RIS312672 Jonge slachtoffers criminele uitbuiting witte vlek in aanpak ondermijning Bijlage 2
Tekst van het document
14% van de respondenten benoemt dat slachtoffers het vaakst meerderjarig zijn in een leeftijd tussen de achttien en 26 jaar oud.282 Laatstgenoemde betreft voornamelijk schoolmaatschappelijk werkers (vier van vijf), professionals werkzaam binnen het RMC of als ontwikkelcoach (vijf van negen) en professionals werkzaam in het middelbaar of hoger beroepsonderwijs (negen van negentien). Voornoemde zijn binnen dit domein tevens de kleinste respondentgroepen, waardoor niet kan worden uitgesloten dat de cijfers door de kleine respondentengroep vertekend zijn. Ten slotte zien vijf respondenten het vaakst meerderjarige slachtoffers in een leeftijd van 27 jaar of ouder. Opvallend is dat drie van de vijf respondenten werkzaam zijn in het primair onderwijs. Een mogelijke verklaring is dat de slachtoffers in deze gevallen geen leerlingen zijn, maar dat het gaat om familieleden of andere betrokkenen bij het kind.
5.1.3.1 Vermoedens van criminele uitbuiting binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid285 Van alle 434 respondenten werkzaam binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid, heeft 53% in de afgelopen twee jaar een of meer vermoedens gehad van criminele uitbuiting (Figuur 38).286 Wat als eerste opvalt is dat 90% van de respondenten werkzaam bij de politie spreekt over vermoedens van criminele uitbuiting.287 Deze resultaten zeggen iets over de sterkte van de signalen van criminele uitbuiting, nu signalering en opsporing behoren tot de kerntaken van politiemedewerkers en een groot deel van de eerstelijns diensten in de afgelopen jaren is getraind in de signalen van mensenhandel en dus verwacht mag worden dat zij bekend zijn met artikel 273f Sr.288 Wat als tweede opvalt is dat bijna alle respondenten werkzaam binnen detentie, reintegratie of recidive (zestien van zeventien) in de afgelopen twee jaar in aanraking zijn geweest met slachtoffers van criminele uitbuiting. Deze respondenten komen vanwege de aard van hun werkzaamheden doorgaans in contact met veroordeelden. Deze resultaten roepen de vraag op of in deze gevallen sprake is geweest van het feit dat personen die eigenlijk slachtoffer waren toch zijn vervolgd als dader.
Tot slot benoemt ook drie kwart van de wijkagenten in aanraking te komen met slachtoffers van criminele uitbuiting (76% van deze groep).289 Samenvattend blijkt uit
283 Totaal n=160, 53% staat gelijk aan n=85, 21% staat gelijk aan n=33, 5% staat gelijk aan n=8. 284 Zie §3.2.2 Respondenten werkzaam per domein en per functie. 285 Zie Bijlage C voor een specificatie van vermoedens van criminele uitbuiting per functie en Bijlage D voor een specificatie van het geschatte aantal slachtoffers.
279 Totaal n=160, 73% staat gelijk aan n=116.
286 Totaal n=434, 53% staat gelijk aan 232.
280 Totaal n=53, 98% staat gelijk aan n=52.
287 Totaal n=30, 90% staat gelijk aan n=27.
281 Totaal n=51, 88% staat gelijk aan n=45.
288 Programmaresultaten Samen tegen Mensenhandel, 21 november 2021.
282 Totaal n=160, 14% staat gelijk aan n=23.
289 Totaal n=127, 76% staat gelijk aan n=97.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 60
de resultaten dat respondenten uit voornoemde beroepsgroepen gemiddeld meer dan andere respondenten binnen het domein en ook meer dan andere respondenten binnen het onderzoek (met uitzondering van zorgcoördinatoren jeugdhulp of mensenhandel) in aanraking lijken te komen met slachtoffers van criminele uitbuiting. Figuur 38. Domein Openbare Orde en Veiligheid: Vermoedens van criminele uitbuiting, 2019 - 2021 (n=434)
Verder valt op dat respondenten werkzaam binnen Fraudebestrijding en buitengewoon opsporingsambtenaren relatief minder dan gemiddeld spreken over vermoedens van criminele uitbuiting. Het betreft 36% van de respondenten werkzaam binnen Fraudebestrijding290 en 26% van de respondenten werkzaam als Buitengewoon Opsporingsambtenaar.291 Eerstgenoemde is opvallend nu het witwassen van geld, de geldezel- en katvangerconstructies behoren tot de meest genoemde vormen van gedwongen criminaliteit292 en in de interviews gesproken wordt over de grote pakkans voor geldezels.293 Ingezoomd op de respondenten die criminele uitbuiting hebben waargenomen in de afgelopen twee jaar stelt de meerderheid dat zij in direct contact zijn geweest met een of meer slachtoffers (66%).294 De meeste respondenten spreken over meerdere vermoedens van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar.295 Gemiddeld zien respondenten met vermoedens binnen het
domein Openbare Orde en Veiligheid de meeste slachtoffers (Figuur 39). De helft schat dat het gaat om twee tot en met vijf slachtoffers (50%).296 Vervolgens schat bijna een derde van de 232 respondenten het aantal slachtoffers waarmee hij of zij in aanraking is geweest met zes of meer slachtoffers (32%,)297 waarvan 20 respondenten zelfs schatten dat het om elf tot en met 25 slachtoffers gaat en negen respondenten schatten het aantal slachtoffers zelfs op 26 of meer. Figuur 39. Domein Openbare Orde en Veiligheid: Geschatte aantal slachtoffers criminele uitbuiting, 2019 - 2021 (n=232)
5.1.3.2 Vormen van gedwongen criminaliteit binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid298 Het gedwongen vervaardigen, uithalen, vervoeren of verhandelen van drugs en de katvangerconstructie zijn de meest genoemde vormen van gedwongen criminaliteit binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid (Figuur 40). Van alle 232 respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting, benoemt ongeveer de helft vermoedens van drugscriminaliteit (51%) en benoemt ook de helft vermoedens van de katvangerconstructie (50%).299
290 Totaal n=25, 36% staat gelijk aan n=9. 291 Totaal n=182, 26% staat gelijk aan n=48. 292 Zie §4.2. Vormen van gedwongen criminaliteit. 293 Zie §4.2.1. Verdieping op de resultaten (Vormen van gedwongen criminaliteit). 294 Totaal n=232, 66% staat gelijk aan n=152.
296 Totaal n=232, 50% staat gelijk aan n=117.
295 Het is aannemelijk dat respondenten een deel van dezelfde vermoedelijke slachtoffers in hun werk is
297 Totaal n=232, 32% staat gelijk aan n=74.
tegengekomen (zogeheten dubbeltellingen). Op basis van de data kan dit niet onderzocht worden en is
298 Zie Bijlage E voor een specificatie van gedwongen criminaliteitsvormen per functie.
het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de daadwerkelijke omvang van slachtoffers.
299 Totaal n=232, 51% staat gelijk aan n=119, 50% staat gelijk aan n=117.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 61
Figuur 40. Domein Openbare Orde en Veiligheid: Vormen van gedwongen criminaliteit, 2019 - 2021 (n=232)
Figuur 41. Domein Openbare Orde en Veiligheid: Geslacht slachtoffers (n=232)
Bijna 40% van de respondenten benoemt dat slachtoffers net zo vaak mannen als vrouwen zijn, gevolgd door 31% die voornamelijk of uitsluitend mannelijke slachtoffers ziet en 26% die voornamelijk of uitsluitend vrouwelijke slachtoffers ziet.301 Gemiddeld spreken respondenten over twee tot drie vormen van gedwongen criminaliteit. Voor professionals werkzaam bij de politie en professionals werkzaam bij detentie, re-integratie en recidive geldt zelfs dat zij gemiddeld drie tot vier vormen van gedwongen criminaliteit benoemen. Na gedwongen drugscriminaliteit en de katvangerconstructie wordt vooral het gedwongen witwassen van geld of de geldezelconstructie genoemd, gevolgd door gedwongen diefstal, inbreken of zakkenrollen. 5.1.3.3 Kenmerken van vermoedelijke slachtoffers binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid300 Binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid zien respondenten nagenoeg even vaak mannelijke als vrouwelijke slachtoffers (Figuur 41).
