RIS311200 Bijlage 3
Tekst van het document
176 Stokkel 2012a. 43
y Ook kunnen de greppels bemonsterd worden voor slijpplaatonderzoek. Wellicht kunnen we er zo achter komen of de greppels lang of kort open hebben gelegen of dat er wellicht struiken in stonden. y Verder moet er meer aandacht besteed worden aan profielen op de akkers om te onderzoeken of er inderdaad sprake was van walletjes. y De ijzertijdbewoners hadden een gemengd bedrijf. Wat was de verhouding tussen akkerbouw en veeteelt in hun bestaanswijze? Welke rol had visserij en jacht hierin? Hoe ontwikkelt dit zich in de tijd en zijn ook landschappelijke verschillen aan te wijzen?
5.3 Chronologie Dateringen De chronologie in de ijzertijd is problematisch. Dat heeft een aantal oorzaken. De belangrijkste daarvan is het zogenaamde Hallstattplateau in de 14C-calibratiecurve. Door grote koolstofschommelingen in de atmosfeer tussen 800 en 400 v. Chr. komen vrijwel alle dateringen tussen 2550 en 2400 BP in deze 400 jaar durende periode uit. Daarnaast was het in oude onderzoeken gebruikelijk om de vindplaats te dateren met Duinkerke- transgressiefasen. Als op een vindplaats D1-klei gevonden werd, moest de vindplaats daarom wel midden-ijzertijd zijn. Inmiddels is bekend dat deze transgressies niet gelijktijdig plaatsvonden en dat ze helemaal niet als dateringsmethode gebruikt kunnen worden. De meeste archeologische resten worden daarom gedateerd aan de hand van het aardewerk. In Den Haag is de typologie, opgesteld door Van Heeringen in 1992, nog steeds leidend.177 Er is inmiddels veel meer materiaal opgegraven dan de dataset waarop Van Heeringen zijn typologie heeft gebaseerd. Het is daarom mogelijk en noodzakelijk om een nieuwe typologie op te stellen. Hiervoor moet dan idealiter niet alleen naar het aardewerk gekeken worden maar naar gehele vondstcomplexen. y Welke vondsten zijn karakteriserend voor vindplaatsen uit de vroege, midden- en late ijzertijd? Zoals in de inleiding al is gesteld, is de datering van de ijzertijd voor Den Haag redelijk hypothetisch.
In locatiekeuze lijkt er weinig verschil te zijn tussen de bronstijdnederzettingen en de ijzertijdnederzettingen met dien verstande dat het areaal waar men zich in de ijzertijd kon vestigen steeds groter werd door verdroging van het veenlandschap en de stroomruggen die door de Gantel werden gevormd. y Zijn er duidelijke verschillen in materiële cultuur aan te wijzen in de overgangsperiode bronstijd-ijzertijd? De huidige hypothese is dat het gebied rondom Den Haag dun bevolkt was toen de Romeinen hier arriveerden. We zien echter dat Romeinse vindplaatsen vaak een ijzertijdvoorganger hebben. y De gebruikte dateringen voor dit hiaat zijn voornamelijk gebaseerd op aardewerk. Kloppen deze dateringen wel? Is er wellicht helemaal geen sprake van een bewoningshiaat?
5.4 Lokale fenomenen Bewoning Het aantal ijzertijdvindplaatsen dat in Den Haag is onderzocht, is hoog in vergelijking met de rest van Nederland. Toch weten we nog erg weinig over de mensen die hier woonden. Dit 177 Van Heeringen 1992. 44
heeft een aantal oorzaken, de belangrijkste is dat bij de meeste ijzertijdonderzoeken slechts kleine delen van nederzettingen blootgelegd worden. Daarnaast is ijzertijdarcheologie als bijvangst bij onderzoek naar andere perioden aangetroffen en heeft niet de aandacht gehad die het wellicht verdiende. Ook manifesteren de meeste prehistorische nederzettingen zich als palenzwermen en zijn huisplattegronden zeldzaam en vaak twijfelachtig. y Toekomstig nederzettingsonderzoek moet een verklaring gaan geven voor het ontstaan van dergelijke zwermen. y Daarbij moet veel data verzameld en gecombineerd worden om plattegronden uit deze zwermen te halen, denk aan paaldieptes, vullingkleur en coupevorm. Luchtfotografie kan hierbij een hele belangrijke rol spelen. y In welke mate heeft het landschap effect op de vorming van kenmerken van de (materiële) cultuur (pottenbakken/huizenbouw)?
Voedsel Over de voedseleconomie in de ijzertijd is bekend dat men zowel van de akkerbouw als de veeteelt leefde. Zowel rund, schaap/geit als varken werden gehouden en vermoedelijk dus ook gegeten. Rund maakt daarbij het grootste deel uit van de veestapel.178 De leeftijdsopbouw van de runderen laat zien dat dieren in alle leeftijdsgroepen zijn geslacht. Dit is een indicatie dat de runderen voor alle doeleinden zijn gehouden. Naast dieren die vooral voor het vlees zijn gehouden, zijn er oude(re) dieren die melk, nageslacht en trekkracht leveren. De aanwezigheid van kalveren tot een half jaar oud, is een indicatie dat de runderen ter plekke zijn gehouden. Daarnaast is mest waarschijnlijk een belangrijk product geweest om het duingebied vruchtbaar te houden voor akkerbouw. Uit het paleobotanische onderzoek dat op het Wijndaelerplantsoen (vindplaats 34) gedaan is, blijken (tweerijige) gerst en emmertarwe verbouwd te zijn, wat zeer gebruikelijk is in de ijzertijd.179 Er wordt echter ook nog steeds, hoewel sporadisch, gejaagd en verzameld. Op meerdere plekken in het kustgebied worden hertenbotten gevonden en in de paleoecologische resten worden ook uit de kwelder verzamelde wilde planten teruggevonden.
y Sluit de voedselvoorziening in het kustgebied aan bij de voedselvoorziening in de rest van Nederland? Wat zijn de verschillen en hoe zijn deze te verklaren? y Visresten blijven slecht bewaard in het duinzand en zijn bovendien moeilijk te vinden middels conventioneel archeologisch onderzoek. Hoewel, gezien de aanwezigheid van genoeg visgronden, verondersteld wordt dat vis ook een groot deel uitmaakt van het voedsel is dit nooit vastgesteld.
Grafritueel Over het grafritueel in de ijzertijd is in Den Haag vrijwel niets bekend. Tijdens de opgravingen bij Ockenburgh (vindplaats 12) zijn kringgreppels gevonden die zijn geïnterpreteerd als grafmonumenten uit de ijzertijd, maar de bijbehorende graven zijn niet gevonden.180 Op Boezemland (vindplaats 144) is een menselijk schedelfragment gevonden, maar of dat onderdeel is van een grafritueel is onduidelijk.181
Rituelen Voor de vindplaats Wijndaelerplantsoen (vindplaats 34) wordt verondersteld dat er op de akker geofferd werd. In kuilen werden potten al dan niet met wat verkoolde granen of bijzondere objecten zoals een spinklosje erin, aangetroffen.
178 Stokkel 2012, p. 135. 179 Van Wijngaarden-Bakker en Brinkkemper 2005, p. 510. 180 Siemons en Bulten 2014; Waasdorp 1998. 181 Siemons en Bulten 2014. 45
y Wordt dit ook op andere vindplaatsen zo aangetroffen? En zo ja zijn er paralellen met andere ijzertijdvindplaatsen in Europa?
Zoutproductie In de vroege ijzertijd, vermoedelijk tot 500 v. Chr. lag in het Wateringse Veld een belangrijk zoutproductiecentrum (vindplaats 144).182 Op de vindplaats Wijndaelerplantsoen zijn briquetageresten gevonden die duiden op zoutraffinage.183 Van den Broeke stelde in 2005 dat de schaal van de zoutproductie zo klein was, dat het niet de basis vormde voor grootschalige handel, maar dat het geruild werd om elementaire importen te verkrijgen (zoals maalstenen van tefriet).184 Omdat in het Wateringse Veld wel een groot pakket briquetage gevonden is, is het echter aannemelijk dat het in Den Haag wel een grote rol gespeeld heeft. y Hoe was deze zoutproductie georganiseerd en hoe belangrijk was dit voor de ijzertijdbewoners van Den Haag? y Welke brandstof werd gebruikt voor de zoutwinning? y Is de zoutwinning alleen belangrijk in de vroege ijzertijd en waarom houdt dat dan op? Komt dat door concurrentie met bijvoorbeeld zoutmijnen of zijn er ook lokale oorzaken aan te wijzen? y Hoe ging dit procedé precies in zijn werk, welke locaties waren geschikt voor welke stappen in het productieproces?
