RIS311432 Bijlage
Tekst van het document
13
moeten er een paar bomen worden gekapt bij het kruisen van de Hoventunnel (in verband met de expansielus aan de bovenzijde van onderstaande figuur).
•
Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het bevoegd gezag (college van B&W van Delft) gehouden om te beslissen op de aanvraag, zoals deze is ingediend. Hoewel een toename van geluidsbelasting en effecten op bijvoorbeeld bomen en planten niet kunnen worden uitgesloten, stellen wij ons op het standpunt dat wij na afweging van alle relevante feiten en omstandigheden en op basis van alle ingediende onderzoeken dienaangaande tot verlening van het ontwerpbesluit konden overgaan.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z06
Particulier uit Den Haag c.q bewonersorganisatie Transvaal, Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op het ontwerp-PIP of Combi-MER. In verband hiermee is de zienswijze tegen deze ontwerpbesluiten niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerpbesluiten Den Haag. Indiener dient als bewoner en voorzitter bewonersorganisatie zienswijze in. Hij maakt zich grote zorgen over impact van de werkzaamheden op de wijk Transvaal, waar al erg weinig groen is. De kap van zoveel bomen is onverantwoord en zorgt voor hittestress. Ook maakt hij zich zorgen over de gevolgen van het langdurig openbreken van wegen waardoor bewoners en bedrijven slecht bereikbaar zullen zijn en er vereenzaming en omzetverlies zal optreden. Daarom moeten de plannen worden herzien. Er zal inderdaad voor aanzienlijke tijd overlast zijn door openbreking van straten. Het belang van de warmtetransportleiding is dermate groot dat deze tijdelijke overlast aanvaardbaar is. Het is echter niet zo dat huizen daardoor onbereikbaar worden.
Woningen zullen te allen tijde ontsloten blijven, zij het soms via tijdelijke omwegen. Zie ook Z02 nummer 1. Voor bedrijven die door de overlast onevenredige schade lijden, geldt dat zij een verzoek tot nadeelcompensatie kunnen indienen. Wij verwijzen hiervoor naar het antwoord op Z02 nummer 2. Voor een toelichting op het onderwerp tracékeuze wordt verwezen naar Z24 nummers 21 en 22
14
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z07
Particulier uit Den Haag De zienswijze is niet-ontvankelijk
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z08
College van B&W en gemeenteraad Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Geen opgave De zienswijze heeft inhoudelijk betrekking op onderwerpen uit het PIP c.q het Combi-MER. Daarom is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER De zienswijze heeft betrekking op: 1. De mate waarin LdM voldoet aan de voorwaarden van Den Haag met het oog op de aansluiting van LdM op het Stedelijk Energieplan. Bij de gemeenteraad leven zorgen over de impact van LdM op de keuzevrijheid van consumenten, de ontwikkeling van lokale hernieuwbare warmte en de duurzaamheid. Daarom worden provincie en initiatiefnemer gevraagd om te borgen dat LdM niet zal leiden tot minder energiebesparing, lagere energielabels, hogere energierekening en tot gebruik voor nieuwbouw. De huidige en toekomstige regelgeving rond warmte (onder meer de Warmtewet) zijn gericht op (consumenten)bescherming en betaalbaarheid van warmte. In de beoogde wetswijziging is voorzien in een regietaak van de gemeente bij de keuze tussen de verschillende opties voor de warmtevoorziening en bij de keuze voor een warmteleverancier. Er is niet voorzien in een deelnameplicht voor eindgebruikers. De toekomstige regelgeving is in die zin gericht op keuzevrijheid. Verder is regulering en toezicht op tarieven en kosten door de Autoriteit Consument en Markt in de regelgeving voorzien.
Hoe de regelgeving op deze punten definitief vorm zal krijgen is aan de landelijke politiek en overheid. 2. Voorts wordt gevraagd om aan te geven hoe zal worden omgegaan met enkele specifieke thema's: de mogelijke belemmeringen van het project voor de aanleg van lokale lage temperatuurnetten en de gevolgen voor bodemenergie en ondergrondse infra inclusief toekomstige lokale warmtenetten. De lokale energietransitie staat niet haaks op het realiseren van een hoofdinfrastructuur voor warmte. De aanwezigheid van die hoofdinfrastructuur maakt juist dat in veel wijken later via een lokaal warmtenet een CO2-vrije en betaalbare optie kan worden toegevoegd aan het lokale keuzepalet. Die keuze wordt door de gemeente bepaald, veelal op basis van gemeentelijke warmtetransitievisies en wijkuitvoeringsplannen. De provincie (en anderen) zetten volop in op het realiseren van lokale warmtenetten, maar de komst van Warmtelinq vergroot de kan sen voor de lokale netten. De provincie zet echter niet alleen in op het gebruik van lokale bronnen, omdat dat de warmtetransitie als geheel maatschappelijk duurder maakt. Voor de beantwoording van de relatie tussen WarmtelinQ en lokale oplossingen wordt verwezen naar het antwoord op Z19 nummer 6. 3.
Ten aanzien van de twee locaties voor het Warmteoverdrachtstation (WOS) geeft het college aan dat er tussen Eneco, Uniper en WarmtelinQ overeenstemming is en gekozen kan worden voor het WOS1 op de Uniper-locatie. Het college hecht eraan dat een definitief besluit wordt 15
genomen voordat het PIP wordt vastgesteld en dat daarbij andere locaties uit het PIP worden verwijderd. In het ontwerp-PIP is zowel op de Uniper-locatie als op de Tripstraat (Heijmans locatie) ruimte geboden voor een WOS (WOS1 respectievelijk WOS2) in de verwachting dat voor de vaststelling van het inpassingsplan duidelijk zou zijn wat de definitieve locatie zou worden. De door indiener aangehaalde "overeenstemming" blijkt helaas niet zo eenduidig, want er is nog steeds geen definitief besluit genomen. Van zowel Heijmans als Staedion zijn zienswijzen op het inpassingsplan ontvangen waarin is gevraagd om de verbeelding voor het WOS2 op de Tripstraat en de aldaar geldende planregels zodanig aan te passen dat deze beter aansluiten bij het bouwplan inclusief WOS2 (zie Z29 en Z30). Voorts hebben ook WarmtelinQ en Eneco de provincie schriftelijk laten weten dat meer tijd nodig te hebben voor een definitieve locatie voor het WOS Gelet op het belang van deze keuze, wil de provincie de betrokken partijen deze tijd gunnen, zonder dat dit de procedure voor het inpassingsplan ophoudt. Daarom blijven op de verbeelding beide opties opgenomen (rekening houdend met aanpassing van de verbeelding en planregels naar aanleiding van de zienswijzen van Heijmans en Staedion, zie hieromtrent de beantwoording onder Z29). In de planregels is vastgelegd dat slechts één WOS mag worden gerealiseerd.
