RIS311200 Bijlage 3
Tekst van het document
280 Waasdorp en Eimermann 2008. 281 Waasdorp en Eimermann 2008. 282 Brather 2008; Dijkstra 2011, p. 223–277; Knol en Bardet 2005; Knol e.a. 1996. 283 Dijkstra 2019. 284 Van Rooij 2007, p. 43-44. 285 Lehmann 2020a; Van Veen en Waasdorp 2000 p. 40. 286 Meurkens 2014. 287 De Koning 2011. 288 Van der Velde 2008; Van der Velde e.a. 2011. 289 Bakx 2020. 290 Dijkstra 2011. 291 Nicolay 2014. 63
uitgewerkt en gepubliceerd.292 Ook wordt met elk vervolgonderzoek de buitengewone vondst van het bootvormige graf van Solleveld duidelijker.293
7.2 Cultuurlandschap In de Merovingische periode lagen verspreid over de strandwallen verschillende nederzettingsterritoria. Daarbinnen bevonden zich woonkernen in de vorm van een gehucht of lintbebouwing langs een doorgaande weg of waterloop. Vlakbij lag het gezamenlijke akkerland.294 Men maakte gebruik van de omliggende woeste gronden als weidegrond, hooiland en houtconsumptie (bossen). Tot ver in de vroege middeleeuwen was sprake van zogenaamde ‘zwervende erven’, nederzettingen die zich na één of enkele generaties over een afstand van honderden meters verplaatsten binnen een bepaald territorium.295 De uitgestrekte veenkleigebieden werden alleen extensief gebruikt voor de jacht of het weiden van vee.296 Als vestigingsplaats lijken vaak oudere, Romeinse nederzettingsplaatsen te zijn opgezocht.297 Mogelijk omdat het doorgaans schrale duinzand door de menselijke activiteiten meer voedingsstoffen bevatte. Binnen het dorpsgebied konden ook satellietdorpen of solitaire boerderijen tot ontwikkeling komen. De eerste helft van de 8ste eeuw markeerde de overgang naar de Karolingische periode, waarin veel veranderingen optraden. Veel dorpskernen werden verplaatst. Hiervoor zijn diverse redenen aan te dragen. De bestaande landbouwgronden raakten mogelijk uitgeput of verstoven.
Op het Frankenslag (vindplaats 75) werden bijvoorbeeld, aan het einde van de bewoningsfase de laatste staanders van gebouwen uit de grond getrokken, waarschijnlijk om het gebied als akker in gebruik te nemen. Daarnaast veroorzaakte volgens Dijkstra de introductie van het domeinstelsel veranderingen in grondbezit en de sociaal politieke structuur. Het domeingoed kon een heel dorp omvatten of lag verspreid over meerdere nederzettingen in de regio.298 Het ontstaan van geestgronden met boerderijen die vrijwel op dezelfde plaats bleven liggen, dateert Dijkstra vanaf de 9de eeuw. Ook veronderstelt hij dat langzamerhand in meer dorpen kapellen of kerken verschenen. Dijkstra ziet dat deze vaak in of vlakbij het domeincentrum van de lokale adel lagen.299 Deze ontwikkelingen zijn echter in Den Haag (nog) niet navolgbaar. Aan het einde van de vroege middeleeuwen vonden eind 9de eeuw ingrijpende landschappelijke veranderingen plaats. Door een toename van de Jonge Duinvorming (Laag van Den Haag) langs de kust raakten nederzettingen overstoven. Paalgaten en akkers werden met een dikke laag stuifzand gevuld en afgedekt. Of en hoe het beginnende klimaatoptimum vanaf het vroege 10de eeuw met de stijgende temperaturen en de ermee verbonden sterkere windkracht een invloed op deze ontwikkeling had, is tot nu toe nog niet verder onderzocht.
Vergelijkbare ontwikkelingen in deze periode zijn bijvoorbeeld op de Veluwe bekend.300 Ook is een vroege fase van de vorming van de Jonge Duinen niet uit te sluiten.301 De weggestoven
292 Waasdorp en Van Weerelt 2019. 293 Dijkstra 2019. 294 Dijkstra 2011, p. 186-187. 295 Dijkstra 2011, p. 373. 296 Dijkstra 2011, p. 371. 297 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 156. 298 Dijkstra 2011, p. 188. 299 Dijkstra 2011, p. 189. 300 Joosten 2004, p. 131–132. 301 Van der Valk 2019, p. 39–40. 64
bewoners konden voor een deel terecht in de veenontginningen die vanaf de 10de eeuw op gang kwamen. Waar door een toenemende periode van droogte langs de kust nederzettingen verdwenen, konden dankzij de droogte nieuwe ontstaan in het veen. Verder zijn er aanwijzingen dat lokaal hout schaars begint te worden, maar daar tegenover staan weer bronnen over de import van bouwhout.302 y Is bovenstaand beeld van de ontwikkeling van nederzettingsstructuren correct of ligt het genuanceerder? y Welke factoren bepalen de locatiekeuze voor nederzettingen in de loop van middeleeuwen, en tot welke periode verplaatsen nederzettingen zich? y Is er een relatie aantoonbaar tussen vestigingslocatie keuze in de vroege middeleeuwen en eerdere bewoning ter plaatse in de Romeinse tijd, en waaruit blijkt deze relatie? y Verplaatst de bewoning zich vanaf de strandwallen of breidt deze zich uit tot in het veenkleigebied vanaf de 9de-10de eeuw? y Hoe ziet het ontginningslandschap eruit? y Wat is de aard en context van vondsten uit de 9de en 10de eeuw in Den Haag? En zijn 10deeeuwse resten te relateren aan de ‘grote ontginningen’ vanaf de 10de eeuw? y Is verstuiving een reden voor het veronderstelde vertrek van de bewoners uit het duingebied geweest? y Waren de verstuivingen zo heftig dat men “verjaagd” is? y Wat was de invloed van het veranderende klimaat vanaf de 10de eeuw op het landschap en haar
bewoners? y Had het verwijderen van houten delen van gebouwen te maken met de veronderstelde houtschaarste of lagen andere redenen hieraan ten grondslag (bijvoorbeeld hergebruik van de grond als akker)? y Was houtschaarste een reden om het duingebied te verlaten?
7.3 Chronologie In Den Haag is een aantal perioden in de vroege middeleeuwen ondervertegenwoordigd. Dat begint met de vroeg Merovingische periode 450-550. Ook de Karolingische periode (750-900) en de daarop volgende 9de en 10de eeuw zijn slecht vertegenwoordigd in Den Haag. Dat is niet zozeer een lokaal fenomeen. Vanaf de 8ste en het begin van de 9de eeuw verdwijnen in de gehele regio de nederzettingen uit beeld. Bewoningssporen uit de 9de en 10de eeuw lijken te ontbreken. Voor dit fenomeen worden diverse oorzaken aangedragen: aanvallen van Vikingen, politieke of economische druk (denk aan verstuivingen in het duingebied), emigratie en/of rampen. Een meer praktische verklaring kan zijn dat de nederzettingen zich in deze periode in de richting van de historische dorpskernen verplaatsten. De archeologische chronologie van de vroege middeleeuwen is op vondstmateriaal gebaseerd dat meestal van buiten onze regio afkomstig is. Zeer belangrijk hierbij, vooral voor de Merovingische periode, is de Duitse grafveldarcheologie die, naast munten, ook aardewerk, fibulae,303 wapens en riemen304 en gebruiksgoederen aan bepaalde tijdhorizonten heeft toegewezen. Het beeld kan worden verfijnd met Nederlandse onderzoeken, vooral onderzoek in het noorden305 en het onderzoek van Dorestad.306 Ook onderzoek naar een specifieke metaalcategorie als
302 Kooistra e.a. 2019 en Dijkstra 2011, p. 308. 303 Böhner 1958. 304 Menghin 1983. 305 B.v. Knol e.a. 1996. 306 Es en Prummel 1980. 65
Domburg fibulae en de verspreiding daarvan is een goed voorbeeld.307 In het Nederlands kustgebied ontstaat in de 6de-7de eeuw een eigen ontwikkeling die zowel door het Noordzee bekken als ook het continent (Thüringen en Nedersaksen) beïnvloed is.308 Aardewerk is meestal de grootste vondstcategorie; de datering van een vindplaats wordt dan ook grotendeels hierop gebaseerd. Het is daarom van belang om hier bijzondere aandacht aan te besteden. De uitwerking van FRS96 (vindplaats 75) heeft laten zien dat een goede datering van contexten en complextypen de ontwikkelingen in de nederzettingen kunnen verduidelijken. Denk hierbij aan het gebruik van het Merovingische nederzettingsterrein als Karolingische akkergrond. Op Monster-Molenslag werd onderzocht of het handgevormd aardewerk iets kon zeggen over de herkomst van de bewoners.309 Verder kan aardewerk veel vertellen over contacten en mogelijke distributienetwerken, hierbij valt aan de aanwezigheid van Angelsaksische aardewerk en aardewerk uit het Rijnland te denken.310 Door het beperkte aantal vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen in Den Haag blijft het van belang chronologische grenzen en ontwikkelingen in vondstcategorieën scherper en duidelijker te krijgen.