5.5 Bovenlokale fenomenen Gemeenschap/samenleving De ijzertijd in Europa is een spectaculaire tijd. Er worden grote fortificaties aangelegd en de grafcultuur in de rest van Nederland en Europa laten een sterk hiërarchische samenleving zien. Het is moeilijk om de Haagse archeologische resten in deze beelden in te passen. y Onttrokken de kustbewoners zich wellicht aan deze internationale trend en bleven ze autonome, zelfvoorzienende boeren in een marginaal landschap? Of misschien speelden de kustbewoners een veel grotere rol in de wereld. Denk bijvoorbeeld aan de zoutproductie die hier in de ijzertijd intensief plaatsvindt en waarvan de exportproducten tot ver in het binnenland worden teruggevonden. y Zijn er wellicht ook aanwijzingen voor een hiërarchische samenleving binnen de grenzen van Den Haag?
182 Siemons en Bulten 2014. 183 Stokkel 2012. 184 Van den Broeke 2005b, p. 516. 46
6 Romeinse tijd 6.1 Inleiding De Romeinse tijd valt uiteen in drie perioden, te weten: de vroeg-Romeinse tijd van 19 v. Chr. tot 70 na Chr., de midden-Romeinse tijd van 70 na Chr. tot 270 na Chr. en de laat-Romeinse tijd van 270 na Chr. tot 450 na Chr.185 Het is belangrijk om te beseffen dat deze jaartallen gebaseerd zijn op verschillende bronnen. Zo start de Romeinse tijd in het jaar waarin bij Nijmegen een legioenskamp wordt gebouwd en waarvan het hout in 19 v. Chr. is gedateerd. De andere jaartallen zijn dan weer afgeleid van een historische gebeurtenis, zoals de Bataafse opstand die eindigt in 70, of invallen van Barbaren die leidden tot de val van het Romeinse rijk in de 5de eeuw. Het verdient echter de voorkeur om zoveel als mogelijk te werken met archeologische bronnen, bij voorkeur absolute dateringen van vondstmateriaal uit goed ontsloten contexten.
Den Haag Den Haag is rijk aan Romeinse vindplaatsen. Ze komen vooral voor in het zuidwestelijke kleigebied van de stad, maar ook in de duinen. De belangrijkste vindplaatsen in het kleigebied zijn het Wateringse Veld186 (met name de locatie Hoge Veld ,vindplaats 136 187), de Uithofslaan 185 Alle jaartallen in dit hoofdstuk zijn na Christus, tenzij anders of expliciet vermeld. 186 Siemons en Bulten 2014, hoofdstuk 5. 187 Siemons en Lanzing 2009. 47
(vindplaats 146) 188 en de Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195).189 Het gaat voornamelijk om nederzettingsterreinen. In het kleigebied zijn ook vindplaatsen van de Romeinse weg en het kanaal van Corbulo (vindplaats 123, 135 en 139) onderzocht.190 In het duingebied zijn de belangrijkste vindplaatsen die van Ockenburgh (vindplaats 12) 191 en Scheveningseweg (niveau 2, vindplaats 76).192 In beide gevallen gaat het om Romeins civiel-militaire nederzettingen, zogeheten vici. Bij Ockenburgh zijn daarnaast ook Romeins militaire versterkingen bekend. Het duingebied is niet uitsluitend door militairen in gebruik geweest. Vindplaatsen als Scheveningseweg (niveau 1),193 Jan Willem Frisolaan (vindplaats 104)194 en Han Stijkelplein (vindplaats 103)195 leverden sporen op van rurale nederzettingen. In de vroeg-Romeinse tijd arriveren de Romeinse legioenen in ons land. Aanvankelijk wordt het gebied tot aan de Elbe veroverd, maar van een permanente bezetting is in de eerste helft van de 1ste eeuw na Chr. nog geen sprake. Dat verandert wanneer onder het bewind van Caligula (37-41) en diens opvolger Claudius (41-54) de verovering van Britannia een doel wordt. De Rijn vormt in die nieuwe strategie een belangrijke aanvoerlijn en een verdedigings- en communicatiesysteem dat bekend staat als de limes. De zuidoever van de rivier wordt uitgerust met permanente legerbases en wachttorens.
De vroegste castella in Zuid-Holland zijn Valkenburg en Alphen aan den Rijn, die dateren vanaf 39/41. Rond dezelfde tijd wordt ook begonnen aan een kanaal tussen Rijn en Maas, beter bekend als het kanaal van Corbulo. Restanten van dit kanaal zijn inmiddels op veel plaatsen aangetroffen en de aanleg kan tussen 47 en 50 worden gedateerd. In de Haagse regio zijn sporen uit de vroeg-Romeinse tijd schaars. Vooralsnog gaat het om weinig vondsten die duidelijk maken dat de regio nog niet intensief bewoond werd. De Bruin zegt zelfs dat pas vanaf de tweede helft van de 1ste eeuw na Chr. de eerste rurale nederzettingen in het gebied worden gesticht.196 In de jaren 69/70 is de Haagse regio getuige van de Bataafse opstand. Met het neerslaan van de rebellie en daarop volgende veranderingen in het bestuurlijk apparaat, begint de middenRomeinse tijd. De veranderingen houden onder meer in dat de Haagse regio in 85 deel gaat uitmaken van de provincie Germania inferior.197 Er breekt een periode van relatieve rust en welvaart aan. In rap tempo raakt het platteland in de Haagse regio bewoond. We treffen de rurale nederzettingen vooral aan op kreekruggen en oeverwallen van het Gantelsysteem, maar ook in de duinen. Bij Voorburg ontstaat aan het begin van de 2de eeuw een kleine rurale nederzetting die in de loop van de 2de eeuw zal uitgroeien tot de districtshoofdstad Forum Hadriani.
Rond het midden van de 2de eeuw treden nieuwe veranderingen op in het gebied. De marktplaats Forum Hadriani krijgt een officiële stadsstatus en draagt vanaf dan de naam Municipium Aelium Cananefat(i)um (MAC).198 Grootschalige verkaveling in het rurale gebied wijst op
188 Pavlović 2011a, 2018. 189 Stokkel 2016, 2015. 190 Siemons 2014 p. 338–346; Waasdorp 2003. 191 Waasdorp 2012; Waasdorp en Van Zoolingen 2015. 192 Waasdorp 1999. 193 Jackson 2005. 194 Kersing e.a. 1995 p. 227; Kersing en Magendans 1993, p. 286; Vos en Van Zoolingen 2019a. 195 Kersing en Magendans 1993, p. 285. 196 De Bruin 2017, p. 289–290. 197 Raepsaet en Raepsaet-Charlier 2013, p. 218. 198 Waasdorp 2003, p. 57–59. 48
belastingheffingen.199 De mijlpaal van Antoninus Pius uit 151, gevonden in het Wateringse Veld (vindplaats 123),200 en de dateringen van de kadewerken in de haven van Voorburg rond 160201 maken duidelijk dat ook aan de infrastructuur van het gebied werd gewerkt. Uit deze periode werd op Ockenburgh ook een klein fort opgegraven waarvan de bezetting vermoedelijk uit een ruitereenheid bestond die in het duingebied patrouilleerde. Langs de Scheveningseweg bevond zich een vicus waarbij vondsten van militaria duidelijk maken dat ook hier soldaten gelegerd waren. Hoewel de vindplaatsen ogenschijnlijk op elkaar lijken en als onderdelen van één systeem worden gezien, komen de dateringen niet overeen. Het ruiterfort van Ockenburgh is gebouwd rond 150 en heeft niet langer dan tot 180 gefunctioneerd, terwijl de activiteiten aan de Scheveningseweg pas een decennium later aanvangen.202 Plaatsen we echter de vondsten van Scheveningseweg naast die van de vicus van Ockenburgh (en dus niet naast de vondsten uit het fortje), dan is er wel degelijk sprake van gelijktijdigheid. 203
Naast een verdeling van het land in belastbare percelen, zorgde de verkaveling, die vanaf het midden van de 2de eeuw in het kleigebied is uitgerold, er ook voor dat het gebied ontwaterde. Als gevolg daarvan daalde de bodem. Het water kon vervolgens niet meer weg en een deel van het landschap verdronk. Mede hierdoor hield een deel van de rurale nederzettingen vanaf de 3de eeuw op te bestaan, met name in de regio rond Schiedam en Midden-Delfland.204 In de Haagse regio bleef de rurale bewoning doorgaan in de 3de en misschien de 4de eeuw. Wanneer de Romeinse vindplaatsen in Den Haag precies ophouden met bestaan, is discutabel omdat de datering van het 3de-eeuwse vondstmateriaal de laatste jaren sterk ter discussie is komen te staan.205 Het einde van de Romeinse tijd is daarom een belangrijk onderzoeksthema.
