RIS312672 Jonge slachtoffers criminele uitbuiting witte vlek in aanpak ondermijning Bijlage 2
Tekst van het document
ze met mensen, met vrienden was. Dat ze ergens naartoe was. Hoe ze het vertelde… Je hoorde gewoon dat ze eigenlijk niet… Het was duidelijk dat ze in een omgeving zat van mensen waarvan ik dacht dat ze haar manipuleerden en stuurden. En toen heb ik afspraken met haar gemaakt. Ze zou iets gaan doen in het kader van een tegenprestatie. Die kwam ze niet na. Toen ben ik haar uit het zicht verloren. Uiteindelijk ben ik bij haar aan de deur geweest. De bus lag vol en stroomde helemaal over. Niet meer gezien. Uiteindelijk is de uitkering van die mevrouw beëindigd, omdat ze gewoon spoorloos verdwenen is.” (Activeringscoach A) Naast verzuim wordt in de interviews ook gesproken over andere signalen, zoals het gebrek aan een gestructureerde dagbesteding; plotselinge veranderingen in gedrag; onduidelijke en tegenstrijdige antwoorden op vragen; het niet meer thuis (kunnen) komen; drugsgebruik; een gebrek aan regie over eigen beslissingen; familie of andere contacten die actief zijn in het criminele circuit; betrokkenheid bij strafbare feiten en problemen met justitie; problemen met financiële instellingen; een geblokkeerde bankrekening; het met regelmaat moeten aanvragen van een nieuwe bankpas, legitimatie of telefoonnummer; en onverklaarbare boetes en schulden.
Een geestelijk verzorger in de verslavingszorg benoemt dat zij dagelijks cliënten spreekt waar zij een niet-pluis gevoel bij heeft doordat cliënten verschillende auto’s op naam hebben staan en er sprake is van onverklaarbare transacties, boetes en schulden. Ook een medewerker bij HALT ziet onverklaarbare transacties als een signaal van criminele uitbuiting in zaken waarbij het slachtoffer mogelijk is ingezet als geldezel: “Op het moment dat het bijvoorbeeld gaat om een rekening waarbij je ziet dat er meerdere bedragen gestort zijn. Die bedragen die zijn allemaal weg. De jongere heeft het zelf niet. Dan gaat het bij mij wel ergens rinkelen, dit klopt niet.” (Medewerker Halt) Respondenten spreken over onderbuikgevoelens en zorgen die gevoed worden door een optelling van bovengenoemde signalen. Ze realiseren zich dat het om vermoedens gaat, die ook op andere soorten problematiek kunnen wijzen. Meerdere respondenten ervaren het concretiseren van vermoedens van criminele uitbuiting dan ook als ingewikkeld. Respondenten benoemen dat ondanks sterke onderbuikgevoelens, signalen vaak niet zo duidelijk zijn en dat de bewijslast om vermoedens te concretiseren vaak ontbreekt. Hierbij wordt benadrukt dat afwezigheid van duidelijke signalen niet betekent dat er geen sprake is van criminele uitbuiting.
In bijna alle interviews worden met name moeilijkheden benoemd in het herkennen en vooral kunnen aantonen van het dwangelement. Oftewel wanneer is het moment gekomen dat sprake is van voldoende dwang om te komen tot slachtofferschap.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 30
Gevraagd naar het herkennen van signalen wordt in de interviews door meerdere respondenten benoemd dat vooral vroegtijdige signalen worden gemist. En als deze al gezien worden bijvoorbeeld op de basisschool of in de wijk, wordt hier vaak niet het juiste gewicht aan gehangen of niet op doorgepakt. Een jeugdagent benoemt in dit verband ook dat het vaak lang duurt voordat een slachtoffer van criminele uitbuiting wordt gesignaleerd, ook omdat signalen niet (tijdig) bij elkaar worden gelegd: “Voordat je dat doorhebt, dan ben je eigenlijk alweer te laat. Het is heel vaak achter de feiten aanlopen. Daar zit ook een deel bij, mensen gooien niet gauw hun shitzooi naar buiten. Mensen die gaan niet zomaar de politie bellen. Dat doe je pas echt als het echt niet anders meer kan. Dus vaker komen wij in een situatie of bij een melding, maar dan is er al heel veel gebeurd. Dan waren er al heel veel signalen of de school die heeft ons pas echt bij escalatie ingeschakeld, terwijl er al heel veel signalen lagen. Dat ligt ook bij onszelf. Afwijkend gedrag van de kinderen die door de collega’s dan heus wel gesignaleerd wordt. Ja, zal wel een incident zijn en de volgende keer is het een andere collega en dan is het weer tien andere collega’s en dan in één keer van, wacht. Is dit nou de zoveelste keer.
Dus het duurt voornamelijk heel lang.” (Jeugdagent) Het kunnen duiden van eventuele signalen vraagt volgens respondenten om een zo compleet mogelijk zicht op de leefwereld en beweegredenen van het slachtoffer. Meerdere respondenten benoemen hoe zij in het verleden signalen zagen doordat er sprake was van een vertrouwensband met het slachtoffer en omdat er sprake was van laagdrempelig en frequent contact. Eerstelijns professionals geven aan dat signalering tijd vraagt om te kunnen investeren in de doelgroep, kennis van signalen en kunde om het gesprek met vermoedelijke en potentiële slachtoffers aan te gaan. Zo benoemen meerdere respondenten dat vermoedens zijn ontstaan doordat slachtoffers uit vertrouwen bepaalde vragen stelden of mondjesmaat informatie deelden over de uitbuitingssituatie. Gevraagd naar wat nou maakt dat signalen leiden tot vermoedens van criminele uitbuiting vertelt onder meer een handhavingsadviseur over de noodzaak om door te vragen op bepaalde signalen: “Met name mensen die gedwongen zijn, komen niet meer uit hun verhaal. De ervaring is dat mensen niet snel bekennen of uit de school klappen en aangeven dat ze in de problemen zitten en hulp nodig hebben. Daar is echt nog wel een slag te winnen.
Maar op het stuk verhoor merk je dan dat iemand tot aan zijn nek in de problemen zit en dan kunnen wij kiezen of we iemand strafrechtelijk gaan vervolgen of de handreiking gaan doen voor hulp. Maar die handreiking wordt niet altijd aangenomen, dat maakt het lastig.” (Handhavingsadviseur) Gevraagd naar voorbeelden vervolgt de handhavingsadviseur:
“Dat valt of staat met de vraag die een collega stelt. Maar als wij waarnemen dat iemand, ik blijf drugsdealen als voorbeeld noemen, maar het kunnen ook andere zaken zijn, dat iemand strafbare handelingen verricht. Dan kunnen wij doorvragen niet alleen wat, wanneer en hoe, maar ook waarom doe je dit?” (Handhavingsadviseur) Bovendien vraagt zicht op de leefwereld en beweegredenen van een slachtoffer ook om tijdige, gedegen en integrale samenwerking. Meerdere respondenten benoemen voorbeelden waarbij vermoedens zijn ontstaan nadat signalen gedeeld zijn vanuit andere instanties of ketenpartners. Een ander thema dat naar voren komt in de interviews, is dat de zorgen inzake criminele uitbuiting toegenomen zijn de afgelopen twee jaar. De eerstelijns professionals die zijn geïnterviewd herkennen dit beeld. Een deel van de professionals benoemt steeds vaker en meer verontrustende signalen te zien van criminele uitbuiting, waarbij vooral het type delicten en de gevolgen voor slachtoffers ernstiger worden. “De laatste jaren kom ik steeds meer verontrustende dingen tegen. […] Het gaat meestal om jongeren met een LVB die worden gegroomd als het ware en ik krijg ze dus heel vaak binnen wanneer het allemaal te laat is.