Natuurwetenschappelijke onderzoeksmethodes zoals 14C-datering zijn juist voor het begin van deze periode een probleem; hier zal wiggle matching wellicht uitkomst kunnen bieden. Ook de mogelijkheden voor OSL-onderzoek dienen in ogenschouw genomen te worden. Voor dendrochronologische onderzoeken zijn de omstandigheden in het droge duinzand meestal slecht. Daarom is het voor deze dateringsmethode van belang om bijzondere aandacht te schenken aan diepe sporen zoals waterputten. y Wat zijn de redenen voor het gebrek aan vondsten en gegevens tussen 450 en 550? Is inderdaad sprake van een bewoningshiaat? y Wanneer wordt het Haagse grondgebied weer gekoloniseerd en waar kwamen de nieuwe bewoners vandaan? Ging dat druppelsgewijs of is er sprake van een ‘golf’? y Wat zijn de redenen voor het gebrek aan vondsten en gegevens uit de 9de en 10de eeuw? Is ook hier sprake van een bewoningshiaat? y Kunnen procentuele verhoudingen van verschillende soorten aardewerk een bijdrage leveren aan het opstellen van relatieve dateringen voor grondsporen, structuren en nederzettingsfasen? y Welke verschillende soorten aardewerk zijn aanwezig en hoe zijn de verhoudingen daartussen? Wat levert de verspreiding van (verschillende [functionele] soorten) aardewerk op voor het beeld van de activiteiten binnen en de ontwikkeling van de nederzetting? y Waar is het aardewerk geproduceerd? Zijn er aanwijzingen
voor lokaal of regionaal vervaardigde keramiekproducten? y Wat zegt dit over netwerken met betrekking tot de nederzetting op lokaal, (micro)regionaal en eventueel landelijk niveau?
7.4 Lokale fenomenen Bewoning In eerdere studies is gewezen op het pluriforme karakter van de huisbouwtraditie van boerderijen in West-Nederland. Het nederzettingsonderzoek van de afgelopen vijftien jaar heeft nieuwe inzichten geboden op de huisbouw ontwikkelingen in de regio. De woonstalhuizen laten een ontwikkeling zien die loopt van driebeukige boerderijen in de late 5de en 6de eeuw tot éénbeukige boerderijen vanaf de laat-Merovingische periode. Deze 307 Nicolay 2014, p. 263. 308 Lehmann 2019, p. 234–237. 309 Bult 2019. 310 Nieveler en Siegmund 1999; Siegmund 1998. 66
ontwikkeling past in de noordelijke bouwtraditie van Midden- en Noordoost-Nederland, maar kent ook typische regionale verschillen op het gebied van de ruimtelijke indeling, locatie van de ingangen en de dakdragende constructie.311 Hutkommen zijn in de archeoregio zeldzaam, maar niet in Den Haag en omgeving. Ze komen vooral voor in het Oude Duinlandschap (Katwijk-Zanderij en Den Haag-Frankenslag, vindplaats 75), met als uitschieter een hutkom in Rijnsburg. Voor de Merovingische periode zijn hierdoor regionale huistypen benoemd: de typen Katwijk en Rijnsburg, met drie subtypen.312 Deze huistypen zijn ook in het Statenkwartier (vindplaats 75)313 aangetroffen. Over nederzettingsomvang en -indeling in het Haagse gebied is nog weinig bekend, maar in de nabije omgeving, bij Monster-Molenslag, is recent een vroegmiddeleeuwse nederzetting opgegraven. Uit dit onderzoek blijkt dat door de eeuwen heen de nederzettingen drie tot vijf erven omvatten.314 Dit patroon is ook bij andere onderzoeken langs de kust vastgesteld.315 Daarnaast zijn de nederzettingen aan één plek gebonden, waarbij de locaties van de huizen en erven binnen deze plek door de eeuwen verplaatsten.316 De laatstgenoemde situatie is ook op FRS96 en JOB84 (vindplaats 75) aangetoond.317 Onderzoek dient zich te richten op het hele spectrum van activiteiten in nederzettingen: huis, erf maar ook (ver) daarbuiten.
In de Karolingische tijd verschenen langs de kust bootvormige plattegronden, Gasselte-achtige gebouwen met een zwaardere constructie van gebinten (type Limmen A). Vanaf de late 9de en 10de eeuw werden ook rechthoekige woonstalhuizen gebouwd (type Limmen B), die echter moeilijk te onderscheiden zijn van de schuren. Deze ontwikkeling binnen de regio is in het bodemarchief van Den Haag nog niet terug gezien. y Wat is de archeologische verschijningsvorm van nederzettingen, erven, boerderijen en andere y complextypen uit de diverse perioden? y Is er sprake van verplaatsing van huizen, erven en akkers binnen een nederzetting in de loop der tijd, zodat oude gedeeltes weer als akkerland dienstbaar konden zijn? y Hoe groot waren de akkers en het landbouwareaal bij de nederzettingen? y Hoe zien huizen, boerderijen, (bij)gebouwen zoals hutkommen, erven, kavels eruit? y Wat was de functie van nederzettingen en zijn binnen de nederzettingen activiteitenzones aan te wijzen? Zijn deze activiteitenzones te relateren aan specifieke sporen en/of structuren? y Zijn er aanwijzingen voor aanvallen van Vikingen? Zijn er aanwijzingen voor veranderingen in nederzettingen in die periode die daarmee in verband kunnen worden gebracht? Zijn er aanwijzingen voor kolonisatie door Vikinggroepen?
Bestaanseconomie Cultuurgewassen Rogge werd in de vroege middeleeuwen in de regio vermoedelijk vooral geteeld op de hogere, droogste beakkerbare delen van de strandwallen, terwijl gerst op de lagere uitlopers de voorkeur genoot.318
311 Dijkstra 2011, p. 374. 312 Dijkstra 2011, p. 196–211. 313 Magendans en Waasdorp 1989, p. 39–44. 314 Bakx 2020. 315 Dijkstra 2011, p. 170. 316 Dijkstra 2011, p. 183–184. 317 Waasdorp en Van Weerelt 2019. 318 Dijkstra 2011, p.162. 67
Andere gewassen die zijn aangetroffen betreffen tuin- of paardenboon en voerderwikke. Verder stonden diverse kruiden, noten en vruchten op het menu. Overige gebruiksgewassen waren lijnzaad/vlas, raapzaad, hennep, maanzaad en wellicht ook hop en huttentut.319 Samenstelling van de veestapel In de regio zijn diverse, gepubliceerde gegevens over vroegmiddeleeuwse assemblages dierlijk botmateriaal beschikbaar.320 Op macro niveau kan voor de regio gesteld worden dat de nadruk binnen de veestapel lag op rund (rond de 65%), vermoedelijk voor zowel melk als vlees als trekkracht. Het aandeel schaap/geit lijkt dichter bij de kust van meer belang geweest te zijn en lijkt gerelateerd te zijn aan de aanwezigheid van kwelders en oude duinen (bijvoorbeeld 43% bij de opgraving Frankenslag , vindplaats 75).321 Inzicht in de leeftijdsopbouw zou inzicht kunnen geven in de bedrijfsvoering voor wol (vlees of wol). Het belang van wolproductie kan momenteel nog niet voldoende onderbouwd worden. In de archeoregio komt ook een hoog percentage varken voor in de Merovingische periode (21%). Varkens werden, gezien de optimale slachtleeftijd tussen de anderhalf en drie jaar, vooral gehouden ten behoeve van hun vlees en spek.322 De opgravingen in het Statenkwartier (vindplaats 75) hebben duidelijk laten zien dat de betreffende nederzetting een boerderij was.