Archeologisch onderzoek in de periode 2009-2020 In het afgelopen decennium is het onderzoek van de Romeinse tijd van Den Haag op twee manieren verrijkt: enerzijds zijn nieuwe vindplaatsen ontdekt en nieuwe onderzoeken gestart, en daarnaast zijn oude opgravingen uit voorgaande jaren uitgewerkt en gepubliceerd. Zonder twijfel de belangrijkste nieuwe vindplaats van Den Haag is de Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195), die vanaf 2014 gedurende verschillende veldwerkcampagnes is opgegraven. Het onderzoek loopt nog, maar tot de meest opvallende vondsten behoren een zilverschat en de restanten van een (deels) stenen gebouw. Ander nieuw onderzoek, op een reeds bekende vindplaats, is de Madepolderweg (vindplaats 181), waar resten van een groot pakhuis langs een kleine kade werden aangetroffen.206 Ook dit onderzoek is nog niet afgerond. Een eerste publicatie van een oud onderzoek betreft de uitwerking van de cultusplaats bij de Lozerlaan (vindplaats 31) uit 2010.207 Verder is in het kader van het NWO-programma Odyssee in 2012 de publicatie verschenen van het onderzoek naar het Romeinse fortje van Ockenburgh (vindplaats 12).208 Diezelfde vindplaats stond in de laatste jaren nog enkele malen in de belangstelling. Zo vond in 2014 een kleine opgraving plaats die de sporen opleverde van een Romeins
199 Siemons 2009, p. 369. 200 Waasdorp 2003, p. 20–24. 201 Driessen en Besselsen 2014, p. 152. 202 Waasdorp 2012, p. 142. 203 Waasdorp 2012, p. 142–143; Van Zoolingen 2019. 204 De Bruin 2017, p. 282–283. 205 Geerts en Reigersman-Van Lidth de Jeude 2019. 206 Van Zoolingen 2019c. 207 Van Zoolingen 2010. 208 Waasdorp 2012. 49
kamp209 en in 2015 werd de uitwerking van de oude opgravingen uit de jaren negentig van de vorige eeuw afgerond met een volgende publicatie over Ockenburgh.210 Als laatste mag nog genoemd worden dat Den Haag twee symposia over de Romeinse tijd heeft georganiseerd, naar aanleiding waarvan twee publicaties zijn uitgebracht211 In 2017 verscheen het proefschrift van De Bruin,212 waarin Den Haag een prominente rol speelt.
6.2 Cultuurlandschap Bewoning op de klei Bewoning uit de Romeinse tijd treffen we in heel Den Haag aan. In het kleigebied liggen de nederzettingen veelal op de hoger gelegen oeverwallen en stroomruggen van het Gantelgetijdesysteem. Het globale beeld is dat het hier voornamelijk gaat om uiteenlopende (boeren)bedrijven, variërend van veedrijvers tot akkerbouwers, en ambachtslieden tot fokkers). De nederzettingen bestaan veelal uit meerdere aaneengeschakelde erven. De erven zijn omgreppeld en kunnen zowel gelijktijdig als opeenvolgend zijn. Kavels die niet in gebruik waren als erf, dienden als akker of weiland, of voor de inrichting als bijzondere (sacrale) plaats. Daarnaast zijn grafvelden en verschillende infrastructurele werken in het gebied onderzocht. Ondanks deze algemene indruk, zijn nederzettingen op opgravingsniveau zeer gevarieerd. Vindplaatsen als Hoge Veld (vindplaats 136), Uithofslaan (vindplaats 146) en Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195) leveren misschien vergelijkbare gebouwplattegronden op, de inrichting van nederzettingen is juist heel verschillend.
y Welke invloed hadden Romeinse centra (steden, versterkingen, vici) op hun omgeving? y Wat is de functie van de nederzetting (complextype) en haar individuele componenten (huizen, gebouwen, kavels) en zijn activiteitenzones (bewoning, ambacht, akker, etc.) aan te wijzen? y Waar bevonden zich militaire structuren in het Gantelgebied en hoe zagen deze er uit? y Welke rol speelde het Romeins gezag bij de locatiekeuze? y Onderzoek naar de huiserven van Rotterdamsebaan geeft aanleiding om kritisch te kijken naar de manier waarop Romeinse vindplaatsen worden gefaseerd en geïnterpreteerd. Zijn er alternatieve fasering/interpretatie mogelijkheden?
Bewoning op het zand In het duingebied kennen we tot nu toe slechts enkele rurale nederzettingen, de vici van Ockenburgh (vindplaats 12) en Scheveningseweg (vindplaats 76) en de daarbij gelegen militaire steunpunten. Omdat van Ockenburgh naar verhouding het grootste deel is opgegraven, is hierover ook de meeste informatie beschikbaar. Het gaat om een terrein waar lokale en nietlokale bewoners samenleefden, als soldaat, boer, handelaar, enz. De bebouwing bestond uit een ruiterfort, langgerekte vicushuizen en enkele huizen gebouwd volgens lokale tradities. De vicus, het fortje en vermoedelijk ook lokale nederzettingen in de omgeving zijn vermoedelijk met elkaar verbonden door een weg die slingerend de contouren van een duin en de rug van een strandwal volgt. Niet ver van de vicus, op een hoger punt in het landschap, lag langs deze weg nog een klein grafveld. y In hoeverre beperken erosie van de Laag van Voorburg of afdekking van de Oude Duinen door de Laag van Den Haag onze kennis van de (rurale) bewoning in het duingebied? Is hier sprake van beperkte archeologische zichtbaarheid of kenmerkt de Romeinse bewoning van het duingebied zich daadwerkelijk door kleinschaligheid? 209 Van Zoolingen 2014. 210 Waasdorp en Van Zoolingen 2015. 211 Van Zoolingen 2019a; Van Zoolingen en Lenoir 2018. 212 De Bruin 2017. 50
y Is het duingebied vergelijkbaar met het kleigebied verkaveld geweest? y Over de verschillen tussen bewoning op de klei en het zand is nog weinig bekend. Bij gebrek aan goed ontsloten vindplaatsen van rurale bewoning in het duingebied, is veel gebaseerd op aannames. Het loont dus nog steeds om deze discrepantie in balans te brengen. Dat kan door de uitwerking van nog niet gerapporteerde oude onderzoeken alsnog op te pakken, wellicht in combinatie met toekomstig onderzoek. Vindplaatsen als Jan Willem Frisolaan (vindplaats 104), Han Stijkelplein (vindplaats 103) en Ockenburgh-camping vormen hiervoor een goed startpunt.
Exploitatie van het landschap Over de exploitatie van het landschap in de Romeinse tijd is nog niet veel bekend. Is er naast akkerbouw en veeteelt bijvoorbeeld ook sprake van bosbouw, veenwinning of moernering? Het doelgericht inzetten van pollen- en micromorfologiemonsters zal ons hierin voor een deel van antwoorden moeten voorzien. Het verdient bovendien aanbeveling om ook in de toekomst meer hout en houtskool in opgravingen te laten onderzoeken.213 y Welke locaties lenen zich voor akkerbouw, veeteelt, bosbouw, jacht en visserij? Wat is het potentieel van deze locaties? Was men in staat een surplus te produceren? y Hoe werd het veengebied benut in de Romeinse tijd en wat kan er gezegd worden over de relatie tussen de verkavelingssystemen en het veen? y Waren er nederzettingen in de kweldergebieden of op het veen, en zo ja, wat zijn de voorwaarden, waar kunnen we deze nederzettingen verwachten en hoe kunnen we deze prospecteren?214
6.3 Chronologie Dateringen Het Haagse gebied is bijzonder rijk aan daterend vondstmateriaal, zowel metaal als aardewerk, maar ook glas of organische materialen zijn beschikbaar. Dit biedt de gelegenheid om middels het systematisch opzetten van materiaalcatalogi en het bestuderen van materiaal uit gesloten contexten een scherper beeld te krijgen van lokale (typo)chronologieën. Die chronologie valt voor de Romeinse tijd uiteen in drie perioden (vroeg, midden en laat) die ieder worden gevat in jaartallen. Maar waar het ene jaartal is gekoppeld aan archeologisch vondstmateriaal, is een ander gekoppeld aan een historische gebeurtenis of zelfs aan een theorie die daarvan is afgeleid. Het is van belang om deze jaartallen te blijven toetsen. Gezien de recente ontwikkelingen rond de theorie van de Limesfall (het einde van de midden-Romeinse tijd), doen we er bijvoorbeeld goed aan voorzichtig om te gaan met dateringen van 3de-eeuws vondstmateriaal. Dat geldt niet alleen voor toekomstige determinaties, maar ook voor het gebruik van dateringen uit ‘oude’ opgravingsverslagen.
y Is hout voorhanden waarmee dendrochronologisch onderzoek mogelijk is? y Welke dateringen kunnen we afleiden aan muntreeksen? y Laten vondstlagen zich absoluut dateren (aan de hand van 14C of dendrochronologie)? Toont zich daarin een stratigrafie? y Kunnen gesloten contexten met veel vondstmateriaal aan de hand van dendrochronologie of 14C nauwkeurig gedateerd worden om gebruikt te kunnen worden in een lokale typochronologie? y Kunnen we een nieuwe typochronologie opstellen van de verschillende materiaalcategorieën?
