CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS313164 Bijlage 2

Algemene Raadscommissie 13 oktober 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken31.887 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

a. b.

Bescherm- en Herstelplan Gas

Versie 1.00

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Directoraat-Generaal Klimaat en Energie

2

Bescherm- en Herstelplan Gas Versie 1.0

11 september 2019

3

Quickread 1. Inleiding Deze quickread is bedoeld als handzame en praktische samenvatting van het Bescherm- en Herstelplan Gas (hierna: BH-G), een plan dat is bedoeld om te gebruiken als handvat tijdens een (dreiging van een) aanzienlijke verslechtering van de gaslevering. De quickread geeft een korte doorkijk naar de onderdelen van het plan die op dat moment relevant zijn. Een uitgebreide toelichting is te vinden in de hoofdtekst van het BH-G, waarnaar telkens verwezen wordt. Het BH-G is opgesteld door de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK), als verantwoordelijke voor de gasleveringszekerheid in Nederland, in nauwe samenwerking met landelijk netbeheerder Gasunie Transport Services (GTS) en na consultatie van belanghebbenden.

2. Crisisniveaus Artikel 11, eerste lid, van EU-verordening 2017/19381 onderscheidt drie crisisniveaus: vroegtijdige waarschuwing, alarm en noodsituatie.2 De niveaus worden gebruikt om drie typen situaties aan te duiden (en de aan die situatie gekoppelde informatielijnen en maatregelen te beschrijven). In de nationale crisisbeheersing wordt daarnaast – naar analogie van andere crisistypen – onderscheid gemaakt tussen gasstoringen, gasincidenten en gascrises. De onderstaande figuur maakt duidelijk hoe beide indelingen met elkaar samenhangen. Een toelichting hierop staat in hoofdstuk 3. Marktgebaseerde maatregelen

Niet-marktgebaseerde maatregelen

Gasincident zonder noodzaak tot vroegtijdige waarschuwing in de zin van 2017/1938 (GTS opgeschaald)

Gasincident met noodzaak tot vroegtijdige waarschuwing (GTS opgeschaald)

Vroegtijdige waarschuwing

Alertering

GTS meldt aan EZK

Gasincident met noodzaak tot alarmering (GTS opgeschaald)

Alarmering

Gascrisis (GTS en EZK opgeschaald)

Ministerie van EZK schaalt op

Gasstoring (geen opschaling)

GTS schaalt op

Tijd

Noodsituatie

GTS meldt aan EZK, EZK meldt aan EU

Figuur 1. Crisisniveaus en gerelateerde type maatregelen en type meldingen aan de EU.

Verordening (EU) nr. 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (PbEU 2017, L 280/30) 2 In het BH-G wordt met noodsituatie bedoeld de noodsituatie op grond van artikel 11, eerste lid, onder c, van de EUverordening. Dit ter onderscheiding van de noodsituatie als bedoeld in artikel 4.1.4.4. van Transportcode Gas LNB, welke GTS zelf kan uitroepen. Waar nodig zal dit expliciet worden benadrukt. 1

1

3. Vroegtijdige waarschuwing, alarm en afkondiging noodsituatie Om snel op de juiste schaal te kunnen handelen, schrijft de EU-verordening voor dat lidstaten uitwerken hoe zij de Europese Unie op de hoogte stellen van de genoemde situaties. Hoofdstuk 6 van het BH-G geeft deze uitwerking. Het werkt bovendien het nationale proces van alertering uit dat aan de orde kan zijn bij situaties die (nog) buiten de scope van de EU-verordening vallen. Hieronder worden de contactlijnen per proces schematisch weergegeven. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.2 tot en met 6.5. a)

Alertering

Bij (dreigende) verstoringen van de gasvoorziening die ernstig genoeg zijn om er als landelijk netbeheerder voor op te schalen (gasincident) maar niet kunnen leiden tot het ontstaan van een alarm- of noodsituatieniveau, treedt het proces van alertering in werking:

Figuur 2. Schematische weergave alertering b)

Vroegtijdige waarschuwing

Indien uit concrete, ernstige en betrouwbare informatie van GTS of een andere instantie blijkt dat zich een gebeurtenis kan voordoen die de gasleveringssituatie aanzienlijk kan doen verslechteren en die kan leiden tot het ontstaan van een alarm- of noodsituatieniveau, treedt het proces van vroegtijdige waarschuwing in werking3:

Ministerie van EZK Bevoegde instanties van Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn

GTS

DCC-EZK

DG K&E als CGE

Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie

Figuur 3. Schematische weergave vroegtijdige waarschuwing

In het geval dat het gaat over laagcalorisch gas wordt ook de bevoegde instantie van Frankrijk geïnformeerd door DG K&E in zijn rol als CGE. Dit geldt ook in het geval van “alarm/alarmering” en “afkondiging noodsituatie”. 3

2

c)

Alarm/alarmering

Indien zich daadwerkelijk een verstoring van de gaslevering of uitzonderlijk hoge gasvraag voordoet die de gasleveringssituatie aanzienlijk doet verslechteren maar de markt is nog in staat om deze verstoring of vraag op te vangen, treedt het proces van alarm/alarmering in werking:

Ministerie van EZK Bevoegde instanties van Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn

GTS

DG K&E als CGE

DCC-EZK

Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie

Figuur 4. Schematische weergave alarm/alarmering d)

Afkondiging gascrisis/noodsituatie

In een situatie waarbij er zich een uitzonderlijk hoge gasvraag, een aanzienlijke verstoring van de gaslevering of een andere aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie voordoet, en alle relevante marktgebaseerde maatregelen zijn toegepast maar de gaslevering niet volstaat om aan de resterende gasvraag te voldoen en er dus bijkomend ook niet-marktgebaseerde maatregelen moeten worden genomen, kondigt de Directeur-Generaal Klimaat & Energie (DG K&E) in zijn hoedanigheid als Crisismanager Gas en Elektriciteit (CGE) een gascrisis/noodsituatie af en stelt hij de Europese Commissie daarvan op de hoogte. Het totale proces van afkondiging van een gascrisis/noodsituatie verloopt als volgt:

Ministerie van EZK

Besluit tot afkondiging noodsituatie

GTS

DCC-EZK

Bevoegde instanties van Europese lidstaten die direct met het Nederlandse gasnet verbonden zijn

DG K&E als CGE

Directoraat Generaal Energie van de Europese Commissie

Figuur 5. Schematische weergave afkondiging gascrisis/noodsituatie

3

4. Organisatie Bij een gasincident of gascrisis/noodsituatie wordt opgeschaald. Hiermee wordt bedoeld dat een gelegenheidsstructuur (incident- of crisisorganisatie) bij elkaar komt. Deze gelegenheidsstructuur is modulair opgebouwd. In onderstaand overzicht worden de betrokken teams bij het ministerie van EZK en GTS alsmede de interdepartementale crisisstructuur en de overige betrokken crisispartners weergegeven in hun onderlinge samenhang. De met een doorgetrokken lijn omlijnde blokken geven speciaal voor de situatie gevormde teams aan; de met een stippellijn omlijnde blokken zijn permanente structuren. Voor een toelichting op de rol van de verschillende betrokken partijen wordt verwezen naar hoofdstuk 4. Voor een toelichting op de opbouw van de crisisorganisatie en wijze van opschaling wordt verwezen naar hoofdstuk 5 resp. paragraaf 6.6.

