RIS308041 Bijlage 1
Tekst van het document
4.4
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. De geluidsgevoelige gebouwen, naast woningen zijn: een onderwijsgebouw; een ziekenhuis; een verpleeghuis; een verzorgingstehuis; een psychiatrische inrichting; Daarbij is niet elke ruimte geluidsgevoelig. Voor onderwijsgebouwen gaat het bijvoorbeeld alleen om les- en theorielokalen. Als geluidsgevoelig terrein worden aangewezen: een woonwagenstandplaats; een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen. De Wet geluidhinder onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer. Wegverkeers- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan of uitwerkingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet indien op het tijdstip van de
26
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
vaststelling van een bestemmingsplan/uitwerkingsplan de (spoor)weg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen geluidsgevoelige gebouwen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn. Daarnaast maakt de wet een uitzondering voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 km/uur is. Deze wegen hoeven in het kader van de Wet Geluidhinder niet in het onderzoek te worden betrokken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden deze echter wel betrokken in akoestische onderzoeken. 4.4.1 Wettelijk kader In het Besluit geluidhinder zijn geluidhindernormen voor toelaatbare equivalente geluidniveaus opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in buitennormen (geluidbelasting op de gevel) en binnennormen (binnenwaarde). De geluidhindernormen gelden voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidzone van een (spoor)weg. Een geluidzone is een aandachtsgebied aan weerszijden van een (spoor)weg en rondom een industrieterrein waarbinnen de geluidhindernormen van de Wet geluidhinder van toepassing zijn.
Beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder Het college van de gemeente Den Haag heeft ten behoeve van het vaststellen van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden een flankerend beleid, vastgelegd in ‘Beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder, definitief, februari 2010’ vastgesteld. Hierin zijn samengevat de volgende uitgangspunten geformuleerd die van belang zijn voor onderhavig project en uitwerkingsplan:
Hoofddoelstelling van het geluidbeleid is het zoveel mogelijk beperken en verminderen van het aantal (ernstig) geluidgehinderden. Het uitgangspunt van de Wgh is dat de verlening van een ontheffing hogere grenswaarde geen regel maar uitzondering is. Daarbij moet wel worden aangetekend dat het in een stad als Den Haag regelmatig niet mogelijk of doelmatig zal blijken geluidsreducerende maatregelen door te voeren tot de voorkeursgrenswaarde en zal regelmatig gebruik moeten worden gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid die de wet biedt; Wanneer een hogere grenswaarde noodzakelijk is, dan wordt deze niet hoger vastgesteld dan voor de betreffende situatie nodig is; Bronmaatregelen hebben de voorkeur boven overdrachtsmaatregelen; Ontheffingsbesluiten worden altijd bij een (in dit geval uitwerkingsplan) gevoegd zodat duidelijk is met welke randvoorwaarde de verdere uitwerking van een plan rekening moet worden gehouden; Een hogere grenswaarde kan wettelijk alleen worden verleend als de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting. In het Actieplan Omgevingslawaai (2009) heeft het College een zogenaamde plandrempel van 68 dB vastgelegd. Overschrijding van deze plandrempel wordt door het College in bestaande situaties ongewenst geacht en is aanleiding tot het treffen van maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen.
Om te voorkomen dat in de toekomst nieuwe overschrijdingen van de drempelwaarde ontstaan (en dus saneringssituaties ontstaan waar achteraf maatregelen moeten worden getroffen), werkt de plandrempel ook door in het hogere grenswaardenbeleid. Een directe doorwerking van de plandrempel van 68 dB als maximaal aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting leidt voor bouw- en ruimtelijke plannen in hoogbelaste gebieden echter tot ongewenste knelpunten en een blokkade voor deze plannen. Om tegemoet te komen aan plannen in hoogbelaste gebieden wordt de maximaal aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting gesteld op 69,5 dB.
4.4.2 Akoestisch onderzoek Binnen het plangebied wordt de bouw van maximaal 385 woningen mogelijk gemaakt. Daarom is door Antea Group een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport voor zowel het uitwerkingsplan als het stedenbouwkundig plan zijn toegevoegd als bijlage 6 en 7 . Uit het onderzoek blijkt: Resultaten
27
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Voor de onderbouwing van het uitwerkingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (akoestisch onderzoek Erasmusveld Midden, opgesteld door Antea Group, datum 30 oktober 2020, rev02). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden op de bouwvlakken vanwege de Leyweg, de Noordweg en de Laan van Wateringse Veld. Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde kan het college van burgemeester en wethouders een hogere grenswaarden vaststellen, waarbij voldaan dient te worden aan het ‘Beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder’ van de gemeente Den Haag en aan de planregels die worden opgenomen in het uitwerkingsplan. Aan de hand van deze beleidsregels is beoordeeld of het laatste stedenbouwkundig plan beschikt over een goed woon- en leefklimaat en daarmee inpasbaar is. Aan de hand van de berekeningen op het stedenbouwkundig plan kan het volgende geconcludeerd worden:
De berekende geluidbelasting past binnen de kaders van de Wet geluidhinder en de voorgenomen vast te stellen hogere grenswaarden. De gecumuleerde geluidbelasting overschrijdt nergens de maximaal aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting van 69,5 dB uit het gemeentelijk geluidbeleid. Er wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in het gemeentelijk geluidbeleid met betrekking tot het afgeven van hogere grenswaarden. Zo beschikt het appartementsgebouw binnen bouwvlak W2 en de grondgebonden woningen binnen bouwvlak WG allen over een geluidluwe gevel. De geluidbelasting op een geluidluwe gevel mag cumulatief niet hoger zijn dan 53 dB (inclusief 5 dB aftrek) voor wegverkeer. De appartementen binnen het gebouw W3 betreffen eenzijdig georiënteerde woningen. Hiervan beschikt minimaal 50% over een geluidluwe zijde. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Er wordt voldaan aan de voorgenomen planregels die worden opgenomen binnen het uitwerkingsplan. Bij de woningen dient een relatief stille buitenruimte te zijn gewaarborgd. Dit betreft een individuele of gemeenschappelijke ruimte waar de gecumuleerde geluidbelasting door zoneringsplichtige bronnen niet hoger is dan 53 dB Lden. Het appartementsgebouw binnen bouwvlak W2 en W3 beschikken over een stille gemeenschappelijke buitenruimte.
Tevens beschikken alle grondgebonden woningen over een individuele buitenruimte. Hiermee wordt voldaan aan de voorgenomen planregels.
