RIS308749 Bijlage 11 - DWG randvoorwaardenkaart en profielen
Tekst van het document
Hoe aangenaam of onaangenaam mensen een plek ervaren, is deels afhankelijk van het microklimaat. Het microklimaat wordt bepaald door het samenspel van zon, schaduw en wind. Zeker bij hoogbouw en verdichting dient er bij het ontwerp rekening mee gehouden te worden. Denk aan positionering hoogbouw, massaopbouw in relatie tot de buitenruimte en het microklimaat. Deze aspecten, evenals groene ontmoetingsplekken in en op gebouwen, kunnen bijdragen aan een aangenaam leefklimaat (zie 6.3).
3.6
Mobiliteit
Het college zet, mede in het licht van de trends op het gebied van mobiliteit (verschuiving modal split), in op het stimuleren van vormen van vervoer die weinig ruimte vragen en duurzaam en gezond zijn: lopen, fietsen en OV. Ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid gaan daarbij hand in hand. Zo zorgt de groei van het aantal inwoners in de bestaande stad ervoor, dat er meer gelopen en gefietst wordt op de korte afstanden. Aantrekkelijke stations en loop- en fietsroutes naar deze stations worden gekoppeld aan verdichting rond deze OV-knooppunten. Het autoluw maken van gebieden en het vormgeven aan een ‘wandelstad’ versterken deze trend. Het college wil de mobiliteitsgroei zo organiseren dat dit niet ten koste gaat van veiligheid en gezonde lucht en dat het bijdraagt aan andere doelen zoals verduurzaming, economische vitaliteit, toegankelijkheid en bereikbaarheid van zorg. De autobereikbaarheid blijft belangrijk voor Den Haag, maar de beleidsaandacht beweegt mee met de verschuiving van de modal split. Bij hoogbouw moeten we ontsluiting en mobiliteit anders benaderen om de hoge dichtheden voor wonen en werken mogelijk te maken. Daarbij moet onder andere gedacht worden aan een mogelijke toename van verkeer, parkeerdruk, uitstoot van fijnstof en geluidsoverlast. Autogebruik en autobezit nemen relatief veel ruimte in beslag.
De gemeente wil daarom maximaal inzetten op hoogwaardig openbaar vervoer en fietsen/lopen. Verder zijn maatregelen vereist om onnodig autogebruik en autobezit terug te dringen, waaronder een strenge parkeernorm, stimuleren autodelen, collectieve parkeergarages ‘op afstand’ en een fijnmazig net van aantrekkelijke routes voor voetgangers en fietsers. Door minder autogebruik wordt de rol van de fiets groter. Gezien de Haagse doelstellingen zijn nieuwe fietsparkeer-concepten van belang.
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
19
4. HISTORIE HAAGSE HOOGBOUW Dit hoofdstuk geeft een beknopt overzicht van de ontwikkeling van Haagse hoogbouw in een historische tijdlijn. De stad heeft een eigen aanloopgeschiedenis waarin de geleidelijke acceptatie van hoogbouw uitdrukking gaf aan de vraag naar architectonische kwaliteit. Dit historisch perspectief levert een bijdrage aan de huidige opgaven van stedelijke vernieuwing en verdichting. In de bijlage is een uitgebreide beschrijving hiervan opgenomen.
(De Rode Olifant) speelde status een belangrijke rol, maar het accent verschoof van symboliek naar functionaliteit.
Veranderdend stadsbeeld (1900-1918) Den Haag was rond 1900 een platte stad. Zowel in het historische centrum als in de uitbreidingswijken was tot dan toe zelden hoger gebouwd dan drie bouwlagen. Toch had de stad in de voorafgaande eeuw een skyline gekregen door de spitsen van een tiental nieuwe kerktorens. De Haagse Toren, Ridderzaal en de Stadhouderstoren verrezen niet langer solitair uit de platte massa. Na 1900 bleef hoogbouw niet langer voorbehouden aan kerk en hofadel. De toren van het Vredespaleis vormde vanaf 1913 een nieuwe landmark. Bij nieuwe torens van internationale bedrijven als Shell en Petrolea
Expansie en modernisering (1918-1940) Tot omstreeks 1930 bleef de hoogte van twee tot drie bouwlagen de norm, omdat in de stapelbouw bijna uitsluitend open portiektrappen werden toegepast. Rond 1930 ontstond de behoefte aan hogere wanden met torenaccenten, langs hoofdwegen en pleinen. Geleidelijk werden vier en vijf bouwlagen geaccepteerd. Deze nieuwe stedelijke maat werd mede bepaald door luxueuze woongebouwen: de zogenaamde woonhotels. Deze gebouwen bestonden uit een clustering van appartementen, met allerlei collectieve voorzieningen. Naast de geprononceerde verticale beëindigingen van de bouwvolumes
Rode draad: • opvallend aan de nieuwe torens (introductie kroon) waren de geprononceerde silhouetten met rijk gedetailleerd metselwerk; • met de hogere bouwvolumes werd de aanzet gegeven tot een nieuwe stedelijke maat van 20 meter.
en de hoge architectonische kwaliteit sluit de opzet van de Haagse woonhotels goed aan op de huidige woonbehoeftes. Die wordt gekenmerkt door de stapeling van de appartementen op een gemeenschappelijke voorzieningenlaag. Rode draad: • met de nieuwe breedteprofielen en grotere bouwvolumes manifesteerde zich aan het einde van de jaren twintig ook in de binnenstad de nieuwe stedelijke maat; • met het realiseren van grotere volumes: winkelareaal, banken, kantoren en uitgaansgebouwen vond een schaalvergroting plaats. Wederopbouw en stadsuitbreiding (1945-1970) De modernisering werd abrupt onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Het Structuurplan Groot ’s Gravenhage (Dudok, 1948) moest ervoor zorgen dat Den Haag de gehavende gebieden kon herstellen en tegelijkertijd fors kon uitbreiden. In 1949 werd de open portiektrap verboden. Omdat vanaf vijf bouwlagen een personenlift verplicht was domineerde
Uitbreidingsplan Berlage 1908
Begin twintigste eeuw (1900-1918)
de Haagse Toren, Grote of Sint Jacobskerk, voltooid in 1424, hoogte 93m
20
Kurhaus, 1885, huidige hoogte 30m
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
Het Vredespaleis’, voltooid in 1913, hoogte 80m
Interbellum (1918-1940)
Petrolea (De Rode Olifant) voltooid in 1924, hoogte 56m
Volharding, 1928, hoogte 38m
Nirwana, 1929, hoogte 25m
Willemspark flat, 1931, hoogte 50m
portiekwoningen in drie en vier bouwlagen. De nijpende woningnood werd maatgevend en het accent verschoof naar kwantiteit. Dat leidde tot verdichting met hoogbouw en tot massawoningbouwprojecten. Dat daarmee op maaiveldniveau (door grote parkeervelden en veel blinde gevels) onaantrekkelijke woonambiances waren ontstaan, was ondergeschikt aan de leniging van de woningnood. Toen dat werd bereikt was het inwonersaantal al dalende. Na de piek aan het begin van 1960 (606.000 inwoners) liep het inwonersaantal in de volgende veertig jaar terug naar 441.000 in 1999. Rode draad: • veranderde bouwregelgeving: de maat voor de bouwhoogte werd bepaald door de dure personenlift; • introductie eerste hoge flatgebouwen als onderzoek naar architectonische en woontechnische kwaliteit. Van stads- naar stedelijke vernieuwing (1970-2000) De suburbanisatie en dreigende teloorgang leidden medio jaren zeventig tot een kentering. De middenklasse trok massaal naar de groeikernen in de regio (Zoetermeer). Voor het centrum en
de periferie werd tot begin jaren negentig een hoogtelimiet van 70 meter gehanteerd. Met de eerste hoogbouwnota ‘Hoogbouw in het Haagse stadsbeeld’ (1993) werd ingezet op het reguleren van hoogbouw van kantoren in het ‘Central Business District’. De maximale bouwhoogte werd opgetrokken naar 120 meter. De Resident (een experimenteel project dat Den Haag een markante skyline heeft gegeven) moest de laagbouw in het historische centrum verbinden met de hoogbouw rond station Den Haag Centraal. Rode draad: • de menselijke maat wordt voorop gesteld; • introductie van de geleding van gebouwen met bekroning en plint en de leefbaarheid van de openbare ruimte; • voor het centrum werd tot begin jaren negentig een hoogtelimiet van 70 meter gehanteerd; • de eerste publiek-private samenwerkingsprojecten. • introductie geprononceerde profielen en gevarieerde materialen, gedomineerd door baksteen; • hoogbouw in setting van compacte bouwblokken.