Wanneer de schulden zo hoog zijn en het misbruik van persoonsgebonden gegevens zo erg is, dat ik soms casussen tegenkom van jongeren die, schrik niet, 90.000 euro aan schulden hebben. Door toedoen aan het uitlenen van een bankpas, legitimatie, Wehkampbestellingen, verzin het maar. En vroeger had de criminaliteit, scooters en fietsen stelen, inbraken, niet zoveel schulden als nu. Kinderen in de leeftijd van vijftien jaar, een beetje de leeftijd wanneer je je eigen bankpas kan beheren, zie ik al heel snel afglijden naar schulden boven de 20.000 euro. Vooral gasten die een LVB hebben.” (Jongerenwerker D) Een ander deel van de professionals benoemt dat niet zozeer criminele uitbuiting toeneemt, maar de aandacht en bewustzijn over criminele uitbuiting, waardoor slachtofferschap van criminele uitbuiting meer gezien wordt en derhalve de zorgen ook toenemen. Zo zegt een handhavingsadviseur: “Vinden we dat het is toegenomen of komen we er eigenlijk nu pas zelf achter?” (Handhavingsadviseur) Samengevat laten de interviews zien dat eerstelijns professionals het lastig vinden om vermoedens te concretiseren en dat het vaak gaat om een optelsom van zorgwekkende signalen, een niet-pluis gevoel en waargenomen kwetsbaarheden bij personen waarbij ook een connectie bestaat met het plegen van criminaliteit.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 31
4.2 Vormen van gedwongen criminaliteit De vraag die vervolgens voorligt, is waartoe slachtoffers van criminele uitbuiting volgens respondenten zijn gedwongen. Respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting zijn gevraagd naar de waargenomen vormen van gedwongen criminaliteit. Uit de resultaten van de vragenlijst blijkt dat het vervaardigen, uithalen, vervoeren of verhandelen van drugs de meest genoemde vorm is van gedwongen criminaliteit (Figuur 4). Bijna de helft van de respondenten geeft aan in de afgelopen twee jaar in aanraking te zijn gekomen met een persoon of personen die zijn gedwongen tot drugscriminaliteit (48%).168 Figuur 4. Vormen van gedwongen criminaliteit (n=821)169
Gemiddeld geven respondenten aan in de afgelopen twee jaar in aanraking te zijn geweest met twee tot drie vormen van gedwongen criminaliteit. Na drugscriminaliteit worden financiële delicten of vermogensdelicten als het witwassen van geld of ingezet worden als geldezel (39%) en het ingezet worden als katvanger (39%) het meest genoemd, gevolgd door diefstal (30%), het kopen van een product op afbetaling of het (ver)kopen van producten op afbetaling (27%) en het ronselen van anderen voor de prostitutie (22%).172 Wanneer wordt ingezoomd op de G4 en de (middel)grote gemeenten ontstaat het volgende beeld: Figuur 5. Vormen van gedwongen criminaliteit, afgezet tegen grote en middelgrote gemeenten (n=821)173
170 170 171 171
168 Totaal n=821, 48% staat gelijk aan n=393 169 Bij deze vraag was het mogelijk om meerdere antwoorden in te vullen, waardoor het totaal hoger is dan 821. 170 Bedelarij staat sinds 2000 niet meer vermeld in het Wetboek van Strafrecht. Wel kan een verbod op bedelen opgenomen worden in de Algemene Plaatselijke Verordening. Dit houdt in dat in Nederland gemeenten zelf mogen bepalen of er wel of niet gebedeld mag worden. Of er wel of geen verbod op bedelen geldt, verschilt dus per gemeente. 171 Respondenten geven hierin aan dat slachtoffers tot andere vormen dan genoemd in de criminaliteit zijn gedwongen. Te denken valt aan geweldsdelicten en ondersteuning bij criminaliteit zoals het op de uitkijk staan bij een overval of het besturen van een vluchtauto.
172 Totaal n=821, 39% staat gelijk aan n=324, 39% staat gelijk aan n=318, 30% staat gelijk aan n=243, 27% staat gelijk aan n=222, 22% staat gelijk aan n=182. 173 Bij deze vraag was het mogelijk om meerdere antwoorden in te vullen, waardoor het totaal hoger is dan 821.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 32
Wat opvalt is dat in de (middel)grote gemeenten 60% van de respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting vermoedens van gedwongen drugscriminaliteit benoemt.174 Dit betekent dat van de in totaal 706 deelnemende professionals werkzaam in de (middel)grote gemeenten, bijna een op de drie professionals in de afgelopen twee jaar vermoedens heeft gehad van gedwongen drugscriminaliteit (30%).175 In de G4 ligt dit percentage lager. 39% van de respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting benoemt vermoedens van gedwongen drugscriminaliteit.176 Dit betekent dat van de in totaal 931 deelnemende professionals werkzaam in de G4, één op de vijf professionals in de afgelopen twee jaar vermoedens heeft gehad van gedwongen drugscriminaliteit (20%).177 In de G4 staat niet drugscriminaliteit maar financiële delicten als geld witwassen of het ingezet worden als geldezel (44%), en het ingezet worden als katvanger (43%) op de bovenste plekken als het gaat om vermoedens.178 Een deel van de verklaring hiervoor is de invloed van Rotterdam.179 De meerderheid van de respondenten met een functie binnen het domein Werk, Financiën en Schulden is werkzaam in de gemeente Rotterdam (80%).180 Het is aannemelijk dat zij vanuit hun werkzaamheden vooral in aanraking komen met financieel kwetsbare personen en dat zij in het bijzonder aandacht hebben voor deze financiële kwetsbaarheid en inzicht
hebben in de financiële situatie van deze personen. Voorgaande maakt het aannemelijk dat eerstelijns professionals vanuit het domein Werk, Financiën en Schulden om die reden vooral financiële en vermogensdelicten in het oog hebben en minder zicht hebben op andere vormen van gedwongen criminaliteit. Dat de resultaten deels verklaard worden door de invloed van Rotterdam blijkt ook wanneer de overige drie grote steden (Amsterdam, Den Haag en Utrecht) worden samengenomen. Ingezoomd op deze drie steden is gedwongen drugscriminaliteit wel de meest genoemde vorm van gedwongen criminaliteit (45%), naast het gedwongen witwassen van geld of de geldezelconstructie (45%).181 De resultaten zijn opvallend en tonen aan dat zorgen over (gedwongen) drugscriminaliteit zich niet alleen beperken tot grootstedelijke problematiek, maar ook gevoeld worden daarbuiten.
4.2.1 Verdieping op de resultaten De eerstelijns professionals onderstrepen het resultaat dat drugscriminaliteit de meest waargenomen vorm is van gedwongen criminaliteit. Zestien van de twintig respondenten spreken in de interviews over de vermoedens die zij hebben van gedwongen criminaliteit binnen de drugsindustrie. Gevraagd naar voorbeelden spreken respondenten over het rondbrengen van pakketjes, het handelen en verkopen van drugs bij scholen, het uithalen van drugs uit de haven, het knippen van planten en het accepteren van een wietplantage in huis. Twee respondenten geeft de volgende context: “Wat ik wel merk, dat het heel vaak jongeren zijn bijvoorbeeld die wonen in een instelling, die vaak hebben te maken gehad met jeugdzorg. […] Vaak dat soort jongens en meisjes worden dus benaderd voor criminele uitbuiting. En dat kan zijn dat ze een schuld hebben opgebouwd en dat moeten ze terugbetalen door verplicht drugs te gaan verkopen langs de school of weet ik veel wat. Of pakketjes rondbrengen. Je kan het zo gek niet bedenken. Ik had laatst een jongen [vermoedelijk slachtoffer]. Die was dus bedreigd. Had net een huisje gekregen, echt net. Bloed, zweet en tranen had het hem gekost. En hij had een schuld opgebouwd bij [vermoedelijke uitbuiter] en die persoon heeft hem gedwongen om een wietplantage boven in zijn huis [te plaatsen].
Politie kwam erachter, het was een zooitje en nu is hij alles kwijt. Plus hij moet de boetes betalen. Houd op, schei uit. Het breekt gewoon je hart. Hij was zijn uitkering kwijt, alles.” (Jongerenwerker C) Waar drugscriminaliteit meer als structurele vorm wordt genoemd als het gaat om criminele uitbuiting, valt voor respondenten vooral de snelle opkomst op van signalen van vermogensdelicten, in het bijzonder als het gaat om katvanger- en/of geldezelconstructies. Een geestelijk verzorger in de verslavingszorg geeft het volgende voorbeeld: “Mensen die bij ons komen van, ik heb verschillende auto’s op mijn naam en ik wil daarvan af. Die krijgen dan boetes en bekeuringen, maar die hebben niet eens een rijbewijs. Bewindvoerders die wij bellen en die zeggen van, hij staat onder bewind en toch lukt het mensen om met zijn bankpas dingen te doen die niet mogen.” (Geestelijk verzorger verslavingszorg)
174 Totaal n=354, 60% staat gelijk aan n=211. 175 Totaal n=706, 30% staat gelijk aan n=211. 176 Totaal n=467, 39% staat gelijk aan n=182. 177 Totaal n=931, 20% staat gelijk aan n=182. 178 Totaal n=467, 44% staat gelijk aan n=205, 43% staat gelijk aan n=199. 179 Zie §3.3 Kanttekeningen bij het onderzoek. 180 Totaal n=155, 80% staat gelijk aan n=124. 181 Totaal n=263, 45% staat gelijk aan n=119, 45% staat gelijk aan n=118.
