minister van EZK worden uitgevoerd door GTS en TenneT die instructies kunnen geven aan elektriciteitscentrales.
Deze lijst met industrieën dient in de koude fase opgesteld te worden. De totstandkoming van deze lijst vraagt om specialistische kennis over industriële processen. Met het oog hierop lijkt een benadering via de industriële brancheverenigingen opportuun te zijn. 23
50
Om een goed beeld te krijgen van het mogelijke effect van deze maatregel zal in overleg met TenneT en GTS worden nagegaan welke elektriciteitscentrales tijdelijk geheel of gedeeltelijk kunnen omschakelen op een andere brandstof en onder welke voorwaarden en condities dat kan.
8.5.8 Maatregel 7: Niet-beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch) Als met de voorgaande maatregelen nog onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, worden niet-beschermde afnemers afgeschakeld. In theorie lijkt het waardevol om in de volgorde van afschakelen rekening te houden met de maatschappelijke en/of economische gevolgen van het afschakelen voor de individuele niet-beschermde afnemer. Maatschappelijke en economische gevolgen blijken echter in de praktijk ambigue criteria waardoor er geen duidelijke volgorde kan worden vastgesteld. Omdat deze maatregel gericht is op het beschermen van de gaslevering aan beschermde afnemers, is in dit plan het afnamevolume van de niet-beschermde afnemer leidend. Dat wil zeggen: de (afzonderlijk) meest verbruikende niet-beschermde afnemer wordt eerst afgesloten en als laatste de minst verbruikende. De onder paragraaf 4.9 benoemde lijst van categorie I (figuur 11) is dus leidend in de uitvoering van deze maatregel. Bedrijven met een groot veiligheidsrisico krijgen voldoende tijd om veilig af te sluiten. Hierbij gaat het om bedrijven uit de categorie ‘grootschalige productie/verwerking en/of opslag van (petro)chemische stoffen’ (Besluit risico zware ongevallen (BRZO) en Richtlijn industriële emissies (RIE) cat. 4 inrichtingen).
De calamiteitenplannen voor veilig afschakelen van deze bedrijven zijn leidend voor de tijdsduur die gegeven wordt voordat moet worden afgeschakeld. Overige nietbeschermde afnemers zullen in de tussentijd dus eerder worden afgeschakeld. Voor het afschakelen worden twee mogelijkheden onderscheiden. Als eerste zal administratief worden afgeschakeld. Hierbij krijgen de afnemers die moeten afschakelen een dwingende aanwijzing om geen aardgas meer te gebruiken. Hierop volgend kunnen afnemers technisch worden afgeschakeld. Hierbij wordt het door fysieke maatregelen voor afnemers onmogelijk gemaakt om nog aardgas af te nemen. De mogelijkheden voor technisch afschakelen verschillen per type afnemer. Alleen voor grote industrieën die direct aangesloten zijn op het landelijk gastransportnet, kan dat in een aantal gevallen op afstand worden uitgevoerd. Voor kleinere industrieën, aangesloten op het landelijk gastransportnet en industrieën aangesloten op de regionale netwerken kan dit handmatig door de afsluitingen bij de bedrijven om te zetten. Het handmatig afsluiten kost veel tijd/mankracht. De kleppen zijn van de netbeheerder, maar staan veelal op het terrein van de afnemer. Actuele meetgegevens van GTS en regionale netbeheerders kunnen uitwijzen bij welke bedrijven administratief afschakelen reeds tot de beoogde gasreductie heeft geleid.
Dit biedt de mogelijkheid om alleen daar waar dit niet het geval is, over te gaan tot technische afsluiting. Deze aanpak heeft de voorkeur met het oog op de benodigde mankracht. Voor technisch afschakelen wordt waar mogelijk gewerkt op volgorde van volume aan gasafname.
51
8.5.9 Maatregel 8: Niet door solidariteit beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch) Als met de voorgaande maatregelen nog onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, worden individuele niet door solidariteit beschermde afnemers afgesloten. Deze afnemers vallen wel onder de definitie van ‘beschermde afnemers’, maar niet onder de definitie van ‘door solidariteit beschermde afnemers’. In de praktijk betreft het hier de kleine en middelgrote ondernemingen, zoals beschreven in paragraaf 4.9.2. De onder paragraaf 4.9 benoemde lijst van categorie II (figuur 11) is dus leidend in de uitvoering van deze maatregel. Het handmatig afsluiten van deze groep afnemers kost veel tijd/mankracht. Daarom is het combineren van zowel administratief als technisch afschakelen, als beschreven bij maatregel 7, hier van kracht. Daarnaast zal onder deze maatregel worden overgegaan tot het afsluiten van de als cruciaal aangewezen gasgestookte elektriciteitscentrales.
8.5.10
Maatregel 9: Inroepen onderlinge solidariteit tussen EU-lidstaten
Als de voorgaande maatregelen zijn uitgevoerd en onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, is in Nederland alles gedaan om niet door solidariteit beschermde afnemers af te sluiten van de gasvoorziening. Wanneer de gascrisis/noodsituatie dusdanig groot is dat de gasvraag van door solidariteit beschermde afnemers nog steeds niet gedekt wordt door het aanbod, kan op basis van artikel 13 van de EU-verordening een beroep gedaan worden op de onderlinge solidariteit van landen binnen de EU voor de gasvoorziening van door solidariteit beschermde afnemers. Dit beroep op onderlinge solidariteit is voorbereid in contacten van EZK met buitenlandse overheden, met ondersteuning van de betrokken TSO’s. Het daadwerkelijk oproepen tot solidariteit is aan de minister van EZK. Om onderlinge solidariteit te bewerkstelligen treedt de minister van EZK via de Europese Commissie in contact met de bevoegde instanties in EU-landen waarmee het Nederlandse gastransportnet direct is verbonden (België, Duitsland, Verenigd Koninkrijk) en mogelijk ook met Frankrijk om hun te vragen om geen gas uit Nederland af te nemen voor hun eigen niet-beschermde afnemers. De EU-verordening geeft ook de mogelijkheid om de EU-landen waarmee het Nederlandse gastransportnet direct is verbonden te vragen om gas aan Nederland te leveren ten behoeve van Nederlandse door solidariteit beschermde afnemers.
In de praktijk zal daar echter geen gebruik van (kunnen) worden gemaakt. Nederlandse door solidariteit beschermde afnemers gebruiken laagcalorisch gas en dat gas is elders niet te beschikbaar.
8.5.11
Maatregel 10: Door solidariteit beschermde afnemers administratief afschakelen
Als bovenstaande maatregelen zijn genomen, is in Nederland en de EU alles gedaan om de gaslevering aan door solidariteit beschermde afnemers in stand te houden. Mocht de crisis echter dusdanig groot zijn dat de gasvraag van deze door solidariteit beschermde afnemers ook dan nog niet gedekt wordt door het aanbod, zijn er maatregelen nodig gericht op door solidariteit beschermde afnemers. In deze fase zullen door solidariteit beschermde afnemers een aanwijzing krijgen geen/minder gas af te nemen (administratief afsluiten). De onder paragraaf 4.9 benoemde lijst van categorie III (figuur 11 is dus leidend in de uitvoering van deze maatregel.