CGE

Departementale crisisstructuur Ministerie van EZK

Interdepartementale crisisstructuur

Minister

MCCb Ministeriële Commissie Crisisbeheersing

DBT Departementaal Beleidsteam

ICCb Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing

DCC-EZK Departementaal Crisiscentrum

DAT Departementaal Adviesteam

IAO Interdepartementaal Afstemmingsoverleg

DCT Departementaal Communicatieteam

NKC Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie

Crisisstructuur GTS

LOCC Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum

NCC Nationaal Crisiscentrum

Partners in de gassector

Veiligheidsregio s

Shippers en producenten van gas

(R)BT

RNB s

ROT CoPI

SCT Strategisch Crisisteam

Elektriciteitsvoorziening

TCT Tactisch Crisisteam Netbeheerders

OCT Operationeel Crisisteam Aangrenzende netbeheerders (NNO s)

Producenten

Figuur 6. Organisatie

5. Maatregelen Tijdens een vroegtijdige waarschuwing of een alarmering zijn marktgebaseerde maatregelen mogelijk. Omschrijvingen van en toelichtingen op deze maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 8.2 (gasstoring), 8.3 (gasincident met noodzaak tot vroegtijdige waarschuwing) en 8.4 (gasincident met noodzaak tot alarmering). Tijdens een noodsituatie volgens de EUverordening (gascrisis) worden niet-marktgebaseerde maatregelen overwogen, volgens de onderstaande maatregelenladder. De maatregelenladder geeft een dwingende volgorde aan waarin maatregelen worden overwogen, beginnend bij de eerste maatregel. Niet iedere maatregel zal echter mogelijk blijken bij alle soorten

4

verslechteringen van de gaslevering. Dit kan onder meer komen door de urgentie van de situatie. Dit heeft in de praktijk gevolgen voor hoe snel de ladder doorlopen wordt. Een uitgebreide toelichting op de maatregelenladder is opgenomen in paragraaf 8.5. Een toelichting op iedere maatregel in deze ladder is opgenomen in paragraaf 8.6 alsmede in bijlage 1.

Maatregelenladder

Soort maatregel

Gericht op type afnemer

Maatschappelijk

Alle afnemers

Vrijwillig verzoek minder gasafname aan buurlanden (overheid tot overheid). Europese commissie verzoeken om regionale noodsituatie uit te roepen

Internationaal

Niet-beschermde afnemers

3

Inroepen van een besparingstender ‘minder afname’

Economisch

Niet-beschermde afnemers

4

Opleggen van een extra heffing voor aardgas

Economisch

Niet-beschermde afnemers

5

Gedwongen brandstofomschakeling van industrieën

Juridisch

Niet-beschermde afnemers

6

Gedwongen brandstofomschakeling bij de productie van elektriciteit

Juridisch

Niet-beschermde afnemers

7

Niet-beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch)

Juridisch / technisch

Niet-beschermde afnemers

8

Niet door solidariteit beschermde afnemers afschakelen (administratief en/of technisch)

Juridisch / technisch

Niet door solidariteit beschermde afnemers

1

Oproepen tot vermindering aardgasverbruik a.

2

b.

9

Inroepen onderlinge solidariteit tussen EU-lidstaten

Internationaal

Niet door solidariteit beschermde buitenlandse afnemers

10

Door solidariteit beschermde afnemers administratief afschakelen

Juridisch

Door solidariteit beschermde afnemers

11

Regio’s inclusief export technisch afsluiten

Technisch

Door solidariteit beschermde afnemers

Tabel 1. Maatregelenladder gascrisis/noodsituatie Hoewel er bij grootschalige gastekorten die leiden tot een gascrisis/noodsituatie een beroep kan worden gedaan op noodwetten als de Distributiewet zal voor een deel van deze maatregelen wijziging van regelgeving vereist zijn. Daarbij zal ook het vraagstuk van compensatie worden geadresseerd en zal worden vastgelegd wat de rol en verantwoordelijkheden van de diverse actoren zijn, waaronder in ieder geval GTS, de regionale netbeheerders en de toezichthouder.

6. Informatie-uitwisseling Navolgende figuur geeft weer op welke manier informatie gedeeld wordt tussen de crisisteams en betrokken partijen. Voor een toelichting op de informatie-uitwisseling wordt verwezen naar paragraaf 6.8.

5

•

RNB s

NNO s

Shippers en producenten

Datum en tijdstip van de start van ongewenste gebeurtenis

•

Beschrijving van ongewenste gebeurtenis

•

Oorzaak van ongewenste gebeurtenis

•

Context van ongewenste gebeurtenis

•

Effecten van ongewenste gebeurtenis

•

Betrokken teams en partijen

•

Genomen besluiten en adviezen

•

Maatregelen

•

Prognoses

Gasbeeld door GTS

Communicatiebeeld door DCT

Departementaal totaalbeeld van EZK door DCC-EZK

Veiligheidsregio s Interdepartementaal beeld door NCC Overige departementen

Figuur 7. Schematische weergave informatie-uitwisseling (vorming departementaal beeld)

6

Inhoudsopgave Quickread

1

1.

Inleiding

1

2.

Crisisniveaus

1

3.

Vroegtijdige waarschuwing, alarm en afkondiging noodsituatie

2

4.

Organisatie

4

5.

Maatregelen

4

6.

Informatie-uitwisseling

5

1. Inleiding 9 1.1 Inleiding

9

1.2 Doel en doelgroep

10

1.3 Relatie tot andere hand- en draaiboeken

10

1.4 Status en onderhoud

11

1.5 Versiebeheer

11

1.6 Leeswijzer

12

1.7 Vervolgstappen

12

2. EU-verordening 2017/1938

13

2.1 Algemeen

13

2.2 Crisisniveaus

13

2.3 Marktgebaseerde en niet-marktgebaseerde maatregelen

14

2.4 Beschermde afnemers en door solidariteit beschermde afnemers

14

2.5 Elektriciteitscentrales

15

2.6 Vitale infrastructuur

15

3. De Europese crisisniveaus in de Nederlandse crisisbeheersing

16

4. Betrokken partijen

18

4.1 Inleiding

18

4.2 Europese Commissie

18

4.3 Lidstaten van de Europese Unie

18

4.4 Minister van Economische Zaken en Klimaat

19

4.5 Landelijke netbeheerder GTS

20

4.6 Regionale netbeheerders

20

4.7 Overige crisispartners in de gasketen

21

4.8 Crisispartners buiten de gasketen

22

4.9 Beschermde en door solidariteit beschermde afnemers

23

5. Crisisstructuur

25

5.1 Inleiding

25

5.2 Crisismanager Gas en Elektriciteit

26

5.3 Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

26

5.4 Landelijk Netbeheerder

27

5.5 Interdepartementale crisisorganisatie

27

5.6 Overige crisisteams

28

5.7 Taken en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren

28

6. Crisisprocessen

31

7

6.1 Inleiding

31

6.2 Alertering

31

6.3 Vroegtijdige waarschuwing

31

6.4 Alarmering

32

6.5 Afkondiging gascrisis/noodsituatie

33

6.6 Op- en afschaling

34

6.7 Besluitvorming

35

6.8 Informatievoorziening

36

6.9 Crisiscommunicatie

38

7. Uitvoeringsprocessen

39

7.1 Reguleren gasvoorziening

39

7.2 Afsluiten klanten

39

7.3 Informeren klanten en ketenpartners

40

7.4 Herstellen gasvoorziening

40

8. Maatregelen

42

8.1 Algemeen

42

8.2 Maatregelen bij een gasstoring

42

8.3 Vroegtijdige waarschuwing/gasincident met noodzaak tot “vroegtijdige waarschuwing”

42

8.4 Alarmering/gasincident met noodzaak tot “alarmering”

43

8.5 Maatregelenladder bij een gascrisis/noodsituatie

46

8.6 Effect van de maatregelenladder op de gasvoorziening

53

8.7 Specifieke maatregelen voor elektriciteit en stadsverwarming

55

9. Borging van de crisisbeheersing

57

10. Regionale dimensie

58

10.1 Measures to be adopted per crisis level

58

10.2 Cooperation mechanisms

59

10.3 Solidarity among Member States

60

Bijlage 1.

Niet-marktgebaseerde maatregelen

61

Bijlage 2.

Scenariodrivers

80

Bijlage 3.

Voorbeeldscenario’s

85

Bijlage 4.

Afkortingen

91

Bijlage 5.

Definities

93

Bijlage 6.

