CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS310948 Bijlage 1 20211208 NvU JulianaVanStolberglaan1

Gemeenteraad 9 februari 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Nota van Uitgangspunten Koninklijke Conservatorium Locatie (RIS310948)31.075 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

We zorgen voor meetbare mijlpalen op weg naar 2030. Nieuwbouw en grootschalige renovatie wordt klimaatneutraal en dus ook

zonder aardgas opgeleverd. Daarnaast heeft de energietransitie ook consequenties voor het gebruik van elektriciteit en daarmee voor de elektriciteitsinfrastructuur. Én moeten we rekening houden met de koelingfunctie, wat een forse invloed kan hebben op systeemkeuze; namelijk dat het een voorkeur voor WKO-systemen (waarmee je ook kunt koelen) teweeg kan brengen. De doelstellingen die de gemeente Den Haag wenst te bereiken met het warmtesysteem kunnen worden samengevat in: • Duurzaamheid – optimaal benutten van lokaal opgewekte laagtemperatuur warmte en koude met een hoge duurzaamheidsprestatie waarbij warmte- en koudeuitwisseling tussen gebouwen kan plaatsvinden; • Klanttevredenheid – de afnemers van de warmte en koude zijn tevreden met de geleverde producten en service, zijn betrokken bij het gebiedsgerichte systeem, het warmtebedrijf en hebben inspraak op de overeenkomst, eisen en wensen van het al dan niet naar tevredenheid functioneren van het warmtebedrijf ten aanzien van de diensten; • Leverzekerheid – de aansluitingen zijn verzekerd van de levering van warmte en koude op een hoogstaand kwaliteitsniveau; • Betaalbaarheid – de kosten voor de warmte en koude levering zijn tenminste vergelijkbaar met de kosten van andere warmtesystemen elders in de stad en waar mogelijk zelfs lager.

Ten slotte heeft de gemeente een aantal uitgangspunten eerder vastgesteld: • Gemeente wenst geen energielevering verantwoordelijkheid te krijgen en wenst geen gemeentelijk energiebedrijf op te starten • Waar marktwerking zijn werk kan doen, zal de gemeente geen regie nemen. Waar de doelstellingen niet bereikt

worden door marktfalen, zal de gemeente regie moeten voeren. Eisen: • Aansluiten van de KC-locatie op een lokale duurzame bron. • Geen interferentie met de lokale duurzame bronnen van de Monarch • Aansluiten op het strokenpatroon van het naast gelegen bodemenergieplan voor het Beatrixkwartier. • Gebruik van doubletten in een open systeem, een mono bron heeft niet de voorkeur. Ontwerpprincipes: • Benut de oriëntatie van bebouwing optimaal in combinatie met gevel- en dakoppervlakken voor besparing- en opwek van energie. • Gevel- en dakoppervlakken moeten maximaal worden benut om duurzame elektriciteit op te wekken. Bij het ontwerpen van nieuwe bebouwing moeten raampartijen zo georiënteerd worden dat ze in de winter zon binnenlaten en in de zomer, als de zon hoog staat de zon buitenhouden. Daken optimaliseren wij voor duurzaamheid, zo werken zonnepanelen het beste op groene daken. Doelstelling binnen de RES is 40% van geschikte daken benutten voor PV-panelen. Voor maximale benutting van daken voor dit doeleinde houden we rekening met bestaande daken (geen schaduwvorming door nieuwe ontwikkelingen) en benutten we nieuwe oppervlakken optimaal. • Gebruik de trias energetica: besparen, duurzaam opwekken, efficiënt gebruiken energie • De trias energetica dicteert dat energie besparen de meest effectieve maatregel is. Alles dat wordt bespaard hoeft immers niet te worden opgewekt.

•

Daarom is het belangrijk om gebouwen goed te isoleren en energiebesparende maatregelen te gebruiken in de openbare ruimte, zoals energiezuinige verlichting. Doelstelling binnen de RES is 20% energiebesparing in de gebouwde omgeving en we werken toe naar een minimaal energielabel C of beter waar mogelijk. Ook maken wij gebruik van natuurlijke koeling voor gebouwen. • We proberen zo veel mogelijk de piekvraag naar energie uit te spreiden over de dag, zodat we efficiënt omgaan met de beschikbare duurzame energie. Houdt in de openbare ruimte rekening met de inpassing van energie infrastructuur • De toename van de elektriciteitsvraag zal ervoor zorgen dat het elektriciteitsnet op veel plekken verzwaard zal moeten worden. Dit betekent onder andere meer ondergrondse leidingen, meer trafo’s en tussenstations. We signaleren dit vroegtijdig, zodat we dit optimaal in de ondergrond kunnen verwerken. • Collectieve voorzieningen (bijv. laadpalen/ e-mobiliteit hubs of een wijkwarmtepomp) proberen we zo veel mogelijk te clusteren en op midden spanning (tussen de 1.5 en 25 kV) aan te sluiten in plaats van laagspanning (< 1.5 gebruikt voor huishoudens en kleine bedrijven).

Warmte en koelte Ambities Link tussen energietransitie en mobiliteitstransitie zichtbaar maken in/rondom het gebouw Ontwerpprincipes: • Bij nieuwbouw en grootschalige renovatie heeft lage temperatuur de voorkeur boven hoge temperatuur • Er zijn veel meer lokale warmtebronnen die

•

•

•

lage temperatuur kunnen leveren. Aangezien bij nieuwbouw en grootschalige renovatie gebouwen goed geïsoleerd worden via de BENG-norm kunnen ze worden verwarmd met lage temperatuur. We kijken naar mogelijkheden voor beperkte elektrificatie warmtevraag door collectiviteit en/of lage temperatuur warmtebronnen. De hoge temperatuur warmte blijft zo beschikbaar voor de bestaande stad met lagere isolatiewaarden dan energielabel B. Zet in op het verminderen van de warmtebehoefte, maar ook van de koelingsvraag • Zowel de warmte- als koudevraag moet worden gereduceerd. Dit kan o.a. door warmteisolatie, (buiten)zonwering, natuurlijke slimme ventilatie of door warmte-koude opslagsystemen die minder energie kosten dan airco’s. Gebruik de oriëntatie van de bebouwing • Bij het bepalen van bouwhoogtes en oriëntatie wordt vaak weinig rekening gehouden met de natuurlijke context, terwijl deze er juist voor kan zorgen dat gebouwen energieneutraal worden. Dit kan door gebouwen optimaal te positioneren ten opzichte van de zon en door negatieve schaduwvorming te voorkomen. Zoek naar lokale duurzame (lage temperatuur) warmtebronnen, het liefst collectief of plaatselijk maatwerk waar dat kan (individueel) • Energetisch gezien zijn collectieve warmteoplossing het meest optimaal. Dit kan tevens de kosten drukken.

De bronnen die in Den Haag voor de hand liggen voor lage en midden temperatuur zijn respectievelijk aquathermie en geothermie. Daarnaast hebben lokale bronnen de voorkeur wegens laag transportverlies. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk waar plaatselijke ontwikkelingen dit toelaten. Een voorbeeld hiervan is een collectieve

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

45

•

groep inwoners die huizen zo isoleren dat een individueel systeem de voorkeur heeft (Groene Mient in de Vruchtenbuurt). De relatie ondergrond/bovengrond is essentieel voor het ruimtelijk ontwerp met warmte • Alles wat we met warmte in de stad doen heeft ruimtelijke gevolgen voor de ondergrond en bovengrond. In de ondergrond moet er ruimte gereserveerd worden voor ondergrondse warmte (opwek, opslag en transportatie). Gebieden (met bestaande bouw) hebben ook een bovengrondse ruimtelijke claim voor o.a. dienstgebouwen. Een voorbeeld van een dienstgebouw/ installatieruimte 10-15 m2. Voor aquathermie houden we al snel rekening met 40m-50m2 (inclusief installatie, WKO en warmtepompen). Zo’n dienstgebouw is voor ongeveer 300 woningen voldoende.

