CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS312672 Jonge slachtoffers criminele uitbuiting witte vlek in aanpak ondermijning Bijlage 2

Commissie Bestuur 16 november 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Veiligheid58.432 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 7

Zie: https://www.independent.co.uk/news/uk/crime/modern-slavery-girls-trafficking-police-b2007020.html; https://www.cps.gov.uk/ london-south/news/crime-gang-who-tasked-vulnera-

criminaliteit-zorginstellingen-ondermijning-drugshandel-prostitutie (laatst geraadpleegd op voerd-door-hun-afpersers (laatst geraadpleegd op 28 februari 2022).

76

ECLI:NL:RBMNE:2020:2783.

Zie bijvoorbeeld: Van Eijk en Matthijsse, 2020; Stam & Karsdorp, 2022; Regioplan, 2022.

77

CKM, 2020; CKM, 2021; Amsterdam, 2020.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 15

van een lichtverstandelijke beperking (lvb).78 Personen met een lvb zouden een hoger risico lopen om slachtoffer van criminele uitbuiting te worden, omdat zij enerzijds gemakkelijker te beïnvloeden zijn en anderzijds moeite hebben met het overzien van hun handelen en het effect van hun handelen op anderen.79

als rolmodel worden gezien en veel invloed op hen uit kunnen oefenen. Deze jongens worden geronseld en vervolgens gedwongen tot het uitvoeren van allerlei criminele klusjes. Criminele uitbuiting ontbreekt vaak bij onderzoek naar ronselen jonge aanwas In de afgelopen jaren is er ook vanuit de onderzoekswereld in toenemende mate aandacht gekomen voor het thema ondermijning en meer specifiek de wijze waarop criminele netwerken nieuwe criminele aanwas rekruteren.85 In deze onderzoeken wordt vaak gesproken over hoe deze netwerken een grote aantrekkingskracht hebben op jonge, soms minderjarige, kwetsbare jongeren en deze op verschillende manieren de criminaliteit inzuigen. Opvallend is dat het perspectief van criminele uitbuiting in deze studies vaak ontbreekt. Dit terwijl er in veel gevallen aanleiding is om te veronderstellen dat hier mogelijk wel sprake van is. Zo wordt beschreven hoe criminele netwerken vaak minderjarigen rekruteren, die met kleine klusjes beginnen en vervolgens vast komen te zitten in de criminaliteit, of hoe zij zich richten op personen met een lvb die bespeeld kunnen worden, en niet goed weten wat de gevolgen van hun handelen zijn.

Zo blijkt uit onderzoek naar het ronselen van jonge criminele aanwas in Den Haag bijvoorbeeld dat criminele netwerken jongeren doelbewust screenen op hun beperkingen en specifiek ronselen bij instellingen waar jongeren met een lvb woonachtig zijn.86 In hetzelfde onderzoek wordt ook gesproken over het creëren van schulden of het (tijdelijk) gratis verstrekken van drugs om iemand in een afhankelijkheidspositie te verkrijgen.87 In andere onderzoeken wordt echter ook gesproken over minderjarigen die met harde dwang, zoals bedreiging met (vuur)wapens of het toepassen van geweld, in de criminaliteit worden

Een andere kwetsbaarheid die in de literatuur wordt beschreven, is dat slachtoffers veelal opgroeien binnen sociaaleconomisch kwetsbare milieus. Zo is er bijvoorbeeld vaak sprake van armoede- en schuldenproblematiek, een disfunctionele gezinssituatie of zijn er (andere) gezinsleden die zich inlaten met het plegen van criminele feiten.80 Ook kan het voorkomen dat slachtoffers omwille van een drugs- of alcoholverslaving geen weerstand kunnen bieden aan de (ronsel-)pogingen van mensenhandelaren.81 Een laatste kwetsbaarheid die vanuit de literatuur naar voren komt, heeft te maken met de jeugdige leeftijd waarop slachtoffers geronseld worden. Zo blijkt dat met name jongeren die binnen de drugscriminaliteit worden uitgebuit op (zeer) jonge leeftijd door criminelen worden benaderd. Zo blijkt dat kinderen in steden als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht soms al op de leeftijd van twaalf jaar voor het eerst door criminelen worden benaderd om klusjes uit te voeren.82 Op dit moment bestaat er slechts zeer beperkt zicht op daders van criminele uitbuiting. Uit het onderzoek van het CKM uit 2021 blijkt dat slechts 7% van de eerstelijns professionals aangeeft een goed beeld hebben van wie de criminelen zijn die jongeren ronselen en dwingen tot het plegen van criminele feiten.

Onderzoek van Regioplan komt tot een vergelijkbare conclusie over het minimale zicht op daders van deze vorm van mensenhandel.83 Op basis van de beperkte literatuur

gedwongen of behouden, waarbij nog sneller de indruk bestaat dat hier vermoedelijk (ook) sprake is van criminele uitbuiting.88

die bestaat over daders van criminele uitbuiting in Nederland kan desondanks een eerste beeld worden geschetst en is mogelijk om met voorzichtigheid een aantal groepen van daders te onderscheiden. In de eerste plaats gaat het daarbij om uitbuiting tussen jongeren onderling (binnen de peer-group).84 Daders zijn in deze gevallen vaak wat oudere jongens, of jongvolwassen mannen, met een voorgeschiedenis in de criminaliteit. Vaak beschikken zij over aanzien, status en geld, waardoor zij door sommige, vaak jongere en/of kwetsbare, jongens in hun omgeving

78 79

Het is om meer dan alleen vanwege semantische waarde van belang om binnen deze onderzoeken ook het perspectief van criminele uitbuiting mee te nemen. Op basis van internationale rechtsverdragen heeft de Nederlandse overheid namelijk een proactieve verplichting om beleid te ontwikkelen met het doel alle vormen van mensenhandel

Zie bijvoorbeeld: Bekkers et al., 2020; Politie, 2021; Wissink, 2021, p. 22-23; CKM, 2021; Regioplan, 2022. Hogeschool Leiden, 2018, p. 12. (https://www.hsleiden.nl/binaries/content/assets/hsl/lectoraten/ lvb-en-jeugdcriminaliteit/publicaties/ handreiking-lvb-jr-laatste-versie-011018.pdf).

80

Zie bijvoorbeeld Bos et al., 2016; Politie, 2021; CKM, 2021.

81

Regioplan 2022; CKM, 2021.

85

Zie bijvoorbeeld: Adjiembaks, Boer & Oude Lansink, 2022; Politie, 2021; Van Wijk et al. 2021.

82

Zie: Politie, 2021; CKM, 2021; https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4794321/kinde-

86

Van Wijk et al. 2021, p. 101 (https://bureaubeke.nl/wp-content/uploads/2022/03/Download_Bekereeks_

ren-cocainehandel-drugs-bende-steeds-meer-toename (laatst geraadpleegd op 7 maart 2022).

Jongeren_georg_drugscrim_ regio_Den_Haag.pdf).

83

Regioplan 2022.

87

Van Wijk et al., 2021, p. 102.

84

Zie bijvoorbeeld: CKM, 2021; Regioplan, 2022. Politie, 2021

88

Zie bijvoorbeeld: Adjiembaks et al., 2022; Politie, 2021.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 16

Criminele zorgaanbieders buiten bewust eigen cliënten crimineel uit Een mogelijke nieuwe groep van daders zijn criminelen die een zorginstelling, zoals bijvoorbeeld een begeleid wonen instelling of een jeugdzorginstelling, starten met het doel hun cliënten te dwingen tot het plegen van criminaliteit, zo blijkt uit onderzoek van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ) uit 2020.93 Het onderzoek liet zien dat er in de regio Twente bij 22 zorgaanbieders sprake is van ondermijnende criminaliteit. Vijftien van de zorgaanbieders hielden zich bezig met hennepteelt, waarbij in sommige gevallen ook de cliënten die aan hun zorg vertrouwd waren, moesten helpen met het knippen van de toppen van de planten. Journalistiek vervolgonderzoek van RTL Nieuws bracht aan het licht dat deze problematiek niet louter aan de regio Twente is voorbehouden, maar ook in andere regio’s plaatsvindt.94 Criminele zorgaanbieders zouden hun cliënten onder meer dwingen tot het verhandelen van drugs of het witwassen van geld via hun bankrekening. In enkele gevallen zouden cliënten ook in de prostitutie worden gedwongen.95 Volgens het IKZ is dit nog maar een topje van de ijsberg, aangezien er bijna geen toezicht is op dit soort zorgaanbieders en de pakkans daardoor erg klein is.

