CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311432 Bijlage

Commissie Leefomgeving 17 februari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken51.617 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

In tabel 12-2 worden de activiteiten en potentiële effecten benoemd. Voor de werkzaamheden ter plekke is verstoring door geluid en visuele verstoring als mogelijk effect aangegeven, hieronder valt ook het (transport van) materieel op de werklocaties. Daar waar het transport van materieel naar de werklocaties plaats vindt via de openbare weg valt het weg in het normale verkeer en treedt er geen aanvullende verstoring op. Voor de werkzaamheden in Midden-Delfland wordt langs de A4 een speciale bouwweg aangelegd. Om de verstoring op de omgeving te beperken zal hier eenrichtingsverkeer worden ingesteld. Indiener meent dan ook dat het MER op belangrijke onderdelen onvolledig is en derhalve moet worden aangevuld alvorens het PIP kan worden vastgesteld en de andere besluiten in het kader van de PCR kunnen worden genomen. Uitvoeringsalternatieven zullen alleen verschil laten zien in effecten op natuur. Dat komt omdat bij de aanleg alleen verschil zit in de periode van aanleg. De periode waarin aangelegd wordt, is niet relevant voor de effecten op de andere aspecten. Bijvoorbeeld de effecten op archeologie zullen niet anders worden door een ander moment van uitvoering. Bij het aspect natuur is in paragraaf 12.6.2 ingegaan op het gevraagde uitvoeringsalternatief.

Gelet op het voorgaande menen wij dat er in het kader van het inpassingsplan voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen van de leiding en dat de toekomstige situatie zal voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z22

Particulier uit Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden • MRDH (RET/HTM): Vergunning voor werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen. De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden op en nabij lokale spoorwegen. In verband hiermee is de zienswijze tegen dit ontwerpbesluit niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerpbesluiten Den Haag 30

Indiener is bewoner van Transvaal en tegen de plannen. Daarom heeft hij liever niet dat ze doorgaan. De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor het transport van warmte naar de lokale warmtenetten in Den Haag, zodat daarmee de woningen in de toekomst duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is een belangrijke stap in de verduurzaming van de warmtevoorziening. Enige overlast gedurende de aanlegfase valt niet te voorkomen, maar natuurlijk wordt wel geprobeerd om de overlast te beperken. Ook zullen bewoners en ondernemers vooraf goed worden geïnformeerd over de uitvoering van de werkzaamheden en de planning. Dat geldt ook voor de gevolgen van de aanleg voor de tram. HTM zal hinder ondervinden van de werkzaamheden, maar dat is geen wettelijke grond om een vergunning op grond van de Wet lokaal spoor te weigeren. HTM heeft geen bezwaren tegen de werkzaamheden voor het project.

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z23

Particulier uit Den Haag De zienswijze is niet-ontvankelijk

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z24

Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden • Hoogheemraadschap Delfland: Watervergunning waterstaatswerken en bijbehorende zones • Hoogheemraadschap Delfland: Watervergunning onttrekken grondwater / infiltreren van water • Provincie Zuid-Holland: Vergunning gebruiken provinciale infrastructuur (Kruithuisweg — N470) • Rijkswaterstaat: Vergunning gebruiken van waterstaatswerken (rijkswegen A4 en A20) De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunningen voor het wijzigen of gebruikmaken van waterstaatswerken, voor het onttrekken of infiltreren van water, of voor het gebruiken van provinciale infrastructuur of (droge) waterstaatswerken. In verband hiermee is de zienswijze tegen deze ontwerpbesluiten niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER • Ontwerpbesluiten Delft 1.

Indiener vindt dat het project pas moet starten als er te weinig restwarmte beschikbaar is voor de verduurzamen in plaats van andersom. Nu wordt de restwarmte onnodig verplaatst. Restwarmte kan niet worden voorkomen, maar het overschot eraan maakt benuttig elders juist haalbaar en verstandig. Zonder Warmtelinq zullen meer huizen op een duurdere of minder efficiënte wijze worden verduurzaamd. Het overschot aan restwarmte in het havengebied is ook zodanig groot dat het niet aannemelijk is dat binnen afzienbare termijn tekorten zullen gaan optreden en dit initiatief op voorhand als niet haalbaar moet worden beschouwd (Zie Integraal Ontwerp Warmtetransport Zuid-Holland van Gasunie en het Collectief Warmte Systeem (CWS) in opdracht van de RES Rotterdam Den Haag) Ook als de industrie verduurzaamt (conform de afspraken in het Klimaatakkoord) zal in deze sector voldoende restwarmte blijven vrijkomen. 31

Het project is niet van duurzame oorsprong. De restwarmte moet volledig afkomstig zijn van een duurzame restbron om op korte termijn te stoppen met fossiele brandstoffen. Het feit dat de restwarmte deels afkomstig is uit fossiele brandstoffen; maakt het toepassen ervan nog niet onduurzaam. Restwarmte toepassen is een vorm van energie besparen, want door de restwarmte uit de industrie te gebruiken, hoef je geen nieuw geproduceerde energie te gebruiken. Dit hergebruik komt dus ook niet in de plaats van de verduurzaming van de industrie (door besparing en overschakeling op hernieuwbare energie), maar staat daarnaast. Bij gebruik van industriële restwarmte moet er op zijn minst een afspraak gemaakt worden dat vanaf 2030 geen restwarmte van fossiele oorsprong aan het Warmtelinq net mag worden toegevoegd. Zoals gezegd staat het hergebruik van restwarmte naast de verduurzamingsafspraken in de industrie voor het behalen van de gestelde CO2-reductiedoelstellingen in 2050. Vanuit die optiek zou het zonde zijn om restwarmte met een fossiele oorsprong na 2030 niet meer te mogen hergebruiken, als het reductiepad tot 2050 wel ruimte biedt voor het ontstaan voor fossiele restenergie. Zolang de restwarmte maar niet ontstaat omdát deze kan worden hergebruikt, brengt hergebruik van alle soorten restenergie — ongeacht herkomst — het behalen van de CO2 doelen dichterbij.

Het project is niet transparant genoeg. Veel is nog onduidelijk. Het project moet beter uitgewerkt worden en toegelicht worden, voordat er een besluit kan worden genomen of het project doorgang kan krijgen. Het is spijtig dat indiener het project niet transparant en onduidelijk vind. In de toelichting op het provinciaal inpassingsplan en het MER is getracht een beeld te schetsen van het project en hoe dat dit past in het grotere geheel van de energietransitie. Mede vanwege die samenhang zijn de voorgenomen besluiten van de provincie, de gemeenten en de overige bevoegde gezagen gelijktijdig in procedure gebracht, zodat eenieder hierop kan reageren. Er is te weinig informatie voorziening geweest over wat het Warmtelinq project inhoudt op lokaal en gemeentelijk niveau naar de inwoners van de deelnemende gemeenten. Dit moet alsnog gedaan worden, voordat over het project kan worden besloten. Er is geen mogelijkheid tot participatie geweest. De besluiten liggen feitelijk al vast. Er moeten meer inspreekavonden gehouden worden, zodat inwoners ook inspraak krijgen in het project. Zie Z01 voor beantwoording over de informatievoorziening, participatie en inspraak Het project is te grootschalig opgezet. Het is beter om de restwarmte lokaal in te zetten, dan pas opschalen naar een groter afzetgebied in de omgeving van de bron en pas als laatste stap de restwarmte regionaal inzetten.