Concordantietabel model noodplan en BH-G

94

8

1. Inleiding 1.1 Inleiding Problemen op het gebied van de gaslevering in Nederland kunnen grote gevolgen hebben: de maatschappij is voor een groot deel van de energievoorziening afhankelijk van gas. Een tekort aan (de juiste soort) gas, waardoor een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie ontstaat, vraagt daarom om een weloverwogen, adequate aanpak.4 Op Europees niveau zijn eisen gesteld aan deze aanpak. Op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (PbEU 2017, L 280/30) (hierna: de EU-verordening) is de bevoegde instantie van elke lidstaat verplicht een noodplan op te stellen dat de maatregelen bevat om de effecten van een verstoring van de gaslevering weg te nemen of te beperken overeenkomstig de in artikel 10 gestelde regels voor noodplannen. De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is bevoegde instantie in de zin van artikel 3, tweede lid, van de EUverordening en is verantwoordelijk voor het opstellen van het noodplan. In bijlage VII van de EUverordening is het model voor een noodplan gegeven.

Naast deze Europese verplichting een noodplan op te stellen is het ook noodzakelijk een crisisplan op te stellen voor de situatie dat de gasleveringssituatie aanzienlijk verslechtert. Een crisisplan beschrijft de crisisstructuur, werkwijze en verdeling van taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot leveringszekerheid gas tijdens een structureel tekort aan gas vanuit nationaal perspectief waardoor de in het kader van het noodplan opgestelde maatregelen geoperationaliseerd kunnen worden in de Nederlandse context. Voor u ligt het Bescherm- en Herstelplan Gas (hierna: BH-G) dat is opgesteld door de minister van EZK, als verantwoordelijke voor de gasleveringszekerheid in Nederland, in nauwe samenwerking met landelijk netbeheerder Gasunie Transport Services (GTS) en na consultatie van belanghebbenden. Het BH-G ziet op de invulling van de verantwoordelijkheid van de minister EZK bij een (dreigende) verstoring van gaslevering. Het bevat de maatregelen die bij een (dreigende) situatie dat de gaslevering aanzienlijk verslechtert, overwogen moeten worden om het gastransport- en distributienetwerk – en daarmee de gasleveringszekerheid – te beschermen. De maatschappelijke effecten van een verstoring van gaslevering zijn breder dan de verantwoordelijkheid van de minister van EZK.

Deze effecten zullen daarom in navolging van het BH-G en in nauwe samenwerking van betrokken partijen geadresseerd moeten worden. Het BH-G zal hierbij dienen als bouwsteen voor dit bredere perspectief. Het noodplan in de zin van de EU-verordening maakt integraal onderdeel uit van dit BH-G. Dit plan is samengesteld uit de verplichte onderdelen van het model voor het noodplan met daaraan toegevoegd een beschrijving van de Nederlandse crisisorganisatie en -managementstructuur. De verplichte onderdelen van het noodplan conform bijlage VII van de EU-Verordening zijn opgenomen in de paragrafen 2.2, 4.4-4.8, 5.2, 5.7, 6, 8.3-8.5, 8.7, 9, 10 en bijlagen 1 en 3. Bijlage 6 bevat voor het overzicht een concordantietabel.

Het BH-G ziet op een (dreigend) tekort aan gas. Voor andere soorten crises (bijvoorbeeld explosies, ongevallen) wordt het Handboek crisisbesluitvorming DG Klimaat & Energie gehanteerd. De netbeheerders hebben zelf hun calamiteitenplannen klaarliggen. 4

9

1.2 Doel en doelgroep Het BH-G geeft aan hoe gehandeld dient te worden in de voorbereiding op en bestrijding en beheersing van een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie. Het doet dit door: 1.

Inzicht te geven in de partijen die betrokken zijn bij de bestrijding van een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie, de verdeling van rollen, taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen die partijen, de crisisstructuur tijdens een gasincident of gascrisis, en hoe de bestrijdings- en uitvoeringsprocessen dienen te gaan lopen bij een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie.

2.

Een methodiek te bieden voor het maken van keuzes en nemen van maatregelen tijdens een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie.

Het BH-G is primair bedoeld voor de ‘beslissers’ binnen het ministerie van EZK en bij GTS tijdens een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie. Secundair behoren ook andere betrokken partijen en de samenleving in den brede tot de doelgroep.

1.3 Relatie tot andere hand- en draaiboeken Het ministerie van EZK kent op drie niveaus documentatie waarmee invulling wordt gegeven aan het voorbereid zijn op crises: 1. Op departementaal niveau is er het Handboek Crisisbesluitvorming EZK. Dit beschrijft de structuur en werkwijze op departementaal niveau en verbindt de crisisstructuur van EZK met de interdepartementale crisisstructuur. 2. Alle directoraten-generaal, stafdirecties en uitvoerende diensten hebben een generiek handboek opgesteld waarin is uitgewerkt hoe zij als onderdeel omgaan met crises op het eigen (beleids)terrein. 3. Onder de generieke handboeken van de onderdelen hangen specifieke hand- en draaiboeken. Hierin wordt voor een bepaald thema, domein of soort crisis de (beleidsmatige) aanpak nader uitgewerkt. Het voorliggende BH-G is een uitwerking van een deel van het generieke handboek van het Directoraat-Generaal Klimaat & Energie (DG K&E). Figuur 8 laat zien hoe de verschillende hand- en draaiboeken zich tot elkaar verhouden.

10

Figuur 8. Samenhang hand- en draaiboeken Specifieke relevantie voor het BH-G heeft het draaiboek Aardbevingen waarin staat beschreven hoe de crisisorganisatie is vormgegeven om voorbereid te zijn op een geïnduceerde aardbeving als gevolg van de gaswinning.

1.4 Status en onderhoud Het beheer van het BH-G ligt bij het ministerie van EZK. Als noodplan in de zin van artikel 8, tweede lid, van de EU-verordening moet het na 1 maart 2019 om de vier jaar worden bijgewerkt, of vaker indien de omstandigheden dit rechtvaardigen of de Commissie hierom verzoekt. Het ministerie van EZK beziet – mede tegen deze achtergrond – jaarlijks of het BH-G aanpassing behoeft. Het doet dit in samenspraak met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en GTS en – voor de RNB’s - in afstemming met Netbeheer Nederland

1.5 Versiebeheer In deze paragraaf worden alle wijzigingen geregistreerd die worden doorgevoerd in dit BH-G en de bijlagen, zodat in één oogopslag inzichtelijk is welke wijzigingen in een bepaalde periode zijn doorgevoerd. Voor alle documenten geldt, dat de startversie 1.00 is. Indien er kleine wijzigingen worden doorgevoerd in een hoofdstuk of bijlage, zal worden gewerkt met een revisiestreep in de kantlijn. Hierdoor valt op wat er is gewijzigd en is het niet nodig het complete hoofdstuk of de gehele bijlage door te nemen. Datum

Hoofdstuk/ bijlage

Omschrijving wijziging

11

Versie

1.6 Leeswijzer Dit plan is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de inhoud van de EU-verordening, als juridisch kader voor de aanpak van een (dreigende) aanzienlijke verstoring van de gaslevering. Hoofdstuk 3 koppelt de Europese begrippen vroegtijdige waarschuwing, alarm en noodsituatie aan de in Nederland gangbare indeling in gasverstoringen, gasincidenten en gascrises. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in de rollen en taken van betrokken partijen tijdens een (dreigende) aanzienlijke verstoring van de gaslevering. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de opbouw van de crisisstructuur die dient te ontstaan als de verschillende betrokken partijen hun crisisorganisaties opschalen. Hoofdstuk 6 beschrijft de belangrijke bestrijdingsprocessen tijdens een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie. Hoofdstuk 7 beschrijft de belangrijkste uitvoeringsprocessen tijdens een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie. Hoofdstuk 8 geeft een overzicht van mogelijke maatregelen bij een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie en verbindt deze aan elkaar in een maatregelenladder, die aangeeft in welke volgorde maatregelen worden genomen en daarmee houvast biedt bij het maken van keuzes. Hoofdstuk 9 beschrijft de borging van het BH-G. Hoofdstuk 10 beschrijft de EU regionale dimensie.

Bijlage 1 beschrijft de maatregelen conform bijlage VII van de EU-verordening Bijlage 2 beschrijft scenariodrivers om situaties van aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie te differentiëren en te duiden. Bijlage 3 beschrijft een aantal voorbeeldscenario’s om de werking van de maatregelen te illustreren.