Bovendien gaat het in deze gevallen om inherent kwetsbare en afhankelijke personen, waardoor slachtoffers zelf zelden naar buiten treden over de misstanden.

tegen te gaan.89 Daarnaast maken personen die gedwongen worden tot het plegen van criminaliteit op basis van diezelfde rechtsverdragen aanspraak op hulp en bescherming en dienen zij, in deze gevallen, als slachtoffer van criminele uitbuiting te worden beschouwd in plaats van als dader van een gepleegd delict. Bovendien biedt het perspectief van mensenhandel opsporingsorganisaties en andere instanties betrokken bij de aanpak van dit fenomeen ook andere mogelijkheden met betrekking tot het frustreren, opsporen en vervolgen van daders. Ook voor het construeren van een gezamenlijke aanpak van mensenhandel en ondermijnende criminaliteit is het van belang dat vanuit het onderzoeksveld meer aandacht komt voor de overlap tussen deze beide fenomenen. Een tweede groep die op basis van de literatuur kan worden onderscheiden, betreft daders van criminele uitbuiting die andere familieleden dwingen tot het plegen van strafbare feiten. Zo wordt specifiek met betrekking tot Nederlandse jongeren behorende tot de Roma-gemeenschap gesproken over ouders die hun kinderen meenemen om diefstallen te plegen, in te breken of zakken te rollen.90 Als de kinderen eenmaal zelf de volwassen leeftijd hebben bereikt, gaan zij soms ook over tot het uitbuiten van hun eigen kinderen.

Recent onderzoek laat echter zien dat deze vorm van intergenerationele overdracht van criminaliteit zich ook kan voordoen binnen andere gemeenschappen, zoals bij familienetwerken die al lang in de drugshandel zitten en waarbij het als het ware vanzelfsprekend is dat de nieuwe generatie de werkzaamheden van de oudere generatie overneemt.91 Ook hierbij kan de vraag gesteld worden in hoeverre hierbij sprake kan zijn van vrijwilligheid. Een laatste groep betreft daders die hun ‘partner’ dwingen tot het uitvoeren van strafbare feiten. Uit onderzoek blijkt dat het hierbij vaak, maar niet uitsluitend, gaat om vrouwen die reeds seksueel worden uitgebuit door hun ‘partner’, en vervolgens ook worden gedwongen tot het verrichten van andere strafbare werkzaamheden. Ook kan het hierbij gaan om het onder valse voorwendselen aangaan van een liefdesrelatie met, vaak, kwetsbare vrouwen met het doel hen crimineel uit te buiten. Vaak gaat het hierbij om het rondbrengen of verhandelen van drugs, maar het kan bijvoorbeeld ook gaan om het beschikbaar stellen van een bankrekening of om te fungeren als katvanger. 92

Wanneer wordt gekeken naar de modus operandi van daders van criminele uitbuiting, valt allereerst op dat slachtoffers en daders op verschillende manieren met elkaar in contact komen. Zo laten diverse onderzoeken zien dat slachtoffers en daders elkaar voor de eerst keer ontmoeten op fysieke locaties, zoals (middelbare) scholen, zorginstellingen of op straat.96 In de afgelopen jaren lijkt er echter wel een verschuiving te hebben plaatsgevonden, waarbij slachtoffers steeds vaker online worden geronseld door criminelen. Uit verscheidene studies blijkt dat dit in het bijzonder geldt in het geval van het ronselen van potentiële geldezels.97 Via online communicatieplatforms, zoals Instagram, Snapchat of Telegram, ontvangen zij

93 94

IKZ, 2020. Zie: https://www.rtlnieuws.nl/onderzoek/artikel/5223783/criminaliteit-zorginstellingen-ondermijning-drugshandel-prostitutie#:~:text=Tientallen%20zorgaanbieders%20crimineel%3A%20cli%C3%ABnten%20ingezet%20voor%20drugshandel%20en%20witwassen,-07%20april%202021&text=Criminelen%20runnen%20door%20het%20hele,worden%20de%20prostitutie%20in%20gedwongen (laatst

89

Onder meer op basis van Het Verdrag van Warschau; Europese Mensenhandel richtlijn 2011/36/EU en EHRM 7 januari 2010, 2965/04 (Rantsev t. Cyprus en Rusland).

geraadpleegd op 7 maart 2022). 95

https://www.rtlnieuws.nl/onderzoek/artikel/5223785/slachtoffers-criminaliteit-zorginstelling-onder-

90

Zie bijvoorbeeld: Nijenhuis, 2016; Nationaal Rapporteur 2016.

91

CKM, 2021.

96

mijning (laatst geraadpleegd op 7 maart 2022). CKM, 2021; Politie, 2021; Regioplan 2022.

92

Zie bijvoorbeeld: Amsterdam, 2021; CKM, 2020; CKM, 2021.

97

Zie bijvoorbeeld Roks en van den Broek, 2017; Bekkers et al., 2020; Wissink, 2021; CKM, 2021.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 17

bijvoorbeeld berichten waarin hen wordt beloofd om snel geld te verdienen in het geval dat zij hun bankrekening ter beschikking stellen. Vervolgens wordt er vaak fysiek afgesproken.98

strafbare feiten door hen met naaktbeelden te chanteren, een vorm die ook kan worden gezien als een ‘hard’ dwangmiddel.107

Het ronselen van slachtoffers van criminele uitbuiting voor het plegen van drugsgerelateerde criminaliteit is op dit moment hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend,99 zichtbaar binnen het fysieke domein.100 Niettemin speelt ook hier de online leefwereld een belangrijke rol. Zo blijkt uit onderzoek dat jongeren steeds vaker online beelden delen op hun sociale mediakanalen, waarop te zien is dat zij bijvoorbeeld drugsgerelateerde strafbare feiten plegen.101 Volgens Van den Broek (2018) voelen de jongeren die deze beelden online zetten zich vervolgens genoodzaakt om in het echte leven gedrag te vertonen dat overeenkomt met het online aangemeten imago, hetgeen leidt tot een zelfversterkend effect.102 Een tweede wijze waarop de online leefwereld invloed uitoefent op slachtoffers van criminele uitbuiting binnen de drugsindustrie is dat het delen van deze beelden ook bijdraagt aan het verheerlijken en normaliseren van crimineel gedrag.103 Kinderen worden al op jonge leeftijd met deze beelden geconfronteerd en worden er niet op gewezen dat dit gedrag afwijkend/deviant is.104 Met name de meest kwetsbare personen, die niet goed de gevolgen van hun handelen kunnen overzien, kunnen hierdoor verhoogd kwetsbaar worden voor de ronseltechnieken van criminelen.

Het ronselen van slachtoffers: de vier fases van werving In Nederland bestaat nog weinig zicht op de wijze waarop slachtoffers van criminele uitbuiting worden geworven door mensenhandelaren. De Children’s Society heeft in 2018 wel in beeld gebracht hoe criminele netwerken in het Verenigd Koninkrijk slachtoffers van criminele uitbuiting ronselen en in een uitbuitingssituatie brengen, en onderscheidt daarbij vier verschillende fasen.108 In de eerste fase (targeting stage) kiest de uitbuiter een potentieel slachtoffer op basis van zijn of haar kwetsbaarheid, zoals de jonge leeftijd of sociaaleconomische of psychische achtergrond. In de tweede fase (experience stage) spelen de uitbuiters in op de behoeften van het slachtoffer om zo het vertrouwen te winnen, nemen hem of haar op in de groep, laten diegene wennen aan de levensstijl en kleine criminele klusjes uitvoeren. In de derde fase (hooked stage) geven de uitbuiters het slachtoffer het gevoel dat hij of zij een volledig onderdeel is van de groep, terwijl het slachtoffer in feite al uitgebuit wordt doordat er steeds vaker klusjes ‘moeten’ worden uitgevoerd en hier steeds moeilijker nee tegen kan worden gezegd. In de laatste fase (trapped stage) is het slachtoffer volledig afhankelijk van de dader(s), maar heeft hij of zij ook zelf in de gaten dat stoppen geen optie meer is.