Waarom moet de restwarmte gebruikt worden in de deelnemende gemeenten. Zeker als uit rekenmodellen blijkt dat deze genoeg (duurzame) restwarmte (kunnen) produceren. Waarom is niet gekozen om de restwarmte in regio Rotterdam in te zetten? De restwarmte uit het havengebied wordt ook lokaal in Rotterdam ingezet, maar zoals reeds gesteld onder 1, blijkt uit de rekenmodellen dat er dan nog steeds meer dan voldoende restwarmte beschikbaar is om deze elders toe te passen. Zie ook het Integraal Ontwerp Warmtetransport Zuid-Holland van Gasunie en het Collectief Warmte Systeem (CWS) in opdracht van de RES Rotterdam Den Haag. Het is niet duidelijk hoe het gekozen tracé bepaald is en wie daarbij inspraak hebben gehad. Op welke gronden en feiten is het tracé bepaald. Er is te weinig gekeken naar alternatieve tracés, bijvoorbeeld oostkant A4. Op basis van WOB graag inzage geven in deze besluitvorming. Inwoners hebben niet mee kunnen beslissen en deze procedure moet opnieuw. Ten behoeve van de besluitvorming over het leidingtracé in het inpassingsplan is onder meer een milieueffectondetzoek (MER) opgesteld. De procedure hiervoor is begin 2020 gestart met het bepalen van de reikwijdte en het detailniveau NRD. In Bijlage A van de opgestelde Notitie 32

Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is ingegaan op het vooronderzoek naar mogelijke tracés. Deze NRD is van 17 januari 2020 tot en met 27 februari 2020 ter visie gelegd en er konden zienswijzen op worden ingediend, zoals het aandragen van alternatieve tracés. Vervolgens zijn in het MER twee alternatieven onderzocht, inclusief een lokaal alternatief in Den Haag. Indiener doet de suggestie om de warmtetransportleiding helemaal langs de A4 aan te leggen. Deze mogelijkheid is in het verleden ook onderzocht. (Zie figuur 4-1 in Bijlage A van de NRD, deze is te vinden op: https://Www.zuid-holland.nlionderwerpen/energiekvarmtelingtrace-vlaardingen-den-haag/). Deze variant is destijds afgevallen vanwege de verbreding van de A4 en de impact op het natuur- en recreatiegebied. Daarnaast zorgt deze ligging langs de A4 ervoor dat de aansluiting voor lokale warmtenetten in de wijken Voorhof en Buiten technisch complexer en duurder wordt (door de grotere afstand). Dat is onwenselijk en daarom zien wij geen reden om dit tracé alsnog te onderzoeken en de lopende procedure opnieuw te starten. Over de afdoening van het WOB-verzoek is indiener afzonderlijk geïnformeerd. 8. Het project stagneert het echte verduurzamen van provincie Zuid-Holland. Dit project is juist een belangrijk onderdeel van de verduurzamingstrategie in deze provincie.

Het project maakt hergebruik van restwarmte op veel grotere schaal mogelijk. Dat is van belang, náást de overige belangen, zoals besparen en overstappen op hernieuwbare energie, omdat het zorgt voor een extra verkleining van de voetafdruk. De duurzame energie die daardoor wordt uitgespaard, kan daardoor elders worden ingezet, of worden bewaard voor later 9. Niet alle gekapte bomen worden bij dit project gecompenseerd. Er wordt namelijk rekening gehouden dat er over 5 jaar minder bomen levensvatbaar zijn. Een paar bomen onnodig niet compenseren voor het kappen ervan is incorrect. Deze bomen worden wel degelijk eerder gekapt dan noodzakelijk en moeten dus ook terug geplaatst worden. Op het tracé en de werkstroken die benodigd zijn voor de aanleg staan soms bomen. Deze kunnen als gevolg van de werkzaamheden niet altijd behouden worden en zullen worden gekapt of verplaatst. De gemeente is het bevoegd gezag voor deze kapvergunningen en deze verbindt daar voorwaarden aan, zoals een herplantplicht of een groene herinrichting. In alle gemeenten geldt een herplantplicht, maar het is niet altijd mogelijk om op de kaplocatie een boom terug te planten. In dat geval wordt een boom elders herplant.

Vooruitlopend op het aanvragen van de kapvergunningen heeft de initiatiefnemer met de gemeenten en betrokken bomenstichtingen overleg gevoerd over het behoud van zoveel mogelijk bomen en groen en in om die reden zijn in het tracé ook boringen opgenomen om groenstroken of bomenlanen te ontzien. In principe zal er na de werkzaamheden over het gehele tracé meer groen terugkomen dan er thans aanwezig is. De komst van WarmtelinQ heeft impact op bomen en bosplantsoen tijdens en na de aanleg van de leiding. Er moeten 194 bomen en circa 6.000 m2 bosplantsoenvakken worden gekapt. Van de 194 bomen hebben 33 bomen een toekomstverwachting tot maximaal 5 jaar, in verband met ziekten, aantastingen en afsterving. Dit loopt deels mee in de vervangingsopgave van het huidige populierenbestand. Voor de groengebieden in Delft is een concept herinrichtingsplan opgesteld wat voorziet in het terugplanten van 163 bomen en circa 9000 m2 bosplantsoen, waarvan circa 5.500 m2 met boomvormers en circa 3.500 m2 zonder boomvormers. De komende tijd vinden overleggen plaats tussen WarmtelinQ, gemeente Delft en natuurverenigingen om bovenstaand herinrichtingsplan nader uit te werken. Zo kan een fraaie, soortenrijke en toekomstbestendige landschapsstrook ontstaan. 10. De hoge temperatuur van het restwarmtewater (120 oC) maakt het aansluiten voor bewoners onnodig duur.

Het is beter om de temperatuur te maximeren op 70 0C graden. Dit maakt het ook makkelijker om duurzame restwarmte, die meestal een lagere temperatuur heeft, aan de leiding terug te geven. Warmte van een hogere temperatuur kan zonder verlies van energie worden verlaagd in temperatuur. Omgekeerd is ingewikkelder en in alle opzichten duurder. Dat de temperatuur in het transportnet hoger is dan nodig voor (sommige) huizen of sommige distributienetten, is dus niet bezwaarlijk. Alleen in de situatie dat een bron zou moeten worden bijverwarmd om een 33

brontemperatuur van 120 graden te bereiken, zou dat onnodige energie-inzet vragen en tot extra kosten leiden. Met een hogere begintemperatuur kan meer warmte worden getransporteerd én hoeft er niet of minder te worden bijverwarmd onderweg of bij de warmteafnemer. Het warmtesysteem zou bijgevolg juist bij een lagere gebruikstemperatuur van het transportnet onnodig duur worden. 11. Door de hoge temperatuur van de Warmtelinq leiding zal duurzame restwarmte, die van lagere temperatuur is, onnodig en inefficiënt verwarmt moeten worden om toe te kunnen voegen aan het water in de Warmtelinq Leiding. Deze lokale duurzame restwarmte zou daarom de prioriteit moeten krijgen. Dit tevens omdat deze LT-restwarmte goedkoper is om aan te sluiten. Lokale, duurzame restwarmte die geen verdere inzet van een warmtepomp of andere technieken nodig heeft om benut te worden, zal goedkoper zijn aan te sluiten dan warmte van WarmtelinQ. Lokale geschikte warmte zal dus inderdaad prioriteit hebben en eerder door een warmtebedrijf worden gecontracteerd. Direct bruikbare lokale restwarmte is echter schaars terwijl restwarmte vanuit het havengebied ruim voorradig is. Lokale restwarmte van te lage temperatuur vergt energie om de kwaliteit te verbeteren, of zorgt ervoor dat de afnemer meer in de woning moet investeren. Per saldo gaat inzet van lokale restwarmte van te lage temperatuur gepaard met meerkosten.