Er kan geconcludeerd worden dat het stedenbouwkundig plan binnen de bouwvlak W2, W3 en WG volledig uitvoerbaar en inpasbaar zijn. Hogere grenswaarden Bij het vaststellen van hogere waarden dient te worden voldaan aan het ontheffingenbeleid van de gemeente Den Haag. De voornaamste ontheffingsgrond voor het verkrijgen van een hogere grenswaarde voor een woning is het hebben van een geluidluwe gevel. In Den Haag mag de geluidbelasting van de geluidluwe gevel voor elk van de geluidsbronnen of, indien er sprake is van meerdere geluidsbronnen, cumulatief niet hoger zijn dan 53 dB voor wegverkeer. Aangezien het een cumulatieve geluidbelasting betreft voor wegverkeer, is de geluidbelasting per bron (weg en spoorweg vallend onder de definitie weg Wgh) altijd na aftrek ex art. 110 g Wgh. Uit de rekenresultaten en geluidcontouren blijkt dat bij de bouwvlakken in de bestemmingen, Wonen 2, Wonen - 3 en de bestemming Woongebied het realiseren van een geluidluwe gevel mogelijk is. Daarnaast dienen de volgende hogere waarden te worden vastgesteld. Bouwvlak
Hogere grenswaarden [dB] Bouwvlak WG (oostzijde) 54 Bouwvlak W3 (zuidzijde) 58 Bouwvlak WG (zuidzijde) 51 Bouwvlak W2 (westzijde) 49
Aantal woningen
Geluidbron
48 81 14 13
Leyweg Noordweg Noordweg Laan van Wateringse Veld
Deze hogere waarden worden via een apart besluit door het college vastgesteld. De ontwerpbeschikking heeft tot en met 19 januari 2021 ter inzage gelegen (zaaknummer 00596527).
28
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
4.5
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en ruimtelijke plannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende mate' van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.
De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Binnen het uitwerkingsplan 'Erasmusveld Midden' worden maximaal 385 woningen mogelijk gemaakt. Daarmee is sprake van een project dat 'niet in betekenende mate' van invloed is op de luchtkwaliteit. Op grond van deze overweging kan reeds zonder detailonderzoek worden vastgesteld dat het uitwerkingsplan voldoet aan de Wet milieubeheer.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies, zoals woningen worden hinder en gevaar voorkomen. Door Antea Group is in beeld gebracht hoe de milieuzonering van relevante omliggende functies zich verhouden tot het plangebied (zie bijlage 8). Daarna is door Antea Group nader onderzoek uitgevoerd naar de sportvelden en het aannemersbedrijf aan de Leyweg 1485 op het aspect geluid. 4.6.1 Onderzoek aannemersbedrijf Leyweg 1485 Met dit uitwerkingsplan wordt woningbouw mogelijk gemaakt tussen ten noorden van het aannemersbedrijf. In het kader van het uitwerkingsplan is de geluidbelasting vanwege het naastgelegen aannemersbedrijf op het plangebied Erasmusveld-Midden onderzocht. Voor de bestemmingsvlakken W2, W3 en WG is beoordeeld of ter plaatse sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Door ARDEA acoustics & consult v.o.f. is voor het aannemersbedrijf de notitie "Beoordeling geluid in relatie tot bestaande en nieuwe woningen Erasmusveld W3/W4" met datum van 29 mei 2019 opgesteld. Deze notitie heeft als basis gediend voor de uitgangspunten in de onderzoeken van Antea met projectnummer 0418853.100 definitief rev02 (d.d.
30 oktober 2020) voor het uitwerkingsen stedenbouwkundige plan. De laatstgenoemde onderzoeksrapporten zijn als bijlage 9 en 10 toegevoegd. De uitgangspunten in de notitie zijn in voorliggend onderzoek aangevuld met extra geluidbronnen voor een warmtepomp en personenauto's ter plaatse van het kantoor, een piekbron voor de heftruck op het buitenterrein en een uitblaas van de motafzuiging ter plaatse van de werkplaats. Daarbij is een scherm van 2 meter hoogte bij de entree opgenomen als uitgangspunt in het akoestisch rekenmodel. Tenslotte is het akoestisch rekenmodel aangevuld met de plaatsing van een overkapping aan de bestaande werkplaats.
29
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat als gevolg van de activiteiten ter plaatse van het aannemersbedrijf het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste 47 dB(A), 42 dB(A) en 39 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Tevens wordt er voldaan aan stap 2 uit de VNG publicatie. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat als gevolg van de activiteiten ter plaatse van het aannemersbedrijf het maximaal geluidniveau (LA,max) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste 61 dB(A), 59 dB(A) en 59 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt zowel voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer als aan stap 2 uit de VNG publicatie. Conclusie Als resultaat van dit onderzoek blijkt dat de algehele kwaliteit van de akoestische leefomgeving binnen Erasmusveld Midden voldoende is voor het beoogde gebruik (wonen; met toepassing van voorgenomen planregels (stille buitenruimte)) en wordt gewaarborgd dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat ook het aannemersbedrijf niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Dit alles maakt dat het bouwen van woningen binnen de bestemmingen W2, W3 en WG volledig uitvoerbaar en inpasbaar is.
Voorwaarde daarbij is wel dat de nieuwe woningen op een korte afstand van het aannemersbedrijf pas in gebruik genomen mogen worden als het genoemde scherm bij de entree en de overkapping gerealiseerd zijn. Dit is geregeld met een voorwaardelijke verplichting in de planregels. 4.6.2 Onderzoek sportvelden Met dit uitwerkingsplan wordt woningbouw mogelijk gemaakt tussen de sportvelden van Hockeyvereniging Wateringse Veld aan de oostzijde en Haagse voetbalvereniging S.V.H. aan de westzijde. In het kader van het uitwerkingsplan is de geluidbelasting vanwege omliggende sportvelden op het plangebied onderzocht. Op basis van de bestemmingsvlakken W2, W3 en WG is beoordeeld of ter plaatse sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Activiteitenbesluit milieubeheer - Hockeyclub Uit de berekeningsresultaten blijkt dat als gevolg van de activiteiten ter plaatse van de hockeyclub het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) voor respectievelijk de dag- en avondperiode ten hoogste 56 dB(A) en 36 dB(A) bedraagt. De hoge geluidbelasting wordt in de dagperiode veroorzaakt door de het gebruik van de scheidsrechterfluit tijdens wedstrijden. Hiermee wordt niet voldaan aan de gestelde grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer.Voor het gebruik van de scheidsrechterfluit is in het onderzoek uitgegaan van een worstcase-benadering.