Mobiliteit In het CID gebied wordt ontworpen volgens het zogenaamde STOMP principe (in volgorde van belangrijkheid Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Maas oplossingen en de Privé auto). Hierbij wordt zo veel als mogelijk ruimte gemaakt om langzaamverkeer te stimuleren, zoals de verbetering van de wandel- en fietsroute richting Centraal Station en Laan van NOI. Ook de aanwezigheid van kwalitatief hoogwaardig OV op loop- en fietsafstand draagt bij aan het verminderen van autobewegingen als gevolg van deze ontwikkeling. Voor de parkeeroplossing wordt onderzocht of deze een rol kan spelen in de mobiliteit van de omliggende wijken. Ontwerpprincipes: • Voor het ontwerp: ga uit van het STOMP principe, waarbij er achtereenvolgens wordt ontworpen voor langzaamverkeer, routes richting OV, het sturen van de mobiliteitsvraag en dan pas het faciliteren van autogebruik

46

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

•

• •

Laat dit ook terugkomen in de stallingsvoorzieningen. Geef fietsers bijvoorbeeld kwalitatief goede plekke dicht bij de ingang. Zorg voor voldoende voorzieningen voor het laden van elektrische voertuigen. Verbetering wandel- en fietsroute richting centraal station en Laan van NOI i.c.m. groenblauwe verbeteringen (Haagse iconen)

Circulariteit Den Haag zet in op reduce, reuse, recycle. De Nota Maatschappelijk Verantwoorde Inkoop legt de basis voor circulair gebruik van materialen en grondstoffen, onder andere bij sloop en nieuwbouw. Daarnaast zoekt de gemeente aansluiting met landelijke initiatieven, zo hebben we het Nationaal Grondstoffenakkoord ondertekend. Hierin is de ambitie uitgesproken om het gebruik van primaire grondstoffen met 50% te verminderen in 2030 als tussendoel voor een volledig circulaire economie in 2050. Ambities: • Het gebruik van primaire grondstoffen met 50% te verminderen in 2030 als tussendoel voor een volledig circulaire economie in 2050. Ontwerpprincipes: • Voor het ontwerp: ga uit van waardebehoud en zorg dat de gebouwen op eenvoudige wijze te transformeren zijn voor toekomstige, andere functies. Of een andere indeling voor dezelfde functie. Uitgangspunt bij elke ontwikkeling is waardebehoud van bestaande grondstoffen, producten en gebouwen. • Voor de te gebruiken bouwmaterialen: maak gebruik van het principe duurzaam inkopen en milieuvriendelijke materialen. • Op deze locatie lijken, door de combinatie van sloop en

•

•

nieuwbouw in hetzelfde gebied, mooie kansen te liggen voor circulair bouwen. Hiervoor is het nodig dat in een vroeg stadium van het bouwproces een inventarisatie wordt gemaakt van de (bouw)materialen in de te slopen gebouwen, welke nog geschikt zijn voor hergebruik. Hierbij wordt gekeken naar o.a. de kwaliteit van deze materialen als ook de losmaakbaarheid. Deze lijst van herbruikbare materialen kan als input dienen voor het nieuwbouwproces. Bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen kan het nuttig zijn een grondstoffenhub in te richten, zodat de materialen lokaal opgeslagen en hergebruikt kunnen worden. Idealiter wordt alle nieuwbouw opgeleverd met materialenpaspoort. Dit maakt grondstoffenbeheer in de toekomst makkelijker.

5.6 Beeldkwaliteit Het onderwerp ‘ruimtelijke kwaliteit’ krijgt een prominente plek in het planvormings- en ontwikkelproces. Ruimtelijke kwaliteit is niet alleen belangrijk voor de nieuwe ontwikkeling op de KC-locatie, maar ook voor het hele CID. Het CID is een zeer centrale plek in Den Haag, welke in potentie het Haagse stadscentrum kan verdubbelen wanneer er een binnenstadsmilieu wordt gerealiseerd. Dit geeft invulling aan de wens naar stedelijk wonen, duurzame verstedelijking en een groter draagvlak voor voorzieningen. Op dit moment is het CID echter niet herkenbaar als samenhangend gebied; het wordt doorkruist door verschillende spoorlijnen en infrabundels en mist coherentie. Daarom wordt er op dit moment gewerkt aan een kwaliteitsplan CID (concept). Dit document wordt een toekomstschets en ambitiekader voor iedereen die iets uit gaat voeren in het CID (ontwikkelaars, architecten, gemeente, ondernemers, bewoners, etc). Het wordt een ruimtelijk kader voor de kwalitatieve verdichting in het CID welke de toekomstige ontwikkelingen in goede banen zal leiden en is daarmee een vervolg op de CID Agenda 2040, de Structuurvisie CID en de gebiedsagenda’s. De belofte die het kwaliteitsplan CID (concept) maakt is dat er een hoogwaardige stedelijkheid wordt gerealiseerd voor het CID en Den Haag.

Deze stedelijkheid is duurzaam, efficiënt, ruimte besparend, inclusief, draagt zorg voor voldoende draagvlak voor voorzieningen en voorziet in opleidingskansen en ontwikkelmogelijkheden in de vorm van banen. De ambities voor het CID worden in het kwaliteitsplan CID (concept) omschreven in zeven kernkwaliteiten. Deze kernkwaliteiten vormen op hoofdlijnen het ruimtelijk kader voor het CID, waarbij advisering van nieuwe ontwikkelingen gebeurt volgens een tweetal basis principes. Ten eerste dat ontwikkelingen in het CID de rest van Den Haag beter maken

en Den Haag profiteert van de investeringen van het CID. Ten tweede dat de beoordeling van de kernkwaliteiten getuigt van Haagse redelijkheid, waarbij een integrale beoordeling zorgt voor haalbaarheid van plannen. De KC-locatie ligt in het CID, en zal daarom moeten voldoen aan de ambities die voor het CID worden beschreven in het kwaliteitsplan CID (concept) en de bijbehorende kwaliteitseisen die gevat zijn in de zeven kernkwaliteiten. De zeven kernkwaliteiten die in het kwaliteitsplan omschreven worden zijn 1.

2.

3.

4.

5.

Haagse Eeuwige Schoonheid Respecteer lokale context, bouw voort op Haagse karakters en haar (sociale) gemeenschappen (cultuurhistorie, adaptiviteit, duurzaamheid en karakteristieke schoonheid). Verblijfskwaliteit Maak van het CID een centrummilieu waar verblijfskwaliteit in de openbare ruimte centraal staat. Iedereen wordt hier voetganger ongeacht je favoriete vervoersmiddel. Zet de voetganger op de eerste plaats, daarna de fiets. De auto past zich aan aan de geambieerde verblijfskwaliteit. Lange lijnen verbinden de stad Articuleer de lange lijnen van Den Haag in het CID. Het typische netwerk van lange fysieke (verhaal-)lijnen in Den Haag is continue en overal herkenbaar. De lijnen komen hier samen in een hoogstedelijke indrukwekkende vorm, zonder dat het karakter van de lijn hier verdwijnt. Voor iedereen Het CID biedt kansen voor iedereen. Het is toegankelijk, gebruiksvriendelijk, doorwaadbaar, veilig, gezond en inclusief. Mix Een hoogstedelijk milieu waar ruimte effectief wordt benut en we unieke kwaliteiten toevoegen die we nog niet kennen in Den Haag. Binnen een raamwerk van rust, reuring en ruist zorgen we ervoor dat er niet overal

6.

7.

dezelfde mix ontstaat. Haal er meer uit dan erin zit Maak slimme combinaties en los alle opgaves (op voorhand) op. Natuurlijk Natuurlijk Haags: Duurzaam, adaptief, respecteert de natuurlijke (leef)omgeving en habitat.

De nieuwe ontwikkeling op de KC-locatie is niet alleen een belangrijke korte termijn ontwikkeling welke het CID en de ‘beleving op ooghoogte’ van het CID gaat versterken, maar is ook een belangrijk onderdeel van de transformatie van het Beatrixkwartier naar gemend zakendistrict. Bovendien zorgt een ontwikkeling op deze locatie voor een betere verbinding tussen het Beatrixkwartier en CS-Oost, en daarmee tussen Den Haag CS en Den Haag LvNOI. Het kwaliteitsplan CID (concept) beschrijft op hoofdlijnen de kernkwaliteiten die in het hele CID worden nagestreefd, maar elk deelgebied van het CID kent ook haar eigen opgave m.b.t. het borgen van de ruimtelijke kwaliteit. Daarom stellen we ook een beeldkwaliteitsplan op voor de omgeving van het Beatrixkwartier en het aangrenzende Bezuidenhout-West (plangebied van de gebiedsagenda), als verdere uitwerking van het kwaliteitsplan CID (concept) specifiek voor dit gebied en de beeldkwaliteitsregels uit de ‘Nota Haagse Hoogbouw: Eyeline Skyline’. De nieuwe ontwikkeling van de KC-locatie zal een onderdeel uitmaken van dit beeldkwaliteitsplan en daar ook aan getoetst worden. Het Beatrixkwartier was ooit één van de beste kantoorlocaties van Nederland, maar is ondertussen ver afgegleden op de ranglijst.