Nieuw millennium (2000-heden) Vanaf 2000 tekende zich een sterk opgaande lijn af qua inwonersaantal. Uitbreiding van de woningvoorraad werd in toenemende mate gezocht in verdichting en hoogbouw. De maximale bouwhoogte voor het centrum werd verlegd naar 140 meter. Op de vrijgekomen locatie van de Zwarte Madonna werden de dubbeltorens met de ministeries van BiZa en Justitie (146 meter) en de woontoren De Kroon (132 meter) gebouwd. Een van de oude ministeriegebouwen werd afgebroken en getransformeerd tot woongebouw, met in de transparante plint commerciële ruimten en de Haagse campus. In het gebied kwamen plannen voor het (afgeblazen) Spuiforum en als vervolg daarop het OCC. En passant werd het Babyloncomplex uitgebreid met twee slanke woontorens (142 en 102 meter) van hoge architectonische kwaliteit. Rode draad: • samenhang tussen de bekroning en de nieuwbouw in de omgeving, de hoogwaardige detaillering en de stedelijke laag die de torens verbindt; • transformatie kantoorgebouwen naar woongebouw.
Structuurplan Dudok 1948
Wederopbouw (1945-1970)
Toren van Oud, 1961, hoogte 75m
Heliotrooplaan, 1957, hoogte 37m
Nieuw millenium (2000-heden)
Stadsherstel (1970-2000)
De Resident, jaren negentig, verschillende hoogtes
Haagse Poort, 1992, hoogte 70m
Het strijkijzer, voltooid 2007, hoogte 132m
Hoogbouw ministeries Turfmarkt, voltooid 2012, hoogte 146m
Wijnhavenkwartier, 1975 getransformeerd in 2016, hoogte 73m
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
21
22
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
kaartbeeld Agenda Ruimte voor de Stad - “Ruimte voor stedelijk wonen”
5. HAAGSE HOOGBOUW ANNO NU De gemeente zet in op hoogbouw met een duidelijke Haagse signatuur. Dit hoofdstuk geeft aan wat Haagse hoogbouw is, waarom hoogbouw nodig is, welke locaties ruimte bieden voor hoogbouw en beschrijft de specifieke karakteristieken van Haagse hoogbouw.
5.1
Wat is hoogbouw?
Vanuit de beleving van de stad is hoogbouw een relatief begrip. De Grote Kerk heeft een toren van 90 meter, maar zal door velen niet als hoogbouw worden ervaren, terwijl sommige moderne, lagere gebouwen wel zo worden betiteld. De mate waarin een gebouw als hoog wordt ervaren, is ook afhankelijk van de gemiddelde bebouwingshoogte in de omgeving. Daardoor is het ook een dynamisch begrip. De gemiddelde hoogte van de bebouwing kan naar verloop van tijd veranderen, waardoor ook de perceptie of iets als ‘hoog’ wordt ervaren, mee verandert. Een jarenlang gehanteerd uitgangspunt was het verbod om in het centrum gebouwen neer te zetten die - vanaf de Plaats gezien - boven het Binnenhof uit zouden komen. Als gevolg daarvan werd de hoogte van gebouwen in de omgeving van het centrum beperkt tot 50 meter. In de Agenda voor de Haagse Verdichting uit 2009 staat: “Verdichting hoger dan 50 meter noemen we in Den Haag hoogbouw”. Vanaf die tijd spreken we van hoogbouw bij een hoogte van 50 meter en hoger. 50 Meter is een ‘strengere’ norm dan de 70 meter die het Bouwbesluit hanteert. De reden is dat 50 meter beter aansluit bij de historische stad en de middelhoge stedelijke bouwblokken. Het is dan ook belangrijk om al vanaf 50 meter aanvullende kwaliteitsregels te stellen aan hoge gebouwen. Deze nota Haagse hoogbouw sluit hierop aan en spreekt van hoogbouw bij 50 meter of hoger.
De bouwhoogte wordt gemeten tot aan het hoogste punt, met uitzondering van de ondergeschikte bouwdelen.
5.2
Waarom hoogbouw?
Hoogbouw is één van de manieren om te verdichten. Om ook in de toekomst voldoende en geschikte woon- en werkruimte te kunnen bieden, moeten we - gezien de beperkte ruimte - de hoogte in. Hoogbouw biedt kansen om de buitenruimte een kwaliteitsimpuls te geven en het bestaande groen in de stad uit te breiden of de kwaliteit daarvan te verbeteren. Door te verdichten binnen de bestaande grenzen, blijft het open groene landschap rondom de stad behouden.
5.3
Waar wel en waar niet?
We concentreren hoogbouw bij OV-knopen en concentraties van voorzieningen. Door hoogbouw te concentreren op deze selecte plekken worden hoogbouwelementen minder beeldbepalend als object. Niet één hoge toren bepaalt de importantie van een bepaalde plek, zoals de kerktoren in een dorp, maar een ensemble van torens bepaalt het stadsbeeld. Een dergelijk ensemble kan belangrijke plekken in de stad markeren en zorgen voor de herkenning en verbinding van verschillende gebieden. Hoogbouw in de bestaande stad is altijd een ingreep die ook een verandering inhoudt. De impact van hoogbouw op de omgeving kan groot zijn. Het is geen uniforme ingreep die je zomaar uitrolt over de hele stad. Het vraagt om inventiviteit, creativiteit en om kwaliteitsbesef van alle betrokken partijen. Inpassing in de bestaande stad en omgeving vraagt dan ook om maatwerk, zowel ruimtelijk als functioneel. Dat betekent hoogwaardige en zorgvuldige stedenbouw, architectuur, en een optimale functiemenging en programmering, met aandacht voor het groen en de buitenruimte. Functionele kwaliteit betekent dat de stad goed bereikbaar is en dat er aantrekkelijke loop-en fietsroutes zijn. De ontwikkeling van de infrastructuur moet dan ook gelijke tred houden met de ruimtelijke en functionele ontwikkeling van de stad, onder meer met betrekking tot de
schaal, maat, vormgeving, windhinder, bezonning, uitwerking van de plint. Door de juiste keuzes te maken, die aansluiten bij de beleving van een gebied en de aanwezige cultuurhistorie, ontstaan er aantrekkelijke woon- en werkgebieden met een prettig leefklimaat. De inrichting van de stad ‘op ooghoogte’, inclusief de (semi)openbare functies en buitenruimtes, moet bijdragen aan de sociale veiligheid en sociale cohesie in de stad. In de Agenda Ruimte voor de Stad is gekozen voor verdichting rondom OV-knopen en concentraties van voorzieningen. Omdat ieder gebied weer een andere identiteit en dynamiek heeft, is het nodig om gebiedsspecifieke afwegingen te maken, rekening houdend met de opgave. Dat alles vraagt om maatwerk per gebied. In de (lopende) gebiedsverkenningen zal -in samenspraak met betrokkenen- de inzet en haalbaarheid van hoogbouw op de aangewezen locaties verder worden uitgewerkt. Het gaat om de volgende intensiveringsgebieden waar hoogbouw als kansrijk wordt gezien: • Central Innovation District, waaronder Nieuw Centrum, omgeving Den Haag Centraal, Beatrixkwartier, Laakhaven Centraal en de Schenkverbinding; • Binckhorst; • Den Haag Zuidwest, waaronder winkelcentrum De Stede, stadshart Leyweg en knoop Moerwijk. In de Driehoek Rosenburg is in samenspraak met de omwonenden en andere betrokkenen reeds een traject in gang gezet.
De conclusies hieruit worden verwerkt in de lopende gebiedsverkenning. Voor de volgende gebieden is er wel een verdichtingsopgave, maar is hoogbouw nu niet aan de orde: op Scheveningen, rondom Madurodam, Mariahoeve en de Zuidwestflank (omgeving Westlandse Zoom, Lozerlaan). Voor wat betreft de omgeving van het Prins Clausplein is hoogbouw vooralsnog niet aan de orde; dit gebied is een reservelocatie voor de langere termijn.