Een warmteleverancier zal zijn keuze voor de warmtevoorziening sterk laten afvangen van deze kosten. 12. De gemeenten moeten geen verplichtingen krijgen om lokale duurzame (evt. gemaakte) restwarmte toe te voegen aan het Warmtelinq tracé. Van een dergelijke verplichting is geen sprake. Gemeenten bepalen in het kader van de Regionale Energie Strategie en de Transitie visie Warmte hoe en waar lokale bronnen kunnen worden ingezet en waar een lokaal warmtenet wenselijk is. 13. Het project is bij problemen te grootschalig opgezet. Bij calamiteiten in het leidingtracé zit heel Zuid-Holland zonder warmte. De warmtebedrijven die via de lokale warmtenetten warmte aan klanten leveren moeten op grond van de huidige Warmtewet en de nieuwe wetgeving altijd in de warmtevraag kunnen voorzien, ook als onverhoopt de grootste bron uitvalt. Die verplichting om een backup-voorziening te hebben, rust dus niet op Warmtelinq en is om die reden ook niet meegenomen in het project. 14. De provincie Zuid-Holland had beter kunnen inzetten om lokale warmtenetten te ontwikkelen, waarbij lokale restwarmte lokaal gebruikt gaat worden. De lokale energietransitie staat niet haaks op het realiseren van hoofdinfrastructuur voor warmte.

De aanwezigheid van die hoofdinfrastructuur maakt juist dat in veel wijken later via een lokaal warmtenet een CO2-vrije en betaalbare optie kan worden toegevoegd aan het lokale keuzepalet. Die keuze wordt door de gemeenten bepaald, veelal op basis van de gemeentelijke warmtetransitievisies en wijkuitvoeringsplannen. De provincie (en anderen) zetten volop in op het realiseren van lokale warmtenetten, maar de komst van Warmtelinq vergroot de kansen voor de lokale netten. De provincie zet echter niet in op het gebruik van lokale bronnen alleen omdat dat de warmtetransitie als geheel duurder maakt. De opgave voor duurzame gassen en duurzame elektriciteit wordt daardoor nog verder vergroot en bovendien wordt de hoeveelheid stevig aan te pakken woningen groter en dus duurt het langer voordat die hele operatie is uitgevoerd. 15. Het project mist veel (financiële) doorrekeningen en een toekomstvisie. Wat zijn de kosten voor de afnemers en wat is het draagvlak? Omdat duurzame LT-restwarmte voor afnemers goedkoper is, zal het gebruik van Warmtelinq op vrijwillige basis moeten blijven. Indiener vraagt of inwoners straks kunnen kiezen uit meerdere leveranciers of dat een leverancier een monopolie krijgt? Kan worden voorkomen dat de gebruiksprijs voor warmte omhoog gaat en hoeveel gaat het kosten om Warmtelinq warmte aan te sluiten?

34

De vele vragen over de haalbaarheid en de aansturing van Warmtelinq zijn begrijpelijk. De haalbaarheid van WarmtelinQ is al meermalen vastgesteld. Meest recent nog in het Integrale Ontwerp van Gasunie, waarbij is gerekend met alle lokale bronnen die gemeenten hebben aangedragen. In het antwoord op nummer 11 is al gemotiveerd dat lokale warmte, onder bepaalde omstandigheden, inderdaad prioriteit zal knjgen boven warmte van WarmtelinQ. De huidige en toekomstige regelgeving rond warmte (onder meer de Wet Collectieve Warmtevoorziening zijn gericht op (consumenten)bescherming en betaalbaarheid van warmte. In de beoogde wetswijziging is voorzien in een regietaak van de gemeente bij de keuze tussen opties voor de warmtevoorziening en de keuze voor een warmteleverancier. Er is niet voorzien in een deelnameplicht voor eindgebruikers. De toekomstige regelgeving is in die zin gericht op keuzevrijheid. Verder is regulering en toezicht op tarieven en kosten door de Autoriteit Consument en Markt in de regelgeving voorzien. Hoe de regelgeving op deze punten definitief vorm zal knjgen is aan de landelijke politiek en overheid. Daar kan niet op vooruit gelopen worden. 16. Indiener mist informatie over welke bronnen na 2030 gebruikt gaan worden in plaats van de industriële restwarmte.

Is er dan genoeg restwarmte beschikbaar, ook als de leiding wordt doorgetrokken naar Leiden? Levert de aanleg van Warmtelinq echt verduurzaming op, want bij de aanleg en de productie van de materialen van zo'n groot tracé komt ook veel CO2 vervuiling vrij. Ook zullen er meer bomen verdwijnen, dan er worden terug geplaatst. Is er rekening gehouden dat de leidingen na ongeveer 40 jaar verwijderd of vervangen moeten worden door de Gasunie en wie dat gaat financieren? Laat in een duidelijk toekomstvisie en met goede actuele berekeningen, zien dat het Warmtelinq project over 10, 20 of 30 jaar zijn doelen kan behalen en dus haalbaar is, ook op financieel vlak. Zolang dit mist, kan het project niet doorgaan. Ook na 2030 en bij verduurzaming van de industrie zal er afvalwarmte blijven vrijkomen. Deze restwarmte en lokale bronnen zullen elkaar aanvullen. Er is genoeg restwarmte beschikbaar om de leiding door te trekken naar Leiden. In het theoretische geval dat de industrie geen restwarmte meer kan leveren dan kan de beoogde infrastructuur nog steeds benut worden voor transport van warmte uit andere duurzame bronnen. Bij de afweging of dit project wenselijk is of niet, speelt het feit dat voor het maken van en het gebruik van materiaal en materieel CO2 wordt uitgestoten, geen expliciete rol.

Die uitstoot is eenmalig en staat ook niet in verhouding tot de hoeveelheid CO2 die met de aanleg kan worden vermeden, maar dit is verder niet gekwantificeerd. Ten aanzien van de bomen wordt verwezen naar nummer 9. 17. Indiener vreest dat het project snel verouderd omdat innovatie en ontwikkeling in duurzaamheid heel snel gaan. Hoe wordt omgegaan met de mogelijkheid dat straks andere methoden van verduurzaming beter en ook goedkoper zijn. Waterstofnetwerken zijn in opmars omdat dit 100% duurzaam is en veel goedkoper omdat het bestaande gasnetwerk in gebruik kan blijven. De neiging om te hopen op andere — betere — oplossingen in de warmtetransitie, is zeer goed te begrijpen. Er zijn voor de invulling van de warmtevraag veel oplossingen dankzij de lage kwaliteit energie die nodig is om warmte en warm water voor huizen te organiseren. Daarom zijn warmte uit bodem, water of lucht gecombineerd met een warmtepomp, restwarmte, geothermie, zonthermie, aquathermie en infraroodpanelen allemaal mogelijk. Bovendien zijn het opties die grotendeels ongeschikt zijn voor mobiliteit, de productie van elektriciteit en voor hoge temperatuur warmte voor industriële processen. De ontwikkeling van innovatieve energiedragers moet zeker gebeuren. Gebruik ervan vraagt echter ook weer omzettingen, waarbij restwarmte ontstaat.