52
Als een dergelijke aanwijzing wordt gegeven, is er een groot tekort aan gas. Dat zal grote ontwrichtende gevolgen hebben in de maatschappij. De door solidariteit beschermde afnemers zullen in de volgende volgorde verordend worden om af te sluiten: •
Huishoudelijke afnemers en stadsverwarmingsinstallaties,
•
Essentiële sociale diensten, waaronder de gezondheidszorg
De argumentatie voor deze volgorde is dat gaslevering aan de gezondheidszorg op deze manier zo lang mogelijk in stand blijft, zodat de meest kwetsbare bevolkingsgroepen het langst beschermd blijven.
8.5.12
Maatregel 11: Regio’s inclusief export technisch afsluiten
Bij een grote gascrisis/noodsituatie kan het nodig zijn om in vervolg op de eerder genoemde maatregelen de gaslevering naar bepaalde regio’s en het buitenland te stoppen, ook al raakt dat (door solidariteit) beschermde afnemers. Een dergelijke maatregel is bijvoorbeeld verstandig om bij een groot gastekort de druk in het landelijk gastransportnet op peil te houden – een voorwaarde voor een tijdige herstart van de gaswinning en gaslevering. Om regio’s af te sluiten is het mogelijk om afsluiters in doorgaande leidingen dicht te zetten, of op het niveau van meet- en regelstations. De voorkeur heeft een afsluiting op het niveau van een meet- en regelstation, mits hier voldoende tijd voor is. De keuze voor welke regio’s af te sluiten, hangt af van mogelijke effecten voor de nationale veiligheid. Leidend criterium is daarom de relatieve hoeveelheid gas die afgenomen wordt door de vitale infrastructuur volgens de rangschikking van de vitaliteitsbeoordeling in een regio. Een regio met relatief veel gaslevering aan de vitale infrastructuur wordt daarmee later afgesloten dan andere gebieden. Bij de keuze van af te sluiten regio’s is ook afsluiting van export een mogelijkheid. Bij een zeer urgent gastekort kunnen ook doorgaande leidingen dichtgezet worden.
Daarbij geldt in de regel dat hoe verder de doorgaande leiding dichtgezet wordt van de bron van de gaslevering (veelal Groningen) vandaan, hoe kleiner het gebied dat wordt afgesloten.
8.6 Effect van de maatregelenladder op de gasvoorziening Het effect van een maatregel is niet op voorhand exact te voorspellen doordat dit afhankelijk is van de actuele gasvraag, het type tekort, en de manier waarop afnemers op maatregelen reageren. In deze paragraaf is daarom alleen ter indicatie een ordegrootte van het te verwachte effect aangegeven. Het te verwachten effect van een maatregel is sterk afhankelijk van het moment waarop een gastekort zich aandient. Voor de indicatie van het effect van maatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen een winter- en zomerdag, en maximum- en minimumvraag op een winter- en zomerdag. De totale gaslevering van hoog- en laagcalorisch gas op zo’n winter- en zomerdag tezamen is in tabel 3 weergegeven.
53
Winterdag maximum
Zomerdag minimum
mln
maximum
mln
mln
minimum mln
m3/uur
%
m3/uur
%
m3/uur
%
m3/uur
%
Kleinverbruik
6,1
29%
2,2
15%
0,4
6%
0,1
2%
Industrie (via RNB)
2,4
11%
1,7
12%
0,8
11%
0,3
6%
Industrie (via GTS)
3
14%
2,4
17%
2,1
30%
1,7
33%
Export
9,7
46%
8,1
56%
3,8
54%
3,1
60%
Totaal
21,2
14,4
7,1
5,2
Tabel 3. Typisch verbruik van de markt op verschillende momenten De categorisering in tabel 3 wijkt op één punt af van de beschreven maatregelenladder onder paragraaf 8.5. Met het oog op beschikbare gegevens vanuit GTS, in tabel 3 aangesloten bij het criterium van kleinverbruik uit de gaswet – een verbruik via een aansluiting met een capaciteit <40 m3/uur – licht afwijkend van de beschermde afnemers uit paragraaf 2.4. Ondanks deze beperking geeft dit verbruik een ordegrootte van het te verwachten effect van de maatregelen:
Maatregelenladder
1
Aandeel gasvraag typische zomerdag
++++
+++
Onzeker
+++
+++
Beperkt
Oproepen tot vermindering aardgasverbruik a.
2
Aandeel gasvraag typische winterdag
b.
Vrijwillig verzoek minder gasafname aan buurlanden (overheid tot overheid). Europese commissie verzoeken om regionale noodsituatie uit te roepen
Kans op bereiken reductie
3
Inroepen stellen van een besparingstender ‘minder afname’
+
++
Beperkt
4
Opleggen van een extra heffing voor aardgas
+
++
Beperkt
5
Gedwongen brandstofomschakeling van industrieën
Onbekend
Onbekend
Onbekend
6
Gedwongen gebruik van elektriciteit die wordt opgewekt uit andere bronnen dan gas
Onbekend
Onbekend
Onbekend
7
Niet-beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch)
+
++
Groot
8
Niet door solidariteit beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch)
+
++
Groot
9
Inroepen onderlinge solidariteit tussen EUlidstaten
+++
+++
Groot
10
Door solidariteit beschermde afnemers administratief afschakelen
++++
++
Onzeker
11
Regio’s inclusief export technisch afsluiten
+++++
+++++
Groot
Tabel 4. Effecten van de maatregelen
54
8.7 Specifieke maatregelen voor elektriciteit en stadsverwarming 8.7.1 Stadsverwarming De maatregelen en acties om de mogelijke gevolgen van een verstoring van de gaslevering voor de stadsverwarming te beperken, zijn hetzelfde als de maatregelen en acties die genomen worden voor de (door solidariteit) beschermde afnemers. Een deel van de Nederlandse huishoudens wordt verwarmd door middel van stadsverwarming. Met name in steden gaat het hier om grote aantallen huishoudens. De waarschijnlijke gevolgen van een verstoring van de gaslevering in de stadsverwarmingssector zijn afhankelijk van de aard en ernst van de verstoring in de levering. Bij een vroegtijdige waarschuwing of bij alarmering kunnen de maatregelen voorkomen dat de stadsverwarmingssector geraakt wordt. In een gascrisis/noodsituatie zullen maatregelen genomen worden om te voorkomen dat de stadsverwarmingssector geraakt wordt, maar dit kan niet uitgesloten worden. In een uiterst geval kan dit betekenen dat de huishoudens die stadsverwarming hebben, niet langer verwarmd kunnen worden. Omdat huishoudens beschermde afnemers zijn, is de stadsverwarmingssector (uitsluitend voor zover zij huishoudelijke afnemers of essentiële sociale diensten van verwarming voorzien en niet over kunnen stappen op andere energiebronnen) ook bestempeld als beschermde afnemer en door solidariteit beschermde afnemer in dit noodplan.
De volgordelijkheid van maatregelen bij een gascrisis/noodsituatie is dusdanig dat de (door solidariteit) beschermde afnemers zo lang mogelijk beschermd worden.
8.7.2 Productie van elektriciteit uit gas De gevolgen voor de elektriciteitssector hangen samen met de aard en ernst van een verstoring. Bij een vroegtijdige waarschuwing of bij alarmering zullen er geen gevolgen zijn voor de elektriciteitssector. Bij een gascrisis/noodsituatie hebben 2 maatregelen invloed op de elektriciteitssector (zie ook paragraaf 8.5): •
Maatregel 6: Gedwongen brandstofomschakeling bij de productie van elektriciteit. Het waarschijnlijke gevolg zal zijn dat de prijs van elektriciteit oploopt, maar de voorzieningszekerheid van elektriciteit komt niet in gevaar.
