CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311200 Bijlage 3

Gemeenteraad 19 mei 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake beleidsnota Archeologie en bijlagen: toelichting op de Archeologische Waarden & Verwachtingenkaart 2021 (AWVK) en Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie (GOA) (RIS311200)47.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

8.3 Chronologie In hoeverre chronologie een onderzoeksthema is hangt sterk samen met de beschikbaarheid van historische bronnen. Voor het begin van de late middeleeuwen bestaat nog geen eenduidig inzicht in de typochronologie en het gebruik van de belangrijkste categorieën importaar-

401 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 5 en 70. 402 Magendans en Waasdorp 1986; Van Zoolingen 2017. 403 Van Veen en Barwasser 2012. 404 De vorming van legakkers en grote plassen in de Tedingerbroekpolder is goed te zien op de kaarten van Delfland van Cruquis uit 1712. Historische bronnen betreffende slagturven vanaf 1585 in Archief Hoogheemraadschap van Delfland OAD- inventarisnr. 4786. De Wateringveldsche polders zijn vanaf tweede helft 18de eeuw verveend. Moerman 2014, p.15. Broekpolder: zie o.a. Archief Hoogheemraadschap van Delfland OAD – inventarisnr. 4341/4. Oude-en Nieuwe Broekpolder, verveende en voor vervening vatbare percelen land etc. onder het ambacht Rijswijk (circa 1808). 81

dewerk (Pingsdorf, Duisburg, Andenne, Paffrath en kogelpotaardewerk). Het uitvoeren van dendrochronologisch onderzoek aan hout van bijvoorbeeld huizen, waterputten en beschoeiingen biedt belangrijke mogelijkheden om bewoningsfasen en gesloten vondstcomplexen nader te dateren. Omgekeerd biedt dit ook mogelijkheden om de dendrochronologische dateringscurven te verbeteren. Tegenwoordig kunnen ook andere houtsoorten dan eik (waaronder naaldhout) goede resultaten opleveren. Daarnaast bieden zandige afzettingen in het duingebied mogelijkheden voor luminescentiedatering (OSL). Met behulp van deze methode kunnen overstuivingen preciezer worden gedateerd en hun frequentie en ruimtelijke verbreiding beter worden vastgesteld. In de loop van de late middeleeuwen neemt de beschikbaarheid aan historische bronnen toe. Daarnaast zijn de typologieën van aardewerk dankzij het Deventer Systeem en voor metaalvondsten voor het latere deel van deze periode geoptimaliseerd, waardoor zeer nauwkeurig gedateerd kan worden. Veel is echter nog onduidelijkheid over de sociale mobiliteit van goederen. Importmateriaal wordt vaak gezien als indicatief voor statusverschillen. Hetzelfde geldt voor luxe materiaal. Producten en materialen kennen echter een grote sociale mobiliteit. Een product dat eerst alleen voor de elite was weggelegd, wordt later algemeen goed.

Alleen door te beoordelen wat lokaal of regionaal aan materiële cultuur de norm is en in welke periode, kunnen uitzonderingen in termen van mogelijke uitingsvormen van statusverschillen geïdentificeerd worden. y Kunnen procentuele verhoudingen van verschillende soorten aardewerk een bijdrage leveren aan het opstellen van relatieve dateringen voor grondsporen, structuren en nederzettingsfasen? y Welke verschillende soorten aardewerk zijn aanwezig en hoe zijn de verhoudingen daartussen? Wat levert de verspreiding van (verschillende [functionele] soorten) aardewerk op voor het beeld van de activiteiten binnen en de ontwikkeling van de nederzetting? y Waar is het aardewerk geproduceerd? Zijn er aanwijzingen voor lokaal of regionaal vervaardigde keramiekproducten? y Wat zijn de aard, herkomst en betekenis van al dan niet geïmporteerde ‘luxe’ goederen of geïmporteerde producten?

8.4 Lokale fenomenen Stad en buitengebied Een stad is het resultaat van het samenkomen van zes aspecten: y een economische structuur (markt en handel), y een sociale structuur (ambachtslieden, handelaren, geestelijkheid en aristocratie), y de fysieke structuur (lay-out, versterking en openbare gebouwen), y de gerechtelijke eigenschappen, y de landschappelijke situatie, y en de politieke levendigheid. Het ontbreken van een of meer van deze factoren maakt dat een nederzetting een dorp is.405 Den Haag mist, zoals in onderstaande paragrafen zal blijken, alleen de lay-out van een versterking. De Italiaans-Nederduitse koopman en historicus Lodovico Guiccardini beschreef in 1567 Den Haag als het mooiste dorp van Europa. Men kon vanaf het platteland zomaar de stad binnen lopen. Hierdoor zal de interactie tussen platteland en stad intensief zijn geweest. Steden hadden een ingrijpende invloed op het omringende platteland. Er zijn aanwijzingen voor agrarische intensivering (zoals tuinbouw), ontginning, de stichting van hoeven, schaalvergroting en specialisatie. Die aanwijzingen dateren vooral vanaf de 13de-14de eeuw. De betrokkenheid van stedelijke elitegroepen bij het omringende platteland kan zich uiten in de 405 Blonk-van den Bercken e.a. 2020, p. 240. 82

architectuur en materiële cultuur, met name bij nieuw gestichte boerderijen. De invloed van het platteland op de stad kan zich uiten in de architectuur en agrarische activiteiten in de stad. De rol van de graven van Holland op het landschap en de steden in de omgeving van Den Haag in de periode 1000-1300 wordt in het kader van een promotieonderzoek verder onderzocht.406 Onderzoeksresultaten uit Den Haag, onder andere van het Binnenhof (vindplaats 1),407 kunnen daaraan mogelijk bijdragen. De economische status van leenmannen, ridders en welgeborenen, vrije boeren en horige boeren is niet duidelijk vastomlijnd. Het blijkt in veel gevallen moeilijk te zijn om de archeologische resultaten van woonplaatsen op het platteland tot eenvoudige patronen terug te brengen die aan een economische en sociale status van de bewoner kan worden gekoppeld. Bult heeft zijn pogingen voor de Hof van Delft op een rijtje gezet.408 Met die kritische blik en met vergelijkingen in de regio moeten ook de resultaten van Haagse opgravingen worden bekeken (denk aan het project Rotterdamsebaan, vindplaats 193-195).409 Op een eenvoudiger niveau is dat ook het geval: in hoeverre verschilt de materiële cultuur van plattelandsbewoners met die van de steden. Daarnaast is er een grote kennislacune wat betreft de constructie van de boerderijen en de uitleg van de erven, vooral voor de periode voor circa 1600.

De afgelopen jaren zijn op de locaties Monsterseweg (vindplaats 93),410 Hubertustunnel (vindplaats 149),411 Uithofslaan (vindplaats 146)412 en Madestein (vindplaats 54)413 archeologische gegevens naar boven gekomen over de constructie van zowel houten als (deels) stenen boerderijen. De uitwerking van recente onderzoeken in de Vlietzone (project Rotterdamsebaan) gaat daar verandering in brengen. De locaties van de stedelijke elite met zijn stadskastelen lijken iets makkelijker te traceren door het bestaan van afbeeldingen op schilderijen en nog bewaarde bakstenen structuren. De vernieuwingswoede uit de nieuwe tijd heeft echter veel oudere sporen uitgewist, zowel van de gebouwen als van de overige sporen van de materiële cultuur.

y Waar stonden de eerste boerderijen in Die Haghe? y Waar lagen in de late middeleeuwen de boerenerven en hoe waren deze ingericht? Hoe was de ligging en de inrichting van de boerenerven ten opzichte van de natuurlijke omgeving? y Welke typen boerderijen waren in gebruik en hoe zagen die eruit? y Hoe verliep het versteningsproces in de stad en in de dorpskernen Loosduinen en Scheveningen? y Hoe is de ontwikkeling geweest van de stadskastelen? y Hoe en wanneer ontstonden gesloten rooilijnen? y Hoe verliep de ruimtelijke ontwikkeling in perceleringen en bebouwing binnen een kavel? y Welke voorzieningen waren er op de achtererven en binnenplaatsen? Met aandacht voor de voedselproductie. y Hoe en wanneer komen stadshuizen tot ontwikkeling? y Wat zijn de kenmerken van de ontwikkeling van woonhuizen en andere gebouwen? y Welke grondverbeteringen zijn er aangebracht voorafgaande aan huizenbouw en wegenbouw? y Hoe heeft de infrastructuur zich ontwikkeld? y Hoe verloopt de ontwikkeling van de toepassing van de verschillende funderingstechnieken, met speciale aandacht voor zogenaamde drijvende kelders?