Gevraagd naar vermoedens van criminele uitbuiting, benoemen respondenten naast de geldezelen katvangerconstructie verschillende vormen van vermogensdelicten, onder meer heling, afpersing en oplichting. Een respondent geeft een voorbeeld van wat zij in de praktijk tegenkomt: “Geldezels, katvangers, het afsluiten van telefoonabonnementen, de telefoons verkopen, laptops, iPad, noem het maar op. Maar ook het afsluiten van leningen
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 33
en dan heb ik het over echte leningen, dus BKR-geregistreerd. Het kopen van iPhones op afbetaling met gegevens van een ander, dus het stelen van ID kaarten, identiteitsgegevens, bankpassen, het afsluiten van bankrekeningen. Echt bizar hoeveel dat gebeurt.” (Wijkcoach) Enkele respondenten benoemen dat het geld dat witgewassen wordt afkomstig is uit allerlei vormen van criminaliteit. Een handhavingsadviseur vertelt het volgende: “Het witwassen zelf komt bijna uit alle hoeken. Dat kan gaan om heling, drugshandel, gedwongen prostitutie. Witwassen is gelieerd aan alle vormen van criminaliteit. Aan criminaliteit wordt verdiend en dat geld moet de normale economie in en dat moet dan op een bepaalde manier gebeuren.” (Handhavingsadviseur)
Tot slot wordt in de interviews gesproken over het type delicten en de ernst daarvan. Wat opvalt is dat in de interviews enkele respondenten uitspreken zich zorgen te maken over de toenemende ernst van delicten. Eerstelijns professionals benoemen in toenemende mate de geweldsdelicten, het bezit en gebruik van messen en gewapende overvallen. Een eerstelijns professional zegt hierover het volgende: “Iedere week werd er een andere [naam winkel] overvallen. En daar heb ik het niet over twee of drie gewapende overvallen, dan heb ik het echt over twintig overvallen. Heel [naam stad], elke [naam winkel] in omstreken, die zijn wel overvallen. En uiteindelijk is daar een groep voor aangehouden uit [naam wijk]. En dan enerzijds zie je dan verdeling in die groep tussen leeftijd en ervaring van die jongeren. En er zat ook gewoon een heel jong gastje bij van dertien jaar. Ja, hij is slachtoffer, maar hij wordt wel gewoon als verdachte behandeld en terecht. Hij pleegt ook een gewapende overval.” (Jeugdagent)
De handhavingsadviseur vult aan een relatie te zien tussen de opkomst van geldezels en de huidige aanpak en bestrijding van witwassen, nu criminelen op zoek gaan naar andere mogelijkheden om buiten het financiële toezicht te blijven, door vermogen te spreiden over (kwetsbare) personen.
Deze quote geeft ook de spanning weer tussen enerzijds het aanmerken van de jongen als slachtoffer van criminele uitbuiting en anderzijds hem aan te merken als verdachte van een misdrijf.182
Ten opzichte van de andere vormen van gedwongen criminaliteit is in de interviews ook gesproken over de verregaande en ingrijpende consequenties voor de slachtoffers. Gesproken wordt over de grote pakkans voor geldezels die vervolgens strafrechtelijk vervolgd worden, geregistreerd worden als fraudeur, achterblijven met schulden en een geblokkeerde
Samengevat laten de interviews zien dat slachtoffers worden gedwongen tot een brede variëteit aan strafbaar gesteld gedrag. Bovendien lijkt de ernst van de delicten waartoe slachtoffers worden gedwongen te zijn toegenomen in de afgelopen jaren en wordt er gewezen op de vergaande gevolgen voor slachtoffers van specifiek vermogensdelicten, die als gevolg van de
bankrekening waarmee zij tot acht jaar geen nieuwe bankrekening kunnen openen. Volgens de geïnterviewde is het gevolg hiervan dat slachtoffers van criminele uitbuiting verder afglijden in de criminaliteit. Dit maakt het slachtoffer ook verhoogd kwetsbaar om opnieuw uitgebuit te worden, omdat zij afhankelijk worden van de bankrekening van anderen, bijvoorbeeld bij het storten van loon. Een projectleider die werkt met jongeren in de criminaliteit spreekt in dit verband over zijn ervaring waarbij een slachtoffer dacht dat hij een cursus crypto volgde, maar eigenlijk werd ingezet voor het witwassen van geld.
straf die zij in de praktijk vaak krijgen, juist extra kwetsbaar worden om (opnieuw) af te glijden naar of misbruikt te worden in de criminaliteit.
“Hij moest de link [met daarin de crypto] vervolgens doorsturen. Om zijn certificaat te behalen, moest hij namelijk laten zien dat hij het goed gedaan heeft. En alles wat daarna kwam, een grote stortvloed. Dat hij een brief kreeg van de bank dat hij criminele activiteiten aan het uitvoeren was met zijn rekening, een blokkade heeft op zijn rekening en acht jaar geen rekening meer mag openen. Hij werd ervoor gebruikt zonder dat hij het doorheeft. Dat vind ik wel een van de meest zorgelijke vormen van criminele uitbuiting op dit moment. Hij heeft geld witgewassen en beleggingsfraude gepleegd. En het is een jongen die niets door heeft gehad omdat hij dacht dat hij een cursus aan het volgen was.” (Projectleider preventie jeugdcriminaliteit)
4.3 Locaties van werven en ronselen Uit de vragenlijst blijkt dat de straat of openbare hangplekken, online via sociale media en scholen of onderwijsinstellingen, de drie meest genoemde locaties zijn waar slachtoffers zijn geworven of geronseld (Figuur 6). Tegelijkertijd geeft iets meer dan een op de vier respondenten aan dat zij niet weten waar de werving of ronseling heeft plaatsgevonden (25%).183 Dit laat zien dat op dit terrein nog grote kansen liggen.
182 Zie §2.2 Uitdagingen in de signalering van criminele uitbuiting en §4.4 Modus operandi: ronselen en dwangmiddelen waar nader ingegaan wordt op deze spanning. 183 Totaal n=821, 25% staat gelijk aan n=207.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 34
Figuur 6. Locaties waar slachtoffers zijn geworven of geronseld (n=821)184
Voor alle deelnemende gemeenten geldt dat de straat of openbare hangplekken het meest genoemd wordt als ronsellocatie. Iets meer dan de helft van de respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting geeft aan dat minstens een van de slachtoffers is geworven of geronseld op straat of op een openbare hangplek (53%).185 Online sociale mediakanalen als Instagram, Snapchat, TikTok en Facebook worden door 32% van de respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting genoemd, alsmede scholen of onderwijsinstellingen in 29% van de gevallen.186 Laatstgenoemde betreft vooral het voortgezet onderwijs, gevolgd door het middelbaar beroepsonderwijs (Figuur 7).