Het slachtoffer krijgt te maken met geweld, chantage en bedreigingen, moet steeds meer en gevaarlijkere strafbare feiten plegen en de daadwerkelijke intenties van de daders zijn nu duidelijk. Het slachtoffer zit gevangen.

Tot slot kan in de wijze waarop daders van criminele uitbuiting slachtoffers in een uitbuitingssituatie brengen en behouden, onderscheid worden gemaakt tussen het toepassen van zogeheten ‘harde’ en ‘zachte’ dwangmiddelen. Uit diverse onderzoeken blijkt dat daders van criminele uitbuiting zich niet laten weerhouden tot het gebruiken van geweld, of dreigen met geweld, als het gaat om het dwingen van slachtoffers tot het uitvoeren van strafbare feiten. Zo blijkt uit onderzoek in Rotterdam dat bijna één op de drie eerstelijns professionals aangeeft dat slachtoffers door middel van (dreiging met) geweld werden gedwongen tot het plegen van een delict.105 Onderzoeken door Regioplan uit 2022 en de Politie uit 2021 bevestigen het beeld dat daders inderdaad niet schuwen om geweld toe te passen.106 Naast (het dreigen met) geweld, komt uit de literatuur ook naar voren dat criminelen slachtoffers dwingen tot het plegen van

98

Bekkers et al., 2020, p. 14.

99

Zie bijvoorbeeld Politie, 2021.

Vaker lijkt het echter voor te komen dat daders misbruik maken van de kwetsbare of afhankelijke positie waarin een slachtoffer zich bevindt, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een lichtverstandelijke beperking, schulden, middelenafhankelijkheid of minderjarigheid bij het slachtoffer.109 Daders weten daarbij vaak goed welke personen kwetsbaar zijn en dus gemakkelijker kunnen worden geronseld voor het uitvoeren van strafbare feiten.110 Uit onderzoek van het CKM naar de aard en omvang van criminele uitbuiting in Rotterdam stellen diverse eerstelijns professionals dat criminelen doelbewust op zoek gaan naar kwetsbare personen om hen vervolgens crimineel uit te buiten.111

100 Politie, 2021. 101 Politie, 2021, p. 22. Politie Eenheid Amsterdam, 2020, p. 5; Van den Broek, 2018. 102 Van den Broek, 2018.

107 CKM, 2021; Bekkers et al., 2020.

103 CKM, 2021, p. 55.

108 The Children’s Society (2018). Criminal Exploitation: Stages of Recruitment.

104 Politie, 2021, p. 22.

109 CKM, 2021; Regioplan, 2022.

105 CKM, 2021, p. 26.

110 Regioplan 2022; CKM, 2021.

106 Regioplan, 2022; Politie, 2021.

111

CKM, 2021.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 18

2.2 Uitdagingen in de signalering van criminele uitbuiting Uit de huidige literatuurverkenning komt naar voren dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er aanzienlijk meer Nederlandse slachtoffers van criminele uitbuiting zijn dan de 135 mogelijke slachtoffers met een Nederlandse identiteit die in de periode 2016-2020 bij de autoriteiten in beeld zijn gekomen. Op basis van onderzoek kunnen er diverse redenen worden gegeven die van invloed zijn op de beperkte signalering van slachtoffers van criminele uitbuiting. Een belangrijke eerste oorzaak die in de literatuur wordt beschreven, is dat er onvoldoende kennis en expertise aanwezig is onder professionals die vanuit hun taakstelling in contact komen met mogelijke slachtoffers van criminele uitbuiting.112 Dit gebrek aan kennis kan zowel van invloed zijn op het herkennen van signalen van criminele uitbuiting als op het geven van een passend gevolg aan signalen indien zij worden herkend. Bovendien heeft de kennis en expertise die in de afgelopen jaren is ontwikkeld met name betrekking gehad op criminele uitbuiting ten aanzien van slachtoffers en daders behorende tot de Roma-gemeenschap.113 Als gevolg hiervan worden slachtoffers die niet aan dit risicoprofiel voldoen mogelijk minder snel als zodanig herkend.

Een complicerende factor bij de signalering van criminele uitbuiting is dat slachtoffers veelal niet aan het stereotype slachtofferprofiel114 van mensenhandel voldoen, en bovendien veelal (in eerste instantie) als dader van een strafbaar feit in beeld komen, waardoor het herkennen van signalen ook als extra ingewikkeld kan worden beschouwd. Het vraagt van eerstelijns professionals namelijk om voorbij het strafbare feit te kijken, en te bezien of er ook sprake kan zijn van eventueel slachtofferschap. Tegelijkertijd is dit van cruciaal belang, nu eerstelijns professionals in veel gevallen de eersten zijn die in contact komen met een (vermoedelijk) slachtoffer en hun handelen zodoende een doorslaggevende rol speelt met betrekking tot de vraag of iemand als (mogelijk) slachtoffer of (mogelijke) dader wordt behandeld. Een tweede reden waarom weinig slachtoffers in beeld van de autoriteiten komen, komt voort uit het feit dat slachtoffers van criminele uitbuiting zichzelf in veel gevallen niet als zodanig identificeren.115 Zo komt het voor dat slachtoffers bijvoorbeeld niet weten dat de handelingen die zij verrichten strafbaar zijn gesteld, wat bijvoorbeeld vaker het geval is bij geldezels.116 Ook identificeren slachtoffers zichzelf niet altijd als zodanig, omdat zij in de overtuiging zijn dat

zij zelf verantwoordelijk zijn voor de situatie waarin zij zich bevinden, aangezien zij zich schuldig hebben gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit.117 Dit geldt in het bijzonder voor slachtoffers die aanvankelijk uit eigen overtuiging hebben gekozen voor een criminele carrière, maar hier vanwege dwang vervolgens niet meer mee kunnen stoppen. Tot slot verkeren slachtoffers ook vaak in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van de dader, waardoor zij zich loyaal kunnen opstellen richting de uitbuiter.118 De voornoemde moeilijkheden met betrekking tot zelfidentificatie dragen eraan bij dat slachtoffers in de praktijk zelden uit zichzelf om hulp zullen vragen. Een derde reden waarom slachtoffers weinig gesignaleerd worden, komt voort uit het gegeven dat slachtoffers, ook indien zij zichzelf wel als zodanig identificeren, om diverse redenen afzien van het vragen om hulp. Schaamte kan hierbij bijvoorbeeld een rol spelen.119 Vaker lijkt het echter te gaan om angst. Dit kan van toepassing zijn op angst voor represailles vanuit criminele organisaties, zoals naar voren komt uit onderzoek naar minderjarigen die vastzitten in de drugscriminaliteit in Amsterdam.120 Het kan echter ook voorkomen dat slachtoffers zichzelf niet melden bij de politie, omdat zij bang zijn te worden vervolgd voor de strafbare feiten die zij onder dwang hebben moeten plegen.

Momenteel is de politie een van de weinige instanties waar slachtoffers naartoe kunnen wanneer zij in een uitbuitingssituatie zitten, maar vanwege het feit dat zij zich binnen de situatie van criminele uitbuiting inherent hebben schuldig gemaakt aan het overtreden van de wet, lopen zij het risico voor het laatste te worden bestraft.121 Online platform voor slachtoffers van criminele uitbuiting Met het doel meer slachtoffers van criminele uitbuiting te signaleren en beschermen, en nieuwe slachtoffers te voorkomen, hebben Noord-Holland Samen Veilig en het CKM een haalbaarheidsstudie uitgevoerd naar de ontwikkeling van een landelijk online platform voor (potentiële) slachtoffers van criminele uitbuiting. Het primaire doel van het platform is dat slachtoffers van criminele uitbuiting op laagdrempelige en anonieme wijze kunnen chatten met een opgeleide hulpverlener die hen ondersteunt en probeert te bewegen richting lokale hulpverlening en/of opsporingsinstanties.122 Daarnaast wil het platform zich proactief richten op het (online) bereiken van (potentiële) slachtoffers