406 Onderzoeksproject Hoven in Holland 900-1300 Universiteit Leiden, looptijd 2018-2022. 407 Van Veen 2015. 408 Bult 2018. 409 Publicatie in voorbereiding. 410 Houkes e.a. 2008. 411 Bulten 2007. 412 Pavlović 2018. 413 Van Veen 2010. 83

y Welke voorzieningen waren er in en bij de huizen voor de aan- en afvoer van water en afval? y Welke gemeenschappelijke voorzieningen waren er in de stad en op het platteland voor de aan- en afvoer van water en afval en op welke locaties? y In hoeverre verschilt de materiële cultuur van plattelandsbewoners met die van de steden? y Welke archeologische sporen en vondsten van de plattelandsbewoning (in de voormalige Rijswijkerbroek) zijn indicatief voor het bepalen van de sociale en economische status van de bewoners? Denk hierbij specifiek aan de bewoning op omgrachte terreinen. y Welke bijdrage leverde het omringende platteland aan de consumptiebehoeften van de stedelingen? Denk daarbij niet alleen aan voedsel voor mens en dier maar ook aan vlas, wol, hennep etc., en paarden.

y Welke landbouwmethodes werden gehanteerd? Hoe werd bemest (gebruik van potstallen, huisvuil, branden etc.)? y Wat is de datering van speciale akkervormen zoals die in de vorm van rillen (Solleveld)? y Welke rol speelde de ‘stadslandbouw’ in de stedelijke samenleving en in de ruimtelijke organisatie van steden? y Is te achterhalen welke landbouwgewassen (granen, vlas, hennep etc.) verbouwd zijn? y Kunnen we verschillen in materiële cultuur, zowel de mobiele als immobiele zaken (hout- of steenbouw, grachtstructuren, perceelgrootte e.d.) koppelen aan sociale en economische status? Welke kenmerken zijn relevant? y Is het mogelijk om een statusschaal te maken met behulp van de afmetingen, indeling, materiaalgebruik van de huizen en de aard van overige voorzieningen (sociale differentiatie op basis van verschillen in behuizingen en afval)? y Hoe kunnen afwijkingen in een algemeen beeld (bijvoorbeeld een luxeproduct in een armelijke context) worden verklaard? y Is het mogelijk om op basis van organisch en anorganisch afval uitspraken te doen over welvaart en religie van de voormalige veroorzaker van het afval? y Welke uitingen van sociaal-culturele identiteit kunnen aan de hand van opgegraven voorwerpen worden aangetoond? y Tot welke sociaaleconomische groepen behoren de personen die deze voorwerpen in huis hadden?414 y Welke invloed heeft de vestiging van immigranten gehad op de

lokale materiële cultuur?

Economie en ambacht De vestiging van het grafelijke hof ten westen van het dorp Die Haghe betekende een economische impuls voor de plaats. Het grote grafelijke domein rond Die Haghe leverde de graaf, vertegenwoordigd in personen van rentmeesters en klerken, aanzienlijke inkomsten op, zowel in geld als in natura. Een deel daarvan werd door de bewoners van het hof en de dieren die daar verbleven geconsumeerd: vis, wild, gevogelte, turf, hooi, en hout. De rest werd verkocht. Een deel van het grafelijke eigendom werd verhuurd of verpacht. Dit laatste gebeurde met de bouw- en weilanden, met de huiserven, veenderijen en met de molens.415 In het kielzog van de graaf vestigden zich in en rond het hof allerlei ambtelijke en adellijke lieden. De ambtsdragers en ambtenaren gaven op hun beurt werk aan ambachtslieden en middenstand. Ook in de stadhouderlijke periode en daarna zijn er gespecialiseerde ambachtslieden die luxeproducten maken ten behoeve van het hof en de rest van de elite. Daarnaast werden ook veel goederen van elders aangevoerd. Er werd druk gehandeld en geproduceerd. In de directe nabijheid van het Spui stonden de pakhuizen. Ook kon men overladen op kleinere bootjes of op karren om de goederen verder de nederzetting in te voeren. Economisch werd Den Haag zeker wel als stads gezien.

Er was sinds 1334 een eigen jaarmarkt en er waren zes ambachtsgilden, voor timmerlieden, schoenmakers, vollers, wolwevers, tap414 Stellingwerf 2019, p. 143. 415 Ibelings 2004, p. 152. 84

pers en een combinatie van (kunst)schilders, glazenmakers, borduurwerkers, beeldensnijders en verluchters.416 In het gebied ten zuiden van de Spuistraat ontwikkelde zich in de late middeleeuwen een handwerkswijkje. Vanaf de tweede helft van de 14de tot het einde van de 15de eeuw was de lakennijverheid economisch van belang. In de 16de eeuw liep het belang terug.417 Het centrum van de productie van laken lag tussen de Spuistraat en de Gedempte Gracht. Het water in dit gebied speelde een belangrijke rol bij de bedrijfsvoering. Afval van ambachtelijke activiteiten wordt bij archeologisch onderzoek in Den Haag regelmatig aangetroffen,418 maar minder vaak dan op basis van historische bronnen wordt verwacht. Archeologisch laat de lakenindustrie zich vooral kennen door merkloden, zogenaamde lakenloodjes. De rol van de Haagse lakenindustrie wordt vooral door de historische bronnen over exporten en kwaliteitsnormen duidelijk.419 De Haagse loden worden slechts zelden buiten de stad gevonden.

Deelbewerkingsloodjes, maar ook botanische indicatoren, zoals verfstoffen en kaardebollen, verwijzen naar locaties waar het lakenambacht werd beoefend.420 Dat geldt ook voor het zoölogische afval van een wolploter.421 Textielnijverheid op huisniveau, zoals weven, kan worden aangetoond door de aanwezigheid van spinsteentjes en spinstokjes.422 Andere werktuigen van bot zijn moeilijker te benoemen en daarom ook lastig terug te vinden in de opgravingsrapporten.423 Naast de ambachtslieden van de lakennijverheid vestigden zich ook andere beroepsgroepen zoals bakkers en molenaars, visverkopers, vleeshouwers, schoenmakers, kleermakers, borduurwerkers, bontwerkers, chirurgijns, tin- en geelgieters, (zilver-)smeden, juweliers, beeldsnijders, schilders, tappers, timmerlieden, metselaars, steenhouwers, rietdekkers, lijndraaiers, blekers, glazenmakers, kuipers, houtdraaiers, wagen- en schuitvoerders in de stad. Ook zijn er nog lange tijd boerenbedrijven aan de randen van de stedelijke bebouwing. Slechts een klein deel van de ambachten is archeologisch aangetoond.

Over het herkennen van ambachtelijke activiteiten in archeologische bronnen is recent een overzichtspublicatie verschenen, met daarin aanbevelingen voor het herkennen van ambachtelijke activiteiten bij archeologisch onderzoek.424 Diverse locaties van smeden kunnen op basis van vondsten van smeltkroezen worden geïdentificeerd.425 Metaalslakken bevatten informatie die op een enkele uitzondering na bij de meeste laatmiddeleeuwse vindplaatsen niet is onderzocht.426 Het betrekken van indicatoren voor ambachten uit de bijvangst van botanische grondmonsters zou het aantal archeologisch traceerbare locaties kunnen verhogen.427 Bier was eeuwenlang de belangrijkste drank en werd in een aantal perioden ook in Den Haag geproduceerd, onder andere ten oosten van het Spui en in een aantal kloosters.428 Het werd echter ook van elders aangevoerd.429 Behalve grondstoffen als granen was hier ook schoon water voor nodig.