Op deze wijze wordt maar één WOS mogelijk gemaakt, maar wordt aan partijen tijd gegund om tot een keuze te komen en nadere afspraken te maken. 4. Het college meent dat artikel 6.1.b een knelpunt is voor de toekomstige nieuwbouwontwikkeling in het Energiekwartier. De voorrangsregeling in dit artikel belemmert de gemeentelijke afspraken met Staedion en Heijmans over de genoemde ontwikkeling. Dit standpunt delen wij niet. Zie de beantwoording van Z29, nummers 1 en 3. 5. Het inpassingsplan maakt ter plaatse van de kruising Prinses Beatrixlaan en de Middachtenweg twee tracévarianten mogelijk: een persing en een open ontgraving. De provincie wordt verzocht om voor de vaststelling van het PIP een van beide varianten te kiezen. Tevens wordt opgemerkt dat de opgestelde ontwerpbeschikking omgevingsvergunning 'hout of opstand vellen' is gebaseerd op de variant persing. Indien alsnog wordt gekozen voor de variant 'open ontgraving' moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Bij de vaststelling van het PIP is de verbeelding aangepast op het tracé voor de open ontgraving. Voor dit tracédeel heeft initiatiefnemer op 3 mei 2021 nieuwe vergunningaanvragen ingediend bij de gemeenten Den Haag en Rijswijk. Deze aanvragen hebben ook gevolg voor de definitieve beschikkingen van Den Haag en Rijswijk en de vergunning van het Hoogheemraadschap voor het resterende tracé. 6.
Het T-stuk inclusief aftapleiding bij de Middachtenweg lijkt in het ontwerp-PIP op een verkeerde locatie te zijn liggen. Verzocht wordt om dit bij vaststelling van het PIP te herstellen. Bij de vaststelling van het PIP is het gehele tracé nogmaals gecontroleerd. De situering van het betreffende T-stuk op de verbeelding is aangepast. 7. Omdat opwarming van de bodem door de warmtetransportbuis mogelijk negatieve consequenties kan hebben voor groen, bomen, biodiversiteit en het drinkwaternetwerk, wordt gevraagd om toezending van het Deltares-onderzoek over de warmte-uitstraling van de buizen, zodat dit kan worden betrokken bij de vergunningverlening. Het betreffende onderzoek (warmteoverdracht agrarische percelen) is een onderzoek naar de temperatuurseffecten in de ondergrond van de warmteleiding in de gemeente Midden-Delfland en de daaraan gerelateerde gewasschade. Dit onderzoek is gebaseerd op warmtemetingen langs de Leiding over Noord van Eneco in Vlaardingen. Op basis van die metingen is eveneens onderzoek gedaan naar de situatie ter plaatse van het eco-aquaduct over de A4 en de effecten daarvan op het Natuur Netwerk Nederland (NNN). In verband met de zandige bodemsamenstelling wordt nog aanvullend onderzoek verricht naar de warmteoverdracht in de stedelijke omgeving van Den Haag. Zie verder de beantwoording onder Z44, nummer 10.
De beschikbare onderzoeken zijn intussen toegezonden aan de leden van de ambtelijke 16
projectgroep, waarin uw gemeente ook is vertegenwoordigd. De resultaten van de onderzoeken zullen in de toelichting bij het PIP beknopt worden beschreven en tevens worden opgenomen in de bijlagen bij het vastgestelde PIP. 8. Groen(behoud) is voor Den Haag een zeer belangrijk thema. De Nota's Stadsbomen en Stadsnatuur benoemen belangrijke uitgangspunten voor het bereiken van gemeentelijke doelstellingen. Hoewel de warmtetransportleiding grotendeels onder wegen ligt, is aantasting van het groen door de expansielussen en de ruimte voor het uitvoeren van werkzaamheden onontkoombaar. Ook moeten er meer dan honderd bomen worden gekapt, o.a. in de ecologische zone en hoofdboomstructuur. Het college roept GS op om het PIP zodanig aan te passen dat zoveel mogelijk groen behouden kan blijven. Het college vraagt de provincie hoe gevolgen voor de ecologische zone en hoofdboomstructuur worden gecompenseerd en om in te gaan op acht specifieke wijzigingsvoorstellen voor de ligging/uitvoering op locaties bij de Middachtenweg, de De la Reyweg, wijkpark Transvaal, Delftselaan en de Tripstraat en op een andere situering van werkterreinen zodat het onnodig kappen van bomen kan worden voorkomen. In het verlengde hiervan attendeert het college op de beperkende voorwaarden rond de kap in het ontwerpbesluit. De tracés zijn in het MER onderzocht en onderbouwd.
Bij de keuze voor het tracé en de verdere engineering van de expansielussen is zorgvuldig gekeken naar de mogelijkheden voor het behoud van groen en het voorkomen van onnodig kappen. Vooruitlopend op het aanvragen van de kapvergunningen heeft de initiatiefnemer met de gemeenten en betrokken bomenstichtingen overleg gevoerd over het behoud van zoveel mogelijk bomen en groen en in om die reden zijn in het tracé ook boringen opgenomen om groenstroken of bomenlanen te ontzien. Compensatie vindt plaats via herplant en de herinrichtingsplannen, die verbonden zijn aan de vergunning voor het kappen van bomen, waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is. Het is de bedoeling dat op deze wijze na afloop van de werkzaamheden op en langs het gehele tracé meer groen aanwezig is dan nu, zij het soms in een andere vorm. De initiatiefnemer zal zich aan de vergunningvoorwaarden dienen te conformeren. De provincie is in casu niet het bevoegde gezag om concreet invulling te geven aan de wensen op het gebied van de groencompensatie en de groene herinrichting in Den Haag. Zie ook Z14 en Z24 nummer 9 voor de beantwoording van het onderwerp herinrichtingsplannen. De inrichting, het gebruik en het herstel van de werkstroken is tussen gemeenten en WarmtelinQ afgestemd en vastgelegd in de gemeentelijke vergunning. 9.
Het college vraagt de provincie om maatregelen te nemen om de uitstoot van stikstof tijdens de werkzaamheden te beperken, bijvoorbeeld door goede bouwlogistiek en elektrisch materieel en aan te geven hoe dit kan worden gecompenseerd. Op 1juli 2021 is de wet Stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Onderdeel hiervan is dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw c.q. aanleg veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden bij de natuurvergunning en het inpassingsplan buiten beschouwing mogen worden gelaten. Daarbij wordt tevens de verplichting opgelegd tot het treffen van adequate maatregelen voor emissiereductie, bijvoorbeeld door de bij de bouw gebruikte machines en andere processen te vervangen door alternatieven die voor minder uitstoot van stikstofverbindingen zorgen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen initiatiefnemers hiervoor informatie moeten aanleveren bij het bevoegd gezag. 10. Het college wil dat de sociale effecten van de aanleg wordt onderzocht en verzoekt daarom de commissie MER en de provincie om een sociaaleffectrapportage op te stellen c.q. toe te voegen aan het combi-MER. Ook moeten de maatregelen om overlast te beperken in kaart worden gebracht, moeten bewoners actief worden geïnformeerd en moeten zij overlast kunnen melden.
