CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307825 Bijlage

Commissie Bestuur 16 juni 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Programma 11: Economie32.122 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 Nederland

Amsterdam

Den Haag (gemeente)

Rotterdam

Utrecht (gemeente) Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/statline#/CBS/nl/dataset/83523NED/table?dl=4289C) Figuur 3.8 laat zien dat de totale beroepsbevolking in Den Haag tussen 2014 en 2019 vrijwel ongewijzigd is gebleven en slechts licht steeg van 67,2% in 2014 tot 68,4% in 2019 (een groei van 1,8%). Deze stabiliteit zagen we ook eerder, vanaf 2003. Dus nagenoeg twee op de drie mensen in de leeftijdsgroep 15 tot 75 jaar werkt of biedt zich als werkloze aan voor betaald werk. Wel groeide de beroepsbevolking in absolute aantallen, maar omdat de populatie ook toenam en het aantal inactieven net zo hard groeide, is er geen toename in het aandeel van de beroepsbevolking in de populatie. We zien in 2019 dat de situatie voor Den Haag hetzelfde is als voor Rotterdam, waar ook maar twee op de drie mensen werkt of werkloos is, maar dat in Amsterdam, Utrecht en Nederland 23 Tot de beroepsbevolking behoren volgens het CBS alle personen van 15 tot en met 74 jaar die werken of officieel werkloos zijn. Het zijn personen die betaald werk hebben (werkzame beroepsbevolking) of om

personen die geen betaald werk hebben, maar recent naar betaald werk hebben gezocht (afgelopen 4 weken)

en daarvoor direct (binnen 2 weken) beschikbaar zijn (werkloze beroepsbevolking). De leeftijdgrens van 74 jaar is problematisch bij arbeidsmarktanalyses omdat vele ouderen zich vanwege de lagere pensioenleeftijd zich

niet hoeven en kunnen aanbieden. Eerder hanteerde het CBS in haar noemer de populatie tussen 15 en 65 jaar.

Overigens geldt ook bij de ondergrens van 15 jaar dat velen tussen 15 en 25 jaar zich niet kunnen aanbieden op de arbeidsmarkt omdat ze schoolgaand zijn of studeren.

31

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

als geheel de beroepsbevolking beduidend groter is (resp. 72%, 76% en 71%). De grotere inactiviteit in Den Haag en Rotterdam zou kunnen liggen aan het grotere aandeel lager opgeleiden in de bevolking (zie ook hoofdstuk 5). Opvallend aan de cijfers is dat Den Haag aanvankelijk achterbleef bij de toename van de beroepsbevolking in Nederland en de andere drie grote steden tussen 2003 en 2010. Vanaf 2010 is de ontwikkeling voor Den Haag dezelfde als in die andere gebieden, namelijk stabiliteit. Dat er geen verdere groei optreedt van de beroepsbevolking voor Den Haag en elders in Nederland is opmerkelijk gegeven de economische groei van bedrijven die hierboven werd geconstateerd. Het betekent dat we er niet in slagen meer mensen op de arbeidsmarkt, werkend of werkzoekend, te krijgen, ook in Den Haag niet. TABEL 3.1 BRUTO ARBEIDSPARTICIPATIE (% WERKENDEN EN WERKLOZEN OP BEVOLKING 15-75 JAAR), NEDERLAND EN G4 KWARTALEN 2019-2020 2019 Q1

2019 Q2

2019 Q3

2019 Q4

2020 Q1

2020 Q2

Nederland

71,0%

71,1%

71,3%

71,4%

71,3%

70,5%

Amsterdam

72,2%

72,0%

72,0%

71,8%

72,4%

71,4%

Den Haag

68,4%

68,4%

68,9%

67,9%

68,2%

67,1%

Rotterdam

67,9%

66,9%

67,6%

68,3%

67,2%

65,9%

Utrecht

76,0%

76,8%

75,9%

76,6%

76,5%

75,5%

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/statline#/CBS/nl/dataset/83523NED/table?dl=4289C) Als we ons focussen op de meest recente ontwikkelingen, de kwartaalcijfers voor 2019 en 2020 (zie tabel 3.1), dan zien we dat de coronacrisis in het eerste kwartaal van 2020 nog geen impact heeft op de bruto arbeidsparticipatie in Nederland en de G4 (2020 Q1 nagenoeg gelijk aan 2019 Q1), maar wel in het tweede kwartaal van 2020. In dat kwartaal daalt in Nederland als geheel en in de G4, inclusief Den Haag, de bruto arbeidsparticipatie ten opzichte van een jaar eerder (2019 Q2) en ten opzichte van een kwartaal eerder. Voor Den Haag gaat het om een daling ten opzichte van eerste kwartaal van 2020 van bijna een procentpunt (68,2% naar 67,1%). Elders in de G4 is die daling nog wat sterker. Zo’n verandering in de bruto arbeidsparticipatie tussen de twee kwartelen zagen we niet in 2019. ● Den Haag kende geen verandering in de grootte van beroepsbevolking tussen 2014-2019 ● Den Haag kent een kleinere beroepsbevolking dan Amsterdam, Utrecht en Nederland als geheel ● Den Haag kent net als elders in de G4 en Nederland in het tweede kwartaal van 2020 een daling van het aandeel actieven (en stijging van het aandeel inactieven)

