RIS312672 Jonge slachtoffers criminele uitbuiting witte vlek in aanpak ondermijning Bijlage 2
Tekst van het document
geven respondenten aan dat jongeren vaak al op jonge(re) leeftijd zijn geronseld en pas op latere leeftijd in beeld komen. In de interviews benoemen meerdere respondenten bijvoorbeeld hoe kinderen al op de basisschool of net na de overgang van de basis naar de middelbare school worden benaderd en worden geronseld. Enkele respondenten benoemen steeds meer jonge slachtoffers te zien: “We hadden laatst ook een meisje van 12 die dan ook inderdaad van alles en nog wat moest doen en pakketjes moest rondbrengen en noem maar op. Dat hadden we eerder niet zo.” (Behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik) Een zorgelijke bevinding is dat meerdere respondenten zelfs spreken over ervaringen met zeer jonge kinderen uit kwetsbare wijken die in de basisschoolleeftijd al geronseld zijn voor ‘eenvoudige’ criminaliteit, zoals het rondbrengen van pakketjes, het plegen van diefstal en het op de uitkijk staan tijdens het dealen. Een projectleider preventie jeugdcriminaliteit benoemt dat het ronselen voor ‘eenvoudige’ criminaliteit al ruimschoots begint tussen de tien en veertien jaar oud. Als het gaat over slachtoffers in de basisschoolleeftijd benoemt een jongerenwerker dat het vooral gaat om jongens uit kwetsbare wijken:
Respondenten zien onder de groep minderjarige slachtoffers vooral mannelijke slachtoffers. Dit geldt voor elf van de zestien respondenten die het vaakst minderjarige slachtoffers zien in een leeftijd van twaalf jaar of jonger (69%) en voor bijna de helft als het gaat om de leeftijdscategorie dertien tot en met zeventien jaar oud (46%).214 Voor de groep 18 tot en met 26 jaar oud, worden bijna net zo vaak mannelijke als vrouwelijke slachtoffers waargenomen en als het om de leeftijdscategorie 27 jaar of ouder gaat, dan worden met name vrouwelijke slachtoffers gezien (38%).215 4.5.2.1 Korte verdieping op de resultaten In lijn met de resultaten uit de vragenlijst komen ook in de interviews slachtoffers uit alle leeftijdsgroepen naar voren, waarbij met name minderjarige en jongvolwassen slachtoffers in de voorbeelden worden uitgelicht. In meer dan de helft van de interviews benoemen respondenten bijvoorbeeld dat zij het meest slachtoffers zien in de leeftijd van twaalf tot vijftien jaar oud. Ook
213 Zie ook: §2.2. 214 Totaal n=334, 46% staat gelijk aan n=154. 215 Totaal n=158, 38% staat gelijk aan n=60.
“Al kids van de basisschool. Laatst werd ik gebeld door een school in een kwetsbare wijk. Hadden ze een mannetje [van de basisschool] gepakt met fucking ballonnen [lachgas] en verkocht aan basisschoolleerlingen.” (Jongerenwerker C) Een projectleider spreekt zelfs over een slachtoffer van acht jaar oud dat was geronseld door jongens uit de wijk om drugspakketjes rond te brengen: “[…] van 8 jaar, die pakketjes moest wegbrengen. Hij kreeg 20 euro per keer. Omdat het thuis niet goed ging. Die dacht dat hij zijn moeder daar heel erg mee hielp.” (Projectleider preventie jeugdcriminaliteit) Enkele respondenten benoemen hoe vooral het type delicten waar jongeren voor worden geronseld zwaarder zijn dan voorheen, met gevolgen die voor jongeren niet te overzien zijn. Een jongerenwerker benoemt dat hij tegenwoordig kinderen van vijftien jaar oud al snel ziet afglijden in grote schulden door het uitlenen van een bankpas of hun legitimatiebewijs, vooral als er sprake is van een lichtverstandelijke beperking: “Kinderen in de leeftijd van 15 jaar, een beetje de leeftijd wanneer je je eigen bankpas kan beheren, zie ik al heel snel afglijden naar schulden boven de 20.000 euro.” (Jongerenwerker D)
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 44
4.5.3 Achtergrond slachtoffers Uit de vragenlijst blijkt dat respondenten het vaakst slachtoffers zien met een Nederlandse achtergrond, waarbij het slachtoffer in Nederland geboren en opgegroeid is (Figuur 15).
Figuur 16. Achtergond slachtoffers, afgezet tegen meest waargenomen vorm van gedwongen criminaliteit (n=665)
Figuur 15. Achtergond slachtoffers (n=821)
45% van de respondenten geeft aan dat slachtoffers het vaakst een Nederlandse achtergrond hebben, gevolgd door een niet-Europese achtergrond (23%) en een Europese, maar nietNederlandse achtergrond (13%). Het gaat hier dus voornamelijk om Nederlandse slachtoffers, terwijl dit juist de slachtoffers zijn die bijna niet voorkomen in de statistieken.216 Wanneer de achtergrond van slachtoffers afgezet wordt tegen de vormen van gedwongen criminaliteit die worden genoemd, blijken hierin verschillen te zijn (Figuur 16).
Het valt op dat respondenten die het vaakst slachtoffers zien met een Nederlandse of nietEuropese achtergrond, tevens het vaakst zien dat slachtoffers worden gedwongen tot drugsgerelateerde criminaliteit, gevolgd door het witwassen van geld of de geldezelconstructie. Ook valt op dat respondenten die het vaakst slachtoffers zien met een Europese, maar nietNederlandse achtergrond, meer dan andere respondenten zien dat slachtoffers gedwongen worden ingezet als katvanger (17%) of worden gedwongen tot bedelarij (14%).217 Wanneer achtergrond afgezet wordt tegen het geslacht dat respondenten het meest waarnemen blijkt dat onder de groep Nederlandse en niet-Europese slachtoffers het vaakst mannelijke slachtoffers worden gezien (42%) (Figuur 17).218 Vooral als het gaat om slachtoffers met een Europese, maar niet-Nederlandse achtergrond, zien respondenten het vaakst vrouwen (43%).219
217 Totaal n=104, 17% staat gelijk aan n=18, 14% staat gelijk aan n=14. 218 Totaal n=374, 42% staat gelijk aan n=156. Totaal n=187, 42% staat gelijk aan n=79. 216 Zie §2.1 Criminele uitbuiting in Nederland.
219 Totaal n=104, 43% staat gelijk aan n=45.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 45
Figuur 17. Achtergond slachtoffers, afgezet tegen geslacht slachtoffers (n=665)
4.5.3.1 Korte verdieping op de resultaten In de interviews benoemen de respondenten het meest slachtoffers te zien die geboren of opgegroeid zijn in Nederland. Een aantal respondenten benoemt niettemin een extra kwetsbaarheid te zien bij Nederlandse jongeren en jongvolwassenen met een migratieachtergrond, welke bovenal ingegeven lijkt te zijn door ongunstige demografische en sociaaleconomische factoren en mogelijke identiteitsproblemen en conflicten vanuit het opgroeien in twee (sterk) verschillende culturen (culturele dissonantie). “Ik praat met heel veel jongeren die zeggen dan: ik voel me nergens thuis. […] Ze willen allemaal zelfregie, maar ze weten gewoon niet hoe.” (Jongerenwerker B) Bovendien wordt door enkele respondenten gesproken over slachtoffers met een vluchtelingenachtergrond. Zo valt een van de respondenten op dat slachtoffers met een vluchtelingenachtergrond in grotere mate worden ingezet als katvanger, waarbij bijvoorbeeld auto’s op naam geschreven worden. Ook benoemt een andere respondent zich steeds meer zorgen te maken als het gaat om uitgeprocedeerde asielzoekers:
Daarnaast blijkt uit Figuur 18 dat slachtoffers met een Nederlandse achtergrond jonger lijken te zijn dan de andere groepen die worden waargenomen en dat dit de enige groep is waarbij eerstelijns professionals tevens voor het merendeel minderjarige slachtoffers zien (53%).220 Slachtoffers met een Europese, maar niet-Nederlandse achtergrond lijken daarentegen gemiddeld het oudste. Dit laatste kan opvallend worden genoemd, omdat respondenten aangeven ook een substantiële groep slachtoffers te zien die gedwongen wordt te bedelen en/of
“Wij hebben alle dagen hier te maken met mensen die uitgeprocedeerd zijn, die hier illegaal verblijven, geen recht hebben op hulpverlening, op inschrijving. En dat is een groep die heel makkelijk geronseld kan worden voor criminele activiteiten. En daar maak ik me heel veel zorgen over. […] We kennen ze niet, want ze ‘bestaan niet’. Maar ze zijn er wel […].” (Geestelijk verzorger Verslavingszorg)
zakken te rollen. Dit zijn delicten die doorgaans door minderjarigen zouden worden uitgevoerd. Figuur 18. Achtergond slachtoffers, afgezet tegen leeftijd slachtoffers (n=665)