416 Ibelings 2004, p. 175. 417 Ibelings 2004. 418 Bouma 2013; Van Veen en Pavlović 2007; Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 72, 83, 92, 119 en 126. 419 Ibelings 2004, p. 171–174. 420 Bouma 2013, verfstof wouw; kaardebollen uit BEZ00o. 421 Van Veen en Pavlović 2007. 422 Kloosterlocaties: AMI97, GML02o. Gasthuis: DRI99. Platteland: Rotterdamsebaan, IBL97. Stad: ANN91, BEZ00o, BIJ86, HOF86, JAC97, KH84, LSD83, OM83, SPU90, KET02o, VOL04o, LVH96, VIJV04o en HBK02w. 423 Benen werktuigen uit bijvoorbeeld AMI97 en BIJ86. 424 Blonk-van den Bercken e.a. 2020, p. 251–252. 425 BIR98, HOF86, JAC97 (tevens handgereedschappen), WES86, BEZ00o, REK94, GSL08o, NHP11o. 426 Wel onderzocht: vroegmiddeleeuwse vindplaats Frankenslag. Niet nader onderzocht: o.a. ANN91, AMI97, KET03o, REK94, ZUI93. 427 Bijvoorbeeld: flintertjes hamerslag. 428 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 88. 429 Van Veen en Barwasser 2012. 85

Van veel voedingsmiddelen en andere consumptiegoederen is moeilijk na te gaan of ze afkomstig zijn van productie in de stad, regio of van elders komen. Ten aanzien van organische producten zijn de handelsstromen archeologisch niet of slechts ten dele te traceren. Te denken valt aan merktekens op typisch verpakkingsmateriaal, zoals fruitkoppen, biertonnen en verpakkingsloden en dergelijke. Maar ook de formaten van hergebruikte tonnen kunnen – mits zeer accuraat ingemeten in het veld – via de inhoudsmaat aanwijzingen opleveren over de herkomst.430 y Wat zijn de aard, verschijningsvormen, omvang en context van ambachtelijke specialisatie? y Zijn indicatoren van ambachtelijke activiteiten aan een fase in de productieketen van een bepaald ambacht te plaatsen? y Welke biologische indicatoren voor ambachtelijke activiteiten zijn aanwezig? y Welke gereedschappen worden voor de ambachtelijke activiteiten gebruikt? y Vinden er ook ambachtelijke activiteiten plaats buiten de stad? y Wanneer was er sprake van een lokale aardewerk- en glasproductie? Welke producten zijn te onderscheiden en waar waren de bedrijven gevestigd? y Wat was de rol van de zeevisserij (nabijheid zee, dorp Scheveningen) op het lokale consumptiepatroon? Preciezer: wat is de verhouding tussen het percentage geconsumeerde zout- en zoetwatervissen? y Welke typen zegel- of lakenloodjes waren in gebruik in Den Haag?

Kunnen deze worden gedateerd? y Kunnen we op basis van zegelloodjes het product en de herkomst daarvan achterhalen? y Kunnen, aan de hand van specifiek afval van bepaalde beroepsgroepen, bedrijfsplaatsen worden gelokaliseerd? y Kunnen we aan de hand van de samenstelling van afval onderscheid maken tussen een gewoon huishouden en een herberg? y Welke consumptiepatronen en handelscontacten zijn archeologisch te traceren? y Kunnen we op basis van de maatvoering van tonnen de functie en herkomst bepalen? y Hoe waren de gebouwen met economische functie zoals molens, scheepswerven, pakhuizen, brouwerijen, waaggebouwen en andere marktgebouwen en industriecomplexen ingericht? y Kunnen we (in combinatie met HisGis) verbanden leggen tussen de locaties van de verschillende beroepsgroepen en de infrastructuur?

Begravingen, religie, kerk en kloosters Zoals in veel laatmiddeleeuwse plaatsen, speelde religie een belangrijke rol in het dagelijkse leven van de bewoners van Die Haghe en Haagambacht. De religieuze instellingen hadden naast spirituele taken ook taken op sociaal vlak in de zin van armen- en ziekenzorg, zorg voor wezen en onderwijs. Kerken De parochie van Die Haghe werd eind 13de eeuw afgesplitst van de kerk van Monster. De kerk van Scheveningen is in de middeleeuwen nooit zelfstandig geworden maar viel onder die van Den Haag. De kapel van Eikenduinen is in 1266 gesticht door graaf Willem II en is een van de oudste Godshuizen van Den Haag. Van de kapel is sinds de 16de eeuw nog een ruïne bewaard gebleven. De parochiekerk van Die Haghe die aan Sint Jacobus was gewijd (vindplaats 84), werd omstreeks 1276 gesticht. In de huidige vorm dateert de kerk grotendeels uit de 15de eeuw. Er wordt vermoed dat de eerste fase van de kerk in hout was uitgevoerd. Rondom de kerk lag het kerkhof dat tot in de late 17de eeuw in gebruik was.431

430 Alberts 2019. 431 Pavlović en van Veen 2021. 86

Een belangrijk gebouw in het Binnenhofcomplex (vindplaats 1)432 is de Hofkapel, gebouwd eind 13de eeuw. Dit gebouw was de laatste rustplaats van de graven van het Beierse Huis (13491433), van de aan de kapel verbonden kanunniken en van vele andere prominenten. In 1770, 1897 en 1972 zijn waarnemingen gedaan in de grafkelders. Er zijn nog begravingen aanwezig. De kapel is een aantal malen vergroot en uiteindelijk afgebroken. De sloop is niet compleet geweest. Zowel in het huidige gebouw als in de grond zijn resten van het oorspronkelijke gebouw bewaard gebleven. Behalve bovengenoemde kerk, de Hofkapel en de kerken behorende bij de kloosters, had Den Haag in de 15de en 16de eeuw nog een groot aantal kapellen en kapelletjes.433 De meeste zijn tijdens of rond de Hervorming gesloopt en een aantal kreeg een andere functie. Hun exacte locatie is in veel gevallen niet bekend. Kloosters Een klooster is een nederzetting voor een specifieke bevolkingsgroep met een specifieke functie (c.q. specifieke functies). Dit komt tot uitdrukking in bouwwijze, terreinindeling en materiële cultuur. Kloosters waren veel meer dan alleen het hoofdgebouw; ze omvatten vaak een uitgestrekt gebied. Dat was zorgvuldig ingericht om zo goed mogelijk te voorzien in de diverse behoeften van het klooster, de kloosterlingen, belanghebbende leden van elitegroepen en gasten.

Hierbij gaat het in de eerste plaats om de productie van voedsel zoals boomgaarden, ommuurde groente- en kruidentuinen, maar ook, visvijvers, molens, boerderijen. Voor de gasten waren er gasthuizen. Voor brandstof werden hakhoutbossen geëxploiteerd en houtskool gebrand. Wegen en paden waren gericht op het klooster. Het oudste klooster (vindplaats 50), van rond 1230, lag in Loosduinen en was bedoeld voor adellijke vrouwen. In de 13de eeuw werden hier onder andere kinderen van graaf Floris de Vijfde begraven. Rond het graf van de jongste dochter van graaf Floris IV ontstond een bedevaartsplaats. Deze graven zijn met de andere graven in latere tijd verloren gegaan. Tijdens de restauratie zijn wel enkele 14deeeuwse beschilderde grafkelders gevonden die zijn behouden. De gerestaureerde kloosterkerk bevat 13de-eeuwse bouwdelen. In de 15de eeuw werden er vijf kloosters in Die Haghe gesticht. Deze bevonden zich aan de randen van de bestaande bebouwing. In 1403 werd door graaf Albrecht en zijn vrouw Margaretha van Kleef aan het Voorhout het dominicaner Sint Vincentiusklooster gesticht. Dit terrein (vindplaats 108) is gedeeltelijk onderzocht, een groot deel was voor 1994 al zwaar verstoord.434 Van het klooster bestaat nog de kerk (kloosterkerk) en een muur van de eetzaal.