213 Kooistra e.a. 2019, p. 58. 214 Van der Feijst 2019. 51
y Kan dit onderzoek bijdragen aan een referentiecollectie van handgevormd aardewerk op bakselniveau? y Gebruik de metaaldetector consequent bij het aanleggen van het vlak (inclusief de bouwvoor) en bij het couperen/afwerken.
Begin van de Romeinse tijd Hoewel niet is uitgesloten dat een kleine groep lokale bewoners (al vanaf de prehistorie) in Den Haag aanwezig was op het moment dat de eerste Romeinen arriveerden, lijkt er toch een hiaat te zijn tussen de ijzertijd en de Romeinse tijd. Een goede verklaring voor de nieuwkomers is recentelijk door De Bruin voorgesteld; omdat er geen aanwijzingen zijn voor continuïteit in bewoning tussen de late ijzertijd en de periode rond 50, lijkt de regio opnieuw bewoond te worden door immigranten, met een achtergrond in het West-Nederlandse kustgebied.215 Deze mensen brengen net als de Romeinen een eigen culturele identiteit met zich mee die met de tijd evolueert. y Welke vondsten zouden karakteriserend kunnen zijn voor vindplaatsen uit de late ijzertijd en het begin van de Romeinse tijd in de regio? y Hoe moeten wij ons het begin van de bewoning in de Romeinse tijd voorstellen? Is er inderdaad een bewoningshiaat tussen grofweg het midden van de 1ste eeuw v. Chr. en het midden van de 1ste eeuw na Chr.? y Waar in de 1ste eeuw beginnen Cananefaatse nederzettingen en is daar een patroon in te ontdekken? y Is er sprake van een chronologisch verschil tussen vroege bewoning in het klei- en duinlandschap?
Den Haag in de 4de en 5de eeuw De meeste rurale nederzettingen lijken in ons huidige onderzoek te eindigen rond of na het midden van de 3de eeuw. Op het Hoge Veld (vindplaats 136) is dat al het geval na 220, maar bijvoorbeeld vindplaats 1 aan de Uithofslaan (vindplaats 146) eindigt pas tussen 255-270 uitgaande van de vondst van een zogeheten Trierse spreukbeker.216 In dit specifieke geval gaat het om een tamelijk recente determinatie uit 2018, en dat is van belang omdat de datering van het 3de-eeuwse vondstmateriaal de laatste jaren sterk ter discussie is komen te staan.217 Waar de midden-Romeinse tijd traditioneel eindigt bij historisch bekende invallen van Barbaarse stammen vanaf het midden van de 3de eeuw,218 de zogeheten Limesfall, wordt de periode 260-275 ook vaak gekoppeld aan dateringen van vindplaatsen en vondstmateriaal. Heeren heeft echter overtuigend betoogd dat de theorie van de Limesfall voor de Nederrijnse limes niet opgaat.219 Zo wijst hij erop dat muntreeksen kunnen eindigen rond 270/275, maar dat dit niet impliceert dat de bewoning ook stopt. Officiële munten uit het laatste kwart van de 3de eeuw en begin van de 4de eeuw zijn immers nauwelijks in de noordelijke provincies van het Rijk terecht gekomen. Een vergelijkbaar hiaat is ook waarneembaar in het Haagse muntbeeld.
De muntreeksen lopen hier zeker door tot in het derde kwart van de 3de eeuw, met voornamelijk antoniniani uit de periode 250-275. Een deel hiervan is afkomstig uit het Gallische rijk, een afsplitsing van het keizerrijk die te midden van de zogenaamde militaire anarchie van de jaren 230 tot 280 werd opgericht door Postumus (259-269). Het omvatte de Germaanse en Gallische provincies, Britannia, en wellicht ook Hispania. Jongere munten uit het laatste kwart van de 3de eeuw zijn
215 De Bruin 2017, p. 4. 216 Geerts 2018. 217 Geerts en Reigersman-Van Lidth de Jeude 2019. 218 Van Es 1981, p. 47–48. 219 Heeren 2016. 52
weinig tot niet bekend, maar conform Heeren220 wijst deze absentie niet op een hiaat of zelfs einde van bewoning in Den Haag in het laatste kwart van de 3de eeuw. En hoewel schaars, er zijn zelfs vondsten die het tegendeel bewijzen: van Ockenburgh (vindplaats 12) kennen we glasvormen uit de late 3de en 4de eeuw221 en van de Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195)222 komen twee 4de-eeuwse munten223 en een ring die op basis van epigrafie gedateerd kan worden in 300-355.224 We moeten ons dan ook niet blindstaren op munten en meer aandacht hebben voor betere dateringen van aardewerk en ander laat vondstmateriaal. y Hoe manifesteren de late 3de, 4de en 5de eeuw zich in het vondstmateriaal? y Wat leveren vondstlagen en bouwvoren op? Gaat hierin de jongste fase van bewoning schuil? y Wat zijn in de regio de kenmerkende typen van lokale en geïmporteerde keramieksoorten in de laat Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen? y Is er sprake van continuïteit in de bewoning of verkaveling vanaf de Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen en later, waar trad die op en hoe is die in stand gebleven?
6.4 Lokale fenomenen Woonstalhuizen Huisplattegronden uit de Romeinse tijd worden overal in Den Haag aangetroffen. Alle plattegronden lijken op het eerste gezicht identiek, twee wandgreppels met daarbinnen grote rechthoekige paalkuilen voor de binnenstijlen. Toch zijn op detailniveau verschillende typen te onderscheiden.225 Er zijn één-, twee- en driebeukige huizen die qua constructiewijze in duidelijke groepen zijn te verdelen,226 maar die heterogeen van uiterlijk zijn. Daarnaast zijn er ook huizen met een volledige A-constructie (schuin geplaatste binnenstijlen)227 en de zogeheten wall-ditch huizen.228 In alle typen gebouwen kunnen binnenwanden voorkomen die de structuur opdelen in verschillende ruimtes (niet in de laatste plaats een woon- en staldeel). Ook komen er regelmatig ingangspartijen voor. Sommige gebouwen lijken te zijn uitgerust met een porticus (een luifel); een voorbeeld van zo’n ‘veteranenboerderij’ is afkomstig van de vindplaats Hoge Veld (vindplaats 136).229 y Zijn er behalve de gangbare gebouwtypen ook afwijkende (of zelfs onbekende) typen? y Zijn alle rurale gebouwen wel woonstalhuizen? y Is er sprake van veteranenboerderijen en zo ja vanaf wanneer, hoeveel en wat zegt dat?
Houtbouw naar vakwerkbouw Het woonstalhuis lijkt in de 3de eeuw grotendeels te verdwijnen en maakt plaats voor nieuwe gebouwtypen. Voor de constructie van de nieuwe gebouwen is gebruik gemaakt van vakwerkbouw en muren die opgetrokken zijn uit aangestampte leem. De voor de 3de eeuw zo kenmerkende kuilenclusters, die bijvoorbeeld op vindplaats 3 aan de Uithofslaan (vindplaats 146) zijn aangetroffen, kunnen een aanwijzing zijn dat men klei heeft gewonnen op het erf voor
220 Heeren en Van der Feijst 2019. 221 Vanderhoeven 2015, p. 217. 222 Stokkel 2016, 2015; Stokkel 2016, 2015. 223 Determinatie door Paul Beliën, NUMIS nummers 1130640 en 1130641. 224 Steures 2019. 225 Kodde 2007. 226 Zie Kodde 2007 voor een typologische indeling. 227 Siemons en Laan 2009, p. 66–67; Van Zoolingen 2011a, p. 72–74. 228 Van Zoolingen 2011a, p. 72–74, 2011a, p. 92–93. 229 Siemons en Laan 2009, p. 60–63. 53
het gebruik ervan in de wanden van de huizen.230 In een aantal nederzettingen verrijzen rond dezelfde tijd gebouwen met een deels stenen constructie, zoals funderingen in Rijswijk-De Bult en Naaldwijk-Mars laten zien, of de uitzonderlijk grote hoeveelheid Romeinse dakpannen in het tracé van de Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195). y Houden woonstalhuizen na de 3de eeuw op met bestaan? y Is er een verband tussen het grote aantal (klei?) kuilen en ‘steenbouw’ in de latere periode? y Kan op basis van een gebouwplattegrond, eventueel in combinatie met andere sporen en vondstmateriaal, een uitspraak worden gedaan over de functie en/of gebruik ervan?