Er is geakkerd, en er was een veestapel aanwezig.323 Een duidelijk antwoord op de vraag of sprake was van een surplusproductie die groot genoeg was om van belang te zijn bij handel of uitwisseling, is momenteel nog niet te geven. Jacht en visserij De jacht op wilde zoogdieren en vogels speelde in de vroege middeleeuwen nauwelijks een rol in de regio. Visresten komen bij veel opgravingen relatief weinig voor. Dit zal, naast de slechte conservering van het botmateriaal, vermoedelijk te maken hebben met de gekozen zeefstrategie bij opgravingen. Het zeven van grondmonsters kan veel informatie verschaffen over aanwezigheid van vis in een context. Zo is duidelijk geworden dat bij de opgraving Den HaagFrankenslag (vindplaats 75) kabeljauw de belangrijkste zoutwatervis was, op afstand gevolgd door platvis. Daarna volgen trekvissen als steur en zalm, die vermoedelijk indirect verkregen zullen zijn uit de grote rivieren.324 Het belang van visvangst blijkt ook uit historische bronnen. In de bekende goederenlijst van de Utrechtse St-Maartenskerk uit het midden van de 10de eeuw wordt de aanspraak op het overgrote deel van de visserij in het kustgebied opgeëist.325 Ambachtelijke activiteiten Binnen vrijwel elke agrarische nederzetting vonden gespecialiseerde, niet-agrarische werkzaamheden plaats. Hierbij valt te denken aan metaal reparaties en huisnijverheid.
Deze activiteiten zijn doorgaans gericht op de zelfvoorziening van het boerenbedrijf. Surplusproductie is hierbij lastig vast te stellen, tenzij er sprake is van een relatief grote hoeveelheid (rest) materiaal op een klein oppervlak, zoals op de vindplaats Frankenslag (vindplaats 75).326 Op de onderzoeksterreinen JOB84 en FRS96 zijn grote hoeveelheden metaalslak aangetroffen.327 Dat roept de vraag naar mogelijke lokale ijzerbewerking en -productie op, en dus niet alleen naar
319 Dijkstra 2011, bijlage 8. 320 Dijkstra 2011, p.163. 321 Idem. 322 Dijkstra 2011, p.165. 323 Magendans en Waasdorp 1989, p. 39–44. 324 Magendans en Waasdorp 1989, p. 42-43. 325 Dijkstra 2011, p. 165. 326 Magendans en Waasdorp 1989, p.36. 327 Waasdorp en Van Weerelt 2019. 68
het smeden, maar ook naar het verwerken van (moeras)ijzererts. Voor dit proces zijn naast grondstoffen ook grote hoeveelheden brandstof (hout, veen?) en kalk (bijvoorbeeld in vorm van schelpen) nodig.328 De opgravingen in het Statenkwartier suggereren dat het verwerken van metaal gepaard gaat met sociale differentiatie. Hier staat FRS96 met een relatief kleine hoeveelheid slakmateriaal en weinig bijzondere vondsten, tegenover JOB84 met veel slakmateriaal en bijzondere vondsten zoals bronzen naalden, spelden en een riemtong, en resten van glazen bekers en kralen. De aanwezigheid van handelsplaatsen is archeologisch moeilijk vast te stellen. In bijna elke nederzetting uit de Merovingische periode in de regio zijn wel aanwijzingen voor transportfaciliteiten, importen (voornamelijk draaischijfaardewerk) en ambachtelijke werkzaamheden te vinden. De vraag of deze werkzaamheden de omvang van de eigen behoefte oversteeg, is lastig te beantwoorden.
Punt van aandacht in dit kader is dat tijdens archeologisch onderzoek de aandacht voor indicatoren van ambachtelijke activiteiten (anorganisch en organisch) nadrukkelijk moet worden benoemd.329 y Hoe voorzag men zichzelf van voedsel? Wat is de relatie tussen akkerbouw en veeteelt? Was er wellicht sprake van specialisatie? En is surplusproductie aan te tonen? y Zijn er, naast gerst en rogge, nog andere gewassen aan te wijzen die op systematische wijze in de regio werden geteeld? Zijn er bijvoorbeeld aanwijzingen voor vlasproductie? y Wat was de rol van jacht en visvangst? y Bestond er uitwisseling van producten? Wat zegt deze over netwerken met betrekking tot de nederzetting op lokaal, (micro)regionaal en eventueel landelijk niveau? Hoe verliep de ontwikkeling hiervan tijdens de vroege middeleeuwen? y Zijn schapen, gebaseerd op leeftijdsopbouw van de populatie primair gehouden voor de vleesproductie of voor de wolproductie? y Welke verschillende soorten metalen zijn aanwezig en hoe is de verhouding daartussen? Wat levert de verspreiding van (verschillende soorten) metaal op voor het beeld van de activiteiten binnen en de ontwikkeling van de nederzetting? Zijn de metalen voorwerpen een indicatie op sociale status (bijvoorbeeld wapens, mantelspelden)? y Hoe ging de ijzerproductie in Den Haag in zijn werk? Zijn er aanwijzingen voor laagovens, houtskoolproductie en/of
schelpconcentraties? Zijn er aanwijzingen voor houtproductie/ bosbeheer of turfwinning en de winning van moeraserts? y Was de ijzerproductie een lokale activiteit in de kustzone of is sprake van (regionale) specialisatie? y Op welke manier kunnen tijdens het onderzoek aangetroffen organische en anorganische ecofacten en artefacten inzicht geven in eventuele ambachtelijke productie? Benoem deze indicatoren en hun expliciete plaats in het concrete productieproces.
Begravingen In West-Europa bestaat een langdurige traditie van onderzoek van vroegmiddeleeuwse grafvelden.330 Dit onderzoek beantwoordt vragen over de gebruiksduur van grafvelden en indirect de bijhorende nederzettingen, bevolkingsopbouw, sociale structuur, levensomstandigheden, cultus en religie. Met betrekking tot het grafritueel lag de regio in een gebied met invloeden die enerzijds terug te vinden zijn langs de Noordzeekust, terwijl de grafgiften ook wijzen op invloeden uit met het Midden-Nederlandse rivierengebied en Engeland.331
328 Joosten 2004. 329 Blonk-van den Bercken. e.a. 2020, p. 251–252. 330 Brather 2008. 331 Dijkstra 2011, p. 349. 69
In Den Haag is tot nu toe alleen op Solleveld (vindplaats 29) één (sterk verstoord) grafveld ontdekt en onderzocht. Hier tonen een wapengraf, riemtongen en andere bijzondere grafgiften een sociale differentiatie aan; met name het bootvormige graf dat hier is aangetroffen, benadrukt deze sociale differentiatie. Voor het Nederlandse kustgebied is een dergelijk bootgraf een unieke vondst, al komen bootgraven rond de Noordzeekust vaker voor. Het roept vragen op naar de betekenis van deze graven en naar de religieuze en/of rituele beweegredenen die hieraan gekoppeld zijn.332 Dijkstra heeft een overzicht gegeven van grafvelden uit de Merovingische periode in ZuidHolland.333 Het grafritueel was gemengd, want er komen zowel begravingen als crematies voor. De grafvelden zijn over het algemeen relatief klein waardoor verondersteld kan worden dat slechts een deel van de bevolking begraven werd. Mogelijk kan het gemis aan graven verklaard worden door het gebruik van archeologisch slecht zichtbare grafrituelen (zoals ondiepe graven, partiële begravingen of excarnaties). Het begraven van individuen buiten de eigen regio kan ook een optie zijn.
De weinige wapengraven uit de verschillende grafvelden zeggen mogelijk niet zozeer iets over status, maar eerder iets over de behoefte aan een ideale, beschermende voorouder in tijden van nood.334 In de 8ste eeuw beginnen (elite) begraafplaatsen op domeincentra, in de buurt van de oudste kerken in de regio. Wellicht is een deel van de verder nog te verwachten begravingen uit de Karolingische periode te zoeken op christelijke grafvelden waar pas veel later dorpskapellen en -kerken ontstonden. y Wat is de omvang van grafvelden? y Gaat het om een complete populatie, of slechts een deel? y Zijn de begravingen compleet? y Wat is de verhouding crematie en inhumatie binnen het grafveld? y Worden in de nederzettingscontext losse menselijke skeletresten of schedels gevonden? y Wat is de leeftijdsopbouw en sekseverdeling van de individuen in de grafvelden? y Waar komen de bewoners van de nederzettingen vandaan? y In hoeverre zijn epidemieën aan te tonen in grafvelden? y Zijn er aanwijzingen voor sociale differentiatie? y Wat kan er gezegd worden over het grafritueel? y Zijn er andere heilige of rituele plaatsen aan te wijzen? y Zijn er sporen, structuren of vondsten die kunnen wijzen op de introductie van het christendom?