In de periode tot 1482 kwamen er onder invloed van een religieuze beweging, de Moderne Devotie, vier vrouwenkloosters in Den Haag bij: het Sint Elisabethklooster ter plaatse van de huidige Grote Markt (vindplaats 111), het Sint Agnietenklooster aan het Westeinde (vindplaats 3), het klooster van Sint Maria in Galilea aan de Poten en het Sint Barbaraklooster op de hoek van het Westeinde en de Assendelftstraat. De onderzoekjes bij het Sint Elisabethklooster en het Sint Agnietenklooster zijn zeer beperkt in omvang geweest. In de kelder van Westeinde 15 zijn delen van het Agnietenklooster bewaard gebleven.435 Van de bebouwing van het Sint Barbaraklooster zijn sporen bewaard gebleven in het casco van Westeinde 40-42.436 Sociale en medische zorg Vanaf de 14de eeuw ontstonden gasthuizen, gebouwen die speciaal ingericht werden voor de verzorging van de armen, bejaarden, reizigers, krankzinnigen en leprozen. Tussen 1355 en 1904 was tussen de Annastraat, de Driehoekjes en de voormalige Gasthuissteeg het

432 Van Veen 2015. 433 Janse en Van Veen 2004, p. 227. 434 Jacobs en Van Veen 1996. 435 Van Veen 2000; Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 3 en 36. 436 Van der Hoeve 2013. 87

St. Nicolaasgasthuis (vindplaats 128) gevestigd. Dit is archeologisch onderzocht.437 Daarnaast was er het Sacramentsgasthuis in de Oude Molstraat. Voor de hulp aan bijzondere ziektegevallen zijn in Den Haag het Leprooshuis (ligging aan het Zieken/Huygenspark) en het Pest- en Dolhuis (ligging hoek Vleersteeg en Slijkeinde) gebouwd. Het complex van het Leprooshuis werd mogelijk al omstreeks het midden van de 14de eeuw gebouwd. De zorg voor wezen was sinds 1452 toevertrouwd aan weesmeesters. Wezen werden sinds 1564 gehuisvest in het Burgerweeshuis. Bejaarden konden zich inkopen in een gasthuis (proveniers). Begraafplaatsen In 784 na Chr. verbood Karel de Grote begravingen op andere plaatsen dan kerken en kerkhoven, maar pas in de 12de eeuw ontstaat er in onze contreien een enigszins fijnmazig netwerk van parochies en parochiekerken. Het duurde waarschijnlijk nog eeuwen voordat begraven bij kerken overal een standaard praktijk was. De oudste laatmiddeleeuwse begraafplaatsen zijn die van Loosduinen (vindplaats 50), Eik en Duinen (vindplaats 127) en het kerkhof van de St. Jacobskerk (vindplaats 84). In de Hofkapel (vindplaats 1) zijn alleen elitebegravingen bijgezet.

Dijkstra gaat er vanuit dat de locatie van veel van de jongere generaties Hollandse parochiekerken op het ‘oude land’ in een eerder stadium als christelijke begraafplaats dienst deed.438 De historische stichtingsdatum van kerken of kapellen hoeft niet perse gekoppeld te zijn aan de begravingen op deze locaties. Dit zou bevestigd kunnen worden door gericht 14C-dateringen van skeletmateriaal. Veel van de oudste begravingen zullen echter zijn geruimd of vergraven. De kans op het aantreffen van geïsoleerde begravingen of kleine grafveldjes bij vooronderzoek lijkt erg klein. Uitvaartrituelen waren in de late middeleeuwen onlosmakelijk verbonden met het christendom. Het idee van de wederopstanding, de herrijzenis van de doden op de Dag des Oordeels, bepaalde de vorm die de lijkbezorging aannam en zorgde ervoor dat crematie verboden was. Men begroef de doden zo dicht mogelijk bij relieken van heiligen die waren ondergebracht in het hoofdaltaar van een kerk, klooster of kapel. Relieken boden namelijk bescherming en de betreffende heilige kon bemiddelen met God. Het was daarom gunstig om zo dicht mogelijk bij het altaar begraven te worden. Daarnaast is er een historische aanwijzing dat geïnfecteerde doden op bepaalde plekken werden begraven. Deze zijn echter nog niet gelokaliseerd.

Religieuze beleving In het kader van religieuze beleving is er een aantal onderzoeksterreinen, namelijk onderzoek naar thuisdevotie, pelgrimage en het voorkomen van rituelen als bouwoffers etc. Het eerste wordt archeologisch getraceerd door beelden, crucifixen en dergelijke, en het tweede door insignes. y Wanneer, waar en hoe ontstaan begraafplaatsen bij kerken: kerkhoven? y Hoe zijn de ontwikkelingen in de plattegronden van de kerken (die niet anders dan archeologisch zijn te traceren)? y Hoe ziet de ruimtelijke indeling van kloostercomplexen eruit? Aspecten van wonen, werken, voedsel en watervoorziening, begraven etc. y Welke rituele handelingen zijn archeologisch te traceren? Denk aan bouwoffers, opzettelijk breken van beeldjes, het vouwen van insignes, etc. y Is aan de hand van insignes te bepalen welke pelgrimsplaatsen bezocht werden door de Hagenaars?

437 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 128. 438 Dijkstra 2011, p. 277. 88

y Welke insignes werden er gemaakt voor bezoekers van bedevaartplaatsen in Den Haag (klooster Loosduinen, Eikenduinen, St. Jacobskerk)? y Wat zijn de materiële overblijfselen van begravingen en begrafenisrituelen? Denk bijvoorbeeld aan oriëntatie, aan- of afwezigheid van een kist, het voorkomen van grafgiften zoals kransen, amuletten, munten, rozenkransen, kruisjes etc. y Hoe was het kerkhof ingedeeld? welke rol speelt de oriëntatie van de kerk en omliggende wegen daarbij? Is na te gaan of bepaalde delen van het kerkhof favoriet waren. Welk gedeelte is bedoeld voor geïnfecteerde doden? y Wat is de aard van de populaties (leeftijdsopbouw, geslacht, genetische relatie) en zijn er aanwijzingen voor pathologische en/of traumatologische aandoeningen? y Hoe zag de ruimtelijke indeling van de verschillende sociale (verzorgings-)complexen eruit?

8.5 Bovenlokale fenomenen Bestaanseconomie De economie ondergaat in de late middeleeuwen een sterke diversificatie. Handel en nijverheid spelen, zowel voor de steden als op het platteland een grote rol. Hoewel de landbouw nog steeds voor de plattelandseconomie belangrijk blijft, houdt de omvang van de productie (graan en veeteeltproducten) in deze periode steeds meer verband met de handelsstromen over de korte tot de lange afstand en de (ontwikkeling van) regionale en internationale handelscentra.

Infrastructuur De vraag is in hoeverre deze handelsstromen uit en naar Den Haag ook archeologisch zijn te traceren. Handelswegen liepen over de strandwallen en dwars daarop door het veen. Een van de veenstroompjes, het Spui, werd in 1344 gekanaliseerd en verlengd zodat er een verbinding tussen het grachtenwater van het Binnenhof en de Vliet tot stand kwam. In één klap werd Den Haag in een directe vaarverbinding gebracht met belangrijke plaatsen in het binnenland als Leiden, Gouda, Delft, Rotterdam en Dordrecht. Hiermee was een eind gekomen aan het relatieve isolement waarin het dorp tot dan toe had verkeerd. Het Spui werd de belangrijkste aan- en afvoerweg voor personen, goederen en grondstoffen. Langs het Spui lagen de kades waar de schippers hun goederen, soms met behulp van loskranen, ontscheepten.439 Voor het hele Haagse grondgebied geldt dat er meer duidelijk zou moeten komen over de ontwikkeling van de infrastructuur. Vooral langs de kust en in veengebieden worden van oudsher hydrologische maatregelen genomen om land te draineren en om het waterpeil onder controle te brengen. Hierbij gaat het om het graven van sloten en kanalen en om de bouw van dammen, dijken, stuwen, molens, sluizen, etc. Merendeels zijn dergelijke structuren gesitueerd buiten de ‘bewoonde wereld’ waarop de meeste archeologische aandacht gericht is.

Inzicht in de ouderdom, constructie, het functioneren en de context (waterbeheersingssysteem en sociaaleconomisch) is essentieel voor een beter begrip van de dynamische interactie tussen mens en landschap in gebieden die gedomineerd worden door de invloed van water.

Waterbeheersing en scheepvaart Aan water gelegen nederzettingen kunnen sterk van elkaar verschillen. De ene nederzetting was vooral afhankelijk van de visserij (Scheveningen), de andere had een centrale positie in de handel (Die Haghe) via het water (het Spui sinds 1344). De toegang tot maritieme/waterinfra-

439 Benjamins 2010. 89

structuur kan grote invloed hebben gehad op de ruimtelijke en economische ontwikkeling van nederzettingen aan het water. De relatie met het water kan fundamenteel veranderen. Steden kunnen zich mentaal en fysiek van het water afkeren (bijvoorbeeld andere handelsstromen, verzanding, erosie). Transport over het water: rivieren, beken kanalen etc. lijkt vaak makkelijker en sneller te zijn geweest dan transport over land. Om de mogelijkheden van transport via het water ten volle te kunnen benutten, waren soms aanpassingen nodig. Die kunnen beperkt zijn, zoals het verstevigen van een oever of het plaatsen van meerpalen. Meer ingrijpend zijn het aanbrengen van beschoeiingen en kadestructuren, en maatregelen om de waterloop de beïnvloeden. Nog ingrijpender is het graven van kanalen en waterverbindingen om gebieden via het water bereikbaar te maken of om de aansluiting op maritieme handelsnetwerken niet te verliezen. Voor dit doel zijn ook beken recht getrokken of met elkaar verbonden. Lokale en (inter)regionale aanpassingen aan de (maritieme) infrastructuur kunnen verband houden met veranderende handelspatronen. Historische bronnen geven hier (ook) informatie over. Regelmatig wordt scheepshout aangetroffen als onderdeel van waterputten, kapconstructies, beschoeiingen, sluizen, graven etc. Opmerkelijk is dat dit in Den Haag niet het geval lijkt te zijn.