Infrastructuur Dwars door het Wateringse Veld liep in de Romeinse tijd een Romeinse hoofdweg. De vondst van vier Romeinse mijlpalen langs het Oosteinde (vindplaats 123) maakt duidelijk dat de weg een officiële status had. De ‘officiële’ weg werd aangelegd in het midden van de 2de eeuw en volgt in grote lijnen het tracé van het circa honderd jaar oudere kanaal van Corbulo, maar vermoedelijk was er eerder al een eenvoudigere weg die het gebied ontsloot. Alle nederzettingen zijn bereikbaar geweest via paden of (water)wegen. De hoofdtakken van de Romeinse infrastructuur, het van opgravingen bekende kanaal van Corbulo en de naastgelegen Romeinse hoofdweg, vinden we in grote lijnen langs het tracé van het Oosteinde. Maar er worden ook belangrijke routes door het duingebied verondersteld.231 Duikers in de bermgreppels van de hoofdweg zorgden ervoor dat de nederzettingen in het achterland via zijpaden bereikbaar waren. Eveneens langs de weg treffen we kleine grafvelden aan, bestaande uit enkele crematiegraven al dan niet afgedekt met grafheuvels.
y Kent de Romeinse hoofdweg in het Wateringse Veld een vroege voorloper? Zo ja, wat zijn hiervan de uiterlijke kenmerken en wat is de datering? y Hoe zien (secundaire) wegen en paden eruit? y Welke waterlopen kunnen zijn gebruikt als bevaarbare route? En, wat was daarvan de diepte en breedte, zijn ze beschoeid en zijn er wellicht aanlegplekken aan te wijzen? y Zijn er kades en overslagplaatsen? y Zijn er sporen die duiden op watermanagement in de zin van duikers, dammen of andere structuren?
2de-eeuwse verkaveling In de 2de eeuw worden op grote schaal greppelsystemen gegraven die het gebied verkavelen. Uit verschillende studies is gebleken dat bij de uitleg van deze verkaveling Romeinse maatvoering is toegepast.232 De greppelsystemen vervulden een rol in de waterhuishouding en deden dienst als vaarroutes, daarnaast hebben de kavels mogelijk een juridische functie gehad. y Wat is de relatie van de boerenerven met het verkavelingssysteem en de dynamiek van deze landinrichting? Zijn er verschillen zichtbaar in de ontwikkelingen dichter bij het kerngebied (Romeinse wegen) en het achterland? y In de 2de eeuw worden op grote schaal greppelsystemen gegraven: wat zijn de hydrologische gevolgen van deze greppelsystemen? y Zijn de greppels uit dit greppelsysteem ook als vaarweg gebruikt?
Economie De voedselproductie van de Haagse regio in de Romeinse tijd wordt gedomineerd door gemengde bedrijven in het rurale gebied. Veeteelt lijkt de overhand te hebben, maar ook aan akkerbouw is gedaan. Aan de hand van zoölogische resten weten we dat rund de veestapel domineerde, maar ook schaap/geit, paard en varken komen regelmatig voor. De archeo230 De Bruin 2017, p. 281. 231 Vos en Van Zoolingen 2019a; Waasdorp 2003 p. 53–55. 232 Van Londen 2006. 54
botanische resten laten ons zien dat akkers kleinschalig moeten zijn geweest, zowel in het kleigebied als in de duinen. Zelfs grootschalige onderzoeken zoals Hoge Veld (vindplaats 136) en Uithofslaan (vindplaats 146) hebben nauwelijks graanresten opgeleverd. Bij de akkers moeten we ons daarom eerder moestuinen voorstellen, bestaande uit meerdere parallel aan elkaar gelegen smalle greppels. Voorbeelden zijn afkomstig van de Uithofslaan, Nikkelwerf (vindplaats 43), Erasmushove (vindplaats 185) en de Zevenwoudenlaan (vindplaats 144).233 De voornaamste gewassen die in de tuinen werden verbouwd zijn gerst en de duivenboon. Aanwijzingen voor jacht en visserij zijn beperkt. Eerstgenoemde had een beperkt aandeel in de rurale economie; in Den Haag zijn slechts enkele resten van wilde dieren gevonden. Dat weinig over visserij bekend is, komt wellicht door de onderzoeksstrategie. Visbotten zijn klein en worden vooral verzameld wanneer tijdens een opgraving gezeefd wordt. Op de kleigronden is dit vanwege de grondsoort moeizaam en in de zandgronden staat de slechte conservering van organische resten een goed resultaat in de weg. Het zijn dan ook vooral de resten van grotere vissoorten, zoals steur en snoek, en van schelpdieren die tot nu toe bekend zijn uit de Romeinse vindplaatsen van Den Haag. Nijverheden en ambachten zijn eveneens nog weinig bestudeerd.
Aan de Uithofslaan is een klein gebouw (wall-ditch structuur) opgegraven waarvan wordt aangenomen dat het een werkplaats is geweest. Bij het ambacht dat hier plaatsvond, kunnen we denken aan de verwerking van metaal of glas. Dergelijke grondstoffen zijn ook in de Romeinse tijd vaak hergebruikt. De producten van de gemengde boerenbedrijven vonden hun weg naar lokale markten, zoals Forum Hadriani of in een vicus als Ockenburgh (vindplaats 12), maar het is ook goed voor te stellen dat men werkte met marskramers of vaste afnemers, zoals het Romeinse leger. De grote opslagcapaciteit van een horreum aan de Uithofslaan234 geeft een indruk van georganiseerde handelsstromen op het lokale niveau.235 y Is op nederzettings- en/of erfniveau sprake van functionele verschillen en specialisatie? y Als er geen visresten worden aangetroffen, zijn er dan andere vondstgroepen die wijzen op de rol van visserij? Denk bijvoorbeeld aan netverzwaringen. y Zijn er aanwijzingen voor ambachtelijke activiteiten zoals bijvoorbeeld het bewerken van metaal of het winnen van zout?
Grafritueel Graven zijn in de Haagse regio niet veel aangetroffen, zeker niet wanneer we het aantal vergelijken met de veronderstelde bevolkingsaantallen. Grote grafvelden zoals bij de vicus van Valkenburg zijn onderzocht, zijn vooralsnog niet bekend uit Den Haag. De verwachting dat de stad Forum Hadriani enkele grotere grafvelden buiten de stadspoorten had die we misschien moeten zoeken op Haagse grondgebied, is vooralsnog niet uit archeologisch onderzoek gebleken.236 Het relatief kleine aantal graven dat we wel kennen uit de regio bestaat uit (delen van) kleine grafvelden of geïsoleerde losse graven. Het naar verhouding grootste grafveld van Den Haag is dat van Ockenburgh (vindplaats 12), waar tot nu toe tien crematiegraven werden opgegraven. Over het algemeen kan voor dit grafveld worden gesteld dat het aanzienlijk verstoord is door archeologisch onderzoek uit het begin van de vorige eeuw, maar ook doordat het als ploegland is gebruikt en als gevolg van winderosie. Dat laatste heeft veel invloed gehad omdat het grafveld gesitueerd was op een hoog punt in het landschap. Over de aangetroffen graven is niet veel bekend; er zijn enkele containers van aardewerk of een mogelijk vergankelijk materiaal gedocumenteerd, en er lijkt sprake te zijn van grafgiften. Onderzoek naar de crematieresten is nooit gedaan.
233 Van der Mijle Meijer 2014 p. 28–31. 234 Van Zoolingen 2011a, p. 76–78. 235 Pavlović 2019, p. 125. 236 Buijtendorp 2010, p. 591; Koot 2019, p. 100. 55
Dat is anders voor de crematiegraven uit het Wateringse Veld, waar verdeeld over meerdere projecten nu veertien graven bekend zijn.237 Acht daarvan werden opgegraven tijdens project VEL97 (vindplaats 123) langs de Romeinse weg die aan het Oosteinde werd onderzocht. De crematiegraven bevinden zich in een 10 m brede zone ten noorden van de weg over een lengte van circa 40 m. Zowel de weg als de graven liggen op een smalle oever die gevormd is ten noorden van een restgeul van de Gantel. De graven zijn gevonden in de nabijheid van de mijlpalen. Ruim 100 m oostelijk lagen twee kringgreppels. Bij deze randstructuren zijn geen crematiegraven- of resten aangetroffen. Een geheel ander type graf kennen we van opgravingen aan de Lozerlaan (vindplaats 129)238 en Scheveningseweg (vindplaats 76).239 Hier werden in nederzettingscontexten de onverbrande resten van kinderen aangetroffen. Voor de Romeinse tijd lag kindersterfte een stuk hoger dan tegenwoordig en een volwaardig grafritueel was voor deze onvolwassenen dan ook ongebruikelijk. De lijkjes werden zonder veel egards aan de grond toevertrouwd, niet zelden bij het afval. De schedel van een jonge man die los in een kuiltje naast een van de gebouwen aan de Scheveningseweg werd opgegraven, kan ook nog als bouwoffer zijn bedoeld.