•
Maatregel 8: Niet door solidariteit beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch). Het gevolg zal zijn dat ook de als cruciaal aangemerkte gasgestookte elektriciteitscentrales moeten worden afgeschakeld. Deze elektriciteitscentrales kunnen dan niet meer voorzien in de vraag naar elektriciteit. Een mogelijk gevolg is een gehele of gedeeltelijke black-out van het elektriciteitssysteem. TenneT zal te allen tijde een black-out proberen te voorkomen, óók wanneer het aanbod van elektriciteit uit gascentrales vermindert of wegvalt.
De EU-verordening geeft aan dat prioriteit mag worden gegeven aan cruciale gasgestookte elektriciteitscentrales om te voorkomen dat het elektriciteitssysteem ernstig wordt beschadigd. De volgordelijkheid van maatregelen bij een noodsituatie is dusdanig dat een black-out van het elektriciteitssysteem zo lang mogelijk wordt voorkomen. Dit is in lijn met de geest van de EUverordening; elektriciteit is noodzakelijk om warmte aan kleinverbruikers te leveren (via stadsverwarming), om gas te winnen en te transporteren en om de verwarmingsinstallaties van de kleinverbruikers te laten werken. Wanneer een aanzienlijke verslechtering van de gaslevering mogelijk invloed heeft op de elektriciteitssector, zal TenneT opschalen binnen de gebruikelijke crisisstructuur. Een liaison van
55
hen zal aansluiten bij het DBT van het ministerie van EZK. De minister van EZK is verantwoordelijk voor zowel de gas- als elektriciteitsvoorziening. De CGE zal namens de minister van EZK besluiten tot maatregelen om een verspreiding van het gasincident of de gascrisis/noodsituatie naar elektriciteit waar mogelijk te voorkomen.
56
9. Borging van de crisisbeheersing Realtime responssimulaties van noodsituaties vinden eens per twee jaar plaats. Betrokken actoren zijn de ministeries van EZK en JenV, GTS, en afhankelijk van het scenario andere aardgasbedrijven, elektriciteitsbedrijven, andere ministeries, veiligheidsregio’s, industrie, etc. Procedures die getest worden zijn de crisishandboek van GTS en het ministerie van EZK en de crisishandboeken en -procedures van deelnemende actoren. Per test wordt een tevoren onbekend scenario gesimuleerd met (middel)grote gevolgen. NB bij actualisering noodplan vraagt de EU-verordening om een beknopte beschrijving van de tests die zijn uitgevoerd sinds de voorstelling van het laatste noodplan en de voornaamste resultaten. Bovendien wordt gevraagd om vermelding welke maatregelen zijn vastgesteld naar aanleiding van die tests.
57
10. Regionale dimensie De navolgende teksten zijn ontwikkeld met en door de regionale risicogroepen waar Nederland ingevolge de EU-verordening deel van uitmaakt, te weten: 1. Risicogroepen voor gaslevering uit het oosten: a) Belarus: België, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Polen, Slowakije, Tsjechië (coördinator: Polen); b) Oostzee: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Slowakije, Tsjechië, Zweden (coördinator: Duitsland); 2. Risicogroepen voor gaslevering rond de Noordzee: a) Noorwegen: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden (coördinator: Frankrijk); b) Denemarken: Denemarken, Duitsland, Luxemburg, Nederland, Zweden (coördinator: Denemarken); c)
Het Verenigd Koninkrijk: België, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Nederland, het Verenigd Koninkrijk (coördinator: het Verenigd Koninkrijk)
d) Laagcalorisch gas: België, Duitsland, Frankrijk, Nederland (coördinator: Nederland). Het zijn de coördinatoren van de diverse groepen die hierbij het voortouw hebben, waarbij het Engels de voertaal is.
10.1 Measures to be adopted per crisis level 10.1.1 Measures within the low calorific gas risk group General measures at all crisis levels In case the situation within one of the low calorific gas risk group Member States gives ground to raise one of the crisis levels the competent authority of that Member State will inform the Directorate-General for Energy of the European Commission as well the competent authorities of the risk group Member States. This will allow the Commission as well as the members of the L-gas risk group to prepare for a situation in which the supply of low calorific gas may/will significantly deteriorate. In such a situation article 14(1) of EU Regulation 2017/1938 obliges natural gas undertakings to provide on a daily basis information to their competent authority and the Commission may request to be provided with this information as soon as possible. Given the central role of the Netherlands in the supply of low calorific gas, it has been agreed that the Netherlands will collect this information from the competent authorities of the other involved Member States. The Netherlands will subsequently group this information and make it available to all the involved competent authorities and, if so requested, to the Commission. Early warning level Within the low calorific gas risk group no specific measures are foreseen at the early warning level.
Alert level Within the low calorific gas risk group no specific measures are foreseen at the alert level as the market is still able to manage the situation. Nevertheless the involved competent authorities as well as their TSOs may ask shippers and gas consumers to voluntarily increase their inflow of gas
58
or reduce their off-take of gas. The expected impact will however most likely be limited (see section 8.4.2) Emergency level The measures that will be taken within the low calorific gas risk group at the emergency level are basically the same as the measures described in section 8.5 and annex 1 for the Netherlands, although their impact is expected to be larger. In order to ensure that there is proper coordination between the competent authorities the Commission will be asked to declare a regional emergency for the low calorific gas region.
10.1.2 Measures within the other risk groups 1. Eastern gas supply risk groups: a) Belarus: to be develop by Poland; b) Baltic Sea: to be develop by Germany. 2. North Sea gas supply risk groups: c)
Norway: to be developed by France;
d) Denmark: to be developed by Denmark; c) United Kingdom: to be developed by the United Kingdom.
10.2 Cooperation mechanisms 10.2.1 The cooperation mechanism in the low calorific gas risk group The cooperation mechanism in the low calorific gas risk group in an emergency situation is based on appropriate and effective coordination between different stakeholders and competent authorities in the Member States. First, this means that the dispatching centres from the TSOs have frequent contacts in an emergency situation to analyze and control the situation. TSOs are challenged to run their networks as efficiently as possible either through incentives or other mechanisms, and as such solving constraints on cross-border points is part of the day-to-day operational business of TSOs. Neighbouring dispatching centres work closely together, where required, optimising gas flows and operation of the network in the region. The neighbouring TSOs have a history of cooperation and experience in the past years, following the situation of dwindling indigenous production and frequent interaction on infrastructure projects, transit and storage capacity. Secondly, in case of a constraint at an interconnection point (whether this is due to maintenance, climatic conditions or interruption of supply) NNOs inform each other and relevant shippers immediately through bilateral contacts and through publication on the respective websites.
Various actions can be taken to overcome or minimize the constraint. Either through the balancing regimes, or by re-routing gas via other entry/exit points in case the preferred route is constrained. In addition, article 14(1) of Regulation 2017/1938 obliges natural gas undertakings to provide on a daily basis information to their competent authority in case one of the crisis levels referred to in article 11(1) has been declared. The Commission may request to be provided with this information as soon as possible. Given the central role of the Netherlands in the supply of low calorific gas, it has been agreed between the risk group Member States that in case one of crisis levels has been declared, the Netherlands will collect the information mentioned in article 14(1) from the competent authorities of the other involved Member States. The Netherlands will subsequently group this information and make it available to all the involved competent authorities and, if so requested, to the Commission.