Figuur 7. Type school of onderwijsinstelling waar slachtoffers zijn geworven of geronseld (n=240)187
Wanneer ingezoomd wordt op het onderwijs, noemt meer dan de helft van de 240 respondenten dat minstens een van de slachtoffers is geworven of geronseld op of rondom een reguliere middelbare school (63%) en de helft van de respondenten benoemt het praktijkonderwijs (50%).188 38% van de respondenten noemt het middelbaar beroepsonderwijs en enkelen noemen het hoger beroepsonderwijs (HBO) of de universiteit (2%).189 Binnen dit onderzoek betreffen eerstelijns professionals met een functie in het middelbaar beroepsonderwijs of het hoger beroepsonderwijs de kleinste respondentgroep binnen het beleidsdomein Onderwijs, waardoor niet kan worden uitgesloten dat de cijfers door de kleine respondentengroep vertekend zijn. Ten slotte geven vijftien eerstelijns professionals aan dat minstens een van de slachtoffers is geworven of geronseld op of rondom een basisschool (6%).190 Een zorgelijke bevinding, omdat het in dit geval per definitie over (zeer) jonge kinderen gaat. Tevens valt op dat 148 professionals met vermoedens van criminele uitbuiting aangeven dat slachtoffers geworven of geronseld zijn in of rondom een zorginstelling of op een begeleid wonen locatie (18%).191 Ook dit is een zorgwekkend signaal nu ervan uit kan worden gegaan dat dit in het bijzonder kwetsbare personen betreft die een grote afhankelijkheid kennen en voor hun bescherming opgenomen zijn of begeleid wonen.
187 Bij deze vraag was het mogelijk om meerdere antwoorden in te vullen, waardoor het totaal hoger is dan 420. 188 Totaal n=240, 63% staat gelijk aan n=152, 50% staat gelijk aan n=121. 184 Bij deze vraag was het mogelijk om meerdere antwoorden in te vullen, waardoor het totaal hoger is dan 821.
189 Totaal n=240, 38% staat gelijk aan n=90, 2% staat gelijk aan n=5.
185 Totaal n=821, 53% staat gelijk aan n=434.
190 Totaal n=240.
186 Totaal n=821, 32% staat gelijk aan n=260, 29% staat gelijk aan n=240.
191 Totaal n=821.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 35
4.3.1 Verdieping op de resultaten Met de respondenten is gesproken over de verschillende locaties waarop slachtoffers geworven of geronseld worden. Zij geven eenzelfde soort beeld en benoemen dat dit veelal gebeurt in de wijk, op school en via sociale media. Over laatstgenoemde uiten de professionals in de interviews met name hun zorgen. Dit is derhalve het eerste thema waar op gereflecteerd is. In meer dan de helft van de interviews benoemen respondenten hoe slachtoffers steeds meer, makkelijker en sneller geronseld lijken te worden via sociale media kanalen als telegram, snapchat en Instagram. Een enkele respondent spreekt zelfs over slachtoffers die geronseld lijken te zijn via online games. Een van de respondenten zegt hierover: “Ik denk dat heel veel zaken online gebeuren. Want we weten dat er groepjes zijn die specifiek scannen, alleen maar scannen. En die gaan dus alle profielen af en zij scannen dus het profiel op kwetsbaarheid en daar gaan ze dus weer op vissen. ” (Jongerenwerker B)
Op de vraag of en in hoeverre er goed zicht is op het online ronselen van jongeren, zijn de meeste geïnterviewden het erover eens dat hier nog (te) weinig zicht op is. Zo zegt een handhavingsadviseur daarover het volgende: “Daar heb ik zelf weinig zicht op en ik weet als professional ook dat we daar landelijk te weinig zicht op hebben. We zijn ons er wel van bewust dat het van de straat naar sociale media verplaatst. Dat is makkelijker en partijen die het tegen willen gaan, voor hen is het moeilijker te signaleren.” (Handhavingsadviseur) Naast sociale media worden in de interviews vooral de buurt, school en openbare hangplekken of uitgaansgelegenheden genoemd als plekken waar jongeren geworven of geronseld worden. Scholieren uit het speciaal basis-, voortgezet speciaal onderwijs en de praktijkschool worden met name genoemd. Met name het feit dat (zeer) kwetsbare kinderen gericht geronseld worden en dat bewust misbruik gemaakt wordt van deze kwetsbaarheden maakt het zorgelijk. Een van de respondenten zegt het volgende:
Enerzijds zorgen sociale media en internet ervoor dat criminele uitbuiters een groter werkgebied kennen en anderzijds dat ze anoniemer kunnen opereren. In de interviews worden een aantal ervaringen gedeeld:
“Het gebeurt vaak al op school. We krijgen best veel signalen van onderwijsinstellingen dat er net iets oudere jongens op scholen komen om die jongeren in te palmen.” (Wijkagent)
“Met de komst van sociale media wordt het rekruteren veel makkelijker zonder dat men het door heeft.” […] “Je kunt mensen goed voorliegen over hoe het leven eruit kan zien als iemand meegaat in jouw dingen. Ik denk dat het de laatste tijd wel een bijdrage
Gevraagd naar signalen die scholen op kunnen pikken, noemen respondenten dat een slechte voortgang op school, schoolverzuim en schooluitval zorgelijke signalen zijn die kunnen duiden op criminele uitbuiting.
heeft geleverd.” (Projectleider preventie jeugdcriminaliteit) “Via Snapchat of via Instagram. Krijgen ze berichtjes. […] En tegenwoordig, ik weet niet wat er met die jongeren is. […] Die pakken gewoon de trein naar Den Helder of wat dan ook, alsof het niets is. “Is echt mijn vriend. Ik ken hem al maanden”. Denk ik, huh heb je die persoon weleens live ontmoet? “Nee”. Hoe oud is die persoon? “27”. Hoe oud ben jij? “14”. Dat weten die ouders niet eens, dit soort dingen.” (Jongerenwerker C)
Tot slot wordt ook benoemd dat criminelen doelbewust slachtoffers ronselen op plekken waarvan bekend is dat daar (zeer) kwetsbare kinderen opgroeien, waaronder jeugdinstellingen en maatschappelijke opvangplekken. Het gaat hierbij ook om het doelbewust ronselen van kinderen waarbij jeugdzorg betrokken is binnen het gezin, om uithuisgeplaatste kinderen die opgroeien binnen een pleeggezin en om jongeren die dak- en thuisloos zijn:
Een jongerenwerker benoemt dat via sociale media uitbuiters vaak makkelijk en veel informatie kunnen achterhalen van jongeren en dit kunnen gebruiken om een jongere onder druk te zetten. Hierover vertelt een behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik het volgende:
“Het zijn vaak vrij geïsoleerde jongeren. Die al een heel scala aan verschillende woonplekken hebben gehad in hun leven. Vaak is er sprake van vroegkinderlijk trauma, hechtingsproblematiek, soms persoonlijkheidsstoornissen in ontwikkeling, ouders met ook psychiatrische problematiek. Dat eigenlijk.” (Behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik)
“Het exposen van een kind is ongelooflijk makkelijk. Ook het meer informatie zoeken. Voor je het weet hebben ze ook andere vriendinnetjes betrokken, dus de kwetsbaarheid is gewoon heel groot.” (Behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik)
Volgens enkele respondenten kan dit zelfs zo ver gaan dat meiden soms worden gedwongen om in de instelling waar zij verblijven andere kwetsbare meiden te ronselen voor criminele of seksuele uitbuitingspraktijken.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 36
Samengevat blijkt uit zowel uit de vragenlijst als de interviews dat het werven of ronselen van slachtoffers op verschillende plekken plaatsvindt. Met name sociale media wordt in de interviews uitgelicht als ronsellocatie waar daders in recente jaren in toenemende mate actief zijn geworden, en waarop volgens de respondenten moeilijk zicht te krijgen is. Hier ligt dan ook een belangrijke uitdaging. Ook blijkt uit zowel de vragenlijst als de interviews dat criminelen actief ronselen op locaties waarop zich inherent kwetsbare personen bevinden, zoals de basisschool, het praktijkonderwijs en zorginstellingen. Een zorgelijk gegeven nu dit niet alleen iets zegt over de kwetsbaarheid van de slachtoffers die in een uitbuitingssituatie terecht komen, maar ook iets over de doelbewuste intenties en geraffineerdheid van de daders.
4.4 Modus operandi: ronselen en dwangmiddelen In de vragenlijst zijn ook vragen opgenomen die zien op de modus operandi van criminele uitbuiters. Deze paragraaf beschrijft de manieren waarop slachtoffers volgens respondenten in de criminaliteit zijn gedwongen/gehouden. In de interviews met respondenten is naast dwangmiddelen ook gevraagd naar hun ervaringen met hoe slachtoffers geronseld zijn en welke kwetsbaarheden zij identificeren bij slachtoffers. Uit de vragenlijst blijkt dat misbruik van iemand zijn of haar lichtverstandelijke beperking (lvb), een jonge leeftijd en (dreiging met) fysiek geweld de drie meest genoemde manieren zijn waarop slachtoffers volgens respondenten in de criminaliteit zijn gedwongen (Figuur 8).