Daarom is het gebruik van restwarmte uit alle denkbare en onvoorstelbare innovaties, altijd ook mogelijk. Dat is uitstekend zichtbaar bij waterstof. Waterstof is een welkome stap in de productie van duurzame gassen, vooral voor de verduurzaming van de industrie. De productie van waterstof gaat gepaard met omzetting van onder andere elektriciteit, waarbij zeker 30% van de ingevoerde energie niet in de waterstof eindigt, maar restwarmte wordt. Dit illustreert dat warmtelevering niet afhankelijk is van fossiele energie-inzet of van aflopende, oude processen, maar een wezenlijk onderdeel is en blijft van het verduurzamende energiesysteem. Daarom achten wij de kans dat WarmtelinQ wordt ingehaald door goedkopere hoogwaardige energie uiterst klein. De restwarmte van die hoogwaardige energie

35

is altijd goedkoper dan die energie zelf en die restwarmte is voor de verwarming van huizen goed genoeg. 18. De leidingen door de deelnemende gemeenten moeten geen verplichtingen geven. Als gemeenten er geen gebruik van willen maken (of later niet meer), dan mogen er geen blijvende verplichtingen zijn en de deelnemende gemeenten moeten ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor het slagen van het project. Deze verantwoording moet (ook financieel) volledig bij de provincie liggen. Zie Z04 voor de beantwoording van het onderwerp financiële verantwoordelijkheid. Warmtelinq tracé dwars door Delft en door ecologische kerngebied bij Tanthof West 19. Delft heeft geen Warmtelinq tracé nodig. Uit berekeningen is gebleken dat Delft straks zelf al genoeg warmtebronnen heeft om geheel Delft mee te kunnen verwarmen. De provincie en de gemeente Delft stellen zich op het standpunt dat Warmtelinq van groot belang is voor de energietransitie in Zuid-Holland als geheel en wel degelijk ook van nut is voor de gemeente Delft en de overige deelnemende gemeenten. Aan- of aanwezigheid van direct nut voor de gemeente is overigens geen absoluut criterium bij de vergunningverlening. 20. Verder is het gekozen tracé door Delft niet handig i.v.m. de ontwikkeling van eigen duurzame warmtenetten. Het tracé gaat ook door zeldzame groenvoorzieningen heen, terwijl daar geen noodzaak voor is.

De ecologische kerngebieden in Tanthof West zijn van hoge ecologische waarde en nodig voor het tegengaan van geluidsoverlast en luchtvervuiling van de Kruithuisweg. Een deel fungeert als Parkbos, maar dit wordt door de geplande leidingen onmogelijk. De aanleg van de leidingen brengt grote schade toe aan de natuurvriendelijke oevers en aan de flora- en fauna. Er zullen hemelwaterproblemen ontstaan en mogelijk ook aantasting van ondergrondse natuur en structuur, ook door periodiek onderhoud, zoals de vervanging van de leidingen na 40 jaar, of mogelijk vaker door calamiteiten. Direct na het boosterstation is het risico ook verhoogd. Zie de antwoorden onder de nummers 7, 9, 21 en 22. Verder wordt opgemerkt dat in het kader van een vergunningaanvraag het bevoegd gezag (in casu het college van B&W van de gemeente Delft) dient te beslissen op grondslag van de aanvraag, zoals deze is ingediend. Dat in dit verband alternatieven voorhanden zijn doet hieraan niets af. Door de ligging in stedelijk gebied valt enige overlast gedurende de aanlegfase niet te voorkomen, maar natuurlijk wordt wel geprobeerd om die overlast te beperken. Ook zullen bewoners en ondernemers vooraf goed worden geïnformeerd over de uitvoering van de werkzaamheden en de planning.

Hoewel een toename van geluidsbelasting en effecten op bijvoorbeeld bomen en planten niet kunnen worden uitgesloten, stellen wij ons op het standpunt dat wij op basis van de beschikbare onderzoeken en na afweging van alle relevante feiten en omstandigheden tot vaststelling van het inpassingsplan dan wel tot verlening van het ontwerpbesluit kunnen overgaan. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in verband met de bodemsamenstelling nog aanvullend onderzoek wordt verricht naar de warmteoverdracht in de stedelijke ondergrond van Den Haag. Zie de beantwoording onder Z08 nummer 7 21. Er moet een ander tracé gekozen worden dat niet door ecologische kerngebieden gaat. En er moet duidelijk onderbouwd worden hoe de keuze van een bepaald tracé tot stand is gekomen en er moet inzicht worden gegeven in deze besluitvorming, nu is niet duidelijk hoe het gekozen tracé tot stand is gekomen en wie daarover beslist en aan de hand van welke criteria? In het verleden zijn verschillende alternatieven onderzocht. Zie hierover de antwoorden onder de nummers 7 en 20. Ten behoeve van de besluitvorming over het leidingtracé in het inpassingsplan is onder meer een milieueffectonderzoek (MER) opgesteld. De procedure hiervoor is begin 2020 gestart met het bepalen van de reikwijdte en het detailniveau NRD.

In Bijlage A van de opgestelde Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is ingegaan op het vooronderzoek naar mogelijke tracés. Deze NRD is van 17 januari 2020 tot en met 27 februari 2020 ter visie gelegd en er konden alternatieve tracés worden voorgesteld. In de NRD en de bijlage is het trechteringsproces om te komen tot het uiteindelijke tracé toegelicht. In het Combi-MER zijn de effecten van twee tracé-alternatieven per deelgebied vergeleken. Op basis van 36

informatie uit dit Combi-MER (milieueffecten) en overige criteria (kosten, techniek, uitvoeringstijd) en maatschappelijke overwegingen (draagvlak) is dit voorkeursalternatief in overleg met de initiatiefnemer bepaald en vastgelegd in het ontwerpinpassingsplan en zijn hiervoor de benodigde vergunningen aangevraagd bij de andere bevoegde gezagen. 22. Er is te weinig gekeken naar alternatieve tracés, bijvoorbeeld langs de oostkant van de A4, terwijl dit een beter alternatief kan zijn omdat het geen verkeershinder geeft, geen of minimale flora en fauna beschadiging en geen overlast voor omwonenden. Dit tracé is ook praktischer i.v.m. de inpassing van andere lokale warmtenetten en voor de aansluiting naar de gemeente Westland. Uit de ontwerpateliers in 2017 (zie bijlage A NRD) kwam in eerste instantie alleen een tracé aan de westzijde naar voren, vanwege de bundeling met reeds aanwezige ondergrondse infrastructuur (o.a. DPO, Gasunie, NAM). Bij de nadere uitwerking in het VO bleek echter dat een sleufloze kruising van de A4 voor Rijkswaterstaat niet bespreekbaar was in verband met de aanwezigheid van diepwanden langs de A4 en de bemalingssystemen. Bovendien loopt dit westelijke alternatief vlak langs een eendenkooi die onderdeel uitmaakt van Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied Krimpenerwaard).

Op deze punten scoort het tracé aan de oostzijde gunstiger omdat een sleufloze kruising met de A4 kan worden voorkomen door de leiding over het eco-aquaduct 'de Zweth' te leggen. Daarom is alternatief 1in overleg met de stakeholders gekozen tot Minst Belemmerend Alternatief en verder uitgewerkt tot voorkeursalternatief. Voor wat betreft de suggestie om de leiding helemaal langs de A4 aan te leggen, wordt verwezen naar het antwoord onder nummer 7. Pompstation in de woonwijk Tanthof West te Delft. 23. Indiener meent dat het ontwerp van het pompstation in deze procedure niet transparant is omdat veel informatie ontbreekt. Het ontwerp dient beter uitgewerkt te worden en ter inzage worden gegeven aan belanghebbenden en inwoners. De boosterpomp is van essentieel belang voor het hele tracé en hoeft ook niet op gemeentegrond van Delft te worden gebouwd. De kosten moeten daarom ook niet door de gemeente Delft worden vergoed, maar algemeen worden gedragen. Er is geen participatie geweest met de direct betrokkenen over het onderhavige plan en de zienswijzenprocedure. Door de wethouder wordt gezegd dat alles al is besloten en dat er niets meer veranderd kan worden. Dit ontmoedigt alle participatie. Zie Z01 voor beantwoording over de informatievoorziening, participatie en inspraak.

