CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS312905 Bijlage 1 Stukken Maanplein Hoekblok (Elara)

Algemene Raadscommissie 12 oktober 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken30.454 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

B.2.21.1353.001 t/m 040

8

25 november 2020 heeft de gemeenteraad het omgevingsplan Binckhorst gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het op 29 november 2018 vastgestelde omgevingsplan. Op 3 maart 2021 is het gewijzigde plan in werking getreden. Tevens zijn er beleidsregels vastgesteld. De Beleidsregels omgevingsplan Binckhorst zijn vastgesteld op 20 november 2018, in werking getreden op 22 februari 2019 en deze waren van toepassing tot 22 juli 2019. Op 25 juni 2019 zijn de Beleidsregels gewijzigd vastgesteld. Deze zijn in werking getreden op 22 juli 2019. De beleidsregels dienen ter uitleg van regels die zijn opgenomen in het omgevingsplan Binckhorst. Deels gaat het om inhoudelijke beleidsregels, waarmee open normen in het omgevingsplan worden uitgelegd. Daarnaast zijn beleidsregels die betrekking hebben op procedures in het omgevingsplan opgenomen. Ook zijn met de beleidsregels de vindplaatsen verduidelijkt van beleidsdocumenten waarnaar in de regels een (dynamische) algemene verwijzing is opgenomen. 3.1.2 Regels bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Binckhorst’ Op grond van artikel 4, onder a, is het verboden zonder voorafgaande omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 7.1, 8.1, 9.1, 10.1 een 11.1 aan te vangen en/of te veranderen.

Op grond van artikel 4, onder b, wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld onder a verleend indien wordt voldaan aan de voor de aanvraag toepasselijke randvoorwaarden in de artikelen 7.2, 8.2, 9.2, 10.2 en 11.2 en het gestelde in artikel 5. Op grond van artikel 4, onder c, wordt een omgevingsvergunning voor bouwen getoetst aan de voor de aanvraag toepasselijke randvoorwaarden in de artikelen 7.2, 8.2, 9.2, 10.2 en 11.2 en het gestelde in artikel 5. Op grond van artikel 4, onder e, kan, in uitzondering op het gestelde onder b, een omgevingsvergunning ook worden verleend indien wordt voldaan aan de regels in artikel 23. De gronden waar het bouwproject is beoogd, hebben de bestemming ‘Transformatiegebied’. Ook geldt er een gebiedsaanduiding ‘overige zone - Binckhorsthaven en Maanplein’ en een functieaanduiding ‘primaat wonen’ en een bouwaanduiding ‘bouwhoogte minimaal 13 meter en maximaal 30 meter met hoogteaccent van 70 meter’. In artikel 7.1 zijn de toegelaten activiteiten en functies opgenomen. Ter plaatse van de functie transformatiegebied zijn toegestaan: a. wonen; b. het exploiteren van een bedrijf; c. bedrijfsverzamelgebouw en de daarbij behorende activiteiten; d. het verrichten van activiteiten in de creatieve industrie; e. het verrichten van activiteiten gericht op cultuur en ontspanning; f. het exploiteren van een detailhandelsvestiging;

B.2.21.1353.001 t/m 040

9

g. het verlenen van diensten; h. het exploiteren van een horeca-inrichting; i. het exploiteren van een hotel; j. het houden van een kantoor; k. het verrichten van maatschappelijke diensten; l. mixed concepts en de daarbij behorende activiteiten; m. het verrichten van recreatieve activiteiten; n. het houden van evenementen; o. groen en water; p. ondergrondse infrastructuur; q. watergerelateerde activiteiten, zoals benoemd in artikel 10.1; r. activiteiten die verband houden met verkeer, parkeren en verblijven, waaronder ook geluidwerende voorzieningen worden begrepen; s. het opwekken van energie ten behoeve van eigen gebruik; t. ambulante handel, met inachtneming van het gestelde in de Straathandelsverordening, en de daarbij behorende activiteiten, waaronder laden en lossen, het aanleggen en het slopen, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 7.2. In artikel 7.2 zijn de randvoorwaarden opgenomen die zijn verbonden aan de onder 7.1 genoemde activiteiten. Deze randvoorwaarden hebben betrekking op aspecten als geluid, verkeer, archeologische waarden, parkeergelegenheid, lichthinder etc. Op grond van artikel 7.2.2 onder a, onder 1, bedraagt de bouwhoogte van nieuwe bebouwing ten minste 8 meter en niet meer dan 70 meter, met dien verstande dat de minimale en maximale hoogte van de bebouwing en de hoogteaccenten verschilt per (deel)gebied.

In de beleidsregel “Ruimtelijke kwaliteit” is een verdere differentiatie van de hoogte opgenomen. Op grond de beleidsregel Ruimtelijke kwaliteit is een bouwhoogte van minimaal 13 en maximaal 30 meter toegestaan met een accent tot maximaal 70 meter. Op grond van artikel 7.2.2, onder a, onder 8, mag er in maximaal drie bouwlagen beneden peil worden gebouwd. Op grond van artikel 7.2.6 bedraagt het totaal aantal nieuwe woningen in het plangebied maximaal 4.427. 3.1.3 Strijdigheid met het Omgevingsplan Binckhorst De aanvraag is (uitsluitend) in strijd met het gestelde in artikel 7.2.2, onder a, onderdeel 2, van het omgevingsplan. Hierin is voorgeschreven dat de ruimtelijke kwaliteit van een gemengd hoofdstedelijk woon-, werk- en leefgebied in acht wordt genomen met dien verstande dat de minimale hoogte van de plint voor nieuwe gebouwen, met uitzondering van hoogbouw, ter plaatse van de aanduiding “regeling plint” zoals deze op de kaart ‘Regels bebouwing’ behorende

B.2.21.1353.001 t/m 040

10 bij de beleidsregel ‘ruimtelijke kwaliteit’ is aangegeven, 8 meter bedraagt, waarbij de plint uitsluitend uit één of twee bouwlagen mag bestaan. De definitie van ‘plint’ is opgenomen in bijlage 1 “Begripsbepalingen en wijze van meten” bij het omgevingsplan Binckhorst en luidt als volgt: “het onderste gedeelte van een gebouw dat gezien vanaf het maaiveldniveau als bepalend kan worden aangemerkt voor de beleving in stedenbouwkundige, architectonische en functionele zin”. In de bijlage ‘Beleidsregel Ruimtelijke Kwaliteit kaart 3’ van het omgevingsplan Binckhorst is in de legenda de aanduiding ‘regeling plint’ opgenomen. Deze regeling geldt voor alle objecten welke gerealiseerd worden aan de Maanweg. De hoogte van de plint van het Hoekblok bedraagt 5,3 meter en is daarmee dus 2,7 meter lager dan toegestaan. Het omgevingsplan Binckhorst biedt de mogelijkheid om van artikel 7.2.2, onder a, onderdeel 2 af te wijken. Op grond van artikel 23, onder a, onderdeel 4, kan met een omgevingsvergunning via saldering worden afgeweken voor wat betreft de minimale hoogte van de plint, met dien verstande dat de minimale hoogte van de plint niet minder dan 4,5 meter mag bedragen. Aan die voorwaarde wordt voldaan. Op pagina 13 van het bestreden besluit is toegelicht waarom wij menen gebruik te hebben kunnen maken van deze afwijkingsmogelijkheid. Wij volstaan hier met verwijzing naar deze pagina.