Figuur 8. Manieren waarop slachtoffers in de criminaliteit zijn gedwongen (n=821)192
193
193
Naast het (dreigen met) fysiek geweld, valt op dat respondenten in grotere mate subtielere vormen van dwang zien. Denk hierbij aan het misbruik maken van een kwetsbare positie, bijvoorbeeld van een lvb of de jonge leeftijd van slachtoffers.194 Ook het dwangmiddel chantage ligt relatief hoog, oftewel bijna een derde benoemt chantage met naaktbeelden (30%) of schulden (29%).195 Ook komt naar voren dat een deel van de respondenten aangeeft dat gedreigd wordt iemand uit huis te zetten, hetgeen veronderstelt dat slachtoffers in een locatie wonen waar de criminele uitbuiter kan bepalen of hij/zij daar kan verblijven. Tot slot geven 83 eerstelijns professionals aan dat vermoedelijke mensenhandelaren hun slachtoffers in een uitbuitingssituatie houden door te dreigen hen te zullen aangeven bij de politie.
192 Bij deze vraag was het mogelijk om meerdere antwoorden in te vullen, waardoor het totaal hoger is dan 821. 193 Hierin geven respondenten aan dat slachtoffers op een andere manier dan genoemd in de criminaliteit zijn gedwongen. Te denken valt aan dat er op een andere manier dan genoemd misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van een slachtoffer, namelijk van ongunstige demografische en sociaaleconomische omstandigheden waarin het slachtoffer opgroeit of van een verslaving. 194 Totaal n=821, 47% staat gelijk aan n=384 en 43% staat gelijk aan n=349. 195 Totaal n=821, 30% staat gelijk aan n=248, 29% staat gelijk aan n=241.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 37
4.4.1 Verdieping op de resultaten In de interviews is stilgestaan bij de modus operandi van mogelijke criminele uitbuiters. Hieronder wordt stilgestaan bij (1) dwangmiddelen, (2) ronselen en (3) kwetsbaarheden van slachtoffers. Het eerste thema dat naar voren komt uit de interviews is ‘dwang’. Alvorens in te gaan op de betreffende dwangmiddelen en hoe respondenten hiernaar kijken, is er ook gesproken over de complexe en weerbarstige realiteit van criminele uitbuiting. Een situatie waarbij ook de scheidslijn tussen slachtoffer en dader flinterdun kan zijn en waar spanning op kan staan. Dit uit zich met name bij de meer subtiele vormen van dwang, zoals manipulatie, misleiding, misbruik van een kwetsbare positie en bij de vraag of de dwang gericht is op het oogmerk van uitbuiting. Zo kan het voor professionals moeilijk zijn om te beoordelen of dwang heeft plaatsgevonden, en zo ja, in welke gradatie, en of er voldoende (tastbaar) bewijs voor is. Daarnaast geven respondenten openlijk aan ook niet altijd te weten welke gevolgen zij aan het signaleren van dwangsituaties kunnen of moeten verbinden. Het laatste verdient uitleg. Want respondenten stellen de vraag of en in hoeverre een vermoedelijk slachtoffer wel of niet verantwoordelijk is voor de criminele feiten die hij of zij gepleegd heeft, zeker wanneer deze persoon een beloning ontvangt voor de criminele activiteiten.
Wanneer slaat de balans door naar slachtofferschap en wanneer naar daderschap? Of kan het beide zijn? Een grijs gebied dat ook niet met het wetsartikel onder de arm of kijkend naar de jurisprudentie zich eenvoudig laat oplossen. In de praktijk leidt dit volgens respondenten dan ook tot een bepaalde handelingsverlegenheid. Zorgelijk, omdat juist vroegtijdig signaleren en interveniëren van groot belang is om verdere schade te voorkomen en de opmaat naar meer ernstige criminele delicten te voorkomen. Een van de respondenten is hier zeer uitgesproken over: “Weet je wat ik zie in de praktijk als ze de 21 gepasseerd zijn? Dus we praten nu over jonge mannen van 23, 24, 25. […] Dan ben je echt te laat.” (Jongerenwerker C) Uit de interviews ontstaat het beeld dat bij criminele uitbuiting vaak een geleidelijk proces plaatsvindt, waarbij slachtoffers van criminele uitbuiting steeds verder in de criminaliteit verstrikt raken, de criminele ladder (gedwongen) beklimmen en niet weten hoe zij er nog uit kunnen komen. Dit is schadelijk voor de veiligheid van het slachtoffer en brengt ook het risico met zich mee dat een slachtoffer zich door ontwikkelt binnen het criminele circuit en dader wordt en zelf overgaat tot het crimineel uitbuiten van nieuwe slachtoffers. “Het begint met op wacht staan, vervolgens laten ze hem er ook bij en moest hij mee naar binnen, dat is een doorlopend proces.
En op een gegeven moment krijg jij een positie en gaan zij jongens zoeken op het voetbalveldje.” (Zorgcoördinator mbo) Slachtoffers kunnen op het moment dat ze middels subtiele vormen van dwang hun eerste
delict gepleegd hebben, niet zomaar uit het criminele circuit stappen. In de interviews wordt aangegeven dat op het moment dat de eerste subtiele vormen van dwang zijn aangewend, deze tijdens het proces steeds vaker worden vervangen door expliciete vormen van dwang. Dit is veelal een geleidelijk proces. Bijvoorbeeld van misleiding en het misbruik maken van een kwetsbare positie naar meer expliciete dwangmiddelen, zoals chantage of (het dreigen met) geweld. Een wijkcoach zegt hierover: “Je komt er gewoon niet zo makkelijk uit, want er is veel sprake van geweld, maar ook van wapens. Dus die dwang hoeft niet veel geuit te worden, want als je er eenmaal inzit, dat weet je zelf ook, en je gaat het trappetje op en je gaat van A naar B naar C.” (Wijkcoach) Daar komt bij dat criminele uitbuiting een typisch haaldelict is, wat betekent dat slachtoffers zichzelf niet als zodanig herkennen en/of durven niet te verklaren over hun situatie. Waar respondenten enerzijds het belang van vroegtijdige signalering en interventie benoemen, is het anderzijds moeilijk om dwangmiddelen te identificeren. Dit geldt eens te meer als het gaat om het begin van het uitbuitingsproces. Ondanks deze uitdagingen, benoemen respondenten zowel in de vragenlijst als in de interviews dat ze grote zorgen hebben over criminele uitbuiting en specifiek over de dwangmiddelen die ingezet worden door criminele uitbuiters.
Wanneer gevraagd wordt naar de ingezette dwangmiddelen ontstaat uit de interviews het beeld dat dwang zich op verschillende manieren manifesteert en dat slachtoffers zowel te maken kunnen krijgen met (een combinatie van) expliciete en subtiele elementen van dwang. Bovendien kunnen vormen van dwang elkaar afwisselen en versterken. Zelfs wanneer een slachtoffer eerst vrijwillig heeft ingestemd met het plegen van een crimineel feit, maar vervolgens gedwongen wordt om meer delicten te plegen kan er sprake zijn van criminele uitbuiting, aldus een deel van de respondenten.196 Ondanks deze moeilijkheden, beschrijven bijna alle respondenten hun zorgen over hoe met name veelal jonge en zeer kwetsbare personen worden misleid en gemanipuleerd tot het plegen van criminele feiten ter verrijking van anderen. Er wordt volgens hen misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin jongeren zich bevinden.
196 Dit uitgangspunt is ook overeenkomstig met het non-consent-principe. Dit houdt in dat eventuele toestemming van het slachtoffer van mensenhandel met de uitbuitingssituatie irrelevant is op het moment dat kan worden aangetoond dat er voldaan is aan de bestanddelen van mensenhandel. In dat geval dient deze persoon ondanks zijn of haar instemming toch de juridische status van een slachtoffer te verkrijgen. Zie daarover artikel 3 van het Palermo Protocol (2000).