Soms wordt hergebruikt scheepshout teruggevonden op plaatsen die niet aan bevaarbaar water lagen. Vooral langs de kust en in veengebieden worden van oudsher hydrologische maatregelen genomen om land te draineren en om het waterpeil onder controle te brengen. Hierbij gaat het om het graven van sloten en kanalen en om de bouw van dammen, dijken, stuwen, molens, sluizen etc. Merendeels zijn dergelijke structuren gesitueerd buiten de ‘bewoonde wereld’ waarop de meeste archeologische aandacht gericht is. Inzicht in de ouderdom, constructie, het functioneren en de context (waterbeheersingssysteem en sociaaleconomisch) is essentieel voor een beter begrip van de dynamische interactie tussen mens en landschap.

y Hoe zag de laatmiddeleeuwse infrastructuur van Den Haag eruit? y Wat waren de belangrijkste handelsroutes? y Hoe heeft de infrastructuur zich zowel over land als over water ontwikkeld in Den Haag? y Zijn de handelsstromen van en naar Den Haag te traceren en te kwantificeren? y Wat is de aard, ouderdom, ligging, functie en samenhang van structuren die samenhangen met waterbeheer? y Wat was het effect van de toegang tot (bevaarbaar) water op de ontwikkeling van nederzettingen binnen Den Haag? y Hoe was de waterverbinding met de binnenstad? y Waar waren scheepsbouwactiviteiten, handelaren, toeleveranciers of aanverwante ambachten en industrieën gepositioneerd? y Wat waren de economische effecten van de gerichtheid op het water (zoutziederijen, luxe glasblazerijen, majolicabakkers, kanonnengieters, katoendrukkers, bierbrouwers etc.)? y Welke infrastructurele en sociaaleconomische rol speelden waterwegen en de scheepvaart? y Wat zegt het hergebruikte materiaal over bovenlokale contacten en het functioneren van handelsnetwerken? Is hergebruik gebonden aan specifieke gebieden, perioden of contexten?

90

9 Nieuwe tijd 9.1 Inleiding Voor onderzoek naar de nieuwe tijd (1500 tot nu) spelen historische bronnen en archiefmateriaal een steeds grotere rol. Historisch kaart- en beeldmateriaal en in het geval van de Tweede Wereldoorlog zelfs ooggetuigenverslagen van overlevenden, dragen bij aan een zeer gedetailleerd beeld van Den Haag in de nieuwe tijd. Daarnaast is er voor deze periode een steeds dunnere lijn tussen ondergronds (archeologisch) en bovengronds (monumentaal) erfgoed, aangezien in toenemende mate de structuren/ bouwwerken nog aanwezig zijn in het straatbeeld. De zichtbaarheid van het materiaal spreekt tevens snel tot de verbeelding bij het publiek. Hierdoor zijn er bijvoorbeeld veel amateurgroepen en -historici in de gemeente aanwezig die zich bezighouden met het latere deel van deze periode, van industrieel erfgoed tot bunkeronderzoek. Met name voor de late nieuwe tijd (vanaf 1750) tot nu is de vraag in hoeverre archeologisch onderzoek kan bijdragen aan de bekende historische gegevens en wat de specifieke kenniswinst zou zijn. De meerwaarde van archeologisch onderzoek moet goed worden afgewogen. Het onderzoek naar de latere fasen van deze periode heeft veel baat bij een erfgoedbrede aanpak. Dit vereist onder andere nauwere samenwerking met het Haags Gemeentearchief (HGA) en de afdeling Monumentenzorg en Welstand en amateuronderzoeksgroepen. Hiermee kan eerder 91

duidelijk worden gemaakt of, en welke vraagstellingen bij individuele onderzoekslocaties kunnen worden geplaatst. Met de resultaten van historisch onderzoek zouden ook de onderzoeksvragen uit de GOA verder aangescherpt kunnen worden.

9.2 Cultuurlandschap Landschappelijke ontwikkelingen vanaf de 15de eeuw staan in het teken van daling van het veengebied als gevolg van inklinking van het veen en erosie van het oppervlak. Dit hield een relatieve grondwaterstijging in en daaruit voortvloeiende vermindering van akkerbouwareaal. Men greep in door het bemalen van polders en andere vormen van waterbeheersing. Er trad een verschuiving op naar een meer op veeteelt georiënteerde economie. Dit had niet alleen een landschappelijke oorzaak, maar had vooral ook te maken met de toename van de Haagse bevolking (met name in de 17de eeuw) en de toegenomen vraag naar veeteeltproducten. Een aantal polders veranderde vanaf de 18de eeuw in watervlakten als gevolg van het intensieve slagturven (turfwinning onder water met behulp van baggerbeugels). Deze gebieden werden later weer drooggemalen en opnieuw verkaveld en in gebruik genomen door landbouw. De nieuwe tijd laat tevens een ingrijpende ontwikkeling zien in de bebouwing van het landschap. Waar tot in de 19de eeuw de locatiekeuze voor bewoning grotendeels door landschappelijke factoren werd bepaald, wordt het door onder andere technologische ontwikkelingen en bevolkingsgroei mogelijk (en noodzakelijk) om het landschap aan te passen aan de (woon) behoeften van de mens. Naarmate deze periode vordert wordt het ingrijpen op het landschap grootschaliger.

In de verspreiding van buitenplaatsen op historisch kaartmateriaal uit de 18de eeuw440 is te zien dat de strandwallen nog duidelijk worden gevolgd, terwijl hier tijdens de 19de en het begin van de 20ste eeuw geen sprake meer van is.441 Er vinden ontginningen, afzandingen, ophogingen, inpolderingen en ontwateringen plaats, waardoor nieuwe locaties zijn gerealiseerd onder andere voor voedselproductie en huisvesting. Deze zijn grotendeels in kaart gebracht en verwerkt in de huidige Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart Den Haag (AWVK). Deze ingrepen op het landschap hebben uiteraard ook gevolgen voor de aanwezigheid en verwachting op archeologische resten uit voorafgaande perioden. y Vanaf wanneer speelt het landschap duidelijk geen rol meer speelt in de keuze voor een bewoningslocatie? y Welke grondverbeteringen zijn er aangebracht voorafgaande aan huizenbouw en wegenbouw? Wat is de locatie van afzandingen? y Kades, schutsluizen en duikers zijn minder goed aantoonbaar op historisch kaartmateriaal. Op welke locaties zijn deze terug te vinden en zijn er trends of ontwikkelingen in de (bouw) technieken te zien? y De locatie van historische molens is vrij goed bekend. Hoe zijn deze bewaard gebleven en hoe verhouden ze zich tot middeleeuwse voorgangers (ook in locatiekeuze in de polder)?