59
The Netherlands will also coordinate the establishment of the assessment mentioned in article 14(3) and will provide this to the Commission as soon as possible and at the latest six weeks after the lifting of the low calorific gas emergency. The other involved competent authorities will provide the Netherlands timely with all the information necessary for the assessment. Finally, and related to the coordination activities as described above regional issues related to the security of supply emergency situation are addressed and discussed in the low calorific gas risk group. The low calorific gas risk group activities have been and will be conducted within the framework of the Pentalateral Gas Platform. The Netherlands currently acts as the group’s coordinator. The Benelux Secretariat provides logistic support. National Regulatory Authorities (when not the Competent Authority), TSOs (including ENTSOG) and the Commission are also invited. The members of the low calorific gas risk group, in particular the competent authorities, meet each other regularly, either within the framework of the risk group or within the broader Pentalateral Gas Platform. Meetings and calls can be organized upon need very fast. If necessary these arrangements make it possible to scale up rapidly to the political level if needed. The earthquake in Zeeriip in 2018 illustrates this.
Directly after this earthquake there has been meeting of the responsible directors-general of the low calorific gas countries to discuss the situation, followed by bilateral phone calls between the Dutch Minister of Economic Affairs and Climate Policy and his colleagues.
10.2.2 The cooperation mechanisms in the other risk groups 1. Eastern gas supply risk groups: a) Belarus: to be develop by Poland; b) Baltic Sea: to be develop by Germany. 2. North Sea gas supply risk groups: c) Norway: to be developed by France; d) Denmark: to be developed by Denmark; e) United Kingdom: to be developed by the United Kingdom.
10.3 Solidarity among Member States Following the provision of EU-regulation 2017/1938 the Netherlands has to conclude solidarity arrangements with Belgium, Germany and the United Kingdom as the Dutch gas network is directly connected within the gas network of those the L-gas risk group. However, according to article 13 (11) of EU-regulation 2017/1938 the Netherlands is exempted from this obligation for the purpose of receiving solidarity for as long as it can cover the gas consumption of its solidarity protected customers from its own production. The gas demand of the Dutch solidarity protected customers fluctuates between 10 and 14 bcm per year (see also table 2), depending on the temperature, while the current Dutch gas production lies in the order of 35 bcm per year (2018 figures: 18.8 bcm from the Groningen field and 16.9 bcm from the small fields). Moreover, all Dutch solidarity protected customers use low calorific gas which cannot be obtained from elsewhere. The only measure that be taken in this respect is that the Netherlands requests other low calorific gas consuming countries (Belgium, France and Germany) to reduce their off take of Dutch low calorific gas (measures 2 and 9). Ultimately the exports may have to be blocked (measure 11).
The Netherlands is however obliged to conclude solidarity arrangements with the afore mentioned Member States in order to provide solidarity to those countries if needed and if so requested. Proposals from those Member States with regard to the solidarity arrangements are to be awaited.
60
Bijlage 1. Niet-marktgebaseerde maatregelen Maatregel 1
Oproepen tot vermindering aardgasverbruik
Beschrijving maatregel
Tijdens een gascrisis/noodsituatie is de eerste niet-marktgebaseerde maatregel gericht op vrijwillige acties in de maatschappij. De minister van EZK zal hiertoe een oproep laten uitvaardigen aan zowel huishoudens (bijvoorbeeld door de verwarming laag te zetten en eenpansgerechten te koken) als bedrijven om minder aardgas te verbruiken. Met deze maatregelen moet EZK via communicatie de bevolking en bedrijven kunnen mobiliseren.
Belangrijkste betrokken actoren
• • • • • • • • •
Minister van EZK Nationaal Crisiscentrum (NCC) Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC) Landelijk Netbeheerder GTS Regionale netbeheerders TenneT Aardgasproducenten Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC) Veiligheidsregio’s
Beoordeling noodzaak
Deze maatregel wordt in een gascrisis/noodsituatie altijd overwogen en kan meer dan eens worden genomen.
Uitvoeringsprocedure
Uitvoering De uitvoering van deze maatregel ligt bij de directie Communicatie (DC) van het ministerie van EZK in samenwerking met het NKC. Onderdeel hiervan is het coördineren van de communicatie van alle betrokken partijen waaronder in ieder geval GTS, regionale netbeheerders, Tennet, aardgasproducenten en veiligheidsregio’s. De CGE zal beoordelen van wie de oproep tot vermindering van aardgasverbruik het beste uit kan gaan. Gezien het nationale belang is het waarschijnlijk dat dit ofwel de minister van EZK of de ministerpresident zal zijn. Besluit Tot deze maatregel wordt besloten door de minister van EZK, voorbereid door de voorzitter van het Departementaal Beleidsteam (DBT) van het ministerie van EZK in zijn rol als CGE.
Verwachte bijdrage
Omvang van het effect Het effect van de maatregel is niet op voorhand te voorspellen. De maatregel zal alleen effect hebben wanneer de reactietijd voor de afnemers groot genoeg is om de oproep te verwerken, dus bijvoorbeeld bij een relatief langzame verslechtering van de gasleveringssituatie. De maatregel heeft effect op alle binnenlandse gasvraag. Het aandeel hiervan kan aanzienlijk zijn, zeker door de gasvraag van kleinverbruikers op een winterdag. Zekerheid van het effect Het effect van deze maatregel op deze gasvraag is ongewis, omdat een dergelijke oproep nog niet eerder is uitgegaan. Het is derhalve onduidelijk wat het effect zou zijn van een dergelijk oproep.
61
Maatregel 1
Oproepen tot vermindering aardgasverbruik
Andere effecten
Omdat het een maatregel op vrijwillige basis is, zijn grote negatieve effecten niet waarschijnlijk. Een risico is een tijdelijke toename van aardgasgebruik, doordat bedrijven of kleinverbruikers snel extra gas gaan afnemen. Hoewel dit niet gekwantificeerd is, lijkt de kans op een dergelijke verhoging van de gasvraag klein. Anders dan bijvoorbeeld bij drinkwater is warmte (uit aardgas) vluchtig, en kunnen afnemers geen voorraad aanleggen van aardgas.
Aansluiting bij artikel 11, zesde lid, van de EU-verordening
Gezien het vrijblijvende karakter van de maatregel wordt de interne markt niet onnodig beperkt. Deze maatregel heeft geen invloed op de gaslevering in een andere lidstaat of grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur.
Informatiestromen
Deze maatregel wordt genomen op basis van informatie over de datum en tijdstip van de start van de ongewenste gebeurtenis, de beschrijving, oorzaak, context en effecten van de ongewenste gebeurtenis, de betrokken teams en partijen, de genomen besluiten, maatregelen en adviezen, en de prognoses. Deze gegevens leveren RNB’s, NNO’s, programmaverantwoordelijken en producenten bij GTS aan, daarnaast gebruikt GTS eigen informatie. Deze informatie zal via de crisisorganisatie van GTS doorgegeven worden aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E. Het DCC verzamelt in zijn rol als informatiecoördinator de informatie van GTS en de verschillende onderdelen van EZK en verwerkt dit tot een departementaal totaalbeeld van de situatie. Dit totaalbeeld ondersteunt enerzijds de departementale besluitvorming en dient anderzijds als input voor interdepartementale besluitvorming in het IAO, de ICCb en de MCCb.
