RIS313164 Bijlage 2
Tekst van het document
25
5.2 Crisismanager Gas en Elektriciteit De EU-verordening schrijft voor dat elke lidstaat een crisismanager aanwijst die in het geval van een gascrisis de aanpak binnen en namens de lidstaat coördineert en in voorkomende gevallen participeert in de crisismanagementgroep van de Europese Unie11. Vanwege de nauwe verwevenheid tussen gas en elektriciteit kiest Nederland ervoor om deze rol te combineren met de coördinatierol voor elektriciteit12. De rol van CGE wordt ingevuld door de Directeur-Generaal Klimaat en Energie (DG K&E) van het ministerie van EZK. Deze bereidt als voorzitter van het DBT van het ministerie van EZK de (strategische) besluiten voor over de aanpak van een gascrisis. In het DBT zijn in ieder geval de gebruikelijke leden en de liaison(s) van GTS vertegenwoordigd. Op initiatief van de voorzitter kunnen ook liaisons van de betrokken netbeheerders voor gas en elektriciteit worden uitgenodigd. De reikwijdte van de formele rol van CGE maakt dat deze in de praktijk niet door één persoon kan worden vervuld, maar er dient een Crisisteam Gas en Elektriciteit te worden geactiveerd. Dit Crisisteam wordt ondersteund door het DCC-EZK. Bij een aanzienlijke verslechtering van de gaslevering waarvoor ook niet-marktgebaseerde maatregelen moeten worden ingezet, een gascrisis/noodsituatie, dient dit Crisisteam in ieder geval de volgende taken uit te voeren: •
Coördineren van de totale samenhang binnen EZK in de crisisstructuur (departementaal, interdepartementaal, crisisstructuur GTS, met partners in de gassector, met de elektriciteitsvoorziening en met de veiligheidsregio’s).
•
Coördineren van de informatievoorziening binnen de EZK-crisisstructuur.
•
Participeren in de crisismanagementgroep van de Europese Unie.
•
Voorzitten van het DBT.
•
Vertegenwoordiging van voorzitter DBT bij de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb).
•
Informeren van de minister van EZK.
•
Ondersteunen van de minister van EZK in de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb).
De CGE stuurt het Crisisteam aan. Binnen het Crisisteam is coördinatie van de samenhang gedelegeerd aan een crisiscoördinator, coördinatie van de informatievoorziening aan een informatiecoördinator, voorbereiding van participatie in de EU-crisismanagementgroep aan een beleidsmedewerker internationale zaken, en voorbereiding van de informatievoorziening aan en ondersteuning van de minister van EZK aan een bestuursadviseur.
5.3 Ministerie van Economische Zaken en Klimaat De crisisorganisatie van het ministerie van EZK bestaat bij een gascrisis/noodsituatie uit de gebruikelijke teams, als hieronder genoemd. Hieronder wordt per team een korte toelichting gegeven. Voor een uitvoeriger toelichting wordt verwezen naar het Handboek Crisisbesluitvorming van het directoraat-generaal K&E13:
Zie de artikelen 10, eerste lid en 11, vierde lid, van de EU-verordening. Nederland moet voor de elektriciteitsvoorziening een 'crisis coördinator' aanwijzen als contactpersoon voor de EU en om de informatievoorziening tijdens een elektriciteitscrisis te coördineren. Dit op basis van de EUVerordening 2019/941 betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector. 13 Ministerie van EZK, Handboek crisisbesluitvorming DG Klimaat en Energie, oktober 2018. 11 12
26
•
Departementaal Beleidsteam. Het DBT neemt, namens de minister, de strategische besluiten over de aanpak van de gascrisis, bepaalt de communicatiestrategie, informeert en adviseert de bewindspersoon en draagt zorg voor de informatievoorziening naar de Europese Unie. De inhoudelijke maatregelen waartoe het DBT kan beslissen, zijn in dit plan uitgewerkt in een maatregelenladder.
•
Departementaal Adviesteam. Het DAT bereidt de crisisbesluitvorming van het DBT voor en coördineert vervolgens de uitvoering daarvan. Het DAT heeft verder de taak om een zo betrouwbaar en volledig mogelijk beeld van de situatie op te stellen.
•
Departementaal Communicatieteam. Het DCT geeft invulling aan de pers- en publieksvoorlichting bij een gascrisis en adviseert het DAT en DBT over de te volgen communicatiestrategie.
Aan het DBT en DAT nemen bij een gascrisis/noodsituatie behalve de gebruikelijke leden14 ook liaisons van GTS deel. De directeur van GTS is vertegenwoordigd in het DBT, het MT van GTS is vertegenwoordigd in het DAT. Op initiatief van de voorzitters van DBT en DAT kunnen ook liaisons van regionale netbeheerders, gasproducenten of afnemers van gas worden uitgenodigd. De departementale teams worden ondersteund door het Departementaal Crisiscentrum (DCC-EZK).
5.4 Landelijk Netbeheerder De crisisorganisatie van GTS kent de volgende drie teams: •
Strategisch Crisis Team. Het SCT stelt prioriteiten en geeft richting aan de aanpak binnen de bedrijfsvoering van GTS. De strategische besluiten over de verdeling van gas (maatregelenladder) worden bij een gascrisis zoals gedefinieerd in dit plan niet door het SCT maar door het DBT van het ministerie van EZK voorbereid voor formele besluitvorming door de minister van EZK. Het SCT adviseert het DAT en DBT, via de GTS-liaisons in beide departementale teams.
•
Tactisch Crisis Team. Het TCT heeft de taak om een gecoördineerde aanpak van GTS en Gasunie tot stand te brengen. Het TCT heeft op operationeel niveau de algemene leiding ten tijde van een gascrisis/noodsituatie. Tevens heeft het TCT contact en pleegt het overleg over gaslevering en te nemen maatregelen met interne en externe crisispartners in de gassector inclusief afnemers en andere netwerkbedrijven.
•
Operationeel Crisis Team. Het OCT draagt zorg voor de uitvoering van de GTS-/Gasunie aanpak van de crisis.
In tegenstelling tot het SCT, wordt het TCT samengesteld aan de hand van aard van de gascrisis/noodsituatie: alleen relevante functies worden opgeroepen en geactiveerd. De voorzitter van het TCT bepaalt per geval wie aansluit in het team. Het OCT bestaat uit vertegenwoordigers van meerdere afdelingen en disciplines van GTS/Gasunie.
5.5 Interdepartementale crisisorganisatie Een crisis in de gasvoorziening zal in de regel ook het domein van andere departementen raken. Daarom zal het DCC-EZK bij een gascrisis/noodsituatie standaard het Nationaal Crisiscentrum (NCC) informeren. Het NCC besluit in overleg met DCC-EZK of de crisisteams uit de interdepartementale crisisstructuur geactiveerd moeten worden. Hieronder wordt een korte
14
Zoals beschreven in het Handboek Crisisbesluitvorming van het directoraat-generaal K&E.
27
toelichting per team gegeven. Voor een uitvoeriger toelichting wordt verwezen naar het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming15. •
Ministeriële Commissie Crisisbeheersing. De MCCb is belast met de coördinatie en besluitvorming over het geheel aan maatregelen en voorzieningen met het oog op een interdepartementaal samenhangende aanpak van de gascrisis/noodsituatie. De besluiten van de minister van EZK over de aanpak van de gascrisis/noodsituatie worden hier politiekbestuurlijk afgestemd op de besluiten die andere ministers nemen om de gevolgen van de gascrisis/noodsituatie binnen hun eigen domein zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. De MCCb-besluiten vormen de kaders waarbinnen alle departementen – waaronder EZK – aan hun crisisverantwoordelijkheid invulling geven.
•
Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing. De ICCb coördineert en neemt besluiten op hoog-ambtelijk niveau. De ICCb bereidt de besluitvorming van de MCCb voor.
•
Interdepartementaal Afstemmingsoverleg. Het IAO adviseert en ondersteunt de de besluitvorming van de ICCb en de MCCb.