300 Zie Bijlage F tot en met I voor een specificatie van slachtofferkenmerken per functie.
301 Totaal n=232, 39% staat gelijk aan n=91, 31% staat gelijk aan n=73, 26% staat gelijk aan n=61.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 62
Gevraagd naar leeftijd zien respondenten slachtoffers in verschillende leeftijdsgroepen (Figuur 42). Figuur 42. Domein Openbare Orde en Veiligheid: Meest waargenomen leeftijd slachtoffers (n=232)
Ongeveer een derde van de respondenten ziet het vaakst adolescente slachtoffers in een leeftijd van achttien tot en met 26 jaar oud (33%).302 Het gaat hier om professionals uit alle beroepsgroepen en voornamelijk om professionals met een regierol binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid (50% van deze groep).303 Daarnaast ziet ongeveer een derde van de respondenten het vaakst minderjarige slachtoffers in een leeftijd tussen dertien en zeventien jaar oud (32%) en ongeveer een kwart van de respondenten ziet het vaakst volwassen slachtoffers in een leeftijd van 27 jaar of ouder (26%).304 Het valt op dat binnen het domein respondenten met een functie
5.1.4 Domein Werk, Financiën en Schulden Van alle 1.637 respondenten, vervullen 155 respondenten een functie binnen het domein Werk, Financiën en Schulden (9%). Iets minder dan drie kwart van de respondenten is werkzaam bij een uitkeringsinstantie en iets meer dan een kwart van de respondenten vervult een functie in de schuldhulpverlening. De meerderheid van de respondenten binnen dit domein is werkzaam in de gemeente Rotterdam (80%).306 Dit betekent dat de resultaten niet zonder meer gegeneraliseerd kunnen worden. Evenwel geven de resultaten zicht op wat eerstelijns professionals binnen dit domein tegen kunnen komen tijdens het uitvoeren van hun werkzaamheden, hetgeen mogelijk ook van waarde is voor eerstelijns professionals met eenzelfde taakstelling binnen andere gemeenten. 5.1.4.1 Vermoedens van criminele uitbuiting binnen het domein Werk, Financiën en Schulden307 Van de 155 respondenten met een functie binnen het domein Werk, Financiën en Schulden, spreekt iets minder dan de helft over vermoedens van criminele uitbuiting (41%) (Figuur 43).308 Van hen spreken de meeste respondenten over direct contact met één of meer slachtoffers (81%).309 Voorgaande geldt zowel voor de professionals werkzaam bij een uitkeringsinstantie als ook voor de professionals werkzaam in de schuldhulpverlening. Figuur 43.
Domein Werk, Financiën en Schulden: Vermoedens van criminele uitbuiting, 2019-2021 (n=155)
in fraudebestrijding en respondenten met een regierol binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid, naar verhouding het meest benoemen dat slachtoffers het vaakst meerderjarig zijn. Geen van de respondenten werkzaam binnen fraudebestrijding en slechts één respondent met een regierol binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid benoemt dat slachtoffers het vaakst minderjarig zijn. Kanttekening is dat het om een laag aantal respondenten gaat. Ten slotte zien respondenten binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid vooral slachtoffers het meest slachtoffers met een Nederlandse achtergrond, waarbij het slachtoffer zelf in Nederland geboren en opgegroeid is (37%), gevolgd door een Europese, maar niet Nederlandse, achtergrond(26%) en een niet-Europese achtergrond (20%).305
306 Totaal n=155, 80% staat gelijk aan n=124. Zie Bijlage B. Gemeenten in beeld. 302 Totaal n=232, 33% staat gelijk aan n=76. 303 Totaal n=18, 50% staat gelijk aan n=9.
307 Zie Bijlage C voor een specificatie van vermoedens van criminele uitbuiting per functie en Bijlage D voor een specificatie van het geschatte aantal slachtoffers.
304 Totaal n=232, 32% staat gelijk aan n=73. 26% staat gelijk aan n=60.
308 Totaal n=155, 41% staat gelijk aan n=63.
305 Totaal n=232, 37% staat gelijk aan n=86, 26% staat gelijk aan n=60, 20% staat gelijk aan n=46.
309 Totaal n=63, 81% staat gelijk aan n=51.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 63
De meeste respondenten binnen het domein Werk, Financiën en schulden spreken over meerdere vermoedens van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar (Figuur 44).310 Een meerderheid schat dat het gaat om twee tot en met vijf slachtoffers (70%).311
Figuur 45. Domein Werk, Financiën en Schulden: Vormen van gedwongen criminaliteit (n=63)
Figuur 44. Domein Werk, Financiën en Schulden: Geschatte aantal slachtoffers criminele uitbuiting, 2019-2021 (n=63)
5.1.4.2 Vormen van gedwongen criminaliteit binnen het domein Werk, Financiën en Schulden312 Het gedwongen ingezet worden als katvanger is de meest genoemde vorm van gedwongen criminaliteit door respondenten werkzaam binnen het domein Werk, Financiën en Schulden (Figuur 45). Van alle 63 respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting, benoemt iets meer dan een op de drie respondenten vermoedens van de katvangerconstructie (40%).313
Gemiddeld spreken respondenten over een tot twee vormen van gedwongen criminaliteit. Respondenten werkzaam binnen het domein Werk, Financiën en Schulden spreken bij vermoedens het meest over financiële delicten en vermogensdelicten, gevolgd gedwongen drugscriminaliteit. Eerstgenoemde kan mogelijk verklaard worden door de aard van de werkzaamheden die deze beroepsgroep verricht, nu zij vanuit hun werkzaamheden bij uitstek in contact komen met personen die financieel kwetsbaar zijn en vooral zicht hebben op de financiële context van een persoon. 5.1.4.3 Kenmerken van vermoedelijke slachtoffers binnen het domein Werk, Financiën en Schulden314 Binnen het domein Werk, Financiën en Schulden zien respondenten het meest vrouwelijke slachtoffers (Figuur 46). Dit resultaat wijkt af van het landelijk beeld dat laat zien dat respondenten gemiddeld iets vaker mannelijke slachtoffers zien.315
310 Het is aannemelijk dat respondenten een deel van dezelfde vermoedelijke slachtoffers in hun werk is tegengekomen (zogeheten dubbeltellingen). Op basis van de data kan dit niet onderzocht worden en is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de daadwerkelijke omvang van slachtoffers. 311 Totaal n=63, 70% staat gelijk aan n=44. 312 Zie Bijlage E voor een specificatie van gedwongen criminaliteitsvormen per functie.
314 Zie Bijlage F tot en met I voor een specificatie van slachtofferkenmerken per functie.
313 Totaal n=63, 40% staat gelijk aan n=25.
315 Zie §4.5.1 Geslacht van slachtoffers.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 64
Figuur 46. Domein Werk, Financiën en Schulden: Geslacht slachtoffers (n=63)
Respondenten met een functie binnen het domein Werk, Financiën en Schulden zien naar verhouding meer dan andere respondenten meerderjarige slachtoffers in een leeftijd van 27 jaar of ouder (62%).318 Een mogelijke verklaring is dat professionals binnen dit domein vanuit hun werkzaamheden bij uitstek in aanraking komen met volwassenen. Ten slotte ziet 43% vooral slachtoffers met een Nederlandse achtergrond, waarbij het slachtoffer zelf in Nederland geboren en opgegroeid is, gevolgd door 35% van de respondenten die vooral slachtoffers ziet met een niet-Europese achtergrond en 5% van de respondenten die vooral slachtoffers ziet met een Europese, maar niet-Nederlandse achtergrond.319
5.1.5 Domein Wijk en Wonen Van alle 1.637 respondenten, vervullen 71 respondenten een functie binnen het domein Wijk en Wonen (4%). De meeste respondenten vervullen een functie als wijkregisseur en enkele professionals zijn werkzaam bij een woningcorporatie. Iets minder dan de helft van de respondenten ziet voornamelijk of uitsluitend vrouwelijke slachtoffers (43%).316 Ongeveer een kwart van de respondenten ziet net zo vaak mannelijke als vrouwelijke slachtoffers (26%) en ook ongeveer een kwart van de respondenten benoemt dat slachtoffers voornamelijk of uitsluitend mannen zijn (26%).317 Gevraagd naar leeftijd zien respondenten het vaakst meerderjarige slachtoffers in een leeftijd van 27 jaar of ouder (Figuur 47).