Vergunninghouder heeft LBP Sight verzocht om een volledige toetsing aan de regels van het Omgevingsplan Binckhorst op te stellen. Deze ruimtelijke onderbouwing is door ons beoordeeld en akkoord bevonden en bevindt zich tussen de processtukken (processtuk J16). 4. Reactie op de bezwaarschriften 4.1 Algemeen Het is allereerst van belang om te benadrukken dat bij het opstellen van het omgevingsplan Binckhorst al een belangenafweging heeft plaatsgevonden. In het kader van dit omgevingsplan zijn veel onderzoeken uitgevoerd en is op grond hiervan bepaald wat mogelijk zou worden gemaakt binnen dit gebied en binnen de diverse deelgebieden van de Binckhorst. Het onderhavige bouwproject past vrijwel volledig binnen de regels van het omgevingsplan Binckhorst. Uitsluitend ten aanzien van de hoogte van de plint is van de regels afgeweken. En ook dat is gebeurd met gebruikmaking van de mogelijkheden die het Omgevingsplan Binckhorst biedt. In het kader van de vaststelling van het omgevingsplan Binckhorst is een OmgevingsEffectRapport (OER) opgesteld, waarbij diverse onderzoeken (verkeer, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, stikstofdepositie) zijn uitgevoerd op basis van een worst-case inschatting van de maximaal mogelijke verkeersbewegingen. Deze analyses staan in paragraaf

B.2.21.1353.001 t/m 040

11

4.4 van de Aanvulling op het OER. Dit is, evenals het omgevingsplan Binckhorst zelf, in te zien op “ruimtelijkeplannen.nl”. In opdracht van vergunninghouder zijn, in verband met de aanvraag om omgevingsvergunning, ook diverse onderzoeken uitgevoerd. De naar aanleiding van deze onderzoeken opgestelde rapporten en analyses zijn met de aanvraag aangeleverd. De onderzoeken zijn verricht door Goudappel Coffeng, LBP Sight, Hiensch Engineering, Deltavormgroep BV, ECOquicksan, SGS Search en Actiflow. Deze worden alle beschouwd als onafhankelijke, deskundige onderzoeksbureaus. De aangeleverde onderzoeken zijn voor een advies voorgelegd aan de diverse deskundige afdelingen binnen de gemeente, zoals de afdeling Stedenbouw & Planologie, de afdeling Mobiliteit en het team Bouwconstructies, Bouwfysica en -ecologie van de afdeling Vergunningen en Toezicht, maar ook aan de Omgevingsdienst Haaglanden en de Brandweer. Deze hebben de onderzoeksrapporten en overige stukken beoordeeld en de definitieve versies daarvan akkoord bevonden.

Het is vaste jurisprudentie, dat wij een deskundigenrapport in beginsel aan onze besluitvorming ten grondslag mogen leggen, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn die aanleiding geven voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het betreffende advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop.3 De standpunten van bezwaarmakers zijn niet onderbouwd met een rapport van een andere (onafhankelijke) deskundige. Wij menen daarom dat wij de diverse rapporten aan onze besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. 4.2 “De ter beschikking gestelde stukken zijn onzorgvuldig samengesteld” De onderhavige aanvraag is in juli 2019 ingediend. Hierbij zijn diverse onderzoeksrapporten aangeleverd. Meerdere van deze onderzoeksrapporten zijn vervolgens aangevuld en aangepast, waarna deze opnieuw door ons zijn beoordeeld. Van belang zijn de onderzoeksrapporten die uiteindelijk zijn goedgekeurd en die onderdeel uitmaken van het onderhavige besluit. Deze stukken zijn alle, netjes geordend, bij uw commissie aangeleverd en vervolgens doorgezonden naar bezwaarmakers. Voor zover de stukken die bezwaarmakers eerder hebben ontvangen al onoverzichtelijk waren, is dat met het toezenden van de stukken in het kader van de bezwaarprocedure opgelost.

Bezwaarmakers zijn derhalve wat dat betreft op geen enkele wijze in hun belangen geschaad. 4.3 Participatie Vooropgesteld moet worden, dat er geen wettelijke regel is die bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling alleen mogelijk is als daarvoor draagvlak bestaat. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die wij bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwproject dienen te maken.4 Het wettelijke toetsingskader zoals opgenomen in de Wabo is leidend.

3

ABRS, 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2726, rechtsoverweging 16.1 en Rechtbank Den Haag, 18 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:9559, rechtsoverweging 6.5 4 ABRS, 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3112, rechtsoverweging 14.1

B.2.21.1353.001 t/m 040

12

In de door bezwaarmakers aangehaalde Participatieleidraad Binckhorst (RIS303172, vastgesteld op 5 maart 2020) is te lezen, dat deze een praktische handleiding is, een hulpmiddel toegespitst op de Binckhorst. “De leidraad geeft een duidelijke structuur van minimaal gewenst participatieniveau en daarnaast geeft het handvatten voor aanpak met mogelijkheden om de participatie in te richten.” In de Participatieleidraad staat niet dat de omgevingsvergunning niet mag worden verleend als draagvlak of een vorm van participatie ontbreekt. Wel streeft de gemeente ernaar dat voldoende maatschappelijk draagvlak wordt verkregen en dat omwonenden worden betrokken bij de planvorming. Bij de ontvangstbevestiging van een aanvraag om een omgevingsvergunning, wordt om die reden altijd een bijlage gevoegd met als titel: “Bouwen: communiceer op tijd met de buurt”. Ook in dit geval is deze bijlage bij de ontvangstbevestiging gevoegd. Zie hiervoor processtuk A. In de bijlage wordt de aanvrager dringend geadviseerd om op tijd de buurt te informeren over het plan. Toegelicht is op welke wijze de betrokkene kan communiceren met de omgeving. Bij brief van 3 november 2020 heeft Borghese Real Estate toegelicht op welke wijze invulling is gegeven aan participatie bij de planvorming van dit project. Zie hiervoor processtuk K9.

Vermeld is, dat op 16 juli 2019 en op 17 juli 2019 de omwonenden door de vergunninghouder zijn geïnformeerd over de bouwplannen. Diverse bewoners uit Voorburg waren hierbij aanwezig. Met de bewoners is afgesproken dat samen met de gemeente en Staedion (die de sociale woningen in het nieuwe gebouw zal verhuren) verdere afstemming zou plaatsvinden. “Dit heeft geresulteerd in een aantal gesprekken met een afvaardiging van de bewoners van Voorburg en van de bewoners van het Maanplein in aanwezigheid van Staedion en een vertegenwoordiging van de gemeente Voorburg en de gemeente Den Haag. Deze vonden plaats op 18 september, 2 oktober en 13 november 2019. In deze overleggen heeft BRECOD een nadere toelichting gegeven op het bouwplan en op de diverse onderzoeken zoals windhinder, bezonning en verkeer.”5 Deze overleggen hebben er toe geleid dat het aanvankelijke plan is aangepast. Zo is het Hoekblok met twee bouwlagen verlaagd, van een hoogte van circa 55 meter naar 49,95 meter en is hiermee ook het aantal woningen van 164 naar 140 verlaagd. Verder realiseert BRECOD openbaar toegankelijke groen- en speelvoorzieningen op het Maanplein. Staedion neemt in het huishoudelijk reglement op dat huurders geen schotels aan de gevel mogen plaatsen.

Naast de gesprekken met de omwonenden heeft BRECOD op 30 september 2019 haar plannen gepresenteerd op de gezamenlijke informatieavond van de Binckhorst, georganiseerd door de gemeente Den Haag. De bezoekers hadden hierbij de mogelijkheid om op de plannen te reageren. 4.4 Cumulatieve effecten In tegenstelling tot hetgeen bezwaarmakers stellen, waren wij bij het nemen van het besluit niet gehouden rekening te houden met eventuele toekomstige ontwikkelingen in de omgeving die nog niet juridisch-planologisch mogelijk waren.6 De voorzieningenrechter heeft dit in de genoemde uitspraak van 21 april jl. bevestigd. Zie hiervoor rechtsoverweging 11.2.

5

Borghese Real Estate, Memo Participatie Hoekblok Maanplein, Den Haag, BRECOD Den Haag Maanplein I BV, 3 november 2020, p. 1 6 ABRS, 2 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:8

B.2.21.1353.001 t/m 040

13 De cumulatieve gevolgen ten aanzien van de aspecten ‘verkeer’ en ‘milieu’ zijn bovendien al onderzocht in het kader van de milieueffectrapportage ten behoeve van de vaststelling van het omgevingsplan Binckhorst. Daarnaast vindt er, conform artikel 24 van het Omgevingsplan in samenhang met artikel 26 van de Beleidsregels, monitoring plaats, waarbij ten minste (1) de aspecten ter borging van de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de belasting door activiteiten of de concentratie of depositie van stoffen in de fysieke leefomgeving, (2) de mate van realisatie van de transformatie naar een gemengd woon-werkgebied en (3) de regeling voor saldering wordt gemonitord. Een aantal van de planregels wordt per ontwikkeling gemonitord en er zijn planregels die met een vaste frequentie, bijvoorbeeld één keer per jaar, gemonitord worden. In de bijlage 4 bij het omgevingsplan Binckhorst: ‘Monitoring planregels’, is toegelicht welke maatregelen denkbaar zijn indien een knelpunt dreigt te ontstaan met betrekking tot de grens die in het omgevingsplan is vastgelegd. Mochten deze maatregelen niet leiden tot het gewenste resultaat of om bepaalde redenen niet uitvoerbaar zijn dan wordt gekeken naar oplossingen buiten de reikwijdte van het omgevingsplan of naar de mogelijkheid om het omgevingsplan aan te passen (bijvoorbeeld door de kritische grens of ambities te wijzigen).