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
23
5.4
Identiteit Haagse hoogbouw
Clusters en solitairen Een belangrijk principe voor de Haagse hoogbouw is het realiseren van herkenbare en samenhangende clusters. De ruimtelijke dragers van deze clusters zijn levendige en goed ontworpen routes en buitenruimtes, die alle aanwezige adressen, voorzieningen en functies verbinden. Aansprekende voorbeelden hiervan zijn de Haagse Loper (Turfmarkt) bij het Spui- en Wijnhavenkwartier, het Beatrixkwartier, Nieuw Centrum, CS Oost en Laakhaven. hoogbouwcluster op OV-knooppunt. Foto: Bart van Vliet
stedelijke programering in de plint, interactie tussen binnen en buiten
bijzondere kronen verrijken de skyline
samengesteld bouwblok met de combinatie stedelijke laag en torens. Foto: Bart van Vliet
Clustering leidt tot een schaal waarop kwaliteiten collectief georganiseerd kunnen worden, dan gaat het vooral over: • parkeren en bereikbaarheid; • microklimaat (wind, zon, schaduw); • karakteristiek woonmilieu voor doelgroepen met verwante leefstijl; • voorzieningen; • buitenruimte, zoals collectieve daktuinen; • typologische mix, dus geen eenzijdige systeembouw; • voldoende schaalgrootte om infrastructurele ingrepen te doen, zoals het inpassen van stedelijke (snelweg) infrastructuur en het opheffen van barrières; • het versterken van aantrekkelijke verbindende routes voor voetgangers en fietsers. Het realiseren van solitaire hoogbouw buiten de hoogstedelijke clusters is alleen wenselijk op die plekken die zorgen voor een versterking van de stedenbouwkundig structuur, bijvoorbeeld op knooppunten van routes en aan relevante zichtlijnen. Er zijn bij solitairen echter wel lastigheden die in clusterverband beter op te lossen zijn. Bouwhoogte Niet de bouwhoogte, maar de kwaliteit is leidend bij hoogbouw. Er wordt dan ook geen maximale bouwhoogte vastgelegd. De hoogte van individuele torens dient te passen binnen de
groen in hoogbouw
24
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
elektrische deelauto’s
hoogteopbouw binnen het cluster. De samenhang van de torens in de hoogteopbouw van het cluster verdient wel bijzondere aandacht. Bij de bepaling van bouwhoogtes en de volumeopbouw van hoogbouwinitiatieven dient rekening te worden gehouden met het microklimaat. Er moet minimaal worden voldaan aan de Haagse normen voor bezonning en wind. In aanvulling daarop wijst de gemeente bij de uitwerking van deelgebieden zogenaamde sunspots aan. Dit zijn belangrijke publieke buitenruimtes die gevrijwaard moeten blijven van schaduw (zie 6.3). Typologie Samengesteld bouwblok De typische Haagse hoogbouw is onderdeel van een samengesteld bouwblok, bestaande uit een stedelijke laag met daarop torens. Het onbebouwde deel van het dak van de stedelijke laag is een daktuin of tweede maaiveld voor de bewoners.
Het voordeel van de combinatie stedelijke laag met torens is dat: • de stedelijke laag ervoor zorgt dat de hoogbouw goed aansluit bij de schaal van de omringende stad en het publieke domein; • de combinatie van stedelijke laag en torens geschikt is voor een menging van (woning)types, prijsklassen en functies; • er ruimte is voor openbare en bedrijfsmatige functies aan de straat; • de logistieke en technische ruimtes binnen het volume van de stedelijke laag kunnen worden geplaatst (en dus niet aan de gevel); • er ruimte is voor daktuinen, zonnepanelen e.d.; • windhinder beperkt kan worden door plastiek (vormgeving gebouw en gevel); • schaduw (deels) kan vallen op het eigen volume.
Een samengesteld blok met een stedelijke laag van 9 à 25m en torens van 50 à 70m vormen een goed uitgangspunt voor het realiseren van een hoge dichtheid. Uit ervaringen en onderzoek blijkt dat deze combinatie leidt tot een optimum van dichtheid en ‘licht, lucht en ruimte’. Hogere en solitaire hoogbouw is minder efficiënt in woningaantallen en heeft andere kwalitatieve nadelen. Belangrijke noot: dit zijn algemene ervaringen. In de praktijk is elke locatie weer anders en vraagt om een specifieke eigen oplossing.
Toren Haagse hoogbouw kenmerkt zich door elegante en slanke torens. Om dit te waarborgen wordt een slankheidsregel toegepast die het volume van de toren bepaalt in relatie tot zijn bouwvlak en omgeving.
Plinten De eyeline hoort bij de stad, daar bevinden zich publieke functies en voorzieningen. De ruimtelijke en programmatische invulling van de plint dient bij te dragen aan het ontstaan van een hoogstedelijk interactiemilieu op ooghoogte. Kenmerkend voor een dergelijk interactiemilieu is het in elkaar overlopen van levendigheid in de buitenruimte en binnen het gebouw. Een geslaagd voorbeeld van de gewenste interactie tussen binnen en buiten is de entreehal van de Haagse Campus van de Leidse Universiteit aan de Turfmarktroute. Ontwerpprincipes die bijdragen aan interactie tussen binnen en buiten zijn: plinten met een open en uitnodigende uitstraling en publieke functies, het positioneren van collectieve ruimten die waarneembaar zijn vanaf het maaiveld. Haagse hoogbouw sluit ook aan bij de inzet om de stad in die gebieden voetgangersvriendelijk te maken: Den Haag Wandelstad. Kroon Den Haag is de stad van de hoeden en petten (en kroon door de koninklijke familie). Bijzonder aan de hoogbouw in Den Haag is dat de kroon, de beëindiging van een toren, altijd een eigen karakteristiek heeft en integraal meegenomen wordt in het ontwerp van het gebouw. De kroon draagt bij aan de herkenbaarheid van het silhouet van de stad (skyline) en vormt een verbijzondering van de architectuur.
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
25
26
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
Skyline Den Haag vanuit het groen. Foto: Bart van Vliet
Duurzaamheid en groen Haagse hoogbouw dient een bijdrage te leveren aan de doelstelling van de Agenda Ruimte voor de Stad om verdichting te combineren met vergroenen en verduurzamen door: •
• •
•
•
•
het groen houden van het buitengebied en grote binnenstedelijke groeigebieden ten behoeve van klimaatadaptatie, biodiversiteit en recreatie; klimaatbestendig ontwerp van het gebouw en gebied; het toevoegen van collectieve (groene) ontmoetingsplekken in gebouwen en buitenruimte zal worden gestimuleerd. Gerealiseerde en geplande voorbeelden hiervan zijn de corporate gardens in het Beatrixkwartier, het stadsbalkon naast het OCC aan de Schedeldoekshaven, de daktuin van de Leidse Universiteit in de Wijnhaven, het entreehof van de ministerietorens Justitie en Binnenlandse Zaken aan de Turfmarkt. Deze groene ontmoetingsplekken dragen bij aan de interactie in het gebied, verzachten het stenige karakter en hebben een positief effect op het micromilieu (koelte, schaduw, water vasthouden); elk hoogbouwproject moet bijdragen aan de vergroening van de stad door extra groen toe te voegen aan de buitenruimte, groene daken, groene gevels; duurzame mobiliteit. Haagse hoogbouw is geconcentreerd nabij hoogwaardige OV-ontsluiting. Een groot deel van het vervoer kan daardoor lopend, per fiets of met OV. Hoogbouw moet hiervoor passende parkeeroplossingen, met ruimte voor elektrische deelauto’s en een meer aanbodgericht parkeerbeleid. Evenals uitstekende fietsparkeervoorzieningen, die onder meer geschikt voor e-bikes, bakfietsen en aangepaste fietsen voor minder validen.
Deze parkeervoorzieningen moeten sociaal veilig, aantrekkelijk en goed bereikbaar zijn; gasloos bouwen, aansluiten op warmtenet dan wel eigen energievoorziening.
Architectuur Typerend voor Den Haag zijn de eigenheid van de verschillende gebieden in de stad. Daarom zal hoogbouw in die verschillende sfeergebieden een gebiedseigen architectuur hebben, zodat het gebouw zich natuurlijk voegt in de identiteit en karakteristieken van haar omgeving. In hoofdstuk 7 wordt nader ingegaan op gebiedsspecifieke principes onder andere als het gaat om architectuur.