Naar alle waarschijnlijkheid is hierbij sprake van een overschatting van de berekende geluidbelasting. Voor specifiek het gebruik van de scheidsrechterfluit is het mogelijk om maatwerkvoorschrift in het kader van het Activiteitenbesluit vast te stellen, om zo de mogelijke sportactiviteiten niet te beperken. Voor het maximaal geluidniveau blijven bij de toetsing aan het Activiteitenbesluit o.a. sportgerelateerde activiteiten en het komen en gaan van bezoekers buiten beschouwing. Dit betekent dat alle (piek)geluiden vallen onder een van de vier uitsluitingsgronden conform het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Activiteitenbesluit milieubeheer - Voetbalclub
30
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat als gevolg van de activiteiten ter plaatse van de voetbalvereniging het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) voor respectievelijk de dagen avondperiode ten hoogste 52 dB(A) en 45 dB(A) bedraagt. Het betreft hier de geluidbelasting vanwege enkel de toetsingplichtige inrichting gebonden geluidbronnen, exclusief stemgeluid bezoekers/spelers. Hiermee wordt niet voldaan aan de gestelde grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Zoals eerder genoemd is voor het gebruik van de scheidsrechterfluit in het onderzoek uitgegaan van een worstcase-benadering. Naar alle waarschijnlijkheid is hierbij sprake van een overschatting van de berekende geluidbelasting. Voor specifiek het gebruik van de scheidsrechterfluit is het mogelijk om maatwerkvoorschrift in het kader van het Activiteitenbesluit vast te stellen, om zo de mogelijke sportactiviteiten niet te beperken. Voor het maximaal geluidniveau blijven bij de toetsing aan het Activiteitenbesluit o.a. sportgerelateerde activiteiten en het komen en gaan van bezoekers buiten beschouwing. Dit betekent dat, net als bij de hockeyclub, alle (piek)geluiden vallen onder een van de vier uitsluitingsgronden conform het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De geluidgrenswaarde voor het gebruik van de scheidsrechterfluit kan op verzoek van de gemeente ambtshalve onder voorwaarden (borging van het binnenniveau conform Bouwbesluit 2012) worden vastgesteld. Dit betekent dat de sportinrichting, ondanks de hoge geluidbelasting, niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Uit de resultaten van het uitgevoerde geluidonderzoek "Geluidinvloed vanwege omliggende sportvelden op voorgenomen woningen, 0418853.100, Antea Group, 4 december 2020" (zie bijlage 11) en het onderzoek van het stedenbouwkundig plan (bijlage 12) volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vanwege omliggende sportvelden op de te projecteren woningen mogelijk hoger is dan de grenswaarde ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer. Zie hiervoor hoofdstuk 4 in het betreffende rapport. Het is niet zeker dat ook inderdaad sprake is van een te hoog geluidsniveau. Dit komt omdat, op aangeven van de ODH, voor de bijdrage van de scheidsrechterfluit uit is gegaan van worst case uitgangspunten (VDI 3370) die naar verwachting een overschatting geven van het langtijdgemiddelde geluidsniveau. Desalniettemin is het wel te adviseren om de nu vastgestelde langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus met een zogenoemd maatwerkvoorschrift ingevolge het Activiteitenbesluit vast te stellen. Om daarmee te zekeren dat de sportclubs niet worden belemmerd in het functioneren.
Dit kan op grond van artikel 2.20 lid 1 van het Activiteitenbesluit. In de vorm van planvoorschriften wordt gezekerd dat de isolatie van de woningen in het plangebied zodanig zal moeten zijn dat het inpandige LAmax niet meer bedraagt dan 55 dB(A) als etmaalwaarde, ten gevolge van piekgeluiden veroorzaakt door de sportinrichtingen. Uitgaande van in het akoestisch onderzoek (0418853.100, Antea Group, 4 december 2020) vastgestelde hoogste maximale geluidniveau van 84 dB(A) etmaalwaarde komt dit neer op een met geluidisolatie te bereiken reductie van ten hoogste 29 dB(A). Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt een geluidsniveau van ten hoogste 56 dB(A) etmaalwaarde vastgesteld. Dit komt, uitgaande van een binnenniveau van ten hoogste 35 dB(A) etmaalwaarde (op grond van artikel 2.20 lid 2 van het Activiteitenbesluit), neer op een met gevelisolatie te bereiken reductie van ten hoogste 21 dB(A) etmaalwaarde. Met de eisen die bij planvoorschrift voor de geluidisolatie van de beoogde woningen worden gesteld wordt daarom voldoende gezekerd dat wordt voldaan aan de eis van 35 dB(A) voor het langtijdgemiddelde binnenniveau in de woningen. Er is daarmee op grond van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit voldoende basis voor het verlenen van een maatwerkvoorschrift waarmee de geconstateerde langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vanwege de sportclubs worden toegestaan.
Goede ruimtelijke ordening Uit de berekeningsresultaten blijkt dat als gevolg van de activiteiten ter plaatse van de hockeyclub en voetbalvereniging er sprake is van verhoogde geluidniveaus vanwege sport gerelateerde activiteiten, zoals de scheidsrechtersfluit, het stemgeluid van de toeschouwers-/spelers, onderhoudwerkzaamheden en de bal tegen de borders/goal. Deze optredende geluidniveaus zijn te hoog om aan stap 2 en stap 3 van de VNG-Methode te voldoen. Inpassing bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 is mogelijk indien dit grondig wordt onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd.
31
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Omdat de akoestische kwaliteit van de leefomgeving binnen het plangebied door een verscheidenheid aan (deels niet gereguleerde) bronnen wordt beïnvloed, is derhalve nader onderzoek gedaan naar deze akoestische kwaliteit. Dit betreft het onderzoek “Erasmusveld Midden, akoestische ruimtelijke onderbouwing” uitgevoerd door Rho met datum 30 oktober 2020 (bijlage 13), gebaseerd op de soundscape-methodiek. Als resultaat van dit onderzoek blijkt dat de algehele kwaliteit van de akoestische leefomgeving binnen Erasmusveld Midden voldoende is voor het beoogde gebruik (wonen; met toepassing van voorgenomen planregels (stille buitenruimte)). Door het opnemen van nadere planregels kan, ondanks de hogere geluidniveaus, worden gewaarborgd dat sprake is van goede ruimtelijke ordening. Dit alles maakt dat het bouwen van woningen binnen de bestemmingen W2, W3 en WG volledig uitvoerbaar en inpasbaar is.
32
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
4.7
Natuur
4.7.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (bescherming bossen). Voor zowel een vergunning Natura 2000 (voorheen Natuurbeschermingswet), ontheffing soortbescherming (voorheen Flora- en faunawet) als kapmelding (voorheen Boswet) zijn in de meeste gevallen GS van de provincie Zuid-Holland, waarin de activiteit in hoofdzaak wordt uitgevoerd, het bevoegd gezag. Omgevingsdienst Haaglanden is door de provincie Zuid-Holland gemandateerd voor zowel de vergunningverlening Natura 2000 als de ontheffing verlening soortbescherming. 4.7.1.1 Gebiedsbescherming In de Natuurwet is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura 2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland.
In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura 2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (incl. Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (incl. Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (incl. landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. In het bestemmingsplan/uitwerkingsplan dient aangegeven te worden in hoeverre de uitvoering van het plan belemmerd wordt door de verplichtingen vanuit de Natuurbeschermingswet. Stikstofdepositie Mogelijk veroorzaken de bouwwerkzaamheden stikstofdepositie op Natura2000-gebieden in de omgeving. DGMR heeft daarom in opdracht van de OCWV een onderzoek verricht naar de effecten van het project op de natuurgebieden met inachtneming van de nieuwe rekenmethode (AERIUS) die sinds medio oktober 2020 van kracht is. De bijbehorende rapporten zijn opgenomen als bijlage 23 en 24 . Het plan is heeft totale ontwikkelingsduur van 33 maanden. In dit onderzoek zijn de 12 aaneengesloten maanden met de hoogste emissie en depositie als maatgevend genomen voor de ontwikkeling.