4.5 Verkeersaspecten In opdracht van vergunninghouder heeft het adviesbureau Goudappel Coffeng een onderzoek gedaan naar de invloed van het bouwproject op de parkeervraag in deze omgeving, de verkeersgeneratie en de verkeersafwikkeling. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de ‘Mobiliteitsstudie Hoekblok Maanplein’ van 20 oktober 2020. Dit rapport is opgenomen in de processtukken als processtuk K7. Goudappel Coffeng heeft overigens tevens de duurzame mobiliteit van de projectlocatie onderbouwd, middels het document ‘Duurzame Mobiliteit Maanplein’ van 20 november 2020 (processtuk K8). In de ‘Mobiliteitsstudie Hoekblok Maanplein’ merkt Goudappel Coffeng (op pagina 5) terecht op, dat het onderzoek zich beperkt tot deze projectlocatie. De ontwikkeling Maanplein 110 bijvoorbeeld is geen onderdeel van de notitie. Hiervoor is een separate parkeerbalans voor opgesteld. Voor het betreffende 8project is ook een separate omgevingsvergunningprocedure doorlopen.

Zoals hierboven onder 5.3 al is vermeld, is het vaste jurisprudentie dat bij het nemen van een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning uitsluitend rekening dient te worden gehouden met het aangevraagde project en niet met eventuele toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, zoals toekomstige (fysieke) verkeersmaatregelen7, die op het moment van het beoordelen van de aanvraag nog niet juridischplanologisch mogelijk waren. Over een mogelijke versmalling of herinrichting van de Maanweg, waar bezwaarmakers op wijzen, is nog geen besluit genomen. In het kader van de gebiedsontwikkeling en/of de komst van de HOV-lijn van Station Den Haag CS naar Station Voorburg, wordt wel gestudeerd op een versmalling naar 2x1 rijstrook. Het verkeersaanbod is namelijk beperkt door de ingebruikname 7

Rechtbank Den Haag, 18 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:9559, rechtsoverweging 7.4 (bouwproject Noordboulevard te Den Haag)

B.2.21.1353.001 t/m 040

14

van de Rotterdamsebaan dit jaar. Gelet op de ligging tussen twee kruisingen met verkeerslichten en de voorsorteervakken, is het op het deel ter hoogte van het Maanplein (tussen de Melkwegstraat en de Regulusweg) echter onzeker of er daadwerkelijk een versmalling van de rijbaan zal (kunnen) plaatsvinden. Het gehanteerde verkeersmodel wordt in de praktijk in zijn geheel (o.a. voor het gebied Binckhorst) eenmaal per jaar geactualiseerd op basis van nieuwe infrastructuur. Ruimtelijke ontwikkelingen worden bij de jaarlijkse update alleen herzien als er significante wijzigingen zijn. De HOV-verbinding kan pas worden opgenomen in het verkeersmodel zodra de status daarvan hard genoeg is. Vooralsnog is er geen zekerheid over het HOV. Niet over het tracé, niet over de vorm (bus, tram, lightrail) en niet over het jaar van ingebruikname. Dit wordt momenteel onderzocht in het kader van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT-verkenning). Zie hiervoor https://binckhorstbereikbaar.nl/. Naar aanleiding van het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, heeft vergunninghouder Goudappel Coffeng verzocht om op dat verzoekschrift te reageren. Deze reactie van 14 april 2021 bevindt zich achter dit verweerschrift. Er is volgens Goudappel Coffeng sprake van een relatief beperkte en acceptabele toename per wegvak op de vier maatgevende kruisingen in de Binckhorst.

Voor de kruispunten MaanpleinMaanweg, Maanweg-Melkwegstraat en Maanweg-Regulusweg zijn kruispuntberekeningen uitgevoerd voor zowel de referentie- en planvariant voor het drukste ochtend- en avondspitsuur. Voor de overige kruispunten op de Binckhorst is gebruik gemaakt van het regionale verkeersmodel. Uit de kruispuntberekening blijkt volgens Goudappel Coffeng dat er sprake is van een redelijke tot goede verkeersafwikkeling tijdens de maatgevende spitsuren. Anders dan bezwaarmakers stellen, volgt uit de uitgevoerde studie dat er ook na realisatie van het bouwplan sprake is van een goede doorstroming op de omliggende kruispunten. Wij zien geen reden om te twijfelen aan de conclusies van Goudappel Coffeng en de voorzieningenrechter evenmin, getuige de rechtsoverwegingen 12.1 en volgende van de uitspraak van 21 april jl. 4.6 Openbaar vervoer en fiets Goudappel Coffeng heeft tevens de notitie “Duurzame Mobiliteit Maanplein” opgesteld. (processtuk K8). Uit de analyse blijkt, kort gezegd, dat het Maanplein gunstig is gelegen ten opzichte van de treinstations Den Haag Centraal, Den Haag HS en Voorburg en dat dit voor de toekomstige bewoners en bezoekers aantrekkelijke alternatieven biedt van de auto. Op korte loopafstand van het Maanplein (binnen 200 meter) liggen de bushaltes voor de lijnen 26 en 28 op de Maanweg en de Melkwegstraat.

Met deze buslijnen, die op werkdagen rijden, kunnen bewoners en bezoekers reizen naar de genoemde belangrijkste stations in de omgeving. Het aantal verplaatsingen per fiets neemt, zonder aanvullende maatregelen, toe met minimaal 92%.

B.2.21.1353.001 t/m 040

15

4.7 Verkeersveiligheid is in het geding De Dienst Publiekszaken maakte zich eerder zorgen over de afwikkeling van het langzaam verkeer op de hoek van de Regulusweg en de Maanweg. Hierover waren klachten ontvangen van bewoners. Hierop zijn tijdelijke maatregelen getroffen door middel van het aanbrengen van belijning over het bestaand trottoir. De afdeling Mobiliteit, van de dienst Stedelijke Ontwikkeling, heeft geoordeeld, dat voor de verkeersafwikkeling op de kruising van het Maanplein en de Maanweg voor het gehele complex aan gebouwen en garages dat in- en uitrijdt via het Maanplein aannemelijk is gemaakt dat deze kan worden verwerkt op de bestaande kruising. Dit is overigens geen direct onderdeel van een planregel, maar komt wel tegemoet aan de gezamenlijke opgave van de ontwikkelaar en de gemeente om een goede en veilige ontsluiting van de locatie Maanplein als geheel te waarborgen. De uitkomsten van de verkenning worden in een later stadium betrokken bij de aanpassingen van de openbare ruimte. Geoordeeld is dat het laden en lossen aan de zijde van de Maanweg en de achterzijde mogelijk is zonder verkeershinder. Het voorrijden voor hulpdiensten en bezorgdiensten zal plaatsvinden via een aparte voorrijstrook.

4.8 Uitvoeringsaspecten / Voorwaarden in de omgevingsvergunning Op grond van artikel 2.2, aanhef en onder 6, van de Regeling omgevingsvergunning, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit ten behoeve van de toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 uit het oogpunt van het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het bouwen: een veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7 van het Bouwbesluit. Op grond van artikel 8.1, eerste lid, van het Bouwbesluit is de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen. Op grond van artikel 8.2, aanhef en onder c, worden bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden maatregelen getroffen ter voorkoming van beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op onder meer een aangrenzend perceel. Op grond van artikel 8.7 worden de op grond van de artikelen 8.2 tot en met 8.6 te treffen maatregelen op aanwijzing van het bevoegd gezag vastgelegd in een veiligheidsplan. Het plan bevat ter beoordeling door het bevoegd gezag de in dat artikel onder a. tot en met e. genoemde bescheiden.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo zijn wij bevoegd om voorwaarden aan een omgevingsvergunning te verbinden. Wij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De voorschriften ten aanzien van de activiteit ‘Bouwen’ zijn in het besluit opgenomen op de pagina’s 5 tot en met 10. Zo is aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat diverse gegevens van de constructie en de bouwveiligheid moeten worden ingediend en goedgekeurd voordat met de uitvoering van de werkzaamheden mag worden aangevangen. Onder meer betreft dit een funderingsplan en de uitvoeringswijze en een veiligheidsplan.