5.1.5.1 Vermoedens van criminele uitbuiting binnen het domein Wijk en Wonen320 Respondenten werkzaam binnen het domein Wijk en Wonen spreken relatief het minst over vermoedens van criminele uitbuiting (29% vs 50%) (Figuur 48).321 Ongeveer een derde van de respondenten benoemt in de afgelopen twee jaar in aanraking te zijn geweest met slachtoffers van criminele uitbuiting. Van hen spreekt ongeveer de helft over direct contact met één of meer slachtoffers (52%).322
Figuur 47. Domein Werk, Financiën en Schulden: Leeftijd slachtoffers (n=63)
318 Totaal n=63, 62% staat gelijk aan n=39. 319 Totaal n=63, 43% staat gelijk aan n=27, 35% staat gelijk aan n=22, 5% staat gelijk aan n=3. 320 Zie Bijlage C voor een specificatie van vermoedens van criminele uitbuiting per functie en Bijlage D voor een specificatie van het geschatte aantal slachtoffers. 316 Totaal n=63, 43% staat gelijk aan n=27.
321 Totaal n=71, 29% staat gelijk aan n=21.
317 Totaal n=63, 26% staat gelijk aan n=16, 26% staat gelijk aan n=16.
322 Totaal n=21, 52% staat gelijk aan n=11.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 65
Figuur 48. Domein Wijk en Wonen: Vermoedens van criminele uitbuiting, 2019 - 2021 (n=71)
Figuur 50. Domein Wijk en Wonen: Vormen van criminele uitbuiting (n=21)
De meeste respondenten spreken over meerdere vermoedens van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar (Figuur 49).323 Meer dan de helft van de respondenten schat dat het gaat om twee tot en met vijf slachtoffers (62%).324 Figuur 49. Domein Wijk en Wonen: Geschatte aantal slachtoffers van criminele uitbuiting, 2019 - 2021 (n=21)
Gemiddeld geven respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting aan in aanraking te zijn geweest met twee vormen van gedwongen criminaliteit. Na gedwongen drugscriminaliteit, wordt door een aantal respondenten gesproken over gedwongen diefstal, inbreken of zakkenrollen, het gedwongen witwassen van geld of ingezet zijn als geldezel, de katvangerconstructie en het ronselen van anderen voor de prostitutie. 5.1.5.3 Kenmerken van vermoedelijke slachtoffers binnen het domein Wijk en Wonen326 Binnen het domein Wijk en Wonen zien respondenten net iets vaker, maar bijna net zo vaak mannelijke als vrouwelijke slachtoffers (Figuur 51). Figuur 51. Domein Wijk en Wonen: Geslacht slachtoffers (n=21)
5.1.5.2 Vormen van gedwongen criminaliteit binnen het domein Wijk en Wonen325 Het vervaardigen, uithalen, vervoeren of verhandelen van drugs is de meest genoemde vorm van gedwongen criminaliteit door respondenten werkzaam in het domein Wijk en Wonen (Figuur 50).
323 Het is aannemelijk dat respondenten een deel van dezelfde vermoedelijke slachtoffers in hun werk is tegengekomen (zogeheten dubbeltellingen). Op basis van de data kan dit niet onderzocht worden en is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de daadwerkelijke omvang van slachtoffers. 324 Totaal n=21, 62% staat gelijk aan n=13. 325 Zie Bijlage E voor een specificatie van gedwongen criminaliteitsvormen per functie.
326 Zie Bijlage F tot en met I voor een specificatie van slachtofferkenmerken per functie.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 66
Van de 21 respondenten zien zeven voornamelijk of uitsluitend mannelijke slachtoffers (33%), vijf respondenten zien net zo vaak mannen als vrouwen (24%) en vijf respondenten zien voornamelijk of uitsluitend vrouwelijke slachtoffers (24%). Gevraagd naar leeftijd zien respondenten slachtoffers in diverse leeftijdsgroepen (Figuur 52). Figuur 52. Domein Wijk en Wonen: Leeftijdt slachtoffers (n=21)
Van de 21 respondenten zien zes respondenten het vaakst slachtoffers in een leeftijd van dertien tot en met zeventien jaar oud (29%), gevolgd door vijf respondenten die het vaakst adolescenten zien (24%) en vijf respondenten die het vaakst volwassen slachtoffers ziet in een leeftijd van 27 jaar of ouder (24%).327 Ten slotte ziet bijna de helft van de respondenten binnen het domein Wijk en Wonen het meest slachtoffers met een Nederlandse achtergrond, waarbij het slachtoffer zelf in Nederland geboren en opgegroeid is (48%), gevolgd door vier respondenten die voornamelijk niet-Europese slachtoffers zien (19%) en drie respondenten die voornamelijk Europese, maar niet-Nederlandse slachtoffers zien (14%).328
5.1.6 Resumé Uit dit hoofdstuk blijkt dat er een grote diversiteit bestaat met betrekking tot de achtergrond van de eerstelijns professionals met vermoedens van criminele uitbuiting. Voor alle vijf de beleidsdomeinen geldt dat ten minste een op de drie eerstelijns professionals die deelgenomen heeft aan dit onderzoek in de afgelopen twee jaar in aanraking is geweest met ten minste
één slachtoffer van criminele uitbuiting. Uit de resultaten blijkt dat slachtoffers van criminele uitbuiting het meest gezien worden door eerstelijns professionals met een functie binnen de domeinen Openbare Orde en Veiligheid of Jeugd, Zorg en Welzijn. Meer dan de helft van de professionals die deelgenomen heeft aan het onderzoek, en met een functie binnen een van deze twee domeinen, benoemt in de afgelopen twee jaar in aanraking te zijn geweest met een of meer slachtoffers van criminele uitbuiting. Dit geldt het meest voor eerstelijns professionals met een functie bij de politie; bij detentie, re-integratie of recidive; als zorgcoördinator of als wijkagent. Het feit dat met name de politie aangeeft in dusdanige mate in contact te komen met slachtoffers van criminele uitbuiting, zegt ook iets over de stevigheid van deze waarnemingen, nu van hen verwacht mag worden dat zij bekend zijn met mensenhandel. Tegelijkertijd roept dit ook de vraag op hoe het komt dat er in de afgelopen jaren zo weinig signalen bij de Afdeling Vreemdelingen, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) terecht zijn gekomen,329 nu dit de politiedienst is die niet alleen verantwoordelijk is voor de opsporing van daders van mensenhandel, maar (deels) ook voor de bescherming van slachtoffers.
Verder blijkt uit de resultaten dat in alle domeinen minstens de helft van de eerstelijns professionals met vermoedens spreekt over direct contact met slachtoffers. Voor de domeinen Werk, Financiën en Schulden; Onderwijs en Jeugd, Zorg en Welzijn geldt dit zelfs voor ongeveer drie kwart van de eerstelijns professionals met vermoedens van criminele uitbuiting. Bovendien geldt dat de meeste respondenten benoemen herhaaldelijk in aanraking te komen met slachtoffers. In alle domeinen geldt dat minstens de helft van de eerstelijns professionals spreekt over twee tot en met vijf slachtoffers in de afgelopen twee jaar. Gemiddeld zien eerstelijns professionals met vermoedens binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid de grootste aantallen slachtoffers en benoemt ongeveer een derde van hen meer dan zes slachtoffers in de afgelopen twee jaar te hebben gezien met uitschieters naar 26 of meer slachtoffers waar een aantal respondenten over rapporteren. De meest genoemde vorm van criminele uitbuiting betreft in bijna alle domeinen gedwongen drugscriminaliteit. Alleen in het domein Werk, Financiën en Schulden worden op de eerste plek financiële delicten en vermogensdelicten het meest genoemd, hetgeen verklaard kan worden door de aard van de werkzaamheden die deze beroepsgroep verricht.