Omdat de informatieavond in maart 2021 onvoldoende bereik had, wordt de provincie gevraagd om aan te geven hoe de doelgroepen worden bereikt en om een centraal informatiepunt voor alle direct belanghebbenden in te stellen. Ook wordt verzocht om in het kader van MVO aan te geven of dit project werkgelegenheid oplevert. Gevraagd wordt of de provincie of de Commissie MER in dit kader een sociaaleffectrappot tage willen maken. In zijn algemeenheid denken we dat het opstellen van een dergelijke rapportage in bepaalde gevallen meerwaarde kan hebben bij het in kaart brengen van de sociale 17
effecten van de realisatie van grootschalige (energie-)infrastructuur op een bepaald gebied. Maar wij menen wel dat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de initiatiefnemer van het project hoort te liggen en niet bij de Commissie MER. De commissie heeft inzage gehad in de ontvangen zienswijzen en heeft deze betrokken bij haar advies. Desalniettemin heeft de cour. missie geen aanleiding gezien om in het advies in te gaan op bepaalde sociale effecten. De provincie meent dat het opstellen van een sociaaleffectrapportage bij de besluitvorming over dit inpassingsplan weinig tot geen meerwaarde heeft. Dat komt omdat sociale effecten, zoals gezondheidseffecten en sociale verdeeldheid, niet of slechts tijdelijk optreden door de realisatie van de warmtetransportleiding. Na de aanleg zijn er geen emissies die gezondheidseffecten kunnen veroorzaken of een barrière werking geven. De leiding wordt immers ondergronds aangelegd. Een sociaal effectanalyse zal derhalve geen effecten (meer) hebben op de tracékeuze. In de uitvoeringsfase wordt concreter bekend hoe lang, wanneer en waar el werk zaamheden gaan worden uitgevoerd die (sociale) effecten hebben op buurten en wijken. De aannemers zullen via een op te stellen plan wel extra aandacht schenken aan die sociale effecten in relatie tot bereikbaarheid en overlast.
De gemeente zal goedkeuring moeten verlenen aan zo een plan in het kader van de vergunningverlening is dit namelijk een voorwaarde Ook zal WarmtelinQ extra inzet plegen om de bewoners over het project te informeren. Ook kunnen bewoners ideeën en wensen aandragen voor uitwerking van de herinrichtingsplannen, zoals voor het Transvaalpark dat na de werkzaamheden zal worden hersteld en ingericht. Hierover kan contact worden opgenomen met WarmtelinQ (vvvvw.warmtelinq.n1) en/of de omgevingsco0rdinator. 11. In de gemeenteraad leven zorgen over de tracékeuze en de overlast voor de bewoners. Provincie wordt gevraagd om de keuze tussen het tracé door de Kempstraat en wijkpark Transvaal en het alternatieve tracé via Schalk Burgerstraat nader te onderbouwen, omdat dit tracé veel bewoners en ondernemers zal raken. Ten behoeve van de besluitvorming over het leidingtracé is onder meer een milieueffectonderzoek (MER) opgesteld. De procedure hiervoor is begin 2020 gestart met het bepalen van de reikwijdte en het detailniveau. In de opgestelde Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en bijlage A is ingegaan op het vooronderzoek naar mogelijke tracés en het trechteringsproces. Deze NRD is van 17 januari 2020 tot en met 27 februari 2020 ter visie gelegd en er konden alternatieve tracés worden voorgesteld.
In dat kader is ook een alternatief via de Schalk Burgerstraat onderzocht (zie hoofdstuk 15 van het MER). Daaruit bleek dat vanuit de milieuaspecten alleen vanuit de landschappelijke waarden van de bomen in De la Reyweg een voorkeur bestaat voor een VKA-variant, namelijk die via de Hoefkade. Vanuit de overige milieueffecten is er geen sterke aanleiding om één van de VKA-varianten nader uit te werken. Vanuit techniek en planning is wel een sterke voorkeur, namelijk behoud van het reguliere VKA. Van uit kosten is de voorkeur afhankelijk van de variant. Via de Durbanstraat zijn de aanvullende kosten beperkt, maar wordt in verhouding veel overlast voor bewoners verwacht. Via de Hoefkade zijn de extra kosten hoog. Gezien de potentieel grote gevolgen voor techniek, kosten en planning en het beperkte verschil in milieueffecten, gaat de voorkeur uit naar de variant via de De La Reyweg. Voor het aspect overlast wordt verwezen naar Z02, nummer 1 en voor het aspect omgevingsveiligheid naar de beantwoording van Z35
Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. In de toelichting zal worden ingegaan op de onderzoeken naar warmteafdracht in de bodem en de omgevingsveiligheid bij calamiteiten en de rapportages zullen worden opgenomen in de bijlagen bij het PIP. De planregeling voor het WOS in Den Haag wordt zodanig aangepast dat van de twee op de verbeelding aangeduide warmteoverdrachtstations er slechts één mag worden gerealiseerd. Tot slot is de verbeelding aangepast ter plaatse van het T-stuk en het gewijzigde tracé nabij de kruising Middachtenweg/Guntersteinweg. Deze tracéwijziging heeft overigens ook gevolgen voor de definitieve beschikkingen van de colleges van B&W van de gemeenten Den Haag en Rijswijk en voor de watervergunning van het Hoogheemraadschap Delfiand.
18
Z09
Particulier uit Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Geen opgave De zienswijze heeft inhoudelijk betrekking op onderwerpen uit de vergunningen van de gemeente Den Haag. Daarom is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerpbesluiten Den Haag. Indiener maakt bezwaar omdat hij al zeer lange tijd problemen heeft met de toevoer van warm water in de woning, terwijl hij daarvoor niet voldoende wordt gecompenseerd. Ook anderen in de wijk hebben hier problemen mee. De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor het transport van warmte naar het warmtenet in uw wijk. Met deze warmte kunnen in de toekomst woningen in meerdere wijken worden verwarmd De leiding is een gesloten systeem. Dat betekent dat het water waarmee de warmte wordt getransporteerd, in de leiding blijft en dat uw problemen met het warme water een andere oorzaak moeten hebben. De warmtetransportleiding of de werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg, hebben geen invloed op de toevoer van (warm) water in woningen. Wij adviseren u om hierover contact op te nemen met de eigenaar van uw woning.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z10
Particulier uit Den Haag
!
De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • MRDH (RET/HTM): Vergunning uitvoeren werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen. De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen. In verband hiermee is de zienswijze tegen dit ontwerpbesluit niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerpbesluiten Den Haag., Indiener geeft aan dat hij tegen de plannen is. Hij wil niet dat er troep onder de grond gaat lopen en vreest dat de werkzaamheden leidden tot extra drukte. De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor het transport van warmte naar de lokale warmtenetten in Den Haag, zodat daarmee de woningen kunnen worden verwarmd. De leiding is een gesloten systeem. Dat betekent dat het water waarmee de warmte wordt getransporteerd, in de leiding blijft en er worden ook geen gevaarlijke stoffen gebruikt. Enige overlast gedurende de aanlegfase valt niet te voorkomen, maar natuurlijk wordt wel geprobeerd om de overlast te beperken. Ook zullen bewoners en ondernemers vooraf goed worden geïnformeerd over de uitvoering van de werkzaamheden en de planning.