•
Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie. Het NKC adviseert de ICCb en MCCb over de te volgen rijksbrede communicatiestrategie en coördineert de uitvoering hiervan. Het NKC staat bij een gascrisis/noodsituatie in nauwe verbinding met het DCT van het ministerie van EZK.
•
Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum. Het LOCC bijstandsverzoeken op het terrein van openbare orde en veiligheid en adviseert over operationele vraagstukken
De samenstelling van de genoemde teams staat beschreven in het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming. Op initiatief van de voorzitters kunnen desgewenst liaisons worden uitgenodigd.
5.6 Overige crisisteams In hoofdstuk 3 is uiteengezet welke partijen betrokken (kunnen) zijn bij (de effectbestrijding rondom) een gasincident of gascrisis/noodsituatie. Veel van deze genoemde partijen zullen bij een gascrisis/noodsituatie hun eigen crisisorganisatie opschalen. Behalve partijen in het energiedomein zullen ook veiligheidsregio’s mogelijk opschalen, om de acute gevolgen van de gascrisis op de openbare orde, veiligheid en gezondheid het hoofd te bieden. Op basis van het landelijk convenant voor samenwerkingsafspraken tussen veiligheidsregio’s, politie en netbeheerders voor gas en elektriciteit schuiven liaisons van de betrokken netbeheerders voor gas en elektriciteit desgevraagd aan bij de teams uit de veiligheidsregio ((Regionaal) Beleidsteam (R)BT, ROT en Commando Plaats Incident (CoPI)). In het geval van een incident waarbij meerdere veiligheidsregio’s betrokken zijn, organiseert de bronregio, indien gewenst, voor de netbeheerder(s) één aanspreek- en coördinatiepunt vanuit de verschillende veiligheidsregio’s. Het ministerie van EZK zal in de regel geen rechtstreeks contact met de teams uit de veiligheidsregio hebben. Dit contact loopt via het NCC, het LOCC en de (crisisteams van de) netbeheerder(s).
5.7 Taken en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren De taken en verantwoordelijkheden, inclusief de interacties met de Europese Commissie, de bevoegde instanties van buurlanden en, in voorkomend geval, met de nationale regulerende
15
Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming, september 2016.
28
instantie, alsmede met gasbedrijven, industriële afnemers en relevante elektriciteitsproducenten worden hieronder kort genoemd. •
Europese Unie: primair een rol als wetgever. Daarnaast wordt de Europese Commissie onverwijld geïnformeerd wanneer een vroegtijdige waarschuwing, alarmering of noodsituatie wordt afgekondigd. De Europese Commissie onderzoekt of de afkondiging gerechtvaardigd is en of de genomen maatregelen proportioneel zijn.
•
Bevoegde instanties buurlanden: wanneer een beroep wordt gedaan op solidariteit zullen de bevoegde instanties in buurlanden hier uitvoering aan geven. Deze bevoegde instanties worden geïnformeerd wanneer een vroegtijdige waarschuwing, alarmering of noodsituatie wordt afgekondigd.
•
Gasbedrijven: aardgasproductie, gastransport, gaslevering, voldoen aan contractvoorwaarden. Bij een verslechtering van de gasleveringssituatie opvolgen van instructies van GTS en aanleveren van informatie (zie paragraaf 6.8); bij een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie opvolgen van instructies van de CGE (via GTS of RNB’s) en voldoen aan rapportageverplichtingen.
•
Industriële afnemers: afnemen van gas, voldoen aan contractvoorwaarden. Bij een verslechtering van de gasleveringssituatie opvolgen van instructies van GTS en/of RNB’s, bij een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie opvolgen van instructies van de CGE (eventueel via GTS of RNB’s).
•
Elektriciteitsproducenten: produceren van elektriciteit op basis van gas en/of alternatieve energiebronnen. Bij een verslechtering van de gasleveringssituatie opvolgen van instructies van GTS of RNB’s; bij een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie opvolgen van instructies van de CGE (eventueel via GTS of RNB’s).
De taken en de verantwoordelijkheden van de bevoegde instantie en van de entiteiten waaraan taken zijn gedelegeerd in de verschillende crisisniveaus gedefinieerd volgens de EU-verordening worden hieronder kort genoemd. Vroegtijdige waarschuwing: •
de minister van EZK draagt, als bevoegde instantie, zorg voor een adequate voorbereiding op een aanzienlijke verslechtering van de gaslevering, geeft een vroegtijdige waarschuwing af aan het Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie en aan de bevoegde instanties lidstaten direct aangesloten aan het Nederlandse gasnet, waartoe in het geval van een L-gas situatie ook Frankrijk wordt gerekend.
•
GTS is opgeschaald en meldt de gasleveringssituatie aan de minister (via DCC-EZK).
Alarmering: •
de minister van EZK bereidt zich voor op een mogelijke opschaling van de crisisorganisatie gas, geeft een alarm af aan het Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie en aan bevoegde instanties van lidstaten direct aangesloten aan het Nederlandse gasnet, waartoe in het geval van een L-gas situatie ook Frankrijk wordt gerekend.
•
GTS is opgeschaald en meldt de gasleveringssituatie aan de minister van EZK (via DCC-EZK) en geeft wanneer nodig aanwijzingen aan programmaverantwoordelijken.
29
Noodsituatie: •
de minister van EZK schaalt de crisisorganisatie gas op, meldt de noodsituatie aan het Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie en aan de bevoegde instanties van lidstaten direct aangesloten aan het Nederlandse gasnet, waartoe in het geval van een L-gas situatie ook Frankrijk wordt gerekend.
•
GTS is opgeschaald en meldt de gasleveringssituatie aan de minister van EZK (via DCC-EZK) en geeft aanwijzingen aan programmaverantwoordelijken.
•
De minister van EZK beslist op basis van de maatregelenladder (paragraaf 8.5) welke nietmarktgebaseerde maatregelen worden genomen en geeft GTS en betrokken RNBs de opdracht daarnaar te handelen.
•
Indien voor een goede uitvoering van de maatregelen assistentie van buurlanden benodigd is zal de minister van EZK contact opnemen met de bevoegde instanties van deze landen. GTS neemt contact op met de netbeheerders van deze landen en indien noodzakelijk met ENTSOG.
•
Indien de situatie daar aanleiding toe geeft zal de minister van EZK de Europese Commissie vragen om een regionale noodsituatie uit te roepen.
30
6. Crisisprocessen 6.1 Inleiding Bij de bestrijding van een aanzienlijke verslechtering van de gaslevering (gasincident of gascrisis/noodsituatie) kunnen verschillende processen worden onderscheiden. Hieronder worden de processen van alertering, vroegtijdige waarschuwing, alarmering, afkondiging gascrisis/noodsituatie, op- en afschaling, besluitvorming, informatievoorziening en crisiscommunicatie beschreven.
6.2 Alertering Omdat de gasvoorziening een onderdeel is van de vitale infrastructuur, informeert GTS het DCC-EZK over (dreigende) verstoringen van de gasvoorziening die ernstig genoeg zijn om er als landelijk netbeheerder voor op te schalen (gasincident), ook als zij niet kunnen leiden tot het ontstaan van een alarm- of gascrisis/noodsituatieniveau. GTS informeert het DCC-EZK niet indien de situatie als kleinschalig en beheersbaar ingeschat wordt (reguliere gasstoringen). De maatregelen die door GTS worden genomen, zijn marktgebaseerde maatregelen. In de fase van alertering is er geen melding naar het Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie nodig. Het ministerie van EZK is in deze fase op de hoogte van wat speelt en kan alert reageren wanneer de situatie ernstiger wordt. Het contact in de fase van alertering wordt in onderstaande figuur schematisch weergegeven.