5.2 Kennis en bewustwording ten aanzien van criminele uitbuiting In de voorgaande paragraaf is ingegaan op de frequentie van en context waarbinnen eerstelijns professionals met criminele uitbuiting in contact komen. Deze paragraaf gaat
327 Totaal n=21, 29% staat gelijk aan n=6, 24% staat gelijk aan n=5. 328 Totaal n=21, 48% staat gelijk aan n=10, 19% staat gelijk aan n=4, 14% staat gelijk aan n=3.
329 Zie: §2,1.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 67
in op de bewustwording en kennis van eerstelijns professionals ten aanzien van criminele uitbuiting. Kennis hierover geeft immers inzicht in het bestaan van eventuele lacunes binnen de signalering en aanpak van criminele uitbuiting en biedt handvatten voor het ontwikkelen van beleid en interventies.
Figuur 53. Stelling: ‘Ik weet precies wat ik moet doen wanneer ik vermoed dat een persoon slachtoffer is van criminele uitbuiting’ (n=821)
5.2.1 Kennis van signalen Uit de resultaten uit de vragenlijst blijkt dat respondenten het lastig vinden om in te schatten hoe hun kennis is omtrent het herkennen van signalen van mensenhandel in het algemeen en van criminele uitbuiting in het bijzonder. Zo is er geen significant verschil in de mate waarin respondenten aangeven bekend te zijn met signalen van mensenhandel330 en de mate waarin zij aangeven bekend te zijn met signalen van criminele uitbuiting.331 Hetgeen opvalt is dat professionals over de gehele linie over het algemeen ‘neutraal’ antwoorden op de vraag of en in hoeverre zij bekend zijn met signalen die kunnen wijzen op mensenhandel (breed) en (specifiek) criminele uitbuiting. De professionals binnen dit onderzoek geven derhalve aan niet bekend en ook niet onbekend te zijn met signalen en blijken te kiezen voor de middenweg. Wanneer deze resultaten worden afgezet tegen de vervolgvragen op het thema bewustwording, ligt er op het vlak van kennisontwikkeling niettemin een belangrijke uitdaging.
5.2.2 Kennis van handelen Van alle 821 respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting, benoemt minder dan de helft te weten wat te doen bij het vermoeden dat iemand slachtoffer is van criminele uitbuiting
Wat opvalt is dat binnen het domein Wijk en Wonen meer dan de helft van de respondenten (57%)333 benoemt dat zij precies weten wat zij moeten doen bij het vermoeden dat iemand slachtoffer is van criminele uitbuiting, gevolgd door ongeveer de helft van de respondenten werkzaam binnen het domein Onderwijs (49%).334 Daarentegen benoemen respondenten werkzaam binnen het domein Werk, Financiën en Schulden naar verhouding vaker dat zij niet weten wat zij moeten doen bij een vermoeden van criminele uitbuiting (42%) en minder vaak dat zij wel precies weten wat te doen bij een vermoeden (25%).335
(38%) (Figuur 53).332 In het totaal benoemen 226 respondenten dat zij niet weten wat te doen bij het vermoeden dat iemand slachtoffer is van criminele uitbuiting (28%).336 Van deze respondenten spreekt ongeveer drie kwart over meerdere vermoedens van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar (77%)337, waarbij enkele respondenten zelfs schatten dat het om meer dan elf, of zelfs om meer dan 26 slachtoffers gaat. Een zorgelijke bevinding is dat een aanzienlijk deel van de respondenten herhaaldelijk slachtoffers ziet, maar tegelijkertijd aangeeft niet te weten wat hij/zij moet doen op het moment dat zij hiermee in contact komen, hetgeen de vraag oproept of en in hoeverre deze slachtoffers passende hulpverlening en bescherming hebben gekregen.
333 Totaal n=21, 57% staat gelijk aan n=12. 334 Totaal n=160, 49% staat gelijk aan n=79. 330 (M=3,09; SD=0,99).
335 Totaal n=63, 42% staat gelijk aan n=25, 25% staat gelijk aan n=16.
331 (M=3,07; SD=0,99); t (1,312) = 1636, p = 0,190.
336 Totaal n=821.
332 Totaal n=821, 38% staat gelijk n=308.
337 Totaal n=226, 77% staat gelijk aan n=175.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 68
5.2.2.1 Korte verdieping op de resultaten In een aantal interviews komt ter sprake dat als slachtoffers gesignaleerd worden, eerstelijns professionals niet goed weten waar zij met signalen of vermoedens terecht kunnen en waar zij slachtoffers naar kunnen doorverwijzen. Benoemd wordt dat zowel voor slachtoffers van criminele uitbuiting als voor eerstelijns professionals met vermoedens van criminele uitbuiting geen passende plek is voor gericht advies. Het gevolg hiervan is dat professionals aangeven soms niet te (kunnen) handelen op hun vermoedens.
5.2.3 Training De meerderheid van de respondenten heeft nooit een opleiding, training, cursus en/of nascholing gevolgd in het herkennen van signalen van mensenhandel (67%) (Figuur 54).338 Van de 544 respondenten die wel een training of dergelijke gevolgd hebben, geeft bijna de helft aan dat hierin specifieke aandacht was voor het onderwerp criminele uitbuiting (49%).339 Alle 1.637 respondenten bijeengenomen, betreft dit 16% van de deelnemende professionals.340 Tegelijkertijd geeft 88% van alle professionals interesse te hebben in het volgen van een (korte) training of cursus in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting.341 Figuur 54. Training gevolgd in het herkennen van signalen van mensenhandel (algemeen) en criminele uitbuiting (specifiek) per domein (n=1.637)
Wat opvalt is dat respondenten met een functie binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid gemiddeld het vaakst benoemen getraind te zijn op het herkennen van signalen van mensenhandel en/of criminele uitbuiting (41%).342 Ingezoomd op het domein valt op dat Buitengewoon Opsporingsambtenaren het minst vaak een dergelijke training hebben gevolgd (21%).343 Dit is tevens de groep eerstelijns professionals binnen dit domein die het minst spreekt over vermoedens van criminele uitbuiting.344 Van de resterende respondenten met een functie binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid benoemd iets meer dan de helft getraind te zijn op het herkennen van signalen van mensenhandel en/of criminele uitbuiting (56%).345 Respondenten met een functie binnen Werk, Financiën en Schulden geven gemiddeld het minst aan een dergelijke training te hebben gevolgd (15%).346 Van de 201 respondenten die geen interesse hebben in het volgen van een training of cursus, geven 50 respondenten aan ooit al een training gevolgd te hebben met aandacht voor criminele uitbuiting. 23 respondenten geven aan wel een training gevolgd te hebben in het herkennen van signalen van mensenhandel, maar daarin was geen aandacht voor criminele uitbuiting.
De overige 128 respondenten geven aan nooit een opleiding, training, cursus en/of nascholing gevolgd te hebben in het herkennen van signalen van mensenhandel, noch hebben zij interesse voor een (korte) training of cursus hierover. Opvallend, want bijna een op de vijf van hen benoemt in de afgelopen twee jaar in aanraking te zijn geweest met slachtoffers (18%).347 Dat een dergelijke training zou kunnen bijdragen aan de signalering van slachtoffers, blijkt ook uit de resultaten die een significant verschil laten zien tussen respondenten die wel en geen training hebben gevolgd in het herkennen van signalen en het aantal vermoedens van criminele uitbuiting.348 Meer dan de helft van de professionals die ooit een opleiding, training, cursus en/of nascholing gevolgd hebben in het herkennen van signalen van mensenhandel (67%)349 en meer dan de helft van de respondenten die ooit een training heeft gevolgd met specifieke aandacht voor criminele uitbuiting (68%)350 benoemt dat zij in de afgelopen twee jaar met een of meer slachtoffers van criminele uitbuiting in aanraking zijn geweest. Van de respondenten die nooit
342 Totaal n=434, 41% staat gelijk aan n=178. 343 Totaal n=182, 21% staat gelijk aan n=38. 344 Zie 5.1.3.1 Vermoedens van criminele uitbuiting binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid. 338 Totaal n=1.637, 67% staat gelijk aan n=1093. Gelet op de invloed van Rotterdam is het percentage
345 Totaal n=252, 55% staat gelijk aan n=140.
respondenten dat nooit een training heeft gevolgd in het herkennen van signalen van mensenhandel
346 Totaal n=155, 15% staat gelijk aan n=24.
lager in de twaalf resterende gemeenten. Totaal n=1.161, 61% staat gelijk aan n=713.