De gemeente Delft stelt zich op het standpunt dat in het voortraject met verschillende partijen wel degelijk participatie heeft plaatsgehad. De techniek vereist dat het pompstation ongeveer in het midden van het tracé moet komen. Milieueffecten afgewogen in het MER en in andere onderzoeken. Enige toename van geluid kan niet worden uitgesloten, maar de situatie voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Alle met betrekking tot het pompstation relevante stukken zijn ter inzage gelegd en er is gehandeld in overeenstemming met de wettelijke regels dienaangaande. Op moment van terinzagelegging van het ontwerp-PIP was de aanvraag voor de bouwvergunning van het pompstation nog niet gereed voor indiening, maar deze is intussen aangevraagd. Ook die ontwerpbeschikking zal binnenkort ter inzage worden gelegd. 24. Indiener heeft voorkeur voor een locatie buiten Delft omdat door de komst van het pompstation wel een groenbestemming verloren zal gaan. Een opvallend industrieel pompgebouw met lichtmasten hoort niet thuis in de woonwijk Tanthof West. Daarnaast zal het pompstation geluidsoverlast opleveren voor omwonenden vanwege het tonale geluid van de pompen, terwijl er al veel geluidsoverlast is door de doortrekking en uitbreiding van de A4 bij. Ook zorgt het voor horizonvervuiling, gevarenrisico's en hemelwaterafvoerproblemen.

Vanwege de aantasting van het leefklimaat en de groene entree van de wijk, moet een andere locatie worden gezocht, liefst buiten de bebouwde kom. De locatie waar het pompstation komt, heeft thans de bestemming 'bedrijventerrein' en geen groenbestemming. Het pompstation past daar dus prima in en sluit qua situering en bouwvolume aan op de bestaande bedrijven langs de Sadatweg. Uiteraard zullen pompstation en lei ding moeten voldoen aan wet- en regelgeving, onder andere op het gebied van geluid en veiligheid en wordt dit ook gecontroleerd. Zie hieromtrent ook de beantwoording onder Z35. Dat er sprake kan zijn van enige achteruitgang qua groen en geluid kan niet worden uitgesloten, 37

maar de provincie en de gemeente Delft stellen zich op het standpunt dat het inpassingsplan, mede op basis van alle uitgevoerde onderzoeken, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd met extra oppervlaktewater en natuurvriendelijke oevers. Uw zorgen over de ruimtelijke inpassing van het pompstation zijn ook door initiatiefnemer ter harte genomen. In dat kader is voorgesteld om de buitenruimte van het pompstation zo open mogelijk te houden en de plaatsing van hekwerken te beperken. Om deze situering en inrichting van de buitenruimte te borgen, zal in het inpassingsplan de planregeling voor het pompstation verder worden aangescherpt.

Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. In de toelichting zal worden ingegaan op het onderzoek naar omgevingsveiligheid bij calamiteiten en de rapportage zal worden opgenomen in de bijlagen bij het PIP. De planregeling en de verbeelding voor het pompstation in Delft worden aangepast. De zienswijze heeft geen gevolgen voor de vergunningen van de gemeente Delft.

Z25

Particulier uit Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP.

I

De zienswijze heeft inhoudelijk ook betrekking op de vergunningen van de gemeente Den Haag. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER • Ontwerpbesluiten Den Haag Indiener vreest dat door de aanleg de wijk Transvaal langere tijd onbereikbaar zal zijn, wat zeer nadelig is voor de wijkeconomie. Ook maakt hij zich zorgen over de veiligheid. Bij openbrekingen kunnen gevaarlijke situaties ontstaan, met name voor kinderen. Indiener vindt dat naar een alternatief buiten de wijk had moeten worden gekeken. De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor het transport van warmte naar de lokale warmtenetten in Den Haag, zodat daarmee de woningen in de toekomst duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is een belangrijke stap in de verduurzaming van de warmtevoorziening. Voor het tracé zijn verschillende alternatieven onderzocht, maar deze lopen allemaal door het stedelijk gebied van Den Haag en dat is onvermijdelijk. Enige overlast gedurende de aanlegfase valt niet te voorkomen, maar natuurlijk wordt wel geprobeerd om de overlast te beperken. Ook zullen bewoners en ondernemers vooraf goed worden geïnformeerd over de uitvoering van de werkzaamheden en de planning. Zie verder de beantwoording bij Z02 nummers 1 en 2 inzake overlast en nadeelcompensatie. Voor het aspect veiligheid wordt verwezen naar de beantwoording van Z35.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek menen wij dat de toekomstige situatie zal voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. In de toelichting zal worden ingegaan op het onderzoek naar omgevingsveiligheid bij calamiteiten en de rapportage zal worden opgenomen in de bijlagen bij het PIP. De zienswijze heeft geen gevolgen voor de vergunningen van de gemeente Den Haag.

38

Z26

1

Gemeenteraad Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunningen van de gemeente Delft In verband hiermee is de zienswijze tegen deze ontwerpbesluiten niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER De gemeenteraad heeft de op 29 april 2021 ingediende voorlopige zienswijze in de raadsvergadering van 11 mei 2021 bekrachtigd. De zienswijze betreft de volgende aspecten: 1. Verzocht wordt om een Sociale Effect Rapportage of paragraaf toe te voegen aan het combiMER waarin aandacht wordt besteed aan de sociale effecten van het project. Zie Z08 nummer 10 voor de beantwoording van het aspect `sociale effecten'. 2. Delft verleent medewerking aan de aanleg van WarmtelinQ dat in de toekomst ook mogelijkheden biedt voor het realiseren van de eigen duurzaamheidsambities, maar de raad benadrukt dat het geen financiële bijdrage aan het project zal leveren bij tegenvallers bij de aanleg of exploitatie. Wij nemen kennis van dit standpunt. 3.

Verzocht wordt om aandacht te hebben voor tijdige en correcte communicatie met bewoners en ondernemers over het project en om de overlast van de werkzaamheden te beperken door deze binnen reguliere werktijden uit te voeren en zonodig geluidbeperkende maatregelen te treffen. Zie Z01 voor de beantwoording van het aspect communicatie en participatie. Voor de beantwoording van het aspect overlast wordt verwezen naar het antwoord bij Z24 nummer 20. 4. Verzocht wordt om het ruimtebeslag van het project en het verdwijnen van groen duidelijk en tijdig zichtbaar te maken. Benadrukt wordt dat op grond van de vergunningsvoorwaarden de kap van bomen en groen alleen buiten het broedseizoen mag plaatsvinden. De vergunningsvoorwaarden zijn bekend bij de initiatiefnemer. Deze zullen voorafgaand aan de werkzaamheden helder worden gecommuniceerd. 5