Dat geldt ook voor de gevolgen van de aanleg voor de tram. Hoewel de overlast vervelend is, vormt deze geen grond voor het weigeren van de bij de HTM aangevraagde vergunning.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
19
Z11
Particulier uit Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Provincie Zuid-Holland: Vergunning gebruiken provinciale infrastructuur (Kruithuisweg — N470) De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunning voor het gebruiken van provinciale infrastructuur. In verband hiermee is de zienswijze tegen dit ontwerpbesluit niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerpbesluiten Den Haag Indiener is erop tegen omdat de wijk er niets aan heeft en omdat de straten weer open komen te liggen waardoor de infrastructuur een puinhoop is. Voor de beantwoording inzake overlast wordt verwezen naar Z02, nummer 1. De warmtetransportleiding wordt in de toekomst van belang voor de verwarming van veel woningen in Den Haag. De kans is dus zeer aanwezig dat de leiding wel degelijk nut gaat hebben voor uw wijk in Den Haag. Wij wijzen er ten overvloede op dat direct nut geen criterium is voor de vergunningverlening.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z12
VvE Aart van der Leeuwlaan 960 -1150 te Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): Ontwerp-PIP • Combi-MER • • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener maakt namens de VvE bezwaar tegen ligging onder wegberm Pr. Beatrixlaan. Daardoor verdwijnt een groene buffer met bomen en bosschages, treedt er meer geluidsoverlast en blootstelling aan fijn stof en CO2 uitstoot op. Als dit groen verdwijnt, zal dit leiden tot een grotere aantasting van het woon- en leefklimaat. De verplichte herplant van 174 bomen biedt onvoldoende soelaas, omdat het vele jaren zal duren voordat de groenstrook dezelfde dichtheid zal hebben. Gewezen wordt op drie alternatieve tracés langs de Beatrixlaan: de grasstrook parallel grenzend aan het asfalt van de Beatrixlaan; direct onder het fietspad en een alternatief aan de andere zijde van de Beatrixlaan (de Buitenhof-zijde). Anders is een geluidswal en compenserend groen nodig. De geschetste ligging in de strook tussen de sloot langs het appartementencomplex en het fietspad is niet correct.
Op deze locatie komt de leiding een stukje in het fietspad, maar daar niet voorbij en voor dit tracédeel worden volgens de Bomeneffectanalyse (BEA) ook géén bomen gekapt. Zie onderstaande figuur. :., ,\ "ks---
2O
De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor de transport van restwarmte naar lokale warmtenetten, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is zo belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelen dat enige overlast, of tijdelijke aantasting van groen tijdens de aanlegfase wordt geaccepteerd. Onnodige aantasting van groen zal zoveel als mogelijk worden voorkomen. Voor de groengebieden in Delft is een concept herinrichtingsplan opgesteld dat voorziet in het terugplanten van 163 bomen en circa 9000 m2 bosplantsoen, waarvan circa 5.500 m2 met boomvormers en circa 3.500 m2 zonder boomvormers. De komende tijd vinden overleggen plaats tussen WarmtelinQ, gemeente Delft en natuurverenigingen om dat herinrichtingsplan nader uit te werken. De provincie adviseert u om in contact te treden met de gemeente en WarmtelinQ om daar uw wensen voor de herinrichting gezamenlijk verder uit te werken. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het bevoegd gezag (college van B&W van Delft) gehouden om te beslissen op de aanvraag, zoals deze is ingediend.
Hoewel een toename van geluidsbelasting en effecten op bijvoorbeeld bomen en planten niet kan worden uitgesloten, stelt de gemeente Delft zich op het standpunt dat het plan, na afweging van alle relevante feiten en omstandigheden en op basis van alle ingediende onderzoeken, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat dienaangaande tot verlening van het ontwerpbesluit konden overgaan. Dat herplant een aantal jaren nodig zal hebben om hetzelfde effect aan groendichtheid te bereiken, doet naar ons oordeel hier evenmin aan af.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z13
Particulier uit Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Den Haag: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Ontwerp PIP De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op het ontwerp-PIP. In verband hiermee is de zienswijze tegen dit ontwerpbesluit niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerpbesluiten Den Haag. Indiener is het oneens met aanleg van leidingen tot in hartje Den Haag. Hij stelt voor om bij de gemeentegrens een fabriek te bouwen in plaats van twee jaar lang opengebroken straten. Ook is er onder Hagenaars geen draagvlakmeting gedaan. Zie voor de beantwoording inzake het aspect overlast het antwoord op Z02, nummer 1. De warmte die in dit hoofdtransportnet wordt vervoerd is warmte afkomstig van fabrieken in die het nu als afvalwarmte lozen. Er hoeft voor die warmte dus geen fabriek te worden opgericht. Als dit hoofdtransportnet niet door de stad wordt gelegd, zal de warmte nog steeds via leidingen de stad in moeten worden gebracht. Ook dan zullen over grotere afstanden aanlegwerkzaamheden nodig zijn en is overlast onvermijdelijk. Voor de draagvlakmeting wordt verwezen naar het antwoord over participatie en communicatie onder Z01.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
21
Z14
WE Aart van der Leeuwlaan 16-206 De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener maakt namens de VvE bezwaar tegen ligging onder wegberm Pr. Beatrixlaan. Daardoor verdwijnt een groene buffer met bomen en bosschages, treedt er meer geluidsoverlast en blootstelling aan fijn stof en CO2 uitstoot op. Als dit groen verdwijnt, zal dit leiden tot een grotere aantasting van het woon- en leefklimaat. De verplichte herplant van 174 bomen biedt onvoldoende soelaas, omdat het vele jaren zal duren voordat de groenstrook dezelfde dichtheid zal hebben. Gewezen wordt op drie alternatieve tracés fangs de Beatrixlaan: de grasstrook parallel grenzend aan het asfalt van de Beatrixlaan; direct onder het fietspad en een alternatief aan de andere zijde van de Beatrixlaan (de Buitenhof-zijde). Anders is een geluidswal en compenserend groen nodig. De geschetste ligging in de groenstrook langs het appartementencomplex is feitelijk correct. Op deze locatie komt de leiding aan de rand van de Pr. Beatrixlaan te liggen en voor dit tracédeel moeten volgens de Bomeneffectanalyse (BEA) 20 bomen worden gekapt.
Het betreft hier de buitenste rand bomen, aan de kant van de weg. Het overige deel van de groenstrook blijft overeind met uitzondering van de locatie van een T-stuk (zie onderstaande figuur).
De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor de transport van restwarmte naar lokale warmtenetten, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is zo belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelen dat enige overlast, of tijdelijke aantasting van groen tijdens de aanlegfase wordt geaccepteerd. Onnodige aantasting van groen zal zoveel als mogelijk worden voorkomen. Voor de groengebieden in Delft is een concept herinrichtingsplan opgesteld dat voorziet in het terugplanten van 163 bomen en circa 9000 m2 bosplantsoen, waarvan circa 5.500 m2 met boomvormers en circa 3.500 m2 zonder boomvormers. De komende tijd vinden overleggen plaats tussen WarmtelinQ, gemeente Delft en natuurverenigingen om dat herinrichtingsplan nader uit te werken. De provincie adviseert u om in contact te treden met de gemeente Delft en WarmtelinQ om daar uw wensen voor de herinrichting gezamenlijk verder uit te werken. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het bevoegd gezag (college van B&W van de gemeente Delft) gehouden om te beslissen op de aanvraag, zoals deze is ingediend.