7.5 Bovenlokale fenomenen Handel en uitwisseling, infrastructuur, zeevaart en scheepsbouw In de vroege middeleeuwen ontstond rondom het kanaal en de Noordzee een levendige handel en uitwisseling van goederen. Dit betrof niet alleen luxe goederen, maar ook bulkgoederen en voedingswaren als graan, wijn en zout. Ook werden ambachtelijke producten zoals import aardewerk, glas en wapens verhandeld. Uit de verspreiding van import aardewerk tot in vrijwel alle nederzettingen blijkt dat men haast onbeperkte toegang moet hebben gehad tot deze producten en het wijst vermoedelijk op een breed palet aan handelsplaatsen, variërend van emporia tot kleinere en grotere handelscentra, met strandmarkten als meest eenvoudige locatie.335
332 Dijkstra 2019. 333 Dijkstra 2011, p. 223-278 334 Dijkstra 2011, p. 374. 335 Dijkstra 2011, p. 321. 70
Den Haag heeft een directe toegang naar de zee, maar dat we ooit een haven zullen ontdekken, is heel onwaarschijnlijk. Omdat hier geen rivier was, zijn havenfaciliteiten zoals bijvoorbeeld in de oevernederzettingen aan de Oude Rijn niet te verwachten.336 Wel bestaat de mogelijkheid dat schepen op het strand werden getrokken en dat handel of overslag vanuit deze plekken plaatsvond.337 Het bootvormige graf op Solleveld (vindplaats 29), klinknagels in de nederzettingen en de skeletelementen van zeevis en bruinvis op de vindplaats Frankenslag (vindplaats 75), zijn duidelijke indicatoren voor de nabijheid van de zee. De typische vondsten van bijvoorbeeld importaardewerk en Domburgfibulae geven aan dat de Haagse regio goed op een bovenregionaal netwerk was aangesloten. Dijkstra heeft door middel van een reconstructie van reistijden aangetoond dat de kustgebieden langs de zuidelijke Noordzee van belang waren in de contacten van de toenmalige bewoners.338 Engeland of Westergo waren overzee – als het weer meewerkte – sneller te bereiken dan het stroomopwaarts gelegen Dorestad.339 De klinknagels uit Solleveld wijzen er op dat rond 650 overnaadse en geklonken vaartuigen in gebruik waren in de regio. Daarnaast weten we dat in dezelfde tijd ook aak-achtige plankboten rondvoeren op de binnenwateren. Deze schepen werden niet geklonken, maar waren van moslatten met sintels voorzien.
Ook in waterputten kunnen fragmenten scheepshout worden aangetroffen.340 Den Haag en de kuststrook waren door het uitgebreide veengebied van het achterland slecht te bereiken -of zelfs afgesneden- vanuit de grote rivieren. Tot nu toe zijn geen (bevestigde) wegen bekend. Alleen op de Pompstationsweg (vindplaats 199) is een klein stuk van een duinweg opgegraven die waarschijnlijk uit de vroege middeleeuwen dateert.341 Samen met de weg van Monster-Molenslag342 zullen deze onderdeel uitgemaakt hebben van de noord-zuid landroute langs de kust. Via deze route had de regio een interregionale verbinding met Kennemerland die ook buiten het vaarseizoen, dat zich voor het Noord- en Oostzeegebied beperkte tot de zomer, regulier te gebruiken was.343 y Waar komen niet-lokale grondstoffen van gebruiksvoorwerpen vandaan? y Welke infrastructurele en sociaaleconomische rol speelden waterwegen en de scheepvaart? y Is het voorkomen van klinknagels of scheepssintels een vast gegeven in de nederzettingen in ons gebied en zou dat kunnen wijzen op een lokale scheepsbouwtraditie? y Wat is te zeggen over scheepvaart? y Is (secundair gebruikt) scheepshout, bijvoorbeeld in waterputten aanwezig? y Zijn er aanwijzingen voor houtimport voor scheepsbouw? y Zijn er aanwijzingen voor wegen door het veengebied? y Zijn er aanwijzingen voor wegen door het duingebied? y Welke uitwisselingsnetwerken (informatie,
grondstoffen en objecten) zijn gebruikt? y Is er verband te leggen met het Friese/Engelse/Scandinavische gebied en zo ja waarin toont dat zich? y Zijn er andere cultuurinvloeden aan te wijzen? y In welke mate en hoe functioneerde muntgeld? y Is op basis van muntvondsten iets te zeggen over handelscontacten?
336 Dijkstra 2011, p. 337. 337 Ellmers 1972. 338 Dijkstra 2011, p. 55-56. 339 Dijkstra 2011, p. 53-54. 340 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 161. 341 Van der Mijle Meijer en Waasdorp 2010. 342 Bakx 2020. 343 Dijkstra 2011, p. 53-54. 71
8 Late middeleeuwen 8.1 Inleiding De late middeleeuwen omvatten grofweg de periode van 1000 tot 1500 na Chr. Het is de periode met grote veranderingen op politiek, religieus en economisch vlak. Een periode waarin de mens het landschap steeds meer naar zijn hand probeert te zetten en de stadsvorming haar intrede doet in de regio. Een periode waarvoor, naast archeologie, ook steeds meer andere disciplines kunnen worden betrokken, zoals de historische geografie, cartografie, iconografie en geschreven geschiedkundige bronnen (inclusief archiefonderzoek). Door de vorming van de Jonge Duinen in deze periode werden hele buurtschappen en dorpen in de archeoregio Hollands Duingebied opgeheven. Tegelijkertijd zien we dat het veenlandschap in deze periode wordt getransformeerd in landbouwareaal door grootschalige veenontginningen. De aanleiding voor het ontginnen van de woeste klei- en veengronden waren primair de bevolkingsgroei en het ontstaan van steden, maar daarnaast speelden ook economische en met name machtspolitieke motieven een belangrijke rol. Via het ontginnen kon een claim gelegd worden op het land en leverde het ontgonnen land inkomsten op voor de graaf.344 Voor het uitvoeren van de ontginningen bestonden twee mogelijkheden: of via kolonisten die de graaf als landsheer moesten erkennen middels het betalen van recognitiecijns,
344 Siemons en Bulten 2014, p. 472. 72
of via het hofstelsel.345 Dit laatste betekende dat de ontginners over het algemeen geen vrije mensen waren, maar horigen of onvrije dienstlieden. Gesteld kan worden dat de bewoning door de klei- en veenontginningen meer verspreid raakt door het gebied.346 Daarnaast ontstond door de ontginningen de noodzaak tot watermanagement en daarmee het oudste bestuursorgaan van ons land; de waterschappen. De regio maakte na de Karolingische periode formeel deel uit van het Duitse keizerrijk, maar de macht kwam steeds meer te liggen bij de graven van Holland. Tussen de 10de en 13de eeuw stichtten deze graven een groot aantal hoven in de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland. Deze hoven, vaak gelegen op een agrarisch domein, dienden als tijdelijke verblijfplaatsen voor de graaf en zijn entourage, die tussen de verschillende hoven heen en weer reisden. Enkele hoven ontwikkelden zich tot centrale bestuurscentra binnen het domein van de graaf, andere werden gebruikt als uitvalsbasis voor de jacht. Het Binnenhof is een van de laatst gestichte grafelijke hoven in deze reeks. De abdijen van Egmond en Rijnsburg waren voor de graven van Holland belangrijke religieuze centra en tevens plaatsen waar de graaf verbleef. Religie vormde in deze tijd een belangrijke structurering van de samenleving met parochies, abdijen en kloosters.