347 Totaal n=128, 18% staat gelijk aan n=23.
339 Totaal n=544, 49% staat gelijk aan n=264.
348 X2(2) = 97,683, p < ,001.
340 Totaal n=1.637, 16% staat gelijk aan n=264.
349 Totaal n=280, 67% staat gelijk aan n=188.
341 Totaal n=1.637, 88% staat gelijk aan n=1436.
350 Totaal n=264, 68% staat gelijk aan n=179.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 69
een dergelijke training of opleiding gevolgd hebben, benoemt minder dan de helft vermoedens van criminele uitbuiting (42%).351 Bovendien is er een significant verschil tussen respondenten die ooit een training gevolgd hebben in het herkennen van signalen en respondenten die nooit een dergelijke opleiding of training gevolgd hebben, en in hoeverre zij zichzelf bekend achten met signalen van criminele uitbuiting.352 Van de respondenten die nooit een opleiding of training gevolgd hebben in het herkennen van signalen van mensenhandel of criminele uitbuiting benoemt minder dan 30% bekend te zijn met signalen die kunnen wijzen op criminele uitbuiting (27%).353 Van de respondenten die ooit een opleiding of training gevolgd hebben in het herkennen van signalen van mensenhandel benoemt 40% bekend te zijn met signalen van criminele uitbuiting.354 78% van de respondenten die een training heeft gevolgd waar specifiek ook aandacht was voor criminele uitbuiting, geeft aan bekend te zijn met signalen die kunnen wijzen op criminele uitbuiting.355
5.2.3.1 Korte verdieping op de resultaten In de interviews is gevraagd naar welke kennis eerstelijns professionals behoefte hebben. Uit de interviews komt naar voren dat in het concretiseren van vermoedens een grote uitdaging ligt als het gaat om criminele uitbuiting. Eerstelijns professionals zien dan ook kansen in het ontwikkelen van expertise, zodat men weet wat bepaalde signalen betekenen en hoe te handelen. Dit geldt eens te meer nu er volgens de respondenten vaak maar een (zeer) kort tijdsbestek is waarbinnen eerstelijns professionals dienen te handelen.360 Want, waar een gebrek aan kennis en bewustzijn het makkelijker maakt om bij signalen een stap terug te doen, kan ontwikkeling van kennis en bewustzijn een professional handvatten bieden om met de problematiek om te gaan: “Nu vraag ik ernaar: ben je bang? Die vraag stel ik nu, die stelde ik in het verleden niet. Ben je onder druk gezet? Moet je iets doen en wil je het ook doen? Dat soort onderwerpen komen nu aan de orde. Dat deed ik in het verleden niet, want daar was ik niet van op de hoogte.” (Zorgcoördinator mbo)
Ten slotte is er een significant verschil in het weten hoe te handelen tussen respondenten die ooit een training gevolgd hebben over mensenhandel, specifiek over criminele uitbuiting en respondenten die geen opleiding gevolgd hebben in het herkennen van signalen van mensenhandel.356 Wat opvalt is dat meer dan de helft van de respondenten die een training gevolgd hebben met specifieke aandacht voor criminele uitbuiting benoemt precies te weten wat te doen bij vermoedens van criminele uitbuiting (60%).357 Van de respondenten die geen training hebben gevolgd (30%)358 en de respondenten die wel een training hebben gevolgd over mensenhandel
Door respondenten wordt hierbij aangegeven dat zij verlangen naar meer informatie over concrete signalen van criminele uitbuiting en over hoe om te gaan met dergelijke signalen. In de interviews gaat het onder meer over wat criminele uitbuiting precies inhoudt, wat signalen zijn en hoe deze herkend kunnen worden, wat de criteria zijn om te kunnen spreken van slachtofferschap, waar slachtoffers mee geholpen zouden zijn, hoe passend op signalen geïntervenieerd kan worden en op welke plekken professionals met signalen van criminele uitbuiting terecht kunnen. Deze kennis zou professionals kunnen ondersteunen bij het
maar zonder specifieke aandacht voor criminele uitbuiting (33%)359 geeft ongeveer een derde aan dat zij weten hoe zij moeten handelen bij vermoedens van criminele uitbuiting.
concretiseren van vermoedens van criminele uitbuiting.
5.3 Werkwijze rondom criminele uitbuiting Bovengenoemde resultaten zijn interessant nu deze laten zien dat trainingen over mensenhandel dus vaak nog niet het thema criminele uitbuiting bevatten, en dat een training over criminele uitbuiting van waarde kan zijn op de kennis die eerstelijns professionals hebben als het gaat om het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en op het interveniëren op signalen of vermoedens van criminele uitbuiting.
351 Totaal n=1093, 42% staat gelijk aan n=454. 352 X2(8) = 316,759, p < ,001. 353 Totaal n=1093, 27% staat gelijk aan n=297.
5.3.1 Werkafspraken rondom criminele uitbuiting Een minderheid van de respondenten geeft aan dat er op de werkplek afspraken zijn gemaakt over het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting (32%) (Figuur 55).361 29% van de respondenten benoemt dat er geen werkafspraken bestaan over het omgaan met vermoedens en 39% benoemt niet te weten of dergelijke afspraken er binnen de werkplek zijn.362 Dit laat zien dat organisaties slechts beperkt beschikken over werkafspraken rondom criminele uitbuiting, of dat een aanzienlijk deel van de werknemers in ieder geval niet bekend is met mogelijk bestaande afspraken. Het feit dat zoveel respondenten aangeven niet te weten of er werkafspraken bestaan, laat zien dat ook voor werkgevers hier nog een belangrijke rol ligt.
354 Totaal n=280, 40% staat gelijk aan n=111. 355 Totaal n=264, 78% staat gelijk aan n=207. 356 X2(10) = 105,337, p < ,001. 357 Totaal n=179, 60% staat gelijk aan n=108.
360 Verwijzen naar https://www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2022/05/120460_Schijnwerpers_ op_straat.pdf.
358 Totaal n=454, 30% staat gelijk aan n=138.
361 Totaal n=1.637, 32% staat gelijk aan n=529.
359 Totaal n=188, 33% staat gelijk aan n=62.
362 Totaal n=1.637, 29% staat gelijk aan n=472, 39% staat gelijk aan n=636.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 70
Figuur 55. ‘Bestaan er binnen uw werkplek afspraken over het omgaan met geconstateerde vermoedens van criminele uitbuiting?’ (n=1.637)
Wat opvalt is dat respondenten met een functie binnen Werk, Financiën en Schulden gemiddeld het vaakst benoemen dat er geen afspraken bestaan op de werkplek over het omgaan met geconstateerde vermoedens van criminele uitbuiting, of dat zij niet weten of dergelijke afspraken bestaan (86%) (Figuur 56).363 Binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid wordt relatief het meest gesproken over het bestaan van dergelijke afspraken. 43% van de respondenten met een functie binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid benoemt dat er op de werkplek afspraken bestaan over het omgaan met geconstateerde vermoedens van criminele uitbuiting.364
Figuur 56. Afspraken binnen de werkplek over het omgaan met geconstateerde vermoedens van criminele uitbuiting, per domein (n=1.637)
Ingezoomd op het domein Openbare Orde en Veiligheid valt op dat respondenten werkzaam als Buitengewoon Opsporingsambtenaar het minst vaak benoemen dat er afspraken bestaan op de werkplek over het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting. Van hen geeft slechts 29% aan dat dergelijke afspraken bestaan.365 Van de resterende respondenten met een functie binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid benoemt iets meer dan de helft dat er degelijke afspraken op de werkplek bestaan (53%).366 “Nochtans is het opvallend dat bijna de helft van de respondenten werkzaam bij de politie aangeeft dat er geen werkafspraken zijn (17%) of dit niet te weten (32%).” Dat dergelijke afspraken van waarde kunnen zijn, blijkt ook uit de resultaten die een significant verschil laten zien tussen (de kennis van) het bestaan van werkafspraken over het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting en het weten hoe te handelen bij vermoedens van criminele uitbuiting.367 Iets meer dan de helft van de respondenten die benoemen dat er werkafspraken bestaan binnen de werkplek over het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting benoemt ook te weten wat te doen bij vermoedens van criminele uitbuiting (55%).368 Van de respondenten die benoemen dat er of geen werkafspraken bestaan of dat zij niet weten of er dergelijke afspraken bestaan benoemt iets meer dan een kwart van de respondenten dat zij weten wat
zij moeten doen
365 Totaal n=182, 29% staat gelijk aan n=53. 366 Totaal n=252, 53% staat gelijk aan n=133. 363 Totaal n=155, 86% staat gelijk aan n=133.