B.2.21.1353.001 t/m 040

16 Wij zijn bevoegd om deze voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden8 en in de regel gebeurt dit ook. Het is niet gebruikelijk dat omwonenden worden betrokken bij de beoordeling van een bouwveiligheidsplan dan wel funderingsplan. Gelet op de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften is het vergunninghouder dus niet toegestaan om met de werkzaamheden te starten, voordat een bouwveiligheidsplan en een funderingsplan is ingediend en goedgekeurd. 4.9 Geen expliciete toetsing aan Stedenbouwkundig kader Maanplein Zoals hierboven in de inleiding is toegelicht, is in juli 2017 een Stedenbouwkundig kader Maanplein opgesteld. Dit kader is vervolgens in grote lijnen opgenomen in het Omgevingsplan Binckhorst. Het omgevingsplan is het juridisch kader waaraan wordt getoetst en dat is in dit geval ook gebeurd. 4.10 Geluid In artikel 7.2.1 van het omgevingsplan Binckhorst is aangegeven welke geluidbelastingen toelaatbaar zijn. Om aan te tonen of het initiatief voldoet aan de randvoorwaarden als opgenomen in artikel 7.2, 8.2, 9.2 10.2 en 11.2 van het Omgevingsplan Binckhorst, is onder meer een akoestisch onderzoek opgesteld. Het akoestisch onderzoek is, in opdracht van vergunninghouder, uitgevoerd door LBP Sight (processtuk K2).

In het “Akoestisch onderzoek vergunningaanvraag Maanplein fase II - Hoekblok in Den Haag” van 3 november 2020 is toegelicht dat de geluidbelasting aan de zijde van de Maanweg maximaal 62 dB is. “Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 14 dB overschreden. De overschrijding vindt plaats op de zuidwest-, noordoost- en zuidoostgevel. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.” “Voor het Hoekblok zijn hogere waarden vanwege de Maanweg, Regulusweg, rijksweg A12 en de spoorlijn nodig. Deze passen binnen het quotum van hogere waarden van het omgevingsplan Binckhorst.”9 Geconcludeerd wordt, dat de gecumuleerde geluidbelasting vanwege het wegverkeer van Rijksweg A12, de Regulusweg, de Maanweg en de Melkwegstraat en het railverkeerslawaai maximaal 68,7 dB bedraagt. “Voor alle woningen wordt voldaan aan de doelstelling van de gemeentelijke indelingseisen.”10 Het onderzoeksrapport is ter beoordeling voorgelegd aan de ter zake deskundige afdeling van de Omgevingsdienst Haaglanden. Deze heeft met de definitieve versie van dit rapport ingestemd. Wij zien geen reden om te twijfelen aan de conclusies en hebben het positieve advies daarom overgenomen. De regels ten aanzien van het aspect geluid zijn overigens in het bijzonder gericht op de toekomstige bewoners en overige gebruikers van het te realiseren gebouw. Het onderzoek is uitgevoerd om aan te tonen

8

ABRS, 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1984 en ABRS, 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:987 (ten aanzien van een bouwveiligheidsplan) en ABRS, 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:966 (ten aanzien van een funderingsplan) 9 LBP Sight, Akoestisch onderzoek vergunningaanvraag Maanplein fase II - Hoekblok in Den Haag, 3 november 2020, p. 18 10 LBP Sight, Akoestisch onderzoek vergunningaanvraag Maanplein fase II - Hoekblok in Den Haag, 3 november 2020, p. 19

B.2.21.1353.001 t/m 040

17

hoe hoog de geluidbelasting zal zijn op het nieuwe gebouw door het geluid van het wegverkeer, railverkeer en het industrieterrein Binckhorst-Zuid. Ten aanzien van de onderzoeken ten aanzien van het aspect geluid geldt, dat hierbij geen rekening kon en hoefde te worden gehouden met projecten in de omgeving die nog niet zeker waren. Gelet op het feit dat het HOV-tracé momenteel nog wordt onderzocht, kon hier nog geen rekening mee worden gehouden bij het opstellen van de geluidsrapporten. In de bezwaarschriften wordt gewezen op een achterhaald geluidsonderzoek van 25 juni 2019. Dit onderzoek is door LBP Sight later aangevuld en het definitieve akoestisch onderzoeksrapport van 3 november 2020 is goedgekeurd door de Omgevingsdienst Haaglanden. Dit betreft processtuk K2. Naar aanleiding van het verzoek van om een voorlopige voorziening te treffen, heeft vergunninghouder LBP Sight verzocht om op het verzoekschrift te reageren. Deze reactie hebben wij bij dit verweerschrift gevoegd. In de aanvullende rapportage van 14 april 2021 heeft LBP Sight gemotiveerd aangegeven waarom het verzoekschrift geen aanleiding geeft om de conclusies in zijn rapport te wijzigen. Wij zien geen aanleiding om aan de uitkomsten van het akoestisch onderzoek te twijfelen en ook de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de geluidsnormen niet worden overschreden. Zie hiervoor rechtsoverweging 13.1 en volgende.

4.11 Luchtkwaliteit In opdracht van vergunninghouder heeft LBP Sight een onderzoek uitgevoerd naar de invloed van het plan op de luchtkwaliteit. Zie hiervoor het onderzoeksrapport van 4 december 2020 (processtuk J17). Aan de hand van uitgebreide modelgegevens is geconcludeerd dat er wat betreft stikstofdioxide en (zeer) fijn stof op basis van het omgevingsplan Binckhorst en artikel 5.16, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer (Wm) ten aanzien van de luchtkwaliteitseisen van de Wm geen knelpunt bestaat voor het realiseren van het project ‘Hoekblok’. “De berekende hoogste concentratie voor stikstofdioxide en fijn stof ter hoogte van het Hoekblok voldoet aan de richtwaarden van de World Health Organization. Voor zeer fijn stof geldt dat de hoogste berekende concentraties ter hoogte van het Hoekblok 0,8 µg/m3 boven de WHO richtwaarden voor zeer fijn stof (PM2,5) ligt.11 De Omgevingsdienst Haaglanden heeft het onderzoekrapport beoordeeld en akkoord bevonden. In de bezwaarschriften wordt gewezen op achterhaalde onderzoeksrapporten (van 25 juli 2019). Ook ten aanzien van de onderzoeken die ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn uitgevoerd (door LBP Sight) geldt, dat hierbij geen rekening kon en hoefde te worden gehouden met projecten in de omgeving die nog niet zeker waren.

Voor die projecten zijn separate vergunningsaanvragen ingediend, waarbij ook separate onderzoeken worden dan wel al zijn uitgevoerd.

11

LBP Sight, Onderzoek luchtkwaliteit Maanplein fase II - Hoekblok in Den Haag, 4 december 2020, p. 11

B.2.21.1353.001 t/m 040

18

In de hierboven onder 4.10 genoemde reactie van LBP Sight op het verzoekschrift, is LBP Sight ook ingegaan op de stellingen van verzoeker met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. Wij hebben de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) verzocht om te reageren op het verzoekschrift en de reactie van LBP Sight. De ODH volgt de lijn van de reactie van LBP Sight. Ook de reactie van de ODH is meegezonden met dit verweerschrift. 4.12 “Botsproeven Omgevingsplan doen geen recht aan de werkelijkheid” In hoofdstuk 5 van het OER zijn de Botsproeven toegelicht. Deze botsproeven zijn uitgevoerd om te beoordelen of het omgevingsplan niet evident onuitvoerbaar is en hoe robuust het omgevingsplan is. Op basis van de conceptstukken van januari 2017 zijn in meerdere botsproeven zogenoemde maatgevende initiatieven gebruikt om te toetsen aan de planregels en beleidsregels van de Binckhorst en aan geldend (Haags) beleid dat gekoppeld is aan deze regels (fase 1). Met behulp van de maatgevende initiatieven geven de botsproeven zo inzicht in de werking van, eventuele verbetering van en de behoefte (voor externe partijen) aan de regels. De volgende botsproeven zijn uitgevoerd: 1. Toegestane functies; 2. Maximale mogelijkheden; 3. Fasering; 4. Tijdelijkheid; 5. Robuustheidstoets; 6. Sturingsfilosofie; 7. Flexibiliteit / saldering.