Figuur 13. Schematische weergave van alertering
6.3 Vroegtijdige waarschuwing Volgens artikel 11 van de EU-verordening is er een vroegtijdige waarschuwing nodig wanneer uit concrete, ernstige en betrouwbare informatie blijkt dat er zich een gasincident kan voordoen die de gasleveringssituatie aanzienlijk kan doen verslechteren en kan leiden tot het ontstaan van een alarm- of een noodsituatieniveau. GTS, of een andere instantie die dit identificeert, geeft in de hierboven geschetste situatie, bij (de dreiging van) een gasincident, zo snel mogelijk een waarschuwing af aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E in zijn rol van CGE. Via de CGE krijgt het Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie onverwijld een vroegtijdige waarschuwing bij (de dreiging van) een gasincident en worden de bevoegde instanties in de Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn, onverwijld op de
31
hoogte gebracht. In het geval dat het gaat over laagcalorisch gas wordt ook de bevoegde instantie van Frankrijk geïnformeerd. Het contact in de fase van vroegtijdige waarschuwing wordt in onderstaande figuur schematisch weergegeven:
Ministerie van EZK Bevoegde instanties van Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn
GTS
DCC-EZK
DG K&E als CGE
Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie
Figuur 14. Schematische weergave vroegtijdige waarschuwing De vroegtijdige waarschuwing maakt dat het DG Energie van de Europese Commissie zo snel mogelijk op de hoogte is en de informatie-uitwisseling over de aanpak van het gasincident op Europees niveau vorm kan geven. Ook lidstaten zijn vroegtijdig op de hoogte en kunnen hun eigen maatregelen treffen ter voorbereiding op een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie.
6.4 Alarmering Een alarmeringsfase is van toepassing wanneer zich een gasincident voordoet leidend tot een daadwerkelijke verstoring van de gaslevering of uitzonderlijk hoge gasvraag voordoet die de gasleveringssituatie aanzienlijk doet verslechteren, maar de markt is nog in staat om deze verstoring of vraag op te vangen (artikel 11 van de EU-verordening). GTS geeft in de hierboven geschetste situatie, in een alarmeringsfase, zo snel mogelijk een waarschuwing af aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E in zijn rol van CGE. In die situatie alarmeert de CGE onverwijld het Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie en bevoegde instanties in de Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn (Duitsland, België, Verenigd Koninkrijk). GTS informeert via haar dispatchingcentrum de dispatchingcentra van netbeheerders van aangrenzende landen. In het geval dat het gaat over laagcalorisch gas wordt ook de bevoegde instantie van Frankrijk geïnformeerd. Het contact in de fase van alarmering is hieronder schematisch weergegeven:
32
Ministerie van EZK Bevoegde instanties van Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn
GTS
DCC-EZK
DG K&E als CGE
Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie
Figuur 15. Schematische weergave alarm/alarmering
6.5 Afkondiging gascrisis/noodsituatie In een situatie waarbij er zich een uitzonderlijk hoge gasvraag, een aanzienlijke verstoring van de gaslevering of een andere aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie voordoet, en alle relevante marktgebaseerde maatregelen zijn toegepast maar de gaslevering niet volstaat om aan de resterende gasvraag te voldoen en er dus bijkomend ook niet-marktgebaseerde maatregelen moeten worden genomen, is er sprake van een gascrisis: een noodsituatie in de zin van de EUverordening. GTS brengt het DCC-EZK en, via deze, de DG K&E van de situatie op de hoogte. De DG K&E kondigt vervolgens in zijn rol van CGE conform de EU-verordening een noodsituatie af richting het Directoraat-Generaal Energie van de Europese Commissie. De bevoegde instanties in de Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn, worden vervolgens ook onverwijld door de DG K&E op de hoogte gebracht. GTS informeert via haar dispatchingcentrum de dispatchingcentra van netbeheerders van aangrenzende landen. In het geval dat het gaat over laagcalorisch gas wordt ook de bevoegde instantie van Frankrijk geïnformeerd. Wanneer er mogelijk een oproep kan resulteren in een oproep tot bijstand van de Europese Unie, stelt de DG K&E ook het ERCC16 in kennis.
Het contact in de fase van afkondiging van de gascrisis/noodsituatie is hieronder schematisch weergegeven:
16
Emergency Response Coordination Centre – ERCC, zie artikel 11 lid 2 van de Europese verordening.
33
Ministerie van EZK
Besluit tot afkondiging noodsituatie
GTS
DCC-EZK
Bevoegde instanties van Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn
DG K&E als CGE
Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie
Figuur 16. Schematische weergave afkondiging gascrisis/noodsituatie
6.6 Op- en afschaling De hierboven beschreven situaties kunnen aanleiding zijn om op te schalen in de crisisstructuren zoals beschreven in hoofdstuk 5. In principe worden hierbij de gebruikelijke op- en afschalingsprocedures van de betreffende organisaties (zoals uitgewerkt in hun handboeken) gehanteerd. Uitgangspunt bij op- en afschaling is dat de betreffende organisaties op de hoogte zijn van elkaars opschalingsniveau, en dat er waar nodig synchroon wordt opgeschaald. In het geval van een gasincident is GTS opgeschaald. In het geval van een gascrisis/noodsituatie is zowel GTS als het ministerie van EZK altijd opgeschaald.
6.6.1 Op- en afschaling GTS GTS heeft in de handboeken voor het SCT en TCT vastgelegd wanneer op- en afgeschaald wordt. Het SCT en TCT kunnen vanaf een gasstoring (alerteringssituatie) opgeschaald zijn. De voorzitter van het TCT kan concluderen dat opgeschaald moet worden naar het SCT. In dit geval zal de voorzitter van het TCT contact opnemen met de voorzitter van het SCT. Gezamenlijk wordt besloten of het SCT geactiveerd wordt.17 Indien het ministerie van EZK opschaalt (als er sprake is van een (dreigende) gascrisis/noodsituatie, zie onder), schaalt GTS altijd ‘mee’ op, zodat er synchroon opgeschaald wordt. In de praktijk zal dit overigens meestal al gebeurd zijn.
6.6.2 Op- en afschaling ministerie van EZK Departementale opschaling van het ministerie van EZK kan plaatsvinden in de fase van vroegtijdige waarschuwing en/of alarmering, en zal zeker plaatsvinden bij een (dreigende) gascrisis/noodsituatie zoals hierboven beschreven.
17
Zie ook GTS handboeken.
34
De voorzitters van het DAT, DBT en DCT bepalen zelf of hun team opschaalt. Als het DBT opschaalt, schalen het DAT en DCT standaard ook op. Er kan een DAT zijn zonder dat (al) sprake is van een DBT. Het DAT weegt dan af of opschaling nodig is of dat besluiten onder eigen verantwoordelijkheid genomen kunnen worden. Indien alleen het DAT bij elkaar komt, wordt de DG K&E door de voorzitter DAT op de hoogte gehouden van het verloop van de crisis/noodsituatie en de bestrijding. In het geval van een vroegtijdige waarschuwing is er geen directe opschaling van het ministerie van EZK nodig, maar kan de voorzitter van het DAT besluiten op te schalen. In het geval van alarmering schaalt het DAT op en kan er afgewogen worden of opschaling naar een DBT al nodig is. In het geval van een gascrisis/noodsituatie schalen het DAT, het DCT en het DBT op. Als de gascrisis/noodsituatie voorbij is en passende crisismaatregelen zijn genomen, besluit de voorzitter van het DAT of het DBT af te schalen (afhankelijk van welke teams opgeschaald waren).
6.6.3 Op- en afschaling interdepartementale crisisstructuur De op- en afschaling binnen de nationale crisisstructuur is beschreven in het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming. De interdepartementale crisisstructuur zal in de praktijk opgeschaald worden wanneer er een gascrisis is.
6.6.4 Op- en afschaling overige crisisorganisaties De opschaling van andere organisaties zoals regionale netbeheerders wordt in dit plan buiten beschouwing gelaten, maar zal in de praktijk wel plaatsvinden. Indien de gascrisis het (beleids)domein van andere ministeries raakt, zal – onder coördinatie van het ministerie van JenV – ook de interdepartementale crisisstructuur (IAO, ICCb, MCCb) geactiveerd worden.