1.7 Vervolgstappen Hoewel er bij grootschalige gastekorten die leiden tot een gascrisis/noodsituatie een beroep kan worden gedaan op noodwetten als de Distributiewet, zal voor een deel van de maatregelen die in dit BH-G worden aangekondigd wijziging van regelgeving vereist zijn. Daarbij zal ook het vraagstuk van compensatie worden geadresseerd. Ook zal worden vastgelegd wat de rol en verantwoordelijkheden van de diverse actoren zijn, waaronder in ieder geval GTS, de regionale netbeheerders en de energie-toezichthouder.

12

2. EU-verordening 2017/1938 2.1 Algemeen EU-verordening 2017/1938 heeft als doel de gasleveringszekerheid veilig te stellen. Vanuit dat perspectief geldt deze verordening als belangrijkste kader voor dit BH-G. De verordening introduceert diverse maatregelen om een goede en continue werking van de interne markt voor gas te waarborgen. Ook regelt de verordening de instelling van een aantal mechanismen – waaronder een solidariteitsmaatregel – waarmee het de lidstaten verplicht om regelingen op het gebied van gasleveringszekerheid met elkaar te sluiten. Zo verplicht de EU-verordening de bevoegde instanties uit de lidstaten onder meer tot het opstellen van een noodplan om de effecten van een verstoring van de gaslevering weg te nemen dan wel te beperken (artikel 8, tweede lid 2, onderdeel b).5 In artikel 10 staan de onderwerpen opgesomd die het noodplan – per crisisniveau (‘vroegtijdige waarschuwing’, ‘alarm’ en ‘noodsituatie’) – dient te adresseren. Daarbij gaat het onder meer om de: •

rollen en verantwoordelijkheden van betrokkenen en belanghebbenden;

•

technische en juridische regelingen om onnodig gasverbruik door afnemers die op het gasdistributie- of transmissienet aangesloten zijn maar geen beschermde afnemers zijn, te voorkomen;

•

de maatregelen en acties die worden genomen om de mogelijke gevolgen van een verstoring van de levering te beperken;

•

samenwerking met andere lidstaten (regionale hoofdstukken per risicogroep) en de uitvoering van het solidariteitsmechanisme; en toegankelijkheid van informatie, informatiestromen en rapportageverplichtingen.

2.2 Crisisniveaus In artikel 11, eerste lid, van de EU-verordening wordt een onderscheid gemaakt in de volgende drie crisisniveaus: a.

niveau van vroegtijdige waarschuwing (“vroegtijdige waarschuwing”): wanneer uit concrete, ernstige en betrouwbare informatie blijkt dat er zich een gebeurtenis kan voordoen die de gasleveringssituatie aanzienlijk kan doen verslechteren en kan leiden tot het ontstaan van een alarm- of een noodsituatieniveau; het niveau van vroegtijdige waarschuwing kan worden geactiveerd door een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing;

b. alarmniveau (“alarm”): wanneer er zich een verstoring van de gaslevering of een uitzonderlijk hoge gasvraag voordoet die de gasleveringssituatie aanzienlijk doet verslechteren, maar de markt nog in staat is deze verstoring of vraag op te vangen zonder gebruik te moeten maken van niet-marktgebaseerde maatregelen; c.

noodsituatieniveau (“noodsituatie”): wanneer zich een uitzonderlijk hoge gasvraag, een aanzienlijke verstoring van de gaslevering of een andere aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie voordoet, en alle relevante marktgebaseerde maatregelen zijn toegepast maar de gaslevering niet volstaat om aan de resterende gasvraag te voldoen en er dus bijkomend ook niet-marktgebaseerde maatregelen moeten worden genomen, met name om

De verordening schrijft tevens voor om een nationaal risico-assessment en een preventief actieplan te schrijven. Daarnaast worden ook in risicogroepen ‘regionale’ risico-assessments en regionale hoofdstukken van het preventieve actieplan en noodplan geschreven. 5

13

gasleveringen aan beschermde afnemers overeenkomstig artikel 6 van de EU-verordening veilig te stellen.

2.3 Marktgebaseerde en niet-marktgebaseerde maatregelen De in een noodplan vervatte maatregelen om de gasleveringszekerheid te waarborgen, zijn duidelijk omschreven, transparant, evenredig, niet-discriminerend en verifieerbaar, zorgen niet voor onnodige verstoringen van de mededinging of de goede werking van de interne gasmarkt en brengen de gasleveringszekerheid van andere lidstaten of de Unie niet in gevaar (artikel 8, eerste lid). Naast het onderscheid tussen de drie niveaus (vroegtijdige waarschuwing, alarmering en gascrisis/noodsituatie) is het verschil tussen marktgebaseerde en niet-marktgebaseerde maatregelen van belang. Marktgebaseerde maatregelen gaan uit van de gebruikelijke marktmechanismen op de gasmarkt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanspreken van gasopslagen. Marktpartijen, waaronder GTS, kunnen zelf beslissen om deze maatregelen te nemen en kunnen deze maatregelen ook zelf uitvoeren. Niet-marktgebaseerde maatregelen zijn maatregelen die uitsluitend gebaseerd zijn op besluiten van de minister van EZK. Deze maatregelen hebben invloed op de markt. Niet-marktgebaseerde maatregelen worden uitsluitend genomen als er sprake is van een noodsituatie in de zin van de EUverordening omdat dan marktmechanismen alleen de leveringszekerheid niet langer kunnen waarborgen.

Op alle drie de crisisniveaus gaat het om een (dreigende) aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie. Bij het niveau van vroegtijdige waarschuwing zijn er aanwijzingen voor deze aanzienlijke verslechtering. Bij het alarmniveau is er daadwerkelijk een aanzienlijke verslechtering, maar die kan opgevangen worden door marktgebaseerde maatregelen. In het geval van een gascrisis/noodsituatie zijn niet-marktgebaseerde maatregelen nodig om de aanzienlijke verslechtering op te vangen. De niveaus zoals beschreven in de EU-verordening kunnen elkaar opvolgen in de tijd, bijvoorbeeld wanneer een vroegtijdige waarschuwing gevolgd wordt door een alarmering en vervolgens een gascrisis/noodsituatie. Het is daarbij mogelijk dat de verschillende niveaus elkaar heel snel opvolgen waardoor niet alle niveaus onderscheidenlijk zullen worden doorlopen.

2.4 Beschermde afnemers en door solidariteit beschermde afnemers Een belangrijk element is dat in het noodplan bijzondere aandacht dient uit te gaan naar de bescherming van bepaalde groepen afnemers, waaronder huishoudens en afnemers die essentiële sociale diensten verlenen. Artikel 2, vijfde lid, van de EU-verordening geeft een definitie hiervan: 5.

„beschermde afnemer”: een huishoudelijke, op een gasdistributienet aangesloten afnemer en daarnaast, indien de betrokken lidstaat daartoe beslist, eventueel ook, voor zover de onder a) en b) bedoelde ondernemingen of diensten samen niet meer dan 20 % van het totale jaarlijkse eindgebruik van gas in die lidstaat vertegenwoordigen: a.

kleine en middelgrote ondernemingen, op voorwaarde dat zij op een gasdistributienet zijn aangesloten;

b.

essentiële sociale diensten, op voorwaarde dat zij op een gasdistributie- of transmissienet zijn aangesloten;

14

c.

stadsverwarmingsinstallaties, voor zover zij verwarming leveren aan huishoudelijke afnemers, kleine en middelgrote ondernemingen of essentiële sociale diensten, op voorwaarde dat deze installaties niet kunnen omschakelen op andere brandstoffen dan gas.

Hiernaast gaat het om door solidariteit beschermde afnemers, dat wil zeggen afnemers die in een lidstaat als beschermd zijn gedefinieerd en voor wie de lidstaat beroep kan doen op solidariteit van andere lidstaten voor de levering van gas. Volgens de definitie van artikel 2, zesde lid: 6.

„door solidariteit beschermde afnemer”: een huishoudelijke, op een gasdistributienet aangesloten afnemer; het kan ook een of beide van de volgende inhouden: a.

stadsverwarmingsinstallaties, voor zover zij in de betrokken lidstaat beschermde afnemers zijn en uitsluitend voor zover zij huishoudelijke afnemers of essentiële sociale diensten van verwarming voorzien, met uitzondering van onderwijs- en overheidsdiensten, en/of

b.

essentiële sociale diensten, voor zover zij in de betrokken lidstaat beschermde afnemers zijn, met uitzondering van onderwijs- en overheidsdiensten.