Mede naar aanleiding van deze botsproeven is het omgevingsplan vervolgens op diverse punten aangepast. De zeven uitgevoerde botsproeven zijn in de periode april-augustus 2017 nogmaals tegen het licht gehouden (fase 2). Hierbij is getoetst of het aangepaste omgevingsplan leidt tot aanpassing in de conclusies en aanbevelingen in de botsproeven. De botsproeven zijn uitgevoerd door Antea Group, samen met Plan en Project. Antea Group en Plan en Project concluderen dat de regels voldoende flexibiliteit en ontwikkelmogelijkheden bevatten om vanuit de huidige situatie de transformatie te kunnen uitvoeren. De verschillende regels bieden duidelijke kaders en biedt het totale stelsel van regels veel flexibiliteit in ontwikkelmogelijkheden. Antea Group en Plan en Project concluderen verder dat met de gedane aanpassingen (het maximaliseren van het toegestane programma en beveiligingsmechanismen, zoals regels die maken dat per initiatief getoetst moet worden of de verkeersafwikkeling en de luchtkwaliteitssituatie acceptabel zijn), het omgevingsplan ‘niet evident onuitvoerbaar’ is.

Wel zorgen de gedane aanpassingen voor een grotere onderzoeklast bij een omgevingsvergunning, maar dit is volgens Antea Group en Plan en Project de enige manier om een goede borging van deze milieuaspecten op te kunnen nemen, zonder dat de flexibiliteit in en de ambities voor de ontwikkelingen fors verminderd gaan worden. Door de inperking van het programma (in toegestane bedrijvigheid) en door het stellen van regels (de ‘beveiligingsmechanismen’) worden afdoende waarborgen ingebouwd om te kunnen zorgen dat wordt voldaan aan milieuregels.

B.2.21.1353.001 t/m 040

19

Het volledige rapport met de uitwerking van de botsproeven is opgenomen in de bijlagen 38 tot en met 44 van het OER. Daarnaast zijn in de bijlagen 46, 47, 49 en 50 de onderzoeken naar respectievelijk luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en stikstofdepositie opgenomen. Met het uitvoeren van de Botsproeven is dus al geconcludeerd dat de beoogde plannen voor de Binckhorst kunnen worden gerealiseerd binnen dit gebied en op grond van de vastgestelde regelgeving. Vervolgens worden ook nog per bouwplan onderzoeken uitgevoerd om te bekijken of dat specifieke bouwplan op die betreffende locatie mogelijk is. Dat is ook in het onderhavige geval gebeurd. 4.13 Toepassing salderingssystematiek In hoofdstuk 6 van het OER is de systematiek van de saldering toegelicht. De saldobenadering is bedoeld om ruimte te bieden aan ontwikkelingen en initiatieven die (net) niet binnen de ‘zachte’ kaders passen van de regels van het omgevingsplan. Met de ‘zachte’ kaders van de regels worden de regels bedoeld waarvan afwijking onder bepaalde voorwaarden mogelijk is. Deze uitzondering is alleen mogelijk als aan de voorwaarden wordt voldaan. Zo kan er alleen afgeweken worden als voldaan wordt aan de wettelijke norm (de grenswaarde). Het gemeentelijke beleid waar van afgeweken kan worden is strenger dan de wettelijke norm.

Op deze manier biedt de gemeente extra flexibiliteit en mogelijkheden om kansrijke initiatieven mogelijk te maken met als ‘tegenprestatie’ een extra bijdrage aan de totale gebiedskwaliteit. Vanuit de vier overkoepelende pijlers uit het omgevingsplan is gezocht naar de relevante parameters voor saldering. Hier is het volgende uit voortgekomen: 1. Kwaliteit van de openbare ruimte; 2. Flexibiliteit; 3. Dichtheid; 4. Klimaat en energie; 5. Gezonde leefomgeving. 4.14 Plintsaldering niet toegelicht en dubbel ingezet Zoals hierboven onder 3.1.3 is toegelicht, schrijven de algemene randvoorwaarden van artikel 7.2.2 onder 2 van het omgevingsplan, indien sprake is van bouwen, verbouwen of renoveren, voor dat de hoogte van de plint voor nieuwe gebouwen op minimaal 8 meter ligt. In het bouwplan ligt de plint echter op 5,3 meter hoogte. Artikel 23, onder a, onder 4, van het omgevingsplan Binckhorst biedt de mogelijkheid om van de minimaal voorgeschreven hoogte af te wijken, zolang de plint niet op een hoogte van minder dan 4,5 meter komt. Afwijken is uitsluitend mogelijk indien er geen sprake is van het afwijken van wettelijke voorschriften en geen sprake is van onaanvaardbare aantasting van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Daar is geen sprake van.

Daarnaast dient de ontwikkeling voldoende bij te dragen aan het realiseren van één of meerdere ambitiewaarden waarop saldering mogelijk is met de te salderen planregel zodat de totale gebiedskwaliteit toeneemt.

B.2.21.1353.001 t/m 040

20

Vergunninghouder heeft LBP Sight ingehuurd om een gemotiveerd salderingsvoorstel op te stellen. Deze notitie vindt u terug in de processtukken (processtuk J15). In de notitie van LBP Sight van 11 december 2020 is toegelicht, dat de plint van 5,3 meter een resultante is van het peil van het (verhoogde) maaiveld van het Maanplein op de ondergrondse parkeergarages en de hierop aansluitende bouwlaag met onder andere een fietsenstalling, scootmobielruimte en containerruimte en aan de zijde van de Maanweg de doorlopende plint. “Vanaf deze bouwlaag beginnen de woningen. Na overleg met de omgeving en de gemeente is bepaald dat het Hoekblok 50 meter hoog wordt. Hierdoor kunnen in de 14 bouwlagen in totaal 140 woningen gerealiseerd worden. Hiermee kan voldaan worden aan de gemeentelijke eisen ten aanzien van het aandeel sociale woningbouw in het project Maanplein. De plint kan dan niet doorgetrokken worden naar 8 meter omdat dan het aantal benodigde sociale huurwoningen niet gehaald wordt.” In het omgevingsplan Binckhorst zijn 5 zogenoemde parameters geformuleerd: kwaliteit van de openbare ruimte, flexibiliteit, ruimtelijke kwaliteit, energie en klimaat en gezonde leefomgeving.

Indien saldering binnen de parameter niet uitvoerbaar is of niet het gewenste resultaat oplevert, is het ook mogelijk om te salderen met een andere parameter, waarbij rekening wordt gehouden met gebiedsgerichte eisen. Verder geldt dat per deelgebied is aangewezen op welke pijlers saldering mogelijk is. Vergunninghouder heeft voorgesteld om de lagere plinthoogte voor het Hoekblok te salderen binnen de pijler Aantrekkelijk Woongebied en de parameter kwaliteit van de openbare ruimte, verduurzaming en vergroening. Met de ontwikkeling worden de omliggende openbare toegankelijke buitenruimtes heringericht. Ten behoeve van de saldering worden meerdere maatregelen getroffen: 1. Rondom het Hoekblok worden speel- en sportvoorzieningen voor de buurt toegevoegd; 2. Deze voorzieningen worden gesitueerd rond de belangrijkste looproute door het plangebied in de vorm van een diagonale verbinding tussen de Maanweg en de Boulevard; 3. Door wat meer afstand te nemen tot de Regulusweg, wordt een breder trottoir gerealiseerd dan nu het geval is; 4. Door de realisatie van een openbaar toegankelijke (ondergrondse) parkeergarage naast het Hoekblok wordt bezoekers van het gebied de mogelijkheid geboden in een garage te parkeren in plaats van in het openbaar gebied, zoals langs de Maanweg.