Uit de berekening van de 12 maatgevende maanden volgt dat de berekende depositie voldoet aan de afgeronde grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. In de gebruiksfase wordt ook voldaan aan de afgeronde grenswaarde. Nader onderzoek naar stikstofdepositie is niet nodig. 4.7.1.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft de bescherming van planten- en diersoorten uit de Flora- en faunawet overgenomen. De Wet natuurbescherming gaat ervan uit dat zonder uitdrukkelijke toestemming geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Dit betekent dat het gaat om het effect van een handeling op beschermde soorten. De wet kent een drie aparte beschermingsregimes voor: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; 3. 'andere soorten' die vanuit nationaal oogpunt zijn beschermd. Hierbij zijn enkele wijzigingen geweest in welke soorten beschermd zijn. De Wet natuurbescherming legt een zorgplicht op voor alle dieren en planten in Nederland, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de wijze en het tijdstip van uitvoering van bouwplannen waarbij men rekening houdt met het voortplantingsseizoen en met winterverblijfplaatsen en waardoor dieren niet onnodig worden verontrust.
33
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Ook legt de Wet natuurbescherming een beschermingsplicht op voor een groot aantal met name genoemde soorten. De wet bevat verbodsbepalingen voor het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten en het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor de algemene beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling, voor andere soorten die strenger zijn beschermd (vleermuizen, vogels, eekhoorns) kan onder voorwaarden een ontheffing worden aangevraagd. Aqua-Terra Nova BV heeft onderzoek gedaan naar de consequenties voor de realisatie van de woningbouw in het plangebied in relatie tot vigerende natuurwetgeving. Het onderzoek is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van de Wet Natuurbescherming. Deze wetswijziging maakt aanvullend onderzoek echter niet noodzakelijk (zie bijlage 26). In deze paragraaf wordt een samenvatting van de resultaten gegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage 25 bij de toelichting opgenomen. Aanwezigheid beschermde soorten Het aanwezige voormalige volkstuincomplex en het noordelijk gelegen grasveld maken deel uit van het jachtterrein van een buizerd (Buteo buteo), een bosuil (Strix aluco) en een gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus).
Hiernaast heeft het volkstuincomplex een functie als diffuse vliegroute voor de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). Het plangebied wordt in mindere mate gebruikt als foerageergebied door de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii). In het volkstuincomplex zijn 20 verschillende soorten algemene broedvogels aangetroffen in hoge aantallen. De nesten van vogels zijn beschermd tijdens het broeden. Om verstoring van broedvogels te voorkomen wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg van maart tot en met half augustus) uit te voeren. Indien vogelnesten aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest te worden opgesteld. Vanwege de dichte begroeiing van de beplanting en de zeer hoge aantallen broedvogels is het in het volkstuincomplex niet mogelijk om in het broedseizoen middels een controle voorafgaand aan de werkzaamheden de aanwezigheid van nesten uit te sluiten. Het kappen in het broedseizoen wordt ten zeerste afgeraden. Indien werkzaamheden in het voorjaar of zomer noodzakelijk zijn, wordt geadviseerd de beplanting in het najaar en/of winter drastisch terug te snoeien of te verwijderen. Beschermde vissen zijn in het plangebied niet aanwezig.
Jaarrond beschermde vogels Zowel de buizerd als de bosuil zijn algemeen voorkomende broedende vogels in Nederland met een groot verspreidingsgebied. Beide vogels zijn zeer goed in staat nieuwe jachtgronden te vinden bij verstoring van hun jachtgebied aan het Erasmusveld. Negatieve effecten door de herontwikkeling van het Erasmusveld op de buizerd en bosuil worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. Vleermuizen Uit het rapport van Aqua Terra Nova blijkt dat zowel tijdens de bouwfase als in de definitieve fase maatregelen nodig zijn om de vliegroute van de gewone dwergvleermuis te behouden. Deze maatregelen worden geborgd in de inrichtingsplannen voor de openbare ruimte, dan wel in een ecologisch werkprotocol.
4.8
Bodem
Op 1 januari 2006 is de wijziging van de Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Vertrekpunt van de nieuwe Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is voortaan functiegericht. Vroeger moesten alle functies van de bodem worden hersteld maar dit bleek in de praktijk lastig haalbaar. Hoge kosten en langdurige saneringen zorgden van stagnatie. De gewijzigde wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik;
34
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen wordt een stuk flexibeler. Het is niet meer altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 4.8.1 Onderzoek Om te bepalen of de kwaliteit van de bodem past bij de ontwikkelingen die met het uitwerkingsplan mogelijk worden gemaakt, zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd:
'Rapport bodem- en asbestonderzoek Noordweg 74-76 te 's-Gravenhage' (opgesteld door Antea Group, met kenmerk 0413499.00 van 8 mei 2017). 'Actualiserend vooronderzoek Planlocatie Leyhof aan de Leyweg te Den Haag Wateringse Veld' (opgesteld door Buro S/L, met kenmerk 2017072/RAP02 van 16 november 2017. 'Actualiserend vooronderzoek Planlocatie Steynhof aan het Anne Frankpark te Den Haag' (opgesteld door Buro S/L B.V., met kenmerk 2017071/RAP02 van 16 november 2017). 'Actualiserend en nader milieukundig (water en asbest) bodem en verhardingsonderzoek Noordweg 76 te Den Haag' (opgesteld door VanderHelm Milieubeheer B.V., met kenmerk WADE 151075 van 16 september 2015). 'Verkennend bodemonderzoek Leyhof te Den Haag' (opgesteld door buro S/L, met kenmerk 2018002/RAP02 van 27 februari 2018).
Daarnaast zijn er twee saneringen uitgevoerd, namelijk een asbestsanering ter plaatse van de toegangsweg en het parkeerterrein van de volkstuinen aan de Noordweg 76, en een sanering van een zinkverontreiniging. Deze saneringen zijn vastgelegd in de volgende rapportages: 'Saneringsverslag asbestwegen Noordweg 76 te Den Haag' (opgesteld door Antea Group, met kenmerk 0413499.00 van 3 mei 2018); 'Evaluatie BUS sanering, categorie immobiel', d.d. 17 mei 2018. Met beide saneringsverslagen is door het bevoegd gezag ingestemd.
Door uitgevoerde bodemonderzoeken en saneringen is de bodemkwaliteit voor het grootste deel van het plangebied in voldoende mate in beeld. Binnen het onderzochte en/of gesaneerde deel is geen sprake (meer) van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hiervan is sprake bij een gemiddelde overschrijding van de interventiewaarde in meer dan 25 m3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater (bodemvolume)) of bij overschrijding van de interventiewaarde (100 mg/kg.ds) voor asbest in de grond. Binnen het resterende deel van het plangebied (Anne Frankpark) is geen actualiserend bodemonderzoek verricht, omdat dit gebied onverdacht is op basis van het vooronderzoek. Binnen dit deel van het plangebied is vrij grondverzet mogelijk op basis de Bodembeheernota van de gemeente. In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning dient hier bodemonderzoek te worden verricht conform NEN-5740 en moet er eventueel gesaneerd worden. Indien er een vermoeden is van het voorkomen van asbest in de bodem dient deze eveneens op asbest te worden onderzocht conform NEN 5707. De binnen het onderzochte deel van het plangebied gelegen verhardings- en/of bodemvreemde lagen zijn over het algemeen niet sterk verontreinigd, behoudens die ter plaatse van een deel (ruimtelijke eenheid RE8). De asfaltverharding is niet teerhoudend.