220 Totaal n=374, 53% staat gelijk aan n=198.
Uit deze paragraaf blijkt dat de grootste groep slachtoffers die de eerstelijns professionals waarnemen in Nederland is geboren en opgegroeid. Bovendien gaat het daarbij in de meeste gevallen om minderjarige slachtoffers. Dit is een belangrijke bevinding, nu juist deze groep slachtoffers in de officiële statistieken over mensenhandel vrijwel niet naar voren komt en waarop het zicht op dit moment vrijwel volledig ontbreekt.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 46
4.6 Vermoedelijke daders In deze paragraaf wordt ingegaan op wat respondenten weten over de achtergrond van vermoedelijke daders van criminele uitbuiting. De resultaten laten zien dat eerstelijns professionals maar beperkt zicht hebben op wie de daders van criminele uitbuiting zijn (Figuur 19 en 20). Figuur 19. Ik heb goed zicht op wie de criminelen zijn die personen dwingen tot het plegen van criminaliteit in het gebied waar ik werk (n=821)
Figuur 21. In het gebied waar ik werk worden voldoende maatregelen genomen om te voorkomen dat personen worden geronseld door criminelen (n=821)
Figuur 22. In het gebied waar ik werk lukt het goed om de criminelen die personen dwingen tot criminaliteit aan te pakken (n=821)
Figuur 20. De criminelen die personen dwingen tot het plegen van criminaliteit in het gebied waar ik werk zijn goed georganiseerde (jeugd)netwerken (n=821)
Slechts 10% van de respondenten vindt dat er voldoende maatregelen genomen worden om te voorkomen dat personen worden geronseld door criminelen.224 Ook is maar 8% van de respondenten het eens met de stelling dat het goed lukt om de criminelen die personen dwingen tot criminaliteit aan te pakken in het gebied waar zij werken.225
4.6.1 Verdieping op de resultaten Slechts 9% van de respondenten geeft aan goed zicht te hebben op wie de daders zijn van criminele uitbuiting.221 Een aanzienlijk deel van de respondenten geeft dan ook aan niet te weten of de daders van criminele uitbuiting goed georganiseerde (jeugd)netwerken zijn (41%) (Figuur
Ook uit de interviews komt naar voren dat het zicht op daders van criminele uitbuiting beperkt is. Niettemin spreken meerdere eerstelijns professionals uit te zien dat er zowel daders zijn die individueel te werk gaan als daders die opereren binnen een bepaald netwerk of in groepsverband
23).222 Bijna een op de vier respondenten is het wel (geheel) eens met deze stelling (24%).223 Dit doet vermoeden dat in ieder geval een deel van de daders goed georganiseerd is en samenwerkt bij het crimineel uitbuiten van anderen.
waarin sprake is van hiërarchie. Enkelen benoemen hoe groepen vaak klein beginnen en zich soms doorontwikkelen. Ook ziet een aantal eerstelijns professionals verwevenheid en verbinding tussen verschillende groepen zowel binnen de gemeente als vanuit andere delen uit de regio of grote steden. Vooral geven eerstelijns professionals aan dat het zicht op daders verslechtert navenant de georganiseerdheid toeneemt. In de interviews geven enkele professionals aan dat bepaalde lijnen gezien worden, maar dat het moeilijk is om zicht te krijgen op groepen wanneer zwijgen de norm is en dat daders als gevolg daarvan zelden verlinkt worden door slachtoffers. De meeste eerstelijns professionals zijn het er dan ook over eens dat de echte daders uit het zicht van hulpverleners en instanties blijven:
Tot slot laten de resultaten zien dat in het kader van preventie en in de aanpak van daders nog veel onbenutte kansen liggen (Figuur 21 en 22).
“Een goede crimineel is zo slim om ervoor te zorgen dat die anderen voor zijn karretje gaat spannen, zodat hij buiten beeld blijft” (Jongerenwerker B)
221 Totaal n=821, 9% staat gelijk aan n=77. 222 Totaal n=821, 41% staat gelijk aan n=338.
224 Totaal n=821, 10% staat gelijk aan n=78.
223 Totaal n=821, 24% staat gelijk aan n=198.
225 Totaal n=821, 8% staat gelijk aan n=64.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 47
Het beeld dat voorzichtig geschetst wordt richt zich dan ook vooral op de individuele daders en jongens onder de ‘kopstukken’, zij die al gehard zijn en wat langere tijd in de criminaliteit zitten, die al enigszins opgeklommen zijn op de criminele ladder en die net iets slimmer, gewetenlozer en geraffineerder te werk gaan dan de slachtoffers: “Ze zijn de ladder opgeklommen en het zijn de gasten die slimmer zijn, een netwerk kunnen opbouwen en wel kunnen schakelen. Die daarin sneller zijn en ook verbaal sterker. En ook meedogenlozer.” (RMC Consulent) In gegeven voorbeelden worden veelal de wat oudere jongens en jongvolwassen mannen aangehaald, die al langere tijd in de criminaliteit zitten en al meerdere keren in aanraking zijn geweest met politie. Eerstelijns professionals spreken over jongens met status en aanzien in de wijk, die gehard en streetwise zijn, weten hoe zij anderen kunnen gebruiken om er zelf beter van te worden en die specifiek op zoek zijn naar kwetsbare personen om deze uit te buiten in de criminaliteit. Niettemin laten de meeste eerstelijns professionals naar voren komen dat het bij deze daders vaak gaat om dezelfde kwetsbaarheden als die van de slachtoffers.
Veelal komen zij uit dezelfde wijken als de slachtoffers en kennen zij een achtergrond met armoede of schulden, een problematische thuissituatie, een gebroken gezin, een geschiedenis met hulpverleningsinstanties, criminaliteit binnen het gezin, zijn zij laaggeschoold en/of sociaal emotioneel laag ontwikkeld. Het zijn vaak jongens die niet goed mee kunnen doen aan de samenleving, opboksen tegen de grenzen van de maatschappij en op een andere manier op zoek zijn naar erkenning, invloed en status: “Geen één dader is zomaar dader geworden. Niemand.” (Jongerenwerker C) Bovendien komt uit de interviews naar voren dat eerstelijns professionals slachtoffers zien doorgroeien tot daders. Soms gaat het daarbij om slachtoffers die een eigen netwerk creëren en zelf gaan opereren als daders, maar er wordt ook gesproken over slachtoffers die zodanig in de knel zitten dat zij niet weten hoe zij nog uit het criminele circuit kunnen stappen en geen ander perspectief of kansen zien, en om die reden doorstromen. Een van de jongerenwerkers geeft een voorbeeld over hoe zij jongeren dieper in de problemen ziet komen mede door de consequenties die zij ervaren van hun daden en de lange wachttijden bij het doorverwijzen naar hulpverlening:
wel mee bezig, terwijl dat eigenlijk ons werk niet eens is. Heel lullig gezegd, want die problematiek in die drie/vier maanden, als jij zo’n jongere niet helpt, is gewoon dat ‘ie nog verder in de shit komt. Dus dat bedoelde ik net met bepaalde systemen. Die zijn er zo op ingericht, dat eigenlijk jongeren die slachtoffer worden, ook weleens de dader worden, omdat ze gewoon noodgedwongen geen andere keuze meer hebben.’ (Jongerenwerker A) Verder wordt benoemd dat dader en slachtoffer familie van elkaar (kunnen) zijn. Dit laatste komt ook naar voren uit de resultaten uit de vragenlijst, oftewel dat criminele uitbuiting ook (of juist) in de familiaire sfeer kan plaatsvinden.226 “Wat je ook vaak ziet, dat is dan een ander soort criminaliteit, is in de drugshandel. Wat je hier best veel hebt. Dan is een broer van een jaar of zestien/zeventien die dealt. Gewoon als straatdealertje. Wat erbij hoort, is dat ze roepen dat ze niet willen dat hun broertje het gaat doen. Maar ze zijn de eerste die hun eigen broertje inzetten om te helpen, om te scouten of de politie eraan aankomt. […] Kijk als jij als dertienjarige al begint voor je broer van achttien om op de uitkijk te staan of er geen politie aankomt tijdens het dealen, dan groei je daarin mee. Op je zestiende word je dan gepakt en dan heb je een strafblad.