Dit heeft te maken met de mono-functionaliteit van het gebied, de verouderde kantoorvoorraad, het gebrek aan interacties tussen gebouwen en buitenruimte en het gebrek aan (verblijfs)kwaliteit in de openbare ruimte. Daarnaast is het gebied, ingeklemd tussen zware infrastructuur, zeer versnipperd en zijn de contrasten tussen het Beatrixkwartier en

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

47

de omliggende wijken enorm groot door deze versnippering. De dynamische geschiedenis van het gebied en het gebrek aan historische en contextuele overwegingen tijdens de planning van het gebied heeft ervoor gezorgd dat het gebied aanvoelt als een chaotische mix van architectuur en stedenbouw. Dit alles maakt dat er geen samenhang is in het gebied. De visie van het beeldkwaliteitsplan (concept) voor het Beatrixkwartier en aangrenzende Bezuidenhout-West is om van dit gebied een samenhangend geheel te maken dat aansluit op de rest van Den Haag. De ambitie is om van het Beatrixkwartier weer een top kantoorlocatie te maken door het toevoegen van nieuwe kantoorvoorraad, het toevoegen van functiemix door middel van woningen en voorzieningen, de openbare ruimte en verblijfskwaliteit van het gebied sterk te verbeteren en het toekomstbestendig te maken (duurzaamheid en klimaatadaptatie). Dit wordt omschreven in drie kernambities, elk met een aantal principes, te weten: 1.

2.

48

Het landschap als ruggengraat • Herstel en versterk het bestaande grid en definieer een samenhangend en doorwaadbaar landschappelijk tapijt. • Draag zorgt voor een sterk langzaam verkeersnetwerk waarin voetganger en fietser maximaal gefaciliteerd worden en de ruimte voor de auto wordt teruggedrongen. • Creëer kwalitatieve en performatieve openbare ruimte, dit zorgt niet alleen voor een groene en prettige omgeving maar draagt ook bij aan het klimaatbestendig maken van het gebied. Een continue stedelijke ervaring • Draag zorg voor een gebalanceerd en continue stedelijke omgeving. Respecteer en versterk bestaande kwaliteiten, vind een balans tussen

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

•

•

3.

continuïteit en uitzondering en maak nieuwe gebouwen die een transitie vervaardigen. Creëren drie lagen in de stad; de plint, de stedelijke laag, en de hoogbouw daarboven. Zorg met name voor een samenhangende plint en stedelijke laag en accepteer ook uitzonderingen die reageren op specifieke situaties en programma. Maak interactieve en tactiele architectuur. Ontwerp gevels met expressie en diepte, werk met afmetingen en oriëntatie van raamopeningen en creëer een breed scala aan buitenruimtes in gebouwen.

Een interactieve multifunctionele wijk • Zorg voor een gemixt en divers gebied met verschillende intensiteiten en sferen. Bouw “mixed use” gebouwen en zorg voor diversiteit in de korrel die een breed scala aan activiteiten mogelijk maakt. • Creëer een actieve en filterende plint met een goede transitie zone tussen gebouwen en openbare ruimte. Zorg voor zichtbare, open entrees en een actieve begane grond met publiek toegankelijke voorzieningen. • Zorg voor een gevarieerd en compleet programma. Voeg programma toe dat past binnen de karakteristieken van de verschillende ruimte, maak ook ruimte voor kunst, cultuur, flexibel programma en evenementen.

De ontwikkeling van de KC-locatie zal aansluiten op elk van deze drie kernambities. Op welke manier dit wordt vormgegeven, wordt opgenomen in het beeldkwaliteitsplan. Omdat de ontwikkeling op de KC-locatie uitgaat van typologisch twee verschillende bouwvolumes (een bouwblok en een toren met stedelijke laag) is de samenhang op dit plot niet zonder meer gegarandeerd. Vandaar dat er extra aandacht wordt besteed aan het uitwerken van deze kernambities m.b.t.

beeldkwaliteit in het beeldkwaliteitsplan, en in het bijzonder aan de samenhang tussen de verschillende bouwvolumes op de kavel en de samenhang tussen deze nieuwe ontwikkeling op de KC-locatie en de bestaande context. Doel is om één integrale ontwikkeling te creëren welke aansluit op haar omgeving. Belangrijke aandachtspunten voor deze nieuwe ontwikkeling waar in het beeldkwaliteitsplan uitspraken over gedaan moeten worden zijn: 1.

Landschap als ruggengraat • Vormgeving van het pocketpark als kwalitatieve verblijfsruimte (welke een bijdrage levert aan het klimaatadaptief maken van het gebied) in het Beatrixkwartier, welke goed bereikbaar is vanaf zowel de Juliana van Stolberglaan als de Beatrixlaan. • De aansluiting van beide gebouwen op het pocketpark en het creëren van groen in en op de gebouwen welke een relatie legt met het pocketpark. • De mogelijkheid om in de toekomst, wanneer er een park op de Utrechtsebaan wordt ontwikkeld, ook het pocketpark vanaf de Utrechtsebaan toegankelijk te maken.

2.

Een continue stedelijke ervaring • Beide gebouwen maken onderdeel uit van één integrale ontwikkeling. Als zodanig dient er een samenhang te zijn tussen beide bouwvolumes. • Vooral de beleving op ooghoogte is belangrijk, met name de eerste 50 meter; een duidelijk gedefinieerde en zichtbare plint, een “stedelijke laag” die samenhang vertoont t.o.v. elkaar en t.o.v. de bredere context. Dit betekent dat het bouwblok langs de Utrechtsebaan een relatie aan moet gaan met de stedelijke laag van de toren, en deze tesamen een samenhang aan moeten gaan met de bredere context. De toren kan zich meer onderscheiden.

•

3.

Daarnaast moet er een samenhang zijn tussen deze nieuwe ontwikkeling en de bredere context van het gebied. Dit heeft betrekking op de inrichting van de openbare ruimte, materialisering, gevelindeling en detaillering van de gebouwen.

Een interactieve multifunctionele wijk • De plinten krijgen een levendig karakter, waarbij een deel van plinten gevuld is met publiek toegankelijk programma. “Achterkanten” worden vermeden en de lengte van dichte en/of utilitaire functies in de plinten wordt beperkt. • De overgang tussen de gebouwen en de openbare ruimte is belangrijk. Deze transitiezone wordt zorgvuldig vormgegeven. Entrees zijn logisch gepositioneerd t.o.v. de omgeving, zichtbaar, en toegankelijk. • De mogelijkheid om in de toekomst, wanneer er een park op de Utrechtsebaan wordt ontwikkeld, ook aan de zijde van het bouwvolume, langs het park, een levendige plint te creëren.

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

49

50

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

6. ONDERBOUWING 6.1 Stedenbouw Nota Haagse hoogbouw: Eyeline & Skyline Op deze ontwikkeling is de nota ‘Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline’ (d.d. 15 november 2017; RIS298448) van toepassing omdat er sprake is van hoogbouw bij 50 meter of hoger. De nota geeft stadsbrede ambities en regels aan voor hoogbouwontwikkelingen; o.a. t.a.v. wonen, microklimaat en mobiliteit. Op 1 juli j.l. is de ‘tussentijdse evaluatie nota Haagse Hoogbouw: Eyeline en Skyline’ vastgesteld (RIS 306342) vastgesteld, met daarin aangepaste regels voor hoogbouw. Voor hoogbouw met exclusief kantoorprogramma zijn de diagonalen verruimd zodat er grotere verdiepingsvloeren gerealiseerd kunnen worden. Het projectgebied valt binnen het gebied CSNOI. Dit betreft het gebied tussen Den Haag Centraal Station en Den Haag Laan van NOI, met het Beatrixkwartier welke de schakel vormt tussen deze twee stationsgebieden. Grootste opgave is het creëren van nabijheid tussen de twee stations, zodat CSNOI één gebied wordt met verschillende kwaliteiten. Om dit realiseren is het van belang om de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren, infrastructurele barrières op te heffen en kwalitatief groen toe te voegen. Hierdoor ontstaan er ook weer kansen voor verdichting.