367 X2 (5) = 92,8519, p < 0,001.
364 Totaal n=434, 43% staat gelijk aan n=186.
368 Totaal n=318, 55% staat gelijk aan n=176.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 71
bij vermoedens van criminele uitbuiting (26%).369 Dat werkafspraken zouden kunnen helpen bij handelingsverlegenheid van eerstelijns professionals blijkt uit de resultaten.
5.3.2 Contact met andere hulpverleners of instanties De meerderheid van de respondenten heeft ooit contact opgenomen met iemand binnen de eigen organisatie of een andere organisatie naar aanleiding van vermoedens van criminele uitbuiting (Figuur 57). Figuur 57. Contact met anderen over vermoedens van criminele uitbuiting (n=821)
De resultaten laten zien dat de meeste respondenten vermoedens bespreekbaar maken binnen of buiten de organisatie (84%).370 Meer dan de helft van de respondenten heeft vermoedens ooit besproken met een collega (59%).371 Op de tweede plaats benoemt iets minder dan de helft van de respondenten vermoedens besproken te hebben met politie (46%), gevolgd door een hulpverlener of zorginstelling (40%) en Veilig Thuis (36%).372 Circa een op de zes respondenten benoemt dat zij, ondanks dat zij in aanraking zijn geweest met slachtoffers, geen contact hebben opgenomen met iemand binnen de eigen organisatie of een andere instantie.373 Dit kan mogelijk verklaard worden doordat respondenten zelf opvolging hebben gegeven aan de signalen. Een andere verklaring is dat zij in het geheel geen opvolging
hebben gegeven aan hun vermoedens. Laatstgenoemde zou een zorgelijke situatie zijn, nu dit betekent dat slachtoffers wel waargenomen zijn, maar dat hier niet op is gehandeld. Ook hier laten de resultaten de waarde zien van training en werkafspraken. Er is een significant verschil tussen respondenten die wel/geen training hebben gevolgd over mensenhandel of criminele uitbuiting in het contact opnemen in geval van vermoedens van criminele uitbuiting.374 93% van de respondenten die ooit een training heeft gevolgd waarin specifieke aandacht is geweest voor criminele uitbuiting, benoemt dat zij ooit contact hebben opgenomen met anderen naar aanleiding van vermoedens.375 Van de respondenten die nooit een training gevolgd hebben in het herkennen van signalen betreft dit 78%.376 Ook is er een significant verschil in het contact opnemen in geval van vermoedens van criminele uitbuiting tussen respondenten die benoemen dat er werkafspraken zijn omtrent het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting en zij die benoemen dat er geen werkafspraken zijn of die hiervan niet op de hoogte zijn.377 89% van de respondenten die aangeven dat er werkafspraken zijn, benoemt dat zij ooit contact hebben opgenomen met anderen naar aanleiding van vermoedens378, tegenover 80% van de respondenten die aangeven dat er geen werkafspraken bestaan of die hier niet van op de hoogte zijn.379 Bovengenoemde
resultaten zijn interessant nu deze laten zien dat een groot deel van de eerstelijns professionals vermoedens bespreekbaar maakt en signalen van criminele uitbuiting deelt met anderen. Niettemin roepen deze resultaten ook de vraag op waar deze vermoedens gemeld worden en in hoeverre en op welke wijze vervolgens geïntervenieerd wordt op signalen nu een groot deel van de slachtoffers van criminele uitbuiting niet terugkomt in de officiële statistieken van mensenhandel.380 5.3.2.1. Korte verdieping op de resultaten In meerdere interviews wordt gewezen op het gebrek aan kennis over welke informatie er wanneer en met wie gedeeld mag worden en de mogelijkheid om dit te kunnen doen. Een groot knelpunt volgens de geïnterviewde professionals, wanneer het gaat om het vroegtijdig kunnen
374 X2(2)=23,069, p < 0,001. 375 Totaal n=179, 93% staat gelijk aan n=167. 369 Totaal n=503, 26% staat gelijk aan n=132.
376 Totaal n=454, 78% staat gelijk aan n=355.
370 Totaal n=821, 84% staat gelijk aan n=689.
377 p < 0,001.
371 Totaal n=821, 59% staat gelijk aan n=485
378 Totaal n=318, 89% staat gelijk aan n=284.
372 Totaal n=821, 46% staat gelijk aan, n=376, 40% staat gelijk aan n=325, 36% staat gelijk aan n=296.
379 Totaal n=503, 80% staat gelijk aan n=401.
373 Totaal n=821, 17% staat gelijk aan n=136.
380 Zie §2.1 Criminele uitbuiting in Nederland.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 72
herkennen van risico’s en signalen van criminele uitbuiting en het tijdig kunnen interveniëren op signalen. Meerdere malen uiten eerstelijns professionals de behoefte aan rechtstreekse samenwerking in het delen van informatie tussen betrokken en relevante partijen. Tegelijkertijd bestaat een sterk gevoel dat informatie niet gedeeld mag worden wat maakt dat eerstelijns professionals terughoudend zijn in hun handelen.
respondenten angst bij slachtoffers voor represailles van de mensenhandelaar. Volgens respondenten bestaat er een zwijgcultuur onder slachtoffers en worden daders zelden verlinkt, wat de bewijsvoering bemoeilijkt.384
5.4 Gesignaleerde kansen in de signalering en aanpak van criminele uitbuiting
Daar waar een verklaring van het slachtoffer een doorslaggevende rol kan spelen bij het aantonen van het dwangelement, lijken slachtoffers in de praktijk niet tot nauwelijks bereid te zijn om te verklaren over hun situatie.385 Ook onzekerheid over het eigen aandeel in de zaak kan ertoe leiden dat een slachtoffer geen melding of aangifte wilt of durft te doen. Daarnaast kampen veel slachtoffers met schaamte over de situatie waarin zij terecht zijn gekomen en signaleren geïnterviewde professionals wantrouwen vanuit slachtoffers en diens ouders richting overheidsinstanties en hulpverleners. In het verlengde van voornoemde factoren zien respondenten dan ook dat de aangiftebereidheid onder slachtoffers laag is en dat slachtoffers een handreiking tot hulp nauwelijks aannemen, zelfs wanneer dit betekent dat het slachtoffer zelf de strafrechtelijke keten ingaat.
De eerstelijns professionals zijn eensgezind in hun opvatting dat de aanpak van criminele uitbuiting binnen de gemeenten verbetering behoeft. Inzicht in de uitdagingen die eerstelijns professionals ervaren in de signalering en aanpak van de problematiek geeft eveneens inzicht in de kansen om deze te kunnen versterken. Deze paragraaf gaat in op de uitdagingen en kansen die eerstelijns professionals ervaren bij de signalering en aanpak van criminele uitbuiting. Uit dit onderzoek komen vijf knelpunten naar voren met betrekking tot de signalering en aanpak van criminele uitbuiting. Deze knelpunten moeten gelezen worden in relatie tot de resultaten uit de vragenlijst en komen voort uit de twintig semigestructureerde interviews met eerstelijns professionals.