3.4.2 Werkenden en werklozen

Ondanks de stabiliteit in de grootte van de beroepsbevolking, veranderde de samenstelling van de beroepsbevolking naar werkstatus wel sterk (figuur 3.9). Na een sterke stijging van de werkloosheid van 4% werklozen in 2008 tot 11% werklozen in 2014, zien we een sterk dalende werkloosheid in Den Haag tot 5% werklozen in 2019 en een navenant sterke stijging van het aandeel werkenden in de beroepsbevolking (van 89% in 2008 tot 95% in 2019).24 Globaal genomen is de ontwikkeling voor heel Nederland en de andere drie grote steden dezelfde en lijkt deze dus conjunctureel van aard, maar is de toename tot 2014 en de afname erna sterker 24 Dit betreft een toename van 275.000 werkenden in Den Haag in 2008 tot 288.000 werkenden in 2019.

32

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

in Den Haag en Rotterdam dan elders.25 Ook zien we dat het aandeel werklozen in Den Haag en Rotterdam — ondanks convergentie na 2014 — stelselmatig boven dat van Amsterdam en Utrecht ligt (in 2019 in Den Haag 5,1%, Rotterdam 5,9%, Amsterdam 4,2% en Utrecht 3.5%). Dat lijken kleine verschillen, maar relatief gaat het om een om een 46% hoger werkloosheidsrisico in Den Haag dan Utrecht en een 21% hoger risico dan in Amsterdam. De hogere werkloosheid in Den Haag en Rotterdam lijkt samen te hangen met het groter aandeel laag opgeleiden in de bevolking in deze steden. FIGUUR 3.9 WERKLOOSHEIDSPERCENTAGE (WERKLOZEN ALS AANDEEL VAN DE BEROEPSBEVOLKING), NEDERLAND EN G4 2003-2019 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0%

2003

2004

2005 Nederland

2006

2007

2008

Amsterdam

2009

2010

2011

2012

Den Haag (gemeente)

2013

2014

2015

Rotterdam

2016

2017

2018

2019

Utrecht (gemeente)

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/statline#/CBS/nl/dataset/83523NED/table?dl=4289C) Overigens lijkt de gunstige ontwikkeling naar dalende werkloosheid haar einde te krijgen met de coronacrisis (tabel 3.2). Zo zien we overal, ook in Den Haag, een stijging van de werkloosheid tussen het eerste en tweede kwartaal van 2020, daar waar de werkloosheid juist daalde tussen die kwartalen in 2019. Die stijging is aanzienlijk: voor Den Haag betreft een toename met 0,8 procentpunt. TABEL 3.2. WERKLOOSHEIDSPERCENTAGE, NEDERLAND EN G4 LAATSTE ZES KWARTALEN 2019-2020 2019 Q1

2019 Q2

2019 Q3

2019 Q4

2020 Q1

2020 Q2

3,7%

3,3%

3,2%

3,3%

3,3%

3,8%

Amsterdam

4,4%

4,3%

4,1%

4,1%

3,7%

4,8%

Den Haag

6,0%

4,4%

4,7%

5,1%

4,5%

5,2%

Rotterdam

6,6%

5,4%

5,3%

6,3%

4,7%

5,3%

Utrecht

4,1%

3,5%

3,4%

2,9%

3,3%

3,5%

Nederland

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/statline#/CBS/nl/dataset/83523NED/table?dl=4289C) 25 Overigens is er geen één-op-één verband met de conjunctuur: de werkloosheid kan bijvoorbeeld bij laagconjunctuur ook pas gaan stijgen als werkzoekenden kans zien op het vinden van een baan.

33

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

De stijging in werkloosheid in Den Haag in 2020 zien we ook terug aan cijfers over het aantal geregistreerde werkzoekenden zonder dienstverband (figuur 3.10). Nam het aantal werkzoekenden zonder dienstverband nog sterk af tussen 2018 en begin 2020, vanaf februari 2020 nam ze sterk toe. FIGUUR 3.10 AANTAL WERKZOEKENDEN (ZONDER DIENSTVERBAND), DEN HAAG 2018-2020 44000 43000 42000 41000 40000 39000 38000 37000 36000 35000 34000

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr Totaal zonder dienstverband

Totaal zonder dienstverband

2018

2019

Bron: open data UWV (9-10-2020) ● Den Haag kende tussen 2014-2019 sterk dalende werkloosheid, net als elders in de G4 ● Den Haag en Rotterdam kennen hogere werkloosheid dan elders in de G4 ● Den Haag kent net als elders stijgende werkloosheid in het tweede kwartaal van 2020