Een andere belangrijke structurering betreft de opkomst van de eerste steden in het graafschap (zoals Haarlem, Alkmaar, Leiden en Delft). Den Haag kreeg geen officiële stadsrechten maar de inwoners kregen wel een pakket rechten, zoals het marktrecht. Dit heeft weer een groot gevolg voor de landbouw in de regio die zich steeds meer ten dienste stelde van de steden347 en waarbij steeds meer migratie naar de steden plaatsvond. De steden werden door toenemende productie en distributie van goederen steeds belangrijkere schakelpunten. Stadskernonderzoek vormt in de relatief jonge laatmiddeleeuwse archeologie een belangrijk onderzoeksthema. In de NOaA zijn over de middeleeuwen in West-Nederland enkele onderzoeksthema’s benoemd. Het betreft ten eerste het onderzoek naar de relatie tussen mens en landschap, ten tweede het thema handel en uitwisseling, vervolgens materiële cultuur en tenslotte identiteit en dorpsvorming in het duingebied. Het thema dorpsvorming is voor de regio Den Haag een zeer interessant thema. Vanaf het einde van de vroege middeleeuwen lijkt het nederzettingspatroon aan het zicht onttrokken te worden. De meeste informatie is beschikbaar over de ontwikkeling van Die Haghe naar Den Haag, maar via de ontwikkelingen van de overige dorpen binnen Haagambacht (zoals Loosduinen, Scheveningen en Eikenduinen) krijgen we inzicht in de interactie tussen stad en het platteland.
Een overzicht van vondstmeldingen uit de late middeleeuwen in de archeoregio Hollandse Duingebied laat zien dat deze periode in aantallen vondstlocaties in de regio goed vertegenwoordigd is. Enerzijds zijn dit stadskernonderzoeken, waarbij de relatie met binnenstedelijke herontwikkeling evident is, en anderzijds zijn buiten de stedelijke kern laatmiddeleeuwse sporen relatief vaak ‘bijvangst’ van projecten naar andere perioden. Opvallend is dat binnen de archeoregio onderzoek naar laatmiddeleeuwse vindplaatsen relatief vaak stopt na de verkennende fase.348 De afgelopen periode zijn binnen de gemeente Den Haag echter wel volop nieuwe inzichten verkregen over de ontwikkelingen gedurende de late middeleeuwen.
Den Haag Binnen de gemeente Den Haag heeft erg veel onderzoek plaatsgevonden dat zowel nieuw licht werpt op de ontwikkeling van het laatmiddeleeuwse cultuurlandschap als het ontstaan van Den Haag als stedelijk centrum.349
345 Bult en Koot 2008, p. 264. 346 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 175. 347 Dijkstra 2011, p. 319. 348 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 174. 349 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 178. 73
Toch blijft het aantal locaties met concrete bewoningssporen uit de periode tot circa 1300 relatief beperkt. Vaak worden verkavelingsstructuren en andere off-site sporen uit de late middeleeuwen aangetroffen, ook bij grootschalig onderzoek, zoals het Wateringse Veld.350 Concrete bewoningsresten ontbreken echter vaak. Grote delen van het Haagse grondgebied bestonden in de periode 1000 -1200 na Chr. uit moerassige klei-veengebieden en woest ontoegankelijk duingebied. Rond 1000 na Chr. kwam het Gantelsysteem weer op gang waarschijnlijk als gevolg van een stormvloed.351 In het zuidwestelijk deel van Den Haag vonden regelmatig overstromingen plaats vanuit de Gantel en de Laag van Poeldijk begon zich te vormen. Door de stormvloeden en de voortdurende kustafslag kwam zand vrij dat door de zee weer op land teruggebracht werd en daar voor grootschalige overstuivingen zorgde – de vorming van de Laag van Den Haag. De grote impact van de voortdurende overstuivingen is op de Oude Waalsdorperweg (vindplaats 149)352 en het TNO-terrein (vindplaats 70)353 zichtbaar geworden. De bewoners die het duingebied vanwege het stuifzand moesten verlaten, konden voor een deel terecht in de veenontginningen die vanaf deze periode op gang kwamen. Waar door een toenemende periode van droogte langs de kust nederzettingen schaars werden of verdwenen, konden dankzij de droogte nieuwe ontstaan in het veen.
We veronderstellen voor de periode 1000 -1200 spaarzame bewoning in het duingebied. Sporen daarvan zijn schaars of, in het geval van de Haagse binnenstad, nog niet gevonden. Langs de kust had men last van een sterke kustafslag en het vrijkomende stuifzand overdekte de ontgonnen akkers met Jonge Duinen (Laag van Den Haag). Dit was onder andere te zien bij onderzoeken op de Waalsdorpervlakte en langs de Oude Waalsdorperweg.354 Bij de opgraving Huberstunnel (OWW04o, vindplaats 149) bij de Waalsdorperweg zijn sporen van een laatmiddeleeuws erf met gebouwresten gevonden, tezamen met sporen van akkers en sporen van voorzieningen voor graan- en hooiopslag.355 De oudste akkerfase dateert uit de periode 9001150. In de daarop volgende bewoningsfase tussen 1050-1400 ligt hier in ieder geval een bootvormige boerderij. De plattegrond is opvallend gedrongen en uitzonderlijk breed. Hierdoor was het nodig om in de constructie extra middenstijlen te gebruiken. Echte paralellen zijn nog niet bekend. Op het erf werd ook een groot aantal hooimijten opgegraven. Het aardewerkcomplex bestaat voornamelijk uit kogelpot, aangevuld met Rijnlandse- en Maaslandse importen.
In de laatste fase bestaat het aardewerkspectrum uit rood- en grijsbakkend aardewerk.356 Aan de Monsterseweg (vindplaats 93) zijn bewoningssporen in de vorm van twee bootvormige huisplattegronden, enkele bijgebouwen en greppels en kringgreppels uit de 12de en de 13de eeuw onderzocht.357 Het vondstcomplex bestond grotendeels uit kogelpot materiaal, maar het aandeel import aardewerk (Pingsdorf en Elmpt) was opvallend. Daarnaast is ook een complex grijsbakkend aardewerk uit de 13de/14de eeuw aangetroffen. Ook van het kleiveen-gebied zijn bewoningsporen uit de late middeleeuwen bekend. Belangrijke stimulansen voor de systematische ontginningen van deze gebieden gingen uit van de graven van Holland die woeste gronden in leen uitgaven. De ontginningen werden dan verder georganiseerd door een ontginningsleider, de ‘locator’ die vaak afkomstig was uit de streekadel of regionale kloosterleiding. De ontginningen werd in gang gezet door het verwijderen van de begroeiing en het graven van evenwijdig lopende sloten zo haaks mogelijk op de natuurlijke hoogtelijnen. Waar moge-
350 Siemons en Bulten 2014; Van Baardewijk 2015. 351 Van Zijverden 2009, p. 29-31. 352 Bulten 2007, p. 176. 353 Magendans en Waasdorp 1985, p. 20. 354 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 5 en 70. 355 Bulten e.a. 2007. 356 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 178. 357 Houkes e.a. 2008. 74
lijk werden bestaande veenstroompjes gebruikt. Haaks hierop werden weteringen gegraven die het overtollige water afvoerden. De basis van de 12de-eeuwse (her-)ontginningen werd gevormd door kaden zoals de Hoefkade, de Veenweg (Leidschenveen) en de Vlietweg. Over de wijze waarop de kaden zijn aangelegd (profiel, hoogte, materiaal) en de kunstwerken in die kaden, zoals klepduikers, is nog weinig bekend. In het Wateringse Veld zijn ontginningen na de overstromingen in de 12de eeuw begonnen. Sporen daarvan zijn op vindplaatsen zoals BOE03, NOF06 (vindplaats 144) en STE99 (vindplaats 122) gevonden.358 Belangrijke ontginningsassen waren waarschijnlijk de Noordweg (vindplaats 144) en het Oosteinde (vindplaats 123 en 139). Op het Oosteinde359 en bij de Noordweg zijn (delen van) erven inclusief waterputten, kuilen, greppels en hooimijten opgegraven, maar plattegronden zijn uitgebleven. Aan het Oosteinde is vanaf de vroege 15de eeuw een boerderij gevestigd.360 Bij de hoek van de huidige Bovendijk en de Rijner Wateringkade stond vermoedelijk het stenen Huis ten Hoeke (vindplaats 49), het hof van de heer Ogier uten Hoecke, ridder van de graaf van Holland.361 De eerste historische vermelding van deze mogelijke locator van de ontginning van Wateringen dateert uit 1249. De zoon van Ogier uten Hoeke was Gherardus van Wateringhe, de waarschijnlijke stamvader van de heren van Wateringen.