Maatregel 2
a. Vrijwillig verzoek minder gasafname aan buurlanden (overheid tot overheid). b. Europese commissie verzoeken om regionale noodsituatie uit te roepen
Beschrijving maatregel
Als met de voorgaande maatregel nog onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, kan de minister van EZK besluiten om de Europese Commissie te verzoeken om een regionale noodsituatie uit te roepen (artikel 12 EU-verordening). Dit zou de export van aardgas kunnen reduceren en leidt er tevens toe dat de gevolgen van de verstoring gezamenlijk met andere lidstaten worden ondervangen waardoor deze minder ingrijpend worden. Met name wanneer het gaat om een aanzienlijke verslechtering van de levering van laagcalorisch gas kan een regionale noodsituatie uitgeroepen worden. Deze maatregel biedt de tevens de mogelijkheid om met andere lidstaten concrete en specifiek op de situatie afgestemde afspraken te maken over het reduceren van hun import van aardgas uit Nederland. Deze maatregel kan vooraf gegaan worden door de maatregel andere lidstaten te vragen om op vrijwillige basis de import van gas uit Nederland te beperken. Daarmee kan deze maatregel opmaat zijn voor het organiseren van een gecombineerd verzoek met meerdere lidstaten aan de Commissie om een regionale noodsituatie af te kondigen.
Belangrijkste betrokken actoren
• • • • • • •
Europese Commissie Minister van EZK Lidstaten van de Europese Unie Aangrenzende netbeheerders (NNO’s) Landelijk Netbeheerder GTS NCC NKC
62
Maatregel 2
a. Vrijwillig verzoek minder gasafname aan buurlanden (overheid tot overheid). b. Europese commissie verzoeken om regionale noodsituatie uit te roepen
Beoordeling noodzaak
Deze maatregel wordt altijd overwogen als 2e trede van de maatregelenladder, maar kan op meerdere momenten in het proces overwogen worden, wanneer de Commissie deze regionale noodsituatie (nog) niet heeft afgekondigd. In EU-verordening is geregeld dat buurlanden verplicht zijn elkaar te helpen bij een gastekort, wanneer een land zelf alle maatregelen tegen niet door solidariteit beschermde afnemers heeft genomen. In dit stadium is dit nog niet aan de orde, omdat Nederlandse niet door solidariteit beschermde afnemers nog niet verplicht afgeschakeld zijn (juridisch of technisch). Toch zal op dit punt buurlanden worden gevraagd om maatregelen te nemen. Hiertoe zal Nederland in overleg treden met als doel de export naar het buitenland te beperken. Zolang er geen regionale noodsituatie is uitgeroepen door de Europese Commissie is de bereidheid van buurlanden om te helpen op dit punt in de ladder echter vrijwillig, en levert dus niet gegarandeerd op dat buurlanden minder gas afnemen. Deze maatregel is gericht op niet-beschermde afnemers in het buitenland.
Uitvoeringsprocedure
Uitvoering De uitvoering van deze maatregel ligt bij het ministerie van EZK, in het bijzonder ligt de coördinatie bij het DAT. De vraag aan andere lidstaten om maatregelen te nemen ter reductie van Nederlandse export zal namens de minister van EZK en via de bestaande contacten met de betreffende ministeries in de aangrenzende lidstaten verlopen. Tevens is het de minister van EZK die de Europese Commissie zal verzoeken om een regionale noodsituatie uit te roepen. Het DCT is verantwoordelijk voor communicatie over deze maatregel. Besluit Tot deze maatregel wordt besloten door de minister van EZK, voorbereid door de voorzitter van het DBT van het ministerie van EZK in zijn rol als CGE.
Verwachte bijdrage
Omvang van het effect De export kan een groot deel van de gasvraag betreffen. Zekerheid van het effect Deze maatregel zal zonder regionale noodsituatie een beperkte reductie realiseren. Zonder formele afkondiging van de regionale noodsituatie betreft dit een vrijblijvend appèl op een vrijwillige bijdrage aan gasreductiemaatregelen. Met een formeel afgekondigde regionale noodsituatie zijn de lidstaten meer gebonden aan het nemen van gasreductiemaatregelen en is de zekerheid van het effect groter.
Andere effecten
Het verminderen van de afname van aardgas door niet-beschermde afnemers in het buitenland, zal in veel gevallen neerkomen op het stilleggen van bedrijfsmatige processen. Dit leidt tot economische schade. Omdat bedrijven keuzevrijheid hebben, gegeven maatregelen die andere lidstaten nemen, is de verwachte totale economische schade door deze maatregel beperkt.
63
Maatregel 2
a. Vrijwillig verzoek minder gasafname aan buurlanden (overheid tot overheid). b. Europese commissie verzoeken om regionale noodsituatie uit te roepen
Aansluiting bij artikel 11, zesde lid, van de EU-verordening
Gezien het karakter van de maatregel (samenwerking met andere lidstaten) en de betrokkenheid van de Europese Commissie bij een regionale noodsituatie wordt de gaslevering in een andere lidstaat niet onnodig beperkt. Deze maatregel heeft geen invloed op de interne markt of grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur.
Informatiestromen
Deze maatregel wordt genomen op basis van informatie over de datum en tijdstip van de start van de ongewenste gebeurtenis, de beschrijving, oorzaak, context en effecten van de ongewenste gebeurtenis, de betrokken teams en partijen, de genomen besluiten maatregelen en adviezen, en de prognoses. Deze gegevens leveren RNB’s, NNO’s, programmaverantwoordelijken en producenten bij GTS aan. Deze informatie zal via de crisisorganisatie van GTS doorgegeven worden aan het DCC-EZK en, via deze, aan de CGE. Het DCC verzamelt in zijn rol als informatiecoördinator de informatie van GTS en de verschillende onderdelen van EZK en verwerkt dit tot een departementaal totaalbeeld van de situatie. Dit totaalbeeld ondersteunt enerzijds de departementale besluitvorming en dient anderzijds als input voor interdepartementale besluitvorming in het IAO, de ICCb en de MCCb.
Maatregel 3
Inroepen van een besparingstender ‘minder afname’
Beschrijving maatregel
Als met de voorgaande maatregelen onvoldoende bereikt is om de verslechtering van de gaslevering op te vangen, dan zal de CGE besluiten de jaarlijkse besparingstender ‘minder afname’ af te roepen, uit te voeren door GTS. In deze jaarlijks door GTS te organiseren besparingstender hebben bedrijven vooraf aangeven tegen welke prijs zij willen afzien van het verbruik van een eveneens aan te geven hoeveelheid gas, voor een aan te geven periode. Deze besparingstender is een instrument dat in een niet-crisissituatie reeds is voorbereid en uitgevoerd. Daarmee kan in het geval van crisis op korte termijn het niet-afnemen van aardgas worden afgekocht.