Ten aanzien van de lokale opwarming van de grond, wil de gemeenteraad samen met WarmtelinQ bepalen in hoeverre dit aanleiding moet zijn om het herinrichtingsplan 'groen' nog aan te passen. In het onderzoek `Warmteoverdracht agrarische percelen' heeft Deltares onderzoek gedaan naar de temperatuurseffecten in de ondergrond van de leiding in de gemeente Midden-Delfland en de daaraan gerelateerde gewasschade. Dit onderzoek is gebaseerd op warmtemetingen langs de Leiding over Noord van Eneco in Vlaardingen. Op basis van die metingen zijn eveneens onderzoeken gedaan naar de situatie ter plaatse van het eco-aquaduct over de A4 en de effecten daarvan op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De berekeningen in deze onderzoeken staven de aannames in het MER ten aanzien van de warmtetoename in de bodem en de conclusie dat deze niet tot blijvende negatieve effecten leidt. In verband met de zandige bodemsamenstelling wordt nog aanvullend onderzoek verricht naar de warmteoverdracht in de stedelijke omgeving van Den Haag. De beschikbare onderzoeken zijn intussen toegezonden aan de leden van de ambtelijke projectgroep, waarin uw gemeente ook is 39

vertegenwoordigd. De resultaten van de onderzoeken zullen in de toelichting bij het PIP beknopt worden beschreven en tevens worden opgenomen in de bijlagen bij het vastgestelde PIP. Deze onderzoeken kunt u benutten bij het gesprek met WarmtelinQ over de herinrichtingsplannen 6. Verzocht wordt om aandacht te hebben voor de ruimtelijke inpassing van het pompstation en om het geluid van dit pompstation tot het minimum te beperken. Naar omwonenden moet hierover tijdig en correct worden gecommuniceerd. Voor wat betreft de ruimtelijke inpassing van het pompstation en de geluidsituatie ter plaatse wordt verwezen naar het antwoord bij Z24 nummers 23 en 24. Om de door initiatiefnemer voorgestelde situering en inrichting van de buitenruimte te borgen, zal in het inpassingsplan de planregeling voor het pompstation worden aangescherpt. Overeenkomstig de antwoorden onder Z01 en Z24, nummer 20 zullen omwonenden hierover tijdig worden geïnformeerd. 7. Verzocht wordt om bij de communicatie over de aanleg van WarmtelinQ de bewoners en ondernemers ook te informeren over wat de transitie naar warmtenetten voor hen gaat betekenen. Gemeente en provincie kunnen hier gezamenlijk optrekken.

Tijdige, volledige en eerlijke communicatie is van groot belang voor het draagvlak onder de warmtetransitie, terwijl bij de gemeenteraad en bewoners zorgen leven over de betaalbaarheid en het gebrek aan keuzevrijheid tussen leveranciers. Zie Z01 voor de beantwoording van het onderwerp communicatie en participatie. Voor wat betreft het aspect betaalbaarheid wordt verwezen naar Z24 nummer 15. 8. Kan door middel van een rapportage meer inzicht worden gegeven in de veiligheid van de leiding. De leiding wordt weliswaar uitgerust met een lekdetectiesysteem, maar desondanks leven er zorgen over het feit dat bij een lekkage zeer heet water de oppervlakte kan bereiken. Ten aanzien van de veiligheid wordt opgemerkt dat ten behoeve van het inpassingsplan onderzoek is verricht naar de omgevingsveiligheid (zie bijlage 22). Uit de berekeningen in dit rapport blijkt dat wordt voldaan aan de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico. Dat wil zeggen dat de kans op overlijden als gevolg van het falen van de warmtetransportleiding lager is dan 1 op de miljoen per jaar. Hoewel de risico's dus heel klein zijn, is mede naar aanleiding van de zienswijze van de veiligheidsregio's Rotterdam-Rijnmond en Haaglanden, aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de omgevingsveiligheid bij calamiteiten. Zie daarom ook de beantwoording van Z35.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek menen wij dat de situatie die het inpassingsplan mogelijk maakt, zal voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. 9. Tot slot leven er bij inwoners en raadsleden zorgen over de duurzaamheid van de warmte, die afkomstig is uit de Rotterdamse haven met petrochemische industrie, en of er in de toekomst voldoende warmte geproduceerd blijft om WarmtelinQ te kunnen blijven exploiteren. Vanuit de Europese en nationale regelgeving is de CO2 uitstoot van restwarmte nul. Volgens Europa en het Rijk is restwarmte dus duurzame warmte, de provincie ziet geen redenen om van dat standpunt af te wijken. De warmte komt vnj bij productieprocessen en wordt benut voor de verwarming bij andere gebruikers. Hierdoor komt er geen extra CO2 vnj voor de opwekking (centraal of decentraal) van die elders te benutten warmte. Voor het beperken van de uitstoot van de industriële sector is onder andere in juni 2019 een klimaatakkoord gesloten waarbij circulariteit een steeds grotere rol gaat spelen in de verduurzaming van de industrie en het beperken van emissies. Ook wanneer de industrie verduurzaamd zal er sprake zijn van warmte die bij de productieprocessen vrijkomt.

Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. In de toelichting zal worden ingegaan op de onderzoeken naar warmteafdracht in de bodem en de omgevingsveiligheid bij calamiteiten en de rapportages zullen worden opgenomen in de bijlagen bij het PIP. De planregeling en verbeelding voor het pompstation in Delft worden aangepast. 40

Z27

Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Delft: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Delft: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Delft: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen • Provincie Zuid-Holland: Vergunning gebruiken provinciale infrastructuur (Kruithuisweg — N470) De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de vergunning voor het gebruiken van provinciale infrastructuur. In verband hiermee is de zienswijze tegen dit ontwerpbesluit niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerpbesluiten Delft • Ontwerp-PIP/Combi-MER Indiener meent dat het geplande warmtenet in Delft onnodig door woonwijken en onder de stad wordt gebouwd. Volgens hem is het veel milieuvriendelijker om het tracé langs de A4 te leggen, vanwege de zeer vergaande effecten op de volksgezondheid (uitlaatgassen, stikstof, het verwijderen van de schaarse natuur in de woonwijk). Zie voor de beantwoording van de suggestie rondom de ligging langs de A4 het antwoord onder Z24 nummer 7. Voor het aspect overlast wordt verwezen naar het antwoord bij Z24 nummer 20.

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z28

!

Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Hoogheemraadschap Delfland: Watervergunning waterstaatswerken en bijbehorende zones De zienswijze heeft inhoudelijk geen betrekking op de watervergunning voor het wijzigen of gebruikmaken van waterstaatswerken. In verband hiermee is de zienswijze tegen dit ontwerpbesluit niet-ontvankelijk. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER Indiener vraagt of deze warmtebuis effect heeft op het drinkwater. Kan de drinkwaterleiding warm worden zodat er bacterievorming kan plaatsvinden? Nee, want warmte overdracht tussen leidingen vindt vooral plaats als leidingen parallel vlak bij elkaar lopen. Het tracé voor WarmtelinQ is zo ontworpen dat de leidingen op gepaste afstand van de drinkwaterleiding liggen. Daar waar de leidingen dichterbij elkaar komen, is extra isolatie toegevoegd om te voorkomen dat de warmtetransportleiding de drinkwaterleiding zal opwarmen.

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z29

Heijmans Vastgoed BV (F. Verbaan) De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): Ontwerp-PIP • Indiener realiseert samen met Stichting Staedion een bouwproject van 50 woningen, commerciële ruimtes en een parkeergarage met 105 openbare plaatsen aan de Tripstraat (Energiekwartier). In dit bouwplan zijn ook een warmteoverdrachtstation (WOS2), een pompstation en een HTM41

onderstation ingepast. Voor het plan is op 30 maart 2021 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend en deze zal naar verwachting eind 2021 worden verleend. Indiener meent dat de planregels van het ontwerp-PIP — bij ongewijzigde vaststelling — dit bouwproject kunnen belemmeren en daarom is een zienswijze ingediend. De zienswijze betreft de volgende punten: 1. Ingevolge artikel 4.1 van de planregels mogen alleen bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de warmtetransportleiding en deze regel vormt derhalve een belemmering voor het hiervoor geschetste bouwproject en de parkeergarage. Artikel 4.3 bevat weliswaar een bevoegdheid om van artikel 4.1 af te wijken, maar die regeling ziet alleen op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken en kan dus niet worden toegepast voor nieuwe bouwwerken. Het bouwplan dat Heijmans en Stichting Staedion ontwikkelen voor locatie A in het Energiekwartier, maakt geen deel uit van het project waarvoor dit inpassingsplan (PIP) wordt opgesteld. Daarom is de provincie Zuid-Holland niet bevoegd om voor dit bouwplan regels op te nemen in het PIP.