2.5 Elektriciteitscentrales In aanvulling op het vorenstaande maakt artikel 11, zevende lid, van de EU-verordening het mogelijk dat maatregelen worden genomen om tijdens een gascrisis/noodsituatie de levering aan cruciale gasgestookte elektriciteitscentrales in stand te houden: 7. Gedurende een noodsituatie en op redelijke gronden kan een lidstaat op verzoek van de betrokken transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas besluiten om de gaslevering aan bepaalde cruciale gasgestookte energiecentrales te laten prevaleren boven de levering aan bepaalde categorieën van beschermde afnemers, wanneer de onderbreking van de gastoevoer aan dergelijke cruciale gasgestookte energiecentrales: a. de werking van het elektriciteitssysteem ernstig kan beschadigen, of b. de productie en/of het transport van gas zou verhinderen.

In overleg met TenneT en GTS zal worden bezien welke gasgestookte centrales als cruciaal voor Nederland moeten worden aangemerkt.

2.6 Vitale infrastructuur Voor het BH-G wordt uitgegaan van de systematiek van de EU-verordening. Deze systematiek biedt geen ruimte om vitale infrastructuur als aparte categorie op te nemen in het BH-G. Wel is in de toelichting op de uitvoering van maatregel 11 (Regio’s inclusief export technisch afsluiten) aangegeven dat in de afschakelvolgorde zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met regio’s met vitale infrastructuur (zie bijlage 1).

15

3. De Europese crisisniveaus in de Nederlandse crisisbeheersing De Nederlandse crisisbeheersing binnen de Rijksoverheid hanteert een ander begrippenkader dan de Europese benadering als neergelegd in de EU-Verordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verhouding tussen beide begrippenkaders en aangegeven welke situaties in de Nederlandse crisisbeheersing corresponderen met welke crisisniveaus aangeduid in de EU-verordening. In de Nederlandse crisisbeheersing wordt onderscheid gemaakt tussen gasstoringen, gasincidenten en gascrises. In onderstaand kader worden de definities van deze drie begrippen gegeven. Een gasstoring is een ongewenste reductie of onderbreking in de levering van gas die met reguliere maatregelen van de netbeheerder verholpen kan worden. Het omgaan met en oplossen van een gasstoring is onderdeel van de normale bedrijfsvoering, ook bij netbeheerder GTS. In deze situatie verslechtert de gaslevering wel, maar niet aanzienlijk waardoor de EU-Verordening niet van toepassing is. Een gasincident is een ongewenste reductie of onderbreking in de levering van gas die bij een of meer betrokken netbeheerders een herinrichting van menskracht en activiteiten (opschaling van de calamiteitenorganisatie) vergt. Het is denkbaar dat een gasincident leidt tot een (dreiging van een) aanzienlijke verslechtering, d.w.z.

een structureel tekort aan gas -met de juiste samenstelling- in het systeem. Een gasincident zal in dat geval leiden tot een vroegtijdige waarschuwing of alarmering in de zin van de EU-verordening. Een gascrisis is een ongewenst fysiek tekort van gas (gasschaarste), of de dreiging daarvan, die zowel bij de netbeheerders als bij de systeemverantwoordelijke (minister EZK) een herinrichting van menskracht en activiteiten (opschaling van de crisisorganisatie) vergt, met als doel de gevolgen van dit (dreigende) tekort zo veel mogelijk te beperken. Het gaat hier om een noodsituatie in de zin van de EU-verordening.

De onderstaande figuur geeft een en ander schematisch weer:

Marktgebaseerde maatregelen

Niet-marktgebaseerde maatregelen

Gasincident zonder noodzaak tot vroegtijdige waarschuwing in de zin van 2017/1938 (GTS opgeschaald)

Gasincident met noodzaak tot vroegtijdige waarschuwing (GTS opgeschaald)

Vroegtijdige waarschuwing

Alertering

GTS meldt aan EZK

Gasincident met noodzaak tot alarmering (GTS opgeschaald)

Alarmering

Gascrisis (GTS en EZK opgeschaald)

Ministerie van EZK schaalt op

Gasstoring (geen opschaling)

GTS schaalt op

Tijd

Noodsituatie

GTS meldt aan EZK, EZK meldt aan EU

Figuur 9. Crisisniveaus en gerelateerde type maatregelen en type meldingen aan de EU.

16

In de paragrafen hierna is telkens zowel het Europese crisisniveau aangegeven als het daarmee corresponderende nationale crisisniveau. Een gasstoring valt buiten de reikwijdte van de EU-verordening, omdat er op dat moment geen aanzienlijke verslechtering van de levering is of wordt verwacht. Het verhelpen van gasstoringen door een regionale netbeheerder (RNB) valt buiten de primaire focus van dit document. De EUverordening is wel van toepassing bij een gasincident of een gascrisis. Een gasincident kan plaatsvinden op het niveau van vroegtijdige waarschuwing of alarmering. In beide gevallen zal GTS opschalen maar kan de situatie beheerst worden door het nemen van marktgebaseerde maatregelen. Uitsluitend in een gascrisis worden niet-marktgebaseerde maatregelen genomen. Een gasincident of gascrisis/noodsituatie kan bijvoorbeeld ontstaan door een ongeval in het gastransportnetwerk, problemen met de conversie van gas, grootschalige uitval van het Groningenveld, een tijdelijk tekort aan hoogcalorisch buitenlands gas of de uitval van elektriciteit (‘black out’). Belangrijke kenmerken van een gasincident of gascrisis zijn: •

Een gasincident of gascrisis/noodsituatie heeft potentieel grote impact op de maatschappij, vitale processen en andere crisisdomeinen aangezien gas een essentiële rol vervult in de Nederlandse energievoorziening.

•

In het geval van een acuut optredende verstoring zijn er maximaal slechts enkele uren beschikbaar voor het nemen van beslissingen met als doel de gevolgen zoveel mogelijk te beperken.

•

In geval van een voorziene verstoring (b.v. als gevolg van (geo)politieke invloeden) is er meer tijd voor het nemen van een beslissing maar geldt onverkort dat deze ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor afnemers, aangrenzende netwerken, producenten, etc.

•

Beslissingen tijdens verstoringen vragen soms om het maken van keuzes uit meerdere mogelijkheden. In dat geval bepaalt de beslisser6 wie er wel of niet getroffen wordt. Dit zijn vaak politiek, maatschappelijk, financieel en/of economisch -zeer- pijnlijke keuzes.

•

Het niet snel genoeg maken van keuzes vergroot de effecten van de situatie.

•

Beslissingen die ingrijpen in de gaslevering, kunnen vergaande keteneffecten met zich mee brengen en zijn daarmee per definitie complex.

•

Inschatting van de hersteltijd door de netbeheerder is lastig, waardoor het voor de overheid moeilijk is om de gevolgeffecten in te schatten; de impact is mede afhankelijk van de duur van de verstoring.

•

Niet uit te sluiten valt dat het gasincident of de gascrisis/noodsituatie zich gedurende zeer lange tijd doet voelen.

•

Het kan de relatie met buurlanden op scherp zetten.

Bovenstaande factoren maken een goede voorbereiding, met name betreffende het beslisproces noodzakelijk.

Bij een gascrisis (noodsituatie) is dit primair de directeur-generaal Klimaat en Energie, onder politieke verantwoordelijkheid van de minister van EZK. 6

17

4. Betrokken partijen 4.1 Inleiding In de volgende paragrafen beschrijven we de rollen, taken en bevoegdheden van de belangrijkste partijen die bij een gastekort betrokken zijn, namelijk de Europese Commissie, lidstaten van de Europese Unie, de minister van EZK, de landelijk netbeheerder GTS, de regionale netbeheerders en een overige crisispartners binnen en buiten de gasketen. Deze beschrijving betreft de gewenste situatie. Waar rollen, taken en bevoegdheden nog niet zijn vastgelegd in wet- en regelgeving, wordt dit aangegeven.