Belangrijkste betrokken actoren
• • •
Beoordeling noodzaak
Deze maatregel wordt alleen genomen wanneer alle voorgaande maatregelen (markt- en niet-marktgebaseerd) onvoldoende effect op de verslechtering van de gaslevering hebben gesorteerd. Daarmee is de gascrisis/noodsituatie van dien aard om deze maatregel te nemen. De maatregel is alleen gericht op niet-beschermde afnemers (beschermde afnemers zijn huishoudelijke afnemers, stadsverwarmingsinstallaties, essentiële sociale diensten, en kleine en middelgrote ondernemingen). Daarnaast geeft het ministerie van EZK prioriteit aan de vitale infrastructuur volgens de rangschikking van de vitaliteitsbeoordeling rekening houdend met de categorieën A en B.
Minister van EZK Landelijk Netbeheerder GTS Direct aangeslotenen
64
Maatregel 3
Inroepen van een besparingstender ‘minder afname’
Uitvoeringsprocedure
Uitvoering De uitvoering van de besparingstender ligt bij GTS, in het bijzonder het Tactisch Crisis Team (TCT). GTS kan deze vooraf uitgevoerde tender vervolgens afroepen, te beginnen bij de laagste prijs, oplopend tot de hoeveelheid gas die zo wordt ‘afgekocht’ en afgeschakeld de omvang van het tekort bereikt. Coördinatie Het coördineren van de acties van GTS ligt bij het ministerie van EZK, in het bijzonder het Departementaal Adviesteam (DAT). Het DCT is verantwoordelijk voor communicatie over deze maatregel. Besluit Tot het afroepen van de tender wordt besloten door de minister van EZK, voorbereid door de voorzitter van het Departementaal Beleidsteam (DBT) van het ministerie van EZK in zijn rol als CGE.
Verwachte bijdrage
Omvang van het effect Het te verwachten effect op de verslechtering van de gaslevering is qua omvang beperkt. Zekerheid van het effect Deze maatregel leidt in de uitvoering tot een tamelijk zekere afname van de gasvraag conform de uitgebrachte biedingen.
Andere effecten
Het verminderen van de afname van aardgas door niet-beschermde afnemers, zal in veel gevallen neerkomen op het stilleggen van bedrijfsmatige processen. Dit leidt tot economische schade, die (deels) verdisconteerd zal worden via de tender. Omdat bedrijven keuzevrijheid hebben, gegeven de tender, is de verwachte totale economische schade door deze maatregel beperkt.
Aansluiting bij artikel 11, zesde lid, van de EU-verordening
Gezien het vrijblijvende karakter van de maatregel wordt de interne markt niet onnodig beperkt. Deze maatregel heeft waarschijnlijk beperkte tot geen invloed op de gaslevering in een andere lidstaat of grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur.
Informatiestromen
Deze maatregel wordt genomen op basis van informatie over de datum en tijdstip van de start van de ongewenste gebeurtenis, de beschrijving, oorzaak, context en effecten van de ongewenste gebeurtenis, de betrokken teams en partijen, de genomen besluiten maatregelen en adviezen, en de prognoses. Deze gegevens leveren RNB’s, NNO’s, programmaverantwoordelijken en producenten bij GTS aan. Deze informatie zal via de crisisorganisatie van GTS doorgegeven worden aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E. Het DCC verzamelt in zijn rol als informatiecoördinator de informatie van GTS en de verschillende onderdelen van EZK en verwerkt dit tot een departementaal totaalbeeld van de situatie. Dit totaalbeeld ondersteunt enerzijds de departementale besluitvorming en dient anderzijds als input voor interdepartementale besluitvorming in het IAO, de ICCb en de MCCb.
Maatregel 4
Opleggen van een extra heffing voor aardgas
Beschrijving maatregel
Als met de voorgaande maatregelen onvoldoende bereikt is om de verslechtering van de gaslevering op te vangen, zal een extra heffing die leidt tot het sterk verhoogde aardgasprijs voor de industrie worden ingesteld. Deze maatregel werkt alleen wanneer de reactietijd voor de markt lang genoeg is om een verhoogde aardgasprijs te merken.
65
Maatregel 4
Opleggen van een extra heffing voor aardgas
Belangrijkste betrokken actoren
•
Beoordeling noodzaak
Deze maatregel wordt alleen genomen wanneer alle voorgaande maatregelen (markt- en niet-marktgebaseerd) onvoldoende effect op de verslechtering van de gaslevering hebben gesorteerd. Daarmee is de gascrisis/noodsituatie van dien aard om deze maatregel te nemen. De maatregel is alleen gericht op niet-beschermde afnemers (beschermde afnemers zijn huishoudelijke afnemers, stadsverwarmingsinstallaties, essentiële sociale diensten, en kleine en middelgrote ondernemingen). Daarnaast geeft het ministerie van EZK prioriteit aan de vitale infrastructuur volgens de rangschikking van de vitaliteitsbeoordeling rekening houdend met de categorieën A en B.
Uitvoeringsprocedure
Uitvoering De uitvoering van de extra heffing voor aardgas inclusief bepaling van de methode van de tender en eventuele financiering ligt bij het ministerie van EZK, in het bijzonder bij het DAT. Zij zullen de juiste kanalen binnen het ministerie effectueren om een extra heffing te organiseren, op basis van een vooraf voorbereide methode per netwerk. Onderdeel hiervan is het coördineren van de acties van alle betrokken partijen, waaronder in ieder geval GTS en RNB’s. Het DCT is verantwoordelijk voor communicatie over deze maatregel.
• •
Minister van EZK Landelijk Netbeheerder GTS RNB’s
Besluit Tot deze maatregel wordt besloten door de minister van EZK, voorbereid door de voorzitter van het DBT van het ministerie van EZK in zijn rol als CGE. Verwachte bijdrage
Omvang van het effect Het te verwachten effect op de gaslevering is beperkt. De gasvraag van niet-beschermde afnemers is relatief beperkt. Zekerheid van het effect De verwachte zekerheid van het effect van een heffing op deze vraag is eveneens beperkt, omdat het stilleggen van processen bij nietbeschermde afnemers kostbaar is.
Andere effecten
Het verminderen van de afname van aardgas door niet-beschermde afnemers, zal in veel gevallen neerkomen op het stilleggen van bedrijfsmatige processen. Dit leidt tot economische schade. Omdat bedrijven keuzevrijheid hebben, gegeven de verhoogde aardgasprijs, is de verwachte totale economische schade door deze maatregel beperkt.
Aansluiting bij artikel 11, zesde lid, van de EU-verordening
Deze maatregel heeft geen invloed op de gaslevering in een andere lidstaat of grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur.
66
Maatregel 4
Opleggen van een extra heffing voor aardgas
Informatiestromen
Deze maatregel wordt genomen op basis van informatie over de datum en tijdstip van de start van de ongewenste gebeurtenis, de beschrijving, oorzaak, context en effecten van de ongewenste gebeurtenis, de betrokken teams en partijen, de genomen besluiten maatregelen en adviezen, en de prognoses. Deze gegevens leveren RNB’s, NNO’s, programmaverantwoordelijken en producenten bij GTS aan. Deze informatie zal via de crisisorganisatie van GTS doorgegeven worden aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E. Het DCC verzamelt in zijn rol als informatiecoördinator de informatie van GTS en de verschillende onderdelen van EZK en verwerkt dit tot een departementaal totaalbeeld van de situatie. Dit totaalbeeld ondersteunt enerzijds de departementale besluitvorming en dient anderzijds als input voor interdepartementale besluitvorming in het IAO, de ICCb en de MCCb.