Om moor te zorgen dat andere ontwikkelingen op en langs het tracé onverhoopt door het PIP worden belemmerd, is in artikel 6.1 onder b, van het PIP geregeld dat de planregels uit de onderliggende bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor strijdig gebruik van toepassing blijven, waarbij de dubbelbestemming (uit het PIP) voor gaat. Als de omgevingsvergunning voor het bouwplan van Heijmans/Staedion door de gemeente wordt verleend vóór de inwerkingtreding van het PIP, dan geldt deze regel, náást o.a. het door indiener aangehaalde artikel 4.3 (dat inderdaad niet ziet op nieuwe bouwwerken). Ook het verbod uit artikel 4.5 geldt niet als werken/werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van het bouwplan, krachtens een verleende omgevingsvergunning (art. 4.5.2, sub d). Op deze wijze zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden uit alle vigerende bestemmingsplannen en verleende omgevingsvergunningen voor de percelen die samenvallen met de dubbelbestemming `Leiding — Warmtetransportleiding' gewaarborgd.

Als op het moment dat het vastgestelde PIP in werking treedt, de omgevingsvergunning voor het bouwplan van Heijmans/Staedion nog niet is verleend, dan gaat het PIP (inclusief artikel 6.1 onder b) op grond van de Wro automatisch deel uitmaken van het gemeentelijke bestemmingsplan en kan het college van B&W van de gemeente Den Haag in de lopende vergunningprocedure (voor de activiteit `Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening') voor het bouwplan (op basis van artikel 4.3 van de planregels van het PIP en een positief advies van de leidingbeheerder) óók afwijken van de bouwregels uit artikel 4.2 van het PIP. Ook in die volgorde levert het PIP derhalve geen belemmering op voor het bouwplan 2. Indiener meent dat het PIP rekening moet houden met dit initiatief, omdat het voldoende concreet en tijdig kenbaar is geweest nu de aanvraag op 30 maart 2021 is ingediend. Om die reden wordt verzocht om het inpassingsplan zodanig aan te passen dat de planregels het aangevraagde project niet in de weg staan en wordt een suggestie gedaan voor aanpassing van de planregels zodat ook bouwplannen waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, zijn toegestaan. Zoals uitgelegd onder 1 vormen de planregels van het PIP geen belemmering voor het bouwplan van Heijmans/Staedion.

De suggesties worden op prijs gesteld, maar mede gelet op het feit dat Provinciale Staten niet bevoegd zijn om voor dit bouwplan regels op te nemen in het PIP, wordt hier geen gebruik van gemaakt. 3. Voorts kan indiener niet instemmen met artikel 6.1 waarin staat dat bij een dubbelbestemming de bestemming Leiding (en WOS2) voorrang heeft op andere dubbelbestemmingen. Deze regel miskent het belang van de andere programmaonderdelen die binnen deze bestemming moeten worden gerealiseerd (HTM-onderstation, parkeren, commerciële voorzieningen en wonen). Op basis van het voorgaande wordt verzocht om deze voorrangsregeling in artikel 6.1 te schrappen en door aanpassing van artikel 4 ervoor te zorgen dat alle onderdelen van het bouwplan planologisch zijn toegestaan conform ingediende aanvraag. Hiervoor worden enkele specifieke tekstvoorstellen gedaan.

42

In aanvulling op het antwoord onder 1: de betreffende regeling ziet alleen op situaties waarin er sprake is van tegenstrijdige belangen. De vrees van indiener dat deze zinsnede het bouwplan in juridische zin belemmert is dan ook niet terecht. Door het uitgebreide technische vooroverleg tussen Heijmans en initiatiefnemer WarmtelinQ over de integratie van de warmteleiding en het WOS2 in de diverse programmaonderdelen van het bouwplan, is voorkomen dat beide bouwplannen elkaar in de weg zitten. Om de zorgen van indiener op dit punt weg te ne men, zullen de begripsbepaling van een WOS (artikel 1.19) en de regels in artikel 4 worden afgestemd op de ingediende bouwaanvraag. 4.

Tot slot wordt verzocht om de verbeelding van het ontwerp-PIP aan te passen aan de situering op een kaartje in de zienswijze (dat aansluit bij de ingediende bouwaanvraag) aangezien op basis van die situering het WOS niet geheel binnen het bestemmingsvlak past. De verbeelding zal naar aanleiding van dit punt worden aangepast

Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. De planregeling en de verbeelding ter plaatse van het WOS2 op de locatie Tripstraat worden aangepast.

Z30

Stichting Staedion De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP Zie Z29. Zie de beantwoording van Z29.

Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. De planregeling en de verbeelding ter plaatse van het WOS2 op de locatie Tripstraat worden aangepast.

Z31

Particulier uit Delft De zienswijze is niet-ontvankelijk

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z32

Turks Islamitisch Culturele Stichting De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener verwacht dat door de aanleg van de leiding het leven van de bewoners van Moerwijk, Rustenburg en Oostbroek en Transvaal overhoop worden gehaald, terwijl de leefbaarheid van die wijken en de gezondheid van de bewoners als onder druk staan. Desondanks weten maar weinig mensen langs het tracé van de plannen en één digitale informatiebijeenkomst is in Transvaal echt onvoldoende. De uitgravingen zullen leiden tot overlast, verkeerschaos en het verlies van bomen, terwijl de rioleringswerkzaamheden net zijn afgerond, waarvan ondernemers al veel last hadden en omzetverlies hebben geleden, terwijl de warmte niet voor Transvaal bedoeld is. Daarom zijn de 43

bewoners en organisaties niet blij met de route (via Middachtenweg, De Ia Reyweg, Kempstraat, Herman Costerstraat, Uitenhagestraat en Tripstraat) en de benodigde werkzaamheden. Indiener meent dat in de voorliggende plannen onderstaande zaken niet zorgvuldig zijn onderzocht. Om die reden mag de leiding niet via Transvaal lopen. De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor het transport van warmte naar de lokale warmtenetten in Den Haag, zodat daarmee de woningen in de toekomst duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is een belangrijke stap in de verduurzaming van de warmtevoorziening. Voor het tracé zijn verschillende alternatieven onderzocht, maar deze lopen allemaal door het stedelijk gebied van Den Haag en dat is onvermijdelijk. Enige overlast gedurende de aanlegfase valt niet te voorkomen, maar natuurlijk wordt wel geprobeerd om de overlast te beperken. Ook zullen bewoners en ondernemers vooraf goed worden geïnformeerd over de uitvoering van de werkzaamheden en de planning. Zie Z01 voor de beantwoording van het onderwerp communicatie en participatie. Ten aanzien van de aspecten overlast en nadeelcompensatie wordt verwezen naar het antwoord bij Z02 nummers 1 en 2. 1. Wat de gevolgen zijn van de werkzaamheden voor de natuur en op de biodiversiteit.