De eerste historische vermelding van het hof van Wateringen dateert uit 1252. De ontginningsgeschiedenis van het Haagse deel van de Broekpolder kunnen we reconstrueren aan de hand van het grote onderzoek Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195) en door de opgravingen in Rijswijk.362 De ontginning- en bewoningssporen in de Rijswijkse Hoekpolder dateren uit de 12de eeuw.363 De sporen van ontginning in de Broekpolder dateren uit het midden van de 13de eeuw.364 Beide ontginningssystemen staan loodrecht op de weg langs de (Leidse) Vliet en het dichtgeslibde verlengde daarvan, de Kleijweg. In totaal zijn in het Haagse deel van de Broekpolder drie grote laatmiddeleeuwse erven met gebouwsporen onderscheiden, omringd door water. Zelfs de bijgebouwen zijn afzonderlijk omgracht. Tussen de bewoningssporen uit de 14de eeuw valt een erf met resten van steenbouw, grachten van 6 m breed en bijzondere vondsten op. Na 1400 is er nog maar een huiserf bewoond, de bewoningssporen lopen daar door tot circa 1470. In de Uithofspolder en de Escamppolder zijn sporen van ontginningssloten en afval gevonden die aangeven dat de laatmiddeleeuwse ontginning hier in de 13de eeuw begint.365 Er zijn in dit gebied nog geen ontginningsboerderijen onderzocht. In de 13de eeuw kwam een groot deel van de Uithofspolder in handen van twee cisterciënzer nonnenkloosters (uit Noordwijkerhout en Loosduinen).
Het klooster Leeuwenhorst in Noordwijkerhout had in de Uithofspolder twee zogenaamde uithoven. Bij opgravingen aan de Uithofslaan (vindplaats 146) is gebleken dat een van deze boerderijen deels in steen uitgevoerd was.366 De uithofsboerderij dateert, evenals de stenen kamer van Madestein, van net na de eerste ontginningen (tweede helft van de 13de eeuw).367 Hoewel bij het meeste archeologisch onderzoek, vanwege de omvang, vaak het erf centraal staat, en er zogenaamde Einzelhöfe worden aangetroffen, zal in veel gevallen sprake zijn van
358 Siemons en Bulten 2014, hoofdstuk 2.8 en 6.2. 359 Van Baardewijk 2015. 360 Lehmann 2020c. 361 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 49; Siemons en Bulten 2014, p. 476. 362 Dorenbos en Koot 2011, p. 8–9; Koot 2008. 363 Dorenbos en Koot 2011, p. 8–10. 364 Datering op basis van nog niet gepubliceerde aardewerkdata, rapport in voorbereiding. 365 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 30, 33, 42 en 62. 366 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 58; Pavlović 2018. 367 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 54; Van Veen 2010. 75
het voorkomen van gelijktijdige erven en in het kader van ontginningen misschien wel over een vorm van lintbebouwing. Daarnaast hebben in het gebied ook diverse gehuchten en dorpen gelegen. Een interessante vraag in dat kader is waarom het ene gehucht verdwijnt, terwijl het andere gehucht tot stad uitgroeit. Het zicht op deze ontwikkelingen wordt bemoeilijkt door de latere bebouwing van de stads- en dorpskernen. Naast de ontwikkeling van Die Haghe naar Den Haag, is de ontwikkeling van andere dorpen binnen Haagambacht, zoals Loosduinen, Scheveningen en Eikenduinen evengoed interessant. Daarnaast lagen in de regio ook verschillende adellijke hoeves en kastelen, zoals het grafelijk hof in Loosduinen, en de kastelen Binckhorst en Westerbeek.
Loosduinen Het oudste grafelijke huis op Haags grondgebied staat niet op het huidige Binnenhof maar in Loosduinen. Hier lag in de 12de en vroeg 13de eeuw een grafelijke hof met woon- en dienstgebouwen en vermoedelijk ook een kapel. Er was vermoedelijk een motte kasteel met voorburcht.368 De bij het complex behorende domeingoederen werden in 1229 door Floris IV aan de kerk geschonken om er een cisterciënzer klooster te stichten. Rond het nonnenklooster van Loosduinen (vindplaats 50) ontstond een bescheiden gemeenschap. Van het kloostercomplex rest alleen de abdijkerk, tegenwoordig de Hervormde kerk aan de Willem III-straat. Bij werkzaamheden zijn 14de-eeuwse grafkelders met beschildering gevonden.369 Er is in archeologische zin verder weinig bekend over dit klooster. Op kaarten uit de 16de tot 18de eeuw wordt een heuvel aangegeven ten oosten van de Willem III-straat en ten zuiden van de Loosduinseweg. Gedacht wordt dat dit de locatie van het grafelijk hof is. Bij recent archeologisch onderzoek in het kader van rioolaanleg in het gebied zijn hiervoor geen aanwijzingen in de vorm van greppels gevonden. De heuvel is al eerder geslecht.370 Het grafelijk gebied waar het klooster werd gesticht, lag overigens op enige afstand van deze heuvel.
Scheveningen De naam Terram de Sceveninghe komt rond 1284 voor het eerst in de historische bronnen voor. De toenmalige buurtschap is waarschijnlijk in de 12de of 13de eeuw overstoven. De oude kerk van Scheveningen is in de 15de eeuw in steen opgetrokken. Tot de Allerheiligenvloed van 1570 stond de kerk midden in het dorp. Deze stormvloed zorgde voor grote veranderingen op Scheveningen. Na deze stormvloed lag de kerk aan de rand van het dorp omdat de zee alle huizen ten westen van de kerk had opgeruimd. In en rond de kerk is begraven. Het koor van de kerk bevat vele 15de- tot 18de-eeuwse grafstenen.
Eikenduinen Eikenduinen (vindplaats 127) ontstond als buurtschap rondom een door Graaf Willem II in 1266 gestichte kapel ter nagedachtenis aan graaf Floris IV.371 Het is een van de oudste Godshuizen van Den Haag. Van de kapel is sinds de 16de eeuw nog een ruïne bewaard gebleven. De functies als begraafplaats en als bedevaartsoord heeft de locatie na de Reformatie behouden.372 Van de buurtschap zelf echter zijn nog geen grondsporen gevonden. Wel zijn op enkele zandopduikingen ophogingslagen uit de 15de en 16de eeuw aangetroffen.373
368 Janse en Van Veen 2004, p. 215–216. 369 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 50. 370 Van Zoolingen 2017. 371 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 127; Stal en Kersing 2004. 372 Janse en Van Veen 2004, p. 252–258. 373 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 127. 76
Kastelen De Binckhorst en Westerbeek De kastelen De Binckhorst (vindplaats 15) en Westerbeek (vindplaats 4) zijn als verdedigbare wooncomplexen opgezet en later vervangen door huizen met het uiterlijk van buitenplaatsen.374 Oude en recente onderzoeken ter hoogte van kasteel De Binckhorst hebben onder andere resten opgeleverd van een laat 14de-eeuwse gracht en sporen van boerderij(en) vanaf de 17de eeuw.375 Het kasteel bestond in ieder geval voordat de Trekvliet (in 1344 en 1345) werd gegraven. De Binckhorstlaan was de infrastructuur waaraan het kasteel werd gebouwd en waarop het kasteelterrein was georiënteerd.376 De adellijke hofstede Westerbeek heeft langs de Beek (huidige de La Reyweg) ter hoogte van de huidige Bothastraat gelegen. Het is niet bekend van wanneer de hofstede dateert; mogelijk uit 1285, maar zeker uit 1430. De vroegste afbeelding van Westerbeek stamt uit 1614. Rond het kasteel lag een gracht met een houten brug. Een poort gaf toegang tot een door dienstgebouwen omsloten voorhof met nog twee torens. Alle torens waren voorzien van schietgaten. Het centrum van het hoofdgebouw werd gevormd door een vierkante woontoren (een zogenaamde donjon) met een prominente spits. In de 18de eeuw is de voorburcht afgebroken. In 1794 werd het huis Westerbeek op enkele gebouwen na geheel gesloopt. In 1896-1898 heeft archeologisch onderzoek plaats gevonden.