Hoewel een toename van geluidsbelasting en effecten op bijvoorbeeld bomen en planten niet kan worden uitgesloten, stelt de gemeente Delft zich op het standpunt dat het plan, na afweging van alle relevante feiten en omstandigheden en op basis van alle ingediende onderzoeken, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat dienaangaande tot verlening van het ontwerpbesluit konden overgaan. Dat herplant een aantal ja. ren nodig zal hebben om hetzelfde effect aan groendichtheid te bereiken, doet hier niets aan af.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure. 22
Z15
Particulier uit Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren Indiener wil geen warmte pijpen door de wijk. Zie voor de beantwoording van het aspect overlast, het antwoord op Z02 nummer 1. De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor de transport van restwarmte naar lokale warmtenetten, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is zo belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelen dat enige overlast, of tijdelijke aantasting van groen tijdens de aanlegfase wordt geaccepteerd. Bovenmatige overlast zal zoveel als mogelijk worden voorkomen. Ook zullen u en de andere bewoners tijdig worden geïnformeerd over de uitvoering van de werkzaamheden.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z16
Particulier uit Den Haag c.q. bewonersorganisatie Transvaal Zuid, Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren Indiener dient als bewoner en voorzitter bewonersorganisatie zienswijze in. Hij maakt zich grote zorgen over de werkzaamheden op de wijk Transvaal en de impact na de aanleg. Gevraagd wordt: of de warmteopbrengst aan het einde van de leiding in Den Haag nog voldoende is; welke effecten de leiding inclusief expansielussen op de omgeving heeft, welke overlast is er qua aanleg en transport voor de woningen en bedrijven in Transvaal en wat zijn de uiteindelijke aansluit en afnamekosten voor bewoners? De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor de transport van restwarmte naar lokale warmtenetten in Den Haag, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is zo belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelen dat enige overlast tijdens de aanlegfase wordt geaccepteerd. Alle leidingen zijn zodanig geïsoleerd dat het warmteverlies zeer beperkt is. Door deze isolatie vindt maar over een kleine afstand en in beperkte mate warmte-afdracht aan de grond plaats).
De effecten van de leiding op de omgeving zijn in het MER en andere onderzoeken nader onderzocht en beschreven. De expansielussen zijn bedoeld om risico's op lekkage door het uitzetten van metaal (thermische expansie) te voorkomen en de veiligheid te vergroten. Bovenmatige overlast zal zoveel mogelijk worden voorkomen. Ook zullen u en de andere bewoners vooraf duidelijk worden geïnformeerd over de uitvoering van de werkzaamheden. Zie voor het aspect overlast ook het antwoord onder Z02 nummer 1. Eventuele zorgen over de aansluit- en afnamekosten zijn begrijpelijk. De beprijzing van warmte voor de consument is afhankelijk van wat het Rijk hiervoor gaat regelen in de toekomstige Wet Collectieve Warmtevoorziening (Warmtewet 2.0). Zie hierover ook de beantwoording van Z24, nummer 15
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
23
Z17
Particulier uit Den Haag c.q. bewonersgroep Haagse Beppies De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen Indiener dient als bewoner en oprichtster bewonersgroep Haagse Beppies een zienswijze in. Zij voorziet chaos door de werkzaamheden in de kwetsbare wijk Transvaal en maakt zich grote zorgen over de gevolgen van het langdurig openbreken van wegen voor de bewoners en ondernemers en de eenzaamheid van ouderen in de wijk. Zie voor de beantwoording van de aspecten overlast en nadeelcompensatie, de antwoorden bij Z02 nummers 1en 2. Als de werkzaamheden leiden tot onevenredige schade bij bedrijven, dan kunnen ondernemers een verzoek tot nadeelcompensatie indienen. Dit heeft verder geen gevolgen voor de vergunningverlening. Wij merken op dat woningen niet onbereikbaar zullen worden en dus iedereen nog bezoek kan ontvangen. Voor overige sociale effecten wordt verwezen naar het antwoord op Z08 nummer 10.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z18
Fietsersbond Vlaardingen De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Schiedam: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Schiedam: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Vlaardingen: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Vlaardingen: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen Indiener vindt dat in de officiële plandocumentatie nauwelijks wordt ingegaan op de gevolgen van de aanleg voor het fietsverkeer en voetgangers in Vlaardingen en Schiedam, terwijl deze ingrijpend zijn. Niet alleen wordt de Cricketweg e.o. gedurende de aanlegfase geheel afgesloten voor wandelaars en fietsers, maar twee kruisende fietspaden en vijf wandelverbindingen worden nog langer afgesloten, namelijk gedurende de aanleg van het tracédeel tot aan Delft. Hierdoor kan o.a. het groengebied op het dak van de A4 circa twee jaar niet meer vanuit Vlaardingen worden bereikt. Indiener vindt de afsluitingen disproportioneel, ook omdat cijfermatige onderbouwing hiervoor ontbreekt. Verzocht wordt om enkele kruisende fiets/wandelpassages mogelijk te maken en zijn bereid om hierover te overleggen. In overleg met de Fietsersbond, de betrokken gemeenten en WarmtelinQ BV zal de komende tijd worden bezien of de bereikbaarheid voor fietsers en wandelaars gedurende de aanlegfase kan worden verbeterd.
Dit heeft echter geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z19
L. Kanneworff (particulier) De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Geen opgave De zienswijze heeft inhoudelijk betrekking op onderwerpen die geregeld worden in het PIP c.q het Combi-MER. Daarom is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER
24
Indiener verzoekt om zijn zienswijze te beantwoorden onder vermelding van zijn volledige naam. Op uw uitdrukkelijk verzoek is uw naam niet geanonimiseerd. Verder worden de volgende punten naar voren gebracht: 1. Indiener meent dat aansluiting van Den Haag op WarmtelinQ een verkeerde en onverantwoorde beslissing is. In het MER had ook een alternatief zonder aansluiting van Den Haag moeten worden onderzocht waarbij Den Haag tot circa 2030 restwarmte krijgt via de bestaande Uniper-centrale. De Haagse gemeenteraad kan dan bij vaststelling van de Transitievisie Warmte eind 2021 een afweging maken tussen restwarmte van een lokale gascentrale en restwarmte uit het HIC van Rotterdam met bijbehorende milieuschade, veel overlast en hogere warmtetarieven voor de inwoners. Niet iedere suggestie voor een alternatief hoeft overgenomen te worden door de initiatiefnemer. Uitgangspunt in het MER is het project van de initiatiefnemer en de daarbij behorende doelstellingen. Geothermie is in het MER wel beschouwd, zij is opgenomen bij de bronnen voor collectieve warmte, in paragraaf 3.2.2 van het MER. Op grond van artikel 7.23, eerste lid, onder d, Wet milieubeheer (Wm) is de initiatiefnemer verplicht om een beschrijving te geven van de redelijke alternatieven.
Redelijke alternatieven zijn die alternatieven waarmee het doel van de initiatiefnemer wordt bereikt tegen redelijke kosten en die wezenlijk andere milieueffecten zullen veroorzaken. Alternatieven die ongeveer dezelfde milieugevolgen veroorzaken hoeven niet allemaal beschreven te worden, want die geven geen nieuwe milieu-informatie. Een alternatief zonder aansluiting van Den Haag op WarmtelinQ zien wij in dit geval niet als een redelijk alternatief omdat dan door het gebrek aan herbenutting van restwarmte het tekort aan duurzame energie verder oploopt en de kosten toenemen. Zonder deze hoofdwarmtetransportleiding vervalt voor burgers in de regio de meest betaalbare optie om te verduurzamen. WarmtelinQ is voor Gasunie eerder een risico dan een kans. Voor het realiseren van warmtetransport infrastructuur is een hoge mate van rechtszekerheid onontbeerlijk en de vertraging in de Wet collectieve warmtevoorziening zorgt voor een onzekere basis onder de investeringsbeslissing en de te hanteren tarieven. Uitstel van de leiding vanuit Vondelingenplaat zorgt ervoor dat WarmtelinQ alleen kan worden gevoed met Eneco warmte vanuit AVR en vanuit Leiding over Noord. De positie van Gasunie als onafhankelijke warmtetransportbeheerder is in het geding zolang zij afhankelijk is van de warmteverbinding die door Eneco wordt beheerd. De huidige en toekomstige regelgeving rond warmte (o.a.