En dan? Dan ben je in mijn ogen wel een slachtoffer, want je staat meteen al achter.” (Wijkagent) In een aantal interviews wordt gesproken over familienetwerken, verweven in de (drugs) criminaliteit en waar kinderen de criminaliteit ingroeien. In deze kan er sprake zijn van intergenerationele overdracht waar generatie op generatie het bijna vanzelfsprekend, maar niet zozeer vrijwillig is, dat jongere leden binnen de familie de werkzaamheden overnemen. Hierbij doet de vraag op in hoeverre hier sprake kan zijn van vrijwilligheid. Hoewel daders soms dus eenzelfde kwetsbare achtergrond lijken te kennen als de slachtoffers die zij maken, lijkt in ieder geval een deel van de daders zich ook doelbewust – en bijna methodisch - te richten op het ronselen en uitbuiten van specifiek kwetsbare jongeren. Zo wordt er gesproken over daders die online op zoek zijn naar sociale media accounts van kwetsbare jongeren, met het doel hen snel te verleiden tot het criminele pad om vervolgens aan hen te verdienen, maar ook over daders die ronselen op locaties waar zich inherent kwetsbare personen bevinden, zoals de basisschool, praktijkonderwijs of zorginstellingen.
‘Als een jongere geen bankrekening kan openen, moet hij per se naar [maatschappelijk werk] of de kredietbank om een bankrekening te openen. Als hij daar drie/vier maanden voor op de wachtlijst staat, dan heb je wel drie/vier maanden dat je met een jongere moet overbruggen. Dus heel vaak zijn we in die drie/vier maanden daar 226 Zie §4.3 Locaties van werven en ronselen.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 48
Dat het onvoldoende lukt om daders van criminele uitbuiting aan te pakken blijkt ook uit de interviews. Uit de interviews wordt duidelijk dat eerstelijns professionals onvoldoende grip ervaren op daders en dat daders volgens hen onvoldoende opgespoord en vervolgd worden. Waar slachtoffers vaak in beeld komen en behandeld worden als dader, zijn het niet de daadwerkelijke daders die aangehouden worden. Een aantal eerstelijns professionals merkt hierbij op dat als slachtoffers gepakt worden, zij niet tot nauwelijks bereid zijn te verklaren. Zo benoemt een coördinator in het middelbaar beroepsonderwijs dat het vaak onduidelijk blijft wat iemands beweegredenen zijn, hetgeen minimale bewijsvoering in de hand werkt. Een professional werkzaam bij de politie benoemt hierbij dat het mede heel lastig is doordat het vaak lang duurt voordat duidelijk is wie de daadwerkelijke daders binnen een netwerk zijn en geeft hierbij aan dat het in de aanpak van daders ontbreekt aan mankracht, zeker in risicogebieden, en dat er vaak achter de feiten aangelopen wordt.
Figuur 23. Aantal respondenten met een of meer vermoedens waarbij een slachtoffer zowel crimineel als ook seksueel is uitgebuit, in de afgelopen twee jaar 2019 - 2021 (n=821)
Samengevat komt op basis van de interviews het voorzichtige beeld naar voren, dat het gaat om personen met een uiteenlopende achtergrond, maar dat daders vaak zelf ook voortkomen uit dezelfde sociaaleconomische situatie als hun slachtoffers en gelijksoortige kwetsbaarheden kennen. In sommige gevallen gaat het daarbij zelfs om daders die zelf eerst ook uitgebuit zijn, wat het belang van vroegtijdige signalering van slachtofferschap benadrukt. Tegelijkertijd bevestigen de interviews ook het beeld van berekenende en doelbewuste daders die specifiek op zoek zijn naar kwetsbare personen en er niet voor terugdeinzen om deze uit te buiten in de criminaliteit. 194 respondenten benoemen dat het om meerdere slachtoffers gaat (24%).228 Dit betekent dat
4.7 Overlap van criminele en seksuele uitbuiting In de vragenlijst is ook aan de respondenten gevraagd of zij slachtoffers hebben waargenomen die zowel seksueel als crimineel zijn uitgebuit. Met seksuele uitbuiting wordt daarbij gedoeld op het dwingen van een ander tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling, waarbij het verdiende geld (grotendeels) dient te worden afgestaan. In deze paragraaf wordt beschreven hoeveel eerstelijns professionals in de afgelopen twee jaar dergelijke vermoedens hebben gehad, om welke vormen van gedwongen criminaliteit het gaat en wat het geslacht is van de betrokken slachtoffers. Meer dan 40% van de respondenten geeft aan dat zij in de afgelopen twee jaar in aanraking zijn geweest met een of meerdere personen die vermoedelijk zowel crimineel als seksueel zijn uitgebuit (Figuur 23).227
ongeveer een op de vier respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting aangeeft in de afgelopen twee jaar met meerdere personen in aanraking te zijn geweest die zowel crimineel als seksueel zijn uitgebuit. Voor 169 respondenten gaat het om één slachtoffer in de afgelopen twee jaar (20%).229 Als uitgezoomd wordt naar alle 1.637 respondenten die hebben deelgenomen aan het onderzoek, blijkt dat iets meer dan een vijfde van de eerstelijns professionals vermoedens heeft (gehad) waarbij een slachtoffer zowel seksueel als crimineel is uitgebuit (22%).230 Een vermoeden van seksuele uitbuiting lijkt het meest samen te gaan met een vermoeden dat een slachtoffer ook gedwongen is tot het ronselen van anderen voor de prostitutie en met vermoedens van gedwongen drugscriminaliteit (Figuur 24).
228 Totaal n=821. 229 Totaal n=821. 227 Totaal n=821, 44% staat gelijk aan n=363.
230 Totaal n=1.637, 22% staat gelijk aan n=363.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 49
Figuur 24. Vormen van gedwongen criminaliteit die samen zijn gegaan bij vermoedens van seksuele uitbuiting (n=363)231
39% van de respondenten benoemen dat de seksuele uitbuiting samenging met het ronselen van andere meiden, jongens, vrouwen of mannen voor de prostitutie, gevolgd door gedwongen drugscriminaliteit (35%) en vermogensdelicten, waarvan voornamelijk het witwassen van geld of ingezet worden als geldezel (25%).232 Wanneer vermoedens van criminele en seksuele uitbuiting samengaan, blijkt dat vooral vrouwelijke slachtoffers naar voren komen (figuur 25).
Figuur 25. Geslacht slachtoffers van zowel seksuele als ook criminele uitbuiting (n=363)
De meerderheid van de respondenten met vermoedens van samengaande criminele en seksuele uitbuiting, geeft aan dat zij voornamelijk of uitsluitend vrouwelijke slachtoffers zien (70%).233 Dat de combinatie van deze vormen van mensenhandel niet uitsluitend vrouwen treft blijkt uit de resultaten. 33 respondenten zien voornamelijk of uitsluitend mannelijke slachtoffers (9%) en 75 respondenten geven aan net zo vaak mannelijke als vrouwelijke slachtoffers zien wanneer criminele en seksuele uitbuiting met elkaar samengaat (21%).234 Deze resultaten zijn opvallend nu zicht op mannelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting in het geheel lijkt te ontbreken in de statistieken over mensenhandel. Het samengaan van meerdere vormen van slachtofferschap (poly-victimisatie) komt dus relatief veel voor. Hoewel niet de focus van dit onderzoek zeggen deze resultaten iets over het feit dat waarschijnlijk ook een grote groep slachtoffers van seksuele uitbuiting buiten beeld blijft in Nederland.