Er zijn toen funderingen en een grote hoeveelheid, voornamelijk 18de-eeuws, afval gevonden.377
Die Haghe Van nederzetting tot stad Voor de ontwikkeling van Die Haghe van dorp tot stad waren de aanwezigheid van de graaf en het hof bepalend. De eerste historische vermelding van Die Haghe dateert uit 1242. Het dorp lag westelijk van het Binnenhof (vindplaats 1), op de Oude Duinen (Laag van Voorburg). Feitelijke informatie over de locatie van die bewoning is vrijwel nihil. De bewoning van het gebied tot 1300 is vanwege bebouwing, met name door aanleg van kelders, moeilijk te traceren en alle kennis daarover is nog steeds theoretisch. Het dorp Die Haghe ontwikkelde zich verder rond een kerk (de voorganger van de St. Jacobskerk, vindplaats 84). Het grafelijk hof was de katalysator voor de geleidelijke bevolkingsaanwas van Die Haghe dat in een relatief korte tijd een centrum werd van een zelfstandig ambacht met een eigen parochie. Het hofcomplex Het hofcomplex (vindplaats 1) bestond aanvankelijk uit een zaalgebouw en werd in de loop van de 13de en 14de eeuw voortdurend uitgebreid. Het werd de favoriete Hollandse residentie van de graven en kreeg vervolgens een functie als permanent bestuurscentrum die het, met tussenpozen, nog steeds heeft. Historische bronnen (rekeningen van onderhoud of verbouw van gebouwen) vertellen ons iets over de aanwezige gebouwen op het hofcomplex vanaf de 14de eeuw.
Naast de Oude Zaal, de Grote Zaal (nu Ridderzaal) en de kapel, worden veel dienstgebouwen genoemd.378 Voor de voorafgaande periode is dat niet het geval. Hun locatie zal door middel van archeologisch onderzoek in het kader van de renovatie van het Binnenhof de komende jaren, mogelijk nog kunnen worden bepaald. Daarnaast is bouwhistorisch onderzoek in de nog bestaande gebouwen een bron van informatie. Die Haghe was in de late middeleeuwen een open nederzetting en daardoor moeilijk te verdedigen. Alleen het grafelijke hof met grachten en poorten was een duidelijk verdedigbaar 374 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 4 en 15. 375 Van Duijvenboden 2020; Loopik 2015. 376 Benjamins 2009, p. 11. 377 Van Veen 2005. 378 Smit en Van Kan 2004, p. 93. 77
complex. In de eerste helft van de 14de eeuw zag het hofcomplex er als volgt uit: een omgracht terrein doorsneden door enkele kleinere grachten en toegankelijk via poorten en bruggen.379 Een aantal poorten is archeologisch onderzocht (Gevangenpoort [vindplaats 41], Spuipoort, Midden- of Hofpoort en de Uiterste- of Doelenpoort).380 Er zijn echter ook resten gevonden van een mogelijk 14de-eeuws bruggenhoofd waarvan de ligging nog niet is te verklaren.381 Binnen de grachten stonden, behalve de statiezalen, de woonvertrekken en de kapel en een groot aantal gebouwen voor de voedsel- en drankvoorziening. Het hof kende een groot aantal dienstgebouwen die aan het eveneens omgrachte Buitenhof stonden. Slechts een klein deel van deze gebouwen is gelokaliseerd en een nog kleiner deel, zoals het Valkhuis (vindplaats 150), is archeologisch onderzocht.382 Rond het Binnenhof lagen diverse moestuinen, boomgaarden en visvijvers. Van de siertuinen behorende bij het hof is alleen de tuin van Maurits (uit circa 1625) aan de Hofweg deels onderzocht.383 De verdediging van het hof verliep via de binnen- en de buitenpoorten. De schutters van de schuttersgilden speelden een rol bij de verdediging van het hof, maar ook bij die van Die Haghe. Zij oefenden in de doelencomplexen die langs het Tournooiveld lagen (tijdelijk ook achter het Westeinde).
Het dorp De aanwezigheid van het hof aan de ene kant en de ontwikkeling van nieuwe economische activiteiten aan de andere, vertaalden zich in twee onderscheiden dorpsuitbreidingen. De ene lag binnen de juridische invloedssfeer van het hof waar rondom het Voorhout allerlei bouwactiviteiten plaatsvonden. De andere bevond zich bij de verkeerswegen van het Spui en de Wagenstraat. Het waren twee ontwikkelingen die de typisch Haagse tegenstelling tussen ‘zand’ (de Geest) en ‘veen’ (Zuidveen en Noordveen) zouden markeren en versterken. Rond het laatste kwart van de 14de eeuw stonden aan het Spui diverse houten en stenen huizen. Aan de westzijde van het noordelijke deel van het Spui werden de meeste huizen direct in steen opgetrokken.384 Het gebied rond de huidige Gedempte Gracht begon tegen 1400 deel uit te maken van de bebouwde kom, waar het aanwezige veenpakket afgedekt werd met een ophogingslaag en daarna bebouwd met voornamelijk houten huizen. De overgang van houtbouw naar verstening is tot nu toe slechts op een locatie (ten noorden van de Gedempte Gracht, vindplaats 83) waargenomen.385 Verdere dorpsuitbreidingen vonden in de loop van de 14de eeuw plaats bij de Vijverberg en het Voorhout in het Hofgebied. In dit gebied stonden in de eerste instantie de uitlopers van het Haagse Bos die zich vanaf de Hofvijver tot aan de Kazernestraat uitstrekten.
De bebouwing vond eerst langs de randen van het bos plaats en tegen het einde van de 14de eeuw ook aan de kant van de Vijverberg.386 Hier sloot de uitbreiding aan op de Plaats en de Kneuterdijk, die waarschijnlijk al in de 13de eeuw voor een deel waren bebouwd. Aan de noordzijde van het Voorhout werden eveneens tegen het einde van de 14de eeuw enkele grote erven bebouwd. De ontwikkeling van grote erven met bebouwing zette zich door in de 15de eeuw met bijvoorbeeld het complex van de heren van Borselen. Een aantal van deze complexen kan als stadskastelen worden omschreven. Er is nog maar weinig bekend over deze complexen. Zij hebben ofwel een groot voorplein of liggen op een hoek, en naast een hoofdgebouw zijn er meerdere bijgebouwen.
379 Smit en Van Kan 2004. 380 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 1 en 42; Pavlović 2012. 381 Carmiggelt 1992, p. 15. 382 Pavlović 2006. 383 Van Veen 2015. 384 Pavlović en Van Veen 2016; Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 112 en 124. 385 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 83. 386 Stal en Kersing 2004, p. 58. 78
Ook in delen van het dorp in de omgeving van de Grote Kerk (vindplaats 84) is sprake van enkele grote huizen op grote erven, zoals het huis van Assendelft (Westeinde) en het huis van Brederode (Groenmarkt, vindplaats 26) en Nobelstraat 1-5 (vindplaats 59).387 Daarnaast zijn er ook grote huizen direct langs de doorgaande wegen die vermoedelijk al vroeg in steen zijn gebouwd. Op basis van de Hofboeken waarin de erfhuur is opgenomen, zou er voor de 15de eeuw wel een inschatting kunnen worden gemaakt van de verhouding tussen eenkamerwoningen en grotere huizen. In hoeverre de huizen van (compleet) van steen zijn, is daaruit niet op te maken. Halverwege de 15de eeuw, toen het Spui en de Wagenstraat begonnen vol te raken, kwam de ontwikkeling van het Westeinde enigszins op gang. Bestuurlijk centrum Den Haag is in belangrijke mate een centrum van bestuur vanwege de vestigingen van grafelijk en stadhouderlijk bestuur en later het landsbestuur (Binnenhof, vindplaats 1).388 Het stedelijke bestuur zetelde in het huis van Brederode (vindplaats 26).389 Onder het lokale bestuur vallen ook de correctieve inrichtingen (lokale gevangenissen). De graven van Holland hebben er voor gekozen om zelf grote invloed te blijven uitoefenen op het bestuur van hun residentie. Dit wordt gezien als de reden dat Den Haag nooit alle stadsrechten verkreeg. Het ontbrak ook aan verdedigingswerken.