in de Wet Collectieve Warmtevoorziening) is gericht op (consumenten)bescherming en betaalbaarheid van warmte onder toezicht van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Gasunie wordt — vooruitlopend en in het kader van de te ontwikkelen regelgeving — inderdaad gepositioneerd als een onafhankelijke, non-discriminatoir opererende beheerder van het warmtetransportnet. Zowel het ministerie van EZK als de ACM zien hierop toe. Dit is juist een waarborg dat de afhankelijkheid die u beschrijft, niet zal optreden. De wijze waarop de onafhankelijkheid van Gasunie verder vorm krijgt, betreft geen onderwerp voor het PIP of het MER en valt daarom buiten de scope van deze procedure. Alternatieven voor Warmtelinq zijn onderzocht en zijn maatschappelijk duurder gebleken dan Warmtelinq. En omdat de maatschappelijke rekening uiteindelijk sowieso ergens moet worden opgebracht, is het besluit tot aanleg daarmee zeker gerechtvaardigd. Niet handelen levert zeker méér maatschappelijke kosten op. Nu acteren verlaagt de kosten ten opzichte van pas handelen als echt álles is uitgedokterd. In de periode tussen aanlegbesluiten en ingebruikstelling kan de governance verder uitkristalliseren.
Niet aanleggen van de warmtetransportleiding brengt de oplossing van de governance— en lastenverdelingspuzzel niet dichterbij, terwijl de transitiedoelen wel duurder en trager haalbaar worden met als resultaat dat de samenleving als geheel duurder uit is. Dat is niet de route die de provincie en andere bevoegde gezagen nu kiezen. De oplossing voor de governance en lastenverdelingspuzzel moet dan ook eerder worden gezocht in het stevig organiseren en gezamenlijk optrekken van burgers, bedrijven en gemeenten op weg naar een governancevorm die voor iedereen comfort biedt. Volgens indiener is de businesscase van warmtetransportnetten momenteel veel moeizamer dan toen de eerste ideeën ontstonden, omdat de vraag naar warmte sterk is gedaald en zal 25
blijven dalen door betere isolatie en klimaatverandering, terwijl de aanleg van het systeem steeds complexer en duurder is geworden. De ontwikkeling van Leiding over Oost (LoO) door het Warmtebedrijf Rotterdam is uitgedraaid op een bestuurlijk en financieel fiasco en raadsenquête. Rotterdam wil nu inzetten op WarmtelinQ+, maar in de provinciale stukken ontbreekt deze variant op de kaart, terwijl de afgeblazen LoO nog steeds op de kaart staat. De Regionale Energiestrategie Rotterdam -De Haag, RES 1.0 noemt WarmtelinQ + wel en de warmtekaart op blz. 6 van de RES 1.0 geeft volgens indiener een actueel en goed beeld van de warmte situatie in de regio. De historie van eerdere pogingen om warmtenetten tot stand te brengen laat zien dat dit geen gemakkelijke materie is. Dit maakt duidelijk dat er regie nodig is om de warmtetransitie te realiseren en de ontwikkeling van WarmtelinQ is hiermee in lijn. Er is een groot verschil met de situatie van 10 en 20 jaar geleden. Er is nu een breed gevoelde en redelijk urgente noodzaak om aardgasarm, en op afzienbare termijn aardgasloos te worden. Het brede gebruik dat de inspreker terecht als voorwaarde voor een betaalbaar en optimaal presterend warmtenet signaleert, is nu voor het eerst serieus te organiseren. Daardoor is de businesscase voor warmte niet moeizamer, maar juist veel haalbaarder geworden dan twintig jaar geleden. 4.
Indiener stelt dat de restwarmte van WarmtelinQ weliswaar CO2-vrij is, maar niet duurzaam. De provincie gebruikt de misleidende term "duurzame warmte". Ook Eneco gebruikte die term bij Leiding over Noord en de Reclame Code Commissie heeft dit in 2015 (na een klacht van indiener zienswijze) als misleidend beoordeeld. Duurzame warmte is warmte uit hernieuwbare bronnen en dat is hier niet het geval. Vanuit de Europese en nationale regelgeving is de CO2 uitstoot van restwarmte nul. Volgens Europa en het Rijk is restwarmte dus duurzame warmte en de provincie ziet geen redenen om van dat standpunt af te wijken. De warmte komt vnj bij productieprocessen en wordt benut voor de verwarming bij andere gebruikers. Hierdoor komt er geen extra CO2 vrij voor de opwekking (centraal of decentraal) van die elders te benutten warmte. In de nationale regelgeving (in wording) is er inderdaad niet voor gekozen om restwarmte die afkomstig is uit fossiele energie, het etiket 'hernieuwbare energie' te geven. Daarom worden in de oWCW (artikel 6.2 e.v.) Garanties van oorsprong (GvO's) niet opengesteld voor restwarmte uit fossiele energie. Restwarmte uit fossiele energie is dus wél CO2-vrij, maar niet hernieuwbaar. Dat laatste is alleen het geval als de restwarmte afkomstig is uit hernieuwbare energie.
Het begrip 'duurzaam' is dus breder dan alleen de hernieuwbare origine van de energie waaruit de restwarmte is ontstaan. Duurzaam gaat ook over circulariteit, over zuinig zijn met grondstoffen en met energie, etc. In die bredere betekenis is gebruik van restwarmte, ook van fossiele energie, inderdaad duurzaam, omdat het hergebruik van afval is. Zo is de term in het PIP en het MER ook bedoeld: het is duurzaam om restwarmte toe te passen en daarmee is het duurzame warmte (ondanks de fossiele herkomst). De keuze uit de oWCW om geen GvO's te kunnen verkrijgen voor restwarmte van fossiele origine, maakt dit duidelijk. In het MER zijn de milieueffecten van het voornemen in beeld gebracht en is toegelicht waarom restwarmte een duurzame warmtebron is. Voor beperking van de uitstoot van de industriële sector is onder andere in juni 2019 een klimaatakkoord gesloten waarbij circulariteit een steeds grotere rol gaat spelen in de verduurzaming van de industrie en het beperken van emissies. 5. Voor Den Haag Zuid West gaat WarmtelinQ uit van een hoge temperatuur, terwijl in Zuid West al een midden temperatuurnet ligt, dat wordt gevoed door de retourwarmte van de Haagse stadsverwarming en de geothermiebron Leyenburg. Dit net staat wel op de kaart van de RES 1.0, maar niet op de kaart van WarmtelinQ.