231 Bij deze vraag was het mogelijk om meerdere antwoorden in te vullen, waardoor het totaal hoger is dan 363.
233 Totaal n=363, 70% staat gelijk aan n=255.
232 Totaal n=363, 39% staat gelijk aan n=142, 35% staat gelijk aan n=127, 25% staat gelijk aan n=91.
234 Totaal n=363.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 50
4.7.1 Verdieping op de resultaten Uit de interviews ontstaat ook het beeld dat een deel van de slachtoffers zowel seksueel als crimineel uitgebuit worden (poly-victimisatie). In een deel van de interviews wordt door eerstelijns professionals belicht hoe vooral bij meiden/vrouwen criminele uitbuiting kan samengaan met seksuele uitbuiting. De respondenten spreken met name over meiden die ook andere meiden moeten ronselen, zich moeten inlaten met drugscriminaliteit en/of diefstallen of overvallen moeten plegen. Een behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik benoemt dat criminele uitbuiting van meiden vaak hand in hand gaat met seksueel geweld en seksuele uitbuiting: “Een jongere werd naar huizen gebracht waar zij seks moest hebben. En zij was er bijvoorbeeld van op de hoogte, dat terwijl zij boven was met de ‘klant’, dat dan beneden bijvoorbeeld het huis werd leeggeroofd. Dan is ze natuurlijk indirect daarin ook schuldig. En bijvoorbeeld ook een meisje dat onder druk werd gezet om seksuele handelingen te verrichten bij anderen, maar ook drugs moest testen bijvoorbeeld. Want die jongens zitten dan ook in de verkoop van drugs en handel van drugs. En zij moest die dan testen.
En onder invloed daarvan werd ze dan vervolgens ook weer misbruikt.” (Behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik) Een handhavingsadviseur legt het als volgt uit: “Het is heel makkelijk als je iemand naar je hand hebt gezet en diegene voor activiteit
“Ik weet wel dat uiteindelijk als die meiden niet meer ‘interessant’ zijn, dan worden ze ingezet als ronselaar. Het gaat zelfs zo ver dat ze in leefgroepen geplaatst worden. […] En van binnenuit gaan ze dus in de leefgroep ronselen voor meiden die daar kwetsbaar voor zijn.” (Jongerenwerker B) Een andere jongerenwerker ziet dat meiden die seksueel worden uitgebuit, naast het ronselen van anderen ook ingezet worden voor het plegen van overvallen: “Ook vaak overvalletjes. En doordat ze klein zijn en dun, passen ze door het raam. Dus zo vertellen ze het me ook een beetje. Worden ze ergens afgezet en dan is er een raam open ofzo. Nou, dan gaat er eentje en die moet dan die deur opendoen. Echt dat soort dingen. Eigenlijk best wel veel overvallen erbij, denk ik. Maar ook andere meisjes ronselen bijvoorbeeld. Helaas wel.” (Jongerenwerker C) Een wijkagent benoemt een voorbeeld waar een meisje is ingezet tijdens een winkeldiefstal: “Op bestelling moeten ze dan een winkeldiefstal plegen en ook daar worden ze betaald met drugs. Er was laatst een dame die was gaan stelen met haar vriend. Haar vriend gebruikt drugs, hij had dat bij zich. Ze waren in de [naam winkel] geweest en hadden telefoons gestolen. Zij had ze bij zich en die vriend niet. Maar op de beelden was te zien dat hij ze pakte en aan haar gaf. Hij is uiteindelijk wel opgegaan voor die diefstal.
Hij prostitueerde haar ook voor drugs.” (Wijkagent)
A kan gebruiken, je die ook voor activiteit B kan gebruiken.” (Handhavingsadviseur) Als het gaat om specifiek het ronselen van andere meiden, benoemt een zorgcoördinator in het middelbaar beroepsonderwijs ervaring te hebben met leerlingen die seksueel zijn uitgebuit en onder druk zijn gezet om vriendinnen mee te nemen: “Een voorbeeld is dat ze met jongens naar een bioscoop zou gaan. Ze zouden van [plaatsnaam A] naar [Plaatsnaam B] gaan. Uiteindelijk waren ze met vier meiden en onderweg bij een tankstation gingen ze met zijn allen wat te eten halen. Vervolgens rijdt een van de jongens met drie meiden weg en blijft onze student over met een jongen [waarbij zij] in de auto moest. Nou dat was vooropgezet spel.” (Zorgcoördinator mbo) Een van de jongerenwerkers vangt via andere professionals signalen op dat meiden zelfs doelbewust in leefgroepen geplaatst worden om kwetsbare meiden te ronselen:
Zoals geschreven in §4.4 wordt in een aantal interviews gesproken over verschillen in dwang tussen mannelijke en vrouwelijke slachtoffers. Uit de ervaringen waarbij slachtoffers zowel crimineel als seksueel zijn uitgebuit ontstaat vooral het beeld van meiden die op verschillende manieren afhankelijk gemaakt worden, bijvoorbeeld in een relatie of van drugs en van meiden die gechanteerd worden met het verspreiden van naaktbeelden. Laatstgenoemde is volgens een respondent het meest voorname dwangmiddel, waar sociale media de kwetsbaarheid van jongeren vergroot doordat het vinden van informatie, het exposen van naaktbeelden of expliciet beeldmateriaal van een kind en het betrekken van andere vriendinnetjes steeds makkelijker wordt. “Dit zijn natuurlijk meisjes die dan zo niet veilig zijn thuis, dus op straat gaan hangen en worden aangesproken, of op straat of via sociale media wat je steeds meer ziet. En dan hoeven ze maar één keer een fotootje te sturen en ze zijn de sjaak.” (Behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik)
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 51
Dat chantage met naaktbeelden niet het enige dwangmiddel is dat ingezet wordt, blijkt uit de interviews. Ook wordt gesproken over de ervaring dat minderjarigen en zeer kwetsbare meiden en diens familieleden door meerderjarige jongens bedreigd worden met geweld en vuurwapens. Bovendien blijkt uit de interviews een extra moeilijkheid waar het gaat om het herkennen van criminele uitbuiting doordat het soms lastig kan zijn om dwang te signaleren. “Word je gedwongen op het moment dat je denkt, als ik het zelf maar niet hoef te ondergaan? Dat is natuurlijk ook wel een vorm van ronselen, denk ik, of gedwongen worden.” (Behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik) Hierbij wordt door enkele professionals benoemd dat slachtoffers soms ‘beloond’ of ‘betaald’ worden met bijvoorbeeld drugs en dat deze ‘beloning’ tegelijkertijd ook wordt ingezet om meiden verslaafd, weerloos en afhankelijk te maken, om hen vervolgens opnieuw in te kunnen zetten voor strafbare feiten en opnieuw te kunnen misbruiken. Het niet in staat zijn om te overzien wat de gevolgen of de machtsverhoudingen zijn, maakt volgens deze respondenten dan ook dat ondanks ‘beloning’ of ‘betaling’ er toch sprake kan zijn van criminele uitbuiting.
gepaard gaande beperkende maatregelen. Deze paragraaf staat derhalve kort stil bij de (mogelijke) invloed van de coronamaatregelen op de signalering van situaties van criminele uitbuiting. Uit §4.1. blijkt dat 50% van de respondenten aangeeft dat zij in de afgelopen twee jaar in aanraking zijn geweest met een of meer slachtoffers van criminele uitbuiting. Van deze groep geeft 60% aan dat zij door de coronamaatregelen het afgelopen jaar minder goed zicht hadden op criminele uitbuiting (Figuur 26).235 Het is daarbij opvallend dat ruim 40% van de eerstelijns professionals desondanks een toename heeft gezien in het aantal waargenomen slachtoffers van deze vorm van mensenhandel.236 Dit impliceert namelijk dat het aantal waarnemingen – en de toename – van slachtoffers door de respondenten wellicht nog hoger uitgevallen zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden zijn geweest. Figuur 26. Door de coronamaatregelen heb ik het afgelopen jaar minder goed zicht gehad op criminele uitbuiting in het gebied waar ik werk (n=821)
Daarnaast wordt genoemd dat signalen van seksuele uitbuiting en criminele uitbuiting heel erg op elkaar kunnen lijken en dat het lastig kan zijn signalen te onderscheiden wanneer een slachtoffer er zelf niets over vertelt. Niettemin valt het een van de respondenten op dat het samengaan van seksuele uitbuiting met criminele uitbuiting leidt tot nog meer angst voor de politie en angst om zelf als dader in beeld te komen, wat de kwetsbaarheid nog verder vergroot. “Je ziet op het moment dat het samengaat, dan gaat het natuurlijk ook over iets anders. Ze voelen zich sowieso al schuldig, ook bij seksuele uitbuiting, maar op een andere manier. Ik denk ook de angst voor de politie bijvoorbeeld, die wordt alleen maar groter. Je merkt nog sterker dat ze echt geen kant op kunnen, want nu zijn ze zelf ook dader, dus dan zijn ze helemaal schuldig.” (Behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik) Samengevat belichten de interviews een sterke verwevenheid tussen criminele uitbuiting en seksuele uitbuiting, hetgeen niet alleen relevant is met betrekking tot de aanpak van criminele uitbuiting, maar óók tot de aanpak van seksuele uitbuiting en van eerstelijns professionals vraagt om ook bij signalen van laatstgenoemde vorm alert te zijn op eventuele overlap met criminele uitbuiting.