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 38
Niettemin is een lijn te ontdekken in de antwoorden van de respondenten. Zo benoemen de meeste respondenten een licht verstandelijke beperking, een hele jonge leeftijd, (familiaire) afhankelijkheidsrelaties, een verslaving en een slechte thuissituatie als verhogende kwetsbare factoren waar criminele uitbuiters misbruik van maken. Ook benoemen respondenten dat een groot deel van de slachtoffers verhoogd kwetsbaar is doordat zij opgroeien binnen zeer ongunstige demografische en sociaaleconomische omstandigheden, waar uitbuiters handig op inspelen om hen voor hun karretje te spannen. “Financiële problemen, dat is een grote. En heel veel kinderen in Nederland [leven] ook gewoon [onder] de armoedegrens. Die doelgroep is gewoon groot.” (Wijkcoach) Respondenten spreken hierbij over kansenongelijkheid, gebrek aan perspectief en gebrek aan een stabiel vangnet. Dit maakt dat er een kwetsbare groep bestaat waar criminele uitbuiters zich op (kunnen) richten met het doel hen te manipuleren, misleiden en/of te misbruiken, zodat ze zichzelf kunnen verrijken. Een van de respondenten zegt hierover: “Inpalmend gedrag. Bij al die jongeren zit er onzekerheid en naïviteit die worden aangeboord. En ook de consequenties niet kunnen overzien en ook geen andere opties hebben.
Voor het gros geldt: als ze het niet nodig hebben vanuit huis omdat er een fatsoenlijk vangnet is, dan is de kans [op criminele uitbuiting] een stuk kleiner.” (RMC Consulent)
jongens [vermoedelijk slachtoffer], twee uur ’s nachts. Dan pak je mannen voor zijn moeders huis. En hij heeft nog gewoon een klein broertje en zusje, dus het is geen grap.” (Jongerenwerker C) Een van de respondenten benoemt het volgende: “[Dader dreigt:] Ik ga richting je familie of ik zorg dat je erbij wordt gehaald, in elkaar wordt geramd of nog erger. Bij meiden en uitbuiting dan gaan we foto’s laten circuleren en gaan we richting je ouders. Dan komt schaamte om de hoek kijken. Intimideren en angstig maken, er andere partijen bij betrekken.” (RMC Consulent) Zorgelijk is dat deze jongerenwerker ziet hoe jongens, uit zeer kwetsbare wijken, al op jonge leeftijd (<12 jaar) gedwongen zijn tot het plegen van criminele feiten door middel van bedreiging en geweld: “Vaak is het bedreigen of krijgen ze klappen van iedereen. Of als ze iets niet doen, dan krijgen ze dan maar weer klappen. En ook omdat ze vaak de jongste zijn.” (Jongerenwerker C) Een ander expliciet dwangmiddel dat door meerdere respondenten benoemd wordt is het chanteren van slachtoffers met naaktbeelden. Iets dat respondenten vooral terugzien bij meiden/vrouwen:
Enkele respondenten benoemen ook dat zij ervaring hebben met meiden met een religieuze achtergrond die doelbewust zijn misleid en gechanteerd, bijvoorbeeld doordat uitbuiters hebben gedreigd met het openbaren van naaktfoto’s en/of andersoortig materiaal wat leidt tot schaamte en angst voor eer gerelateerd geweld.
“Vaak hebben ze natuurlijk al wel filmpjes of beeldmateriaal van de jongeren, dus dreigen ze daarmee. Als jij dit niet doet, dan zet ik het online. Dat is denk ik wel het grootste dwangmiddel” (Behandelcoördinator seksuele uitbuiting en seksueel misbruik).
Naast impliciete elementen van dwang, wordt in meer dan de helft van de gesprekken tevens gesproken over expliciete dwang zoals dreiging, chantage en geweld richting zowel slachtoffers als familieleden. Respondenten geven aan een variëteit aan geweldsvormen tegen te komen. In dergelijke voorbeelden wordt veelal gesproken over slachtoffers die in elkaar worden geslagen. Een aantal keer benoemen respondenten ook dreiging en geweld met wapens. Een procesregisseur van een Veiligheidshuis spreekt naast bedreiging ook over jongeren die ‘flink te pakken worden genomen’ en vervolgens niets willen verklaren. Een wijkagent spreekt over afranselingen in een kelderhok. Een van de jongerenwerkers spreekt over de volgende ervaring:
Een andere vorm van chantage die opvalt in de interviews is de chantage met opgebouwde schulden. Een aantal respondenten benoemt hoe slachtoffers doelbewust in de schulden worden gestoken, er afhankelijkheid gecreëerd wordt en zij op deze manier gedwongen worden tot het plegen van criminele feiten om zo deze schuld af te lossen. Een van de respondenten benoemt dat slachtoffers die ingezet worden om drugs te vervoeren, opzettelijk beroofd worden en zo een schuld opbouwen bij de uitbuiter. Een van de jongerenwerkers ziet hoe steeds vaker lachgastanks ingezet worden om jongeren in de schulden te steken en vervolgens crimineel uit te buiten:
“Ook met geweld. Dus ook met pistolen zijn [slachtoffers] bijvoorbeeld bedreigd, of met messen. Ook hun familie. […] Er staan opeens auto’s, dat had ik laatst bij één van de
“Je koopt een lachgastank. Vaak ben je minderjarig. Als je het niet kan betalen, moet je je ID als borg geven. Heb jij die lachgastank. Kun jij die niet betalen, dan hebben ze
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 39
jouw ID en dan wordt jouw ID gebruikt om andere dingen te doen of om jou andere dingen te laten doen om jouw rekening te voldoen. En die rekening die stapelt zich natuurlijk op, want er zit rente aan” (Jongerenwerker A) Een tweede thema dat samenhangt met de ingezette dwangmiddelen is hoe crimineel uitbuiters nieuwe slachtoffers ronselen. Hier ontstaat een divers beeld op basis van deze twintig interviews, waarbij het van belang is te benoemen dat dit om een eerste verkenning gaat en meer onderzoek nodig is om de beelden bij te stellen en/of te onderbouwen. Een deel van de respondenten benoemt hoe criminele uitbuiters met name binnen hun (sociale) netwerk actief op zoek gaan naar mogelijke slachtoffers, zowel offline als online.197 Een bepaalde gerichtheid wordt daarbij door de geïnterviewden verondersteld. Zo geven respondenten aan dat uitbuiters veelal in eerste instantie misbruik lijken te maken van kwetsbaarheden zoals een licht verstandelijke beperking en/of de jonge leeftijd van slachtoffers. Meerdere eerstelijns professionals spreken in hun interviews ook over de geleidelijkheid en het daarmee opbouwende intensieve contact tussen daders en slachtoffers waarbij er controle wordt uitgeoefend op het doen en laten van het slachtoffer. Ook spreken respondenten over kinderen die stapsgewijs verder het criminele circuit in worden genomen.
Waar het eerst vaak in een schijnbare vorm van vrijwilligheid begint, raken slachtoffers al snel vast in de criminaliteit en lijkt er voor het slachtoffer geen weg meer terug te zijn. Een van de respondenten benoemt in dit verband dat hij steeds jongere slachtoffers actief geronseld ziet worden voor het rondbrengen van ‘pakketjes’ of het plegen van diefstal. Hij ziet met name basisschoolleerlingen uit kwetsbare wijken, waarbij misbruik gemaakt wordt van zowel de jonge leeftijd als ook de kwetsbare achtergrond en daar handig op ingespeeld wordt met beloftes van geld, mooie spullen of telefoons. Hij zegt hierover het volgende: “Vaak in de kwetsbare wijken. […] die gasten [vermoedelijke uitbuiters] die zitten ook te chillen, te blowen met hun auto’s rijk te doen met hun fucking schoenen van 1000 euro. […] ze [vermoedelijke slachtoffers] moeten wat pikken of iets doen, altijd iets. Het begint met hele kleine dingetjes en het vertrouwen om iets te winnen. En zo nemen ze dus die kids mee, totdat ze 14 zijn, 15 zijn. Ga ze er dan maar eruit krijgen.” (Jongerenwerker C)
197 In §4.3.1 wordt uitgebreider stilgestaan bij de rol van sociale media als het gaat om het ronselen en werven van slachtoffers van criminele uitbuiting.