De nadruk ligt op het versterken en uitbreiden van aanwezige economische clusters zodat ze gemengder worden met een hoge concentratie aan werkgelegenheid, stedelijke voorzieningen en woningen. De KC-locatie markeert bovendien één van de vier “hoekpunten” van het CID; de plekken waar de vierkante ruggengraat van het CID (zie paragraaf 2.3) van richting verandert. Om deze plek te markeren en het CID afleesbaar te maken zodat men zich er op een gemakkelijke en vanzelfsprekende manier doorheen kan bewegen wordt op

deze locatie een hoogteaccent van +/- 90m gerealiseerd welke gelijkend is met de tegenoverliggende hoekpunten en hoogteaccent t.p.v. het Centre Court en het World Trade Centre. Nieuwe hoogbouwontwikkelingen in het gebied, waaronder deze, moeten bijdragen aan het kennis- en innovatieve karakter van het gebied en het realiseren van een aantrekkelijk vestigingsmilieu.

6.2 Economie Den Haag groeit de komende jaren door Naar verwachting ligt het inwonertal rond 2030 tussen de 580.000 en 590.000 inwoners. Voor elke tien nieuwe bewoners geldt als stelregel dat minimaal vijf extra banen nodig zijn. De werkgelegenheid zal naar verwachting (vanaf medio 20212030) met circa 24.000 banen toenemen (jaarlijkse groei van het aantal banen met circa 0,8%; circa 40% daarvan betreft kantoorbanen). In de ‘visie Den Haag + 2030’ is vastgesteld dat het van belang is: • De stad aantrekkelijker te maken • Dat de economische structuur veerkrachtiger wordt • Ondernemers en organisatie voldoende groeikansen worden geboden • Dat er voldoende huisvesting wordt gecreëerd in aantrekkelijke werkmilieus Belang van KC-locatie In het economisch beleid (RIS303550) is ‘Ruimte geven aan bedrijven’ opgenomen als belangrijk speerpunt. Met de ontwikkeling van de KC-locatie wordt hier invulling aan gegeven, immers: • Ontstaat er een ‘nieuw stuk stad’ als integraal onderdeel van het CID met kwalitatief hoogwaardige openbare ruimte, verschillende publieke functies en een aantrekkelijke plint • Na realisatie van het werkgelegenheidsprogramma op

•

deze locatie zullen er tussen de 3000 en 4000 werknemers gehuisvest zijn, afkomstig uit de private en publieke sector. De ANWB wil haar hoofdkantoorvestiging (meer dan 2000 werknemers) samenvoegen met haar reisorganisatie, thans gevestigd in Hoofddorp (meer dan 300 werknemers). Blijft de ANWB als grote werkgever behouden voor Den Haag. Tevens kan het RVB invulling geven aan het verduurzamen van de Rijkskantoren. Wordt er een locatie benut waar tot op heden geen kantoorfunctie aanwezig was en wordt circa 60.000 m2 aan de voorraad in het CID toegevoegd. Op dit moment kan aan verplaatsende ondernemingen binnen of partijen van buiten Den Haag beperkt kwalitatief goede kantoorruimte aangeboden worden. Op deze locatie wordt een aanzienlijk programma aan de voorraad toegevoegd en ontstaat er ook weer ruimte voor zoekers naar kantoorruimte in de bestaande voorraad en planinitiatieven in het CID.

Kantorenbeleid: de gebruiker centraal In het kantorenbeleid (RIS300807) staat de kantoorgebruiker centraal en wordt tegemoet gekomen aan de eisen en wensen die aan kantoorruimten en kantoormilieus wordt gesteld, te noemen zijn: • Ruimte voor bestaande, nieuwe en doorgroeiende kantoorgebruikers om de kansen voor groei van werkgelegenheid te benutten • Samenhangende, duurzame, sterke en toekomstgerichte kantoorgebieden • Een markttechnisch gezonde en transparante kantorenvastgoedmarkt. Het aanbod (=leegstand en kantoorruimte aangeboden voor de verhuur) van kantoorruimte in Den Haag is in 2020 gedaald naar 4,3% van de totale kantorenvoorraad. Daarmee lag het aanbod ultimo 2020 onder de 5%, wat doorgaans aangeduid

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

51

wordt als frictieleegstand. Frictieleegstand is wenselijk om een gezonde dynamiek te behouden op de kantorenmarkt, voor partijen die verhuizen en/of zich willen vestigen in de gemeente. In 2018 is in de ‘Kantorenstrategie 2018-2030 De gebruiker centraal’ (RIS300807) al vastgesteld dat het van belang is kwalitatief goede meters aan de kantorenvoorraad toe te voegen door het ‘creëren en aanhouden van een actuele gesaldeerde planvoorraad van 200.000 m2 bvo voor nieuwbouw kantoren op geschikte locaties (waarvan 150.000 m2 BVO in het CID)’. Om dit doel te bereiken is er in 2019 een ‘Urgentieprogramma Kantoren’(RIS303984) opgezet. Samengevat: • Het aanbod in het CID voor kleinere kantoorgebruikers in kantoor-verzamelgebouwen en/of flexconcepten alsmede voor (middel)grote kantoorgebruikers dient verruimd te worden • Het bestaande kantorenaanbod is niet altijd modern en voldoet niet aan de kwaliteitswensen van de gebruiker (toenemende vraag naar grote vloeren > 1.200 m2 bvo en minimaal Label C). Het verduurzamen van kantoorpanden, maar ook toevoegen van kwalitatief goede meters is nu en op middellange termijn, noodzakelijk. • Kantoorgebruikers hebben een toenemende voorkeur voor een dynamische omgeving met een mix van functies, zoals wonen en voorzieningen. Dat kan op gebieds-, maar ook op gebouwniveau in het CID gerealiseerd worden.

Planvoorraad CID Binnen het CID worden tot 2030 de nodige plannen gerealiseerd met een totaalmetrage van ruim 200.000 m2 bvo. Dit betreft dan de gesaldeerde planvoorraad (=netto toevoeging). Overigens dient hierbij het volgende bij aangetekend te worden: • De gesaldeerde planvoorraad voor ‘de markt’ is naar alle waarschijnlijkheid niet toereikend in relatie tot de behoefteramingen zoals opgesteld in 2018.

52

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

• • •

De plannen bevinden zich in verschillende ontwikkelstadia en verschillen in mate van realisatiezekerheid en -termijn. Slechts 1 locatie (KC-locatie) in het CID betreft een grondpositie van de gemeente. Het marktsentiment cq. de vraag naar kantoren kan o.a. beïnvloed worden door de impact van Covid-19. Ook heeft Covid-19 mogelijk gevolgen voor het kantoorgebruik. Hybridewerken lijkt de norm te worden en het kantoor krijgt meer een ontmoetingsfunctie dan een werkfunctie.

6.3 Voorzieningen

hun rekening nemen. In de Structuurvisie CID zijn hoofdroutes voor de voetgangers opgenomen, zodat het plangebied te voet uitstekend ontsloten is binnen het CID. In de structuurvisie zijn ook de hoofdroutes voor de fiets opgenomen. Met name de dichtbij gelegen Velostrada is een cruciale hoofdverbinding voor fietsers binnen het CID en biedt een rechtstreekse verbinding met de regio en de hoogwaardige koppeling aan de andere hoofdfietsroutes in Den Haag.

6.4 Mobiliteit

De treinstations bieden rechtstreekse verbindingen per trein naar toplocaties zoals Amsterdam, Rotterdam en Schiphol en de regionale toplocaties Leiden en Delft. RandstadRail biedt hoogfrequente verbinding met Zoetermeer en Rotterdam en samen met tramlijn 2 worden ook het Centrum van Den Haag en grote delen van de Haagse agglomeratie en Voorburg rechtstreeks ontsloten. De Oude Lijn en de Leyenburgcorridor van RandstadRail vormen twee van de drie OV corridors waarop OVNext (Schaalsprong OV Den Haag) inzet om het OV hoofdnet in de agglomeratie op orde te brengen. Op orde brengen van deze corridors in samenhang met de verstedelijking is een van de grote opgaven gericht op structuurversterking van de Zuidelijke Randstad. Laan van NOI biedt met het intercity-station een belangrijke verknoping van deze regionale netwerken met de netwerken op de hogere schaalniveaus.