5.5
Maatschappelijke baten en voordelen
De gestelde kwaliteitseisen waaraan Haagse hoogbouw moet voldoen kosten geld, maar leveren ook maatschappelijke baten en voordelen op. Het gaat dan onder meer om: •
•
•
•
Haagse hoogbouw: de programmatische invulling en ruimtelijke vormgeving van de plinten en de stedelijke laag zorgen voor een levendige interactie tussen binnen en buiten. Dit bevordert de leefbaarheid: het draagt bij aan de levendigheid op ooghoogte en de sociale veiligheid en geeft daarmee een impuls aan het economisch vestigingsklimaat. De torens markeren de skyline van Den Haag; de stad krijgt hierdoor een eigentijds karakter met een metropolitane uitstraling. Goede vormgeving draagt bij aan het beperken van windhinder en schaduwwerking en zorgt voor een prettig leefklimaat; flexibel en aanpasbaar bouwen is de standaard om de toekomstbestendigheid van een gebouw of gebied te borgen. Hierdoor kunnen bewoners of gebruikers langer blijven wonen of werken in hetzelfde complex. Bij functieverandering hoeft minder snel tot sloop of nieuwbouw te worden overgegaan; hoogbouw bevordert collectieve (gebieds)oplossingen gericht op energietransitie en draagt daardoor bij aan het (sneller) realiseren van duurzame doelstellingen; een uitgekiend ontwerp van het gebied zorgt voor een
•
•
beter leefklimaat in de buitenruimte, door rekening te houden met sunspots en door windhinder te beperken; door Haagse hoogbouw te concentreren nabij OVknooppunten, kan een groot deel van het vervoer lopend, per fiets of met OV. Deze vormen van vervoer zijn duurzaam en gezond en vragen relatief weinig ruimte. Dit stimuleert het autoluw maken van bepaalde gebieden en biedt ruimte aan aantrekkelijke loop- en fietsroutes; een groene-blauwe buitenruimte heeft een positief effect op het microklimaat. De natuurwaarden en biodiversiteit (aantallen en soorten planten en dieren) nemen toe. Er is gezondheidswinst te boeken door reductie van hittestress, uitzicht op en het gebruik van groen, en door de afvang van fijnstof. Een groene-blauwe buitenruimte kan bijdragen aan klimaatadaptatie. Het vermindert de kans op wateroverlast en het ontlast het riool bij piekbuien. Water en groen zorgen voor een prettig leefklimaat en een aantrekkelijke stad.
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
27
28
de eyeline wordt bepaald door wat ervaarbaar is als publiek domein. Diagram o.b.v. principe Jan Gehl
de plint vormt binnen het publiek domein een van de essentiele schakels. Diagram o.b.v. principe Jan Gehl
stedelijke laag met een verbijzondering in de architectuur.
de opbouw van de stedelijklaag bepaalt het straatbeeld en de beleving van de stad op ooghoogte. Turfmarkt, Den Haag
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
buitenruimtes in de stedelijke laag. Hamburg
6. REGELS EN AMBITIES STADSBREED Dit hoofdstuk beschrijft de regels en ambities voor nieuwe hoogbouwontwikkelingen, die gelden voor de hele stad. Het betreft de volgende aspecten: • typologie • duurzaamheid en groen • micro-klimaat: zon, schaduw en wind • wonen • bergingen en afval • parkeren • veiligheid • tijdelijke bouwplaats De nota maakt onderscheid tussen regels en ambities. Regels zijn afdwingbaar en toetsbaar, zodat op basis daarvan bepaalde bouwinitiatieven of plannen wel of niet geaccepteerd worden. Hoewel juridisch gezien niet afdwingbaar, stimuleert de gemeente het opnemen van ambities in de planvorming, zodat ze bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelen (zie 2.3). Het hoofdstuk sluit af met een overzicht van maatschappelijke baten en voordelen, die de gestelde kwaliteitseisen opleveren.
6.1
Typologie
Haagse hoogbouw heeft een typologie van een samengesteld bouwblok, bestaande uit: • stedelijke laag • plint, als onderdeel van de stedelijke laag • toren • kroon 6.1.1
Stedelijke laag
De onderste lagen van een samengesteld bouwblok met hoogbouw vormen de stedelijke laag en zijn de belangrijkste wanden van het straatprofiel. De stedelijke laag heeft een hoogte van minimaal 9 tot maximaal 25 meter; past bij de menselijke maat en is kenmerkend voor historische steden. De begane grond en de eerste paar lagen tot en met de boomkruinen worden door de voorbijganger het meest ervaren op ooghoogte (eyeline). Tot ongeveer 25 meter is er contact
mogelijk tussen binnen en buiten. De vormgeving van de stedelijke laag is cruciaal voor de beleving vanaf de straat en ondersteunt een prettig en veilig gevoel. Hoe meer interactie tussen de gebruikers van het gebouw en de passant hoe beter. Het ontwerp van de gevel en de functie kunnen hier in hoge mate aan bijdragen. Een gevel die de bewoner de mogelijkheid biedt om door middel van (Franse) balkons of loggia’s naar buiten te komen, werkt goed om het contact met de straat aan te gaan. Woningen en andere functies zijn daarom zoveel mogelijk op de straat georiënteerd. Het gevoel van de aanwezigheid van andere mensen binnenin het gebouw en het licht dat door de ramen naar buiten schijnt, dragen bij aan een prettige, geborgen sfeer op straat. Deze stedelijke laag is de kameleon van het bouwblok; hij verkleurt naar zijn omgeving. Een gemengd programma van publieke functies in de plint met daarboven 2 tot 6 lagen woningen is goed inpasbaar en sluit aan bij de typologie van de historische stad. In een aantal bijzondere situaties kan er aanleiding zijn tot afwijking van de generieke regel en mag de stedelijke laag een grotere hoogte krijgen. Dit geldt bijvoorbeeld langs brede straatprofielen van hoofdroutes en langs grote buitenruimtes, zoals parken en waterstructuren.
Afwijking is alleen mogelijk in overleg met de gemeente en onder voorwaarde dat er sprake is van een hoogwaardige vormgeving en een goede inpassing, rekening houdend met bezonning, wind, en uitzicht. Regels: • de bouwhoogte varieert van minimaal 9 tot maximaal 25 meter hoog; • de stedelijke laag is herkenbaar in de massaopbouw en/of het gevelbeeld; • de gevels van de stedelijke laag bevatten veel detail en diepte, aansluitend bij de schaal van het publieke domein en de beleving op ooghoogte; • volume opbouw is zodanig dat windhinder wordt beperkt en bezonning van de buitenruimte wordt geoptimaliseerd (zie 6.3).
kroon
toren
plint
stedelijke laag
stedelijke laag; min 9m - max 25m
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
29
30
binnen en buiten verbonden, gemengde programmering Anna van Buurenplein - “New Babylon” Foto: Bart van Vliet
van buiten naar binnen en andersom. London
hoge plint die onderdeel uitmaakt van het blok; de functie loopt over in het publieke domein. Berlijn
diepte in de plint (negges). Oslo
hoge transparante plint, overgang van binnen naar buiten, interactie. Oslo
hoge plint. Turfmarkt, Den Haag. Foto: Bart van Vliet
hoge transparante plint met kwalitatieve buitenruimte. Impressie District E, Eindhoven. Powerhouse Company
reuring, hoge plint met gemengde programmering. Stadhuis Gemeente Den Haag. Foto: Bart van Vliet
wonen in de plint, zorgvuldig vormgegeven overgang van binnen naar buiten. Eindhoven
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
6.1.2
Plint
De plint is onderdeel van de stedelijke laag, beslaat de eerste of de eerste twee bouwlagen en heeft een hoogte van minimaal 4,5 meter. Dit is het deel van het gebouw dat vanaf de straat het meest zichtbaar is voor de langslopende voorbijganger en waar interactie plaatsvindt tussen de straat en het gebouw. Dit is de plek waar bedrijvigheid, voorzieningen en woningen zich van oudsher presenteren aan de stad en waar de dynamiek en levendigheid het meest tot uiting komt. Het is belangrijk dat de plint zo wordt ingericht en georganiseerd dat activiteiten in het gebouw bijdragen aan de levendigheid en interactie tussen binnen en buiten gedurende de gehele dag, ook ‘s avonds en in het weekend. De inrichting van de stad ‘op ooghoogte’, inclusief de (semi) openbare functies en buitenruimtes, draagt op die manier bij aan de sociale veiligheid en sociale cohesie in de stad. Een plint is misschien maar 10% van het gebouw, maar bepaalt wel voor 90% de beleving. Dit vraagt om hoge kwaliteitseisen en betrokkenheid, zowel voor wat betreft de ruimtelijke als de functionele uitwerking als het beheer op de lange termijn (programmering en exploitatie). Bij voorkeur is de hoofdentree van het gebouw onderdeel van het openbare netwerk van de stad en heeft een verblijfsfunctie (zoals bij WTC Den Haag, lobby Calypso gebouw Rotterdam, atrium Stadskantoor Spui).