Vooral in de 15de eeuw is Den Haag enkele keren geplunderd. Desondanks groeide de bevolking toen tot circa 8000 inwoners. y Binnen welke context en op welke wijze komt in nederzettingen planmatige ordening tot stand? y Welke veranderingen treden op de in samenstelling en ruimtelijke ordening van erven? y Zijn er nog sporen aan te treffen van Scheveningen uit de 13de eeuw of zijn alle sporen door de Allerheiligenvloed van 1570 verspoeld geraakt? y Kan het Loosduinse hof worden gelokaliseerd? Zo ja hoe was het terrein ingericht? y Waar kan de bewoning rond Eikenduinen verwacht worden? y Hoe ontwikkelde Den Haag zich van een nederzetting tot een dichtbevolkte stad? y Hoe verliep de ruimtelijke ontwikkeling in perceleringen en bebouwing binnen een kavel? y Welke voorzieningen waren er op de achtererven en binnenplaatsen? Met aandacht voor de voedselproductie.
y Wat zijn de kenmerken van de ontwikkeling van woonhuizen en andere gebouwen? y Waar, hoe, wanneer en waarvoor is op ‘stiepen’ gebouwd en wat zegt de configuratie van stiepen over de bovengrondse constructie van gebouwen? y Welke grondverbeteringen zijn er aangebracht voorafgaande aan huizenbouw en wegenbouw? y Hoe verloopt de ontwikkeling van de toepassing van de verschillende funderingstechnieken? y Welke voorzieningen waren er in en bij de huizen voor de aan- en afvoer van water en afval? y Welke gemeenschappelijke voorzieningen waren er in de stad en op het platteland voor de aan- en afvoer van water en afval en op welke locaties? y Wat kan er worden gezegd over de hygiënische omstandigheden? y Hoe hebben de kastelen Westerbeek en De Binckhorst en de overige (stads-)kastelen in de gemeente Den Haag zich ontwikkeld? y Hoe functioneerden zij ten opzichte van hun omgeving? y Zijn er nog resten van doelencomplexen, kazernes en andere militaire voorzieningen in de ondergrond aanwezig? y Hoe ziet de ontwikkeling van het Binnenhofcomplex eruit? 387 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaatsen 26 en 59. 388 Van Veen 2015. 389 Van Veen en Waasdorp 2000, vindplaats 26. 79
y Hoe was de inrichting van het Buitenhof en de overige groene zones in dienst van het hof (denk aan wijngaarden, moestuinen, siertuinen, boomgaarden, vijvers, stallen, valkhuis, boerderij, ambachtelijke werkplaatsen, etc.?)
Archeologisch onderzoek in de periode 2009-2020 De indeling van de GOA zelf is veranderd doordat de late middeleeuwen en nieuwe tijd afzonderlijke hoofdstukken zijn geworden. De vroege en late middeleeuwen zijn bovendien in een wat breder historisch kader geplaatst. De afgelopen tien jaar zijn grote publicaties verschenen over de late middeleeuwen in het buitengebied van Den Haag. Onderzoeken in het Wateringse Veld390 en aan de Uithofslaan391 hebben meer zicht gegeven op de aard en de context van laatmiddeleeuwse resten buiten de historische binnenstad. Ook aan de Meppelweg (vindplaats 189) zijn laatmiddeleeuwse sporen aangetroffen die mogelijk te relateren zijn aan een boerderij(erf).392 Recent is archeologisch onderzoek uitgevoerd aan de Madepolderweg 45 (vindplaats 181) op een erf dat staat weergegeven op de kaart van Kruikius uit 1712. Naast nieuwetijdse resten zijn hier ook sporen aangetroffen uit de late middeleeuwen.393 Spectaculair zijn de resultaten van opgravingen voor het project de Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195).394 De resultaten van deze onderzoeken zullen een grote bijdrage vormen voor het begrip van de late middeleeuwen in (de regio) Den Haag. Vanzelfsprekend hebben de laatste jaren ook onderzoeken plaatsgevonden binnen de grenzen van het historische centrum van Den Haag.
Over de archeologische onderzoeken op het Binnenhof (vindplaats 1) is in 2015 een groot rapport395 verschenen en een publicatie van onderzoek bij de Grote Kerk (vindplaats 84) is afgerond.396 Aan het Spui zijn op meerdere locaties resten aangetroffen die dateren vanaf de late middeleeuwen.397
8.2 Cultuurlandschap Rond 1000 na Chr. heeft waarschijnlijk een stormvloed de westelijke strandwal doorbroken398 en de gevolgen hiervan waren meervoudig. In eerste instantie zijn door de vloed vooral in het Westland en het Wateringse Veld nieuwe sedimenten afgezet – de eerste fase van de Laag van Poeldijk. In tweede instantie kwam de afwatering in het gebied weer op gang en het Gantelsysteem functioneerde weer als een getijdensysteem. Daardoor raakten de naast gelegen veengebieden beter ontwaterd.399 Echter, omdat de Gantel open stond, konden stormvloeden makkelijker in het achterland doordringen en verder schade aanrichten en ook nieuwe sedimentatie afzetten.400 In derde instantie werd het van de strandwallen vrijgekomen zand door de zee op land teruggebracht. De wind heeft het zand verder getransporteerd en het oude landschap grootschalig overstoven. Dit is de Laag van Den Haag. Langs de kust had men last van een sterke kustafslag en het vrijkomende zand (Laag van Den Haag) overdekte de ontgonnen akkers op de duinruggen, zoals te zien op de Waalsdor-
390 Lehmann 2020c; Lenoir 2019; Siemons en Bulten 2014; Van Zoolingen 2014b. 391 Pavlović 2018, 2011. 392 Dijkstra 2016. 393 Van Zoolingen 2019c; rapport in voorbereiding. 394 Pavlović en Van Veen 2021. 395 Van Veen 2015. 396 Pavlović en van Veen 2021. 397 Pavlović en Van Veen 2016.; rapport in voorbereiding. 398 Van Zijverden 2009, p. 29–31. 399 Kooistra 2014, p. 46. 400 Lehmann 2020c, p. 69–70. 80
pervlakte en langs de Oude Waalsdorperweg (vindplaats 70).401 De weggestoven bewoners konden voor een deel terecht in de klei- en veenontginningen die vanaf deze periode op gang kwamen. Grote delen van het Haagse grondgebied bestonden in de periode 900-1200 na Chr. uit moerassige veengebieden en woest ontoegankelijk duingebied. Voor deze periode veronderstellen we spaarzame bewoning op de strandwallen. Sporen daarvan zijn schaars of, in het geval van de Haagse binnenstad, nog niet gevonden. Belangrijke stimulansen voor systematische ontginningen gingen uit van de graven van Holland die woeste gronden in leen uitgaven. De ontginning van de veengebieden werd in gang gezet door het verwijderen van de begroeiing en later ook het graven van evenwijdig lopende sloten zo haaks mogelijk op de natuurlijke hoogtelijnen. Waar mogelijk werden bestaande veenstroompjes gebruikt. Haaks hierop werden weteringen gegraven die het overtollige water afvoerden. Landschappelijke ontwikkelingen vanaf de late 13de eeuw staan in het teken van daling van het veengebied als gevolg van inklinking van het veen en erosie van het oppervlak. Dit hield een relatieve grondwaterstijging in en daaruit voortvloeiende vermindering van akkerbouwareaal. Men greep in door het bemalen van polders en andere vormen van waterbeheersing. Er trad een verschuiving op naar een meer op veeteelt georiënteerde economie.
In andere delen wordt het verdrinkende veengebied voor turfwinning gebruikt. Deze verveningen vormen een onderdeel van het gebruik van het landschap dat al in de ijzertijd is ingezet. Er zijn vragen over de soorten veen, de wijzen en de schaal waarop de verveningen werden uitgevoerd en over de invloed van de verveningen op het landschap. In Den Haag zijn er zowel kleinschalige verveningen in de vorm van dagputten (Loosduinen [vindplaats 68] 402, in de Haagse binnenstad en Bezuidenhout403) als grootschalige turfwinningen door middel van slagturven (Wateringse Veld, Tedingerbroekpolder) geweest.404 y Wanneer begonnen en hoe verliepen de laatmiddeleeuwse ontginningen? y Hoe zagen de door overstroming en overstuiving verdwenen verkavelingsstructuren eruit? y Hoe waren de kades opgebouwd (profiel, hoogte, materiaal) en welke kunstwerken waren er in en bij die kaden (zoals klepduikers, schutsluizen)? y Wat zijn de invloeden van natuurlijke processen, zoals overstromingen, kustafslag en vorming van de Laag van Den Haag (Jonge Duinen) op de aan- of afwezigheid of continuïteit van bewoning en landgebruik? y Welke wijzen van vervening zijn in gebruik geweest (in relatie tot periode, gebied, soort veen)? y Molens staan vaak (globaal) aangegeven op historisch kaartmateriaal. De exacte locatie van deze molens is echter niet altijd duidelijk.
Waar liggen molens en hoe zijn ze bewaard gebleven?