Hetgeen vaker terugkomt in de interviews is het beeld van enerzijds kwetsbare jongeren en anderzijds criminelen die handig gebruik maken van bestaande kwetsbaarheden. Gemene deler tussen slachtoffers van criminele uitbuiting is dan ook dat zij op enigerlei wijze kwetsbaar zijn. “[…] Ik merk dat het vaak de wat zwakkeren zijn. Het is een beetje een containerbegrip, maar dat is gewoon heel geraffineerd. Mensen die je kan pakken en snel naar je hand kan zetten, die worden er tussenuit gepikt. Of je nou financieel in de problemen zit of je hebt andere problemen of je bent gewoon vatbaar. Dat is wel een kenmerk.” (Projectleider preventie jeugdcriminaliteit) Vaak kenmerken de relaties tussen daders en slachtoffers zich door een schijnbare wederkerigheid. Startpunt van daders is veelal dat ze in de ronselfase beloven dat de jongeren veel, snel en makkelijk geld kunnen verdienen. Een van de respondenten beschrijft het als volgt: “Wat een pijler is die uit onderzoek naar voren komt en die ik ook persoonlijk heb gezien, is dat als mensen financieel in de problemen zitten dat de verleiding heel groot is om geld aan te nemen. Dan zien we regelmatig de constructie terugkomen van doe even wat simpels, dan krijg je van mij een hoop geld. En daarna iemand dubbel zo hard in de schulden steken, zodat hij afhankelijk van je wordt.
Maar wij zien ook gewoon jongeren met name, die onder een […] lvb vallen en daar gewoon vatbaar voor zijn. Geld, aanzien, stoere praat. Daar waar iemand anders denkt dit is fout en moet ik niet doen, zijn zij er wat sneller vatbaar voor. Dat zijn de twee die bij mij persoonlijk erg terugkomen.” (Projectleider preventie jeugdcriminaliteit) Respondenten spreken over de ronselfase in termen als inpalmen, misleiden en manipuleren. Iemand het gevoel geven dat hij of zij belangrijk is, ertoe doet en erbij hoort of dat er voor hen gezorgd wordt. Een jeugdagent geeft in dit verband een voorbeeld waarin de situatie begint in een ogenschijnlijk ongedwongen sfeer, als een ‘vriendendienst’ richting het slachtoffer, maar dit geleidelijk ontaardt in criminele uitbuiting onder in casu het dwangmiddel schuldbinding. Een andere factor waar misbruik van wordt gemaakt, aldus een deel van de respondenten, is een verslaving binnen het gezin of bij het slachtoffer zelf. Een van de geïnterviewden, werkzaam in de verslavingszorg, omschrijft het probleem met betrekking tot criminele uitbuiting:
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 40
“Het is eigenlijk de dagelijkse praktijk dat wij iemand tegenkomen, dat iemand bij ons komt van, iemand heeft mijn legitimatie afgepakt of van iemand is een bankpas weer afgepakt. Er wordt misbruik van gemaakt. Voor sommige cliënten vraag ik zes keer per jaar een nieuw legitimatie aan. Twee keer per maand een nieuwe bankpas. Je weet gewoon wat ermee gebeurt. Je zegt: je moet aangifte doen, maar dat durven ze dan niet. Dus we maken het echt dagelijks mee.” (Geestelijk verzorger verslavingszorg) Enerzijds blijkt uit de interviews dat personen met een verslaving makkelijker afhankelijk gemaakt kunnen worden om bepaalde handelingen uit te voeren, bijvoorbeeld om hiermee hun verslaving te kunnen bekostigen of in de vorm van een beloning: drugs. Anderzijds ontstaat uit de interviews ook het beeld dat verslaving doelbewust ingezet wordt om slachtoffers afhankelijk te maken, als zij dit nog niet zijn. Hetgeen opvalt, is dat waar bij jongens veelal gesproken wordt in relatie tot het lokken met snel geld, groepsdruk en erbij willen horen, bij meiden meer gesproken wordt over het aanspreken, versieren en inpalmen van hen op romantische wijze, waarna foto’s gemaakt worden en zij onder druk worden gezet. Een veelgenoemd dwangmiddel dat hiermee gepaard gaat, is sextortion: het chanteren met naaktfoto’s/-video’s.
Dit dwangmiddel wordt ingezet met het doel dat meiden overgaan tot het plegen van criminele delicten, waaronder bijvoorbeeld ook het ronselen van andere meiden voor de prostitutie kan vallen. Volgens enkele respondenten kan dit zelfs zo ver gaan dat meiden soms worden gedwongen om in de instelling waar zij verblijven andere kwetsbare meiden te ronselen voor criminele of seksuele uitbuitingspraktijken: “Zij is toen geronseld door een meisje van binnen die instelling en zij moest daar ook meisjes gaan ronselen van binnen die instelling. Dus had zij het weer heel moeilijk. En dat bleek dus echt heel vaak te gebeuren.” (Zorgcoördinator mbo) Op de vraag hoe lang een ronselperiode duurt, is geen eenduidig antwoord op. Hetgeen wel naar voren komt, is dat een aantal respondenten benoemt dat de tijd tussen het ronselen en de criminele uitbuiting soms (heel) kort is. Een van de jongerenwerkers benoemt dat het soms binnen een dag gebeurd kan zijn en er een schuld opgebouwd is bij een verkeerd persoon: “Wat ik je ook zeg: vaak begint het ook financieel, krijgen ze spulletjes. Dat is natuurlijk hartstikke leuk. […] Het begin gewoon heel onschuldig. Of eentje krijgt een vriendje, […] hij heeft van alles. Maar dan zitten ze al in de shit. Snap je wat ik bedoel? Die tijd is zo kort. Van ontmoeting, leuk, naar niet leuk, zo snel.
Op een gegeven moment één van die meiden ook, die moest op een gegeven moment naar [naam stad]. Ze heeft hem leren kennen op sociale media. Nou meid, je gaat centjes verdienen en dit en dat. Het
enige wat je hoeft te doen is naar [naam stad] komen. Zij is naar [naam stad] gegaan en voordat ze terug was in [naam stad], moet je voorstellen één dag, waren al 2 tv’s besteld van weet ik veel hoe groot, op haar naam en telefoon. Hoe ga je daaruit komen?” (Jongerenwerker C) Samengevat laten de interviews zien dat slachtoffers van criminele uitbuiting vooral middels subtiele vormen van dwang in een uitbuitingssituatie terecht komen. Het gaat bijvoorbeeld vaak om slachtoffers met een lichtverstandelijke beperking, een (zeer) jonge leeftijd of om personen met schulden, en in veel gevallen ook om een combinatie van deze factoren. Daarbij geven de respondenten aan dat daders van criminele uitbuiting ook doelbewust op zoek gaan naar kwetsbare personen, en inspelen op deze kwetsbaarheden, om hen zo geleidelijk in een uitbuitingssituatie onder te brengen. Vanwege hun kwetsbare achtergrond hebben slachtoffers vaak pas door dat er misbruik van hun wordt gemaakt op het moment dat dit te laat is en zij niet zonder gevolgen met de criminaliteit kunnen stoppen.
Tegelijkertijd komt uit de interviews naar voren dat er wel degelijk ook gebruik wordt gemaakt van harde dwangmiddelen om iemand in een uitbuitingssituatie te krijgen en te behouden, waarbij wordt gesproken over het toepassen of dreigen met geweld, maar bijvoorbeeld ook over het chanteren van slachtoffers met naaktbeelden of schulden.
4.5 Kenmerken van vermoedelijke slachtoffers In §4.4.1 is ingegaan op de gehanteerde modus operandi van criminele uitbuiters. Hierbij is stilgestaan bij de kwetsbaarheden van slachtoffers waar criminele uitbuiters op inspelen. Deze paragraaf vervolgt met waargenomen kenmerken van slachtoffers. Allereerst wordt ingegaan op geslacht (§4.5.1), leeftijd (§4.5.2) en achtergrond (§4.5.3) van slachtoffers. In deze paragrafen wordt op elk onderscheidend thema kort ingegaan op hetgeen uit de interviews naar voren is gekomen.
4.5.1 Geslacht van slachtoffers Uit de vragenlijst blijkt dat respondenten iets vaker mannelijke slachtoffers zien (37%) (Figuur 9).198 Daar staat tegenover dat 27%199 juist vaker vrouwelijke slachtoffers lijken waar te nemen en 32% ziet evenveel vrouwen als mannen.200 De resultaten suggereren dat mannen iets vaker dan vrouwen worden gesignaleerd als slachtoffer van criminele uitbuiting.