Voor een haalbare en voor huurders betaalbare transitie van bestaande woningen in Zuid West gaat een corporatie als Staedion uit van middentemperatuur warmte (70-40 graden). Hoge temperatuur havenwarmte met hogere tarieven staat dus haaks op deze beoogde warmtetransitie. Niet Den Haag Zuid West maar Rotterdam Zuid zou met deze havenwarmte verwarmd moeten worden. Het gebruik van energie van iets 'te hoge' kwaliteit (hogere temperatuur) in een net dat een lagere temperatuur heeft, stuit niet op bezwaren. Er zijn twee redenen om in het transportnet een hogere temperatuur aan te houden dan in de distributienetten. Door een hogere aanvoertemperatuur wordt een grotere uitkoeling mogelijk, wat ervoor zorgt dat in dezelfde pijp meer 26
warmte kan worden getransporteerd. Daarnaast kunnen de distributienetten verschillende operationele temperaturen hebben. Om niet (grootschalig) te hoeven naverwarmen is het verstandig om de warmte te transporteren op een temperatuur waarop de warmere distributienetten nog zonder naverwarming kunnen werken. Dit geldt niet universeel, maar wel in deze situatie, waarin restwarmtebronnen al de temperatuur hebben die nodig is om zo'n net te voeden. Om deze redenen is er een hogere transporttemperatuur dan (sommige, of zelfs alle) distributienetten nodig hebben. Die hogere temperatuur leidt juist tot lagere tarieven, enerzijds omdat de restwarmte om niet of tegen uitkoppelkosten beschikbaar (moet gaan) komen, anderzijds omdat er door de hoge temperatuur meer transport plaatsvindt en de leidingkosten aldus over meer GJ's warmte worden uitgesmeerd. 6.
Indiener meent dat het MER onvolledig is omdat lokale geothermie ten onrechte buiten beschouwing wordt gelaten. Ook gaat het MER niet in op WarmtelinQ +, zonder Den Haag, terwijl die aansluiting het duurste en meest complexe traject is, en ook het meest omstreden deel, zonder maatschappelijk draagvlak. Gasunie kan beter voor dat alternatief kiezen en het bespaarde geld inzetten op WarmtelinQ+, waar wel draagvlak voor is. Aansluiting van het bestaande warmtenet van Eneco op Ypenburg is daarbij een grote kans. Deze variant dient alsnog te worden onderzocht. Geothermie is in het MER wel beschouwd, zij is opgenomen bij de bronnen voor collectieve warmte, in paragraaf 3.2.2 van het MER. Geothermie past in de ontwikkeling en is onderdeel van het totale systeem om een warmtetransitie te verwezenlijken. Lokale netten en deze warmtetransportleiding zijn complementair aan elkaar en versterken gezamenlijk een duurzame warmtetransitie. De warmtetransportleiding staat het ontwikkelen van lokale bronnen en warmtenetten dan ook niet in de weg, beide zijn nodig om te kunnen voorzien in de warmtevraag in de regio. Zie ook Z42 nummer 2 voor de beantwoording van het onderwerp WarmtelinQ in relatie tot lokale bronnen.
Op grond van artikel 7.23, eerste lid, onder d, Wm is de initiatiefnemer verplicht om een beschrijving te geven van de redelijke alternatieven, waarmee het doel van de initiatiefnemer wordt bereikt. Zie ook punt 1. In het MER en de toelichting op het PIP zijn kaartjes opgenomen waarin staat aangegeven hoe de warmtetransportleiding deel gaat uitmaken van het regionaal warmtetransportnet in Zuid-Holland. Het idee is dat in het tracé bij Rijswijk een aftakking naar Leiden kan komen (WarmtelinQ+). Het tracé Vlaardingen Den Haag loopt daarop vooruit, maar is dus niet afhankelijk van de realisatie van een leiding naar Leiden. Omgekeerd heeft aanleg van het tracé Rijswijk -Leiden alleen zin als het tracé Vlaardingen-Den Haag wordt gerealiseerd. Daarom is het tracé van Rijswijk naar Leiden (langs Ypenburg) thans niet in deze procedure opgenomen. Over dit tracé zullen Provinciale Staten op een later moment een besluit nemen.
Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.
Z20
Particulier uit Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener vreest voor slechte toegankelijkheid van de dichtbevolkte wijk Transvaal en vindt het niet verantwoord om zoveel bomen te kappen en straten zo lang open te breken. Ook maakt zij zich zorgen over de veiligheid door de leiding met kokend water. Daarom wil zij geen leiding in de wijk. Zie voor de beantwoording van het aspect overlast in relatie tot het behoud van groen de antwoorden bij Z02, nummer 1 en Z08, nummer 8. Ten aanzien van de veiligheid wordt opgemerkt dat ten behoeve van het inpassingsplan onderzoek is verricht naar de omgevingsveiligheid (zie bijlage 22). 27
Uit de berekeningen in dit rapport blijkt dat wordt voldaan aan de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico. Dat wil zeggen dat de kans op overlijden als gevolg van het falen van de warmtetransportleiding lager is dan 1op de miljoen perjaar. Hoewel de risico's dus heel klein zijn, zal mede naar aanleiding van de zienswijze van de veiligheidsregio's Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond, nog aanvullend onderzoek worden gedaan naar de omgevingsveiligheid bij calamiteiten. Zie daarom ook de beantwoording van Z35. Op basis van het uitgevoerde onderzoek menen wij dat de toekomstige situatie zal voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening
Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. In de toelichting zal worden ingegaan op het onderzoek naar omgevingsveiligheid bij calamiteiten en de rapportage zal worden opgenomen in de bijlagen bij het PIP. De zienswijze heeft geen gevolgen voor de vergunningen van de gemeente Den Haag.
Z21
Midden-Delfland Vereniging De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Alle ontwerpbesluiten van alle bevoegde gezagen De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunningen in de gemeenten Delft, Den Haag, Midden-Delfland, Rijswijk, Schiedam en Vlaardingen, noch op de vergunningen voor het wijzigen of gebruikmaken van waterstaatswerken, voor het onttrekken of infiltreren van water, voor werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen of voor het gebruiken van provinciale infrastructuur. In verband hiermee is de zienswijze tegen deze ontwerpbesluiten niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PlP/Combi-MER • Rijkswaterstaat: Vergunning gebruik maken van waterstaatswerken (rijkswegen A4 en A20) Indiener onderschrijft het doel van het project WarmtelinQ en zou het mooi vinden als ook de kernen Schipluiden en Den Hoorn daar in de toekomst van zouden kunnen profiteren. Dat neemt niet weg dat er ook andere belangen moeten worden meegewogen en indiener meent dat de conceptstukken op onderstaande punten ernstig te kort schieten: 1.
Het MER is onvolledig omdat niet wordt ingegaan op de alternatieven die eerder door indiener zijn aangedragen in de NRD-fase (tracé-alternatief landtunnel A4 en uitvoeringsalternatief niet werken tijdens broedseizoen). Indiener heeft in een eerdere zienswijze op de NRD inderdaad onder andere verzocht orn in het MER onderzoek te doen naar een uitvoeringsalternatief waarbij tijdens het broedseizoen niet wordt gewerkt. Conform het antwoord van de provincie op die zienswijze is dit alternatief wel degelijk in het MER beschreven, namelijk in paragraaf 12.6.2. Ten aanzien van het tracé-alternatief landtunnel A4 is het voor te stellen dat de beantwoording van de zienswijze op de NRD tot verwarring heeft geleid. De warmtetransportleiding kan vanwege technische redenen niet via het park over de A4 heen — bovenlangs dus — worden uitgevoerd. Elders de A4 passeren gaat evenmin. Vanwege de verdiepte ligging van de A4 met damwanden moeten de boringen extra diep worden en dat is technisch zeer moeilijk en Rijkswaterstaat is hier op tegen. In de beantwoording van de zienswijze op de NRD, lopen de belemmeringen voor beide opties: parkdak passage tussen Vlaardingen en Schiedam én ho ring onder de A4, tekstueel onbedoeld in elkaar over.