3.4.3 Banen

Hoewel het aantal werkenden en banen sterk met elkaar samenhangen kunnen er ook verschillen zijn: sommige werkenden hebben meerdere banen en banen in een gebied kunnen ook worden uitgevoerd door werkenden buiten het woongebied. We kijken daarom naast naar cijfers over werkenden en werklozen naar het aantal en aandeel banen in Den Haag en elders. Onderstaande figuur (figuur 3.11) laat, net als bij werkenden, een sterke toename zien in de werkgelegenheid afgemeten aan het aantal banen in Den Haag tussen 2014 en 2019. Waren er

in 2014 nog 269.000 banen in Den Haag, vijf jaar later in 2019 zijn dat 289.000 banen, een groei van 20.000 banen. In 2020 groeide dit door naar 298.000 banen.

34

Totaal zonder dienstverband 2020

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.11 AANTAL BANEN, DEN HAAG 2010-2020 305.000 300.000 295.000 290.000 285.000 280.000 275.000 270.000 265.000 260.000 255.000 250.000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Bron: Werkgelegenheidsregister Haaglanden / DHIC (https://denhaag.incijfers.nl) Echter, relatief ten opzichte van veranderingen in de bevolkingsgrootte is de groei in het aandeel banen gering (figuur 3.12). Waren er in 2014 nog 772 banen per 1.000 inwoners in Den Haag tussen 15-64 jaar, in 2019 waren dat er 785. Dat is een zwakke stijging (1,7%). Over een langere periode bezien (2010-2019) is het beeld eerder stabiliteit dan een toename. De boven geconstateerde toename in het aantal banen komt aldus in een ander daglicht te staan en lijkt met name aan bevolkingsgroei te liggen. Verder valt op dat van de vier grote steden Den Haag het geringste aandeel banen per persoon heeft. Dat verschil was al groot in 2014 en lijkt eerder iets te groeien door de sterkere toename in het aandeel banen elders in de G4. Was het aandeel banen in Amsterdam in 2014 nog 27% groter dan in Den Haag (982 versus 772 banen per 1000 inwoners), in 2019 was dat aandeel 38% groter (1.087 banen versus 785 banen per 1000 inwoners). Er zijn dus weliswaar relatief meer werkenden in de Haagse populatie tussen 2014 en 2019 bijgekomen en het aantal banen is gestegen, maar de ‘dichtheid’ van banen – het aantal banen per inwoner —is niet of slechts amper toegenomen.

35

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.12 AANTAL BANEN PER 1.000 INWONERS (15-64 JAAR), NEDERLAND EN G4 2010-2019 1200 1100 1000 900 800 700 600 500 400

2010

2011

2012

Amsterdam

2013

Den Haag

2014

2015

Rotterdam

2016

Utrecht

2017

2018

Nederland

2019

Bron: VNG / (https://www.waarstaatjegemeente.nl/) Een nadere indicator voor de werkgelegenheid is de zogenaamde arbeidsmarktbalans (kernindicator uit de Economische Visie). Deze balans geeft de verhouding weer tussen het aantal banen en de omvang van de beroepsbevolking binnen de gemeente. Idealiter is de balans 100 en zijn er voldoende banen voor de beroepsbevolking, bij waarden onder de 100 zijn er te weinig banen om de beroepsbevolking volledig aan het werk te krijgen en bij waarden boven de 100 zijn er meer banen dan mensen in de beroepsbevolking. De arbeidsmarktbalans van Den Haag naderde in 2013 de evenwichtslijn van 100, maar steeg in 2014 naar 104 om daarna tot 2019 op dat niveau te blijven (figuur 3.13). Den Haag kent aldus in 2019 een gespannen arbeidsmarkt met meer banen dan mensen in de beroepsbevolking.

36

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.13. AANTAL BANEN PER 100 PERSONEN IN DE BEROEPSBEVOLKING (ARBEIDSMARKTBALANS), DEN HAAG 2014-2019 110 108 106 104 102 100 98 96 94 92 90

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Bron: Werkgelegenheidsregister Haaglanden en CBS, bewerking PSO In de regio Haaglanden heeft Den Haag een belangrijke functie wat betreft werkgelegenheid. Het aantal banen is door de omvang van Den Haag natuurlijk groter dan van omringende gemeenten zoals Delft, Leiden, Leidschendam/Voorburg, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Westland en Zoetermeer. Per inwoner heeft Rijswijk de meeste banen, daarna het Westland, Leiden en Den Haag (figuur 3.14). Zoetermeer, Leidschendam-Voorburg en Pijnacker/Nootdorp kennen door hun woonfunctie daarentegen een geringer aantal banen per inwoner. Deze binnen-regionale verschillen zijn sinds 2010 amper veranderd, met uitzondering van Rijswijk dat een sterke afname liet zien in de banendichtheid. Den Haag doet het wat betreft banen dus heel gemiddeld in de regio.