9.3 Lokale fenomenen Bevolking en wooncultuur Bevolkingsgroei en immigratie In de 16de eeuw kampte Den Haag met een terugval in de bevolkingsgroei. Omdat Den Haag geen verdedigingswerken had, werden uit veiligheidsoverwegingen aan het begin van de 80-jarige oorlog het Hof van Holland en de Rekenkamer verplaatst naar Utrecht. De 440 Kaart van Cruquius 1712. 441 Bonnebladen, specifiek: B420, B421, B439, B440, B458, B459. 92

bevolkingskrimp maakte echter een ommekeer vanaf het eind van de 16de eeuw, snel na de vestiging van stadhouder Maurits en de terugkeer van regeringscolleges op het Binnenhof. Behalve de gebouwen op het grafelijke, later stadhouderlijke, hof waren er binnen Den Haag meer gebouwen die gebruikt werden door het bestuur, zoals de logementen van de steden die zitting hadden in de Staten. Er is archeologisch onderzoek gedaan bij het Logement van Gouda (vindplaats 108), waar uit de aangetroffen beerput lakzegels met Goudse afbeeldingen het logement kon worden geïdentificeerd.442 De stad maakte een snelle economische groei door. In hoeverre de bevolkingsgroei door immigratie is veroorzaakt, is niet geheel duidelijk. Isotopenonderzoek op skeletmateriaal zou daar mogelijk meer duidelijkheid over kunnen verschaffen. De ruimtelijke ontwikkeling van Den Haag wordt weer in beweging gezet na de aanleg van een nieuw havengebied (Spui), een grachtengordel, een waterverbinding met Loosduinen en de aanleg van nieuwbouwwijken aan het begin van de 17de eeuw.443 In de tweede helft van de 18de eeuw was Den Haag desondanks nog relatief klein van omvang. Van 1800 tot 1870 was sprake van een periode van geleidelijke aanwas van nieuwbouw, waarin de ontwikkeling van de voorgaande eeuw min of meer werd voortgezet en ingezette vernieuwingen nog weinig impact hadden.

Na 1870 valt echter een spectaculair stijgende lijn te constateren, onder invloed van een almaar toenemende welvaart en bureaucratisch apparaat. In met name het begin van de 20ste eeuw heeft de bebouwing zich als een olievlek over het omringende land uitgebreid, zodat tijdens deze periode meerdere oude dorpskernen (Scheveningen, Wateringen) aan elkaar zijn gegroeid. De gemeente Den Haag heeft in deze tijden ook omliggend gebied geannexeerd (Loosduinen in 1923). Steden worden gekenmerkt door een grote diversiteit in bevolkingsgroepen waarbij onderscheid kan worden gemaakt in welstand, verschillende beroepsgroepen, geloofsovertuiging en land van herkomst. Den Haag is hier geen uitzondering op. De diversiteit komt onder andere tot uiting in het uiterlijk en de locatie van de huizen, de huisraad, kleding, sieraden, geconsumeerd voedsel en drank, begrafenisgewoonten etc., maar ook in recreatieve voorzieningen die voor meerdere groepen toegankelijk waren in de openlucht (zoals: vinkenbanen, renbanen, maliebanen, kolfbanen, dierentuinen) of binnen (koffiehuizen, herbergen, theaters, doelengebouwen, sociëteiten, maneges, kunstverzamelingen etc.). Verzuiling zorgde dat mensen van de eigen geloofsgroep werden onderhouden, op onder andere het gebied van onderwijs, sociale en medische zorg. Na de Reformatie zijn verschillende weeshuizen gesticht, elk met een eigen geloofssignatuur.

Een van deze weeshuizen werd gevestigd in een leegstaand klooster, maar andere, zoals die aan het Spui (vindplaats 178) en de Hooftskade werden nieuw gebouwd.444 Naast de overheidsinitiatieven voor de jongeren was er de particuliere zorg voor de ouderen. Rijke particulieren stichtten bij testament cameren en hofjes voor de behoeftige bejaarden. Bejaarden konden zich inkopen in een gasthuis (proveniers) maar werden later ook ondergebracht in aparte afdelingen in weeshuizen en nog later in bejaardenhuizen van de diaconie en de katholieke kerk. Deze verzuiling zette tot in de 20ste eeuw door. Archeologisch onderzoek kan een belangrijke bijdrage leveren aan de verfijning van de kennis over deze diversiteit. Hierbij moet naar een combinatie met bouwhistorisch onderzoek, archiefonderzoek (waaronder boedelinventarissen) en cartografisch onderzoek gezocht worden en inzichtelijk gemaakt worden in HisGis.

442 Jacobs en Van Veen 1996. 443 Stal en Kersing 2004. 444 Van Veen 2011. 93

Archeologisch onderzoek en materiële cultuur kan tevens bijdragen aan de kennis over immigranten en bevolkingsgroepen binnen de stad. Bijvoorbeeld de influx van bewoners uit andere delen van het land, uit Vlaanderen, de rest van Europa en verder. De immigratie vanuit de Zuidelijke Nederlanden vanaf de late 16de eeuw is wel zichtbaar in de Franstalige familienamen. Rijke Portugese joden vestigden zich vanaf het laatste kwart van de 17de eeuw op het Voorhout en de Vijverberg en omgeving. Het is nog onduidelijk of deze groep archeologisch traceerbaar is en welke invloed deze groep heeft gehad op het voorkomen van importproducten.445 Vanaf het einde van de 17de eeuw ontstond er tevens een typische immigrantenwijk, de wijk tussen Voldersgracht en St. Jacobstraat, die een gemengde bevolking met hoog percentage nazaten van immigranten kende. Deze had vanaf de 18de eeuw tot de deportaties in 1942 en 1943, een grote joodse bevolking.446 Het is moeilijk om de huizen van deze groep Hagenaars archeologisch te traceren. Op het gebied van sociaal-culturele identiteiten kan er echter meer worden afgelezen dan een bepaalde religieuze achtergrond.

Politieke affiliaties zijn bijvoorbeeld zichtbaar in teksten en afbeeldingen op glas en aardewerk die betrekking hebben op de controverse van Oranjegezinden en patriotten.447 Arm en rijk Er waren grote verschillen in de leefomstandigheden tussen rijke en arme Hagenaars. Deze verschillen zijn in meerdere archeologische opzichten mogelijk aantoonbaar. Vanaf het einde van de 16de eeuw en vooral vanaf de 17de eeuw gaan rijke Hagenaars buitenplaatsen aanleggen. Deze locaties worden aanvankelijk alleen bewoond in de zomer, later worden ze permanent bewoond. Vanaf het midden van de 17de eeuw hebben ze vaak het uiterlijk van een rijk stedelijk huis. Niet alleen de buitenhuizen maar ook de tuinaanleg is onderwerp van archeologisch onderzoek evenals bijbehorende voorzieningen als eendenkooien, visvijvers en fonteinen, menagerieën, kassen en ijskelders. De enige buitenplaatsen waar archeologisch onderzoek naar de tuinaanleg is uitgevoerd, zijn Den Hoonaert (vindplaats 152) aan de Vliet en het Catshuis (vindplaats 177).448 De eerste buitens werden aangelegd door welgestelde eigenaren van boerderijplaatsen die hun boerderijen of een deel daarvan gingen inrichten als buitenverblijf. Voorbeelden hiervan zijn de boerderijplaatsen Groenesteijn (vindplaats 179)449 en Madestein (vindplaats 54).450 In deze buitenplaatsen is een verspreiding zichtbaar op hoger gelegen zandgronden.

De verdeling van rijke huishoudens op zandgronden en arme huishoudens op veen- of kleigebieden zet zich erg lang door. Historisch bronmateriaal in combinatie met geologische kaarten zouden dit kunnen verduidelijken. Niet alleen de uitvoering van de huizen maar ook de aanwezigheid van waterputten en beerputten kunnen aanwijzingen geven over de welstand. De welstandsverschillen worden ten dele gereflecteerd in het afval, zoals resten van kleding en huisraad en voedselresten. Het onderzoek naar geldige indicatoren voor welstand dient op een lokaal of regionaal niveau te worden uitgevoerd. Er lijken namelijk verschillen in de toegankelijkheid tot bepaalde producten in verschillende gebieden.

445 Van Ginkel en De Hingh 2013, p. 161, zoals Portugese faience (bekend uit particuliere collecties) en Estremozaardewerk (opgraving Grote Markt, GML95); Stolk 2018. 446 Van Creveld 1989. 447 Stellingwerf 2019; Van Veen 2015 p. 81–96. 448 Jacobs 1999; De Kort en Kattenburg 2001; Lehmann 2018. 449 Pavlović 2011b. 450 Van Veen 2010. 94

Ten aanzien van archeologische resten van kleding is er vooral afgedankt schoeisel beschikbaar naast een kleine hoeveelheid textiel.451 Statusverschillen gereflecteerd in schoeisel zijn (vermoedelijk) de uitvoering, versieringen en gebruiksduur (slijtage, reparaties). Het bezit van bepaalde kostbare producten als kraakporselein, grote voorwerpen van porselein, bepaalde faience producten en grote aantallen keukenraad en tafelgerei kunnen in bepaalde perioden gekoppeld worden aan een hoge sociaaleconomische status. Dit geldt ook voor de introductie van drinkglazen en wijnflessen. Complicerende factor is dat zeer veel voorwerpen, vooral die van (edel)metaal, waarmee werd gepronkt, niet of nauwelijks in afvalcomplexen terug te vinden zijn. Deze objecten werden vaak doorgegeven als erfstuk of zijn later omgesmolten. Een andere factor is het uit gebruik raken van beerputten en de opkomst van vuilnisophaaldiensten. Onduidelijk is of armoede archeologisch gezien enkel en alleen aantoonbaar is door de afwezigheid van rijke materialen. Het merendeel van de Hagenaars had weinig te besteden en een substantieel deel daarvan slaagde er niet in om zelf in het levensonderhoud te voorzien. In deze tijd was men aangewezen op (kerkelijke) bedeling, wat tot uiting kwam in verschillende hofjes en (te)huizen.