De volledige onderzoeksrapporten en saneringsverslagen zijn opgenomen in bijlagen 27 tot en met 33.
35
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
4.8.2 Overig Op en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen (voormalige) bedrijven met bodembedreigende activiteiten bekend. Tevens zijn er geen ondergrondse tanks bekend. Het plangebied ligt niet in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente blijkt dat de bovengrond (van 0,0 tot 0,5 m-maaiveld) van het plangebied ligt in zone B5. Hier is de bovengrond gemiddeld licht verontreinigd met kwik en matig met PCB. De ondergrond (van 0,5 tot 2,0 m-maaiveld is geheel gelegen in zone O2 en is gemiddeld licht verontreinigd met PCB. Aan de Erasmusweg 852 ligt een reinwaterberging van 15.000 kubieke meter. Deze is in 1974 omgebouwd van gashouder naar waterberging. Het gaat hier om niet verwarmd drinkwater, waarvan tweederde is ingegraven. Deze berging wordt zelden in zijn totale capaciteit gebruikt. De berging wordt gebruikt om piekvragen op te vangen en het heeft een overstort. Dit wordt in de omliggende sloot opgevangen waar maatregelen voor genomen zijn.
4.9
Archeologie
4.9.1 Algemeen Gemeenten hebben de taak om bij de vaststelling van ruimtelijke plannen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden (overgangsrecht Erfgoedwet). Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK) opgesteld. In de Beleidsnota Archeologie 2011-2020 'In het verleden ligt het heden' (RIS 180680) geeft de gemeente aan hoe zij zorg wil dragen voor de archeologische sporen en resten in de Haagse ondergrond. Op de gemeentedekkende AWVK komen drie eenheden voor waaraan de gemeente beleid heeft gekoppeld: 1. Terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: waarvan is vastgesteld dat er zich belangrijke archeologische sporen en resten bevinden. In het kader van de archeologische monumentenzorg stelt de gemeente hier voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten dieper dan 50 cm onder maaiveld; 2. Gebieden waar archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht (op basis van de bodemopbouw en/of historische kaarten). Bij activiteiten met een bodemverstoring groter dan 50 m² en dieper dan 50 cm onder maaiveld stelt de gemeente hier voorwaarden voor onderzoek en bescherming van mogelijk aanwezige sporen en resten. 3. Gebieden waar geen archeologische sporen/resten (meer) worden verwacht.
Hier verbindt de gemeente op het gebied van de archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten. Van initiatiefnemers van activiteiten met bodemverstoringen in zones met een archeologische verwachting wordt in het kader van vergunningverlening gevraagd om de archeologische waarde van het terrein dat door de bodemingreep verstoord wordt in voldoende mate vast te stellen. In gebieden waarvan de archeologische waarde al is vastgesteld wordt ook gekeken naar de mate van bedreiging van de archeologische waarden door het bouwplan. Als blijkt dat er sprake is van een bedreiging van behoudenswaardige archeologische resten, kunnen aan de uitvoering van de geplande bodemingreep voorwaarden worden verbonden, zoals:
technische aanpassingen zodat archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; het laten verrichten van een opgraving teneinde behoudenswaardige resten die verstoord zullen worden, te documenteren en veilig te stellen; of de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, archeologisch te laten begeleiden.
In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van kracht (art. 5.10 en 5.11 Erfgoedwet 2016). Dit houdt in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft. Dit moet gemeld worden bij het bevoegd gezag. De meldingsplicht leidt niet tot een bepaling in het uitwerkingsplan. De afdeling Archeologie van de Dienst Stadsbeheer verricht namens het bevoegd gezag de taken en
36
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
besluitvorming inzake de archeologische monumentenzorg. De kosten van vooronderzoek en indien noodzakelijk opgraving of begeleiding zijn voor de initiatiefnemer. Alle archeologische werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een erkende, gecertificeerde archeologische partij. 4.9.2 De archeologie van het plangebied Erasmusveld Midden ligt volgens de Nieuwe geologische kaart van Den Haag en Rijswijk in een gebied met een grote variatie in bodemopbouw. Van oorsprong gaat het om een strandwallenlandschap dat vanaf circa 5.000 voor Christus vorm kreeg door het ontstaan van zandruggen parallel aan de kustlijn. Door de vorming van steeds nieuwe strandwallen werd de kustlijn langzamerhand naar het westen toe verlegd. Tussen de strandwallen was sprake van laaggelegen gebied waar het drassig bleef en zich in de loop der tijd veen kon ontwikkelen. Strandwallen hebben in zijn algemeenheid een hoge archeologische verwachting, want ze waren al vrij snel na hun ontstaan bewoonbaar. Resten van deze bewoning kunnen dateren vanaf het neolithicum. Een doorbraak van de zee vanuit de Maasmond in het eerste millennium voor Christus zorgde voor een krekensysteem (het Gantelsysteem) dat het gebied ontwaterde en ook geregeld klei afzette over grote delen van het strandwallenlandschap. Ook de kleiafzettingen van het Gantelsysteem hebben een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten.
In het Wateringse Veld en Erasmusveld zijn in en op deze Gantelafzettingen resten aangetroffen met een datering vanaf de late ijzertijd. Vanwege de hoge verwachting op archeologische resten en de geplande ontwikkelingen zijn in deelgebieden van het plangebied de afgelopen jaren meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie onderstaande afbeelding).
Deelgebied A is in 2011 en 2012 onderzocht met boringen (Haagse Archeologische Rapportage HAR 1213) en een proefsleuvenonderzoek (HAR1301). Er zijn geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aangetroffen en het gebied is wat betreft archeologie vrijgegeven voor ontwikkeling. Op de plankaart Erasmusveld Midden heeft deelgebied A geen dubbelbestemming archeologie.
37
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Deelgebieden B, C en D zijn in 2015 onderzocht met boringen (HAR1515). Tijdens het booronderzoek werden verschillende verwachtingsniveaus in het strandwallenlandschap aangetoond. Ook in de afdekkende Gantelafzettingen waren meerdere niveaus aan te wijzen waarop archeologische resten verwacht kunnen worden. In 2017 heeft in de deelgebieden B en C in vervolg op het booronderzoek een proefsleuvenonderzoek (HAR1808) plaatsgevonden. In deelgebied B zijn hierbij (delen van) behoudenswaardige vindplaatsen aangetroffen uit het neolithicum en de ijzertijd. Vanwege de geplande hoogbouw en bodemverstoringen in deelgebied B zijn de archeologische resten ter plaatse opgegraven. Op de plankaart Erasmusveld Midden heeft deelgebied B daarom grotendeels geen dubbelbestemming archeologie. In deelgebied C is het hoogste landschappelijke niveau (Gantelafzettingen) op basis van het proefsleuvenonderzoek vrijgegeven, omdat er geen behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Het onderliggende strandwallenlandschap is tijdens het proefsleuvenonderzoek niet onderzocht en heeft op de verbeelding vanwege een blijvende archeologische verwachting een dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 2. Uitzondering hierop vormt de locatie van een geplande weg met riolering die op basis van het proefsleuvenonderzoek kon worden vrijgegeven en geen dubbelbestemming archeologie heeft op de plankaart.