Hieronder wordt dit verduidelijkt De optie om de A4 via de landtunnel van de A4 te kruisen is in 2018 besproken met de gemeenten en overige bevoegde gezagen en met Rijkswaterstaat (RWS) en de aannemer, die de A4 heeft aangelegd. Uit dit overleg is gebleken dat aan deze optie diverse technische risico's zitten, zoals mogelijke zettingsproblemen bij de constructie. De leiding zou vanaf maaiveldniveau omhoog moeten worden gebracht tot het niveau van het tunneldak. De leiding kan vervolgens niet voldoende diep in de grond worden gelegd vanwege het aanwezige tunneldak, maar behoeft wel gronddekking De leiding ligt dan als het ware verhoogd als een bult in het landschap. Deze extra aan te brengen grond zorgt voor extra draaglast op het tunneldak.
28
Bovendien bevinden zich bij de monding van de tunnel dienstgebouwen met technische ruimtes en installaties, waardoor kruising hier niet mogelijk is. Direct daarnaast bevinden zich de sportvelden. In de NRD is het trechteringsproces om te komen tot een tracé voor de warmtetransportleiding uitgebreid toegelicht. In de NRD is aangegeven dat in het Combi-MER twee alternatieven worden onderzocht: alternatief 1 en alternatief 2. Alternatief 1is het voorlopige voorkeursalternatief. In het Combi-MER worden de effecten van het voorlopige voorkeursalternatief per deelgebied vergeleken met alternatief 2. Op basis van deze vergelijking wordt beschouwd in hoeverre bijstelling van het voorlopige voorkeursalternatief nodig is. De keuze van het voorlopige voorkeursalternatief wordt gemaakt op basis van informatie uit dit Combi-MER (milieueffecten) en op basis van economische (kosten), technische (beschikbare techniek, uitvoeringstijd) en andere maatschappelijke overwegingen (draagvlak). Het voorkeursalternatief is vervolgens ingepast en vastgelegd in het ruimtelijke besluit (PIP) en hiervoor zijn vergunningen aan gevraagd. De effecten van het ingepaste voorkeursalternatief zijn beoordeeld inclusief de benodigde grondwateronttrekkingen in de aanlegfase en de realisatie van het pompstation.
Het tracé aan de westzijde was in eerste instantie het enige alternatief dat uit de ontwerpatetiers naar voren kwam. Aan de westzijde wordt namelijk gebundeld met reeds aanwezige ondergrondse infrastructuur (a a. DPO, Gasunie, NAM). Bij de nadere uitwerking in het VO bleek echter dat een sleufloze kruising van de A4 door RWS niet wenselijk werd geacht in verband met aanwezige diepwanden en bemalingssystemen langs de A4. Bovendien bevindt zich aan de westzijde een eendenkooi die onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebied Krimpenerwaard), alternatief 2 loopt hier vlak langs. Het tracé aan de oostzijde ligt wat betreft deze punten gunstiger omdat een sleufloze kruising met de A4 voorkomen kan worden door de leiding over het eco-aquaduct 'de Zweth' te leggen. Alternatief 1is daarom in overleg met de stakeholders gekozen tot Minst Belemmerend Alternatief, het voorkeursalternatief in dit deelgebied. Uit het voorgaande blijkt dat RWS nauw betrokken is geweest bij de keuze van het tracé en bij de technische uitwerking van het leidingontwerp. Op basis daarvan heeft RWS een ontwerpbeschikking opgesteld voor een vergunning gebruik maken van waterstaatswerken (rijkswegen A4 en A20). Aangezien de zienswijze verder inhoudelijk niet gericht is op het toetsingskader van de waterstaatkundige belangen van Rijkswaterstaat, nl.
het beschermen van njkswaterstaatswerken en het verzekeren van het veilig en doelmatig gebruik van die werken, ziet RWS in de zienswijze geen aanleiding om die vergunning te weigeren. 2. De keuzes in het MER zijn onvoldoende c.q. zodanig beargumenteerd dat ecologische en cultuurhistorische argumenten altijd wegvallen tegen argumenten van economische en technische aard. Daarmee is de onderbouwing van de keuzes niet transparant en dus ondeugdelijk. Ten aanzien van de onderbouwing voor de keuzes die gemaakt zijn: De m.e.r.-regelgeving schrijft daar het volgende over voor: "het MER bevat ten minste: (...) een beschrijving van de redelijke alternatieven (...) met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van de activiteit (Wm art. 7.23). Het MER beschrijft de belangrijkste motieven en daarmee wordt aan de in de m.e.r.-regelgeving gestelde vereisten vol daan. Ten aanzien van het ontbreken van alternatieven: op grond van artikel 7.23, eerste lid, onder d, Wm, is de initiatiefnemer verplicht om een beschrijving te geven van de redelijke alternatieven. Redelijke alternatieven zijn die alternatieven waarmee het doel van de initiatiefnemer wordt bereikt tegen redelijke kosten en die wezenlijk andere milieueffecten zullen veroorzaken.
Alternatieven die ongeveer dezelfde milieugevolgen veroorzaken hoeven niet allemaal beschreven te worden, want die geven geen nieuwe milieu-informatie. 3. Door de opzet en uitwerking van het beoordelingskader natuur blijven de effecten van het project op nestelende en/of foeragerende vogels en overige direct en op aanwezige bijzondere ziltminnende flora buiten beeld. Daardoor is de afweging onvolledig c.q. ondeugdelijk. In het MER is veel breder gekeken naar de gevolgen voor de natuur dan alleen de bomenkap Naast de gebiedsgerichte beoordeling is ingegaan op de effecten op vleermuizen en vogels met of zonder jaarrond beschermde nesten. Naast de algemene (bij ruimtelijke ontwikkelingen 29
vrijgestelde) soorten zijn geen andere beschermde soorten in het gebied aanwezig. In het MER zijn de effecten van bomenkap op vleermuizen en vogels beoordeeld en de effecten van verstoring en verwijderen van struikgewas en kort opgaand groen, zie pagina 183 t/m 185 van het MER. Doordat in het beoordelingskader geen plaats is geboden aan het aspect `recreatie' en aan de rol die het gebied speelt als ontspanningsgebied, o.a. voor ontwijking van hittestress, zijn deze aspecten onvoldoende in de beoordeling betrokken, terwij► de aanleg grote gevolgen heeft op deze aspecten. Ten aanzien van beoordelingskader recreatie en ontspanningsgebied: Effecten op recreatie en ontspanningsgebied zullen het gevolg van zijn van de tijdelijke afsluitingen van wegen en fietspaden en geluidsoverlast. Bij de afsluiting van wegen en fietspaden wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de gebruikers, waaronder recreanten. De werkzaamheden verplaatsen zich gedurende de aanleg langs het tracé. Daardoor zijn er ook altijd locaties waar niet gewerkt wordt. Omdat effecten tijdelijk zijn en er de mogelijkheid is om op andere locaties te recreëren, zijn deze effecten niet in beeld gebracht. De stelling dat het transport van materieel tijdens de aanlegfase niet zou leiden tot verstoring door geluid of visuele verstoring behoeft nadere onderbouwing.