198 Totaal n=821, 37% staat gelijk aan n=302. 199 Totaal n=821, 27% staat gelijk aan n=219, 20% staat gelijk aan n=165, 7% staat gelijk aan n=54. 200 Totaal n=821, 32% staat gelijk aan n=266.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 41
Figuur 9. Geslacht slachtoffers (n=821)
Tot slot zijn er ook overeenkomsten als gekeken wordt naar de twee delicten waar mannelijke dan wel vrouwelijke slachtoffers het meest mee in verband worden gebracht. Mannen lijken op de eerste plaats het vaakst gedwongen te worden tot het vervaardigen, uithalen, vervoeren of verhandelen van drugs (29%), gevolgd door het gedwongen witwassen van geld of ingezet zijn als geldezel (24%) en het gedwongen plegen van diefstallen, inbreken of zakkenrollen (15%).201 Vrouwelijke slachtoffers lijken op de eerste plaats het vaakst gedwongen te worden tot het witwassen van geld of worden ingezet als geldezel (22%), gevolgd door het vervaardigen, uithalen, vervoeren of verhandelen van drugs (18%) en het gedwongen ronselen van anderen voor de prostitutie (17%).202 4.5.1.1 Korte verdieping op de resultaten In overeenstemming met de resultaten spreken respondenten in de interviews zowel over jongens als over meiden en worden bij beide groepen verschillende soorten delicten genoemd zoals drugscriminaliteit, het plegen van diefstal of overvallen en vermogensdelicten. Niettemin ontstaat uit de interviews een beeld dat lijkt af te wijken van de resultaten, of althans beperkter van aard is.
Naast de vormen van gedwongen criminaliteit, zijn de eerstelijns professionals ook gevraagd naar de vorm van gedwongen criminaliteit die zij in de afgelopen twee jaar het vaakst zagen. Wanneer het geslacht afgezet wordt tegen de vormen van gedwongen criminaliteit die worden genoemd, blijken hierin verschillen te zijn (Figuur 10). Zo worden vrouwen beduidend vaker waargenomen als slachtoffer wanneer het gaat om het ronselen voor de prostitutie. Mannen daarentegen worden vaker genoemd als het gaat om drugsgerelateerde criminaliteit en ook diefstal. Figuur 10. Geslacht slachtoffers, afgezet tegen meest waargenomen vormen van gedwongen criminaliteit (n=787)
Allereerst spreken respondenten in de meeste gevallen van jongens/mannen als ze voorbeelden geven of over ervaringen spreken in relatie tot vermoedens van criminele uitbuiting. Ook als het gaat over ervaringen en vermoedens van gedwongen drugscriminaliteit. Ten tweede komt uit meerdere interviews naar voren dat criminele uitbuiting van meiden vaak samengaat met seksuele uitbuiting203 en dat meiden ook meer dan jongens gedwongen of gechanteerd lijken te worden met naaktbeelden204. Als respondenten spreken over meiden dan spreken zij het meest over het vermoeden dat slachtoffers gedwongen zijn tot het ronselen van anderen voor de prostitutie. Tot slot wordt een punt aangestipt door enkele respondenten waar in de vragenlijst niet op gevraagd is, namelijk dat slachtofferschap minder snel herkend wordt in de praktijk bij jongens en dat jongens eerder dan meiden gezien worden als dader. Bovendien identificeren jongens zichzelf ook niet of minder snel als slachtoffer. Daar staat tegenover dat meiden eerder dan jongens worden gezien als slachtoffer en weer minder snel als dader.
201
Totaal n=302, 29% staat gelijk aan n=86, 24% staat gelijk aan n=72, 15% staat gelijk aan n=44.
202 Totaal n=219, 22% staat gelijk aan n=48, 18% staat gelijk aan n=40, 17% staat gelijk aan n=37. 203 De overlap tussen criminele en seksuele uitbuiting wordt verder uiteengezet in §4.7 Overlap van criminele en seksuele uitbuiting. 204 Zie ook: §4.4 Modus operandi: ronselen en dwangmiddelen.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 42
4.5.2 Leeftijd van slachtoffers Op twee verschillende wijzen is in de vragenlijst gevraagd naar de leeftijd van slachtoffers (Figuur 11 en 12). Uit beide figuren komt een soortgelijk beeld, namelijk dat respondenten bijna net zoveel minderjarige als meerderjarige slachtoffers waarnemen. Figuur 11. Waargenomen leeftijdscategorie slachtoffers (n=821)
Wanneer de leeftijd van slachtoffers afgezet wordt tegen de vormen van gedwongen criminaliteit die worden genoemd, blijken hierin verschillen te zijn (Figuur 13). Figuur 13. Meest waargenomen leeftijd slachtoffers, afgezet tegen meest waargenomen vormen van gedwongen criminaliteit (n=766)
Figuur 12. Meest waargenomen leeftijd slachtoffers (n=821)
Uit Figuur 11 blijkt dat 40% van de respondenten aangeeft dat slachtoffers voornamelijk of uitsluitend minderjarig zijn.205 Dat de marges gering zijn blijkt uit de resultaten. 22% van de respondenten ziet net zo vaak minderjarige als meerderjarige slachtoffers.206 Voor 34% van de respondenten geldt dat zij voornamelijk of uitsluitend volwassen slachtoffers zien.207
Het valt op dat respondenten die het vaakst minderjarige slachtoffers zien in een leeftijd van twaalf jaar of jonger, tevens het vaakst zien dat slachtoffers worden gedwongen tot het
Gevraagd naar de leeftijd van slachtoffers (Figuur 12), zijn deze het vaakst tussen de dertien en zeventien jaar oud (41%).208 31% van de respondenten ziet het vaakst slachtoffers tussen de achttien en 26 jaar oud en 19% noemt dat slachtoffers het vaakst 27 jaar of ouder zijn.209 Ten slotte zien enkele respondenten het vaakst slachtoffers in een leeftijd van twaalf jaar of jonger (2%).210
plegen van diefstal, inbreken of zakkenrollen (56%).211 Kanttekening is dat het hierbij om een laag aantal respondenten gaat. De meest genoemde vorm van gedwongen criminaliteit door respondenten die het vaakst jongeren zien in een leeftijd tussen dertien en zeventien jaar oud is (i) het gedwongen vervaardigen, uithalen vervoeren of het verhandelen van drugs (28%), gevolgd door (ii) het gedwongen witwassen van geld of ingezet worden als geldezel (24%) en (iii) gedwongen diefstal, inbreken of zakkenrollen (15%).212 Meerderjarigen worden het meest in verband gebracht met gedwongen drugscriminaliteit, het gedwongen witwassen van geld of de geldezelconstructie en de katvangerconstructie.
205 Totaal n=821, 40% staat gelijk aan 326.
Wanneer leeftijd van slachtoffers afgezet wordt tegen het geslacht dat respondenten het meest waarnemen, blijken ook hier verschillen in te zijn (Figuur 14). Hetgeen opvalt is dat hoe jonger het slachtoffer is, des te vaker jongens worden waargenomen en hoe ouder het slachtoffer is,
206 Totaal n=821, 22% staat gelijk aan n=182. 207 Totaal n=821, 34% staat gelijk aan n=283, 20% staat gelijk aan n=168, 14% staat gelijk aan n=115. 208 Totaal n=821, 41% staat gelijk aan n=334. 209 Totaal n=821, 31% staat gelijk aan n=258, 19% staat gelijk aan n=158.
211 Totaal n=16, 56% staat gelijk aan n=9.
210 Totaal n=821, 2% staat gelijk aan n=16.
212 Totaal n=334, 28% staat gelijk aan n= =92, 24% staat gelijk aan n=80, 15% staat gelijk aan n=49.
KIJKEN MET ANDERE OGEN | 43
des te vaker vrouwen worden waargenomen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat – naar mate jongens ouder worden – zij minder voldoen aan heersende beelden over slachtofferschap213 en daardoor minder snel als zodanig worden gezien, terwijl dit bij vrouwen niet het geval is. Figuur 14. Meest waargenomen leeftijd slachtoffers, afgezet tegen geslacht slachtofers (n=766)