Een mogelijkheid is om woningen voor bijvoorbeeld stedelijke gezinnen in de plint (op straatniveau) te realiseren. Belangrijk bij wonen in de plint is: zorg voor afstand tot het openbaar gebied. Denk aan een kleine (semi)privé buitenruimte bij de voordeuren, wellicht iets verhoogd via een paar traptreden, of een geveltuin. Plintmanager en plintenfonds Om de levendigheid van de plint continu te bewaken, wordt de mogelijkheid onderzocht voor het aanstellen van een
plintmanager en het oprichten van een plintenfonds, zoals dat ook in andere steden succesvol werkt. Overprogrammering van de plint kan hiermee voorkomen worden. Denk bijvoorbeeld aan teveel ruimte voor detailhandel, terwijl hier geen vraag naar is. Een aantal aspecten waar bijzondere aandacht voor zal zijn: • diversiteit aan meerdere (interactieve) functies die ook ‘s avonds en in het weekend open zijn. Denk ook aan culturele functies/activiteiten, zoals galeries, tentoonstellingen, (muziek)optredens; • programmering met verschillende korrelgroottes, passend bij de omgeving; • de publieke functies in de plint zijn openbaar toegankelijk, evenals de hoofdentree van de toren, die onderdeel is van het openbare netwerk en een verblijfsfunctie heeft; • mix van sociale en vrije markt huur.
Regels: • bouwhoogte van minimaal 4,5 meter; • het gevelontwerp van de plint zorgt voor een aantrekkelijke beleving op ooghoogte door gebruik te maken van materialen die uitnodigen tot aanraken (tactiele uitstraling) en een rijke en zorgvuldige detaillering met aandacht voor ritmiek (penanten) en dieptewerking (negges); • de plint krijgt een transparante uitstraling zodat het interieur van publieke functies goed waarneembaar is (woningen dus uitgezonderd); minimaal 50% van de gevel is transparant, bijvoorbeeld glas; • de plint heeft overwegend een stedelijke programmering met publieke voorzieningen, dienstverlening en werkruimtes, met een duidelijke expressie van verschillende adressen en functies; • wanneer er sprake is van woningen in de plint houden deze een afstand tot het openbaar gebied, bijvoorbeeld door een verhoogde ligging t.o.v. maaiveldniveau (rekening houdend met de toegankelijkheid), of door
•
•
•
•
toepassing van een overgangszone (bijvoorbeeld een geveltuin); voldoende ruimte om de overgang van binnen naar buiten goed en zorgvuldig vorm te geven, met elementen die het publieke functioneren bevorderen zoals veranda’s, portico’s, luifels, terrassen, verlichting; utilitaire functies moeten goed ingepast worden binnen de rooilijnen en zo min mogelijk aan de publieke zijdes van het gebouw; de entrees naar de parkeervoorzieningen moeten binnen het gebouw worden opgelost en mogen niet domineren. Bij het vormgeven van parkeeroplossingen moet rekening worden gehouden met veilige in- en uitritten en voldoende ruimte voor veilig laden en lossen; onderdeel van het plintontwerp is een reclameplan, zodat reclame-uitingen worden mee-ontworpen in het gevelbeeld.
plint min 4,5m
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
31
deze compositie geeft een goede verhouding tussen de hoogte en de massa weer; tevens een heldere compositie van drie volumes. Malmö
32
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
slanke toren. Cinnamon - Hamburg; architect: Bolles+Wilson
een slanke toren met de juiste slankheid en een heldere stedelijke laag met plintfuncties. Berlijn
6.1.3
Toren
Haagse hoogbouw kenmerkt zich door elegante en slanke torens. Dit is belangrijk om licht, lucht en ruimte te behouden op alle niveaus en past bij het silhouet van de Haagse skyline. De bijzondere kwaliteit van slanke hoogbouw is vooral het vrije uitzicht en de doorzicht tussen de torens; je woont in de stad maar ook in de lucht en hebt daardoor indrukwekkende uitzichten. Om deze unieke kwaliteit te waarborgen, wordt er een slankheidsregel toegepast die het volume van de toren bepaalt in relatie tot zijn bouwvlak en de omgeving. Afwijkingen van de slankheidsregels worden beoordeeld door de gemeente, in samenhang met de uitwerking van het volume en de vorm van de gevels (inclusief plint, stedelijke laag en kroon). De vorm en positie van de torens op de stedelijke laag moeten worden afgestemd op het microklimaat in de omringende buitenruimte. Op grotere schaal dient rekening te worden gehouden met sunspots (zie paragraaf 6.3).
Regels: • maximaal 50% van de footprint van de stedelijke laag mag bebouwd worden. Voor kleine kavels kunnen aanvullende specifieke eisen opgesteld, passend bij de maat en schaal van het bouwvlak en zijn omgeving; • voor de categorie van torens tot 70 meter: de maximale diagonaal van de footprint van de toren is 45 meter; • voor de categorie torens hoger dan 70 meter: ◊ bij eerste 70 meter hoogte heeft de footprint van de toren een maximale diagonaal van 56 meter; ◊ vanaf 70 meter hoogte heeft de footprint van de toren een maximale diagonaal van 45 meter; • torens worden alzijdig ontworpen (dat wil zeggen: aan alle zijden een aantrekkelijk gevelbeeld); • de gevels van de toren onderscheiden zich in opzet en/ of detaillering van de stedelijke laag.
Wijze van meten ‘diagonaal’: • Rechthoekige vorm: rechte lijn die de ene hoek verbindt met de tegenoverliggende hoek • Ronde vorm: diameter • Vrije vorm: de langste doorsnede • Driehoekige vorm: de langste schuine zijde
70m
Torenschacht
max diagonaal 45m
torens tot 70m
vanaf 70m toren max diagonaal 45m
eerste 70m toren max diagonaal 56m
heldere opbouw van het volume naar boven door middel van verjonging. bouwblok Den Haag; architect: Rapp + Rapp
torens op stedelijke laag; Wijnhaven - Rotterdam
toren hoger dan 70m
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
33
34
een kroon opgebouwd uit verschillende vollumes en buitenruimtes met een duidelijke vertikale richting en verjonging naar boven toe. New Orleans - SiZa - Rotterdam
beëindiging met een pet, met publieke functie (skybar). De Haagse Toren (Strijkijzer), Den Haag
aandacht voor een bewust ontworpen nachtbeeld door middel van verlichting. Nachtbeeld - Empire State Building - New York
zorgvuldig ontworpen beëindiging van de toren. De Kroon, Den Haag
een kroon opgebouwd uit verschillende volumes, buitenruimtes en geleding. Bouwblok New York
gebruik van groen in de kroon. Lucca
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
6.1.4
Kroon
Den Haag is de stad van de hoeden en petten (en kroon door de koninklijke familie). Haagse hoogbouw kenmerkt zich onder andere door een bewust ontworpen bovenkant: een hoed, een pet of een kroon. De kroon, de beëindiging van een toren, is vooral waarneembaar van een afstand en draagt bij aan de herkenbaarheid van het silhouet van de stad en de kwaliteit van de Haagse skyline. Haagse hoogbouw kenmerkt zich door een ‘bekroning’ van iedere toren, een verbijzondering die zich onderscheidt van het middendeel van de toren en zich uitstrekt over meerdere verdiepingen. Op deze manier ontstaat een ensemble van torens met ieder een eigen kroon. Dit ensemble draagt bij aan de identiteit van Den Haag.