4.2 Europese Commissie De Europese Unie heeft buiten crisistijd primair een rol als wetgever. Zoals in het voorgaande hoofdstuk beschreven, is er Europese wetgeving over gaslevering en leveringszekerheid. Deze wetgeving regelt onder andere dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat er bij een aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie geen maatregelen worden genomen die de gasstroom binnen de interne markt op enig moment onnodig beperken of die de gasleveringssituatie in een andere lidstaat ernstig in gevaar kunnen brengen, en dat grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur gehandhaafd blijft, voor zover dat technisch en uit het oogpunt van de veiligheid mogelijk is. De Commissie onderzoekt of de afkondiging van een noodsituatie gerechtvaardigd is en of de genomen maatregelen aansluiten bij het noodplan, aardgasbedrijven geen onevenredige lasten opleggen en de interne Europese markt niet verstoren. Vervolgens kan de Commissie verzoeken de maatregelen te wijzigen wanneer die in strijd zijn met bovengenoemde voorwaarden. De Commissie kan eveneens verzoeken het einde van de gascrisis/noodsituatie af te kondigen, wanneer zij concludeert dat deze afkondiging niet (langer) gerechtvaardigd is. De Commissie kan niet beschikken over de gasvoorraden op het grondgebied van individuele lidstaten.

Vanwege de toenemende afhankelijkheid van de invoer van gas heeft de Commissie tezamen met de lidstaten wel een Europese aanpak van gascrises ontwikkeld. In deze aanpak zijn afspraken gemaakt over de instandhouding van de gasstroom binnen de interne markt en het niet treffen van maatregelen die de gasleveringssituatie in een andere lidstaat ernstig in gevaar zouden brengen. Lidstaten zijn vanuit het solidariteitsmechanisme verplicht om te voldoen aan een verzoek van een lidstaat om noodlevering van gas ten behoeve van door solidariteit beschermde afnemers, wanneer de gasnetten van de lidstaten direct of via een derde land aan elkaar verbonden zijn.

4.3

Lidstaten van de Europese Unie

Nederland en andere lidstaten van de EU zijn gebaat bij een ongestoorde gaslevering binnen de EU. Daarom is de EU-verordening gericht op het vergroten van de solidariteit en het vertrouwen tussen de lidstaten, op het zo lang mogelijk in stand houden van de werking van de interne gasmarkt en op maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering. Elke lidstaat dient op basis van de verordening een bevoegde instantie aan te wijzen. Voor Nederland zijn vooral afspraken met buurlanden en met landen uit dezelfde risicogroepen van belang. In artikel 3, zevende lid, alsmede bijlage I, van de EU-verordening worden verschillende risicogroepen van lidstaten genoemd. Deze risicogroepen dienen als basis voor samenwerking in verband met risico's. Voor Nederland gaat het daarbij om de volgende risicogroepen:

18

1. Risicogroepen voor gaslevering uit het oosten: -

Belarus: België, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Polen, Slowakije en Tsjechië;

-

Oostzee: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Slowakije, Tsjechië en Zweden.

2. Risicogroepen voor gaslevering rond de Noordzee -

Noorwegen: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden;

-

Denemarken: Denemarken, Duitsland, Luxemburg, Nederland en Zweden;

-

Het Verenigd Koninkrijk: België, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk;

-

Laagcalorisch gas: België, Duitsland, Frankrijk en Nederland.

Dit betekent dat Nederland bij problemen met gaslevering uit het oosten te maken heeft met de lidstaten genoemd onder (1), namelijk de groepen “Belarus” en “Oostzee”. Bij problemen met gaslevering rond de Noordzee heeft Nederland te maken met de lidstaten genoemd onder (2), namelijk de groepen “Noorwegen”, “Denemarken”, “Het Verenigd Koninkrijk” en “Laagcalorisch gas”. Afspraken tussen Nederland en andere lidstaten in de verschillende risicogroepen maken deel uit van het noodplan en zijn in hoofdstuk 10 opgenomen. In vervolg op de EU-verordening heeft de Europese Commissie een aanbeveling opgesteld voor de wijze waarop lidstaten invulling kunnen geven aan het solidariteitsmechanisme (EC-aanbeveling 2018/177). Het solidariteitsmechanisme borgt een ononderbroken gaslevering aan huishoudens en essentiële sociale diensten en houdt in dat indien een lidstaat om solidariteit verzoekt, de andere rechtstreeks verbonden lidstaten er in het kader van het solidariteitsmechanisme toe zijn gehouden de levering aan door solidariteit beschermde afnemers in de verzoekende lidstaat voorrang te geven boven binnenlandse afnemers die niet door solidariteit beschermd zijn. Dit hoeft alleen indien de markt niet in staat is de benodigde gasvolumes te leveren.

De hulp die een lidstaat kan bieden, is onderworpen aan verschillende beperkingen zoals het kunnen leveren aan de eigen binnenlandse, door solidariteit beschermde afnemers indien de gaslevering aan hen wordt bedreigd. Een lidstaat kan alleen beroep doen op dit solidariteitsmechanisme als laatste redmiddel, als de markt niet in staat is de benodigde gasvolumes aan te bieden aan de door solidariteit beschermde afnemers en als alle beschikbare maatregelen in het noodplan van de verzoekende lidstaat zijn uitgeput.

4.4 Minister van Economische Zaken en Klimaat De minister van EZK is de bevoegde instantie voor de nationale gasvoorziening en is verantwoordelijk voor de afkondiging van elk van de crisisniveaus bedoeld in artikel 11 van de EUverordening en de voor elk niveau te volgen procedures voor die afkondigingen. De minister kan op grond van artikel 11, tweede lid, van de EU-verordening een gascrisis/noodsituatie afkondigen. Als hij dat doet, moet hij vervolgens de Commissie en de direct omliggende lidstaten en het Nationaal Crisis Centrum (NCC) inlichten. De minister van EZK zal met wettelijke bevoegdheden sturing moeten kunnen geven aan GTS, bijvoorbeeld over hoe te acteren bij crises in de gaslevering. De minister van EZK kan aan een netbeheerder de opdracht geven om een niet-marktgebaseerde maatregel te nemen.

19

Indien het gastekort van dusdanige proporties is (of dreigt te worden) dat er sprake is van een noodsituatie in de zin van de EU-verordening en er ingrijpende niet-marktgebaseerde maatregelen nodig zijn, kan bij koninklijk besluit, op voordracht van de minister-president, de beperkte of algemene noodtoestand worden afgekondigd. Aanvullend hieraan wordt bezien welke wijzigingen nog nodig zijn in wet- en regelgeving om de in het BH-G voorgestelde maatregelen te kunnen nemen.

4.5 Landelijke netbeheerder GTS De beheerder van het landelijk gastransportnet, GTS, is een zelfstandige dochter van Gasunie. GTS is verantwoordelijk voor het beheer, de werking en de ontwikkeling van het landelijk gastransportnet in Nederland. Bij gasstoringen en incidenten in de gaslevering treft GTS zo nodig en zo mogelijk eigen herstelmaatregelen. Indien er aanwijzingen zijn dat een aanzienlijke verslechtering van de gaslevering zich zou kunnen voordoen, of als die aanzienlijke verslechtering zich voordoet, neemt GTS verplicht contact op met het ministerie van EZK (zie hoofdstuk 5). Als er een aanzienlijke verslechtering van de gaslevering optreedt en marktgebaseerde maatregelen niet volstaan om het gastekort op te vangen, houdt GTS nauw contact met de Crisismanager Gas en Elektriciteit (zie hoofdstuk 5). Op grond van artikel 51 van de Gaswet moet GTS iedere vijf jaren een calamiteitenplan ter goedkeuring voorleggen aan de minister van EZK. De landelijk netbeheerder GTS werkt internationaal samen binnen ENTSOG, het samenwerkingsverband van alle Europese transmissiesysteembeheerders voor gas (Transmission System Operators (TSO’s)). De Europese TSO’s hebben met elkaar informele communicatieafspraken gemaakt om de betrouwbaarheid van de gasvoorziening in hun gezamenlijke gebied te borgen.