4.8.1 Verdieping op de resultaten Wat betreft de invloed van de coronamaatregelen op het zicht op criminele uitbuiting ontstaat uit de interviews een tweezijdig beeld. Allereerst geven de eerstelijns professionals aan dat de maatregelen het zicht op de problematiek hebben verslechterd, nu de maatregelen gezorgd hebben voor een verschuiving van de offline naar de online wereld, er meer vanuit huis en vanachter het bureau wordt gewerkt en de prioriteiten kwamen te liggen bij het volgen en handhaven van coronamaatregelen, hetgeen ten koste ging van andere werkzaamheden. Daarnaast geven respondenten aan dat corona er vervolgens ook toe heeft geleid dat personen met verkeerde bedoelingen meer ruimte kregen. Een handhavingsadviseur zegt hierover het volgende:
4.8 Invloed coronamaatregelen In de vragenlijst is ook een vraag opgenomen over de (mogelijke) invloed van corona en de daarmee
235 Totaal n=821, 60% staat gelijk aan n=495. 236 Zie §4.1 Vermoedens van criminele uitbuiting.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 52
“Door corona hebben wij onze inzet op dit onderwerp flink moeten bijschaven tot mijn grote verdriet. Want alle inzet gaat naar het handhaven van coronamaatregelen en dat geldt voor de politie idem. Ik weet uit eigen ervaring ook dat inzet op dit soort thema’s minimaal is. […]. Als ik kijk naar mijn portefeuille ondermijning bijvoorbeeld, dat heeft lang op zijn gat gelegen omdat de capaciteit naar andere dingen ging. Ik vind dat zelf wel frustrerend, omdat we met het een bezig zijn, los wat we van die maatregelen vinden, blijven de basiswerkzaamheden liggen. Criminelen kunnen hun ding redelijk doen en ik weet dat de criminelen dat weten. En dat er gebruik van wordt gemaakt, daar ben ik me ook van bewust. Maar we hebben er nu geen zicht op omdat we er zo weinig mee doen.’’ (Handhavingsadviseur)
“We hebben te maken met [naam wijk], een wijk met veel woonflats en lage inkomens. Waar vaak grote gezinnen in wonen en waar de culturele achtergronden heel divers zijn. […] We hebben nu coronajaren achter de rug en dat maakt het voor ons opeens heel inzichtelijk. Wij kregen te maken met jongeren die vertelden dat ze thuis geen onderwijs konden volgen. Ze waren met zeven man thuis, ze hebben een internetverbinding die het slecht doet en ze hebben geen plek om rustig te zitten om lessen te volgen. […] Dat betekende dat wij die jongeren dus naar school gehaald hebben, maar ook voor ons een wake-up call, dat diegene in die omstandigheden woont. Je ziet ook dat die jongen dan met vijf, zes mensen in huis woont. We hebben af en toe een gesprek met de ouders daarover die ook problemen met opvoeden hebben. Dan is er ruzie in huis, ze zitten te dicht op elkaar en die jongeren gaan dan naar buiten. Dan is het bankje voor die flat de ontmoetingsplaats. Dat is eerst leuk met een voetbal, maar daar komen ook andere dingen uit voort. Dat hebben we in coronatijd goed op het netvlies gekregen, de woonsituatie heeft ook invloed op de vrijetijdsbesteding van jongeren. Die trekken naar buiten en dat is in een omgeving waar dat niet gunstig werkt.” (Coördinator middelbaar beroepsonderwijs)
Verschillende eerstelijns professionals spreken dan ook over moeilijkheden van het in contact komen en blijven met de doelgroep, hetgeen vervolgens ook het oppikken van signalen en het concretiseren van vermoedens belemmerd heeft. In het bijzonder wordt door de eerstelijns professionals vooral de impact van de maatregelen op kwetsbare jongeren genoemd. Een aantal professionals zag hoe de sluiting van, en de maatregelen op scholen, het stopzetten van sport en hobby’s, het gebrek aan activiteiten en het verliezen van bijbaantjes zorgden voor een gebrek aan dagbesteding en geld. Vooral kwetsbare jongeren raakten geïsoleerd en bevonden zich nog meer dan eerst op straat en online. Zonder dagbesteding en zonder werk raakten zij nog vatbaarder voor criminelen en diens beloften over het snel geld verdienen, aldus een jongerenwerker. Enkele professionals benoemen hoe jongeren en kwetsbare cliënten enerzijds sneller verstrikt raakten in deze problemen, terwijl tegelijkertijd het zicht op hen, om signalen op
Samengevat laten de interviews zien dat de maatregelen naar aanleiding van corona het zicht op criminele uitbuiting hebben vertroebeld. Het zicht werd vooral slechter doordat zowel professionals, slachtoffers als daders meer thuis kwamen te zitten, hetgeen enerzijds de signalering bemoeilijkte en anderzijds meer ruimte gaf aan daders nu veel activiteiten tot stilstand kwamen en instanties voornamelijk bezig waren met de bestrijding van corona.
te merken en tijdig in te kunnen grijpen, verslechterde. Een respondent benoemt hoe het zicht op veel kwetsbare personen door de coronamaatregelen verloren is gegaan:
4.9 Resumé
“De jongeren zijn nog meer uit zicht van ons, van jou, van mij, van ouders soms. Ze horen binnen te zitten en hebben minder contact met school. School is voor velen de enige veilige op prettige plek. Ik begeleid heel veel jongeren met heel veel armoede. Heel veel armoede, voedselbank, schuldsanering. Mijn caseload, de jongeren die ik begeleid, daarvan heeft drie op de vier echt armoede. Dus destijds met corona, dan heb je letterlijk niets meer. Je kan niet naar school en er was weinig afleiding, een andere wereld. Dat heeft wel gemaakt dat we denk ik een boel jongeren uit het oog zijn verloren.” (Jeugdreclasseerder) Anderzijds benoemen enkele eerstelijns professionals dat de maatregelen ook hebben geleid tot nieuwe inzichten. Zo benoemt een respondent dat door het thuisonderwijs de verschillende leefgebieden van leerlingen samenkwamen waardoor er vanuit school meer zicht ontstond op de thuissituatie van (kwetsbare) leerlingen:
In dit hoofdstuk stond de aard en omvang centraal van criminele uitbuiting in dertien (middel) grote gemeenten in Nederland. Uit het onderzoek blijkt dat de helft van 1.637 eerstelijns professionals binnen dit onderzoek aangeeft dat zij in de afgelopen twee jaar in contact zijn geweest met ten minste één vermoedelijk slachtoffer van criminele uitbuiting. Bijna driekwart van de respondenten geeft aan dat zij meerdere slachtoffers hebben waargenomen. Daarbij gaat het in de meeste gevallen om direct contact, wat betekent dat de professionals gesproken hebben met het slachtoffer. Bovendien geeft 57% aan dat zij zich meer zorgen zijn gaan maken over criminele uitbuiting. Vier op de tien respondenten ziet dat het aantal slachtoffers van deze vorm van mensenhandel toeneemt. Laatstgenoemde mag opvallend worden genoemd, nu een even groot percentage stelt dat de maatregelen naar aanleiding van corona het zicht op de problematiek hebben verkleind, wat suggereert dat de problematiek zo mogelijk nog groter is dan in dit onderzoek naar voren komt. Dit hoofdstuk laat daarmee zien dat criminele uitbuiting veel meer lijkt voor te komen in Nederland dan de officiële statistieken doen vermoeden.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 53
De grootste groep slachtoffers van criminele uitbuiting die eerstelijns professionals binnen dit onderzoek waarnemen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn minderjarig. Daarbij gaat het net iets vaker om mannelijke dan om vrouwelijke slachtoffers. Zij worden gedwongen tot een brede variëteit aan strafbaar gesteld gedrag. Respondenten noemen daarbij gedwongen drugscriminaliteit het vaakst, maar zien ook veel, en steeds vaker, slachtoffers die gedwongen worden ingezet als geldezel of katvanger. Bovendien blijkt uit de interviews dat het witwassen van geld in de praktijk ook kan samenhangen met drugsgerelateerde criminaliteit. Het onderzoek laat zodoende een sterke verwevenheid zien tussen criminele uitbuiting en andere vormen van ondermijnende criminaliteit. Ook het plegen van diefstal wordt door bijna één op de vier respondenten genoemd. Slachtoffers worden het meest geronseld op straat of openbare hangplekken, online via sociale media, en onderwijsinstellingen. Daarbij valt op dat daders oog lijken te hebben voor locaties waar zich inherent kwetsbare personen bevinden, zoals basisscholen en praktijk- en leerwegondersteunend onderwijs, maar bijvoorbeeld ook zorginstellingen. Laatstgenoemde zegt niet alleen iets over de kwetsbaarheid van de slachtoffers die worden benaderd, maar ook iets over de intenties en geraffineerdheid van de daders.