Van de meeste graven die in Den Haag zijn onderzocht, kan alleen een globale indruk worden gegeven van het geslacht en leeftijd van de overledenen.240 Doodsoorzaken, afgezien van ouderdom en kindersterfte, zijn moeilijker te duiden. Recent onderzoek naar twee crematiegraven van de opgraving Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195) vormt een uitzondering. Hier lijkt het te gaan om twee kinderen die ieder zijn gestorven aan een infectieziekte. Gezien het feit dat hun crematieresten dicht naast elkaar liggen voor de ingang van een huis, is het goed voor te stellen dat de kinderen tegelijkertijd zijn overleden en als koppel ter aarde zijn besteld.241 y Hoe werden de doden behandeld en welke ontwikkeling is hierin zichtbaar? Is er sprake van grafrituelen? y Wat waren de locatiekeuzefactoren van grafvelden? y Is er sprake van grafmonumenten of andere sporen die met de graven of het grafritueel in verband kunnen worden gebracht? y Is er sprake van verschillen tussen graven bij verschillende typen nederzettingen? y Wat is de leeftijd- en geslachtsopbouw van de individuen in de grafvelden? y Zijn er (in de grafvelden) aanwijzingen voor ziektes, epidemieën of (interne) conflicten (verwondingen door geweld)? y In welke gevallen (vindplaats, locatie binnen vindplaats/huis) worden menselijke resten in de nederzetting aangetroffen? y Waar komen de mensen vandaan? Lokaal versus elders in Europa?
(Strontium isotopen?)
Rituelen Opgravingen in Den Haag hebben verschillende aanwijzingen opgeleverd voor rituele praktijken in de Romeinse tijd. Op diverse vindplaatsen zijn bijvoorbeeld votief beeldjes aangetroffen. Deze duiden mogelijk op de aanwezigheid van huisaltaren. Aan de Lozerlaan (vindplaats 31) is een vierkant terrein onderzocht dat omsloten werd door een greppel waarvan de hoeken naar de windrichtingen wijzen. Het terrein is als een cultusplaats te interpreteren, al zijn er geen parallellen om deze hypothese te ondersteunen.242 Naast de cultusplaats werd een nagenoeg complete bronzen kan aangetroffen die als een op zichzelf staand offer wordt gezien. Vergelijkbare deposities komen vaker voor, al gaat het zelden om 237 Siemons en Bulten 2014, p. 346-364. 238 Van der Jagt 2010, p. 130–133. 239 Carmiggelt 1998, p. 34. 240 Siemons en Bulten 2014, p. 353–362. 241 Publicatie in voorbereiding. 242 De Bruin 2017, p. 243–244; Van Zoolingen 2011. 56
metalen vaatwerk en eerder om (delen van) dierlijke skeletten of (miniatuur)aardewerk. Van weer een andere orde zijn de bouwoffers. De al genoemde schedel van een jonge man in een kuil aan de Scheveningseweg (vindplaats 76) kan tot deze categorie worden gerekend, maar sprekender nog zijn twee bouwoffers van Ockenburgh (vindplaats 12). Het eerste werd door Holwerda opgegraven, en het tweede door de gemeente Den Haag. Beide deposities hebben gemeen dat ze bestaan uit gebruikt vaatwerk, metalen en stenen gebruiksvoorwerpen en voorwerpen van gewei of bot. Een voorraadpot, deel uitmakend van de tweede depositie, was gevuld met verbrande leem en afgedekt met een laag as. De plek binnen de contouren van een huis, spijkers en het genoemde leem maken duidelijk dat het om een bouwoffer gaat. Noemenswaardig is verder nog de vondst van fragmenten van een zandstenen altaar op vindplaats 3 aan de Uithofslaan (vindplaats 146). Het altaar was mogelijk gewijd aan Hercules.243 Samen met een eveneens aan de Uithofslaan opgegraven fragment van een kalkstenen zuil, kan het altaar afkomstig zijn uit een vooralsnog niet bekende tempel in de nabijheid van de vindplaats.
y Hoe zagen rurale cultusplaatsen eruit? Zijn de vierkante en u-vormige greppelstructuren als cultusplaatsen te interpreteren? y Waar kunnen tempels naar Romeins voorbeeld hebben gestaan? y Hoe beleefden de lokale bevolking hun religie? Zijn er ook kleinschaligere rituele plaatsen geweest, denk bijvoorbeeld aan huisaltaren? Hoe kunnen we deze archeologisch aantonen?
6.5 Bovenlokale fenomenen Cananefaatse identiteit In Den Haag ontstaan de eerste rurale nederzettingen na het midden van de 1ste eeuw na Chr. Omdat continuïteit vanuit de late ijzertijd niet is waargenomen, is de hypothese ontstaan dat de bewoners van het rurale gebied immigranten zijn geweest.244 Gebaseerd op enkele materiaalcategorieën, hebben zij hun herkomst in het kustgebied van West-Nederland, met een nadruk op het gebied ten noorden van de Rijn. In korte tijd groeit het aantal nederzettingen in de regio snel, met een explosie van vindplaatsen na 70. Al snel na het stichten van de eerste nederzettingen, ontwikkelt zich in het onderzoeksgebied een eigen (materiële) cultuur, waarbij erfinrichting, huizenbouw en handgevormd aardewerk, maar ook overeenkomstige patronen in voedselproductie, -bereiding en -consumptie, archeologisch waarneembare elementen vormen. Deze archeologica vormen, volgens De Bruin, de symbolische bouwstenen van de Cananefaatse gemeenschap.245 Het is niet ondenkbaar dat deze symbolen ontwikkelden ten opzichte van een extern blok, in dit geval het dichtbij aanwezige Romeinse leger. Dat in ieder geval de naam Cananefates een Romeinse uitvinding is, mag blijken uit het feit dat de vroegste historische vermeldingen van de groep ruim voor de archeologische data te dateren zijn; de oudste is die van Tacitus uit 28.
De materiële cultuur van de Cananefaten verschilt sterk van die in de forten langs de Rijn. De eerste honderd jaar komen er nauwelijks geïmporteerde producten in rurale nederzettingen voor. Van interactie tussen het rurale gebied en de militairen is nauwelijks sprake. Ook de stichting van Forum Hadriani rond 120 lijkt nog nauwelijks invloed te hebben gehad op de rurale nederzettingen. Ook in de 2de en 3de eeuw kan de rurale gemeenschap niet los worden gezien van de Romeins-militaire aanwezigheid, ook al treden er veranderingen op. Als reactie op de bredere socio-politieke veranderingen rond 150 is de Cananefaatse gemeenschap mogelijk opnieuw
243 Van Pruissen e.a. 2011, p. 290–291. 244 De Bruin 2017. 245 De Bruin 2017, p. 318. 57
gedefinieerd: er ontstaan een nieuwe symbolische kern en grenzen.246 Heel typerend is bijvoorbeeld hoe vanaf deze periode het handgevormde aardewerk volledig verdreven wordt door Romeinse importen.247 Deze ontwikkelingen zijn na de eerste fase van veranderingen waarneembaar vanaf de 3de eeuw. De materiële cultuur is dan goed vergelijkbaar met rurale sites in andere regio’s, waar eenzelfde acceptatie van Romeinse producten tot stand komt. Deze ontwikkeling wijst op verregaande integratie in de provinciale samenleving. Maar ondanks het ontstaan van een provinciale groepsidentiteit worden in 250 de mijlpalen van Den Haag en Rijswijk opgericht in naam van de Cananefates. Deze mijlpalen geven aan dat binnen de grotere, provinciale identiteit ook de articulatie van de lokale, Cananefaatse identiteit nog steeds belangrijk was. De Cananefaatse cultuur is in de 3de eeuw dus grotendeels geïntegreerd in de bredere provinciale samenleving, maar met behoud van de eigen identiteit.
y Zijn (lokale) logistieke en/of bestuurlijk-administratieve centra te definiëren? y Is de toename van het aantal bewoners na 70 het resultaat van Romeinse politiek of zijn er andere oorzaken aan te wijzen? y Hoe evolueert de Cananefaatse materiële cultuur (de symbolische bouwstenen van de Cananefaatse gemeenschap) in de tijd en hoe verhoudt deze zich tot die van de ijzertijd? y Was het gebied echt nagenoeg leeg vanaf de late ijzertijd tot circa 70 na Chr.?