Dit platform biedt de mogelijkheid voor GTS om snel te schakelen als er capaciteit wegvalt.

4.6 Regionale netbeheerders De regionale netbeheerders (RNB’s) zijn verantwoordelijk voor het distribueren van gas in een gebied, voor het in stand houden van hun net-infrastructuur en voor de afschakel- en herstelplannen, inclusief communicatie hierover. Op grond van artikel 51 van de Gaswet moeten ook de RNB’s iedere vijf jaar een calamiteitenplan ter goedkeuring voorleggen aan de minister van EZK. Met Netbeheer Nederland zal worden bezien hoe deze calamiteitenplannen zijn in te passen binnen de structuur en de maatregelen die met dit BH-G in het leven worden geroepen. Een netbeheerder is onafhankelijk, en niet verbonden aan een leverancier van gas. Een RNB treft zo nodig eigen herstelmaatregelen bij onderbreking van de levering. Naast de reguliere taken en verantwoordelijkheden dienen alle netbeheerders samen te werken om de gasvoorziening in buitengewone omstandigheden te waarborgen. In figuur 10 zijn de netbeheerders opgenomen met een indicatie van hun verzorgingsgebied(en) ten aanzien van gas.

20

Figuur 10. Regionale netbeheerders

4.7 Overige crisispartners in de gasketen Binnen de gasketen is een aantal partijen te benoemen die tijdens een gascrisis een rol kunnen hebben als veroorzaker, getroffene of crisispartner. Deze partijen worden hieronder kort genoemd, met daarbij de primaire taak/verantwoordelijkheid. •

Programmaverantwoordelijken, met primair als taak het in balans houden van de gasmarkt. De daaruit voortvloeiende totale netbalans is de resultante van de handelswijze van alle programmaverantwoordelijken samen. Bij verstoring van de gasbalans buiten de met de programmaverantwoordelijken gecommuniceerde operationele band neemt de landelijk netbeheerder GTS maatregelen om de gasbalans te herstellen.

•

Producenten van aardgas, met primair als taak om gas in het hoofdtransportnet te voeden.

•

Producenten van stikstof, voor zover zij stikstof leveren voor de mengstations in Pernis en Wieringermeer.

•

Direct aangeslotenen van de landelijk netbeheerder GTS, dit zijn grootverbruikers die niet via een RNB afnemen. Dit betreft grote industriële afnemers en gasgestookte elektriciteitscentrales.

•

Direct aangeslotenen van de regionale netbeheerders, dit zijn grootverbruikers die via een RNB afnemen. Dit betreft grote industriële afnemers en gasgestookte elektriciteitscentrales.

•

Beheerders van gasbergingen (Storage System Operator, SSO’s) en partijen die eigenaar zijn van het gas in de bergingen, waar gas ondergronds is opgeslagen. Dit gas kan op commerciële basis, worden gebruikt voor het opvangen van onbalans gedurende de dag of het seizoen.

21

•

Aangrenzende netbeheerders (Neighbouring Network Operators, NNO’s), van belang voor internationale gaslevering en gasafname, en voor afspraken bij ernstige tekorten.

•

Netbeheerders elektriciteit, deze zijn van belang omdat de productie en het transport van aardgas goeddeels afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van elektriciteit. Daarnaast is de productie van gas op zijn beurt van belang voor de elektriciteitsproductie (ca. 50% van de Nederlandse elektriciteit wordt opgewekt in gasgestookte centrales). Hier is dus sprake van wederzijdse afhankelijkheid.

•

Autoriteit Consument en Markt (ACM), is toezichthouder en kan ingevolge artikel 1b van de Gaswet een bindende gedragslijn opleggen aan netbeheerders ter naleving van de wet, richtlijnen of verordeningen. Ook kan de ACM ingevolge artikel 12b van de Gaswet netcodes vaststellen voor onder andere buitengewone omstandigheden en voor de wijze waarop de leveringszekerheid wordt geborgd en de productiereservecapaciteit.

•

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), is de onafhankelijk toezichthouder op de delfstoffenen energiewinning, inclusief gas, in Nederland. SodM ziet toe op de veiligheid en milieubescherming bij onder andere het gasnetwerk. Indien nodig kan SodM de naleving van de daarvoor geldende wet- en regelgeving afdwingen. Daarnaast heeft SodM de taak om de minister van Economische Zaken en Klimaat gevraagd en ongevraagd te adviseren over gaswinning. De taken van de SodM zijn vastgelegd in de Mijnbouwwet en de Gaswet.

•

Beheerder LNG-terminal GATE en partijen die eigenaar zijn van het gas in de terminal.

4.8 Crisispartners buiten de gasketen Tijdens een gascrisis zal ook worden samengewerkt met partijen buiten de gasketen: •

Ministerie van Justitie en Veiligheid/NCC/LOCC. De minister van JenV is de coördinerend minister op het gebied van crisisbeheersing. Hij is politiek verantwoordelijk voor de inrichting, werking en samenhang van het crisisbeheersingsbeleid en -stelsel. Ook heeft hij, in nauwe samenwerking met de andere ministers, de regie voor het versterken van de nationale veiligheid. Bij het ministerie van JenV zijn onder meer het Nationaal Crisis Centrum (NCC) en het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC) ondergebracht. -

Het NCC ondersteunt de besluitvorming van de interdepartementale crisisstructuur, onder meer door als informatieknooppunt te fungeren.

-

Het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC) heeft als taak om tijdens incidenten en crises een efficiënte en samenhangende inzet van mensen, middelen en expertise van de operationele diensten brandweer, politie, GHOR, defensie en gemeenten te bevorderen.

Bij grootschalige calamiteiten die het gastransport betreffen of aantasten, kan de landelijk netbeheerder GTS een liaison naar zowel het NCC als het LOCC sturen. •

Andere ministeries. Een tekort aan gas werkt al snel ontwrichtend door in de (beleids-) domeinen van andere ministeries. Bij een gascrisis/noodsituatie zullen daarom mogelijk ook andere ministeries dan EZK en JenV opschalen om de gevolgen voor hun eigen beleidsdomein zo veel mogelijk te beperken. Samenwerking van de betrokken ministeries wordt gecoördineerd binnen de structuur van de nationale crisisbesluitvorming.

•

Burgemeesters/voorzitters veiligheidsregio. De 25 veiligheidsregio’s in Nederland hebben de samenwerking met de landelijk netbeheerder GTS vastgelegd in convenanten. De veiligheidsregio’s richten zich op de gevolgen van een gasincident of gascrisis/noodsituatie in het openbare leven. Het gaat dan om de uitvoering van taken op het terrein van brandweerzorg, rampen- en crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening en openbare orde

22

en veiligheid. Conform de convenanten nemen liaisons van de regionale netbeheerder(s) en eventueel van de landelijk netbeheerder desgevraagd deel aan het (regionaal) beleidsteam. Dit kan per veiligheidsregio verschillend zijn georganiseerd (het kan bijvoorbeeld ook zijn dat een liaison van de veiligheidsregio deelneemt aan het crisisteam van de (regionale) netbeheerder). De burgemeester of voorzitter veiligheidsregio is verantwoordelijk voor de aanpak van de effecten van een gastekort op de openbare orde en openbare veiligheid in zijn/haar gemeente of veiligheidsregio. De burgemeester of voorzitter veiligheidsregio heeft geen invloed op het functioneren van de gassector zelf (de continuïteit van de levering): overheidsinterventie in de sector gas is gecentraliseerd en ligt bij de minister EZK/Europese Commissie. De burgemeester of voorzitter veiligheidsregio danwel op landelijk niveau de minister van JenV heeft wel de bevoegdheid om preventief afschakelen door een netbeheerder (tijdelijk) te voorkomen als de openbare orde of veiligheid daarmee acuut in gevaar komt, bijvoorbeeld bij een evacuatie.