Respondenten geven dan ook aan dat er bij slachtoffers vaak sprake is van meervoudige problematiek, bijvoorbeeld vanwege hun sociaaleconomische achtergrond, psychische problematiek of armoede- en schuldenproblematiek. Dit maakt hen vatbaar voor de ronselpogingen van daders. Wanneer wordt gekeken naar de wijze waarop slachtoffers in een uitbuitingssituatie terecht komen, valt op dat daders zowel gebruik maken van harde dwangmiddelen als zachte dwangmiddelen. Het misbruik maken van iemand met een verstandelijke beperking of iemands jonge leeftijd worden daarbij het vaakst genoemd. Desalniettemin noemt 38% van de respondenten dat slachtoffers middels het (dreigen met) fysiek geweld worden gedwongen tot het plegen van stafbare feiten, ziet 30% slachtoffers die middels chantage met naaktbeelden de criminaliteit in worden gejaagd en ziet 29% chantage met schulden. Voorts valt op dat ruim 40% van de respondenten met vermoedens aangeeft dat zij in de afgelopen twee jaar in aanraking zijn geweest met slachtoffers die zowel crimineel als seksueel zijn uitgebuit. Het gaat daarbij voornamelijk, maar niet uitsluitend, om vrouwen die worden gedwongen tot het ronselen van anderen voor de prostitutie, of tot drugs- of vermogensdelicten. Tegelijkertijd valt op dat bijna 9% aangeeft bij deze vermoedens vooral mannelijke slachtoffers te zien.
Deze resultaten zijn even opvallend als zorgwekkend en laten een sterke verwevenheid zien tussen criminele uitbuiting en seksuele uitbuiting. Een overlap waarvoor op dit moment nog weinig aandacht is. Een laatste bevinding van dit hoofdstuk is dat eerstelijns professionals van mening zijn dat het niet goed lukt om daders die slachtoffers ronselen en crimineel uitbuiten aan te pakken. Bovendien vindt slechts een marginaal deel van de respondenten dat er voldoende maatregelen
worden genomen om te voorkomen dat slachtoffers geronseld worden. Ook ontbreekt het nog grotendeels aan zicht op wie de daders zijn. Hier is meer onderzoek naar nodig. Desondanks kan een voorzichtig beeld geschetst worden van wie de daders zijn. Daarbij lijkt het enerzijds te gaan om jeugdige daders die opgroeien in dezelfde omgeving als hun slachtoffers en gelijksoortige kwetsbaarheden kennen, maar net iets sluwer en gewetenlozer zijn. Het komt niet zelden voor dat personen die eerst zelf slachtoffer waren, doorgroeien naar dader. Anderzijds ontstaat ook het beeld van geraffineerde, berekenende daders die doelbewust kwetsbare personen zoeken die zij gemakkelijk kunnen inzetten voor de criminaliteit. Daarbij gaat het soms zover dat zij doelbewust voor zorginstellingen slachtoffers ronselen of zelfs reeds gemaakte slachtoffers dwingen om binnen zorginstellingen nieuwe slachtoffers te werven. Tot slot geeft bijna een kwart van de respondenten aan dat daders opereren in goed georganiseerde (jeugd)netwerken, hetgeen ook iets zegt over grootschaligheid en het organisatievermogen bij deze vorm van mensenhandel.
5 AANPAK VAN CRIMINELE UITBUITING EN MOGELIJKHEDEN OM DEZE TE VERSTERKEN In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanpak van criminele uitbuiting binnen de verschillende beleidsdomeinen van de bevraagde gemeenten en welke mogelijkheden er liggen om deze te verbeteren. Ter beantwoording van deze vraag wordt gekeken naar de resultaten uit de vragenlijst en de twintig semigestructureerde interviews met eerstelijns professionals. Aangevangen wordt met de ervaringen van eerstelijns professionals met criminele uitbuiting per beleidsdomein (§5.1). Per domein wordt ingegaan op (i) vermoedens van criminele uitbuiting, (ii) waargenomen vormen van gedwongen criminaliteit en (iii) slachtofferkenmerken. Voor een volledige specificatie per functie zie Bijlage C voor vermoedens van criminele uitbuiting, Bijlage D voor waargenomen aantal slachtoffers van criminele uitbuiting, Bijlage E voor vormen van gedwongen criminaliteit, en Bijlage F tot en met I voor waargenomen slachtofferkenmerken (geslacht, leeftijdscategorie, leeftijd en achtergrond). §5.1 wordt afgesloten met een resumé. Vervolgens wordt in §5.2 ingegaan op de kennis en bewustwording ten aanzien van criminele uitbuiting en gaat §5.3 in op de werkwijze omtrent criminele uitbuiting. Waar relevant wordt een korte verdieping op de resultaten gegeven.
Aansluitend behandelt §5.4 de uitdagingen en kansen die eerstelijns professionals ervaren bij de signalering en aanpak van criminele uitbuiting. In §5.5 wordt het hoofdstuk afgesloten met een resumé. Van belang om te benoemen is dat het onderzoek een verkenning betreft naar de aard en omvang van criminele uitbuiting vanuit de ervaringen van eerstelijns professionals.237 Voorgaande betekent dat de resultaten gebaseerd zijn op waarnemingen. In het verlengde hiervan moet opgemerkt worden dat de resultaten zoals weergegeven in dit hoofdstuk gaan over vermoedelijke slachtoffers en vermoedelijke daders. Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat het in dit hoofdstuk gaat om een analyse die niet zozeer vergelijkend is tussen de domeinen en functies, maar veeleer beschrijvend is van aard, nu het onderzoek mede tot doel heeft om kennis te verzamelen over welke eerstelijns professionals mogelijk in contact komen met slachtoffers van criminele uitbuiting en daarmee een belangrijke doelgroep zijn om te kunnen interveniëren. Dit betekent dat voorzichtigheid is geboden met het trekken van (te) sterke conclusies tussen de domeinen en functies op basis van dit onderzoek.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 54
5.1 E rvaringen van eerstelijns professionals met criminele uitbuiting, per beleidsdomein Professionals in de eerste lijn staan vanuit hun werkzaamheden midden in de samenleving vaak in direct en nauw contact met mensen en mogelijk dichtbij de problematiek.238 Om die reden kunnen zij een belangrijke signaleringsfunctie vervullen om criminele uitbuiting te kunnen signaleren en om te kunnen interveniëren. Om een beter beeld te krijgen van welke eerstelijns professionals in contact (lijken te) komen met slachtoffers van criminele uitbuiting en welk beeld zij specifiek hebben over wie de slachtoffers zijn, is er in dit hoofdstuk een uitsplitsing gemaakt naar vijf beleidsdomeinen. Deze domeinen vallen samen met de portefeuilleverdeling van de wethouders in gemeenten. Dit zijn (i) Jeugd, Zorg en Welzijn; (ii) Onderwijs; (iii) Openbare Orde en Veiligheid; (iv) Werk, financiën en Schulden; en (v) Wijk en Wonen.