5.4.1 Element van dwang Uit dit onderzoek komt naar voren dat een groot deel van de eerstelijns professionals slachtoffers ziet van criminele uitbuiting, maar dat eerstelijns professionals tegelijkertijd moeilijkheden ervaren in het concretiseren van de vermoedens die zij hebben. Allereerst blijkt uit de interviews dat eerstelijns professionals het vaststellen en beoordelen van het dwangelement bij slachtoffers als ingewikkeld ervaren. Dit komt enerzijds doordat slachtoffers terughoudend zijn in het delen van hun verhaal en anderzijds door een gebrek aan kennis en handelingskader als het gaat om de problematiek.381 Daarbij speelt vooral de vraag wanneer sprake is van voldoende dwang om te kunnen spreken van een slachtoffer, maar ook in hoeverre het slachtoffer zelf verantwoordelijkheid draagt voor het delict dat hij of zij heeft gepleegd.382 In lijn met bestaande literatuur komt uit de interviews naar voren dat slachtoffers zichzelf vaak niet als slachtoffer zien en ook door anderen niet als zodanig gesignaleerd worden.383 Uit voorbeelden die respondenten geven blijken de moeilijkheden die zij ervaren bij het in beeld krijgen van de beweegredenen van mogelijke slachtoffers. Een aantal factoren worden uitgelicht. Allereerst signaleren de
“In 9 van de 10 gevallen wordt alles ontkent.” (Coördinator)
Eerstelijns professionals baseren zich in de praktijk dan ook vooral op eigen waarnemingen in combinatie met evidente kwetsbaarheden die bij slachtoffers doorgaans aanwezig zijn, zoals een jonge leeftijd en/of een lichtverstandelijke beperking.386 In gesprekken zien zij vooral signalen naar voren komen dat iemand tot aan zijn nek in de problemen zit, en zien zij dat slachtoffers desondanks alsnog niets verklaren en niet aangeven dat zij hulp nodig hebben. Tegelijkertijd blijkt uit de vragenlijst dat bijna vier op de tien eerstelijns professionals ook ziet dat slachtoffers onder (dreiging van) geweld worden gedwongen. Verder laat het onderzoek zien dat ondanks aanwezige signalen het niet altijd duidelijk is dat iemand slachtoffer is van criminele uitbuiting, nu bij de doelgroep vaak, maar niet uitsluitend, sprake is van uiteenlopende problemen op verschillende leefgebieden bij het slachtoffer zelf of binnen het gezin.387 Het beeld dat de respondenten geven is dat criminele uitbuiting (i) niet altijd actief uitgevraagd wordt, (ii) vaker niet dan wel specifiek onderdeel uitmaakt van de
384 Zie §4.4.1 Modus operandi: ronselen en dwangmiddelen, verdieping op de resultaten. 385 Zie §4.4.1 Modus operandi: ronselen en dwangmiddelen, verdieping op de resultaten. 386 Zie §2.1.4 Inzicht in slachtoffers, daders en modus operandi van criminele uitbuiting, §4.4 Modus 381 Zie §4.4.1 Modus operandi: ronselen en dwangmiddelen, verdieping op de resultaten. 382 Zie Hoofdstuk 2 Een literatuurverkenning naar criminele uitbuiting in Nederland. 383 Zie §2.2 Uitdagingen in de signalering van criminele uitbuiting.
operandi: ronselen en dwangmiddelen en §4.4.1 Verdieping op de resultaten. 387 Zie §2.1.4 Inzicht in slachtoffers, daders en modus operandi van criminele uitbuiting, §4.4 Modus operandi: ronselen en dwangmiddelen en §4.4.1. Verdieping op de resultaten.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 73
taakopvatting van eerstelijns professionals en (iii) dat tijdens (multidisciplinair) (casus)overleg niet standaard wordt nagegaan of er sprake kan zijn van criminele uitbuiting. Een ander punt dat naar voren komt in de interviews is dat respondenten zich zorgen maken om de terughoudendheid die zij bij collega’s zien als het gaat om het doorvragen op signalen, hetgeen zij voort zien komen uit enerzijds een gebrek aan kennis als het gaat om de problematiek388 en anderzijds een gebrek aan handelingskader als het gaat om het interveniëren op signalen389. Laatstgenoemde wordt ook door enkele geïnterviewden zelf ervaren. Slachtoffers worden al snel als dader gezien, zonder dat men in staat is de beweegredenen van het slachtoffer te achterhalen. Dit heeft volgens respondenten te maken met het feit dat slachtoffers vaak niet voldoen aan de kenmerken die passen bij het stereotypebeeld van slachtofferschap en zij bovendien doorgaans aanvankelijk in beeld komen als dader van een strafbaar feit.390 Een knelpunt dat hierbij gesignaleerd wordt gaat ook om het begeleiden en goed horen van kwetsbare slachtoffers, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een lichtverstandelijke beperking. Door respondenten wordt belicht dat voor slachtoffers met een lichtverstandelijke beperking het contact met politie en hulpverleners lastig is en vice versa.
Eerstelijns professionals signaleren hierbij een gebrek aan expertise bij betrokken hulpverleners, instanties en politie om met dergelijke kwetsbaarheden om te gaan, hetgeen het contact tussen hen belemmert en erin resulteert dat slachtoffers niet meewerken of vroegtijdig afhaken, incidenten niet leiden tot opsporingsonderzoeken en zaken geseponeerd worden wegens gebrek aan bewijs. Concluderend laat het onderzoek zien dat professionals in de praktijk worstelen met het vaststellen van het dwangelement en met de vraag wanneer het moment is gekomen dat er sprake is van criminele uitbuiting. Zij wijzen daarbij op een behoefte aan het vergroten van de kennis over problematiek en het (h)erkennen van en kunnen omgaan met kwetsbaarheden bij slachtoffers en vaardigheid in het doorvragen op signalen.
te komen, onder meer doordat eerstelijns professionals nauwelijks tot geen ruimte ervaren om proactief te kunnen investeren in een duurzame relatie met de doelgroep. Eerstelijns professionals wijzen op een gebrek aan contact met de doelgroep, hetgeen hen belemmert in zowel de (vroegtijdige) signalering van slachtoffers als in de (preventieve) aanpak van criminele uitbuiting. In meerdere interviews komt het gebrek aan contact met de doelgroep als een groot knelpunt naar voren in de preventie, signalering en aanpak van criminele uitbuiting: “Als wij die capaciteit zouden hebben, dan zouden wij gewoon vrije diensten kunnen krijgen als jeugdagenten. Dan zouden wij gewoon op onze fiets lekker de wijk in kunnen. Die jongeren echt leren kennen. Echt in gesprek met hen kunnen treden. Het vertrouwen kunnen winnen, zodat ze ons ook iets willen vertellen, wat nu niet het geval is. En misschien kom je dan niet gelijk in contact met de slachtoffers en met de daders. Maar je spreekt wel andere kinderen die vertellen wat er gebeurt in de wijk. En dat mis je nu.” (Jeugdagent) Zoals eerder beschreven schetsen eerstelijns professionals het beeld dat slachtoffers terughoudend zijn in het delen van hun verhaal en dat contact vaak belemmerd wordt door angst, wantrouwen en schaamte vanuit het slachtoffer.391 Daarnaast is criminele uitbuiting volgens respondenten een haaldelict.
Slachtoffers zien zichzelf vaak niet als zodanig en eerstelijns professionals zien voor zichzelf een belangrijke taak om het te signaleren.392 Dit maakt dat contact met de doelgroep van groot belang is en het noodzakelijk is dat eerstelijns professionals informatie zelf proactief verzamelen, zo geven de geïnterviewden aan.