37

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.14 AANTAL BANEN PER 1.000 INWONERS (15-64 JAAR), REGIO HAAGLANDEN 2010-2019 1400 1200 1000 800 600 400 200 0

2010

2011

Den Haag

Zoetermeer

2012

2013

2014

2015

Delft

2016

2017

Leiden

Rijswijk

Leidschendam-Voorburg

Bron: CBS / VNG (https://www.waarstaatjegemeente.nl/) ● Den Haag kende tussen 2014-2019 vrijwel geen verandering in het aandeel banen ● Den Haag kent een geringer aandeel banen dan elders in de G4 ● In de regio Haaglanden doet Den Haag het gemiddeld wat betreft het aandeel banen

3.4.4 Dynamiek

Achter de standcijfers over werkloosheid schuilt, zoals boven al gesuggereerd, dynamiek. Onderstaande figuur (figuur 3.15) laat zien dat in 2019 een groot aantal personen in een WW-uitkering stroomt en ook weer uitstroomt. We zien voor Den Haag een zelfde beeld als voor de andere drie grote steden en geheel Nederland: iets minder instroom in WW dan uitstroom uit WW. De instroom, uitstroom en lopende cijfers voor Den Haag zijn vergelijkbaar met Amsterdam en Rotterdam, maar hoger dan Utrecht en Nederland als geheel. Dit is in overeenkomst met de hogere werkloosheidscijfers voor Den Haag, Amsterdam en Rotterdam dan voor Utrecht en Nederland als geheel (vgl. figuur 3.9).

38

2018 Westland

2019

Pijnacker-Nootdorp

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.15 IN- EN UITSTROOM UIT WW-UITKERING PER 10.000 INWONERS (AANTALLEN), NEDERLAND EN G4 2019 350 300 250 200 150 100 50 0

Amsterdam

Den Haag Instroom

Rotterdam Lopend

Utrecht

Nederland

Uitstroom

Bron: UWV Werkbedrijf / VNG (https://www.waarstaatjegemeente.nl/) ● Den Haag kent relatief meer mensen in een WW-uitkering dan Utrecht en Nederland als geheel, en net zoveel als in Amsterdam en Rotterdam ● Er stromen in Den Haag in 2019 meer mensen uit WW dan er instromen, net als elders in de G4

SAMENVATTEND

● Den Haag kende een sterk dalende werkloosheid en meer werkenden tussen 2014-2019 ● Maar: • De werkloosheid in Den Haag is nog altijd hoger dan in Utrecht en Amsterdam; • Het aandeel inactieven in de bevolking nam vrijwel niet af in Den Haag en is groter dan Utrecht en Amsterdam; • Het aandeel banen in de bevolking in Den Haag is lager dan in de rest van de G4 en nam amper toe; • In het tweede kwartaal van 2020 neemt de werkloosheid en het aandeel inactieven toe in Den Haag, net als elders in de G4.

39

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

3.5

Inkomen en vermogen

Naast het hebben van werk, is het hebben van een goed inkomen een indicatie voor de welvaart en het welzijn van mensen. Deze hangen natuurlijk samen, maar niet perfect: binnen de groep werkenden zijn er aanzienlijke verschillen in inkomen en dit geldt, in mindere mate, ook voor niet-werkenden.26

3.5.1

Mediaan inkomen van huishoudens

Gaan inwoners van Den Haag er gemiddeld op vooruit in inkomen? Dat ligt voor de hand gegeven het gestegen aandeel werkenden in de populatie (zie 3.3). Om de vraag te beantwoorden kijken we naar het mediane, gestandaardiseerde, besteedbare inkomen van huishoudens (in duizenden euro’s; huishoudens).27 Deze cijfers zijn inclusief studenten.28 FIGUUR 3.16. MEDIAAN (GESTANDAARDISEERD) BESTEEDBAAR INKOMEN HUISHOUDENS (IN 1.000 EURO’S) 29,0 27,0 25,0 23,0 21,0 19,0 17,0 15,0

2011 Nederland

2012

2013 Amsterdam

2014

2015

Den Haag

2016

2017

Rotterdam

2018 Utrecht

Bron: CBS, Statline, https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84639NED/ table?dl=2BEF8) 26 Het zou mooi zijn indien naast inkomen ook de opvattingen van mensen over de algemene economische

ontwikkeling en de financiële situatie van het eigen huishouden — het zogenaamde consumentenvertrouwen

— zou kunnen worden gemeten naar gemeente, echter is dit alleen op een betrouwbare manier beschikbaar op provincieniveau.