De ontwikkeling van het CID leidt tot meer verplaatsingen in een gebied waar de openbare ruimte schaars is. Een transitie naar ruimte-efficiënte, schone en klimaatneutrale mobiliteit is een randvoorwaarde voor de ontwikkeling van het CID. Dat betekent prioriteit voor mobiliteit op menselijke maat; een openbare ruimte die in eerste instantie is ingericht voor (1) voetgangers, (2) fietsers en (3) openbaar vervoer. Deze vervoersmiddelen moeten de mobiliteitsgroei in het CID voor

De mobiliteitstransitie is een essentiële voorwaarde om de bereikbaarheid van het CID te behouden en verbeteren. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is daarom voorgeschreven dat een pakket van mobiliteitsmaatregelen wordt vastgesteld, waarin wordt voorzien in deze bereikbaarheidsopgave en tevens de gezondheid en leefbaarheid worden gewaarborgd. In de structuurvisie CID zijn de uitgangspunten voor de mobiliteitstransitie opgenomen. Lopen, en het faciliteren van

Nota referentienormen maatschappelijke voorzieningen De nota Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen (RIS307513) geeft richtinggevende oppervlaktes voor diverse voorzieningen welke als uitgangspunt gehanteerd worden bij de start van gebiedsontwikkelingen en grootschalige projecten. Aangezien er in dit grootschalige project geen woningen gerealiseerd worden, geldt dat conform de referentienormen geen maatschappelijke voorzieningen nodig zijn, zoals basisscholen, spelen met dit grootschalig project etc. Wel geldt dat werknemers ook zorgen voor een behoefte aan maatschappelijke voorzieningen, zoals cultuur en sport in de openbare ruimte. Dit wordt meegenomen in de gebiedsagenda Beatrixkwartier.

de voetgangers komt op de eerste plaats. Daarna komt fietsen en de fietser, gevolg door openbaar vervoer. De situering van deze locatie in de onmiddellijke nabijheid van het station en de bijbehorende hoogwaardige openbaar vervoersverbindingen en als onderdeel van het CID biedt veel potentie voor stedelijke intensivering in combinatie met mobiliteitstransitie. Voor de auto wordt ingezet op meer gedeeld gebruik en een versnelde transitie naar elektrisch rijden. Met de inzet op deze mobiliteitstransitie wordt ruimte vrijgemaakt die nodig is voor de energietransitie, groen, klimaatadaptieve maatregelen en verblijfskwaliteit. Afbeelding 4.6 Wandel- en fietsstad Fietsparkeren De fiets is een uitstekend vervoermiddel om binnen de stad te verplaatsen. Voor de toekomstige gebruikers van de locatie moet er bergruimte van de juiste afmetingen zijn om te voorzien in adequate en veilige stallingsmogelijkheden voor de fiets. Deze stallingsmogelijkheden bevinden zich inpandig op de kavel. In de uitwerking moet rekening worden gehouden met verschillende type fietsen, waaronder ook fietsen van afwijkend formaat, zoals bakfietsen. Het stallen van fietsen op maaiveld in de buitenruimte is niet toegestaan.

verkeerscapaciteit van de omliggende wegen. Het onderzoek vindt plaats in samenhang met de andere ontwikkelingen in de directe omgeving, zodat een totaalbeeld van de invloed van de ontwikkelingen inzichtelijk wordt. Hiervoor dient het actuele verkeersmodel van de MRDH (V-MRDH) met prognosejaar 2030 als basis worden gebruikt. Deze cijfers dienen als basis waarbij de extra verkeersbewegingen van de ontwikkeling moeten worden toegevoegd. Hierbij moeten ook de eventuele effecten op Rijkswegen worden meegenomen. Autoparkeren Locaties nabij Openbaar Vervoer zijn de kansrijke plekken om in hogere dichtheden te bouwen. De uitstekende OV voorzieningen bij deze ontwikkellocatie zullen leiden tot een relatief laag autogebruik.

Parkeergelegenheid voor bezoekers moet (bij voorkeur) openbaar toegankelijk zijn. Het is gewenst het parkeren op te lossen in een centrale parkeervoorziening, waardoor tevens ingroei mogelijk wordt. Hiermee wordt bedoeld dat een parkeergarage ook opengesteld kan worden aan andere doelgroepen als blijkt dat het autobezit-/ gebruik van de gebruikers voor wie de garage in eerste instantie bedoeld is, afneemt. Voorwaarde is wel dat voor het gebruik marktconforme tarieven worden gehanteerd. Als alternatief kan worden gekeken naar gebruik van parkeergarages in de omgeving. Om deze te kunnen meenemen in de parkeeroplossing moet een overeenkomst met de betreffende partij worden meegeleverd bij de vergunningaanvraag.

Afbeelding 4.6 Wandel- en fietsstad

Autoverkeer De ontwikkellocatie ligt ingeklemd tussen de Utrechtsebaan, de Juliana van Stolberglaan en de prinses Beatrixlaan. De Utrechtsebaan is in de nota Straten Wegen Lanen (RIS280303) aangemerkt als regionale hoofdroute, de Juliana van Stolberglaan en de prinses Beatrixlaan zijn beide aangemerkt als wijkontsluitingsweg. De ontsluiting van de KC locatie vindt plaats op de prinses Beatrixlaan. Intensiteit autoverkeer Voor de herontwikkeling wordt door middel van een verkeersgeneratie onderzoek aangetoond dat deze past in de Uitsnede uit Afbeelding 4.6 Wandel- en fietsstad (Structuurvisie CID)

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

53

6.5 Duurzaamheid Kadernota Duurzaamheid (RIS 301829) De nota ‘Duurzaamheid. Schone energie in een groene stad’ geeft richting aan het beleid voor vier belangrijke thema’s, namelijk die van energie, mobiliteit, leefomgeving en grondstoffen. De aanpak voor elk van deze thema’s is op hoofdlijnen beschreven. Het college wil de uitvoering hiervan versneld uitvoeren. ”Duurzame stad” is een speerpunt in het coalitieakkoord 2019-2022 waarin de ambitie is uitgesproken om naar een klimaatneutrale stad te gaan in 2030 met het aanpakken van de volgende opgaven: Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS 308745) Dit beleidsdocument beschrijft criteria voor een klimaatbestendige inrichting en gezamenlijke aanpak om de stad klimaatbestendig en waterrobuust te maken. In de wegwijzer zijn eisen, ambities en ontwerpprincipes beschreven die richting geven aan het tegengaan van overlast door extreme neerslag, hitte en droogte. De voorkeursvolgorde voor de omgang met neerslag is vasthouden/infiltreren, bergen en gebruiken en als dat niet mogelijk is vertraagd afvoeren op het riool. De voorkeursvolgorde voor afvoer is eerst naar de bodem, dan via een regenwatersysteem naar het oppervlaktewater (polder- en boezemwater) en als het niet anders kan mogelijk naar de vuilwaterriolering.

Daarnaast geldt het ontwerpprincipe ‘groen, tenzij’: vergroening is één van de meest effectieve klimaatadaptieve oplossingen, omdat vergroening meerdere doelen dient: het vermindert wateroverlast, hitte én droogte. Vooral ontharden (‘stenen eruit’) en vergroenen (‘groen erin)’ zijn hierbij belangrijk. Voor het tegengaan van hittestress is de ambitie is om 40% van de totale buitenruimte in te richten middels groen, warmtewerende materialen of water.

54

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

Nota Natuurinclusief Bouwen (RIS 288281) & Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen (RIS 301953) Het behoud en ontwikkelen van groen is van belang voor een leefbare en gezonde stad en voor de biodiversiteit. In dichtbebouwde gebieden is de behoefte aan groene leefruimte groot. Natuur-inclusief bouwen is het principe dat natuur en groen in de directe woonomgeving moet worden gefaciliteerd. De richtlijn natuur-inclusief bouwen biedt een puntensysteem voor maatregelen die bijdragen aan de versterking van de lokale biodiversiteit, en klimaat-adaptieve maatregelen verminderen de gevolgen van wateroverlast en hittestress. Het toepassen van het instrument Puntensysteem natuurinclusief bouwen helpt bovendien om maatregelen te treffen die bijdragen aan de condities voor natuurontwikkeling. Daarnaast is de samenwerking met een ecoloog en het maken van een natuurkansenscan verplicht. Energietransitie Eind 2021 moet elke gemeente een transitie visie warmte hebben opgesteld. Hierin laten we zien welke schone warmtealternatieven in de verschillende Haagse buurten kunnen worden gebruikt en wanneer de Haagse buurten overstappen op schone energie. In het Stedelijk Energieplan (RIS 305064) hebben we opgeschreven wat we als gemeente belangrijk vinden voor de overstap naar schone energie. De transitievisie warmte is een uitwerking van het SEP. De gemeente kan deze overstap niet alleen.