5.1.1 Domein Jeugd, Zorg en Welzijn Van alle 1.637 respondenten, vervullen 577 respondenten een functie binnen het sociaal domein Jeugd, Zorg en Welzijn (35%).239 Ongeveer een kwart van deze respondenten is werkzaam binnen het jongerenwerk, gevolgd door sociaal werkers, professionals werkzaam binnen jeugdhulp of jeugdbescherming en professionals werkzaam in een andere functie binnen het sociaal wijkteam. In mindere mate vervullen respondenten een functie binnen overige vormen van sociale en of maatschappelijke ondersteuning of advies, binnen de (geestelijke) gezondheidszorg, als gezinscoach, als jongerenconsulent, bij Veilig Thuis of als zorgcoördinator jeugdhulp of mensenhandel. 5.1.1.1 Vermoedens van criminele uitbuiting binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn240 Respondenten werkzaam binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn spreken meer dan gemiddeld over vermoedens van criminele uitbuiting (60% vs. 50%) (Figuur 27).241 Dit geldt het meest voor zorgcoördinatoren jeugdhulp of mensenhandel (10 van 12), professionals werkzaam binnen Veilig Thuis (73% van deze groep)242 en jongerenconsulenten (72% van deze groep)243.
238 Bos et al., 2016. 239 Zie §3.2.2 Respondenten werkzaam per domein en per functie. 240 Zie Bijlage C voor een specificatie van vermoedens van criminele uitbuiting per functie en Bijlage D voor een specificatie van het geschatte aantal slachtoffers. 241 Totaal n=581, 59% staat gelijk aan n=345. 242 Totaal n=22, 73% staat gelijk aan n=12. 237 Zie §3.3 Kanttekeningen bij het onderzoek.
243 Totaal n=29, 72% staat gelijk aan n=21.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 55
Ingezoomd op de respondenten die criminele uitbuiting hebben waargenomen in de afgelopen twee jaar, stelt minstens drie kwart dat zij in direct contact zijn geweest met een of meer slachtoffers (77%).244 Hetgeen opvalt is dat het hierbij gaat om alle tien de zorgcoördinatoren, 91% van de respondenten werkzaam binnen jeugdhulp of jeugdbescherming245 en 86% van de jongerenconsulenten246. Deze eestelijns professionals spreken naar verhouding meer dan gemiddeld over direct contact met slachtoffers.
Figuur 27. Domein Jeugd, Zorg en Welzijn: Vermoedens van criminele uitbuiting, 2019 - 2021 (n=577)
5.1.1.2 Vormen van gedwongen criminaliteit binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn249 Het gedwongen vervaardigen, uithalen, vervoeren of verhandelen van drugs is de meest genoemde vorm van gedwongen criminaliteit door respondenten werkzaam binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn (Figuur 29). Van alle 345 respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting, benoemt de helft vermoedens van gedwongen drugscriminaliteit (50%).250 Figuur 29. Domein Jeugd, Zorg en Welzijn: Vormen van gedwongen criminaliteit (n=345)
De meeste respondenten binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn spreken over meerdere vermoedens van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar (Figuur 28).247 Een meerderheid schat dat het gaat om twee tot en met vijf slachtoffers (61%).248 Figuur 28. Domein Jeugd, Zorg en Welzijn: Geschatte aantal slachtoffers criminele uitbuiting, 2019 - 2021 (n=345)
Gemiddeld spreken respondenten over twee tot drie vormen van gedwongen criminaliteit. Na gedwongen drugscriminaliteit worden vooral financiële delicten en vermogensdelicten genoemd, gevolgd door gedwongen diefstal, inbreken of zakkenrollen en het ronselen van anderen voor de prostitutie.
244 Totaal n=345, 77% staat gelijk aan n=265. 245 Totaal n=53, 91% staat gelijk aan n=48. 246 Totaal n=21, 86% staat gelijk aan n=18. 247 Het is aannemelijk dat respondenten een deel van dezelfde vermoedelijke slachtoffers in hun werk is tegengekomen (zogeheten dubbeltellingen). Op basis van de data kan dit niet onderzocht worden en is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de daadwerkelijke omvang van slachtoffers. 248 Totaal n=345, 61% staat gelijk aan n=210.
249 Zie Bijlage E voor een specificatie van gedwongen criminaliteitsvormen per functie. 250 Totaal n=345, 50% staat gelijk aan n=171.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 56
5.1.1.3 Kenmerken van vermoedelijke slachtoffers binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn251
Figuur 31. Domein Jeugd, Zorg en Welzijn: Meest waargenome leeftijd slachtoffers (n=345)
Binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn zien respondenten over het algemeen genomen meer mannelijke slachtoffers dan vrouwelijke slachtoffers (Figuur 30). Figuur 30. Domein Jeugd, Zorg en Welzijn: Geslacht slachtoffers (n=345)
Iets meer dan een derde van de respondenten ziet voornamelijk of uitsluitend mannelijke slachtoffers (36%), gevolgd door een derde van de respondenten die net zo vaak mannelijke als vrouwelijke slachtoffers ziet (33%).252 Ongeveer een kwart van de respondenten benoemt voornamelijk of uitsluitend vrouwelijke slachtoffers te zien (26%).253 Gevraagd naar leeftijd zien respondenten het vaakst minderjarige slachtoffers in een leeftijd van dertien tot en met zeventien jaar oud en adolescenten in een leeftijd van achttien tot en met 26 jaar oud (Figuur 31).
Bijna 40% van de respondenten ziet het vaakst minderjarige slachtoffers in een leeftijd tussen de dertien en zeventien jaar oud (Figuur 32).254 Het gaat hier voornamelijk om professionals werkzaam binnen jeugdhulp of jeugdbescherming (72% van deze groep)255 en jongerenwerkers (64% van deze groep).256 Daarnaast ziet bijna 40% van de respondenten het vaakst adolescente slachtoffers in een leeftijd tussen de achttien en 26 jaar oud.257 Het gaat hier onder meer om bijna alle jongerenconsulenten (86% van deze groep)258 en om bijna drie kwart van de respondenten werkzaam binnen overige vormen van sociaal en of maatschappelijke ondersteuning of advies (14 van 19). Ten slotte ziet 14% van de respondenten het vaakst slachtoffers van 27 jaar of ouder.259 Het gaat hier onder meer om professionals werkzaam in een overige functie binnen het sociaal wijkteam (35% van deze groep)260 en professionals werkzaam in de (geestelijke) gezondheidszorg (35% van deze groep).261 Ten slotte zien respondenten binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn het meest slachtoffers met een Nederlandse achtergrond, waarbij het slachtoffer zelf in Nederland geboren en opgegroeid is (48%), gevolgd door een niet-Europese achtergrond (24%) en een Europese, maar niet-Nederlandse achtergrond (9%).262
254 Totaal n=3495 39% staat gelijk aan n=136. 255 Totaal n=53, 72% staat gelijk aan n=38. 256 Totaal n=84, 64% staat gelijk aan n=54. 257 Totaal n=345, 39% staat gelijk aan n=136. 258 Totaal n=21, 86% staat gelijk aan n=18. 259 Totaal n=345, 14% staat gelijk aan n=49. 251 Zie Bijlage F tot en met I voor een specificatie van slachtofferkenmerken per functie.