Krijgsgeschiedenis De vroegste aanwijzingen voor Romeins-militaire activiteiten in Den Haag zijn afkomstig van Ockenburgh (vindplaats 12). Hoewel het om een handvol vondsten gaat, zijn zij betekenisvol.248 Onder meer mantelspelden, een dolk en verschillende vormen van vaatwerk dragen een militaire signatuur en zijn te dateren in de (eerste helft van de) 1ste eeuw. Deze vondsten zijn zonder duidelijke context aangetroffen, waardoor niet is te zeggen hoe deze zaken in het Haagse duingebied terecht zijn gekomen. Wanneer we echter bedenken dat het Romeinse leger in de 2de en mogelijk ook 3de eeuw opnieuw neerstrijkt op Ockenburgh, wordt duidelijk dat de locatie een lange militaire geschiedenis kent. We mogen hetzelfde ook verwachten op andere terreinen waar het Romeinse leger verbleef. Die militaire aanwezigheid geldt niet alleen voor de forten en bijbehorende vici, maar voor de gehele regio. Den Haag ligt immers in de Romeinse tijd in één van de zogenoemde keizerlijke provincies, waar de keizer, met het onder zijn bevel staande leger, de dienst uitmaakte. Soldaten waren overal; ze verbleven in de stad en ze maakten gebruik van de infrastructuur.
Recent zijn er verschillende gedachten geformuleerd over de rol van de Haagse regio in Romeins-militaire campagnes, met name gericht op Germania en Britannia.249 Hierin speelt de logistiek gunstige locatie tussen Rijn en Maas en dicht bij de kust een belangrijke rol. Muntvondsten van Scheveningseweg (vindplaats 76) en Ockenburgh vertonen een duidelijke piek aan het begin van de regeerperiode van Septimius Severus (193-211). Eenzelfde piek komt voor in het muntbeeld van andere vindplaatsen, waaronder Forum Hadriani.250 Rond deze tijd worden in Voorburg ook onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd in de haven, terwijl in castella langs de Rijn bouwactiviteiten plaatsvinden. Niet veel later, in 212-213 verrijzen de mijlpalen van Caracalla langs de Romeinse hoofdweg naar Voorburg.251 Al deze activiteiten wijzen op directe betrokkenheid van het Romeinse leger in de ontwikkeling van de Haagse regio. Een verklaring hiervoor zouden de voorbereidingen en nasleep van Septimius Severus’ campagnes in Schotland (208-211) kunnen zijn. Zoals dat in de 1ste eeuw na Chr. al het geval was, 246 De Bruin 2017, p. 317–320. 247 Van Kerckhove 2011. 248 Van Zoolingen 2019. 249 De Bruin 2019; Dhaeze 2019; Van Zoolingen 2019. 250 Kemmers 2014. 251 Dorenbos e.a. 2009, p. 45–48; Waasdorp 2003, p. 30. 58
wordt ook nu het West-Nederlandse kustgebied als springplank gebruikt voor de oversteek naar Britannia en dat zal ook in niet-militaire nederzettingen merkbaar zijn geweest. Niet geheel toevallig zien we aan het begin van de 3de eeuw ook opmerkelijke activiteiten op rurale vindplaatsen. Opvallend zijn bijvoorbeeld de vondsten in het tracé van de Rotterdamsebaan (vindplaats 193-195), waar in bijzonder 3de-eeuwse fibulae en aardewerkvormen een militaire signatuur dragen. Voor de fibulae geldt daarbij specifiek dat het om Germaanse mantelspelden gaat, die er volgens De Bruin op zouden kunnen wijzen dat troepen zijn geronseld in het vrije Frisia.252 De hypothese dat het duingebied een strikt militaire zone is geweest, moet verder onderzocht worden. Aanwijzingen dat bekende rurale sites dateren voor de Romeinse militaire aanwezigheid, zijn niet sluitend.
Zo dateert bijvoorbeeld de rurale nederzetting aan de Jan Willem Frisolaan (JWF92, vindplaats 104) gelijktijdig met de Romeinse vicus van Scheveningseweg, en zijn er aanwijzingen voor vroege militaire activiteiten op Ockenburgh ten tijde van de rurale nederzetting ten oosten van de oude camping.253 Interessant is ook om meer te weten te komen over de op Ockenburgh aangetroffen aanwijzingen voor actieve ontginning van het duingebied door het Romeinse leger.254 y Welke aanwijzingen zijn er voor militaire activiteiten? Denk aan militaria, maar ook aan kenmerkende structuren (bv. spitsgrachten of de aanleg van infrastructuur). y Was het duingebied een strikt militaire zone? y Hoe en door wie werd in de Romeinse tijd het duingebied ontgonnen?
252 De Bruin 2019. 253 Vos en Van Zoolingen 2019. 254 Waasdorp en Van Zoolingen 2015, p. 45–48. 59
7 Vroege middeleeuwen 7.1 Inleiding De vroege middeleeuwen omvatten de periode van circa 450 tot 1000 na Chr. Het betreft de periode na het vervallen van het Romeinse Rijk en het ontstaan en groeien van het Frankische rijk. De indeling in tijdperioden is gebaseerd op de dynastieën van de Frankische koningen in de Merovingische periode (450/82 – 751) en Karolingische periode (751 – 900). Deze indeling is in het Zuid-Hollands kustgebied niet archeologisch terug te vinden en is dus alleen theoretisch van aard. Met het verval van het Romeins bestuur hielden gemeenschappen niet plotseling en volledig op te bestaan, maar er was sprake van een grote teruggang in de bevolking.255 Pollenonderzoek heeft bovendien laten zien dat de natuur weer bezit nam van een gebied dat in de Romeinse tijd voor grote delen in cultuur gebracht was.256 Waar in de Romeinse tijd sprake was van vooral een open landschap, ging het in de vroege middeleeuwen om weer een meer bebost gebied.257
255 Dijkstra 2011, p. 70–89. 256 Waasdorp en Weerelt 2019, p. 25. 257 Jelgersma e.a. 1970; Kooistra e.a. 2019, p. 58. 60
Het staat vast dat de bewoningscontinuïteit in het rivierengebied groter is geweest dan in het Zuid-Hollandse kustgebied. Het is niet mogelijk om de teruggang in bevolking in exacte getallen te vatten. Wel is bijvoorbeeld duidelijk dat het aantal pre-middeleeuwse archaïsche toponiemen, dat in Zuid-Holland is blijven bestaan, significant lager is dan in het rivierengebied.258 De beperkte continuïteit in Zuid-Holland kan ook aangetoond worden op basis van een geïndexeerde verhouding van vindplaatsen van de Romeinse tot en met de Merovingische periode.259 Zuid-Holland maakte aanvankelijk, net als de rest van West-, Midden- en Noord-Nederland, onderdeel uit van de Friese invloedssfeer. Deze was nauw verbonden met andere gebieden rond de Noordzee, zoals Scandinavië en Engeland.260 De zee was in deze tijd juist een verbindende factor tussen gebieden. Dit wordt ook wel de Noordzeecultuur genoemd. De Friese en de Saksische invloedssfeer in het oosten worden langzamerhand door de zuidelijke, Frankische invloedssfeer overvleugeld. De Frankische dynastieën van de Merovingen en de Karolingen vormden uiteindelijk in de loop van deze periode het centrale gezag binnen onze contreien. De desintegratie van dit centrale gezag aan het einde van de vroege middeleeuwen leidde uiteindelijk tot het ontstaan van het graafschap Holland.
Onze kennis over de vroege middeleeuwen in de archeoregio Hollands Duingebied heeft de laatste jaren een enorme sprong genomen. Grote Malta-gerelateerde projecten als Castricum-Oosterbuurt, Limmen-De Krocht, Bloemendaal-Olmen, Oegstgeest-Rijnsburg en Katwijk-Zanderij aangevuld met een kleinere waarneming in Naaldwijk (Hoogeland) hebben veel nieuwe data opgeleverd.261 Voor de Haagse regio zijn de opgraving op het grafveld van Ockenburgh-Solleveld (Den Haag , vindplaats 29),262 de opgraving van de nederzetting Molenslag (Monster)263 en de dissertatie van Dijkstra van belang.264 Vooral het laatstgenoemde onderzoek heeft in combinatie met het synthetiserend onderzoek van Nicolay265 grote kenniswinst en begrip voor deze periode opgeleverd. Binnen de archeoregio zijn echter wel grote verschillen zichtbaar. De archeologische informatie voor de regio ten zuiden van Katwijk en ten noorden van de Maasmonding houdt, ondanks spectaculaire opgravingen (Naaldwijk-Hoogwerf266 en Ockenburgh-Solleveld) nog niet over.267 Wel kunnen we een aantal onderzoeksthema’s, zoals locatiekeuze, grafritueel, aardewerk, mantelspelden en deels huisbouwtraditie nu beter in een breder onderzoekskader plaatsen en kan een aantal onderzoeksvragen uit de vorige GOA268 in een breder perspectief worden gesteld.