In het MER zijn de gevolgen voor de natuur beschreven (zie hoofdstuk 12 en specifiek pagina 181 voor de beoordeling in Den Haag). Zoals indiener terecht opmerkt, zullen de gevolgen voor de natuur en biodiversiteit zich vooral voordoen in de aanlegfase. Zo gauw de warmteleiding er ligt, zijn de gevolgen voor natuur en biodiversiteit zeer beperkt. Omdat de gevolgen voor natuur in het MER zijn beschreven, is daarmee automatisch ook gekeken naar de gevolgen voor de natuur in sterk verstedelijkt gebied en zijn deze ook beschreven. In het kader van dit project vormt biodiversiteit geen expliciet onderdeel van het MER omdat effecten op soorten en natuurgebieden al in beeld worden gebracht. Bovendien is in het MER ingegaan op de effecten van het voornemen op het groen in de omgeving (zie hoofdstuk 8 Landschap). Biodiversiteit is wel één van de criteria bij het opstellen van de herinrichtingsplannen en de selectie van soorten voor de herinrichting. Dit gebeurt door de initiatiefnemer in overleg met de gemeente, maar ook met andere stakeholders, zoals lokale (groene) belangenorganisaties en omwonenden. Onnodige aantasting van groen zal zoveel mogelijk worden voorkomen. De herinrichtingsplannen moeten nog worden uitgewerkt en omwonenden worden hierin betrokken door WarmtelinQ in samenwerking met de gemeenten. 2.

Wat is de impact van de werkzaamheden voor ondernemers en hoe wordt hun materiele schade gecompenseerd? Zie hiervoor nummer 1. 3. Wat als er bij de aanleg schade optreedt aan woningen en wie draagt daarvoor het risico? Zie ook Z02 nummer 2 voor de beantwoording van het onderwerp schade en nadeelcompensatie. De verantwoordelijkheid voor dit risico ligt geheel bij WarmtelinQ B. V. 4. Hoe is de inbreng van bewoners van Transvaal verwerkt in de plannen? Mede door corona zijn inwoners beperkt in hun recht van inspraak en participatie, terwijl dat essentieel is voor de uitvoering van dergelijke omvangrijke project. Indiener verwijst daarbij naar het rapport van de commissie Brenninkmeijer. Zie Z01 voor de beantwoording van het onderwerp inspraak en participatie 5. Er is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van de Warmtewet en voor de betaalbaarheid. Voor wat betreft de gevolgen van de Wet Collectieve Warmtevoorziening (Warmtewet 2.0) en het aspect betaalbaarheid wordt verwezen naar Z24 nummer 15. 6. De financiële risico's van WarmtelinQ liggen bij de deelnemende overheden en het is niet duidelijk wat de gevolgen zijn voor de huishoudens. 44

Zie Z04 voor de beantwoording van het onderwerp financiële verdeling en nummer 5 ten aanzien van de gevolgen voor consumenten.

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z33

Particulier uit Delft

I

De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Combi-MER De zienswijze heeft inhoudelijk ook betrekking op onderwerpen uit het PIP. In afwijking van de eigen opgave is de zienswijze betrokken bij de volgende besluiten: • Ontwerp-PIP/Combi-MER Indiener vindt dat een ander tracé moet worden gekozen zodat een prachtig beschermd natuurgebied en ecologisch kerngebied behouden kan blijven. De nieuwe warmtetransportleiding is bedoeld voor de transport van restwarmte naar lokale warmtenetten, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is zo belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelen dat enige overlast, of tijdelijke aantasting van groen tijdens de aanlegfase wordt geaccepteerd. In het verleden zijn verschillende alternatieven onderzocht. Zie hierover de antwoorden onder Z24 nummers 7 en 20. Onnodige aantasting van groen zal zoveel mogelijk worden voorkomen. Zie ook de beantwoording van Z14 en Z24 nummer 9 voor de beantwoording over aantasting van het groen en het proces rond de herinrichtingsplannen.

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z34

Particulier uit Delft De zienswijze is niet-ontvankelijk

Conclusie De zienswijze heeft geen gevolgen voor de ontwerpbesluiten in deze procedure.

Z35

Veiligheidsregio's Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Ontwerp-PIP • Combi-MER 1. Indiener vindt dat in bijlage 22 (rapport over omgevingsveiligheidsrisico's) een nadere uitwerking ontbreekt van de effecten van de plasvorming van heet water bij de scenario's, ook omdat het tracé door dicht bevolkt gebied loopt. Indiener mist een beschouwing van de combinatie van het tracé, het dichtbevolkte gebied en de effecten van incidenten daarop en dringt erop aan dat aan deze punten expliciet aandacht wordt besteed alvorens het gebruik van de leiding aanvaardbaar te achten. Hoewel uit de berekeningen in dit rapport blijkt dat wordt voldaan aan de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico en de risico's dus heel klein zijn, zal in een aanvullende rapportage nader worden ingegaan op de genoemde onderwerpen. Wij verwachten dat daarmee bij de besluitvorming op het inpassingsplan afdoende duidelijkheid bestaat op de omgevingsveiligheid bij calamiteiten en op de effecten hiervan op de hulpverlening. De veiligheidsregio's zullen worden uitgenodigd om aan deze aanvulling een bijdrage te leveren. 45

2. Tevens wordt geadviseerd om bovengrondse zichtbaarheid te creëren, bijvoorbeeld door het plaatsen van paaltjes. Dit advies zal door de gemeenten worden betrokken bij de diverse herinrichtingsplannen voor het stedelijk gebied. 3. Tot slot is van belang dat bij de aanleg en het onderhoud van de leiding de bereikbaarheid van het gebied voor hulpdiensten geborgd blijven. Dit punt zal worden meegenomen in de overleggen met de diverse bevoegde gezagen over de uitwerking en verdere uitvoering van de aanlegwerkzaamheden. De aannemers die de werkzaamheden uitvoeren zullen een plan moeten overleggen ter goedkeuring aan de gemeenten waarin onder andere de bereikbaarheid ook voor hulpdiensten is gewaarborgd.

Conclusie De zienswijze heeft gevolgen voor het inpassingsplan. In de toelichting zal worden ingegaan op het onderzoek naar omgevingsveiligheid bij calamiteiten en de rapportage zal worden opgenomen in de bijlagen bij het PIP.

Z36

LdM C.V. De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Den Haag: Werken of werkzaamheden uitvoeren • Den Haag: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van houtopstanden Indiener heeft op 29 april 2021 een pro forma-zienswijze ingediend ter zekerstelling van rechten. Deze zienswijze is binnen de gestelde aanvullingstermijn (25 mei 2021) aangevuld. 1. Indiener is van mening dat de ontwerpbeschikking van de gemeente Den Haag een onwenselijke en juridisch onjuiste koppeling bevat voor de activiteit kappen. Dit betreft de voorwaarde dat pas gekapt mag worden als de uitvoeringsvergunning openbreken van wegen (ex artikel 2.11 APV Den Haag) is verleend. Indiener meent dat deze voorwaarde niet aan de omgevingsvergunning voor het kappen mag worden verbonden omdat voor de activiteit kappen het voor langere tijd afsluiten en openbreken van wegen niet noodzakelijk is. Daarmee voldoet de voorwaarde dat pas gekapt mag worden als een vergunning ex artikel 2.11 APV is verleend, niet aan de vereisten uit artikel 2.91 APV. Verzocht wordt om deze voorwaarde te schappen. In tegenstelling tot wat indiener beweert, is de voorwaarde dat pas gekapt mag worden als de uitvoeringsvergunning openbreken van wegen (ex artikel 2.11 APV Den Haag) is verleend, juridisch niet onjuist.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11166269/1