Gebouweigenaren en inwoners vragen we om hun gebouwen klaar te maken voor schone energie. De afgelopen jaren zijn er al veel plannen gemaakt, initiatieven gestart, projecten uitgevoerd en ambities geformuleerd. Deze plannen, initiatieven en projecten zijn het vertrekpunt van de transitievisie warmte. Uitgangspunten die hierbij horen zijn:

1. Optimaal benutten van lokale duurzame bronnen De transitie van aardgas als energiebron naar hernieuwbare energiebronnen, alsook duurzaamheid en milieukwaliteit zijn voor de Gemeente Den Haag belangrijke uitgangspunten bij de stedelijke ontwikkeling. Maar de energie uit hernieuwbare bronnen is schaars. Dit betekent dat we de energie zo efficiënt mogelijk moeten gebruiken en verdelen over de stad. Nieuwbouw is goed te isoleren. Daarom verwarmen we nieuwbouw bij voorkeur met laagtemperatuur bronnen zoals bodemenergie. In Den Haag hebben we het geluk dat de bodem geschikt is voor opslag en terug levering van lokale duurzame energiebronnen. Deze capaciteit willen we optimaal benutten. Ook voor binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen geldt dat lokale duurzame bronnen optimaal benut moeten worden. Daarom stelt de gemeente bodemenergieplannen op, en waar veel nieuwbouw plaats vindt ook warmteplannen, om zo de regie te voeren op de schaarse bronnen en de verdeling daarvan over de stad. 2. Duurzame warmte en koude voor zoveel mogelijk gebouwen Om de bodemenergiecapaciteit optimaal te benutten wordt gekeken naar gebieden in plaats van naar individuele ontwikkelingen. In gebieden waar ontwikkelingen gaan plaats vinden voert de gemeente de regie om zoveel mogelijk nieuwbouw maar ook bestaande bouw aangesloten te krijgen op een laagtemperatuur warmtesysteem. 3.

Overstappen op schone energie Nieuwbouw heeft een veel lagere temperatuur verwarmingsbehoefte dan bestaande bouw. Het verlagen van de verwarmingsbehoefte van bestaande bouw is een grote opgave, die niet in een paar jaar gerealiseerd zal zijn. Op de lange termijn wordt het stadswarmtenet steeds meer voorzien van duurzame bronnen, echter dit gaat nog decennia duren en deze zijn net als laagtemperatuur bronnetten

ook beperkt in de maximale capaciteit per dag. Wanneer alle bestaande bouw in Den Haag van het gas af zou gaan en op het stadswarmtenet zou worden aangesloten, dan is er in de toekomst ook in het stadwarmtenet onvoldoende duurzame hoog temperatuur warmte beschikbaar voor de gehele stad. Daarom is het de visie van Den Haag om het stadswarmtenet in beginsel alleen in te zetten voor bestaande bouw met een hogere temperatuur verwarmingsbehoefte. Om de lokaal aanwezige duurzame warmte- en koude in de bodem optimaal te benutten, wil de gemeente de nieuwbouw heel bewust niet (doen) aansluiten op hoog temperatuur warmtenetten. Anders zou de totale warmtevraag naar hoge temperatuur warmte in de stad juist worden vergroot.

met stedelijke laag op de hoek van de Juliana van Stolberglaan met de Prinses Beatrixlaan. Naar aanleiding van de participatie is het stedenbouwkundig model aangepast, en is de hoogte van de toren verlaagd van 110m naar 91m. Onderstaande windhinderrapportage is gebaseerd op een stedenbouwkundig model met een toren van 110m. Desgevraagd heeft het onderzoeksbureau in een mondelinge toelichting aangegeven dat de impact die een lagere toren van 91 meter zal hebben op de resultaten van dit onderzoek zeer minimaal zullen zijn. Dit aangezien het verlagen van de toren naar 91m zeer beperkt effect zal hebben op de windstromen rondom de nieuwe ontwikkeling. Onderstaande bezonningsrapportage is wel uitgevoerd voor een toren van 91m.

6.6 Omgevingsaspecten

Windklimaat Voor het initiatief is een windhinderonderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat de kwaliteit van het windklimaat voldoende wordt gewaarborgd. Het plan dient te voldoen aan de Haagse normen voor windhinder uit 1996 en de aanvulling uit 2010 (RIS 170509 en RIS 170509A).

6.6.1 Waterparagraaf In het kader van de planologische procedure zal een waterparagraaf worden opgesteld in overleg met de waterbeheerder. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Belangrijk uitgangspunt is dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (standstill beginsel).

In opdracht van de gemeente is een eerste windstudie uitgevoerd naar de effecten van het stedenbouwkundig model(a) op het windklimaat in de omgeving (zie bijlage “KC-

N

(a) Beoordeling activiteit doorlopen

Figuur 4.3: Windcomfort beoordeling p activiteit N

(c) Beoordeling a

KC-l

Figuur 4.1: Windhinder op voetgangersniveau

an J. v

rgl lbe Sto

n aa

.B Pr trix ea n l aa

(a) Beoordeling activiteit doorlopen

N

(b) Beoordeling activiteit slenteren

Beoordeling activiteit doorlopen

6.6.2 Bezonning en windklimaat De bebouwingsplannen moeten voldoen aan de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor ‘Windhinder en bezonning rond nieuwbouw’ (RIS 170509), gebaseerd op NEN-norm 8100:2006. Windhinder en bezonning zijn sturend in het ontwerp. Studies naar de impact van het ontwerp hierop worden daarom vanaf het beginstadium ingezet als ontwerptool. Onderstaande studies zijn uitgevoerd op basis van een stedenbouwkundig model met één bouwblok (middenbouwvolume) langs de Utrechtsebaan en een toren

(b) Beoordeling a

Ut re

ch ts

eb a

Monarch Tower

an

Goed

CAK

N

Matig Slecht

N

N

N

(b) Beoordeling activiteit slenteren

Windhinder - Overschrijdingskans 5 m/s drempelsnelheid A

% dagen

B

2.5 9

C

5 18

10 36.5

D

E

20 73

KC-locatie te Den Haag - CFD-studie windhinder en windgevaar

(c) Beoordeling activiteit lang zitten (zomer situatie) 8

KC-locatie te Den Haag - CFD-studie windhinder en windgevaar NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

55

locatie te Den Haag: CDF-studie windhinder en windgevaar (Actiflow, d.d. december 2021)“). Dit plan omvat één bouwdeel van 110m meter (maximale hoogte is in voorliggende Nota van Uitgangspunten gereduceerd tot +/- 91m) naast een middenbouw volume langs de Utrechtsebaan en gaat uit van gehele sloop van het bestaande gebouw. Voor de opzet van het onderzoek is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Uit de resultaten van het onderzoek worden de volgende conclusie getrokken: • Op diverse plekken in het plangebied wordt een matig tot slecht windklimaat voor ‘doorlopen’ verwacht. Er zijn echter geen gebieden met windgevaar. • Op de hoek van de Juliana van Stolberglaan met de Utrechtsebaan, op de hoek van de Prinses Beatrixlaan en tussen de bebouwing op deze kavel en de naastgelegen Monarch (CAK gebouw) wordt een slecht windklimaat voor ‘slenteren’ verwacht.

• •

•

In een groot deel van het pocketpark wordt een slecht windklimaat voor ‘verblijven’ verwacht. Het inzetten van extra begroeiing is een effectieve maatregel om het windklimaat in het plangebied lokaal te verbeteren. Dit middel mag worden ingezet t.b.v. een verdere verbetering; niet om te voldoen aan de norm. Wanneer het CID verder doorontwikkeld zal, door de toevoeging van hoogbouw in de omgeving (rondom Centraal Station, de Campusboulevard, Laan van NOI en de rand van de Utrechtsebaan) de luchtstromen in het gebied veranderen. Daarmee komt de KC-locatie meer in de luwte te liggen en zal het windklimaat op termijn verbeteren (zie figuur hiernaast).