Den Haag Op het grondgebied van Den Haag zijn vroegmiddeleeuwse vindplaatsen bijna alleen tot de duinen langs de kust beperkt. Tot nu toe zijn er in Den Haag enkele vroegmiddeleeuwse nederzettingen uit de Merovingische periode bekend: Han Stijkelplein (vindplaats 103),269
258 Dijkstra 2011, p. 80-81. 259 Dijkstra 2011, p. 81-82. 260 Bode 1998, p. 274. Dijkstra 2011, p. 357. Lehmann 2019, p. 237. 261 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 186. 262 Waasdorp en Eimermann 2008. 263 Bakx 2020. 264 Dijkstra 2011. 265 Nicolay 2014. 266 Van der Feijst e.a. 2008. 267 Van Heeringen en Van der Velde 2017, p. 150. 268 Bulten e.a. 2009. 269 Kersing en Magendans 1993, p. 285. 61
Ockenburgh-Solleveld (vindplaats 87)270 en Frankenslag (vindplaats 75).271 Daarnaast kennen we een grafveld uit die periode: Solleveld (vindplaats 29).272 Ook zijn vindplaatsen bekend met een klein gedeelte van een weg op de Pompstationsweg (vindplaats 199)273 en akkerhorizonten aan de Oude Waalsdorperweg (vindplaats 149),274 de Ereprijsweg (vindplaats 20)275 en de Noordweg (vindplaats 144).276 Oppervlaktevondsten zijn gedaan op de vindplaats Harstenhoek (vindplaats 176).277 Twee van de nederzettingsterreinen kennen we maar mondjesmaat. Het Han Stijkelplein heeft een beperkt aantal sporen en wat vroegmiddeleeuws aardewerk opgeleverd. De kern van de nederzetting is tijdens de opgraving niet aangesneden. Hoe de verhouding tussen dit terrein en de ten oosten liggende vindplaatsen Harstenhoek en Pompstationsweg is, kan op dit moment niet verder bepaald worden. Proefsleuven in het waterwingebied Solleveld, niet ver van het al genoemde grafveld en vlakbij het huidige vakantiepark Kijkduinpark (de Romeinse vindplaats Ockenburgh, vindplaats 12), hebben laten zien dat ook daar een nederzetting ligt. Er zijn onder andere sporen van waterputten aangesneden. Uitwerking van dit onderzoek heeft tot nu toe nog niet plaatsgevonden en daarom is een precieze datering op dit moment ook nog niet mogelijk.
Daar staat tegenover dat we van de nederzetting op en rond het Frankenslag (vindplaats 75), dankzij uitwerking en verslaglegging van FRS96, nu wel veel meer weten.278 Er zijn delen van twee verschillende erven blootgelegd. De overeenkomsten zijn opvallend: bij beide is sprake van twee opeenvolgende hutkommen en van gebouwen.279 Ook de diepe paalsporen van JOB84, die zich bleken te herhalen in FRS96, konden nu in verband worden gebracht met grote schuren. De ijzerslakken, veelvuldig aanwezig bij de eerste opgraving, bleken maar zeer beperkt op het tweede erf voor te komen; een duidelijke aanwijzing voor de aanwezigheid van een smidse op het eerste erf. Visresten waren op beide erven in ruime mate aanwezig. Dit wijst natuurlijk op visvangst: de zee was dichtbij, maar het geeft ook aan dat de conservering van dit materiaal opvallend goed is. Hetzelfde geldt ook voor het andere botmateriaal. De prominente aanwezigheid van schaap/geit fragmenten lijkt erop te wijzen dat schapen belangrijk waren. Dat kan te maken hebben met wolproductie of lokale bodemgesteldheid, maar behoeft zeker nog extra onderzoek. Op verschillende plekken rond de nederzetting zijn akkers teruggevonden. Op de naastgelegen Romeinse vindplaats aan de Scheveningseweg bijvoorbeeld, maar ook op de wat lager gelegen venige gebieden. Niet alles zal tegelijk in cultuur gebracht zijn geweest.
Hoe dat precies in zijn werk ging, is nog onbekend. De vindplaats JOB84 (vindplaats 75) wordt op basis van sporen en vondsten vanaf de 6de eeuw tot ruim in de 8ste eeuw gedateerd. Het lijkt er op dat men noodgedwongen het terrein heeft verlaten, daartoe gedwongen door overstuivingen die de akker en het erf met een dikke laag zand bedekten. Dat blijkt uit de overal aangetroffen met stuifzand gevulde ploegsporen. Opvallend is dat Frankenslag (vindplaats 75) en Solleveld (vindplaats 87) vlakbij een oude Romeinse bewoningsplaats zijn gesitueerd, respectievelijk Scheveningseweg, (vindplaats 76) en Ockenburgh (vindplaats 12). De Romeinse cultuurlagen vertonen sporen van akkers uit
270 Van Zoolingen 2015. 271 Pavlović 2009; Waasdorp en Van Weerelt 2019. 272 Waasdorp en Eimermann 2008. 273 Van der Mijle Meijer en Waasdorp 2010. 274 Van Rooij 2007, p. 43-44. 275 Van Veen en Waasdorp 2000, p. 40. 276 Meurkens 2014. 277 Van der Valk e.a. 1999. 278 Waasdorp en Van Weerelt 2019. 279 Dijkstra 2011, p. 196-205. 62
de vroege middeleeuwen. Het lijkt erop dat dat niet toevallig is geweest en dat deze plekken bijvoorbeeld vanwege de grotere vruchtbaarheid doelbewust zijn uitgezocht Op Solleveld (vindplaats 29) is het enige bekende grafveld uit de Merovingische periode aangetroffen. Onderzoek is er gedaan in 1955 en in 2004.280 Bij het laatste onderzoek is gebleken dat het grafveld zowel inhumaties als crematies kende,281 zoals eigenlijk standaard in de vroegmiddeleeuwse periode.282 Uitzonderlijk in Nederland is de vondst van een bootvormig graf, waarvan de wanden met scheepsdelen bedekt waren. Daarnaast is ook een wapengraf aangetroffen. Hoewel zeker nog graven bewaard zijn gebleven, is in het verleden zoveel verloren gegaan dat er waarschijnlijk nooit een uitspraak kan worden gedaan over de oorspronkelijke omvang van het grafveld. Onbekend is in hoeverre grafvelden als deze puur in de lokale behoefte voorzagen, of dat er sprake was van een meer regionale functie.283 Gezien de afstand tussen Solleveld en Frankenslag, moet zeker rekening worden gehouden met een tweede vroegmiddeleeuws grafveld in het Haagse gebied. De hierboven besproken vindplaatsen dateren in de Merovingische en vroeg-Karolingische periode. Nederzettingssporen van een later tijdstip ontbreken tot nu toe.
Uit de 9de en 10de eeuw zijn alleen akkerlagen bekend aan de Oude Waalsdorperweg,284 de Ereprijsweg285 en de Noordweg.286 Deze liggen opvallend ver van de nederzettingen van de Merovingische en vroeg-Karolingische tijd. De vindplaats op de Noordweg is de enige vindplaats die niet in het duingebied ligt.
Archeologisch onderzoek in de periode 2009-2020 Ondanks dat in de afgelopen tien jaar geen grote onderzoeken naar vroegmiddeleeuwse vindplaatsen op het Haagse grondgebied zijn uitgevoerd, is de kenniswinst toch sterk gegroeid. De basis hiervoor zijn grote opgravingen in het westelijke kustgebied zoals BloemendaalOlmen,287 Katwijk-Zanderij,288 en Molenslag in Monster,289 en de uitwerking van meerdere oude opgravingen en hun synthese in de dissertatie van Dijkstra290 en het synthetiserend werk van Nicolay.291 Deze publicaties hebben de nodige typologieën voor huisplattegronden, modellen voor ontwikkelingen van nederzettingen, een inkijk in de mobiliteit van mensen, hun netwerken en connecties aan het licht gebracht. Ook zijn inzichten verkregen in de sociale organisatie van de vroegmiddeleeuwse samenleving op basis van ‘gift exchange’, zoals beschreven in het Beowulf-epos. Het laat een krijgerscultuur zien, waarbij de trouw aan de heerser de leidraad is. Dit werd gewaardeerd met cadeaus en waardevolle voorwerpen die de sociale status verhogen. Hierbij is een netwerk van leiders over de regio verdeeld. Deze cultuur van de ‘Big man’, of ‘kleine groten’ denken we in de grafcultuur terug te zien. Hierop verder bouwend zijn enkele oude projecten door Waasdorp in de ‘Vroegmiddeleeuwse pioniers in het Statenkwartier’