117 Bos et al., 2016; VillaCampa en Torres, 2017. 112 Regioplan, 2022; CKM, 2021; Bos et al., 2016; Nijenhuis, 2016.

118 Bos et al., 2016; VillaCampa en Torres, 2017.

113 Nationaal Rapporteur, 2019b; Bos et al., 2016.

119 Bekkers et al., 2020.

114 Zie over stereotype slachtofferbeelden Christie, 1986.

120 Politie, 2021.

115 CKM, 2021; Villacampa en Torres, 2017.

121 Nationaal Rapporteur 2019b, p. 66.

116 Bekkers et al., 2020, p. 10.

122 Noord-Holland Samen Veilig en CKM, 2022.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 19

met het doel enerzijds reeds bestaande slachtoffers te signaleren en te beschermen en anderzijds te voorkomen dat kwetsbare personen uiteindelijk slachtoffer worden. Voor het haalbaarheidsonderzoek zijn stakeholdergesprekken gevoerd met professionals van 25 (inter)nationale organisaties die een (in)directe betrokkenheid kennen bij de aanpak van criminele uitbuiting of ondermijnende criminaliteit. Uit de studie blijkt dat de geïnterviewde stakeholders, ondanks enkele risico’s en uitdagingen, een duidelijke meerwaarde zien voor het beoogde platform in het informeren, signaleren en beschermen van (potentiële) slachtoffers van criminele uitbuiting. De combinatie van het online proactief benaderen van jongeren die kwetsbaar zijn om (gedwongen) in de criminaliteit terecht te komen, enerzijds, en een online platform waar zij direct naar kunnen worden doorverwezen voor informatie, ondersteuning en hulp anderzijds, maakt dat het platform als een aanvulling op de huidige aanpak wordt gezien en in een behoefte voorziet.

Een laatste reden die de signalering van slachtoffers van criminele uitbuiting bemoeilijkt, heeft te maken met het feit dat mensenhandel zich onder de radar voordoet.123 Nu is reeds bekend dat elke vorm van mensenhandel, en criminaliteit an sich, zich vaak in het verborgene afspeelt, maar, vanwege de aard van de uitbuiting, lijkt dit eens temeer te gelden voor criminele uitbuiting, nu slachtoffers vaak zelf ook in de overtuiging zijn dat het in hun voordeel is dat zij niet in beeld komen van de opsporingsautoriteiten.124 Bovendien lijkt er in de afgelopen jaren een verschuiving te hebben plaatsgevonden, waarbij slachtoffers steeds vaker online worden geronseld, terwijl juist ten opzichte van het online domein onvoldoende kennis, toezicht en handhaving aanwezig is om hier adequaat tegen op te treden.125

2.3 Resumé Uit dit hoofdstuk komt naar voren dat er slechts in beperkte mate zicht bestaat op Nederlandse slachtoffers die worden gedwongen tot het plegen van strafbare feiten. In de afgelopen vijf jaar kwamen slechts 135 slachtoffers met een Nederlandse nationaliteit in beeld bij CoMensha en had minder dan 1% van de strafrechtelijke onderzoeken naar mensenhandel betrekking op criminele uitbuiting waarbij (ook) een Nederlands slachtoffer betrokken was. Op basis hiervan kan dan ook het beeld ontstaan dat het slechts zeer incidenteel voorkomt dat personen met een Nederlandse nationaliteit slachtoffer worden van criminele uitbuiting. Toenemende aandacht voor het fenomeen, gepaard met recente studies die buiten de officiële registraties tot een

123 Nationaal Rapporteur, 2017a. 124 Bos et al., 2016. 125 CKM, 2021.

schatting over de aard en omvang van criminele uitbuiting proberen te komen, suggereren echter dat er veeleer sprake lijkt te zijn van een grote discrepantie tussen het aantal geregistreerde slachtoffers van criminele uitbuiting en de daadwerkelijke omvang van de problematiek, en dat in het bijzonder Nederlandse slachtoffers over het hoofd worden gezien. Daarbij lijkt er met name een sterke relatie te bestaan tussen criminele uitbuiting en andere vormen van ondermijnende criminaliteit, waarbij het niet zelden voorkomt dat criminelen (doelbewust) kwetsbare of minderjarige personen ronselen en inzetten voor het plegen van strafbare feiten. In hoeverre in deze gevallen ook altijd sprake is van criminele uitbuiting zoals bedoeld in artikel 273f Sr. kan op basis van dit onderzoek niet worden gesteld. Een gebrek aan bewustzijn over criminele uitbuiting, te weinig aanwezige expertise en ervaring bij eerstelijns professionals en het feit dat slachtoffer om diverse redenen niet uit zichzelf naar voren treden, zorgen ervoor dat criminele uitbuiting van Nederlandse jongere een witte vlek is. Als gevolg hiervan bestaat er vooralsnog slechts beperkt zicht op criminele uitbuiting in Nederland.

3 METHODOLOGIE

In dit hoofdstuk wordt de methodologie behandeld. Het hoofdstuk vangt aan met een beschrijving van de onderzoeksmethode (§3.1). Hierbij worden verschillende fasen van het onderzoek in beeld gebracht. Vervolgens gaat §3.2 in op de dataset, waarbij de demografische kenmerken van respondenten aan bod komen. Het hoofdstuk wordt afgesloten met §3.3 waarin de belangrijkste kanttekeningen van het onderzoek uiteen worden gezet.

3.1 Onderzoeksmethode Het onderzoek betreft een landelijke verkenning naar de aard en omvang van gedwongen (drugs) criminaliteit binnen dertien (middel)grote gemeenten in Nederland. Door een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden is getracht inzicht te krijgen in de vraag in hoeverre criminele uitbuiting voorkomt in Nederland en welke mogelijkheden er zijn om de aanpak van dit fenomeen te versterken. Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat het in dit onderzoek gaat om een analyse die niet vergelijkend van aard is tussen gemeenten, maar beschrijvend en dat het onderzoek is gericht op het verrijken van het landelijk beeld. Dit betekent dat op basis van dit onderzoek voorzichtigheid dient te worden getracht met het trekken van (te sterke) conclusies over gelijkenissen of verschillen tussen gemeenten.

3.1.1 Literatuuronderzoek Gestart is met literatuuronderzoek naar de aard en omvang van criminele uitbuiting in Nederland, in het bijzonder slachtoffers met de Nederlandse nationaliteit, en de knelpunten in de signalering en bescherming van slachtoffers van criminele uitbuiting. Hiervoor is een zoekslag uitgevoerd in de wetenschappelijke databases Ebscohost en Web of Science. Bovendien is gezocht via Google Scholar naar Nederlandse en internationale literatuur met betrekking tot de problematiek en is middels de sneeuwbalmethode gekeken naar relevante literatuur in de bibliografie van de gevonden studies.

3.1.2 Vragenlijst gemeenten Centraal in het onderzoek staat de vragenlijst, ingevuld door eerstelijns professionals werkzaam in een van de dertien deelnemende (middel)grote Nederlandse gemeenten. De aan het onderzoek deelnemende gemeenten zijn Alkmaar, Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Haarlem, Leeuwarden, Maastricht, Roermond, Rotterdam, Tilburg en Utrecht. Zeven gemeenten zijn geselecteerd omdat zij onderdeel uitmaken van de gemeenten die vanuit het Rijk zijn gevraagd om een voorstel in te dienen in het kader van een breed offensief

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 20

tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit (de zogeheten BOTOC-gelden).126 Dit zijn respectievelijk Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Eindhoven, Tilburg en Arnhem. Omwille van het verkrijgen van een goede geografische spreiding is vervolgens gekeken of het mogelijk was om gemeenten binnen het onderzoek te includeren van een vergelijkbare omvang. Dit heeft geleid tot deelname van Alkmaar, Enschede, Maastricht, Roermond, Haarlem en Leeuwarden. In het Noordoosten van het land bleek het helaas niet mogelijk om een gemeente deel te laten nemen aan het onderzoek. Met de term eerstelijns dienstverlening wordt in dit onderzoek verwezen naar zorg of dienstverlening waar burgers zonder verwijzing terecht kunnen. Het betreft professionals die vanuit hun werkzaamheden midden in de samenleving staan, vaak in direct en nauw contact met mensen en dichtbij de problematiek.127 Om die reden hebben zij een belangrijke signaleringsfunctie en zijn zij derhalve een belangrijke doelgroep om (mogelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting te kunnen signaleren en om te kunnen interveniëren. Over een periode van zeven maanden, 7 april tot 10 november 2021, is getracht zoveel mogelijk eerstelijns professionals te benaderen voor deelname aan het onderzoek.