6.7 Besluitvorming De besluitvorming richt zich per onderdeel van de crisisstructuur op andere aspecten. Kort gezegd ligt de besluitvorming over marktgebaseerde maatregelen bij GTS, en de besluitvorming over nietmarktgebaseerde maatregelen bij het ministerie van EZK. De besluitvorming binnen de crisisstructuur van GTS richt zich op het nemen van besluiten over marktgebaseerde maatregelen om tot een redelijke verdeling van de gasschaarste te komen, het uitvoeren van de verdelingsbesluiten en overige niet-marktgebaseerde maatregelen van de minister van EZK, en alle zaken die met de eigen verantwoordelijkheden en bedrijfsvoering samenhangen (waaronder het zo spoedig mogelijke herstel van de gaslevering). Bij een gascrisis (noodsituatie) richt de besluitvorming binnen de departementale crisisstructuur van EZK zich ten eerste op het inzetten van niet-marktgebaseerde maatregelen om tot een redelijke verdeling van de gasschaarste te komen, waarbij beschermde afnemers18 zolang mogelijk worden ontzien. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de maatregelenladder die beschreven wordt in hoofdstuk 8 van dit plan. Ten tweede richt de besluitvorming zich op de gevolgen van de aanzienlijke verslechtering van de gaslevering in de beleidsdomeinen van EZK (o.a. bedrijfsleven, telecom, elektriciteit, enz.).
18
Zie paragraaf 4.9.
35
De besluitvorming in de interdepartementale crisisstructuur richt zich op het beslechten van dilemma’s die departement-overstijgend zijn en voorzien in intersectorale coördinatie. De verschillende teams hanteren bij de besluitvorming hun gebruikelijke werkwijzen.
6.8 Informatievoorziening Informatie is tijdens een incident of crisis/noodsituatie essentieel om de juiste keuzes te kunnen maken. De benodigde informatie is in principe voor alle crisisteams hetzelfde, maar kan verschillen in abstractieniveau en detailniveau. Waar het gaat om de situatie zelf, is de volgende informatie gewenst: •
•
•
•
Datum en tijdstip van de start van de ongewenste gebeurtenis. -
Seizoen
-
Tijdstip op de dag
Beschrijving ongewenste gebeurtenis -
Locatie en situatie ter plekke
-
Type aardgas (hoog- of laagcalorisch)
-
Type ongewenste gebeurtenis: betrekking op import, transport, conversie of productie
-
Volume van het tekort
Oorzaak van de ongewenste gebeurtenis. -
Binnenlands of buitenlands
-
Moedwillig of niet moedwillig
Context van de ongewenste gebeurtenis. -
Actuele gasvraag (volume, type) door beschermde afnemers
-
Actuele gasvraag (volume, type) door industrieën en andere niet-beschermde afnemers
-
Actuele gasvraag (volume, type) uit het buitenland
-
Eventuele bijzondere omstandigheden, zoals beperkingen in transportcapaciteit, met een oorzaak buiten de ongewenste gebeurtenis.
•
Status van de elektriciteitslevering
Effecten van de ongewenste gebeurtenis -
Directe effecten (plaats van effecten, type afnemers die geraakt worden, schade, overlast, effecten op het transport- en distributienet)
-
Effecten van reeds genomen maatregelen (plaats van effecten, type afnemers die geraakt worden, schade, overlast, effecten op het transport- en distributienet)
-
Te verwachten effecten van maatregelen (plaats van effecten, type afnemers die geraakt worden, schade, overlast, effecten op het transport- en distributienet).
In het geval van een gasincident of gascrisis/noodsituatie zal de meeste informatie over het incident zelf bij GTS bekend zijn. GTS zal deze informatie (via de liaison) delen met het ministerie van EZK. Waar het gaat om de bestrijding van de situatie is de volgende informatie gewenst: •
Betrokken teams en partijen -
Welke partijen zijn betrokken?
-
Welke teams zijn opgeschaald bij deze partijen? En in welk opschalingsniveau?
•
Genomen besluiten en adviezen. Welke besluiten zijn al genomen door de actieve teams?
•
Maatregelen -
Welke maatregelen zijn in gang gezet naar aanleiding van de genomen besluiten?
36
-
In welk stadium is de uitvoering van de maatregelen?
Tot slot kunnen prognoses en adviezen waardevolle informatie toevoegen in de besluitvorming. Het gaat hierbij vooral om prognoses inzake de ontwikkeling van het incident en de bestrijding ervan, en adviezen die volgen uit deze prognoses. Hierbij kan gedacht worden aan de urgentie, de verwachte duur van de verslechtering van de gaslevering en verwachte inzet van menskracht en middelen. Prognoses •
Verwachte duur van de ongewenste situatie
•
Verwachte duur en ontwikkeling van het volumetekort
•
Verwachte duur van de effecten
•
Verwachte effecten van besluiten en maatregelen
•
Verwachte duur van het herstellen van de situatie
•
Verwachte benodigde inzet van menskracht en middelen
•
Verwachte knelpunten rond beschikbare menskracht en middelen
In het algemeen is de informatievoorziening bij een gasincident of gascrisis/noodsituatie in grote mate afhankelijk van het beeld dat GTS heeft van de situatie, omdat alleen deze netbeheerder over de informatie beschikt die nodig is om een inschatting te geven van de omvang, ernst en de verwachte duur van de situatie. Behalve de informatie die door GTS verzameld wordt, maakt DCT een communicatiebeeld en NCC een nationaal beeld (ministeries, Veiligheids Regio, vitale infrastructuur). Deze twee beelden worden ook gebruikt voor het vormen van een departementaal totaalbeeld. Dit is in figuur 17 weergegeven: •
Datum en tijdstip van de start van ongewenste gebeurtenis
•
Beschrijving van ongewenste gebeurtenis
•
Oorzaak van ongewenste gebeurtenis
•
Context van ongewenste gebeurtenis
•
Effecten van ongewenste gebeurtenis
•
Betrokken teams en partijen
•
Genomen besluiten en adviezen
•
Maatregelen
•
Prognoses
RNB s
NNO s
Shippers en producenten
Gasbeeld door GTS
Communicatiebeeld door DCT
Veiligheidsregio s Interdepartementaal beeld door NCC Overige departementen
Figuur 17. Vorming departementaal totaalbeeld
37
Departementaal totaalbeeld van EZK door DCC-EZK
De informatievoorziening van GTS naar het ministerie van EZK vindt plaats ongeacht het niveau van de situatie (vroegtijdige waarschuwing, alarmering of gascrisis/noodsituatie). De informatie zal via de crisisorganisatie van GTS doorgegeven worden aan het DCC-EZK en, via deze, aan de DG K&E. Het DCC verzamelt in zijn rol als informatiecoördinator de informatie van GTS en de verschillende onderdelen van EZK en verwerkt dit tot een departementaal totaalbeeld van de situatie. Dit totaalbeeld ondersteunt enerzijds de departementale besluitvorming en dient anderzijds als input voor interdepartementale besluitvorming in het IAO, de ICCb en de MCCb. Het departementaal totaalbeeld bestaat uit de hierboven weergegeven soorten informatie. In artikel 14 van de EU-verordening is opgenomen welke gegevens tussen de betrokken aardgasbedrijven (RNB’s, programmaverantwoordelijken en producenten) en de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat uitgewisseld worden in crisissituaties. In de praktijk zal dit verlopen via GTS naar DCC-EZK (zie hierboven). De betrokken aardgasbedrijven stellen dagelijks in het bijzonder de volgende informatie ter beschikking: 1. De prognoses van de dagelijkse gasvraag en gaslevering voor de volgende drie dagen 2.
De dagelijkse gasstroom op alle grensoverschrijdende entry- en exitpunten alsmede op alle punten die een productiefaciliteit, een opslaginstallatie of een LNG-terminal met het net verbinden 3. De periode waarvoor gaslevering aan beschermde afnemers naar verwachting kan worden gewaarborgd.
6.9 Crisiscommunicatie Inhoudelijke crisiscommunicatie bij een aanzienlijke verslechtering van de gaslevering geeft ten minste de volgende informatie aan het relevante publiek: •
Oorzaak of aanleiding van de aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie
•
Omvang van de aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie
•
Geschatte duur van de aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie
•
Acties die door de betrokken partijen (GTS, regionale netbeheerders, EZK) genomen zijn
•
Handelingsperspectief voor het publiek
Het ministerie van EZK heeft de regie over de crisiscommunicatie, tenzij het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC) opschaalt. In dat geval verschuift de regie naar het NKC. De regievoerder bepaalt na afstemming met alle betrokken organisaties wie waarover communiceert. Bij aanzienlijke verslechtering van de gaslevering informeren de betrokken netbeheerder(s) en gasbedrijven in afstemming met het ministerie van EZK het algemene publiek.