Regels: • iedere toren heeft een bekroning met een gebiedseigen architectuur; • de bekroning heeft een bewust ontworpen dag- en nachtbeeld door middel van verlichting; • de beëindiging is zo vormgegeven dat de technische zaken (zoals liftschachten, klimaat- en glazenwasinstallaties) aan het zicht zijn onttrokken of zijn geïntegreerd in de architectuur.
altijd een hoed, pet of kroon
De kroon is bestemd voor bijzondere functies: de penthouses, de rooftopbar, de skyclub, het uitzichtplatform, etc. en is zo mogelijk openbaar toegankelijk.
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
35
6.2
Duurzaamheid en groen
De gemeente Den Haag stelt ten aanzien van duurzaamheid en groen in sommige gevallen hogere ambities dan wettelijk is vastgelegd. De publiekrechtelijke instrumenten om dit te verankeren, zijn hiervoor beperkt. Voor afspraken hierover met een initiatiefnemer kunnen privaatrechtelijke middelen worden ingezet, zoals contracten of overeenkomsten. Hoewel de ambities niet als harde voorwaarden zijn of kunnen worden opgelegd, is het bij een tender mogelijk (d.m.v. een scoretabel), dat deze in de planvorming worden meegenomen (zie 2.3). een groene binnentuin als ontmoetingsplek in het hart van het gebouw
integrale verwerking van nestkast in de gevel
door toepassing van een goed gedimensioneerde grondlaag is het mogelijk een ware tuin te realiseren op niveau
36
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
eindbeeld van integratie van beplanting in de constructie
ook sociale functies kunnen worden geïntegreerd in het ontwerp van een daktuin; hier is een speelplek gerealiseerd
energietransitie, PBL
6.2.1
Duurzaam gebouw en gebied
Er bestaan verschillende methodieken waarmee de duurzaamheid van gebouwen kan worden gemeten en beoordeeld, zoals BREEAM òf GPR, of vergelijkbare prestatieinstrumenten. Initiatiefnemers hebben de vrijheid om te kiezen voor een bepaald prestatie-instrument en een geschikte mix van maatregelen op gebieds- en/of gebouwniveau. Ten aanzien van energie is het realiseren van de ambities op blok- of gebiedsniveau soms realistischer en qua kosten effectiever dan op gebouwniveau. Bovenop het wettelijk minimum, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit en andere wet- en regelgeving, heeft de gemeente Den Haag de volgende ambities, die voortkomen uit de opgaven, zoals geformuleerd in paragraaf 3.5.: Ambities: • op gebouw- en gebiedsniveau geldt BREEAM-NL minimaal 4 sterren (excellent); • GPR Gebouw van minimaal 8 voor de thema’s: milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde; voor energie geldt een score van 9; • gasloos bouwen; • overmaat in de plint en stedelijke laag; toepassen van een verdiepingshoogte waarin meerdere functies (zoals woningen en kantoren) kunnen worden opgevangen; • flexibiliteit in functies in ieder geval in de stedelijke laag;
•
rekening houden met veranderingen, aanpassingen, onderhoud en vervanging van verschillende bouwonderdelen.
Zodra wet- en regelgeving dat toelaten, gaan de genoemde ambities (op de dag van inwerkingtreding van de aangepaste wet- en regelgeving) in het kader van deze nota fungeren als regels. • 6.2.2
Groen- en natuurinclusief gebouw en gebied
Om de ontwikkelaar keuzemogelijkheden te geven bij de toepassing van de diverse groen- en natuurinclusieve maatgelen, worden een instrument en puntensysteem ontworpen, waaruit de ontwikkelaar zelf een set van maatregelen kan samenstellen. Een aantal maatregelen zal verplicht worden gesteld en worden meegenomen bij nieuwe hoogbouwontwikkelingen. Verder zal er een specifieke aanpak voor groene Haagse hoogbouw worden ontwikkeld. Deze aanpak moet resulteren in een hoogwaardige groenkwaliteit (rekening houdend met standplaatsfactoren en een minimale grondlaag), die bijdraagt aan biodiversiteit, klimaatadaptatie, gezondheid en het voorkomen van hittestress (zie hoofdstuk 8). Vooralsnog resulteren de opgaven zoals geformuleerd in paragraaf 3.5 in de volgende regels en ambities: Regels: • minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit; • toepassing van maatregelen op basis van een puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen (in ontwikkeling), zodra deze is vastgesteld. Ambities: • toepassing van horizontaal groen zoals daktuinen, groene platforms, tweede maaivelden en groene
• •
•
•
•
balkons. Dit zijn intensieve groene daken/vlakken, die zoveel mogelijk in het zicht vanaf de straat en waarneembaar zijn vanuit het gebouw. Een intensief groen dak is multifunctioneel en voorziet in functies als: (esthetische) beleving, biodiversiteit, waterberging, isolatie en gebruiksvormen als tuinieren en spelen (zie voor meer informatie http://greentop-greenroofs.com/nl/ groendaken/); toepassing van verticaal groen, zoals groene gevels en groene verticale schermen; toepassing van groen in de gebouwen, zoals een atrium als groene kas; toepassing van groen in de buitenruimte, zowel in de nabijgelegen publieke ruimte (wijkparken) als in de semipublieke ruimte (binnentuinen), waarbij het publieksgroen en het privaatgroen zoveel mogelijk met elkaar worden verbonden; bij het realiseren van groen of water wordt een ecologische inrichting toegepast, die zoveel mogelijk aansluit op bestaande ecologische verbindingszones (zie ook 6.2.4); bij hoogbouw die grenst aan stadsgroen (parken, lanen e.d.) wordt het gebouwgebonden groen georiënteerd op dit stadsgroen waardoor synergie ontstaat.
Het groen sluit zoveel mogelijk aan op bestaande ecologische structuren en zones in de stad en biedt ruimte aan lokaal relevante flora en fauna; om het beheer en onderhoud van het privaatgroen ook op de langere termijn te borgen, kan gedacht worden aan het oprichten van een beheercollectief (via VvE), het aanstellen van een groenmanager, of het opnemen van een zogeheten kettingbeding in contracten of overeenkomsten.
Aanvullende maatregelen voor specifieke diersoorten, relevant in het hoogbouwmilieu: • realiseren van massaverblijfplaatsen (kraam en winter) voor gebouwbewonende vleermuizen, indien onvoldoende aanwezig in de omgeving;
•
• • •
het inpassen van neststenen/-kasten in clusters van vijf per gebouw voor gierzwaluw en realisatie van broedmogelijkheden voor zwarte roodstaart; plaatsen van een nestkast voor slechtvalk, indien onvoldoende aanwezig in de omgeving; aanleg van insectenhotel (samen met de buurt) op locaties in wijk- en buurtgroen; rekening houden met verblijfplaatsen van met name vleermuizen bij eventueel aanlichten van gebouwen.
6.2.3
Buitenruimte
Het openbare gebied is een volwaardig en integraal ontworpen ruimte met kwaliteit, karakter en betekenis. De hoogte en massa van hoogbouw, de uitvoering van de gevel en de gelaagdheid van bouwmassa’s heeft invloed op de kwaliteit van deze openbare ruimte en de beleving vanaf de straat. Een hogere dichtheid als gevolg van hoogbouw heeft een intensiever gebruik van de openbare ruimte tot gevolg. De opgaven, zoals geformuleerd in paragraaf 3.5 resulteren in de volgende regels en ambities: Regels: • de vormgeving, uitvoering en het beheer van de buitenruimte moet duurzaam en kwalitatief hoogwaardig zijn en aan de voorkant integraal worden meegenomen in het ontwikkelproces; • in het ontwerp van de bebouwing moeten de effecten op de buitenruimte als gevolg van zon, schaduw, windhinder, geluid en luchtkwaliteit worden meegenomen (zie 6.3); • om de buitenruimte zo min mogelijk te belasten, worden geen utilitaire functies voor afval en stalling in de openbare ruimte toegestaan. Deze moeten worden ingepast binnen de architectuur van het gebouw (zie 6.5); • realiseren van meer ´publiek interieur´, semi-publieke ruimtes zoals atriums, waarbij de buitenruimte doorloopt tot in het gebouw.