Het betreft onder meer professionals werkzaam binnen het jongerenwerk, diverse zorgcoördinatoren jeugdhulp of mensenhandel, professionals werkzaam binnen jeugdhulp of jeugdbescherming, sociaal werkers en professionals werkzaam in het sociaal wijkteam, professionals werkzaam in het onderwijs, leerplichtambtenaren, professionals werkzaam bij de politie, buitengewoon opsporingsambtenaren, schuldhulpverleners en wijkregisseurs.128 De vragenlijst is via de gemeenten per email uitgestuurd naar organisaties betrokken bij de domeinen (1) Jeugd, Zorg en Welzijn, (2) Onderwijs, (3) Openbare Orde en Veiligheid, (4) Werk, Financiën en Schulden of (5) Wijk en Wonen. Aan de contactpersonen is vervolgens gevraagd de vragenlijst verder te verspreiden binnen hun eigen organisatie/instantie en uit te zetten onder de eerstelijns professionals. Het werkelijke aantal eerstelijns professionals dat benaderd is voor het onderzoek kan derhalve niet worden vastgesteld. Hetgeen wel bekend is, is dat de link naar de vragenlijst door ongeveer 3.500 respondenten vanuit de mail is geopend.

126 Brief van de minister van Justitie en Veiligheid, d.d. 18 juni 2020, Kamerstukken II 2019/2020, 29911, 281. 127 Bos et al., 2016. 128 Voor een volledig overzicht van beroepen zie §3.2.2 Respondenten werkzaam per domein.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 21

Via voornoemde methode is het onvoldoende gelukt om onderwijsprofessionals aan het onderzoek deel te laten nemen. Via deze wijze hebben 247 onderwijs professionals deelgenomen aan het onderzoek, waarvan 108 met een functie binnen het primair, voortgezet, middelbaar of hoger beroepsonderwijs en 139 met een functie als leerplichtambtenaar, ontwikkelcoach of schoolmaatschappelijk werker. Dit terwijl uit diverse studies en nieuwsberichten blijkt dat het onderwijs een belangrijke stakeholder is voor het verkrijgen van inzicht in de problematiek, specifiek als het gaat om het zicht op minderjarigen.129 In aanvulling op de dataverzameling is er daarom voor gekozen om onderzoeksbureau Markteffect te vragen om specifiek professionals werkzaam binnen het primair of middelbaar onderwijs via een andere wijze te benaderen voor deelname aan het onderzoek. Het doel was om 130 scholen te laten deelnemen; per deelnemende gemeente vijf basisscholen en vijf middelbare scholen. Uiteindelijk hebben via deze wijze nog 153 onderwijsinstellingen deelgenomen aan het onderzoek. Het gaat hierbij om 96 basisscholen en 57 middelbare scholen. Het is daarbij niet gelukt om in elke gemeente de beoogde vijf middelbare scholen deel te laten nemen. De reden hiervoor is dat middelbare scholen aangaven dat zij vanwege de coronamaatregelen andere prioriteiten hadden.

Ook gaven enkele scholen aan dat zij zich niet over dit onderwerp wilden uitspreken. Markteffect heeft voor het verzamelen van de data de online vragenlijst omgezet in een vragenlijst die telefonisch afgenomen kon worden. Dit betekent dat sommige vragen iets zijn ingekort. De vragenlijst is door een vast en getraind team van Markteffect afgenomen. Met de onderwijsinstellingen is telkens eerst telefonisch contact opgenomen om een vervolgafspraak te maken voor het afnemen van de vragenlijst. De vragenlijst is telkens afgenomen met de medewerker die verantwoordelijk was voor het veiligheidsbeleid op de onderwijsinstelling. Hoewel de methode van dataverzameling van de 153 onderwijsinstellingen via Markteffect daarmee iets afwijkt van de andere manier waarop voor dit onderzoek data is verzameld, is de verwachting dat dit geen wezenlijk effect heeft gehad op de uitkomsten van het onderzoek. Bovendien blijkt dit een duidelijke meerwaarde te hebben gehad, nu op basis van deze dataset ook zicht is gekomen op de aard, omvang en uitdagingen van criminele uitbuiting binnen het onderwijs.

Uiteindelijk hebben via deze twee manieren in totaal 400 eerstelijns professionals uit het domein Onderwijs deelgenomen aan het onderzoek, waarvan 261 direct werkzaam binnen een onderwijsinstelling en 139 op een andere wijze aan het onderwijs verbonden, zoals bijvoorbeeld een leerplichtambtenaar of een ontwikkelcoach.

De vragenlijst betreft een gepersonaliseerde vragenlijst naar de ervaringen van respondenten met criminele uitbuiting.130 Criminele uitbuiting is in dit onderzoek gedefinieerd middels de gehanteerde definitie door overheidsorganen, zoals de politie, het Openbaar Ministerie, Het Centrum voor criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV).131 In de vragenlijst is criminele uitbuiting als volgt omschreven: Criminele uitbuiting is een vorm van mensenhandel waarbij een slachtoffer door iemand anders wordt gedwongen tot het plegen van criminele feiten. Criminele uitbuiting kent veel verschillende vormen. Het kan bijvoorbeeld gaan om het gedwongen handelen in drugs, zakkenrollen, het beschikbaar moeten stellen van je rekening om crimineel geld wit te wassen of om het plegen van diefstal of overvallen. Het geld dat met het criminele feit wordt verdiend, gaat bijna volledig naar de uitbuiter; iemand met overwicht ten opzichte van het slachtoffer en hem of haar, met het oog op eigen financieel gewin, tot het plegen van criminaliteit dwingt.132 Aan alle respondenten is gevraagd of zij in de afgelopen twee jaar in aanraking zijn geweest met een persoon van wie zij het vermoeden hadden dat hij of zij slachtoffer was van criminele uitbuiting. De bevraagde tijdsperiode loopt van de tweede helft van 2019 tot en met de eerste helft van 2021.

Omwille van de leesbaarheid wordt in het rapport kortweg gesproken over 2019-2021. Respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting zijn aanvullend gevraagd om een schatting te geven van het aantal vermoedens en naar de vormen van gedwongen criminaliteit, de vormen van dwang, de locaties waar slachtoffers zijn geworven of geronseld, de kenmerken van slachtoffers, het samengaan van criminele en seksuele uitbuiting en de werkwijze bij vermoedens van criminele uitbuiting. Alle respondenten zijn gevraagd naar bestaande werkafspraken omtrent het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting. De vragenlijst is beëindigd met de vraag of respondenten naar aanleiding van de vragenlijst mee zouden willen werken aan een verdiepend interview en of zij opmerkingen hebben naar aanleiding van het onderzoek. Zie voor de gehele vragenlijst Bijlage J.

130 In een gepersonaliseerde vragenlijst wordt het aanbod van vragen afgestemd op de gegeven antwoorden van een respondent. Op deze manier is het mogelijk om een respondent aanvullende vragen aan te bieden en om irrelevante vragen voor de respondent weg te laten. 131 Zie bijvoorbeeld https://www.nationaalrapporteur.nl/mensenhandel/vormen-van-mensenhandel (laatst geraadpleegd op 07 juni 2022); https://hetccv.nl/onderwerpen/criminele-uitbuiting/ ( laatst geraadpleegd op 07 juni 2022). 129 Zie bijvoorbeeld CKM, 2020.

132 Voor de volledige definitie zie Bijlage J. De vragenlijst deel 1. Introductie.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 22

3.1.3 Verdiepende interviews eerstelijns professionals In navolging op de vragenlijst is met een selecte groep van twintig respondenten een semigestructureerd diepte-interview afgenomen. Enerzijds met het doel om inzicht te krijgen in de interpretatie en duiding van de resultaten voortkomend uit de vragenlijst en anderzijds om een diepgaand(er) beeld te verkrijgen van de ervaringen, knelpunten en uitdagingen die respondenten hebben met deze problematiek. De twintig respondenten zijn in beeld gekomen, doordat zij in de online vragenlijst hebben aangeven dat zij (I) wilden meewerken met een interview en (II) in aanraking zijn geweest met een of meer (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting. Vervolgens is uit elke gemeente en elk beleidsdomein minstens één respondent uitgenodigd voor een verdiepend interview. Het is niet gelukt om uit elke gemeente minstens een respondent te laten deelnemen (Tabel 1). De reden hiervoor is dat enkele respondenten toch afzagen van deelname aan een verdiepend interview. Het is wel gelukt om uit elk beleidsdomein minstens een respondent te laten deelnemen (Tabel 2).