Bij de toekomstige herinrichting van de Maanweg is het dan minder noodzakelijk om daar parkeerplaatsen terug te laten keren, waardoor deze weg een kwaliteitsimpuls kan krijgen. De afdeling S&P heeft het salderingsvoorstel beoordeeld en akkoord bevonden. Geconcludeerd is dat met het salderingsvoorstel wordt voldaan aan de daaraan gestelde randvoorwaarden. Wij hebben het advies van S&P overgenomen. Dit is toegelicht op pagina 13 van het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning. 4.15 Locatie niet geschikt voor woningbouw Op “Kaart 3, regels bebouwing”, behorende bij de Beleidsregel Stedenbouwkundige Kwaliteit, is aangegeven dat voor deze locatie het primaat woningbouw geldt.

B.2.21.1353.001 t/m 040

21 Primaat woonfunctie: “Het betreft gebieden met een accent op wonen, die door ligging nabij woonwijken, ligging langs groenstructuren en/of door relatief weinig milieu- en geluidhinder, op korte termijn tot woongebied ontwikkeld kunnen worden”. Op grond van het omgevingsplan Binckhorst is woningbouw binnen dit gebied toegestaan, mits aan de hand van onderzoeken wordt aangetoond dat dit conform de daarvoor gestelde normen kan. Alle benodigde onderzoeken zijn hiertoe uitgevoerd en akkoord bevonden. Met de realisatie van woningbouw ter plaatse wordt voldaan aan alle daaraan gestelde wet- en regelgeving. 4.16 Eisen ten aanzien gedifferentieerd woningprogramma Op grond van artikel 7.2.6, onder c, van het omgevingsplan Binckhorst dient bij de realisatie van woningen een voldoende gedifferentieerd woningbouwprogramma te worden gebouwd, zowel in woningtype als in prijsklasse. Op 29 november 2018 heeft de raad de Beleidsregel Woonkwaliteit van het omgevingsplan Binckhorst gewijzigd vastgesteld (RIS301108). Op 22 februari 2019 is deze beleidsregel in werking getreden. Deze beleidsregel geeft een uitwerking van artikel 7.2.6 onder c van het omgevingsplan Binckhorst.

Getoetst wordt of het bouwplan voldoende differentiatie bevat qua woningtype en qua verhouding tussen (sociale) huur- en koopwoningen, maar ook of het bouwplan op deel- en plangebiedsniveau zorgt voor voldoende differentiatie. Onder meer is hierbij als voorwaarde gesteld, dat binnen het totaal van de voorgenomen ontwikkeling minimaal 30% van de woningen een sociale huurwoning is en dat minimaal 20% van de woningen een huurwoning met middeldure huur betreft. In uitzondering op deze voorwaarde, zijn ook ontwikkelingen met uitsluitend sociale woningbouw mogelijk. Het project voorziet in 140 sociale woningen die door een Toegelaten Instelling, namelijk Staedion, afgenomen worden. De ter zake deskundige afdeling Wonen van de gemeente, heeft de aanvraag beoordeeld en heeft geconcludeerd dat zowel het type woningen als het aantal woningen en de grootte van de woningen voldoet aan de betreffende beleidsregel. Wij zien geen reden aan deze conclusie te twijfelen en hebben het advies overgenomen. 4.17 Welstandsadviezen Om te kunnen bepalen of de aanvraag voldoet aan de redelijke eisen van welstand zoals opgenomen in de Welstandsnota Den Haag, is deze voorgelegd aan de Welstands- en Monumentencommissie (hierna: de welstandscommissie).

Op 16 oktober 2019 heeft de welstandscommissie het aanvankelijke plan beoordeeld en heeft daarop toen een negatief advies uitgebracht: “De commissie maakt ernstig bezwaar tegen de positionering, opzet en architectuur van de voorgestelde nieuwbouw op de hoek van het zogeheten Maanpleincomplex. De bebouwing rondom het Maanplein is in opzet, architectuur en inrichting van de buitenruimte duidelijk een ensemble. Het ensemble kenmerkt zich in opzet door een lage, open zijde aan de Maanweg, een hogere, dichter bebouwde zijde aan de Saturnusstraat en een symmetrieas in het midden, parallel aan de Melkwegstraat, waardoor er een duidelijk centrum en met vleugels aan beide zijden bestaat.”

B.2.21.1353.001 t/m 040

22 “De nu voorgestelde positionering en opzet van de nieuwbouw, binnen de contour van het ensemble, voegt zich daar op geen enkele wijze naar. Het voorstel conflicteert zelfs voor wat betreft de positionering en opzet met de landmark hoogbouw, de zogeheten Haagse Arc, aan de andere zijde van de Regulusweg. De bebouwing binnen het ensemble kent een sterke geleding in de bouwmassa die wordt ondersteund in de architectuur. De voorgestelde nieuwbouw wordt op geen enkele wijze daadwerkelijk geleed, betreft een zeer eenvormig volume. De geleding in de architectuur is daarmee te cosmetisch, absoluut onvoldoende om de nieuwbouw in de context te passen, onderdeel te maken van het ensemble.” “De detaillering is summier, de voorgestelde op baksteen gelijkende materialisering vraagt om bemonstering en het gladde, witte beton om aandacht ten aanzien van de behandeling/detaillering vanwege vervuiling en veroudering. Het ontwerp voor de buitenruimte van deze kavel in een hand met de rest van de buitenruimte binnen het ensemble is zorgvuldig. De commissie pleit voor behoud van de ‘eenvoud’ ervan in de uitwerking ten aanzien van de parkeerverdieping eronder.” Mede naar aanleiding van dit negatieve welstandsadvies, heeft vergunninghouder het plan op onderdelen aangepast. Het gewijzigde plan is op 25 november 2020 beoordeeld door de welstandscommissie.

Wederom kon deze niet met het plan instemmen: “De commissie adviseert positief over de hoofdopzet van het ontwerp, maar ziet nog belangrijke en substantiële aandachtspunten in de vormgeving van zowel het gebouw op zichzelf, als de inpassing in en aansluiting op de omringende buitenruimte. De hoofdopzet van een kloeke betonnen plint en een gemetselde bovenbouw, subtiel gescheiden door een iets ingesnoerde vierde verdieping maakte het gebouw een onderdeel van het Maanpleinensemble. Het gebouw is geen kopie van het bestaande Maanplein, maar heeft wel eenzelfde schaal en stevigheid.” “In de uitwerking mist de commissie de samenhang met (de kwaliteit van) de omringende bebouwing en breder - met de sfeer en de ambitie van de Binckhorst. De materialen en de detaillering hebben nog niet de robuustheid en de duurzame kwaliteit om het gebouw een hoogwaardige toevoeging aan het Maanplein en aan de Binckhorst te maken.” “Van de betonnen plint ontbreken belangrijke details, waaronder de aansluiting op het omringende (verhoogde) maaiveld. Daarnaast vraagt de commissie aandacht voor de detaillering en de afwerking van het beton. Met de nu voorgestelde detaillering en afwerking is kwaliteit op de lange termijn,, een mooie veroudering, twijfelachtig. Dit geldt ook voor de bovenbouw.

Wat is de duurzame kwaliteit van het “metselwerkachtige” materiaal, wanneer toegepast op deze schaal en naast het metselwerk van het Maanplein? De commissie mist informatie over akoestische maatregelen en over de installaties op het dak.” “Ook de landschappelijke inpassing is nog niet volledig. Zo is de aansluiting van de luie trap aan de zijde van de Maanweg op de plint van het gebouw niet opgelost. Informatie over de aansluiting van het verhoogde maaiveld op het gebouw en over de maakbaarheid van dat maaiveld ontbreekt. De commissie maakt bezwaar tegen de zeer gesloten, defensieve oplossing van het hoogteverschil aan de zijde van de Regulusweg.”