27 Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten,

premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen. Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in

grootte en samenstelling van het huishouden. Deze correctie vindt plaats met behulp van equivalentiefactoren. In de equivalentiefactor komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het gevolg zijn van het voeren van

een gemeenschappelijke huishouding. Met behulp van de equivalentiefactoren worden alle inkomens herleid tot het inkomen van een éénpersoonshuishouden. Op deze wijze is het welvaartsniveau van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar gemaakt. Het mediane inkomen is gelijk aan het middelste

bedrag (50%-punt in de verdeling) wanneer de inkomens van alle huishoudens van laag naar hoog worden gerangschikt. Ze is minder gevoelig voor uitschieters dan het gemiddelde inkomen.

28 Kijken we naar de mediane inkomens exclusief studenten dan liggen die wat hoger als gevolg van de lagere

inkomens van studenten. De trends zijn echter hetzelfde als in figuur 3.16 en de gemeenteverschillen ook, zij het dat Utrecht zonder studenten een nog hogere positie inneemt.

40

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

Figuur 3.16 laat zien dat het mediane gestandaardiseerde (besteedbare) inkomen van huishoudens in Den Haag tussen 2014 en 2019 is gestegen met 11% en dat het mediane inkomen in 2018 boven dat van Rotterdam ligt, maar onder dat van Utrecht en Nederland als geheel (het is vergelijkbaar met dat van Amsterdam).29 Het gaat de inwoners van Den Haag dus gemiddeld goed, maar wel iets minder goed dan in heel Nederland en dan in Utrecht.30 ● In Den Haag is tussen 2014 en 2019 het mediaan besteedbaar huishoudinkomen gestegen ● Den Haag kent in 2018 een lager mediaan besteedbaar huishoudinkomen dan Utrecht, maar hoger dan Rotterdam

3.5.2 Inkomensverdeling

De in het algemeen gunstige ontwikkeling in het besteedbare huishoudinkomen in Den Haag laat onverlet dat er scheefheid in inkomens bestaat en in de ontwikkeling ervan tussen inkomensgroepen. Het CBS rapporteert over de inkomensverdeling naar regio,

echter is dit alleen een regio-Nederland vergelijking en niet een beschrijving van de exacte inkomensverdeling per regio. Die cijfers laten zien dat het eerste, rijkste inkomensdeciel een relatief groter aandeel inneemt in Den Haag dan in Nederland als geheel (met een factor 1,5), net als het geval is voor de drie andere grote steden (in Utrecht is dit zelfs een factor 2; zie tabel 3.3). Dit betekent dat de inkomensongelijkheid in de G4 groter is dan in heel Nederland (de rijkste inkomensgroep heeft relatief meer van de ‘koek’).31 Het armste inkomensdeciel heeft overigens bijna net zoveel van de ‘inkomenskoek’ als de rest van Nederland.

29 Deze cijfers zijn nog ongecorrigeerd voor prijsveranderingen (inflatie of deflatie). Over de voor

prijsveranderingen gecorrigeerde (gestandaardiseerde) inkomens – die ook wel te boek staat als de

koopkrachtontwikkeling -- rapporteert het CBS niet naar regio, met uitzondering van een rapportage uit 2017

(CBS 2018: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/46/koopkracht-neemt-vooral-toe-in-kinderrijke-gemeenten). Daarin is te zien dat wanneer rekening wordt gehouden met de inflatie tussen 2016 en 2017, Den Haag tussen

die jaren een stijging van de koopkracht laat zien met 0,6%. Vóór de inflatiecorrectie is de stijging 3,1% (mediaan van 23,4 in 2017 en 22.7 in 2016; zie figuur 3.16). Dat betekent dat we de groei in het besteedbare inkomen van mensen overschatten als we geen rekening houden met inflatie. Met hoeveel is onduidelijk omdat hier zoals

gezegd de gegevens voor andere jaren ontbreken. Overigens geldt dat in dezelfde mate voor de andere grote

steden. De inflatie wordt immers landelijk berekend. De inflatie verstoort aldus de gerapporteerde verschillen in mediaan inkomen tussen de G4 niet.

30 Veranderingen in het mediane (gestandaardiseerde) huishoudinkomen hangen samen met de economische groei (BBP), bijvoorbeeld doordat er hogere lonen worden uitbetaald in hoogconjunctuur, maar hangen

niet perfect samen. Zo kunnen door CAO afspraken lonen stijgen terwijl de conjunctuur dalende is, of er

hoogconjunctuur zijn terwijl de lonen niet stijgen. Naast de loonstijgingen, kunnen ook prijsveranderingen (inflatie/deflatie) de samenhang doen afnemen.

31 Dit blijkt ook uit interne rapportage van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019, Statistische Trends 2019, Ongelijkheid in inkomen en vermogen).