Deelgebied D is in 2019 onderzocht met proefsleuven (Inhoudelijk evaluatieverslag NOO19p). In deelgebied D is het vervolg aangetroffen van de behoudenswaardige vindplaatsen uit de ijzertijd en het neolithicum van deelgebied B. Ook is een behoudenswaardige vindplaats uit de Romeinse tijd vastgesteld. Vanwege de geplande laagbouw en bodemverstoringen zijn de vindplaatsen uit de ijzertijd en Romeinse tijd in 2020 opgegraven. De neolithische vindplaats kan grotendeels in de bodem bewaard blijven en heeft op de verbeelding een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1. Na booronderzoek in 2009 (afdeling Archeologie, rapport 1001) is in deelgebied E in 2012 proefsleuvenonderzoek (HAR1225) uitgevoerd waarbij een behoudenswaardige vindplaats uit het neolithicum is vastgesteld. De vindplaats is in 2017 opgegraven (rapportage in voorbereiding) waarna deelgebied E is vrijgegeven voor ontwikkeling. Op de verbeelding heeft deelgebied E geen dubbelbestemming archeologie. De relevante archeologische onderzoeksrapporten zijn opgenomen in bijlagen 14 tot en met 20.
4.10
Verkeersafwikkeling en parkeerbalans
4.10.1 Verkeersafwikkeling Door Goudappel Coffeng BV is onderzoek gedaan naar de verkeersconsequenties van de realisatie van maximaal 385 woningen die met het uitwerkingsplan Erasmusveld Midden mogelijk worden gemaakt. Uit dit onderzoek blijkt:
Met de berekende intensiteiten, inclusief alle geplande ruimtelijke ontwikkelingen tot 2030 in Erasmusveld, doen er zich op de Leyweg zelf geen capaciteitsproblemen voor. Maatgevend is daarbij de avondspits. De intensiteit is volgens het VMH 1.3 in totaal 980 mvt/2 uur (circa 500 mvt/uur) terwijl de capaciteit op het wegvak rond 3.000 mvt/2 uur (1.500 mvt/uur) ligt. Dit betekent dat er op de Leyweg nog ruim reservecapaciteit overblijft. In het stedelijk gebied zijn over het algemeen kruispunten maatgevend in de verkeersafwikkeling. In de huidige situatie is de afwikkeling, op de rotonde Leyweg – Noordweg, zo blijkt uit veelvuldige waarnemingen, probleemloos. Wel staat het verkeer hier regelmatig in een wachtrij, maar deze wordt veroorzaakt door het kruispunt Noordweg – Laan van Wateringseveld: dit kruispunt is structureel overbelast. Het effect van Erasmusveld Midden op de verkeersintensiteiten op het overbelaste kruispunt Noordweg – Laan van Wateringseveld is echter nihil (< 1% van de verkeersintensiteiten, dat komt overeen met een gemiddelde verkeersgroei van één jaar). Gezien de structurele overbelasting op eerder genoemde kruispunt heeft de gemeente reeds stappen genomen om dit aan te pakken. Op de rotonde Noordweg – Leyweg wordt de groei van het autoverkeer ten gevolge van Erasmusveld Midden geschat op ongeveer 2%.
Dit is nauwelijks merkbaar op deze rotonde die voldoende restcapaciteit heeft.
38
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
In de Haagse kadernota Straten Wegen en Lanen (2015) wordt voor wegen als de Leyweg (wijkontsluitingswegen) de nadruk gelegd op het in twee fasen kunnen oversteken van fietsers en voetgangers. Dit betekent het realiseren van een middenberm of middengeleiders op deze wegen. De drie aantakkingen van Erasmusveld Midden (op de Leyweg) verwerken circa 1.275 mvt/dag; per tak is dat 425 mvt/dag. Tijdens het drukste uur in de spits is dat ongeveer 45 mvt/uur ( = gemiddeld één auto per 80 seconden). Dit is 30 mvt per uur voor de drukste richting. Op de Leyweg is de maatgevende spitsintensiteit maximaal 980 mvt/2 uur per richting = 490 mvt per uur per richting. De verkeerseffecten van de bouw van maximaal 385 woningen leveren voor de bouw van deze woningen geen knelpunten op. Bij de uitvoering dient gekeken te worden naar de verkeerskundige inrichting van de aantakkingen op de Leyweg.
Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 21. 4.10.2 Parkeren Door Goudappel Coffeng BV is onderzoek gedaan naar het benodigd aantal parkeerplaatsen voor de realisatie van maximaal 385 woningen die met het uitwerkingsplan Erasmusveld Midden mogelijk worden gemaakt. Het onderzoek toont aan dat het uitwerkingsplan uitvoerbaar is. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 22. Bij de uitwerking op bouwplanniveau moet aangetoond worden dat aan de Nota parkeernormen wordt voldaan. Na oplevering van de woonwijk wordt in Erasmusveld Midden parkeerregulering ingevoerd.
4.11
Bezonning
In het uitwerkingsplan is de bouw van nieuwe woningen mogelijk, die voor wat betreft bezonning consequenties kan hebben voor de omliggende woningen. De bezonning betreft een belangrijke randvoorwaarde waaraan moet worden getoetst. Daarom is al in 1996 een beleidsnotitie op het gebied van bezonning (en windhinder) opgesteld. Deze notitie is vervolgens in het jaar 2010 geactualiseerd. De beleidsnota gaat uit van een ondergrens van 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van meer dan 10 graden waarbij het meetpunt op 0,75 meter hoogte op het midden van de gevel ligt. In situaties dat de bezonning in de autonome situatie al niet voldoet, is het streven om verdere achteruitgang te voorkomen. Op basis van het hiervoor omschreven bezonningsbeleid is door Peutz een bezonningsonderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is uitgegaan van een maximale benutting van de bouwmogelijkheden, inclusief 10% afwijkingsmogelijkheid. De geplande bebouwing bestaat uit 3 hogere bouwdelen, waarvan de maximale hoogte 27,5 meter bedraagt en grondgebonden woningen met een maximale hoogte van 12,1 meter. Binnen het vastgestelde invloedsgebied van de schaduw blijkt 1 bestaande woning aanwezig te zijn, aan de Noordweg 78.
Uit de rekenresultaten volgt dat binnen het toetsingskader de bezonningsduur bij de woning ten gevolge van de onderzochte bebouwing in het plangebied kan wijzigen van 7:35 uur in de bestaande situatie naar 5:55 uur in de toekomstige situatie. De afname van het aantal zonuren bedraagt 1:40 uur. De ontwikkelingen die in het uitwerkingsplan mogelijk worden gemaakt, passen binnen het gemeentelijk bezonningsbeleid. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3.