260 Totaal n=37, 35% staat gelijk aan n=13.
252 Totaal n=345, 36% staat gelijk aan n=125, 33% staat gelijk aan n=113.
261 Totaal n=23, 35% staat gelijk aan n=8.
253 Totaal n=345, 26% staat gelijk aan n=90.
262 Totaal n=345, 48% staat gelijk aan n=166, 24% staat gelijk aan n=82, 9% staat gelijk aan n=30.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 57
5.1.2 Domein Onderwijs Van alle 1.637 respondenten, vervullen 400 respondenten een functie binnen het domein Onderwijs (24%).263 Iets meer dan een kwart van deze respondenten is werkzaam binnen het voortgezet onderwijs, gevolgd door professionals binnen het primair onderwijs en leerplichtambtenaren. In mindere mate vervullen respondenten een functie in het middelbaar of hoger beroepsonderwijs, zijn er respondenten werkzaam binnen het RMC [Regionale Melden Coördinatiefunctie Voortijdig Schoolverlaten] of als ontwikkelcoach, en vervullen enkele respondenten een functie als schoolmaatschappelijkwerker.
Ingezoomd op de respondenten die criminele uitbuiting hebben waargenomen in de afgelopen twee jaar stelt drie kwart van de respondenten dat zij in direct contact zijn geweest met een of meer slachtoffers (75%).269 De meeste respondenten spreken over meerdere vermoedens van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar (Figuur 33).270 Een meerderheid schat dat het gaat om twee tot en met vijf slachtoffers (60%).271 Figuur 33. Domein Onderwijs: Geschatte aantal slachtoffers van criminele uitbuiting, 2019 - 2021 (n=160)
5.1.2.1 Vermoedens van criminele uitbuiting binnen het domein Onderwijs264 Van de 400 respondenten werkzaam binnen het domein Onderwijs, spreekt minder dan de helft over vermoedens van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar (40%) (Figuur 32).265 Hetgeen uit de resultaten opvalt is dat professionals werkzaam binnen het primair onderwijs (22% van deze groep)266 en RMC consulenten en ontwikkelcoaches (38% van deze groep)267 minder dan gemiddeld268 spreken over vermoedens van criminele uitbuiting. Dit geldt niet voor de overige groepen professionals binnen het domein Onderwijs, zij benoemen niet minder dan andere respondenten in aanraking te komen met slachtoffers van criminele uitbuiting. Figuur 32. Domein Onderwijs: Vermoedens van criminele uitbuiting, 2019 - 2021 (n=400)
5.1.2.2 Vormen van gedwongen criminaliteit binnen het domein Onderwijs272 Het vervaardigen, uithalen, vervoeren of verhandelen van drugs is de meest genoemde vorm van gedwongen criminaliteit binnen het domein Onderwijs (Figuur 34). Van alle 160 respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting benoemt iets minder dan de helft vermoedens van gedwongen drugscriminaliteit (44%).273
263 Zie §3.2.2 Respondenten werkzaam per domein en per functie.
269 Totaal n=160, 75% staat gelijk aan n=120.
264 Zie Bijlage C voor een specificatie van vermoedens van criminele uitbuiting per functie en Bijlage D
270 Het is aannemelijk dat respondenten een deel van dezelfde vermoedelijke slachtoffers in hun werk is
voor een specificatie van het geschatte aantal slachtoffers. 265 Totaal n=400, 40% staat gelijk aan n=160.
tegengekomen (zogeheten dubbeltellingen). Op basis van de data kan dit niet onderzocht worden en is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de daadwerkelijke omvang van slachtoffers.
266 Totaal n=106, 22% staat gelijk aan n=23.
271 Totaal n=160, 60% staat gelijk aan n=96.
267 Totaal n=24, 38% staat gelijk aan n=9.
272 Zie Bijlage E voor een specificatie van gedwongen criminaliteitsvormen per functie.
268 Totaal n=1.637, 50% staat gelijk aan n=821.
273 Totaal n=160, 44% staat gelijk aan n=71.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 58
Figuur 34. Domein Onderwijs: Vormen van gedwongen criminaliteit (n=160)
Hetgeen opvalt is dat in het primair onderwijs niet gedwongen drugscriminaliteit, maar gedwongen diefstal, inbreken of zakkenrollen de meest genoemde vorm van gedwongen criminaliteit is bij vermoedens van criminele uitbuiting (Figuur 36). In het voortgezet, en middelbaar en hoger beroepsonderwijs is het gedwongen vervaardigen, uithalen, vervoeren of verhandelen van drugs de meest waargenomen vorm van criminele uitbuiting. 5.1.2.4 Kenmerken van vermoedelijke slachtoffers binnen het domein Onderwijs275 Binnen het domein Onderwijs zien respondenten het meest mannelijke slachtoffers (Figuur 36). Figuur 36. Domein Onderwijs: Geslacht slachtoffers (n=160)
Gemiddeld spreken respondenten over een tot twee vormen van gedwongen criminaliteit. Na gedwongen drugscriminaliteit wordt door respondenten voornamelijk gesproken over gedwongen diefstal, inbreken of zakkenrollen, gevolgd door het gedwongen witwassen van geld of de geldezelconstructie. Wanneer de niveaus binnen het Nederlandse onderwijssysteem worden afgezet tegen de vormen van gedwongen criminaliteit, blijken hierin verschillen te zijn (Figuur 35). Figuur 35. Percentage respondenten werkzaam in het primair, voortgezet en middelbaar en hoger beroepsonderwijs, per waargenomen vorm van criminaliteit (n=261)274
De helft van de respondenten ziet voornamelijk of uitsluitend mannelijke slachtoffers (51%).276 Ongeveer een kwart van de respondenten benoemt dat slachtoffers net zo vaak mannen als vrouwen zijn (26%) en iets minder dan een kwart ziet voornamelijk of uitsluitend vrouwen (23%).277 Totaal n=160, 26% staat gelijk aan n=41, 23% staat gelijk aan n=36. Gevraagd naar de leeftijd van slachtoffers zien respondenten binnen het domein Onderwijs naar verhouding meer dan gemiddeld en meer dan respondenten binnen de andere domeinen, minderjarige slachtoffers bij vermoedens van criminele uitbuiting (81% vs. 43)%.278 Het gaat hier voornamelijk om minderjarige slachtoffers in een leeftijd van dertien tot en met zeventien jaar oud (Figuur 37).
275 Zie Bijlage F tot en met I voor een specificatie van slachtofferkenmerken per functie. 274 * n=261 staat gelijk aan alle deelnemende respondenten werkzaam in het primair, voortgezet,
276 Totaal n=160, 51% staat gelijk aan n=81.
middelbaar of hoger beroepsonderwijs. Bijeengenomen zijn de respondenten met vermoedens
277 Totaal n=160, 26% staat gelijk aan n=41, 23% staat gelijk aan n=36.
van criminele uitbuiting en de respondenten zonder vermoedens van criminele uitbuiting.
278 Totaal n=160, 81% staat gelijk aan n=129. Totaal n=821, 43% staat gelijk aan n=350.
HET MISDRIJF VOORBIJ | 59
Figuur 37. Domein Onderwijs: Meest waargenomen leeftijd slachtoffers (n=160)
Ten slotte zien respondenten binnen het domein Onderwijs het meest slachtoffers met een Nederlandse achtergrond, waarbij het slachtoffer zelf in Nederland geboren en opgegroeid is (53%), gevolgd door een niet-Europese achtergrond (21%) en een Europese, maar nietNederlandse achtergrond (5%).283
5.1.3 Domein Openbare Orde en Veiligheid Van alle 1.637 respondenten, vervullen 434 respondenten een functie binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid (27%).284 De meeste respondenten zijn werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar of wijkagent. In mindere mate betreft het ook professionals werkzaam bij de politie, professionals met een regierol binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid, professionals werkzaam binnen fraudebestrijding, professionals met een functie binnen detentie, re-integratie of recidive, en zijn enkele professionals werkzaam binnen handhaving. Van de 160 respondenten met vermoedens binnen het domein Onderwijs, ziet ongeveer drie kwart het vaakst minderjarige slachtoffers in een leeftijd tussen dertien en zeventien jaar oud (73%).279 Het gaat hier om bijna alle professionals werkzaam in het voortgezet onderwijs (98% van deze groep)280 en om leerplichtambtenaren (88% van deze groep).281 Dertien respondenten zien het vaakst minderjarige slachtoffers in een leeftijd van twaalf jaar of jonger. Alle dertien respondenten zijn werkzaam in het primair onderwijs. Een mogelijke verklaring is dat deze professionals vanuit hun werkzaamheden bij uitstek in aanraking komen met minderjarigen. In mindere mate wordt binnen het domein Onderwijs door respondenten gesproken over meerderjarige slachtoffers.