B.2.21.1353.001 t/m 040

23

Naar aanleiding van dit advies, heeft vergunninghouder opnieuw het plan op onderdelen aangepast. Ook is nadere informatie aangeleverd, waaronder detailtekeningen. De welstandscommissie heeft zich op 10 februari 2021 gebogen over dit aangepast bouwplan. Ditmaal kon deze commissie met het plan instemmen: “De commissie was eerder reeds akkoord met de hoofdopzet van het ontwerp, maar zij zag nog belangrijke en substantiële aandachtspunten in het gebouw op zichzelf als de inpassing in de omringende openbare ruimte. In de uitwerking mistte zij nog robuustheid en duurzame kwaliteit om het een hoogwaardige toevoeging aan de Binckhorst te laten zijn.” “In het voorliggende aangepaste ontwerp is er een switch gemaakt in materiaal en concept. Het metselachtige materiaal voor de bovenbouw is vervangen door een wisselend geprofileerde aluminium plaat waarmee een sterk beeld wordt gerealiseerd. Het beton van de onderbouw is nader gespecificeerd, in details aangepast en overtuigt.” “De installaties op het dak zijn voldoende teruggeplaatst om niet tot een verstoring in het beeld te leiden en de soundboxen zijn volledig in het gevelbeeld geïntegreerd.

Er zijn aanvullende gegevens overlegd die de maakbaarheid van het landschap onderbouwen en het hoogteverschil aan de Regulusweg-zijde is verder en voldoende overtuigend uitgewerkt.” Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.12 Wij zijn van opvatting dat de welstandsadviezen op zorgvuldige wijze en begrijpelijk tot stand zijn gekomen, zodat wij deze konden overnemen. Ten aanzien van de opmerkingen van bezwaarmakers dat de welstandsadviezen niet consistent zouden zijn, merken wij nog op, dat de welstandscommissie bij het eerste advies inderdaad haar verbazing heeft uitgesproken over het (stedenbouwkundige) ontwerp van het gebouw. De afdeling S&P heeft vervolgens aan de welstandscommissie de keuze toegelicht van bijvoorbeeld de oriëntatie van het gebouw.

Daarmee werd de stedenbouw (de situering, oriëntatie, maatvoering, kortom: ‘de envelop’) voor de welstandscommissie een gegeven en zijn de volgende besprekingen in het bijzonder over het architectonische ontwerp en de uitwerking gegaan. Belangrijk daarbij was de relatie met de bestaande bebouwing en de toekomstige, inmiddels door de commissie geaccordeerde nieuwbouw aan de waterzijde van het KPN-complex. De welstandscommissie heeft geen kopie van de KPN-bebouwing geëist. De schaal van het appartementengebouw is immers een andere. Wel is gekeken naar de samenhang, in het bijzonder de stevige, robuuste uitstraling en de kwaliteit van de materialen en details. De discussie hierover heeft de architect uiteindelijk doen besluiten om een andere gevelbekleding te kiezen. In plaats van een metselwerk 12

Bijvoorbeeld: ABRS, 29 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:603, rechtsoverweging 12.4

B.2.21.1353.001 t/m 040

24

uiterlijk (minerale steenstrips en geen robuuste stenen zoals de KPN-bebouwing), heeft de architect gekozen voor een aluminium bekleding. Dit laatste ontwerp past volgens de welstandscommissie bij de genoemde stevige, robuuste uitstraling en de kwaliteit van materialen en details van de omgeving. Geen kopie, wel een passende toevoeging, zoals ook de toekomstige toren aan de andere zijde van het KPNcomplex. De welstandscommissie heeft ook de (landschappelijke) inpassing bekeken; hoe het gebouw landt op het maaiveld en zo onderdeel wordt van de omgeving. De omgeving bestaat uit de twee straatzijden en de tuin of het park dat voor het KPN-complex is ontworpen. Zo heeft de commissie zo integraal mogelijk ontwerp op zichzelf, in de omgeving, de toekomstige omgeving én de landschappelijke inpassing beoordeeld. 4.18 Beleidsregel verbindingen met de omgeving versterken In de Beleidsregel ruimtelijke kwaliteit is onder “Beschrijvingen en richtlijnen verschillende structuren en deelgebieden” bij nummer 7, “Binckhorsthaven en Maanplein” (pagina 11) als richtlijn aangegeven: “verbindingen met de omgeving (bijvoorbeeld station Voorburg) versterken. Dit betekent dat bebouwing nabij het Maanplein geen belemmering voor deze verbindingen mag veroorzaken”. Niet valt in te zien dat het bouwproject een belemmering zou vormen voor de verbindingen met de omgeving en/of het station Voorburg.

4.19 Parkeerbalans Als randvoorwaarde is in artikel 7.2.1, onder i, van het omgevingsplan Binckhorst voorgeschreven, dat er in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien. Toelichting parkeerbeleid Om te kunnen beoordelen of er bij nieuw- en verbouw van vastgoed voldoende rekening wordt gehouden met de parkeerbehoefte die een gebouw genereert, worden parkeernormen gehanteerd. “Het is daarbij van belang om te benadrukken dat de parkeerbehoefte aangeeft welke parkeercapaciteit er in theorie beschikbaar moet zijn binnen (of in de nabije omgeving van) het bouwplan. Aan de hand daarvan stelt de gemeente de parkeereis op, waarin wordt aangegeven welk aantal parkeerplaatsen daadwerkelijk gerealiseerd dient te worden. Hoewel het uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte door de ontwikkelaar op eigen terrein opgelost moet worden, is alleen de parkeereis bindend”13 “Het parkeerbeleid is bij woningen behoeftevolgend, terwijl bij kantoren en voorzieningen een sturend parkeerbeleid wordt gehanteerd. Er worden daarom twee soorten parkeernormen onderscheiden: - Bij ontwikkelingen in de woningbouw zijn de normen gebaseerd op het autobezit; - Voor overige ontwikkelingen zijn de normen gebaseerd op (gewenst) autogebruik.”14

13 14

Nota parkeernormen Den Haag, 10 november 2011, pagina III Idem

B.2.21.1353.001 t/m 040

25 “Voor wonen bestaan de normen uit een optelsom van het gemiddelde autobezit, het gemiddelde gebruik van leaseauto’s per huishouden en de autonome groei van het autobezit. Om de totale parkeerbehoefte te berekenen dient daar in geval van eengezinswoningen en appartementen 0,3 parkeerplaats per woning opgeteld te worden voor bezoek. Voor het berekenen van het gemiddelde autobezit per huishouden aan de hand van het bouwplan, zijn drie variabelen in relatie tot de woning benoemd die het autobezit verklaren: oppervlakte van de woning, mate van stedelijkheid en het type woning.”15 “De toepassing van de normen is vastgelegd in het toepassingskader. Dit bestaat feitelijk uit een stappenplan met drie hoofdbestanddelen: in de eerste fase wordt de parkeerbehoefte van de ontwikkeling berekend aan de hand van het bouwplan en de daarbij behorende parkeernorm. In de tweede fase volgt een nadere beschouwing van de berekende parkeerbehoefte. Wanneer de bouwende partij van mening is dat de parkeerbehoefte niet volledig gerealiseerd hoeft te worden, moet hij dat zelf aantonen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien verschillende functies binnen het bouwplan gebruik kunnen maken van dezelfde parkeerplaatsen. Het college kan ook (in een afzonderlijk besluit) een gebied aanwijzen waar afgeweken mag worden van de normen uit deze nota.

(…) In deze fase wordt ook bepaald welk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moet worden en voor welk aantal parkeerplaatsen de openbare straat gebruikt mag worden. In die afweging speelt de parkeerdruk in de omgeving van het bouwplan een grote rol, evenals de afstand tussen de parkeerplaats en de bestemming. (…) Tenslotte worden in de derde fase van het stappenplan de afspraken en consequenties vastgelegd. Bij het niet (volledig) uitvoeren van de parkeereis zal de gemeente maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de parkeerdruk in de openbare ruimte niet alsnog gaat toenemen als gevolg van de ontwikkeling.” In deze fase van het toepassingskader is het ook mogelijk om bij bouwplannen die onderdeel uitmaken van een gebiedsaanpak afspraken te maken over de termijn waarop de totale parkeereis voor het hele gebied moet zijn gerealiseerd.16 Bij een bouwplan speelt dus meer dan alleen een voorspelling van de toekomstige parkeerbehoefte: er is sprake van een parkeervraag en een parkeeraanbod. “Het is goed mogelijk dat de werkelijke parkeervraag afwijkt van de met de parkeernormen berekende parkeerbehoefte. Ook is het niet altijd nodig om een aanbod te realiseren waarmee volledig aan de behoefte voldaan wordt.