41

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

TABEL 3.3 AANDEEL INKOMENSDECIELEN IN G4 TEN OPZICHTE VAN HEEL NEDERLAND, 2018 Inkomensdeciel 1e

2e

3e

4e

5e

6e

7e

8e

9e

10e

Nederland

10%

10%

10%

10%

10%

10%

10%

10%

10%

10%

Amsterdam

18%

13%

9%

9%

8%

7%

7%

7%

8%

13%

Den Haag

15%

14%

10%

9%

9%

8%

8%

8%

8%

11%

Rotterdam

16%

16%

11%

10%

9%

8%

8%

7%

8%

8%

Utrecht

20%

10%

8%

8%

8%

8%

8%

9%

11%

12%

Noot: Standaardisatie inkomensdecielen voor heel Nederland

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84639NED/table?ts=1604318769069) Over de tijd bezien, tussen 2011 en 2018, is deze inkomensverdeling in Den Haag en de andere drie grote steden onveranderd gebleven (tabel 3.4). Dat wordt hier weergeven voor het rijkste eerste inkomensdeciel en het armste tiende inkomensdeciel. TABEL 3.4 AANDEEL EERSTE EN TIENDE INKOMENSDECIEL IN G4 TEN OPZICHTE VAN HEEL NEDERLAND, 2011-2018 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Amsterdam

20%

19%

20%

19%

19%

19%

18%

18%

Den Haag

15%

15%

15%

15%

15%

16%

15%

15%

Rotterdam

17%

17%

17%

17%

16%

17%

16%

16%

Utrecht

22%

22%

21%

22%

21%

21%

21%

20%

Amsterdam

11%

12%

12%

12%

12%

13%

13%

13%

Den Haag

11%

11%

11%

11%

11%

11%

11%

11%

Rotterdam

7%

7%

7%

7%

8%

8%

8%

8%

Utrecht

11%

11%

12%

12%

12%

12%

12%

12%

1e deciel

10e deciel

Noot: Standaardisatie inkomensdecielen voor heel Nederland Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84639NED/table?ts=1604318769069) ● In Den Haag en de andere drie grote steden is het rijkste deel van de bevolking rijker wat betreft haar aandeel in het huishoudinkomen dan in de rest van Nederland ● Tussen 2014 en 2018 is dat onveranderd gebleven

42

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

3.5.3 Aandeel lage inkomens

Naast de verdeling van de ‘inkomenskoek’ (hoeveel krijgen rijkeren en armen daarvan?), is het de vraag hoeveel rijkeren en armen er in de populatie überhaupt zijn. Het CBS rapporteert het aandeel lage inkomens naar regio en periode.32 We zien in figuur 3.17 dat het aandeel huishoudens dat tenminste één jaar lang een laag inkomen heeft licht is afgenomen in Den Haag – net als elders in de G4 – van 15% in 2014 naar 13% in 2018 (afname van 13%). We zien verder dat Den Haag relatief een groter aandeel huishoudens met een laag inkomen heeft dan heel Nederland en Utrecht (in 2020 respectievelijk 13%, 10% en 8%), maar wel iets minder dan Amsterdam (14%) en Rotterdam (15%). FIGUUR 3.17 AANDEEL HUISHOUDENS MET TENMINSTE 1 JAAR LAAG INKOMEN, NEDERLAND EN G4 2011-2018 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0%

2011

2012

Amsterdam

2013 Den Haag

2014

2015

2016

Rotterdam

Utrecht

2017

2018 Nederland

Bron: CBS Inkomens / VNG (https://www.waarstaatjegemeente.nl/) Den Haag steekt eveneens ongunstiger af ten opzichte van Nederland en Utrecht als het gaat om het aandeel huishoudens met tenminste vier jaar lang een laag inkomen (figuur 3.18). Dit aandeel is in Den Haag in 2018 twee keer zo hoog als voor heel Nederland (6,2% versus 3,3%) en een factor 1,4 zo sterk als in Utrecht (aandeel 4,5%). Maar ze doet het iets beter in dit opzicht dan Amsterdam en Rotterdam die allebei een procentpunt hoger scoren hierop. We zien wel, net als elders, een lichte stijging van het aandeel huishoudens met tenminste vier jaar een laag inkomen in Den Haag tussen 2014 (5,1%) en 2018 (6,2%; stijging is relatief sterk met 22%, maar absoluut klein; één procentpunt).

32 Om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft, wordt het besteedbaar inkomen van een huishouden (exclusief gebonden overdrachten zoals huursubsidie/huurtoeslag) omgerekend tot het gestandaardiseerde

inkomen. Vervolgens wordt dit gestandaardiseerde inkomen (met het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie) herleid naar het prijspeil in 2000. Het resulterende gestandaardiseerde en gedefleerde inkomen is laag wanneer het minder is dan 9.250 euro. Deze grens komt ongeveer overeen met de koopkracht van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande in 1979, toen deze op zijn hoogst was.