38
7. Uitvoeringsprocessen 7.1 Reguleren gasvoorziening De Centrale Commandopost (CCP)19 van GTS monitort continu (24/7) de balans tussen vraag en aanbod. Om geen verstoringen in de balans te krijgen, worden vraag en aanbod via het CCP door de markt op elkaar afgestemd. Indien er een buitengewone verstoring op de balans optreedt, alarmeert de chef van dienst van GTS, werkzaam bij de CCP, de manager gastransport. Bij deze interne alarmering wordt besloten of het tactisch crisisteam (TCT) bij GTS geactiveerd moet worden. Voorzitter van het TCT is de manager gastransport van GTS, overige deelnemers van GTS hangen af van de aard en omvang van de verstoring. Zo kan landelijk assetmanagement en/of netwerkplanning in het TCT participeren om na te gaan welke volumes gas geleverd moeten worden en wat er (meer) geleverd kan worden, bijvoorbeeld door programmaverantwoordelijken te vragen meer hoogcalorisch gas te importeren of door aardgasproducenten te vragen hun gasproductie te verhogen. Tevens ontwerpt men mogelijke maatregelen hoe vraag en aanbod weer in balans kunnen komen en brengt men in beeld wat de verwachte gevolgen van deze maatregelen zijn. Het TCT heeft de volgende taken: •
Bepalen van verwachte tekorten.
•
Inventariseren van middelen om verstoring van de balans op te heffen.
•
Adviseren van het SCT van GTS.
Indien de voorzitter van het TCT concludeert dat verstoring om specifieke maatregelen in de bedrijfsvoering of buiten de reguliere bedrijfsvoering vraagt, geeft hij dit onverwijld door aan de voorzitter van het SCT. De voorzitter van het SCT kan vervolgens het SCT bij elkaar roepen (zie 5.6). De mogelijke acties20 voor GTS bij het reguleren van de gasvoorziening worden benoemd in paragraaf 8.2 t/m 8.4. Het gaat hierbij om maatregelen die volgens de EU-verordening zowel marktgebaseerd als niet-marktgebaseerd zijn.
7.2 Afsluiten klanten In geval van een gascrisis/noodsituatie worden de maatregelen door GTS dan wel door de RNB’s in opdracht van de minister van EZK uitgevoerd. Dit kan het administratief dan wel technisch afsluiten van afnemers betreffen. Het administratief afsluiten gebeurt door middel van een door de minister te nemen besluit. Het technisch afsluiten betreft zowel het automatisch technisch afsluiten vanuit de CCP als ook het handmatig technisch afsluiten van bepaalde afnemers, overdrachtspunten naar de netten van Regionale Netbeheerders, NNO’s, leidingsecties of delen van het GTS gastransportnet. De opdracht tot administratief en/of technisch afsluiten wordt tijdens een crisis door de minister van EZK, in afstemming met ICCb/MCCb, gegeven, de uitvoering ligt bij GTS en de regionale netbeheerders en bij de gasleveranciers. Het toezicht ligt bij de ACM. Nadere uitwerking van specifieke maatregelen wordt gegeven in hoofdstuk 8.
19 20
Landelijk bedrijfsvoeringscentrum van GTS. Beschreven Transportvoorwaarden Gas – LNB paragraaf 4.1.4.4 Acties met betrekking tot een noodsituatie.
39
7.3 Informeren klanten en ketenpartners Bij een gasincident informeert GTS betrokken klanten en ketenpartners over de verstoring wat betreft tijdsduur (indien mogelijk), mogelijke gevolgen en maatregelen. Klanten en ketenpartners zijn programmaverantwoordelijken, regionale netbeheerders, direct aangeslotenen van GTS, NNO’s en netbeheerders elektriciteit. Voor afnemers die direct zijn aangesloten op het landelijk gastransportnet heeft GTS een bestand met calamiteitencontactpersonen. De informatievoorziening voor afnemers aangesloten aan het net van de RNB’s wordt verzorgd door de RNB’s.
7.4 Herstellen gasvoorziening Herstel van de gasvoorziening na een gasincident of gascrisis/noodsituatie hangt af van het type maatregelen dat is genomen. Wanneer maatregelen genomen zijn waarbij de druk in de leidingen gehandhaafd is, dan zijn er waarschijnlijk geen beschadigingen aan of vervuilingen in de leidingen opgetreden. Het herstel zal dan in technische zin beperkt zijn en zich toespitsen op het financieel afwikkelen van de schade. Herstel van de gasvoorziening na technische afschakeling is niet zonder risico’s: door mogelijke gevolgen van het technisch afschakelen van bepaalde afnemers of delen van het gasnetwerk is de integriteit van de gasleidingen niet gegarandeerd. Voordat het gasnet weer op druk kan worden gebracht, dient de integriteit te worden gecontroleerd en dienen eventuele beschadigingen gerepareerd te worden. De risico’s hierop zijn in de gasnetten van RNB’s groter dan in het landelijk gastransportnet. De RNB’s hebben aangegeven hierbij te werken aan de hand van de handleiding “gasgeven in de praktijk”. Hierin is beschreven hoe een regionale netbeheerder de gasdruk veilig kan herstellen. Daarnaast zijn er na het technisch afschakelen van netten risico’s voor gebruikers bij het opnieuw onder gasdruk brengen van deze netten.
De kans bestaat namelijk dat er vrije uitstroom van gas plaats kan vinden en er zich een explosief mengsel kan vormen omdat gasapparatuur (zoals bijvoorbeeld een gasfornuis) nog open staat. Dit mengsel zou kunnen ontsteken bij het vrijkomen van energie (bijvoorbeeld een klein vonkje bij het bedienen van een lichtschakelaar). Na afschakeling dient er daarom een strikte procedure gevolgd te worden bij het weer op druk brengen van de netten, waarbij het soms nodig is te controleren of alle gasaansluitingen gesloten zijn voor er weer opnieuw aangesloten wordt21. Vanuit dit oogpunt verdient het daarom aanbeveling de netten zo lang mogelijk onder druk te laten. Bij GTS adviseert de afdeling Veiligheid bij het opnieuw opstarten van het landelijk gastransportnet. Hierbij wordt rekening gehouden met effecten van verminderde druk in de gasleidingen. De volgorde van het herstellen van de gasvoorziening is afhankelijk van de technische mogelijkheden om de gasleidingen opnieuw op druk te brengen. Daarmee is het moeilijk om vooraf een volgorde te bepalen voor het herstellen. Factoren die hierbij een rol spelen, zijn onder andere: •
Omvang en locatie van het gasincident of de gascrisis/noodsituatie.
•
Duur van het gasincident of de gascrisis/noodsituatie.
•
Type gas waar het gasincident of de gascrisis/noodsituatie betrekking op heeft (hoogcalorisch of laagcalorisch).
•
Genomen maatregelen tijdens het gasincident of de gascrisis/noodsituatie.
•
Mate van integriteit van het gasnetwerk.
21
Zie de rapportage “Gas geven in de praktijk” van Netbeheer Nederland.
40
•
Mate waarin meet- en regelstations en/of stikstofmengstations zijn betrokken.
41
8.
Maatregelen
8.1 Algemeen In dit hoofdstuk staan de maatregelen beschreven in geval van een verslechtering van de gasleveringssituatie. De oorzaak daarvan staat los van de te overwegen maatregelen. Deze oorzaak kan haar oorsprong ook in het buitenland vinden, bijvoorbeeld in de vorm van een verzoek tot solidariteit van een buurland. Bij een gasstoring of gasincident neemt GTS maatregelen gebaseerd op marktmechanismen (8.2 8.3 en 8.4). Deze maatregelen hebben geen vaste volgorde. Bij een gascrisis/noodsituatie kunnen nog steeds de maatregelen van toepassing zijn die bij een gasstoring of gasincident genomen worden. Daarnaast worden bij een gascrisis/noodsituatie de maatregelen gehanteerd volgens de maatregelenladder (8.5). Deze maatregelenladder dicteert de volgorde waarin ze worden overwogen, van de eerste tot de laatste maatregel. Niet iedere maatregel zal echter mogelijk blijken bij alle soorten gastekorten. Dit kan onder meer komen door de urgentie van de situatie. Dit heeft in de praktijk gevolgen voor hoe snel de ladder doorlopen wordt. In bijlage 3. wordt de maatregelenladder op verschillende voorbeeldscenario’s toegepast. Hiermee ontstaat inzicht in welke maatregelen in welke situaties mogelijk zijn.