Maatregel 5
Gedwongen brandstofomschakeling van industrieën
Beschrijving maatregel en actoren
Als met de voorgaande maatregelen nog onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, zullen bedrijven die die mogelijkheid hebben, worden gedwongen om over te schakelen op een andere brandstof, bijvoorbeeld olieproducten of biomassa. Dit kan de vraag van aardgas van de industrie reduceren, zonder dat afschakeling van een industrie noodzakelijk is.
Belangrijkste betrokken actoren
•
• •
• • • Beoordeling noodzaak
Minister van EZK Landelijk Netbeheerder GTS RNB’s Direct aangeslotenen van de landelijk netbeheerder GTS (industrieën) NCC NKC
Deze maatregel wordt alleen overwogen wanneer alle voorgaande maatregelen (markt- en niet-marktgebaseerd) onvoldoende effect op de verslechtering van de gaslevering hebben gesorteerd. Daarmee is de gascrisis/noodsituatie van dien aard om deze maatregel te nemen. De maatregel is alleen gericht op niet-beschermde afnemers (beschermde afnemers zijn huishoudelijke afnemers, stadsverwarmingsinstallaties, essentiële sociale diensten, en kleine en middelgrote ondernemingen). Bij deze maatregel worden cruciale gasgestookte energiecentrales zoveel mogelijk ontzien.
67
Maatregel 5
Gedwongen brandstofomschakeling van industrieën
Uitvoeringsprocedure
Uitvoering De uitvoering van deze maatregel ligt bij GTS, in het bijzonder het TCT. GTS kan namens de minister de industrieën tot deze brandstofomschakeling dwingen. GTS zal hierbij beginnen bij de grootste gasafnemers waarop dit van toepassing is, oplopend tot de hoeveelheid gas die zo gereduceerd moet worden tot de omvang van het tekort bereikt. GTS communiceert met de betrokken gasafnemers over de uitvoering van deze maatregel. Het DCT van EZK is verantwoordelijk voor communicatie over deze maatregel ‘naar buiten’. Besluit Tot deze maatregel wordt besloten door de minister van EZK, voorbereid door de voorzitter van het DBT van het ministerie van EZK in zijn rol als CGE. Toezicht Op een later moment zal worden bezien hoe de toezichthoudende rol wordt ingevuld.
Verwachte bijdrage
Omvang van het effect Hoewel het verwachte effect klein is, is de precieze bijdrage op dit moment onbekend. De gasvraag is een deel van de totale energievraag van niet-beschermde industrieën. Op dit moment is er nog onvoldoende inzicht in welke bedrijven de mogelijkheid zouden hebben op een andere brandstof om te schakelen. Zekerheid van het effect Gezien het dwingende karakter van deze maatregel is de kans van een effect op de vraag groot.
Andere effecten
Het omschakelen van aardgas op een andere brandstof door nietbeschermde afnemers, zal in veel gevallen neerkomen op het verbruiken van een duurdere brandstof. Dit leidt tot economische schade. Omdat bedrijven niet afgeschakeld hoeven te worden, is de verwachte totale economische schade door deze maatregel beperkt.
Aansluiting bij artikel 11, zesde lid, van de EU-verordening
De interne markt wordt niet onnodig beperkt, omdat marktgebaseerde en vrijblijvende maatregelen reeds overwogen zijn voordat deze maatregel genomen wordt. Deze maatregel heeft geen invloed op de gaslevering in een andere lidstaat of grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur.
Informatiestromen
Deze maatregel wordt genomen op basis van informatie over de datum en tijdstip van de start van de ongewenste gebeurtenis, de beschrijving, oorzaak, context en effecten van de ongewenste gebeurtenis, de betrokken teams en partijen, de genomen besluiten maatregelen en adviezen, en de prognoses. Deze gegevens leveren RNB’s, NNO’s, programmaverantwoordelijken en producenten bij GTS aan. Deze informatie zal via de crisisorganisatie van GTS doorgegeven worden aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E. Het DCC verzamelt in zijn rol als informatiecoördinator de informatie van GTS en de verschillende onderdelen van EZK en verwerkt dit tot een departementaal totaalbeeld van de situatie. Dit totaalbeeld ondersteunt enerzijds de departementale besluitvorming en dient anderzijds als input voor interdepartementale besluitvorming in het IAO, de ICCb en de MCCb.
68
Maatregel 6
Gedwongen brandstofomschakeling bij de productie van elektriciteit
Beschrijving maatregel
Als met de voorgaande maatregelen nog onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, zal de gasvraag vanuit elektriciteitscentrales zo veel mogelijk worden beperkt. Hiertoe zullen alle andere mogelijkheden om elektriciteit te produceren eerst ingezet worden, voordat het omschakelen van aardgascentrales worden overwogen. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan het opvoeren van de elektriciteitsproductie uit elektriciteitscentrales op een andere brandstof, zoals biomassa, en de import van elektriciteit uit het buitenland. De inzet van gascentrales zal niet op elk moment vermeden kunnen worden. Het vermogen van bronnen die niet afhangen van aardgas is immers beperkt door de capaciteit aan centrales en interconnectie met het buitenland.
Belangrijkste betrokken actoren
• • •
• •
Minister van EZK Producenten van elektriciteit / TenneT in samenwerking met GTS; RNB’s NCC NKC
Beoordeling noodzaak
Deze maatregel wordt alleen overwogen wanneer alle voorgaande maatregelen (markt- en niet-marktgebaseerd) onvoldoende effect op de verslechtering van de gaslevering hebben gesorteerd. Daarmee is de gascrisis/noodsituatie van dien aard om deze maatregel te nemen. De maatregel is alleen gericht op niet-beschermde afnemers (beschermde afnemers zijn huishoudelijke afnemers, stadsverwarmingsinstallaties, essentiële sociale diensten, en kleine en middelgrote ondernemingen). Bij deze maatregel worden cruciale gasgestookte energiecentrales (voor zover zij niet kunnen omschakelen) en de vitale infrastructuur volgens de rangschikking van de vitaliteitsbeoordeling rekening houdend met de categorieën A en B zoveel mogelijk ontzien.
Uitvoeringsprocedure
Uitvoering De uitvoering van de maatregel ligt bij GTS, gecoördineerd door het TCT. In de praktijk zal deze maatregel worden uitgevoerd door in samenwerking met TenneT in te grijpen op de elektriciteitsmarkten, zoals de day-ahead en intra-day markt van handelsplatformen. Tegen het normaliter geldende prijsmechanisme in, zullen de gascentrales altijd achterin de merit order worden geplaatst. Dit garandeert dat alle andere bronnen van elektriciteit eerst worden gebruikt voordat gascentrales worden ingezet. Besluit Tot deze maatregel wordt besloten door de minister van EZK, voorbereid door de voorzitter van het DBT van het ministerie van EZK in zijn rol als CGE. Toezicht Op een later moment zal worden bezien hoe de toezichthoudende rol wordt ingevuld.
Verwachte bijdrage
Omvang van het effect De omvang van de bijdrage zal op het moment van de vraagstelling aan Tennet bepaald moeten worden. Zekerheid van het effect De kans van reductie van de gasvraag is hoog, zodra de omvang is ingeschat.