4.9 Beschermde en door solidariteit beschermde afnemers De definities van ‘beschermde afnemers’ en ‘door solidariteit beschermde afnemers’ bepalen voor meerdere maatregelen voor welke afnemers deze gelden. Daarnaast is bij verschillende maatregelen de afnemersgrootte leidend. In de koude fase dient jaarlijks door de netbeheerders een data-analyse van alle afnemers te worden uitgevoerd, waarbij minimaal de volgende categorisering wordt aangebracht: 1. Categorie I: Niet-beschermde afnemers, gerangschikt op volgorde van jaarlijkse gasafname; 2. Categorie II: Beschermde afnemers, niet zijnde door solidariteit beschermde afnemers (geen beroep op solidariteit tussen lidstaten mogelijk), gerangschikt op volgorde van jaarlijkse gasafname; 3. Categorie III: Door solidariteit beschermde afnemers, gerangschikt op volgorde van jaarlijkse gasafname. In de onderstaande figuur is deze categorisering nader gedefinieerd. In 4.9.1 en 4.9.2 wordt de categorisering verder geconcretiseerd, gevolgd door een toelichting op de crisismaatregelen in 8.7. Categorie III Door solidariteit beschermd: - Huishoudens - Specifieke essentiële sociale diensten (w.o. gezondheidszorg) - Stadsverwarming (voor huishoudens en specifieke essentiële sociale diensten)

Categorie II Beschermd (geen solidariteit): - Kleine en middelgrote ondernemingen- Cruciale elektriciteitsproductie - Overige essentiële sociale diensten en stadsverwarming

Categorie I Overige gebruikers zijn niet beschermd. Hier valt onder meer de niet-cruciale elektriciteitsproductie onder.

Figuur 11. Mate van bescherming van verschillende afnemers van aardgas

4.9.1 Beschermde afnemers De afnemers waar een maatregel op ziet, worden bepaald door de vraag of deze de status ‘beschermd’ bezitten. Conform artikel 2, vijfde lid, van de EU-verordening zijn huishoudelijke, op een gasdistributienet aangesloten afnemers, beschermde afnemers. De Europese regelgeving biedt bovendien ruimte om stadsverwarmingsinstallaties (deels) aan te merken als beschermde afnemers. Hiernaast kan een lidstaat essentiële sociale diensten en kleine en middelgrote ondernemingen aanwijzen als beschermde afnemers, voor zover deze samen niet meer dan 20 % van het totale jaarlijkse eindgebruik van gas in die lidstaat vertegenwoordigen. Omdat bij uitval

23

van de cruciale gasgestookte elektriciteitsproductie door solidariteit beschermde afnemers (zie 4.9.2) het beschikbare gas niet kunnen gebruiken, kunnen de cruciale gasgestookte energiecentrales voorrang krijgen boven bepaalde groepen van beschermde afnemers (artikel 11, zevende lid van de EU-verordening). EZK zal dan ook in samenwerking met TenneT en GTS bezien welke elektriciteitscentrales als cruciaal aangewezen moeten worden. Voor de cruciale energiecentrales kan geen beroep gedaan worden op solidariteit vanuit het buitenland (de EUverordening, artikel 11 zevende lid). In het kader van dit plan zijn beschermde afnemers hieronder weergegeven. Beschermde afnemers zijn: •

huishoudelijke afnemers7;

•

stadsverwarmingsinstallaties, voor zover zij verwarming leveren aan huishoudelijke afnemers, kleine en middelgrote ondernemingen of essentiële sociale diensten, op voorwaarde dat deze installaties niet kunnen omschakelen op andere brandstoffen dan gas;

•

essentiële sociale diensten, waaronder minimaal de gezondheidszorg (ziekenhuizen 8 en toegelaten zorginstellingen9);

•

kleine en middelgrote ondernemingen10.

Tevens wordt prioriteit gegeven aan het instandhouden van cruciale elektriciteitsproductie, waarbij cruciaal inhoudt dat wordt voorkomen dat de werking van het elektriciteitssysteem ernstig wordt beschadigd of de productie en/of het transport wordt verhinderd.

4.9.2 Door solidariteit beschermde afnemers Een deel van de beschermde afnemers wordt in EU-verordening als ‘door solidariteit beschermde afnemer’ gedefinieerd. In artikel 2, zesde lid, van de EU-verordening is gedefinieerd wat ‘door solidariteit beschermde afnemers’ zijn. Door solidariteit beschermde afnemers zijn: •

huishoudelijke afnemers;

•

stadsverwarmingsinstallaties, voor zover zij in de betrokken lidstaat beschermde afnemers zijn en uitsluitend voor zover zij huishoudelijke afnemers of essentiële sociale diensten van verwarming voorzien, met uitzondering van onderwijs- en overheidsdiensten;

•

essentiële sociale diensten, voor zover zij in de betrokken lidstaat beschermde afnemers zijn, met uitzondering van onderwijs- en overheidsdiensten. (Hieronder valt minimaal de gezondheidszorg (ziekenhuizen en toegelaten zorginstellingen).

Het verschil tussen ‘beschermde afnemers’ en ‘door solidariteit beschermde afnemers’ is dat kleine en middelgrote ondernemingen niet door solidariteit beschermd zijn en datzelfde geldt voor onderwijs- en overheidsdiensten.

Hieronder vallen alle adressen die in de BAG geregistreerd staan als woningfunctie, inclusief voorzieningen met een woonfunctie zoals gevangenissen (omdat mensen daar bepaalde tijd permanent verblijven). 8 https://www.zorgkaartnederland.nl/ziekenhuis 9 Zorgaanbieders die gefinancierd worden vanuit de Zorgverzekeringswet (ZW) of de Wet langdurige zorg (WLZ) en waarvan is vastgesteld dat zij voldoen aan de eisen in Wet toelating zorginstellingen (WTZi): https://www.wtzi.nl/toegelaten-instellingen . 10 Hieronder vallen alle adressen die in de BAG geregistreerd staan met een gebruiksdoel die indicatief is voor een kleine of middelgrote onderneming, bijvoorbeeld ‘winkelfunctie’. 7

24

5. Crisisstructuur 5.1 Inleiding Bij een gasincident of gascrisis/noodsituatie werken verschillende organisaties vanuit hun calamiteiten- of crisisorganisatie. Figuur 12 geeft inzicht in de structuur tijdens een aanzienlijke verslechtering van de gaslevering (gascrisis/noodsituatie). De met een doorgetrokken lijn omlijnde blokken geven teams aan die alleen tijdens een crisis kunnen worden opgeschaald. De met een stippellijn omlijnde blokken zijn permanente structuren. De verschillende onderdelen van de crisisstructuur worden onder de figuur kort toegelicht.

CGE

Departementale crisisstructuur Ministerie van EZK

Interdepartementale crisisstructuur

Minister

MCCb Ministeriële Commissie Crisisbeheersing

DBT Departementaal Beleidsteam

ICCb Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing

DCC-EZK Departementaal Crisiscentrum

DAT Departementaal Adviesteam

IAO Interdepartementaal Afstemmingsoverleg

DCT Departementaal Communicatieteam

NKC Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie

Crisisstructuur GTS

NCC Nationaal Crisiscentrum

LOCC Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum

Partners in de gassector

Veiligheidsregio s

Shippers en producenten van gas

(R)BT

RNB s

ROT CoPI

SCT Strategisch Crisisteam

Elektriciteitsvoorziening

TCT Tactisch Crisisteam Netbeheerders

OCT Operationeel Crisisteam Aangrenzende netbeheerders (NNO s)

Producenten

Figuur 12. Structuur bij een gascrisis Uit de figuur hierboven wordt duidelijk dat de Departementale crisisstructuur en de Crisisstructuur GTS op elkaar aansluiten: het Strategisch Crisisteam (SCT) informeert de Departementale crisisstructuur via het Departementaal Crisiscentrum van het ministerie van EZK (DCC-EZK) en adviseert het Departementaal Adviesteam (DAT) en het Departementaal Beleidsteam (DBT). De Departementale crisisstructuur en de interdepartementale crisisstructuur sluiten ook op elkaar aan (zie Crisishandboek EZK). GTS adviseert het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC) en schakelt met de betrokken netbeheerders voor gas en elektriciteit. GTS en de regionale netbeheerders adviseren de Veiligheidsregio’s via het Regionaal Operationeel Team (ROT). De Crisismanager Gas en Elektriciteit (CGE) coördineert de geschetste samenhang (zie ook de volgende paragraaf).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11832865/1