8.2 Maatregelen bij een gasstoring Bij een gasstoring worden maatregelen genomen binnen de gebruikelijke marktmechanismen. Deze maatregelen vallen binnen de verantwoordelijkheden van GTS en worden toegepast om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Bedacht moet worden dat deze mechanismen bij schaarste leiden tot prijsverhoging. In de EU-verordening worden deze maatregelen aangeduid met ‘marktgebaseerde maatregelen’ die in preventieve actieplannen zijn vastgelegd.
8.3 Vroegtijdige waarschuwing/gasincident met noodzaak tot “vroegtijdige waarschuwing” 8.3.1 Inleiding Volgens artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de EU-verordening is er een vroegtijdige waarschuwing nodig wanneer uit concrete, ernstige en betrouwbare informatie blijkt dat er zich een gasincident kan voordoen die de gasleveringssituatie aanzienlijk kan doen verslechteren en die kan leiden tot de noodzaak voor Europese alarmering of kan leiden tot een noodsituatie en het nationale crisisniveau. In deze situatie geeft GTS (of andere partijen die relevante informatie hebben) zo snel mogelijk een waarschuwing af aan het DCC-EZK, en via deze aan de CGE. Op basis van een bericht van de CGE kondigt de minister van EZK het stadium ‘vroegtijdige waarschuwing’ af en geeft het Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie onverwijld een vroegtijdige waarschuwing bij (de dreiging van) een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie, conform de EU-verordening. Ook worden de bevoegde instanties in de Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn, onverwijld op de hoogte gebracht. Dit betreft de bevoegde instanties van Duitsland, België en Verenigd Koninkrijk. Daarnaast zal ook de bevoegde instantie van Frankrijk worden geïnformeerd als de waarschuwing betrekking heeft op laagcalorisch gas.
42
De vroegtijdige waarschuwing maakt dat het DG Energie van de Europese Commissie zo snel mogelijk op de hoogte is en de informatie-uitwisseling over de aanpak van de aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie op Europees niveau vorm kan geven. Ook lidstaten zijn vroegtijdig op de hoogte en kunnen hun eigen maatregelen treffen ter voorbereiding op een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie.
8.3.2 Maatregelen Maatregel
Informatie delen
Beschrijving
Volgens artikel 14.1 van de EU-verordening dienen de betrokken gasbedrijven aan de bevoegde instantie dagelijks informatie ter beschikking te stellen: • de prognoses van de dagelijkse gasvraag en gaslevering voor de volgende drie dagen in miljoen m3 per dag (mcm/d). • de dagelijkse gasstroom, in miljoen m3 per dag (mcm/d), op alle grensoverschrijdende entry- en exitpunten alsmede op alle punten die een productiefaciliteit, een opslaginstallatie of een LNG-terminal met het net verbinden. • de periode, uitgedrukt in dagen, waarvoor gaslevering aan beschermde afnemers naar verwachting kan worden gewaarborgd.
Belangrijkste
•
GTS
betrokken actoren
•
DCC-EZK
•
DG K&E/CGE
•
Betrokken gasbedrijven
Te volgen
GTS geeft in de hierboven geschetste situatie, bij (de dreiging van) een
procedures
gasincident, zo snel mogelijk de genoemde informatie door aan het DCCEZK en, via deze, aan de DG DG K&E in zijn rol van CGE. GTS wordt hiertoe door de betrokken gasbedrijven van informatie voorzien Deze maatregel maakt dat de CGE zo snel mogelijk op de hoogte is van
Verwachte bijdrage
de relevante informatie en de informatie-uitwisseling over de aanpak van het gasincident op Europees niveau vorm kan geven.
Informatiestromen
•
Informatie van de betrokken gasbedrijven aan GTS.
•
Informatie van GTS aan DCC-EZK.
•
DCC-EZK geeft informatie door aan CGE.
8.4 Alarmering/gasincident met noodzaak tot “alarmering” 8.4.1 Inleiding Volgens artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de EU-verordening is er sprake van het alarmniveau wanneer er zich een verstoring van de gaslevering of een uitzonderlijk hoge gasvraag voordoet die de gasleveringssituatie aanzienlijk doet verslechteren, maar de markt nog in staat is deze verstoring of vraag op te vangen zonder gebruik te moeten maken van niet-marktgebaseerde maatregelen. In een dergelijke situatie, kan de landelijk netbeheerder GTS binnen zijn regulerende rol voor de landelijke gasvoorziening marktgebaseerde maatregelen22 in gang zetten.
22
Transportvoorwaarden Gas – LNB paragraaf 4.1.4.4 Acties met betrekking tot een noodsituatie.
43
In deze situatie geeft GTS zo snel mogelijk een waarschuwing af aan het DCC-EZK, en via deze aan de CGE. Op basis van een bericht van de CGE kondigt de minister van EZK het stadium ‘alarmering’ af en bericht het Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie onverwijld over het afkondigen van het alarmniveau, conform de EU-verordening. Ook worden de bevoegde instanties in de Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn, onverwijld op de hoogte gebracht. Dit betreft de bevoegde instanties van Duitsland, België en Verenigd Koninkrijk. Daarnaast zal ook de bevoegde instantie van Frankrijk worden geïnformeerd als het alarmniveau betrekking heeft op laagcalorisch gas.
8.4.2 Maatregelen Op alarmniveau is een aantal maatregelen mogelijk, zoals hieronder is weergegeven. Deze maatregelen zijn niet in volgorde van prioriteit benoemd, maar kunnen in willekeurige volgorde worden toegepast. Al deze maatregelen zijn marktgebaseerde maatregelen, welke worden genomen voordat door de minister van EZK een noodsituatie op grond van de EU-verordening wordt afgekondigd. De problemen kunnen zich voordoen in deelmarkten (bijvoorbeeld hoogcalorisch gas of laagcalorisch gas). Maatregelen zullen uitsluitend worden toegepast voor zover ze oplossend zijn voor de (deel)problematiek. Indien zich bijvoorbeeld een probleem voordoet in de markt van laagcalorisch gas, is invoeding van extra hoogcalorisch gas uitsluitend zinvol indien er nog voldoende conversiecapaciteit aanwezig is om daarmee dit hoogcalorisch gas door toevoeging van stikstof te converteren naar laagcalorisch gas. GTS zal zoveel mogelijk trachten te voorkomen (in andere woorden: alleen in uiterste noodzaak gebruiken) dat in deze fase maatregelen getroffen (moeten) worden die een beperking van de levering aan marktpartijen (zowel eindgebruikers als export, exclusief het gebruik van bergingen door marktpartijen) tot gevolg hebben.
Dergelijke beperkingen worden zo mogelijk uitgesteld naar de fase ‘Noodsituatie’ en zullen in de fase ‘Alarmering’ door GTS uitsluitend worden toegepast indien er noodzaak is om snel in te grijpen. Indien GTS gebruik maakt van maatregelen waarbij partijen een aanwijzing ontvangen om meer gas te leveren, zodanig dat deze partijen in onbalans raken, dan zal GTS het balanceersysteem (met balanceeracties via de WDM (Within Day Market)) opschorten. Verrekening van hoeveelheden gas die op aanwijzing van GTS extra worden geleverd of minder worden afgenomen, vindt plaats via de zogenaamde ‘neutrale gasprijs’. Dit is de prijs die GTS dagelijks vaststelt als gemiddelde prijs van handelstransacties.