43

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.18 AANDEEL HUISHOUDENS MET TENMINSTE 4 JAAR LAAG INKOMEN, NEDERLAND EN G4 2014-2018 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0%

2014

2015

2016

2017

2018

Amsterdam

Den Haag

Rotterdam

Utrecht

Nederland

Bron: CBS Inkomens / VNG (https://www.waarstaatjegemeente.nl/) ● Den Haag kende een lichte daling in het aandeel inkomens met tenminste 1 jaar laag inkomen maar een lichte stijging in het aandeel inkomens met tenminste 4 jaar een laag inkomen tussen 2014-2018 ● Den Haag heeft meer lage inkomens dan Utrecht, maar minder dan Rotterdam en Amsterdam

3.5.4 Bijstand

Een andere maat voor de verdeling van inkomens is het aandeel huishoudens met een bijstandsuitkering. Deze maat overlapt sterk met het aandeel lage inkomens, maar niet perfect omdat onder lage inkomens ook veel huishoudens te vinden zijn die geen aanspraak maken op een bijstandsuitkering, bijvoorbeeld werkende armen. We zien in figuur 3.19 dat in 2018 in Den Haag 10,4% van de huishoudens een bijstandsuitkering heeft (waar het aandeel lage inkomens 13% bedraagt). Wederom zien we dat Den Haag gunstiger scoort dan Rotterdam (13%) op deze indicator en ongunstiger dan Utrecht (6%). Vergeleken met Amsterdam (9,3%) is het verschil klein. In de periode 2014-2018 is er geen noemenswaardige verandering te zien in het aandeel bijstandsontvangers, noch in Den Haag noch elders (ze steeg slechts 3% voor Den Haag). Dit is in lijn met het stabiele aandeel inactieven in de bevolking in Den Haag (zie 3.3).

44

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.19 AANDEEL HUISHOUDENS MET EEN BIJSTANDSUITKERING, NEDERLAND EN G4 2011-2018 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0%

2011

2012

Amsterdam

2013

2014

Den Haag

2015

2016

Rotterdam

2017

Utrecht

2018 Nederland

Bron: CBS Participatiewet / VNG (https://www.waarstaatjegemeente.nl/) Onder deze trend van een stabiel aandeel bijstandsontvangers schuilen echter wel specifieke ontwikkelingen. Zo nam het aantal met een bijstandsuitkering duidelijk af onder jongeren tot 27 jaar en onder personen tussen 27 en 50 jaar, maar nam ze toe onder de groep van 50 jaar en ouder tussen 2016 en 2019 (figuur 3.20). Die ontwikkelingen liggen niet aan bevolkingsontwikkelingen: het aandeel jongeren in de populatie bleef vrijwel stabiel in Den Haag en het aandeel 50 plussers nam maar licht toe (DHIC, 2020). FIGUUR 3.20 ONTWIKKELING AANTAL BIJSTANDSUITKERINGEN NAAR LEEFTIJDSGROEP (INDEX 2016=100), DEN HAAG 2016-2019 120 100 80 60 40 20 0

jonger dan 27 jaar 2016 (100%)

van 27 tot 50 jaar 2017

2018

50 jaar en ouder

2019

Bron: Factsheet Werk en Inkomen, dienst SZW

45

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

Ook is er dynamiek door in- en uitstroom uit de bijstand. De instroom in de bijstand in Den Haag is in totaal met 890 personen afgenomen tussen juli 2017 en juli 2019 van 3.090 naar 2.200 personen, een afname met 29% (figuur 3.21). In januari 2020 nam de instroom echter weer toe. De uitstroom uit de bijstand een jaar na peildatum juli 2017 (tot juli 2018 stroomden 5.480 personen van de 29.280 personen die in juli 2017 in bijstand zaten uit; zie figuur 3.22) was beduidend hoger dan de instroom op dat moment (2480 instroom; vgl. figuur 3.21). Dat geldt ook als we juli 2018 als peildatum nemen en kijken naar de situatie in juli 2019 (4.570 uitstroom versus 2.200 instroom). We zien overigens dat mensen om diverse redenen in de bijstand kunnen stromen: werkloosheid, WW-einde en immigratie zijn de meest voorkomende redenen.33 Opname van betaald werk is wederom de meest voorkomende bekende reden voor uitstroom uit de bijstand. FIGUUR 3.21. INSTROOM IN BIJSTAND EN SITUATIE HALFJAAR VOOR INSTROOM (AANTALLEN), DEN HAAG 2017-2020 3500

3000

2500 Overig/onbekend

Vanuit institutioneel huishouden Vanuit detentie

2000

Vanuit huwelijk/samenwonen

Niet in Nederland woonachtig Statushouder

WW of andere uitkering

1500

Elders in de bijstand

Schoolgaand of studerend Met werk

1000

500

0

juli 2017

januari 2018

juli 2018

januari 2019

juli 2019

januari 2020

Bron: CBS (https://dashboards.cbs.nl/v2/bijstandsmonitor_den_haag/)

33 Van de mensen die van werk in bijstand stroomden in Den Haag, betreft het overgrote deel (zo’n 65%) personen met een flexibele arbeidsrelatie, 16% betreft personen met een vast contract en 19% betreft personen die zelfstandige zijn. Dit is gedurende de 2017-2019 periode amper veranderd (https://dashboards.cbs.nl/v2/ bijstandsmonitor_den_haag/).