Deze resultaten tonen aan dat het grootste gedeelte rondom de nieuwe ontwikkeling geschikt is voor de activiteit ‘doorlopen’. Uitzondering is de ruimte tussen de bebouwing op deze kavel en de naastgelegen Monarch (CAK gebouw). In de huidige situatie is deze windproblematiek echter ook al aanwezig. Bovendien fungeert deze ruimte in het beoogde ontwerp als expeditie ruimte en worden hier geen loopstromen verwacht. In de toekomstige situatie, waarbij de Utrechtsebaan vertunneld wordt en deze ruimte als dwarsverbinding tussen het Beatrixkwartier en het Bezuidenhout-West zal worden ingezet, kan door nieuwe bebouwing langs de rand van de Utrechtsebaan de windproblematiek op deze plek worden verminderd en kan er ook hier een goed windklimaat voor ‘doorlopen’ en ‘slenteren’ ontstaan (zie figuur hiernaast). Langs de Juliana van Stolberglaan en de Prinses Beatrixlaan is echter de activiteit ‘slenteren’ wenselijk, en in het pocketpark zelfs de activiteit ‘verblijven’. Bij de verdere uitwerking van de plannen zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om het windklimaat op deze plekken te verbeteren. Het onderzoek beschrijft aanbeveling die gedaan kunnen worden om het windklimaat op een aantal cruciale plekken te verbeteren. Zo

Uitsnede windhinderstudie totale CID ontwikkeling; afname windhinder t.p.v. KC-locatie

56

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

kan door toepassing van luifels en setback het windklimaat langs de Juliana van Stolberglaan en de Prinses Beatrixlaan worden verbeterd. Mocht het niet mogelijk zijn om de windhinderklasse hier helemaal naar klasse B te krijgen (immers, in de huidige situatie zijn ook plekken met klasse C aanwezig), dan moet er bij de positionering van entrees aandacht besteed aan het vermijden van klasse C in de aanlooproutes. De windhinderproblematiek in het pocketpark wordt met name veroorzaakt door valwinden vanaf het middenbouwvolume langs de Utrechtsebaan. Deze windhinder is niet direct te verhelpen door aanpassingen aan het bouwvolume. Door toepassing van vegetatie in het pocketpark kunnen deze valwinden gebroken worden. In de uitwerking van de plannen is het noodzakelijk de positie van de bomen in het pocketpark af te stemmen op het creëren van een zo optimaal mogelijk windklimaat met hoofdzakelijk windklassen A en B. Extra aandachtspunt is dat er, t.p.v. deze benodigde bomen en vegetatie, voldoende gronddekking moet zijn om deze bomen te laten groeien. Tot slot moet nog opgemerkt worden dat in dit onderzoek vegetatie (zowel bestaand als nieuw aan te planten) niet is meegenomen. Vegetatie zal over het algemeen voor een verbetering in het windklimaat zorgen. Zodoende kunnen de resultaten als een worst-case scenario worden beschouwd.

Uitgangspunt is dat het windklimaat zoveel mogelijk wordt verbeterd door ingrepen aan de bouwvolumes en aanvullende maatregelen op de kavel. Bomen en andere inrichtingselementen in de openbare ruimte mogen alleen worden ingezet tot verdere verbetering van het windklimaat als dit op geen andere redelijke manier mogelijk is. Bij het opstellen van het omgevingssplan / aanvraag omgevingsvergunning moet met onderzoek worden

9:00 noordwest kant 13:00

at

9:00

Em

ma

st

er

eid

str

a at

94

D A

n

Figuur 3.1: Bezonningsstudie voor de bestaande (boven) en N de toekomstige situatie 10:00 noordwest kant (beneden) op 19 februari 14:00 om 9:00 en 10:00 uur 59 aa

13:00 noordoost 10:00 kant

Th

De bestaande situatie

9:00 noordwest kant 13:00

elh

va

n

St

N N

er Th

str

at ra st es 69

a at

L

94 E D

eid

str

ga

a at

5959 4444 B eB s te

ng

KC-locatie te Den Haag - Bezonningsstu Figuur 3.2: Bezonningsstudie voor de bestaande (boven) en NN de toekomstige situatie 16:00 12:00 noordoost kant (beneden) op 19 februari om 11:00 en 12:00 uur59

rg be ol St n va

Be

ra st

58 64 E Ad 69 Adeelhe

ia L

A

ma

lhe ids ids tra tra at at

129

s tu

str

ur s

a at

44

ga

Em

ng

a

E D D

5 an

vana

N N

J.v

va

J.

J.

st

str

AA

ol

n

N N

Be ma

94

KC-locatie te Den Haag - Bezonningsstudie

St

ol

St

n

J.

Em

at

n g 143

J.

n

aa

sl

ga

E

be

rg

ur s

a at

n

D

A

s tu

str

aa

a at

Be

ma

es

Em

ng

EmE mmam stras a

D

er

44

ga

29

A

Th

ur s

a at

94

a at

nSto Sltb oelr bges rl aga snl

s tu

str

n

str

elh

ur s

J.

n

St

N N

15:00 noordoost 12:00 kant

aa

eid

Ad

s tu

str

59

sl

elh

E

A

sl ol

A

ma

sl

aa

n

A

rg

ma

Em

ia

a at

er

str

a at

J J. . v a va n n St St ol ol be be rg rg sl sl aa aa n n

eid

be

Ad

N N

11:00 noordoost kant 15:00

n

elh

str

n

19 februari

aa

Th

Ad

eid

D

Th

ra st ia er

es

ma

De bestaande situatie

at

Em

29

elh

A

11:00

De toekomstige situatie

st

ra

at

Em

ia

es

E

er

va

at ra

be

ol

19 februari

va

N

Be

Th

J.

st

sl

aa

n

A

es

ia

D

Ad

J. v a van S n to Stlb olerg besl rgaa sln aa

E

Bij het opstellen van het omgevingssplan / aanvraag omgevingsvergunning moet worden onderbouwd in hoeverre wordt voldaan aan de Haagse normen. In het omgevingssplan / ruimtelijke onderbouwing moet expliciet aan de orde worden gesteld waarom bij afwijking van deze normen alsnog KC-locatie te Den Haag - Bezonningsstudie medewerking kan worden verleend aan de realisatie van het N N plan. Met de vaststelling van deze NVU stemt de gemeenteraad in met een beperkte afwijking van de bezonningsnorm. De bestaande situatie

L

94

J.

69

a at

EEmm mmaa sst

29 29

J.va vna S nt o Sltb oelrg besl ragan sl a

str

De toekomstige situatie

at ra st ia es er Th

eid

rg

De toekomstige situatie

elh

Be

va

Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • In de bestaande bezonningssituatie voldoen niet alle adressen aan de bezonningsnorm van 2 uur zon op toetsingsdatum 19 februari. Bij 3 van deze adressen is een

Ad

a at

J.

N

15:00 11:00 noordoost kant

11:00

59

Be

st

ra

at

Em

ia es er

E

Th

Ad

A

elh

eid

str

ma

s tu

str

ur s

a at

44

ga

Em

ng

s tu

str

ur s

a at

ga

n g 143

58

120

64

Ad

69

elh

eid

E

str

a at 129

D A

94 D

A

sl

aa

ol St n J.

J.

KC-locatie te Den Haag - Bezonningsstudie

va

n

N

va

St J.

va

n

N

St

ol

ol

be

be

rg

be

sl

rg

rg

sl

n aa

n aa sl be ol St n va

N

aa

n

n

KC-locatie te Den Haag - Bezonningsstu

J.

N

Be

ma

L

a at

rg

De toekomstige situatie

De toekomstige situatie

In opdracht van de gemeente is een eerste bezonningsonderzoek uitgevoerd naar de schaduwwerking van het naar de omgeving (zie bijlage “KC-locatie te Den Haag: Bezonningsstudie (Actiflow, d.d. december 2021)“). Dit plan omvat één bouwdeel van 91m meter naast een middenbouw volume langs de Utrechtsebaan en gaat uit van gehele sloop van het bestaande gebouw. Het onderzoek is conform de gemeentelijke bezonningsnorm uitgevoerd voor de toetsingsdatum 19 februari.

str

be

19 februari

ma

J.

N

Em

29

rg

De toekomstige situatie

19 februari

Be

44

De bestaande situatie

De bestaande situatie

De bestaande situatie De toekomstige situatie

•

De bestaande situatie

Bezonning Voor het initiatief dient een bezonningsonderzoek te worden verricht om te kunnen beoordelen wat de invloed is van de realisatie van de bebouwing op de bezonning van omliggende bebouwing en de openbare ruimte. Daarnaast moet de te verwachten bezonningsduur ter plaatse van de te realiseren woningen binnen het plangebied worden bepaald. De bezonning dient te voldoen aan de Haagse normen voor bezonning uit 1996 en de aanvulling uit 2010 (RIS 170509 en RIS 170509A).