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
37
voorbeeld van een intensief groen dak met ruimte voor waterberging
38
hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte ter ondersteuning aan de plintfunctie en beleving op straat “Pancras PLaza” Kings Cross - London
daktuin met waterberging
bloemen-, groenten- en kruidentuin op het dak. Dakakker Rotterdam
gehele dakoppervlak benut als waterberging. Walterboscomplex Apeldoorn
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte ter ondersteuning aan de plintfunctie en beleving op straat
Ambities: • met het ontwerp van de buitenruimte moeten maatregelen ter mitigatie van klimaateffecten, zoals wateroverlast en hittestress, zoveel mogelijk geïntegreerd worden (zie 6.2.4 en 6.3); • de buitenruimte draagt bij aan de interactie in het gebied door ontmoeten en verblijven te faciliteren, met voldoende toegang tot groen; barrières zoals hoogteverschillen, slagbomen, paaltjes of andere obstakels op straat moeten worden vermeden; • de vormgeving van de buitenruimte moet worden aangepast aan de gebruikers. Denk aan zit- en rustplekken (voor senioren), speelplekken voor kinderen met ouders, ontmoetingsruimtes, beweeg- en fitness-mogelijkheden; • inpassing van hoogbouw vraagt om aandacht voor de ondergrond door een geconcentreerde vraag naar energie en water. Het goed inpassen van kabels, leidingen, afvalcontainers of parkeerplaatsen heeft consequenties voor de buitenruimte, maar mag geen negatieve effecten hebben op de inrichting daarvan; • de openbare ruimte biedt veilige fiets- en voetgangersroutes en verbindingen met de stad. 6.2.4
Klimaatbestendige gebouwen en buitenruimte
Bij nieuwe (hoogbouw)ontwikkelingen in gebieden waar bebouwing met een hoge dichtheid wordt gerealiseerd, is het noodzakelijk om rekening te houden met de klimaatbestendigheid van de ontwikkeling, zowel op gebouw als op gebiedsniveau. De opgaven, zoals geformuleerd in paragraaf 3.5 resulteren in de volgende regels en ambities: Regels: • nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten waterneutraal worden aangelegd, zodat negatieve effecten op de waterhuishouding worden voorkomen of gecompenseerd. Dit is het zogeheten standstill
beginsel. Kansen om het watersysteem te verbeteren worden zo mogelijk benut. (Toekomstbestendig Haags water! Visie op het voorkomen van wateroverlast 20152020 (RIS 280009). Ambities: • zorg voor het vasthouden van regenwater op eigen terrein en de directe omgeving. Bijvoorbeeld door het toepassen van (intensieve) groene daken, groenblauwe daken, hergebruik regenwater voor toiletspoeling, groene gevels. • een duurzame inrichting van de buitenruimte draagt bij aan de klimaatbestendigheid van het gebied en de stad. Denk aan infiltratie van regenwater in groenvoorzieningen (wadi’s e.d.), waterdoorlatende verharding, grindkoffers; • voorkom schade bij extreme neerslag door waterrobuust te ontwerpen. Bijvoorbeeld door het toepassen van drempels, verhoogde vloerpeilen en het vermijden van vitale functies in kelders (archieven, noodgeneratoren). Denk ook aan verdiepte plekken in de buitenruimte waar water tijdelijk geborgen kan worden (bijvoorbeeld een plein of verlaagd aangelegd groen); • houd rekening met extreme hitte (hitte-eiland) en microklimaat effecten en tref hier maatregelen voor. Denk aan het toevoegen van groen, volwassen bomen (wijk/straat), aanleg groene daken en gevels (pand/ perceel), positionering gebouwen, materiaal kleur en slimme zonwering (gebouw).
6.3
Microklimaat: zon, schaduw en wind
Onderdeel van de toetsing voor stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen zijn de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning gehanteerd (RIS 170509), gebaseerd op NEN-normen 8100. Deze gelden ook voor nieuwe hoogbouwontwikkelingen.
Onderdeel van de afweging is, dat er ook voorwaarden (financieel en materieel) kunnen worden opgelegd aan de initiatiefnemer om maatregelen te nemen in de vormgeving van het project en/of in de publieke buitenruimtes met het oog op de reductie van windhinder. Overeenkomstig de nieuwe Wet ruimtelijke ordening kunnen deze eisen worden vastgelegd in een grondexploitatieplan of in een overeenkomst met de initiatiefnemer. De gemeente heeft als taak om al deze aspecten op een evenwichtige wijze tot gelding te laten komen. Het spreekt voor zich dat de aspecten veiligheid/gevaar, wind en bezonning harde punten zijn. Indien hiervan toch wordt afgeweken dan moeten daarvoor zwaarwegende redenen zijn. Afwijking van die normen is in concrete gevallen mogelijk als de totale belangenafweging daartoe aanleiding geeft. Sunspots Hoogbouw heeft invloed op de omgeving en op het microklimaat ter plekke. De massa en hoogte hebben invloed op de kwaliteit en het gebruik van de buitenruimte als het gaat om bezonning, schaduwwerking en windhinder. Van belang is de bezonning en de bijdrage van het volume van de hoogbouw aan de schaduwwerking. Dit kan per plek anders zijn. In gebieden met bijvoorbeeld woningen, winkels en ontmoetingsplekken ligt het onttrekken van zonlicht door het nieuwe volume gevoeliger dan in gebieden met wegen, bedrijvigheid of vergelijkbare functies.
Om de kwaliteit en het gebruik van de buitenruimte te waarborgen, worden - in vervolg op deze nota - de ontmoetings- en verblijfsplekken in kaart gebracht, die intensief gebruikt worden en waar het aantal zonuren en het moment van de dag belangrijk zijn. Dit zijn zogeheten sunspots. Een dergelijk onderzoek kan voor nieuwe hoogbouwontwikkelingen op bepaalde plekken resulteren in extra eisen aan hoogte, massa en vorm. De markt wordt uitgedaagd om met slimme, innovatieve gebouw- en gevelontwerpen te komen, die hinder beperken en de kwaliteit van de omgeving verhogen.
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
39
40
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
Haagse hoogbouw: wonen in het centrum met uitzicht op zee
Regels: • De plannen moeten voldoen aan de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning (RIS 170509), gebaseerd op NEN-norm 8100. • De initiatiefnemer bij hoogbouwplannen moet bij het voorlopig ontwerp of eerder onderzoek (laten) doen naar windhinder en bezonning, zodat op massaniveau nog aanpassingen kunnen worden gedaan. De gemeente toetst dit onderzoek op basis van bovenstaande randvoorwaarden.
6.4
•
•
•
Wonen
Den Haag wil een sociaal-inclusieve stad zijn, zonder te grote sociaal-economische verschillen. De aanwezigheid en spreiding van voldoende geschikte en betaalbare woningen in de stad, ook voor minder financieel draagkrachtige bewoners is daarin een belangrijke opgave. Een aantal regels en ambities die van toepassing zijn voor wonen, staan in sommige gevallen ook al elders genoemd en worden daarom hier niet herhaald (wonen in de plint, stallingen en bergingen, afval). Voor het overige resulteren de opgaven uit paragraaf 3.3 in de volgende regels en ambities. Regels: • er wordt gestreefd naar gemengde complexen, met een mix van sociale huurwoningen, vrije markt en woningen in het middensegment, met een gemeenschappelijke entree, trap en lift. De woningen hebben een eigen identiteit, afhankelijk van de doelgroep; • er is keuzevrijheid in de afwerking, een vrije indeling van de plattegrond, mogelijkheid tot splitsen/samenvoegen van woningen, een hogere verdiepingshoogte, het uitwisselen van verschillende functies; • een complex van meer dan 60 woningen dient minimaal te bestaan uit twee verschillende woningtypes/ -groottes, waarbij geen enkel woningtype meer dan
6.5
60% van het totaal aantal woningen binnen de totale
kan door middel van een omgevingsvergunning worden
ontwikkeling beslaat; gedifferentieerde woningbouw: uitgangspunt is meerdere woningtypes/ -groottes, geschikt voor verschillende doelgroepen; gestreefd wordt naar een optimale functiemenging, zowel in gebouw als in functie. Een voorbeeld is een combinatie van wonen en werken; afhankelijk van de doelgroep, wordt gestreefd naar het realiseren van collectieve full service concepten/ voorzieningen, zoals kinderopvang, wasserettes, restaurants, sportfaciliteiten, mobiliteitservices, deelgebruik auto’s. Maar ook collectieve (groene) buitenruimtes, gericht op ontmoeten, sport en spel.
aangevraagd.