4.12
Windklimaat
39
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Uitgangspunt is dat de bebouwing die in het plangebied mogelijk wordt gemaakt voldoet aan de geldende windhindernormen (RIS170509). De windhindernorm houdt in dat een windklimaat wordt nagestreefd zoals genoemd is in de NEN 8100 (Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving) voor de betreffende activiteiten en minimaal de kwalificatie 'matig'na te streven. De kwalificatie 'slecht' wordt slechts bij hoge uitzondering en onder nadere voorwaarden toegestaan en voor windgevaar moet de kwalificatie 'gevaarlijk' in beginsel worden voorkomen. Bij de beoordeling van het windklimaat kan onder meer onderscheid worden gemaakt tussen de categorieën doorlopen en slenteren. Het criterium voor slenteren is onder meer van toepassing bij de gebouwentrees en andere windgevoelige functies, verder wordt het criterium voor loopgebied gehanteerd. In slentergebieden wordt een hinderkans van minder dan 5%, overeenkomend met een beoordeling 'goed' nagestreefd. Aangezien op dit moment de posities van gebouwentrees en andere windgevoelige functie nog niet zijn vastgesteld, is de beoordeling algemeen van aard.
Door Peutz is een windklimaatonderzoek uitgevoerd op basis van een numerieke simulatie met Computational Fluid Dynamics (CFD) Als worst case scenario voor het windklimaat is uitgegaan van een maximale benutting van de bouwmogelijkheden van de hogere bouwdelen, inclusief 10% afwijkingsmogelijkheid. De maximale hoogte van bebouwing binnen de bestemmingen Wonen - 2 en Wonen - 3 bedraagt 27,5 meter. Het afschermende effect van laagbouw (bestemming WG) en begroeiing in het plangebied is niet meegenomen. In de berekende worst case situatie is in een deel van het plangebied een ongunstige windklimaatsituatie te verwachten. Het windklimaat krijgt in deze situatie plaatselijk een beoordeling 'matig' of 'slecht'. Dit gaat plaatselijk samen met een beperkt risico op windgevaar. Bij een invulling conform het stedenbouwkundig plan, voor zowel de hogere bouwdelen als de grondgebonden woningen en beoogde begroeiing, is overwegend een als 'goed' te beoordelen windklimaat te verwachten. Met name tussen de grondgebonden woningen aan de westelijke rand van het plangebied is sprake van een 'matig' windklimaat op basis van het criterium voor 'doorlopen'. Een verbetering van het windklimaat op plaatsen met een relatief hoge hinderkans is mogelijk door de geplande begroeiing op plaatsen met een hoge hinderkans te intensiveren.
Voor het plaatsen van gebouwentrees dient in gestreefd te worden naar een hinderkans van lager dan 5%. Dit komt overeen met een beoordeling goed voor het criterium 'slenteren'. Langs de gevels van de geplande nieuwbouw is sprake van een overwegend goed windklimaat voor het criterium 'slenteren'. Een gebouwentree in de bestemming Wonen-2, welke is gepland op een locatie waar voor het bebouwingsvlak plaatselijk sprake is van en matig tot slecht windklimaat voor het criterium slenteren, is in een nis gesitueerd, waardoor ter plaatse van de entree sprake is van een goed windklimaat. De geplande buitenruimte van Wonen-2 bevindt zich tussen de geplande woongebouwen, waar plaatselijk sprake is van een matig tot slecht windklimaat voor het criterium 'slenteren'. Hier worden windafschermende maatregelen geadviseerd, waarmee een goed windklimaat kan worden gerealiseerd. Ter plaatse van de geplande buitenruimtes van Wonen-3 is een goed windklimaat voor het criterium 'slenteren' te verwachten. Er is geen significant negatief effect van de bebouwing in het plangebied vastgesteld op het windklimaat bij de bestaande woningen in de omgeving of in het openbaar gebied. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 4.
4.13
Water
Het waterbeleid van de verschillende overheidsinstanties is al beschreven in het moederplan. 4.13.1 Specifiek t.a.v. het plangebied Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur. Dat wil zeggen: er moet voldoende ruimte zijn voor waterberging, goede waterkwaliteit, waterkeringen en waterzuivering. Belangrijk uitgangspunt voor Delfland is dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (standstill beginsel). Indien bij het realiseren van een ontwikkeling de waterhuishouding verslechtert, dient gezamenlijk te worden gezocht naar een oplossing. Dit kan door compensatie, bijvoorbeeld in de vorm van nieuw oppervlaktewater toe te voegen in het plangebied of nabij de locatie.
40
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Hieronder zijn per thema de belangrijkste aspecten van de waterhuishouding kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het “Waterhuishoudingsplan Erasmusveld Midden” door Witteveen+Bos, d.d. 12-12-2018, die als bijlage 34 is bijgevoegd. Na aanpassingen aan het stedenbouwkundig ontwerp is het plan in juli 2020 beoordeeld door Waalpartners (Waterbalans en watersleutel). Gevoelige gebieden Er is sprake van een polderkade (waterkering) in tussen de Wippolder en de Eshofpolder. Er is geen sprake van een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of kwetsbaar gebied in of nabij het plangebied. Wel ligt het ecolint in het plangebied, waardoor een goede waterkwaliteit van belang is. Veiligheid en waterkeringen In het plangebied Erasmusveld Midden is een polderkade aanwezig tussen de Wippolder en de Eshofpolder. De polderkade is in het plan verplaatst in noordelijke richting in de Eshofpolder. De kernzone van de polderkade is totaal 10,3 meter breed en aan weerszijde van de kernzone ligt een beschermingszone van 15 meter breed. De kruin van de kade dient van erosiebestendige klei (erosieklasse 1) gemaakt te zijn. De kruinhoogte is minimaal NAP -0,2 m, maar door te verwachten bodemdaling zal de kruinhoogte bij oplevering minimaal NAP +0,10 m moeten zijn.
Dit is lager dan de voorgestelde maaiveldverhoging, waardoor er sprake is van een verheelde waterkering (waterkering waarvan de hoogte van de achterliggende gronden op natuurlijke wijze op gelijke hoogte of hoger dan de kruinhoogte van de waterkering zijn gelegen; de waterkering is dus niet zichtbaar). Bij een verheelde situatie is de minimale bouwafstand 1,0 m vanaf de kruin. Tevens dient de fundering en ondergrondse bebouwing buiten het leggerprofiel te blijven. Dus boven de denkbeeldige lijn van het legger profiel in de ondergrond (in het waterhuishoudingsplan is dit nader uitgewerkt). Activiteiten (bouwen, werken, wegen, beplanting en kabels en leidingen) dienen het liefst buiten de kering gelegd te worden. Als ze toch in de kering gelegd dienen te worden, is overeenstemming met het Hoogheemraadschap van Delfland nodig. De beoogde locatie van de nieuwbouw valt wel in de beschermingszone van de polderkade. Om bebouwing toe te passen in de beschermingszone moet worden aangegeven dat deze geen negatieve invloed heeft op de waterkerende functie. Dat betekent dat de keuzes ten aanzien van de funderingswijze van de bebouwing, aan te leggen kabels en leidingen aan het Hoogheemraadschap van Delfland dienen te worden voorgelegd ter beoordeling in kader van de Waterwet vergunningverlening of ontheffingsaanvraag.