Verschillende archeologische onderzoeken hebben resten van 19deeeuwse armen- of diaconie woningen rond de Grote of St. Jacobskerk (vindplaats 84) blootgelegd.452 Daarnaast was er in de 19de eeuw sprake van exploitatiehofjes. Deze woningen waren klein, slecht onderhouden en bedoeld om de verhuurders zoveel mogelijk geld op te leveren. Rond 1890 zouden er rond de 9000 hofjeswoningen in Den Haag aanwezig zijn. Omstandigheden waren zeer zeker niet hygiënisch. y In hoeverre veranderde de bevolkingssamenstelling van steden en dorpen? y Is het mogelijk om een statusschaal te maken met behulp van de formaten, indeling, materiaalgebruik van de huizen en de aard van overige voorzieningen (sociale differentiatie op basis van verschillen in behuizingen en afval)? y Hoe waren de buitenplaatsen ingericht? y Hoe verloopt de ontwikkeling van de toepassing van de verschillende funderingstechnieken? y Zijn er in Den Haag gevallen bekend van drijvende kelders, zoals wel in Amsterdam en Leiden aangetoond zijn? y Hoe en met welke snelheid zijn nieuwe producten geïntroduceerd bij de welgestelden en hoe snel zijn deze producten beschikbaar gekomen voor de overige bevolkingsgroepen? y Is het mogelijk om op basis van organisch en anorganisch afval uitspraken te doen over welvaart en religie van de voormalige veroorzaker van het afval? y Is de diversiteit hierboven beschreven voor de Haagse binnenstad

tevens zichtbaar in de omringende kernen (Loosduinen, Scheveningen e.a.)? y Welke invloed heeft de vestiging van immigranten gehad op materiële cultuur? y Wat kan er worden gezegd over de hygiënische omstandigheden? y Kan er door middel van isotopen- en skeletonderzoek iets worden gezegd over de herkomst van de bevolking en kan het onderzoek een bijdrage leveren om uitspraken te doen over welvaart van individuen of groepen?

Voedselvoorziening De kennis van boerderijen in de omgeving van Den Haag kan door middel van archeologisch onderzoek worden aangevuld. Na 1600 zijn er wel cartografische bronnen die inzicht geven in de uitleg en oriëntatie van de erven. Er zijn maar weinig (bouw)historische gegevens over de constructie en inrichting van de boerderijen. De boerderijcomplexen Bovendijk 141-143 (vindplaats 49) en Veenweg 111-113 en Solleveld (vindplaats 74) vormen daarop een uitzonde451 Van Veen en Barwasser 2012; Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 99 . 452 Pavlović 2005; Pavlović en Van Veen 2021. 95

ring. De afgelopen jaren zijn met betrekking tot de constructie van postmiddeleeuwse boerderijen en inrichting van erven archeologische gegevens aan het licht gekomen op vindplaatsen zoals Groenesteijn (vindplaats 179),453 Rhijenhof (vindplaats 196),454 Kamperfoeliestraat455 en Bezuidenhoutseweg (vindplaats 183).456 Dat er nog steeds nieuwe ontdekkingen worden gedaan in postmiddeleeuwse boerderijen bleek uit de vondst (in Maassluis) van een koelsysteem. Deze kon alleen door een handmatige verwijdering van de plavuizen vloer worden aangetoond.457 De verschillende dorpskernen binnen de gemeente behouden tijdens de 18de en 19de eeuw elk een duidelijke economische focus. Scheveningen behield de focus, dankzij de landschappelijke ligging, grotendeels op de vangst en verwerking van vis. Loosduinen legde grotendeels de focus op kastuinbouw.458 De polders die Den Haag omringden boden voor landbouw en veehouderijen de ruimte. Duinen werden afgegraven om gebied vrij te maken voor aardappelteelt. Over de nijverheid en industrie ten behoeve van de voedselverwerking is nog veel onbekend. Voor Scheveningen is bijvoorbeeld het geval dat veel van de taanderijen en rokerijen die met visvangst te maken hebben een onduidelijke locatie hebben. Van molens en boerderijen is in veel gevallen onduidelijk in hoeverre ze nog in de bodem aanwezig zijn.

In de binnenstad zijn de locaties van onder andere bakkerijen en slagerijen onbekend. Hieronder wordt daar verder op ingegaan. y Hoe hebben boerderijen en boerderijplaatsen zich ontwikkeld en is er sprake van specialisatie? y Wat zijn de verschijningsvormen en sociaaleconomische context van agrarische specialisatie? y Welke rol speelde de ‘stadslandbouw’ in de stedelijke samenleving en in de ruimtelijke organisatie van steden? y Welke invloed had de stad op het omringende platteland en omgekeerd? y Hoe heeft de visvangst en visverwerking zich technologisch en economisch ontwikkeld? y Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd? y Hoe werd met afval omgegaan? Kunnen beerputten, naast het fungeren als een relatief gesloten context voor gebruiksvoorwerpen, tevens meer informatie opleveren over grotere thema’s (e.g. bevolkingsgroei, volksgezondheid, hygiënische leefomstandigheden, lokale regelgeving), zoals tevens door Van Oosten is aangetoond voor onder andere Leiden en Alkmaar?459

Ambachten en Industrie Met behulp van archiefonderzoek zou het mogelijk moeten zijn om een inzicht te krijgen in de verspreiding van de verschillende ambachten in Den Haag en omgeving. Naast kaartmateriaal waarop de functies van gebouwen staan vermeld, kan er tevens gebruik gemaakt worden van vermeldingen in de hofboeken en de vergunningen voor het zetten van bijvoorbeeld ovens. Echter, met name voor de periode 16de-17de eeuw, blijft archeologisch onderzoek erg belangrijk voor de lokalisatie van nijverheid.

453 Pavlović 2011b. 454 Lenoir 2019; Pavlović 2016. 455 Dijkstra 2018. 456 Van Baardewijk 2011; Lehmann 2018b. 457 Lezing 13-12-2019, RCE-bouwhistorie-platform door Michel van Dam (bouwhistoricus IDDS): Een boerderijkelder met vloerkoeling in Maassluis. Dit is de enige bekende vloerkoeling. De vraag in hoeverre deze uniek is kan alleen door zorgvuldig (niet machinaal) onderzoek van boerderijvloeren worden beantwoord. 458 De Ridder 1976. 459 Van Oosten 2014. 96

In de nieuwe tijd telde Den Haag in totaal circa 65 verschillende gilden.460 Het feit dat de gilden in Den Haag geen politieke macht kregen, is niet uitzonderlijk.461 Men hield zich hier vooral bezig met regulering van hun ambacht en armenzorg. De stad had allerlei voorzieningen als marktpleinen, waaggebouwen, visbanken, een vleeshal en een wanthuis (ten behoeve van de lakenindustrie). In de 16de eeuw liep het belang van de Haagse lakenproductie terug. Het centrum van de productie van laken lag tussen de Spuistraat en de Gedempte Gracht. Het water in dit gebied speelde een belangrijke rol bij de bedrijfsvoering. Archeologisch laat de lakenindustrie zich vooral kennen door merkloden, zogenaamde lakenloodjes. Hiervan zijn er in Nederland en daarbuiten nog maar weinig als Haags herkend. Naast de lakennijverheid vestigden zich ook andere beroepsgroepen zoals schoenmakers, kleermakers, tinnegieters en smeden in de stad. Werkplaatsen met specifiek aan een beroepsgroep toe te wijzen afval worden echter maar sporadisch gevonden. Rond 1600 werden de havenfaciliteiten uitgebreid door binnenhavens ten oosten van het Spui. In hetzelfde gebied was er een concentratie van herbergen en waren de opstapplekken voor de trekschuiten. Nog weer zuidelijker lagen in de 17de eeuw scheepsmakerijen. Touwslagerijen hadden veel ruimte nodig en lagen eveneens aan de randen van de stad.