(…) Voordat de gemeente bepaalt hoeveel parkeerplaatsen bij het bouwplan gerealiseerd moeten worden dient dus eerst goed gekeken te worden naar de concrete situatie waarbinnen de nieuw- of verbouw is gepland. (…) De gemeente wil stimuleren dat de schaarse parkeerruimte in de stad zo efficiënt mogelijk gebruikt wordt. Er zijn dan ook omstandigheden denkbaar waarin dubbelgebruik met een naburige ontwikkeling/functie óók tot aanpassing van de parkeerbehoefte kan leiden. Een grote parkeerplaats bij een kantoorpand kan ’s nachts bijvoorbeeld prima als parkeerterrein voor een nabijgelegen appartementencomplex dienen. (…)”17 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder geoordeeld dat wij de parkeernota op deze wijze kunnen toepassen. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2017:703. Berekening parkeerbehoefte en parkeereis Vergunninghouder heeft Goudappel Coffeng in de hand genomen om de parkeerbehoefte te berekenen. Deze is opgenomen in de Mobiliteitsstudie Hoekblok Maanplein d.d. 20 oktober 2020 en wel in tabel 2.3 op pagina 13 (processtuk K7). 15

Nota parkeernormen Den Haag, 10 november 2011, RIS181571, pagina IV Idem, pagina IV en V 17 Idem, pagina 30 en volgende (paragraaf 4.3) 16

B.2.21.1353.001 t/m 040

26

Uit de mobiliteitsstudie komt naar voren dat Goudappel Coffeng heeft getoetst of er na verwezenlijking van het bouwplan voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn en of daarmee wordt voldaan aan artikel 7.2.1, onder i, van de planregels. Uit dit onderzoek blijkt dat het bouwplan Hoekblok, gezamenlijk met het bouwplan Maanplein 110, een parkeerbehoefte heeft van 594 parkeerplaatsen. Het parkeeraanbod is 607 parkeerplaatsen, waarmee wordt voorzien in voldoende parkeercapaciteit op eigen terrein. Ten aanzien van het Hoekblok bestaat erop een werkdagavond een parkeerbehoefte van 69 parkeerplaatsen. Bij het Hoekblok wordt voorzien in 121 parkeerplaatsen, zodat er ruim voldoende parkeerruimte beschikbaar is. De afdeling Mobiliteit heeft het onderzoek van Goudappel Coffeng beoordeeld en akkoord bevonden. Met het geheel aan parkeergarages onder het Maanplein, waaronder de in het onderhavige bouwproject opgenomen parkeergarage met 121 parkeerplaatsen, wordt ruimschoots voldaan aan de parkeereis van het Hoekblok. Ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben wij ons op dit standpunt kunnen stellen. Zie hiervoor rechtsoverweging 12.6. 4.20 Hoogte-eisen en Eyeline Skyline De nota “Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline” is een uitwerking van de Agenda Ruimte voor de Stad, van 9 september 2016, vastgesteld door de raad in december 2016 (RIS295016).

Met de nota wordt gevolg gegeven aan het dictum bij het raadsbesluit (RIS295016) over de Agenda Ruimte voor de Stad. “De inzet is om de ‘skyline’ van Den Haag te verbinden met de belevingskwaliteit van de stad op ooghoogte en de buitenruimte ter plekke: de ‘eyeline’. Hoogbouw is geen doel op zich, maar een middel om strategisch om te gaan met de beperkte ruimte die de stad nog heeft. Doel is de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid van de stad op de lange termijn te waarborgen en het vestigingsklimaat te versterken. Door te intensiveren en door hogere bebouwing mogelijk te maken kan de stad de groei van het aantal inwoners faciliteren en voldoende en geschikte woon- en werkruimte bieden, met bijbehorende voorzieningen, nu en in de toekomst.”18 In de Agenda Ruimte voor de Stad is gekozen voor het intensiveren rondom OV-knooppunten en concentraties van voorzieningen. Hierbij is een aantal intensiveringsgebieden vermeld waar hoogbouw als kansrijk wordt gezien. De Binckhorst is hierbij expliciet vermeld.19 In hoofdstuk 7 van de nota “Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline”, zijn de intensiveringsgebieden nader uitgewerkt. In paragraaf 7.2 (p. 52 e.v.) wordt specifiek ingegaan op de Binckhorst. Onder meer is hier vermeld: “Naast behoud van bedrijvigheid en de vestiging van nieuwe met name creatieve en innovatieve bedrijven worden op termijn tot 10.000 woningen toegevoegd.

Het zal transformeren naar een centrum stedelijk gebied met een hoge dichtheid.” “De Binckhorst is een bestaand stedelijk gebied met bestaande functies. Transformatie zal daarom kavelgewijs plaatsvinden.” Wat hier verder ook van moge zijn, met het omgevingsplan Binckhorst is binnen het gebied waar deze locatie is gelegen, een bouwhoogte van maximaal 70 meter toegestaan. In het aanvankelijke plan was een woontoren met een hoogte van 70 meter opgenomen. Het plan is vervolgens aangepast, waarbij de beoogde toren is verlaagd naar een kleine 50 meter. Uitsluitend ten aanzien van de hoogte van de plint, wordt niet

18

Haagse hoogbouw Eyeline en Skylkine, 15 november 2017, RIS298448, p. 7 Agenda Ruimte voor de Stad, 9 september 2016, RIS295016, in het bijzonder p. 13, 22 en 50 e.v. Zie ook de nota “Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline”, 15 november 2017, RIS298448, 19

B.2.21.1353.001 t/m 040

27

voldaan aan de nota Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline. Door middel van saldering is van deze bepaling gemotiveerd afgeweken. Benadrukt moet bovendien worden, dat de nota “Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline” in het bijzonder geldt voor objecten hoger dan 50 meter. Zie hiervoor pagina 8 van deze nota: “Haagse hoogbouw ‘anno nu’ kenmerkt zich door: - Een hoogte van meer dan 50 meter; - De menselijke maat: een aantrekkelijke stedelijke laag en levendige plint (de eyeline); - Maatwerk per gebied, gebiedseigen architectuur passend bij de omgeving; - Verdichten in combinatie met vergroenen en verduurzamen.” In het rapport “Toelichting terreininrichting, maatregelen klimaat adaptatie en groen en natuurinclusief bouwen Maanplein” van Deltavormgroep, van 12 februari 2021 (processtuk J22), is toegelicht, dat het project ruimschoots voldoet aan de in de nota Haagse hoogbouw: Skyline en Eyeline gestelde randvoorwaarde dat 100% van de footprint van de stedelijke laag terugkomt als horizontale buitenruimtes. Hierbij is 40% ingericht met groen.”20 Zoals hierboven onder 4.17 is toegelicht, ging de discussie bij de welstandscommissie gedurende het planproces met name over een prettige verhouding tussen de onderbouw (stedelijke laag) en de bovenbouw. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de huidige vormgeving.

4.21 Hoogteaccent is geen accent Zoals hierboven al is toegelicht, is op grond van artikel 7.2.2, onder a, van het omgevingsplan Binckhorst een bouwhoogte van maximaal 70 meter toegestaan, met dien verstande dat de minimale en maximale bouwhoogte en de hoogteaccenten verschillen per deelgebied. In de Beleidsregel “ruimtelijke kwaliteit” is en verdere differentiatie van de hoogte opgenomen. Aangegeven is dat de bouwhoogte van hoogteaccenten niet meer mag bedragen dan op de kaart “Regels bebouwing”. Op de Kaart 3 “regels bebouwing” is te zien, dat op de onderhavige locatie een minimale bouwhoogte geldt van 13 meter en een maximale bouwhoogte van 30 meter met hoogteaccenten van 70 meter. Het toekomstige gebouw zal een maximale bouwhoogte hebben van circa 50 meter. Gelet op de genoemde Kaart 3, is deze hoogte toegestaan. Een mate waarin bouwvolume gezien wordt als hoogteaccent en de maximale maat van het hoogteaccent is afhankelijk van de context, zoals de afstand tot andere hoogbouw en samenhang met andere hoogbouw.21 Wij zien niet waarom de hoogte van de woontoren niet als een accent zou kunnen worden beschouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11880372/1