Maatregel
Inzet van eigen of gecontracteerde middelen van GTS
Beschrijving
GTS levert gas uit eigen middelen of uit middelen die gecontracteerd zijn bij derden.
Belangrijkste betrokken actoren
• •
GTS Aardgasleverancier(s)
Te volgen procedures
•
GTS zet eigen middelen in of maakt gebruik van middelen die gecontracteerd zijn bij derden (bijvoorbeeld een contract met een berging).
Verwachte bijdrage
Eigen middelen van GTS kunnen worden ingezet voor zover er een aardgasvoorraad beschikbaar is. Aardgasleveranciers zijn verplicht (voor zover dat in de contracten met GTS is vastgelegd) de instructie(s) op te volgen. Met deze maatregelen tracht GTS de fysieke balans in het gasnet voor zover mogelijk te handhaven. De door GTS gecontracteerde middelen zullen niet altijd gegarandeerd resultaat leveren, omdat ze niet altijd een bindend karakter kennen.
Informatiestromen
Instructie van GTS aan aardgasleverancier(s).
44
Maatregel
Vrijblijvend verzoek aan Neighbouring Network Operators (NNO’s) om vrijwillig extra gas te leveren of minder gas uit Nederland af te nemen
Beschrijving
GTS verzoekt Neighbouring Network Operators (NNO’s) vrijblijvend om vrijwillig extra gas te leveren of minder gas uit Nederland af te nemen.
Belangrijkste betrokken actoren
• • •
GTS Aardgasleverancier(s) NNO’s
Te volgen procedures
•
GTS verzoekt NNO’s tijdelijk extra gas te leveren (lenen) of minder uit Nederland af te nemen. Indien het balanceersysteem niet meer normaal kan functioneren, wordt het balanceermechanisme opgeschort.
• Verwachte bijdrage
NNO’s zullen mogelijk tijdelijk extra gas willen leveren (lenen) of minder willen afnemen op vrijwillige basis. Met deze maatregel tracht GTS de fysieke balans in het gasnet voor zover mogelijk te handhaven.
Informatiestromen
Vrijblijvend verzoek aan NNO’s door GTS.
Maatregel
Vrijblijvend verzoek aan programmaverantwoordelijken om vrijwillig meer gas in te voeden
Beschrijving
GTS verzoekt programmaverantwoordelijken meer (hoogcalorisch) gas in te voeden. Dit kan wanneer GTS ziet dat programmaverantwoordelijken nog niet hun maximale gecontracteerde transportcapaciteit benutten en er mogelijk extra invoeding mogelijk is. Het balanceerregime blijft hierbij functioneren. Deze maatregel is gebaseerd op vrijwillige bijdragen van de programmaverantwoordelijken .
Belangrijkste betrokken actoren
• •
GTS Programmaverantwoordelijken met contracten op fysieke entrypunten
Te volgen procedures
•
GTS verzoekt één of meer programmaverantwoordelijken om additioneel gas in te voeden vanuit bergingen, grenspunten, productiepunten of LNG en dit gas te vermarkten.
Verwachte bijdrage
Aangezien het een verzoek tot extra levering/vermarkting betreft, is de bijdrage afhankelijk van de bereidheid en mogelijkheid van partijen om extra gas in te voeden. De bijdrage is waarschijnlijk gering, aangezien partijen uit eigen beweging al tot maximale benutting van hun mogelijkheden zullen zijn overgegaan vanwege hoge marktprijzen.
Informatiestromen
Vrijblijvend verzoek van GTS aan programmaverantwoordelijken op bergingen, grenspunten, productiepunten of LNG-installaties.
Maatregel
Instructies betreffende installaties voor de opslag van gas of LNG en op binnenlandse entrypunten van het landelijk gastransportnet
Beschrijving
GTS geeft een aanwijzing af tot het stoppen met vullen van dan wel leveren vanuit de voorraden in gasopslagen of tot het leveren vanuit productiebronnen die nog niet maximaal leveren. Deze aanwijzing wordt gegeven aan programmaverantwoordelijken die gas hebben opgeslagen of die nog extra gas kunnen leveren uit de binnenlandse productiebronnen.
Belangrijkste betrokken actoren
• • •
GTS Programmaverantwoordelijken die gas hebben opgeslagen in gasopslagen Programmaverantwoordelijken die nog extra gas kunnen leveren uit binnenlandse productiebronnen
45
Maatregel
Instructies betreffende installaties voor de opslag van gas of LNG en op binnenlandse entrypunten van het landelijk gastransportnet
Te volgen procedures
• •
Verwachte bijdrage
Programmaverantwoordelijken zijn verplicht de instructie(s) op te volgen. Hiermee kan de balans weer worden hersteld ten tijde van een gasincident.
Informatiestromen
Instructie van GTS aan programmaverantwoordelijken .
GTS schort het proces van balanceren via de WDM (Within Day Market) op. GTS geeft een of meer programmaverantwoordelijken de instructie om additioneel een bepaalde hoeveelheid gas te leveren (dan wel te stoppen met het vullen van gasopslagen
Rapportageverplichtingen voor de gasbedrijven en GTS aan de CGE conform artikel 14, eerste lid, van de EU-verordening zijn de volgende: •
De prognoses van de dagelijkse gasvraag en gaslevering voor de volgende drie dagen in miljoen m3 per dag (mcm/d).
•
De dagelijkse gasstroom, in miljoen m3 per dag (mcm/d), op alle grensoverschrijdende entry en exitpunten alsmede op alle punten die een productiefaciliteit, een opslaginstallatie of een LNG-terminal met het net verbinden.
De periode, uitgedrukt in dagen, waarvoor gaslevering aan beschermde afnemers naar verwachting kan worden gewaarborgd.
8.5 Maatregelenladder bij een gascrisis/noodsituatie Volgens artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de EU-verordening is er een noodsituatie als zich een uitzonderlijk hoge gasvraag, een aanzienlijke verstoring van de gaslevering of een andere aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie voordoet, en alle relevante marktgebaseerde maatregelen zijn toegepast maar de gaslevering niet volstaat om aan de resterende gasvraag te voldoen en er dus bijkomend ook niet-marktgebaseerde maatregelen moeten worden genomen, met name om gasleveringen aan beschermde afnemers veilig te stellen. Door het overwegen van deze maatregelen is inherent sprake van een (dreigende) gascrisis. Bij een gascrisis/noodsituatie dienen aardgasbedrijven aan de bevoegde instanties dagelijks informatie ter beschikking te stellen o.b.v. artikel 1, eerste lid, van de EU-verordening. Verschillende maatregelen kunnen vervolgens worden ingezet. Deze maatregelen worden in de EUverordening ‘niet-marktgebaseerde maatregelen’ genoemd, en grijpen in in de gebruikelijke marktmechanismen omdat de gascrisis/noodsituatie niet (langer) kan worden beheerst door de markt zelf.
46
Tabel 2 geeft de maatregelenladder weer: in welke volgorde maatregelen overwogen worden, geordend van de lichtste tot de zwaarste maatregel in termen van de maatschappelijke impact van de maatregel zelf en rekening houdend met de praktische uitvoerbaarheid van de maatregelen en randvoorwaarden vanuit de Europese verordening. Deze maatregelenladder dicteert de volgorde waarin ze zullen worden overwogen, van de eerste tot de laatste maatregel. Niet iedere maatregel zal echter mogelijk blijken bij alle soorten schaarsten. Dit kan onder meer komen door de urgentie van de crisis/noodsituatie. De minister van EZK besluit tot de hieronder genoemde maatregelen wanneer dit nodig en passend is. De CGE bereidt hiertoe besluiten door de minister van EZK voor. Alle genoemde maatregelen worden buiten de normale marktwerking om genomen. Welke crisismaatregelen ingezet worden, hangt mede af van aspecten als de aard van het gastekort (hoogcalorisch of laagcalorisch gas) en de omvang. Dit wordt in scenariodrivers in bijlage 2. verder uitgewerkt. In bijlage 3. wordt de maatregelenladder op verschillende voorbeeldscenario’s toegepast.
Maatregelenladder 1
Oproepen tot vermindering aardgasverbruik a.
2
b.