In de interviews zijn de respondenten eensgezind dat een preventieve aanpak essentieel is in de strijd tegen criminele uitbuiting en in het voorkomen dat slachtoffers uiteindelijk doorgroeien tot daders. Het is derhalve zorgelijk dat in bijna alle interviews wordt benoemd hoe moeilijk het is om met vermoedelijke en/of potentiële slachtoffers van criminele uitbuiting in contact
In een groot deel van de interviews wordt door eerstelijns professionals de behoefte geuit om in de wijken (weer) meer aanwezig te zijn. In voorbeelden benoemen respondenten positief gesteld te zijn over initiatieven gericht op het vergroten van de maatschappelijke weerbaarheid van minderjarigen en kwetsbare personen en zijn zij bovenal te spreken over de inzet van laagdrempelige proactieve hulpverlening in de wijken, zoals de inzet van moedernetwerken, buurtvaders, positieve rolmodellen, mentoren en sleutelfiguren, en de preventieve aanwezigheid van een wijkagent of jongerenwerker in de wijk of op school. Tegelijkertijd hebben bezuinigingen en coronamaatregelen393 erin geresulteerd dat eerstelijns professionals steeds minder in de wijken aanwezig zijn, dat buurtcentra gesloten zijn, dat er een gebrek aan activiteiten is ontstaan en dat een verandering heeft plaatsgevonden van een aanbodgerichte (proactieve) werkwijze naar een
388 Zie ook §5.2.1 Kennis van signalen.
391 Zie §2.2 Uitdagingen in de signalering van criminele uitbuiting.
389 Zie ook §5.2.2 Kennis van handelen.
392 Zie §4.1.1 Verdieping op de resultaten (Vermoedens van criminele uitbuiting).
390 Zie hierover ook §2.2 Uitdagingen in de signalering van criminele uitbuiting.
393 Zie §4.8.1 Verdieping op de resultaten (Invloed coronamaatregelen).
5.4.2 Duurzaam contact met de doelgroep
HET MISDRIJF VOORBIJ | 74
vraaggerichte (reactieve) werkwijze, van preventie naar repressie. Respondenten benoemen tijd en ruimte te missen om te kunnen investeren in duurzaam contact en verbinding met kinderen en gezinnen die opgroeien onder de armoedegrens of in kwetsbare wijken, zoals het creëren van een sociaal vangnet, persoons- en toekomstgerichte begeleiding en het includeren van alle kinderen in de samenleving: “Het hele preventiestuk vanaf jonge leeftijd. De juiste rolmodellen in de wijk. Weten wat politie en gemeente voor je kunnen doen, positieve ervaringen en signaleren vanuit school en de omgeving. Als leerplichtambtenaar heb je daarin ook een rol. Zorgen dat jongeren mee kunnen doen, kunnen sporten, niet onder een armoedegrens hoeven te leven, dat je daarin investeert. Perspectief bieden dat er iets anders is.” (RMC Consulent) Dit onderzoek laat zien dat het belangrijk is om na te denken over wat eerstelijns professionals nodig hebben om te kunnen investeren in duurzaam contact met de doelgroep ter versterking van preventie en over hoe de contact- en verklaringsbereidheid van slachtoffers van criminele uitbuiting kan worden vergroot, met het doel om meer zicht te krijgen op slachtoffers en daders.
5.4.3 Behoefte aan integrale samenwerking Daarnaast wordt door de respondenten een verlangen uitgesproken naar meer integrale samenwerking, waarin gewerkt wordt met een gezamenlijk doel en een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
van informatie uit de verschillende leefgebieden van het slachtoffer. De moeilijkheden in het concretiseren van vermoedens en het verzamelen van bewijs in zaken van criminele uitbuiting vraagt volgens respondenten om meer nauwe en integrale samenwerking, waarbij afdelingen als clusters aanwezig zijn in de wijken. Daarbij wensen zij meer vrijheid om informatie te kunnen delen met partners, terugkoppeling nadat zij signalen gedeeld hebben en meer nauwe en integrale samenwerking waarin samen opgetrokken wordt in de signalering van de problematiek. Respondenten benoemen hierbij dat de meeste informatie verzameld wordt wanneer de link tussen de leefgebieden van het slachtoffer gelegd wordt, maar zien dat informatie versnipperd raakt zowel binnen als tussen gemeenten. In relatie tot de wens voor preventie en meer integrale samenwerking zien eerstelijns professionals een belangrijke rol voor het onderwijs en het hulpverlenende netwerk rondom scholen. Echter signaleren meerdere respondenten in de praktijk angst voor imagoschade als het gaat om betrokkenheid bij deze problematiek, terwijl volgens hen juist transparantie over de problematiek de hand reikt naar slachtoffers.
Zij achten het daarom van belang dat, zeker in gebieden waarvan bekend is dat kinderen in kwetsbare omstandigheden opgroeien, periodieke voorlichting gegeven wordt aan kinderen en diens ouders, alvorens zij starten in het voortgezet onderwijs. Daarbij zijn een aantal respondenten positief over initiatieven waarbij wijkagenten of jongerenwerkers meer aanwezig zijn op scholen, bijvoorbeeld tijdens de pauze, zodat signalen onderling gedeeld kunnen worden. Het niet samenbrengen van vroegtijdige signalen, die op de basisschool al aanwezig kunnen
Uit de interviews blijkt dat vooral vroegtijdige signalen gemist worden en dat de werkwijze hier meer op zou moeten zien. Slachtoffers ervaren vaak al op jonge leeftijd problemen op meerdere leefgebieden.394 Het tijdig bundelen van informatie en kennis uit de verschillende leefgebieden van vermoedelijke en potentiële slachtoffers is volgens respondenten van groot belang om risico’s en signalen van criminele uitbuiting vroegtijdig te kunnen herkennen en hierop tijdig te kunnen interveniëren. Een van de jongerenwerkers verwoordt het als volgt: “Meer dan samenwerken, samen verantwoordelijk zijn, een netwerk met kennis en kunde. Het snel onderling kunnen schakelen. Expertise bundelen, met hetzelfde doel rond tafel.” (Jongerenwerker B) Signalering bij criminele uitbuiting lijkt bovenal een stapsgewijs proces te zijn, dat vraagt om een vertrouwensband met het slachtoffer, het doorvragen op signalen en het samenbrengen
394 Zie 4.1.1 Verdieping op de resultaten (Vermoedens van criminele uitbuiting).
zijn, wordt herkend als een belangrijke reden waarom signalen van criminele uitbuiting gemist worden en waarom een interventie veelal te laat komt: ‘Vroegsignalering, vroegsignalering, vroegsignalering. En dan heb ik het echt over basisscholen. Wat moet er dan gebeuren? Op de basisschool moeten gewoon heel veel signalen al duidelijk kunnen worden. En dan moet er dan al iets mee gaan gebeuren.’ (Jeugdagent) Daarnaast vraagt signalering van de problematiek ook van (eerstelijns) professionals om een andere manier van kijken naar de problematiek. Eerstelijns professionals opereren vaak vanuit een taakstelling, waarbij de aanpak van criminele uitbuiting geen expliciet onderdeel van uitmaakt, hetgeen het signaleren van de problematiek in de weg staat. In voorbeelden spreken respondenten over een handelingsverlegenheid die zij zien als het gaat om het doorvragen op signalen, over een gebrek aan probleemeigenaarschap en over signalen die bij meerdere partners bekend zijn, maar niet onderling gedeeld worden:
HET MISDRIJF VOORBIJ | 75
“Dan verwijs je ze door, komen ze bij mijn partner terecht die überhaupt niet eens weet wat er gaande is van wat er in die wereld speelt en komen ze op een wachtlijst te staan.” (Jongerenwerker) Nauwe samenwerking en korte lijntjes zijn nodig om de veiligheid van een slachtoffer te kunnen waarborgen, door het snel kunnen inschakelen van professionals en expertise en het bijeenbrengen van het netwerk van hulpverlenende instanties rondom het slachtoffer. Respondenten benoemen zich gesterkt te voelen in hun vermoedens wanneer informatie uit verschillende leefgebieden samenkomt. In het verlengde hiervan wordt in bijna alle interviews positief gesproken over het bestaan van overlegtafels waarin verschillende partners aansluiten. Echter, waar op veel plekken dergelijke overleggen in verschillende vormen lijken te bestaan, ervaren respondenten dat professionals vaak langs elkaar heen werken en dat het lang duurt voordat het netwerk van hulpverlenende instanties en de nodige expertise samenkomt. Bovendien valt het de respondenten op dat de vraag of er mogelijk sprake is van criminele uitbuiting binnen dit soort overlegtafels niet structureel wordt meegenomen bij het bespreken van cliënten of casuïstiek.