Bebouwing moet zo aangelegd worden dat deze, rekening houdend met zettingen gedurende de levensduur van de bebouwing, buiten het leggerprofiel blijft. Kabels en leidingen in of nabij de kade hebben als risico dat langs een kabel of leiding een lekstroom ontstaat met als gevolg het uitspoelen van grond. Daarom liggen de kabels en leidingen bij voorkeur niet in het leggerprofiel van het waterstaatswerk. Alleen bij uitzonderingen, indien niet anders oplosbaar, kunnen onder voorwaarden uitzonderingen worden gemaakt. De aanleg van kabels en leidingen dient dan uitgevoerd te worden conform de NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659. De waterkering is al verplaatst bij het bouwrijp maken van het terrein van Leyhof. De vergunning hiervoor is verleend. Afbeelding: Nieuwe ligging polderkade.
41
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Afbeelding: Schematische doorsnede polderkade
Oppervlaktewater Het plangebied ligt deels in de Wippolder, peil NAP -0,80 m, en deels in de Eshofpolder, peil NAP -1,75 m. Op basis van de Waterbergingsvisie is een bestuursovereenkomst gesloten tussen de Gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland, die de waterberging regelt. Er geldt vanuit de afspraken uit de Waterbergingsvisie geen waterbergingsopgave voor het Wippolder of Eshofpolder.
42
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
In onderstaande kaart is het watersysteem van Erasmusveld Midden weergegeven.
Themakaart Watertoets (bron: Stedenbouwkundig ontwerp Erasmusveld-Midden, RROG, juni 2020) De bestaande watergang in het plangebied wordt naar het noorden toe vergroot en een andere watergang aan de oostzijde wordt gedempt. Er is een geen sprake van duikers in het gebied. Bij het dempen en graven van watergangen dient rekening gehouden te worden met de regelgeving de Hoogheemraadschap van Delfland. Dit betekent dat bij demping van water er compensatie dient plaats te vinden en dat ook bij toename van het verhard oppervlak compenserende waterberging moet worden aangelegd. In het plangebied is een toename van verhard oppervlak voorzien en op basis van het standstill-principe moet het gecompenseerd worden. Uit de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland blijkt dat in de Wippolder 6.102 m² en in de Eshofpolder 533 m² extra wateroppervlak als compensatie moet komen.
In de Wippolder wordt dit voorzien door extra wateroppervlak te graven en door het toepassen van wadi's in het projectgebied. De wadi's in het ecolint dienen 0,4 m diep te worden (NAP +0,2 m) met een talud van 1:3 en een overloop op NAP +0,5 m (maximale waterdiepte 0,3 m in wadi's). Daarnaast wordt ca. 1.300 m2 water(bergings)oppervlak voorzien buiten het projectgebied in het ecolint. In het plangebied in de Eshofpolder wordt de berging gecompenseerd door het verbreden van de watergangen.
Aan de hand van de resultaten van de watersleutel is op basis van het stedenbouwkundig plan Erasmusveld Midden van RRog een waterbalans opgesteld. De waterbalans is hieronder weergegeven. De watersleutel en waterbalans (2-11-2020) zijn als bijlagen 35 en 36 bijgevoegd. De waterbalans en de watersleutel zijn gebaseerd op de nieuwe eis van het Hoogheemraadschap Delfland 'Klimaat 2050'. Hieruit blijkt dat de waterbalans positief is.
43
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
Tabel: Waterbalans Het maaiveld in het plan wordt opgehoogd waardoor de drooglegging voldoende is voor de desbetreffende functie. Grondwaterkwantiteit en verdroging De drooglegging na ophoging van het maaiveld is 1,40 m in de Wippolder en 1,90 m in de Eshofpolder. De ontwateringsdiepte uitgaande van de hoogst gemeten grondwaterstand gedurende de meetperiode (31-01-2018 tot 16-01-2018) geeft een ontwateringsdiepte van 1,23 m (0,6 - -0,63) in de Wippolder en 0,93 m (0,15 - -0,78) in de Eshofpolder. De herontwikkeling van Erasmusveld-Midden voorziet in het plaatsen van een warmte-koude opslag
44
uitwerkingsplan Erasmusveld Midden (ontwerp)
(WKO). Deze ontwikkeling heeft mogelijk gevolgen voor het oppompen van grondwater of het inbrengen van water/stoffen in het grondwater en daarmee invloed kan hebben op de kwaliteit van het grondwater. Hiervoor moet een watervergunning worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Delfland. De kwaliteit van het grondwater is daarmee voldoende beschermd. Door het gebruik van uitlogende materialen zoveel mogelijk te voorkomen wordt vervuiling van het grondwater door infiltratie voorkomen. Oppervlaktewaterkwaliteit Afstromend hemelwater van daken, parkeerplaatsen en wegen in woonwijken heeft over het algemeen een geringe kans op verontreiniging. Daarnaast hebben de wadi's en natuurlijke oevers een zuiverende werking door natuurlijke waterkwaliteitsprocessen (bezinking, biodegradatie, enz.), waardoor de waterkwaliteit mogelijk verbetert. Echter zijn er mogelijke bronnen van verontreiniging, zoals chemische onkruidbestrijding, uitloogbaar straatmeubilair, uitlogende materialen van gebouwen en straatvuil. Door bij de nadere uitwerking van het ontwerp en het beheer maatregelen te treffen kan verontreiniging voorkomen worden. Hierbij kan worden gedacht aan bouwmaterialen die niet uitlogen en geen chemische onkruidbestrijdingsmiddelen te gebruiken. Voorbeelden van maatregelen zijn te vinden in het waterhuishoudingsplan Erasmusveld Midden.
Bodemdaling De ontwikkeling vindt plaats in een gebied dat matig zettingsgevoelig is. Met eventuele bodemdaling wordt rekening gehouden tijdens de bouwfase. Hemel- en afvalwater Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is "De Leidraad Riolering" en de "Beslisboom aan- en afkoppelen verharde oppervlakken". Hierbij is het gebruik van voor het oppervlaktewater schadelijke stoffen zoals koper, zink en bitumineuze dakbedekking niet toegestaan. In het projectgebied is een gescheiden stelsel waarbij het hemelwaterafvoersysteem (HWA) afwatert op het lokale watersysteem en het droogweerafvoersysteem (DWA) aangesloten wordt op het rioleringsstelsel. In het projectgebied zijn maximaal 385 woningen voorzien. Uitgaande van 2,5 inwoners (algemeen gehanteerd uitgangspunt) per woning is de afvalwaterproductie ongeveer 10 m3/uur. Onderhoud oppervlaktewater In het kader van de ontwikkeling van Erasmusveld Midden worden nieuwe waterlopen en wadi's aangelegd, daarnaast wordt de bestaande waterloop vergroot. Bij de planvorming voor deze waterlopen wordt rekening gehouden met voldoende brede onderhoudspaden die vrij zijn van opgaande beplanting en overige obstakels. Geadviseerd wordt om een afwateringsplan op te stellen, waarin de afvoer van hemelwater, de wadi's en het beheer en onderhoud verder worden uitgewerkt. In dit afwateringsplan wordt in detail uitwerkt welk gebied exact waarop afwatert.