•

verdere afname van de bezonning op de toetsingsdatum vastgesteld. Er zijn 5 adressen die in de huidige bebouwingssituatie wel 2 uur zon krijgen en door de schaduwwerking van de nieuwbouw niet meer aan deze eis voldoen. Uit een aanvullende analyse naar de precieze toedracht N van de afname in het aantal zonuren specifiek voor deze woningen is gebleken dat, door het verlagen van de maximale hoogte en het optimaliseren van de positie van de toren / het verslanken van de diagonaal, de bezonningssituatie bijna niet zal verbeteren. Dit komt door de nabijheid van de omliggende woningen i.c.m. de positie van deze woningen t.o.v. de nieuwbouw.

n

N

9:00

onderbouwd in hoeverre wordt voldaan aan de NEN 8100:2006 en de voorwaarden volgens het gemeentelijk beleid. In het omgevingssplan / ruimtelijke onderbouwing moet expliciet aan de orde worden gesteld waarom bij afwijking van deze normen en voorwaarden alsnog medewerking kan worden verleend aan de realisatie van het plan. Bij de beoordeling van het windklimaatonderzoek dient wel rekening gehouden te worden met de windhinderklassen in de bestaande situatie die niet beïnvloed kunnen worden door dit plan.

St

ol

19 februari

De toekomstige situatie

19 februari

be

rg

sl

De bestaande situatie

es

ia

st

ra

29

Ad

^^^^ 09:00 ^^^ 10:00

^^^^ 13:00 ^^^ 14:00

^^ 11:00 ^ 12:00

^^ 15:00 ^ 16:00

KC-locatie te Den Haag - Bezonningsstudie

6

Beelden bezonningsstudie

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

57

6.6.3 Luchtkwaliteit en geluid

plaatsgevonden inzake PFAS. RIS-nummer 309914.

6.6.5 Groen en beheer

In het kader van PlanMER voor de structuurvisie CID is onderzoek gedaan naar de geluidsituatie en luchtkwaliteit in het CID. (RIS 307135 bijlage Planmer, Deelrapport gezondheid en leefbaarheid). Hieruit bleek dat in het plangebied wordt voldaan aan de streefwaarden voor luchtkwaliteit. Als gevolg van o.a. de Utrechtse baan en het spoor is de geluidsbelasting in het gebied groot. De ontwikkeling op de KC-locatie bevat zelf geen functies die een bijzondere bescherming genieten in het kader van luchtkwaliteit of geluid. De gevolgen van de ontwikkeling voor de omgeving moeten worden onderzocht in het kader van de ruimtelijke procedure.

Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag blijkt dat het plangebied is gelegen in zone B3 / O1 ‘Vroeg bebouwd gebied rond centrum’, de grond (0-2,0 m-maaiveld) valt binnen de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’.

Agenda groen voor de stad (RIS RIS294705) In de Agenda Groen voor de Stad wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen, en het groen in het bijzonder, soms onder druk komt te staan. Daarnaast zijn er onzekerheden en ontwikkelingen die de stad in de toekomst sterk zullen kleuren zoals de klimaatopgave, veranderingen in mobiliteit en de toenemende impact van informatietechnologie. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting,

6.6.4 Bodem Op 1 juli 2013 heeft de laatste wijziging plaatsgevonden onder de Circulaire bodemsanering. Deze circulaire heeft het karakter van richtlijnen, dat wil zeggen dat het bevoegd gezag uit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming rekening moet houden met hetgeen hier is bepaald. Het bevoegd gezag mag voor specifieke situaties gemotiveerd maatwerk toestaan. De reikwijdte van deze circulaire omvat met name de risicobeoordeling en de saneringsdoelstelling. De wijze waarop de risico’s worden weggenomen (saneringsaanpak) is een afweging van het bevoegd gezag en blijft hier buiten beschouwing. Voor de saneringsaanpak een afweging gemaakt tussen de kosten en baten van het wegnemen van de risico’s. In voorkomende gevallen kan bijvoorbeeld bij ecologische risico’s het wegnemen van de verontreiniging schadelijker zijn voor het ecosysteem dan niet ingrijpen in het ecosysteem. De bodemkwaliteit van het betreffende gebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt en het hergebruiksbeleid is vastgesteld in de Nota bodembeheer 2013-2023 (RIS 60571). Inmiddels heeft van de Nota bodembeheer een actualisatie

58

NOTA VAN UITGANGSPUNTEN JULIANA VAN STOLBERGLAAN 1

Onderzoeken in de omgeving: Verkennend bodemonderzoek uit 2019 direct ten zuiden van de planlocatie: In de bovengrond zijn resten puin aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met polychloorbifenyl, de ondergrond is licht verontreinigd met barium, cadmium, kwik, lood, zink en polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Het grondwater is licht verontreinigd met 1,2-dichloorethenen. Geconcludeerd wordt dat er op basis van dit onderzoek geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. In de directe omgeving, locatiecode 2550015, is sprake van een ernstige verontreiniging in het grondwater aan vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl’s). Hier wordt gedurende een lange periode gemonitord op stabiliteit. Op de locatie heeft in 2010 in het kader van Landsdekkend Beeld met als locatiecode 2530066 een oriënterend onderzoek plaatsgevonden. Ten tijde van dit onderzoek zijn geen ernstige verontreinigingen aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek uit 2008 aan de westzijde van de planlocatie: Zowel in de bovengrond als in de ondergrond is een zwakke bijmenging met puin aangetroffen. De bovengrond is niet verontreinigd, de ondergrond is licht verontreinigd met polycyclische aromatische koolwaterstoffen en minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met zink.

Op basis van dit onderzoek is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.

Uitsnede kaart Agenda Groen voor de Stad

vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte ontstaat voor verandering en initiatief en ontwikkelingen waarbij groen toekomstbestendig wordt vormgegeven. Kort samengevat: ‘het groene kapitaal’ dient als basis voor (het uitbouwen van) een goede leefkwaliteit. Nota Stadsnatuur (RIS 305824) & Haagse iconen, kansen voor de groen-blauwe structuur van de stad (RIS 302827) Voor de inrichting van het groen en het park gelden de uitgangspunten vanuit de Nota Stadsnatuur waarbij het doel de ontwikkeling van functionele biotopen conform de vuistregels voor biotopen is. Robuuste doorgaande boomstructuren kunnen het nieuwe groene gebied visueel, fysiek en gevoelsmatig verbinden met de bestaande lange lijnen en groenstructuren in de stad. Nota Stadsbomen (RIS 307827) Stadsbomen zien we als dragers van robuuste groenstructuren. Voor het realiseren van de twee hoofddoelen, een toekomstbestendig Haags bomennetwerk en 5% meer kroonoppervlak in 2030, zijn concrete maatregelen benoemd. Voor de aanplant van bomen moet worden voldaan aan het handboek Openbare Ruimte van de Gemeente Den Haag, met betrekking tot benodigde vrije ruimte op, boven en onder maaiveld.

Dit betekent dat de maatvoering van de openbare ruimte, gebouw en gevel voldoende ruimte vrijlaat voor de groeiruimte voor de kroon en het wortelpakket onder, op en boven maaiveld. In het Routeboek stadsbomen in projecten zijn de specifieke groeiomstandigheden voor verschillende grootte bomen weergegeven. Zo verlangt een boom van de 1e orde een afstand tussen boom en gevel van 7m, tot de rijweg van 1,5m en ondergrondse groeiruimte van minimaal 7,5 m3. Wet Natuurbescherming Ten aanzien van sloop/nieuwbouw gelden de wettelijke

verplichtingen vanuit de Wet Natuurbescherming. Dit betekent dat door een ecologisch adviesbureau onderzoek moet worden verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten (zoals huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen). Het betreffende ecologisch adviesbureau kan gebruik maken van het kaartmateriaal voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen dat beschikbaar is via www.kaartendenhaag.nl onder natuur en milieu. De bomen in het plangebied bevinden zich in binnentuinen en op het erf. De bomen staan binnen de bebouwde kom in het kader van de Wet natuurbescherming. Derhalve is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. Voor de kap van enkele bomen is een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10970569/1