Tabel 2. Aantal aan de inteviews deelnemende eerstelijns professionals, per deelnemende gemeente (n=20)

Tabel 1. Aantal aan de inteviews deelnemende eerstelijns professionals, per deelnemende gemeente (n=20)

In de interviews is ingegaan op de ervaringen die respondenten hebben met criminele uitbuiting, kenmerken van slachtoffers en daders, de knelpunten die respondenten ervaren in de signalering en aanpak van criminele uitbuiting en de kansen die respondenten zien om de signalering en aanpak van criminele uitbuiting te versterken, hetgeen tot mogelijke interventies kan leiden.133 De interviews zijn afgenomen tussen eind augustus 2021 en begin januari 2022 en hebben als gevolg van de coronamaatregelen via MS Teams plaatsgevonden. De duur van de interviews varieerde in een lengte van 40 minuten tot een uur. Alle interviews zijn na afloop getranscribeerd en geanonimiseerd. De definitieve transcripten zijn vervolgens geanalyseerd en gecodeerd aan de hand van een inductieve, thematische analyse zoals beschreven door Braun en Clarke.134

133 Voor de volledige topiclijst zie Bijlage K. Topic Lijst Interviews 134 Clarke & Braun, 2006.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 23

3.2 Dataset vragenlijst 3.2.1 Respondenten werkzaam per gemeente Aan het onderzoek hebben dertien Nederlandse gemeenten deelgenomen (Figuur 1). Het betreft de vier grootste gemeenten in Nederland (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) [G4] en negen middelgrote gemeenten (Alkmaar, Arnhem, Eindhoven, Enschede, Haarlem, Leeuwarden, Maastricht, Roermond en Tilburg). Figuur 1. Aan het onderzoek deelnemende gemeenten (n=13)

hebben de vragenlijst volledig afgerond, maar onduidelijk is welke functie zij vervullen en of dit een functie als eerstelijns professional betreft. 24 respondenten hebben de vragenlijst volledig afgerond en vervullen een functie als eerstelijns professional, maar uit de antwoorden blijkt dat de vermoedens die zij hebben niet gaan over criminele uitbuiting, maar over andere vormen van uitbuiting. De definitieve groep respondenten bestaat uit 1.637 eerstelijns professionals. 931 respondenten zijn werkzaam in een van de vier groten steden (57%).135 706 respondenten zijn werkzaam in een van de negen (middel)grote gemeenten (43%).136 Hetgeen opvalt is dat bijna een op de drie respondenten in dit onderzoek werkzaam is in de gemeente Rotterdam.137 Een verklaring voor het feit dat Rotterdam oververtegenwoordigd is binnen dit onderzoek, heeft er mogelijk mee te maken dat de gemeente het CKM heeft gevraagd om ook een afzonderlijk onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van criminele uitbuiting in Rotterdam, hetgeen mogelijk ertoe heeft geleid tot het includeren van meer beroepsgroepen dan in andere gemeenten. Dit onderzoek is reeds in december 2021 gepubliceerd.138 Daar waar dit van invloed is op de resultaten wordt Rotterdam om die reden uitgelicht.139 Tabel 3 weergeeft de respons per gemeente.

135 Totaal n=1.637.

In het totaal zijn 2.095 respondenten gestart met het invullen van de vragenlijst. Respondenten zijn niet meegenomen in de studie indien (1) zij de vragenlijst niet volledig hebben ingevuld, (2) zij geen functie vervullen als eerstelijns professional, (3) onduidelijk is welke functie zij vervullen of (4) uit de antwoorden blijkt dat de vermoedens niet gaan over criminele uitbuiting. 1.771 professionals hebben de vragenlijst volledig ingevuld. 65 respondenten hebben de vragenlijst volledig afgerond, maar duidelijk is dat zij geen functie vervullen als eerstelijns professional. 45 respondenten

136 Totaal n=1.637. 137 Totaal n=1.637, 29% staat gelijk aan n=476. 138 CKM, 2021. De data voor het onderzoek in Rotterdam en het onderhavige onderzoek komen sterk overeen. Het verschil is dat in dit onderzoek alleen respondenten zijn meegenomen die 100% van de vragenlijst hebben ingevuld in tegenstelling tot 70% in het onderzoek dat in 2021 verscheen. Daarnaast hebben aan het onderhavig onderzoek aanvullend enkele onderwijsinstellingen uit Rotterdam deelgenomen, zie §3.1.2 Vragenlijst gemeenten. 139 Zie §3.3 Kanttekeningen bij het onderzoek.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 24

Tabel 3. Aantal aan het onderzoek deelnemende eerstelijns professionals, per deelnemende gemeente (n=1.637)

gevolgd door jongerenwerkers (9%)144 en wijkagenten (8%)145. Tabel 4 weergeeft de respons per beleidsdomein en per bijbehorende functie. Tabel 4. Aantal aan het onderzoek deelnemende eerstelijns professionals, per beleidsdomein en per functie (n=1.637)

3.2.2 Respondenten werkzaam per domein en functie In de vragenlijst zijn respondenten gevraagd naar welke functie zij vervullen. Op basis van deze functies is een verdeling gemaakt van vijf beleidsdomeinen die aansluiten op de portefeuilles van wethouders binnen gemeenten: Jeugd, Zorg en Welzijn; Openbare Orde en Veiligheid; Onderwijs; Werk, Financiën en Schulden; en Wijk en Wonen. De meeste respondenten zijn werkzaam binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn (35%)140, gevolgd door het domein Openbare Orde en Veiligheid (27%)141 en het domein Onderwijs (24%)142. De grootste groep respondenten vervult een functie als Buitengewoon Opsporingsambtenaar (11%)143,

140 Totaal n=1.637, 35% staat gelijk aan n=577. 141 Totaal n=1.637, 27% staat gelijk aan n=434. 142 Totaal n=1.637, 24% staat gelijk aan n=400.

144 Totaal n=1.637, 9% staat gelijk aan n=141.

143 Totaal n=1.637, 11% staat gelijk aan n=182.

145 Totaal n=1.637, 8% staat gelijk aan n=127.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 25

dit onderzoek werkzaam is.147 In het onderzoek is tijdens de data-analyse derhalve gekeken naar

3.3 Kanttekeningen bij het onderzoek Alvorens wordt ingegaan op de resultaten is het van belang om kort stil te staan bij de beperkingen van dit onderzoek. In de eerste plaats is het belangrijk om te benoemen dat binnen dit onderzoek sprake is van een selecte steekproef. De vragenlijst is via de gemeenten uitgestuurd naar organisaties betrokken bij een van de vijf beleidsdomeinen. Aan de contactpersonen van deze organisaties is gevraagd de vragenlijst verder te verspreiden binnen de organisatie en uit te zetten onder de teams van eerstelijns professionals. In de vragenlijst is vervolgens aan alle respondenten gevraagd of zij openstaan voor een verdiepend interview. Voor de diepte-interviews is een selectie gemaakt uit de respondenten met vermoedens van criminele uitbuiting. Respondenten hebben zelf de keuze gehad om al dan niet aan het onderzoek deel te nemen. Dit heeft er mogelijk toe geleid dat eerstelijns professionals met affiniteit of ervaring met criminele uitbuiting meer dan anderen geneigd zijn geweest om aan dit onderzoek deel te nemen en derhalve oververtegenwoordigd zijn binnen dit onderzoek. Dit betekent dat de resultaten niet zonder meer generaliseerd kunnen worden.