69
Maatregel 6
Gedwongen brandstofomschakeling bij de productie van elektriciteit
Andere effecten
Deze maatregel zorgt er voor dat elektriciteit in een centrale wordt geproduceerd met een hogere marginale kostprijs. Dit zorgt voor een verhoging van de elektriciteitsprijzen, wat op haar beurt weer leidt tot economische schade. Omdat bedrijven niet afgeschakeld hoeven te worden, is de verwachte totale economische schade door deze maatregel beperkt.
Aansluiting bij artikel 11, zesde lid, van de EU-verordening
De interne markt wordt niet onnodig beperkt, omdat marktgebaseerde en vrijblijvende maatregelen reeds overwogen zijn voordat deze maatregel genomen wordt. Deze maatregel heeft geen invloed op de gaslevering in een andere lidstaat of grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur.
Informatiestromen
Deze maatregel wordt genomen op basis van informatie over de datum en tijdstip van de start van de ongewenste gebeurtenis, de beschrijving, oorzaak, context en effecten van de ongewenste gebeurtenis, de betrokken teams en partijen, de genomen besluiten maatregelen en adviezen, en de prognoses. Deze gegevens leveren RNB’s, NNO’s, programmaverantwoordelijken en producenten bij GTS aan. Deze informatie zal via de crisisorganisatie van GTS doorgegeven worden aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E. Het DCC verzamelt in zijn rol als informatiecoördinator de informatie van GTS en de verschillende onderdelen van EZK en verwerkt dit tot een departementaal totaalbeeld van de situatie. Dit totaalbeeld ondersteunt enerzijds de departementale besluitvorming en dient anderzijds als input voor interdepartementale besluitvorming in het IAO, de ICCb en de MCCb.
Maatregel 7
Niet-beschermde gebruikers afschakelen (administratief en/of technisch)
Beschrijving maatregel
Als met de voorgaande maatregelen nog onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, worden niet-beschermde afnemers afgeschakeld. Dit afschakelen kan ofwel door technisch afschakelen, ofwel door administratief afschakelen. Voor grote industrieën die zijn aangesloten op het landelijk gastransportnet, kan technisch afschakelen door GTS gedaan worden. GTS geeft een aanwijzing af tot regulering van de gaslevering op exitpunten van het landelijk gastransportnet. Voor industrieën aangesloten op de regionale netwerken kan dit administratief of door handmatig de aansluitingen van de bedrijven af te schakelen. Het handmatig afschakelen kost veel tijd/mankracht. Het administratief afschakelen kan door het geven van een juridische aanwijzing aan een groep gebruikers. Deze gebruikers zijn zelf verantwoordelijk om geen gas meer af te nemen. Bedrijven met een groot veiligheidsrisico krijgen voldoende tijd om veilig af te sluiten. Hierbij gaat het om bedrijven uit de categorie ‘grootschalige productie/verwerking en/of opslag van (petro)chemische stoffen’ (BRZO en RIE cat. 4 inrichtingen). Het calamiteitenplan voor veilig afschakelen is leidend voor de tijdsduur die gegeven wordt voordat moet worden afgeschakeld. Overige niet-beschermde afnemers zullen dus in de tussentijd eerder worden afgeschakeld.
70
Maatregel 7
Niet-beschermde gebruikers afschakelen (administratief en/of technisch)
Belangrijkste betrokken actoren
• • • • • •
Beoordeling noodzaak
De maatregel is alleen gericht op niet-beschermde afnemers. Bij deze maatregel worden cruciale gasgestookte energiecentrales en de vitale infrastructuur volgens de rangschikking van de vitaliteitsbeoordeling rekening houdend met de categorieën A en B zoveel mogelijk ontzien.
Uitvoeringsprocedure
Uitvoering De uitvoering van de maatregel ligt bij GTS en de RNB’s, gecoördineerd door het SCT. Maatregelen die uitgevoerd moeten worden om de gasvoorziening te reguleren, worden uitgevoerd door de afdelingen Gastransport (CCP) en Operations van GTS, en eventueel de RNB’s. GTS en de RNB’s zullen op basis van voorbereide lijsten aan niet-beschermde afnemers namens de minister van EZK aanwijzingen geven om geen/minder gas af te nemen op de exitpunten van het landelijk gastransportnet en de RNB’s. GTS schort het proces van balanceren via de WDM (Within Day Market) op.
Minister van EZK Landelijk netbeheerder GTS Regionale netbeheerders Niet-beschermde afnemers NCC NKC
Besluit Tot deze maatregel wordt besloten door de minister van EZK, voorbereid door de voorzitter van het DBT van het ministerie van EZK in zijn rol als CGE. Toezicht Op een later moment zal worden bezien hoe de toezichthoudende rol wordt ingevuld. Verwachte bijdrage
Omvang van het effect De gasvraag van niet beschermde afnemers in Nederland is beperkt tot zeer beperkt, afhankelijk van het seizoen. De omvang van de gasvraag waarop deze maatregel effect heeft, is daarmee afhankelijk van het moment. Zekerheid van het effect De zekerheid van het effect op deze vraag is echter groot, met het oog op het dwingende karakter van de maatregel.
Andere effecten
Het verminderen van de afname van aardgas door niet-beschermde afnemers, zal in veel gevallen neerkomen op het stilleggen van bedrijfsmatige processen. Dit leidt tot economische schade. Gezien het dwingende karakter kan deze economische schade aanzienlijk zijn. In theorie lijkt het daarom waardevol om in de volgorde van afschakelen rekening te houden met de maatschappelijke en/of economische gevolgen van het afschakelen voor de individuele nietbeschermde afnemer. Maatschappelijke en economische gevolgen blijken echter in de praktijk ambigue criteria waardoor er geen duidelijke volgorde kan worden vastgesteld. Omdat deze maatregel gericht is op het beschermen van de gaslevering aan beschermde afnemers, is in dit plan het afnamevolume van de niet-beschermde afnemer leidend. Dat wil zeggen: de (afzonderlijk) meest verbruikende niet-beschermde afnemer wordt eerst afgesloten en als laatste de minst verbruikende.
71
Maatregel 7
Niet-beschermde gebruikers afschakelen (administratief en/of technisch)
Aansluiting bij artikel 11, zesde lid, van de EU-verordening
De interne markt wordt niet onnodig beperkt, omdat marktgebaseerde en vrijblijvende maatregelen reeds overwogen zijn voordat deze maatregel genomen wordt. Deze maatregel heeft geen invloed op de gaslevering in een andere lidstaat of grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur.
Informatiestromen
Deze maatregel wordt genomen op basis van informatie over de datum en tijdstip van de start van de ongewenste gebeurtenis, de beschrijving, oorzaak, context en effecten van de ongewenste gebeurtenis, de betrokken teams en partijen, de genomen besluiten maatregelen en adviezen, en de prognoses. Deze gegevens leveren RNB’s, NNO’s, programmaverantwoordelijken en producenten bij GTS aan. Deze informatie zal via de crisisorganisatie van GTS doorgegeven worden aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E. Het DCC verzamelt in zijn rol als informatiecoördinator de informatie van GTS en de verschillende onderdelen van EZK en verwerkt dit tot een departementaal totaalbeeld van de situatie. Dit totaalbeeld ondersteunt enerzijds de departementale besluitvorming en dient anderzijds als input voor interdepartementale besluitvorming in het IAO, de ICCb en de MCCb.