Bergingen en afval
Hoogbouw is intensief bouwen en leidt dus automatisch tot veel bergingen, logistiek en expeditie. Een zorgvuldige inpassing van deze functies verdient bij hoogbouw extra aandacht, zodat er zo min mogelijk onaantrekkelijke gevels ontstaan. Afvalinzameling vindt daarom ondergronds of inpandig plaats en is zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken. De schaal van hoogbouw maakt het mogelijk om duurzame oplossingen te realiseren zoals circulaire afvalverwerking en afvalscheiding. Het Bouwbesluit eist een individuele buitenberging van 5m². Bij hoge woongebouwen is het realiseren van dergelijke buitenbergingen qua bruikbaarheid en bereikbaarheid praktisch gezien niet goed uitvoerbaar en daarom niet gewenst. Een goed bereikbare, overzichtelijke gemeenschappelijke voorziening voor (bak)fietsen en scootmobielen verdient daarom bij hoogbouw de voorkeur boven een complex van individuele bergingen met een uitgebreid gangenstelsel. Dit komt bovendien de sociale veiligheid ten goede. Dit kan eventueel in combinatie met bergingen in de woning (mogelijk op de verdieping). Op die manier wordt een gelijkwaardige (of betere) oplossing geboden. Ontheffing van het Bouwbesluit
Regels: • bergingen, afvalinzameling en expeditie en de daarbij behorende logistiek dienen zorgvuldig te worden ingepast, zodanig dat niet ten koste gaat van de kwaliteit van de eyeline; • op basis van gelijkwaardigheid worden bij voorkeur gemeenschappelijke voorzieningen gerealiseerd voor (bak)fietsen, scootmobielen e.d., eventueel in combinatie met individuele bergingen in de woning; • afvalinzameling vindt ondergronds of inpandig plaats en is zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken; • duurzame oplossingen realiseren zoals circulaire afvalverwerking en afvalscheiding.
6.6
Parkeren
Ruimtelijke inpassing De beschikbare grond bij hoogbouw wordt intensief bebouwd en daardoor zal er regelmatig op maaiveld niet genoeg parkeerruimte mogelijk of gewenst zijn. In combinatie met de wens maximale interactie te hebben tussen gebouw en de straat in de onderste lagen van het gebouw, is het niet gewenst deze te bestemmen voor parkeren. Parkeren vindt bij voorkeur ondergronds of in het talud plaats. Parkeren moet geen visuele hinder opleveren vanaf de straat Daarbij moet wel opgemerkt worden dat ondergrondse parkeergarages relatief duur zijn en zo efficiënt mogelijk moeten worden ingezet. Het bouwen van een overmaat aan parkeergarages kan namelijk leiden tot het onnodig aantrekken van extra autobezit en autogebruik. Aan de andere kant: het realiseren van te weinig parkeerruimte kan leiden tot extra parkeerproblemen op straat en aantasting van de kwaliteit en bruikbaarheid van de openbare ruimte.
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
41
Parkeernormen Uitgangspunt voor het bepalen van de auto parkeereisen is de Nota Parkeernormen (vastgesteld door de gemeenteraad op 10 november 2011, RIS 181571) Dit beleid is in 2015 aangevuld en op onderdelen gewijzigd (7 oktober 2016, RIS 291425). In dat beleid is rekening gehouden met verschillen in ‘stedelijkheid’. Er wordt voor wonen een onderscheid gemaakt naar ‘centrum’, ‘stad’ en ‘rand’. Het autobezit blijkt namelijk lager te zijn naarmate de stedelijkheid toeneemt. Binnenstadbewoners hebben een lager autobezit dan inwoners aan de rand van de stad. Op basis van de Nota Parkeernormen wordt de parkeerbehoefte van een nieuwe ontwikkeling bepaald. Vervolgens wordt, rekening houdend met specifieke omstandigheden, de parkeerbehoefte vertaald in een parkeereis. Die parkeereis kan lager uitvallen dan de parkeernorm om diverse redenen, bijvoorbeeld dat er mogelijkheden zijn om parkeerplaatsen dubbel te gebruiken, omdat er zeer goed openbaar vervoer dichtbij is, omdat de toekomstige gebruikers/bewoners een bijzonder reisgedrag hebben, omdat er gebruik kan worden gemaakt van parkeergarages in de omgeving of door gebruik van deelauto’s. Een goede onderbouwing en sluitende afspraken zijn nodig om ervoor te zorgen dat een lagere parkeernorm niet leidt tot extra parkeerproblemen. Centraal staat het uitgangspunt om geen extra parkeerdruk op straat te veroorzaken.
Parkeren op eigen terrein is daarom het uitgangspunt. Ook de afspraak dat bewoners en gebruikers van nieuwe ontwikkelingen geen aanspraak kunnen maken op een vergunning voor straatparkeren is van cruciaal belang. In gebieden waar geen vergunningparkeren geldt, moet zeer terughoudend worden omgegaan met lagere parkeereisen, omdat daar geen middelen zijn om extra parkeerdruk op straat tegen te gaan.
42
NOTA HAAGSE HOOGBOUW: EYELINE EN SKYLINE
In een aantal pilots wordt onderzocht wat de mogelijkheden en effecten zijn van maatwerkoplossingen waar bij nieuwe ontwikkelingen minder parkeerruimte op eigen terrein wordt aangelegd en tegelijkertijd parkeerproblemen in de omgeving worden voorkomen. Bijvoorbeeld bij de nieuwbouw op het Koningin Julianaplein. Door de nabijheid van station en binnenstad, de beschikbaarheid van extra parkeerruimte in bestaande garages en de zeer beperkte mogelijkheden om op straat te parkeren is het niet nodig om bij deze nieuwbouw eigen parkeerruimte aan te leggen. Verder wordt geëxperimenteerd met minder parkeerruimte in combinatie met vastgelegde afspraken over deelauto’s en minder parkeerruimte op centraal gelegen locaties met een uitstekende bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Fietsparkeren Wanneer wordt ingezet op minder autogebruik, dan wordt ook de rol van de fiets van meer belang. Gezien de Haagse doelstellingen zoeken we naar vernieuwende fietsparkeerconcepten die passen bij de doelgroep. Dat betekent een extra kwaliteit waarbij op fietsinnovaties wordt ingespeeld (e-bike, bakfietsen, oversized fietsen, fietsen voor mensen met een beperking, scootmobiels, rollators e.d.). Het realiseren van inpandige fietsenbergingen bij woningen is verplicht in het Bouwbesluit. Voor niet-woonfuncties hanteert de gemeente fietsparkeernormen.
Een belangrijk aandachtspunt bij hoogbouw is dat de stallingsruimte makkelijk toegankelijk en bruikbaar is. Een apart punt zijn de voorzieningen voor fietsende bezoekers. Vervolgstudies De toekomst van parkeren is dynamisch en nog redelijk onbekend. Hierdoor is er onzekerheid over de waardevastheid van (ondergrondse) parkeervoorzieningen. Onderzoek, experiment, prijsvragen en marktconsultaties kunnen bijdragen aan het meer waardevast ontwikkelen van parkeervoorzieningen. De markt wordt uitgedaagd om
met innovatieve, robuuste parkeerconcepten te komen. Bijvoorbeeld door parkeren flexibel in te vullen waardoor veranderd gebruik mogelijk is en parkeergarages in de toekomst verschillende functies kunnen bevatten, zoals bergingen, sportfaciliteiten, kantoren, woningen, etc. en door het ontwikkelen van tijdelijke flexibele (collectieve en/of publieke) voorzieningen. Tevens zullen in een vervolgstudie gebiedsgerichte uitwerkingen komen voor parkeren, ten aanzien van ruimtelijke inpassing en de parkeernormen. Regels: • centraal staat het uitgangspunt om het parkeren op te lossen op eigen terrein en extra parkeerdruk op straat te voorkomen; • parkeren moet geen visuele hinder opleveren vanaf de straat door dichte gevels of uitzicht op de geparkeerde auto’s. De voorkeur gaat daarom uit naar ondergronds parkeren of parkeren in taluds e.d.; • bij het vormgeven van parkeeroplossingen moet rekening worden gehouden met veilige in- en uitritten en voldoende ruimte voor veilig laden en lossen. De entrees moeten binnen het gebouw worden opgelost en mogen niet domineren; • uitgangspunt voor de auto is de nota Parkeernormen Den Haag, daarin wordt rekening gehouden met een lagere parkeernorm voor meer centrale stadsdelen.