Een tweede kanttekening bij dit onderzoek is dat sommige gemeenten en beroepsgroepen sterker vertegenwoordigd zijn binnen dit onderzoek dan anderen.146 Dit geldt het meest voor de gemeente Rotterdam (oververtegenwoordiging), waar bijna een op de drie respondenten in

146 Zie §3.2.1 Respondenten werkzaam per gemeente en §3.2.2 Respondenten werkzaam per domein en functie.

de invloed van Rotterdam op de resultaten, door vergelijking van het landelijk beeld met en zonder de response uit Rotterdam. Daar waar de response uit Rotterdam van invloed is op de resultaten wordt Rotterdam om die reden uitgelicht. Daarnaast geldt voor de beroepsgroepen het meest een ondervertegenwoordiging voor de domeinen Werk, Financiën en Schulden en Wijk en Wonen. Hierbij blijkt dat de meerderheid van de respondenten met een functie binnen het domein Werk, Financiën en Schulden werkzaam is in Rotterdam (80%), hetgeen ook voor een deel de oververtegenwoordiging van Rotterdam verklaard.148 Eerstelijns professionals met een functie binnen het domein Werk, Financiën en Schulden zijn in veel mindere mate tot niet vertegenwoordigd in de andere twaalf gemeenten. De onevenredige vertegenwoordiging van beroepsgroepen is mogelijk van invloed op de signalen die door de respondenten waargenomen worden, zoals de leeftijd van slachtoffers en de vormen van criminaliteit waartoe zij zijn gedwongen. Dit betekent dat de resultaten niet zonder meer gegeneraliseerd kunnen worden en dat op basis van dit onderzoek niet (te) sterke conclusies getrokken worden over gelijkenissen of verschillen tussen de deelnemende gemeenten of beroepsgroepen.

Wel zal er – waar relevant – een onderscheid worden gemaakt tussen de G4-gemeenten en de overige gemeenten, nu dit ook iets zegt over de geografische spreiding van criminele uitbuiting en of hier al dan niet sprake is van specifieke grootstedelijk of Randstedelijke problematiek. Het doel van het onderzoek richt zich immers op het verrijken van het landelijk zicht op criminele uitbuiting. Een derde kanttekening met betrekking tot het onderzoek is dat de vragenlijst is uitgezet ten tijde van de corona-epidemie en de destijds geldende maatregelen. Het is hierdoor reëel dat de maatregelen van invloed zijn geweest op de signalering van situaties van criminele uitbuiting. In Hoofdstuk 4, paragraaf 7 wordt derhalve kort stilgestaan bij de invloed van de coronamaatregelen. Een vierde kanttekening die mogelijk bij dit onderzoek van toepassing is, is dat er mogelijk sprake kan zijn van sociaal-wenselijk antwoorden vanuit de eerstelijns professionals, bijvoorbeeld over hun kennis over of opvolging aan (signalen van) criminele uitbuiting. Dit is een effect dat geldt voor elke vorm van onderzoek, waarbij respondenten worden gevraagd naar hun eigen kennis of handelen in bepaalde situaties. Een laatste kanttekening bij dit onderzoek is dat de eerstelijns professionals in dit onderzoek zijn bevraagd naar hun waarnemingen van criminele uitbuiting. Dit betekent dat in dit

147 Totaal n=1.637, 29% staat gelijk aan n=476. 148 Totaal n=155, 80% staat gelijk aan n=124. Zie Bijlage B. Gemeenten in beeld.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 26

onderzoek geen sprake is van formeel vastgesteld slachtofferschap149 en daderschap en dat de resultaten zoals weergegeven in dit onderzoek gaan over vermoedelijke slachtoffers en vermoedelijke daders. Daarnaast beschikken professionals in de eerste lijn niet altijd over voldoende informatie om tot een (formeel) oordeel omtrent slachtofferschap te komen. Als gevolg hiervan kan niet worden uitgesloten dat personen die door de eerstelijns professionals in dit onderzoek als slachtoffer zijn aangemerkt in de praktijk toch geen slachtoffer blijken te zijn (false positive). Het omgekeerde is echter ook waar. Het is ook mogelijk dat eerstelijns professionals mogelijk in contact zijn gekomen met personen die wél slachtoffer zijn, maar niet als zodanig zijn gesignaleerd (false negative). Het doel van het onderzoek is dan ook niet om te komen tot het in beeld brengen van vastgestelde juridische slachtoffers en daders van criminele uitbuiting, maar om vermoedens van slachtoffer- en daderschap. Bij de definitiebeschrijving van criminele uitbuiting is zo accuraat mogelijk aangesloten op de gehanteerde definities van overheidsorganisaties, zoals de politie en de Nationaal Rapporteur die ook rapporteren over of meldingen maken van vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel.

Omwille van de leesbaarheid is in dit rapport gekozen om deze nuance hier te benoemen en wordt in het rapport ook kortweg gesproken over slachtoffers.

149 De Nationaal Rapporteur merkt in zijn slachtoffermonitor ook op dat er geen formeel vastgestelde wijze is om slachtofferschap vast te stellen (2018).

4 AARD EN OMVANG VAN CRIMINELE UITBUITING IN NEDERLAND Hoofdstuk 4 betreft een verkenning naar de aard en omvang van criminele uitbuiting in dertien (middel)grote gemeenten in Nederland. In dit hoofdstuk wordt per paragraaf ingegaan op de resultaten van het onderzoek voortkomend uit de vragenlijst, gevolgd door het beeld dat ontstaat vanuit de twintig interviews die voor dit onderzoek met eerstelijns professionals zijn afgenomen. Het hoofdstuk vangt aan met §4.1, welke ingaat op de vraag of respondenten in de afgelopen twee jaar in aanraking zijn geweest met slachtoffers van criminele uitbuiting. In §4.2 worden de vormen van gedwongen criminaliteit behandeld, gevolgd door §4.3 waarin de wijze waarop en de locaties waar slachtoffers zijn geworven of geronseld wordt besproken. §4.4 gaat in op de modus operandi: de manieren waarop vermoedelijke slachtoffers zijn geronseld en in de criminaliteit zijn gedwongen. §4.5 beschrijft de achtergrondkenmerken van vermoedelijke slachtoffers. §4.6 richt zich op de overlap van vermoedens van criminele uitbuiting met vermoedens van seksuele uitbuiting. In §4.6 wordt stilgestaan bij vermoedelijke daders van criminele uitbuiting en §4.7 staat kort stil bij de gevolgen van corona voor de aanpak van criminele uitbuiting. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een resumé in §4.7.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 27

4.1 Vermoedens van criminele uitbuiting In totaal geven 821 van de 1.637 respondenten aan dat zij in de afgelopen twee jaar in aanraking zijn geweest met een of meer slachtoffers van criminele uitbuiting (50%) (Figuur 2). Bij de meeste van de respondenten die ervaring hebben gaat het om direct contact, waarbij een respondent aangeeft dat hij of zij zelf met het slachtoffer heeft gesproken (73%).152 Voorgaande zegt iets over de nabijheid van professionals in de eerste lijn als het gaat om het signaleren deze problematiek, nu het bij veel vermoedens gaat om direct contact. Bovendien zegt dit ook iets over de sterkte van de vermoedens die eerstelijns professionals binnen dit onderzoek hebben gehad. De overige respondenten geven aan dat zij een of meerdere situaties hebben waargenomen, maar dat zij niet zelf met het slachtoffer of de slachtoffers gesproken hebben (27%).153 Figuur 2. In aanraking geweest met (vermoedelijke) slachtoffers, in de afgelopen twee jaar 2019 - 2021 (n=1.637)

Het onderzoek richt zich de aard en omvang van criminele uitbuiting, vanuit de ervaringen van eerstelijns professionals.150 Voorgaande betekent dat de resultaten gebaseerd zijn op waarnemingen. In het verlengde hiervan moet opgemerkt worden dat de resultaten zoals weergegeven in dit hoofdstuk gaan over vermoedelijke slachtoffers en vermoedelijke daders. Tot slot gaat het om een analyse die niet zozeer vergelijkend is tussen gemeenten, maar veeleer beschrijvend is van aard. Het doel van het onderzoek richt zich op verrijken van het zicht op de aard en omvang van criminele uitbuiting in Nederland en niet op het vergelijken tussen de gemeenten. Wel zal er – waar relevant – een onderscheid worden gemaakt tussen de G4gemeenten en de overige gemeenten, nu dit ook iets zegt over de geografische spreiding van criminele uitbuiting en of hier al dan niet sprake is van specifieke grootstedelijke of Randstedelijke problematiek. Niettemin kunnen op basis van dit onderzoek geen sterke conclusies getrokken worden over gelijkenissen of verschillen tussen de deelnemende gemeenten en is hiermee dan ook voorzichtigheid geboden.151

De resultaten geven geen verschil weer tussen (1) het gemiddelde van de G4154 (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht) en (2) het gemiddelde van de deelnemende (middel)grote gemeenten.155 Zowel in de G4 als in de deelnemende (middel)grote gemeenten noemt de helft van de respondenten vermoedens van criminele uitbuiting (50%).