Vrijwillig verzoek minder gasafname aan buurlanden (overheid tot overheid). Europese commissie verzoeken om regionale noodsituatie uit te roepen
Soort maatregel
Gericht op type afnemer
Maatschappelijk
Alle afnemers
Internationaal
Niet-beschermde afnemers
3
Inroepen van een besparingstender ‘minder afname’
Economisch
Niet-beschermde afnemers
4
Opleggen van een extra heffing voor aardgas
Economisch
Niet-beschermde afnemers
5
Gedwongen brandstofomschakeling van industrieën
Juridisch
Niet-beschermde afnemers
6
Gedwongen brandstofomschakeling bij de productie van elektriciteit
Juridisch
Niet-beschermde afnemers
7
Niet-beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch)
Juridisch / technisch
Niet-beschermde afnemers
8
Niet door solidariteit beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch)
Juridisch / technisch
Niet door solidariteit beschermde afnemers
9
Inroepen onderlinge solidariteit tussen EU-lidstaten
Internationaal
Niet door solidariteit beschermde buitenlandse afnemers
10
Door solidariteit beschermde afnemers administratief afschakelen
Juridisch
Door solidariteit beschermde afnemers
11
Regio’s inclusief export technisch afsluiten
Technisch
Door solidariteit beschermde afnemers
Tabel 2. Maatregelenladder gascrisis/noodsituatie Rapportageverplichtingen voor de gasbedrijven en GTS aan de CGE conform artikel 14, eerste lid, van de EU-verordening zijn de volgende:
47
•
De prognoses van de dagelijkse gasvraag en gaslevering voor de volgende drie dagen in miljoen m3 per dag (mcm/d).
•
De dagelijkse gasstroom, in miljoen m3 per dag (mcm/d), op alle grensoverschrijdende entry en exitpunten alsmede op alle punten die een productiefaciliteit, een opslaginstallatie of een LNG-terminal met het net verbinden.
•
De periode, uitgedrukt in dagen, waarvoor gaslevering aan beschermde afnemers naar verwachting kan worden gewaarborgd.
8.5.1 Maatregelen inzake vermindering verbruik door binnenlandse afnemers die niet beschermd zijn Maatregelen die het verbruik door afnemers die niet beschermd zijn verminderen zonder deze afnemers te dwingen tot het stoppen van afname zijn (zie paragraaf 8.5.2, 8.5.4. en 8.5.5): •
Maatregel 1: Oproepen tot vermindering aardgasverbruik. Het waarschijnlijke gevolg is onzeker, en hangt met name af van de bereidwilligheid van afnemers om de afname in te perken.
•
Maatregel 3: Inroepen van een besparingstender ‘minder afname’. Het waarschijnlijke gevolg is dat niet-beschermde afnemers die voorafgaand aan de noodsituatie ingetekend hebben op de tender en daardoor een contract met GTS hebben afgesloten, minder zullen afnemen.
•
Maatregel 4: Opleggen van een extra heffing voor aardgas. Het waarschijnlijke gevolg is dat afnemers minder gas zullen afnemen, vanwege de hogere kosten. Het effect is waarschijnlijk beperkt.
Bovenstaande maatregelen zijn administratieve maatregelen. De bijbehorende belangrijkste actoren en de te volgen procedures zijn opgenomen in bijlage 1. Maatregelen die onnodig verbruik door afnemers die niet beschermd zijn dwingend inperken zijn (zie paragraaf 8.5.6 t/m 8.5.8): •
Maatregel 5: Gedwongen brandstofomschakeling van industrieën. Dit is een administratieve maatregel. Het waarschijnlijke gevolg en effect zijn onbekend.
•
Maatregel 6: Gedwongen brandstofomschakeling bij de productie van elektriciteit. Dit is een administratieve maatregel. Het waarschijnlijke gevolg en effect zijn onbekend.
•
Maatregel 7: Niet-beschermde gebruikers afschakelen (administratief en/of technisch). Het waarschijnlijke gevolg is dat niet-beschermde afnemers geen/minder gas meer afnemen, en het verwachte effect is groot, in het bijzonder voor technisch afschakelen.
De bijbehorende belangrijkste actoren en de te volgen procedures van bovenstaande maatregelen zijn opgenomen in bijlage 1.
8.5.2 Maatregel 1: Oproepen tot vermindering aardgasverbruik Tijdens een gascrisis/noodsituatie zijn de eerste maatregelen gericht op vrijwillige acties in de maatschappij. Daarom kan de minister van EZK een oproep uitvaardigen om minder aardgas te verbruiken aan zowel huishoudens (bijvoorbeeld door de verwarming laag te zetten en eenpansgerechten te koken) als bedrijven. Met deze maatregelen moet het ministerie van EZK via communicatie de bevolking en bedrijven kunnen mobiliseren. Deze maatregel wordt met standaardboodschappen voorbereid in de koude fase, zodat deze op korte termijn implementeerbaar is bij crisis/noodsituatie. Het is ongewis wat het precieze effect is van deze maatschappelijke maatregelen, maar een groot effect is niet te garanderen.
48
8.5.3 Maatregel 2: Beroep op buurlanden en Europese Commissie verzoeken om regionale noodsituatie uit te roepen Als met de voorgaande maatregel onvoldoende bereikt is om het gastekort op te vangen, kan de minister van EZK besluiten de buurlanden te verzoeken om vrijwillig minder gas uit Nederland af te nemen. Daarnaast en in aanvulling kan de minister van EZK besluiten om de Europese Commissie te verzoeken om een regionale noodsituatie uit te roepen (artikel 12 van de EU-verordening). Dit zou de export van aardgas kunnen reduceren. Met name wanneer het gaat om een aanzienlijke verslechtering van de levering van L-gas kan een regionale noodsituatie uitgeroepen worden. In de EU-verordening is geregeld dat buurlanden verplicht zijn elkaar te helpen bij een gastekort, wanneer een land zelf alle maatregelen tegen niet-beschermde afnemers heeft genomen (solidariteit). In dit stadium is dit nog niet aan de orde, omdat Nederlandse niet-beschermde afnemers nog niet verplicht afgeschakeld zijn (administratief of technisch). Toch zal op dit punt buurlanden worden gevraagd om maatregelen te nemen. Hiertoe zal Nederland in overleg treden met als doel de export naar het buitenland te beperken.
Zolang er geen regionale noodsituatie is uitgeroepen door de Europese Commissie is de bereidheid van buurlanden om te helpen op dit punt in de ladder echter vrijwillig, en levert dus niet gegarandeerd op dat buurlanden minder gas afnemen. Dat laatste geldt overigens ook in het geval de Europese Commissie een regionale noodsituatie heeft uitgeroepen. Wel zal er dan coördinatie door de Europese Commissie plaatsvinden waardoor de vrijblijvendheid naar alle waarschijnlijkheid afneemt.
8.5.4 Maatregel 3: Inroepen van een besparingstender ‘minder afname’ Als met de voorgaande maatregelen onvoldoende bereikt is om de gasschaarste op te vangen, wordt de besparingstender geëffectueerd. In deze tender hebben bedrijven vooraf aangeven onder welke voorwaarden te willen afzien van het gebruik van aardgas in geval zich een gastekort voordoet. Denk hierbij minimaal aan tegen welke prijs, welk volume, met welke reactietijd en voor welke maximale periode. Deze tender is een instrument die in de koude fase reeds is voorbereid en uitgevoerd. Door de tender op voorhand te organiseren, kan met deze afnemers in het geval van crisis op korte termijn worden overeengekomen dat ze (tijdelijk) geen of minder aardgas afnemen. Zoals bij elke maatregel in de ladder geldt ook hier dat de minister van EZK (voorbereid door de CGE) besluit tot het afroepen van de biedingen die op de tender zijn ontvangen. GTS kan dat vervolgens concreet uitvoeren, te beginnen bij de laagste prijs, oplopend tot de hoeveelheid gas die zo wordt ‘afgekocht’ totdat de omvang van het tekort bereikt. Beschermde afnemers worden niet meegenomen in deze maatregel (zie ook maatregel 4). De tender wordt jaarlijks door GTS georganiseerd.