De Scheveningse vissers waren vóór de aanleg van een zeehaven, voor hun binnenlandse afzetmarkt afhankelijk van een wegverbinding via het Noordeinde naar de Haagse markt en de haven aan het Spui en het latere Spuikwartier. Relatief grote hoeveelheden afval van zeevis zijn onder andere bekend van het onderzoek op de Driehoekjes (St. Nicolaasgasthuis, vindplaats 128)462 de Bierstraat (vindplaats 99) 463 en de boerderijplaats Groenesteijn (vindplaats 179).464

In de 17de eeuw werd in Den Haag fluweel gemaakt. Fragmenten fluweel zijn bij archeologisch onderzoek wel gevonden, maar ook hiervan is niet duidelijk of het een lokaal product betreft.465 Er is lokaal aardewerk en glas geproduceerd, maar er is nog weinig bekend over de vestigingslocaties en de producten zelf. Duco heeft op grond van Haagse vondsten het bestaan van een onbekende vroeg 17de-eeuwse pijpenmaker aangetoond.466 Andersom: rond 1850 was er een pijpenmaker in de wijk Kortenbosch gevestigd, waarvan we de producten nog niet kennen.467 We kennen enkele pottenbakkers van roodbakkend aardewerk en een enkele plateelbakker uit de 17de eeuw en globaal hun vestigingslocaties uit historische bronnen.468 Enkele aardewerkproducten zijn geëxporteerd. Zo werden er in de 17de eeuw door Otto van Schaik gegoten producten zoals schouwelementen en tuinvazen van terracotta geproduceerd. Dergelijke producten waren populair als goedkope vervanging van meer elitaire producten en zijn ook ver buiten Den Haag terug te vinden.469 De zogenaamde Haagse porseleinfabriek van Lyncker, uit de periode 1776-1790 kan niet tot een echte pottenbakkerij worden gerekend aangezien er alleen porselein werd beschilderd. Deze producten zijn niet uit de Haagse bodem bekend,

460 Ibelings 2004.”p. 151-180. 461 Blonk-van den Bercken, e.a. 2020, p. 214. 462 Esser e.a. 2003. 463 Esser en Beerenhout 2007. 464 Pavlović 2011b. 465 Van Veen en Barwasser 2012, p. 267–268. 466 Duco 2012. 467 Wuite 1990. 468 Van Veen 2014, p. 215–216. 469 Van Gangelen 2012, documentatie R. Wuite, typeschrift. 97

maar wel uit museale collecties.470 Dat laatste geldt ook voor het Rozenburg porselein (eind 19de –begin 20ste eeuw). Er is ook een korte tijd, in de tweede helft van de 17de eeuw tot in het eerste kwart van de 18de eeuw, glas geproduceerd. Hendrick Heuck, een meester kristalblazer uit Nijmegen vestigde zich in 1674 in Den Haag op de hoek van de Zuidwestsingel.471 In de literatuur wordt het glashuis van Heuck/le Sage in Den Haag genoemd als een van de belangrijkste façon à Venise glasproducenten. Een van de bekende vormen uit het glashuis was een geslepen zoutvat.472 Het is bij gebrek aan vondsten nog niet zeker of dit glashuis ook exporteerde.473 Totdat ook productieafval in Den Haag wordt opgegraven, is het niet mogelijk om de lokale producten te herkennen. Duurzame luxeproducten hebben hun weg vaak gevonden naar museale collecties. Zilver en tin keurmerken zijn vaak wel tot een stad te herleiden, maar niet altijd tot specifieke producenten bij gebrek aan historische gegevens. Zo is bij de opgraving in de spoortunnel in Delft in 2011 een aantal laat 16de-eeuwse tinnen kannen en borden gevonden die gemerkt zijn met een ooievaar en met een torentje.

Opvallend is dat deze Haagse producten, vermoedelijk vanwege een concurrentiebeding, onbruikbaar zijn gemaakt.474 De instroom van buitenlands aardewerk en porselein is in de tijd goed te volgen door bestudering van beerputten en slootvullingen. Vraag is wel wat de verschillen zijn tussen Haagse vondstcomplexen enerzijds en die uit de ruimere regio anderzijds en hoe die te verklaren zijn. Uit historische bronnen is bekend dat er in de 18de eeuw een werkplaats voor goudleer op het Westeinde aanwezig zou zijn. Deze is echter nog niet archeologisch aangetoond. Wat betreft de eenvoudige anorganische gebruiksartikelen die in archeologische context worden gevonden: tot nu toe lijkt een belangrijk deel van het laatmiddeleeuwse roodbakkende aardewerk uit Delft te komen. In hoeverre dit echt zo is, en of er nog een rol voor Den Haag en Leiden was, zal nader moeten worden onderzocht. In de 17de eeuw zijn er Haagse pottenbakkerijen, maar pottenbakkersafval ontbreekt. De rol van de productie in de dorpskernen in de omgeving van Den Haag (Wassenaar, Rijswijk, Veur en Voorburg) is ook nog niet duidelijk. In de 17de eeuw veranderen de importstromen in Den Haag van eenvoudig Nederlands aardewerk (nadruk achtereenvolgens op Oosterhout, Bergen op Zoom en Gouda). Met name de gedecoreerde Duitse producten zijn duidelijk te herkennen.

Daarnaast gaat Delft een belangrijke rol spelen als leverancier van faience, dat aanvankelijk een luxeproduct is, maar al snel voor elke klasse bereikbaar wordt. De faience wordt echter vanaf het laatste kwart van de 18de eeuw verdrongen door Engelse industriële waar die aanvankelijk alleen als luxeproduct wordt verhandeld. De opkomst van vuilnisophaaldiensten en het op grote schaal uit gebruik raken van beerkelders vanaf de 18de eeuw maakt een koppeling van afval aan een specifiek huishouden onmogelijk. Riolen worden aangelegd en huisvuil wordt verzameld en uitgestrooid op het land. Materiaal uit ophogingen en slootvullingen kunnen echter wel een algemeen beeld schetsen van het gebruik van bepaalde artikelen en herkomst daarvan. Verbindingen met het binnenland werden in de 19de eeuw verbeterd door aanleg van spoorwegen. In de 20ste eeuw kreeg Den Haag een nieuwe haven (Laakhaven) en Scheveningen zijn eigen havens. Transport over de weg werd bevorderd door aanleg van (snel)wegen.

470 Scholten 2000. 471 Hudig 1923, p. 63–65. 472 Kottman 1991. 473 Hudig 1923. 474 https://www.spoorzonedelft.nl/bouw/archeologie_en_monumenten/toegetakeld_tin/toegetakeld_tin [14-02-2020]. 98

In het kader van de productie van metalen voorwerpen voor de 19de eeuw is er vooral kennis wat betreft de grote objecten zoals bronzen kanonnen, klokken en bruggen. Vanaf eind 16de eeuw werden producten gemaakt voor de landsverdediging in de geschutgieterij. Deze was aanvankelijk in en naast de Kloosterkerk gevestigd en verhuisde later naar het Smidswater. Aan de Ammunitiehaven werd in 1598 ‘s Lands Ammunitie-Magazyn gebouwd. De aanwezigheid van de belangrijkste regeringscolleges leidde ook tot de oprichting van een Landsdrukkerij (later Staatsdrukkerij). Drukkerijen en de metaalindustrie (twee grote ijzergieterijen, loodpletterij, buizentrekkerij, spijkermakerij etc.) worden in de 19de eeuw belangrijke producenten en werkgevers. Er is echter duidelijk uit oude kaarten (onder andere Last en Lobatto uit 1868) op te maken dat de grote, nieuwe fabrieken zoals de IJzergieterij L.I. van Enthoven zich buiten de oude binnenstad vestigden (afgezien van één grotere gasfabriek ter hoogte van het huidige HMC Westeinde).475 Na de aanleg van de Laakhaven vormde dit een centraal punt voor de industrie die men liever niet binnen de singels had (o.a. het slachthuis). Dit laat tevens een duidelijk geval van (gemeentelijke) ruimtelijke ordening zien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11000230/1