152 Totaal n=821, 73% staat gelijk aan n=599. 153 Totaal n=821, 27% staat gelijk aan n=222. 150 Zie §3.3 Kanttekeningen bij het onderzoek.

154 Totaal n=931, 50% staat gelijk aan n=467.

151 Zie §3.3 Kanttekeningen bij het onderzoek.

155 Totaal n=706, 50% staat gelijk aan n=354.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 28

Wat opvalt is dat respondenten werkzaam binnen het domein Jeugd, Zorg en Welzijn (60%)156 en respondenten werkzaam binnen het domein Openbare Orde en Veiligheid (53%)157 meer dan gemiddeld aangeven dat zij in aanraking zijn geweest met slachtoffers van criminele uitbuiting. Het meest geldt dit voor professionals werkzaam bij detentie, re-integratie en recidive158 en professionals werkzaam bij de politie159, waarbij minstens 90% van de respondenten vermoedens benoemt van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar. Ook geldt dit, meer dan voor de andere functiegroepen, voor zorgcoördinatoren jeugdhulp of mensenhandel160 en wijkagenten161, waarvan minstens drie kwart van de respondenten spreekt over vermoedens van criminele uitbuiting. Vermoedens van criminele uitbuiting per domein en per functie zullen verder uiteengezet worden in hoofdstuk 5. Wanneer wordt gekeken naar het aantal vermoedens van criminele uitbuiting, geven de meeste respondenten aan dat zij meerdere vermoedens van criminele uitbuiting hebben gehad in de afgelopen twee jaar (Figuur 3). Figuur 3. Geschatte aantal slachtoffers, per respondent, in de afgelopen twee jaar 2019 - 2021 (n=821)

Meer dan de helft van de respondenten geeft aan dat zij naar schatting met twee tot en met vijf slachtoffers van criminele uitbuiting in aanraking zijn gekomen (58%).162 20% van de respondenten geeft zelfs aan dat het zes of meer slachtoffers betreft.163 Laatstgenoemde betreft in de meeste gevallen respondenten werkzaam in het domein Openbare Orde en Veiligheid, waar bijna één op de drie aangeeft dat zij in de afgelopen twee jaar met zes of meer slachtoffers in aanraking zijn geweest (32%).164 In totaal gaat het om minimaal 2.500 geschatte waarnemingen over de laatste twee jaar.165 Op dit cijfer rusten echter grote beperkingen. Zo is het aannemelijk dat sprake is van dubbeltellingen. Bovendien tonen de cijfers enkel geschatte waarnemingen. Dit onderzoek kan het werkelijke aantal slachtoffers niet vaststellen en heeft dit ook niet tot doel gehad. Ondanks deze beperkingen, suggereert dit aantal dat het probleem aanzienlijke groter is dan nu in de officiële cijfers over vermoedelijke slachtoffers van criminele uitbuiting naar voren komt.166 Tot slot laten de resultaten uit de vragenlijst zien dat zorgen over criminele uitbuiting toenemen bij een groot deel van de respondenten in alle deelnemende gemeenten.

Meer dan de helft van de respondenten is zich in de afgelopen twee jaar meer zorgen gaan maken over deze vorm van mensenhandel (57%) en ongeveer 40% van hen ziet een toename in het aantal slachtoffers van criminele uitbuiting.167 De problematiek, of in ieder geval de signalering daarvan, lijkt in de afgelopen twee jaar dan ook groter te zijn geworden.

4.1.1 Verdieping op de resultaten Voor het verkrijgen van meer verdieping op de aard, omvang en uitdagingen ten aanzien van criminele uitbuiting in Nederland zijn interviews afgenomen met twintig eerstelijns professionals. Het eerste dat aan bod is gekomen in de interviews is hoe een vermoeden van criminele uitbuiting ontstaat. De eerstelijns professionals geven aan dat slachtoffers zichzelf vaak niet als

162 Totaal n=821, 58% staat gelijk aan n=480. 163 Totaal n=821, 20% staat gelijk aan n=161. 164 Totaal n=232, 32% staat gelijk aan n=74. 156 Totaal n=577, 60% staat gelijk aan n=345.

165 Dit cijfer is berekend aan de hand van de geschatte waarnemingen van respondenten. Voor elke

157 Totaal n=434, 53% staat gelijk aan n=232.

respondent is uitgegaan van de laagste schatting. Al deze aantallen zijn bij elkaar opgeteld. Voorbeeld:

158 Totaal n=17, 94% staat gelijk aan n=16.

schat een respondent dat het gaat om twee tot en met vijf personen is voor deze respondent het aantal

159 Totaal n=30, 90% staat gelijk aan n=27.

twee aangehouden.

160 Totaal n=12, 83% staat gelijk aan n=10.

166 Zie §2.1 Criminele uitbuiting in Nederland.

161 Totaal n=127, 76% staat gelijk aan n=97.

167 Totaal n=821, 57% staat gelijk aan n=465, 39% staat gelijk aan n=324.

KIJKEN MET ANDERE OGEN | 29

zodanig herkennen en deze informatie derhalve ook niet (proactief) delen met de eerstelijns professionals. Oftewel, het is een haaldelict, eerstelijns professionals zien voor zichzelf een belangrijke taak om criminele uitbuiting te signaleren. Bij het signaleren van criminele uitbuiting gaat het meestal over een optelling van zorgwekkende signalen en waargenomen kwetsbaarheden bij personen waarbij ook een link wordt geconstateerd met betrokkenheid bij strafbare feiten en/of problemen met justitie en/of financiële instellingen. Een van de eerstelijns professionals zegt hierover het volgende: “Je weet gewoon soms bepaalde dingen. En het is vaak een opstapeling van [signalen]. Ik heb een jongere die bij mij met de vraag komt rondom zijn bankpas die geblokkeerd was, fraude. Waarvan ik ook weet dat het een LVB-jongere is, dat hij makkelijk beïnvloedbaar is. Dat zijn al twee dingen waardoor je ook weet dat hij met financiën niet zo gemakkelijk is. (…) Vaak toch een optelling van kleine signaaltjes bij elkaar, waarvan je onmiddellijk weet van, hier klopt iets niet.” (Jongerenwerker A) Het gaat volgens respondenten veelal over kwetsbaarheden zoals het hebben van een lichtverstandelijke beperking, een jonge leeftijd, armoede en schuldenproblematiek en een instabiele thuissituatie.

Het gaat volgens de geïnterviewden meestal om personen waarbij sprake is van uiteenlopende problemen op verschillende leefgebieden (multiproblematiek). Een aanleiding om het gesprek te openen valt bij leerlingen en studenten meestal samen met schoolverzuim en/of een slechte voortgang op school: “Schoolverzuim, daar begint het gesprek al. Hoe komt het dat je verzuimt, wat doe je in de uren dat je niet op school bent?” (Wijkcoach) Maar ook in andere contexten dan onderwijs komt het verzuim van afspraken ter sprake bij het ontstaan van vermoedens van criminele uitbuiting: “Wat wij regelmatig meemaken is dat mensen niet verschijnen [op afspraken]. Dan begint er al iets niet goed te gaan. Want waarom verschijnen ze niet? Het kan allerlei oorzaken hebben.” (Activeringscoach A) Activeringscoach A beschrijft een voorbeeld: “Het was heel moeizaam. De eerste keer kwam ze niet, de tweede keer een half uur te laat. En toen heb ik toch een dringend gesprek met haar gevoerd en gezegd hoe belangrijk het gesprek is. Toen heb ik gevraagd hoe het kwam dat ze er niet was toen ik haar uitnodigde. Toen kwam er een heel onduidelijk en schimmig verhaal. Ze zei dat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11662763/1