Den Haag

46

Amsterdam

Utrecht

Rotterdam

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.22. UITSTROOM UIT BIJSTAND EN SITUATIE NA UITSTROOM VAN PERSONEN DIE OP 1 JULI 2017 IN DE BIJSTAND ZITTEN (AANTALLEN; N=29.280), DEN HAAG 8000

Overig/onbekend

Institutioneel huishouden Gedetineerden

7000

Naar huwelijk/samenwonen

Niet in Nederland/overleden WW of andere uitkering

6000

Elders in de bijstand Zelfstandige Deels werk

Continu werk

5000

4000

3000

2000

1000

0

6 mnd

12 mnd

18 mnd

Bron: CBS (https://dashboards.cbs.nl/v2/bijstandsmonitor_den_haag/) ● Den Haag kende een stabiel aandeel mensen met een bijstandsuitkering in de periode 2014-2019 ● Den Haag kent minder personen in de bijstand dan Rotterdam, maar meer dan Utrecht ● Wel zijn de ontwikkelingen in Den Haag verschillend per leeftijdsgroep: een afname onder personen tot 50 jaar en een toename van personen ouder dan 50 jaar ● De instroom in de bijstand nam in de Haag tussen 2017 en 2019 af, maar tussen 2019 en 2020 toe

3.5.5 Vermogen van huishoudens

Over de vermogens van huishoudens naar gemeente bestaat slechts één openbare statistiek van het CBS: het mediane vermogen van huishoudens naar regio.34 Deze is nog verder gespecifieerd naar al dan niet woningbezit.

34 Wel is er een interne rapportage van het CBS over vermogensongelijkheid naar regio. Die blijkt groter in de G4 (steden niet nader gespecificeerd) dan elders in Nederland (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019, Statistische Trends 2019, Ongelijkheid in inkomen en vermogen).

47

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

Kijken we naar het mediane vermogen van huishoudens (exclusief studenten; figuur 3.23), dan zien we dat Den Haag in de G4 een middenpositie inneemt samen met Amsterdam, terwijl in Utrecht huishoudens aanzienlijk meer en in Rotterdam huishoudens aanzienlijk minder vermogen hebben.35 Dit is in overeenstemming met het beeld dat we zagen voor werk en inkomen.36 Het mediane vermogen van Haagse huishoudens in 2018 is een half keer zo groot als dat van de Utrechtse huishoudens, maar wel twee zo groot als dat van Rotterdamse huishoudens. Over de tijd heen zien we hetzelfde beeld voor de G4: tussen 2011 en 2014 een daling van het mediane vermogen en vanaf 2014 tot en met 2018 een sterke stijging (voor Den Haag bijna een vervijfvoudiging). Die stijging was het sterkst in Utrecht. FIGUUR 3.23 MEDIAAN VERMOGEN HUISHOUDENS (EX-STUDENTEN; X 1.000 EURO), G4 2011-2018 25 20 15 10 5 0

2011

2012

Amsterdam

2013

2014

Den Haag (gemeente)

2015

2016 Rotterdam

2017

2018

Utrecht (gemeente)

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/70072ned/table?ts=1601548867541) De stijging in vermogen is ook te zien bij woningbezitters in Den Haag en elders (figuur 3.24). Echter, niet Utrecht maar Amsterdam vertoont de sterkste stijging, terwijl Den Haag wederom een middenpositie inneemt. De sterke stijging voor Amsterdam laat zich verklaren door de gespannen woningmarkt aldaar. Vanwege de hogere vermogens van woningbezitters dan van alle huishoudens, stellen deze veranderingen in absolute zin natuurlijk wel een veel grotere stijging van het huishoudvermogen voor. Tussen 2014 en 2018 hebben Haagse woningbezitters (huishoudens met woningbezit) hun mediane vermogen zien stijgen van 60,400 euro naar 133,900 euro, terwijl dat voor alle Haagse huishoudens gezamenlijk (woning en niet-woning bezitters) een stijging was van 2,200 euro naar 10,800 euro. Met dit soort ongelijkheden houden we ons hieronder ook bezig. 35 Vermogen is het saldo van bezittingen en schulden. Bezittingen worden gevormd door bank- en spaartegoeden, effecten, de eigen woning, overig onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en de overige bezittingen. De schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning en consumptief krediet.

36 We rapporteren de gegevens voor Nederland niet omdat de Nederlandse populatie gemiddeld ouder is en bekend is dat met leeftijd het vermogen sterk stijgt.

48

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.24 MEDIAAN VERMOGEN WONINGBEZITTERS (EX-STUDENTEN; X 1.000 EURO), G4 2011-2018 300 250 200 150 100 50 0

2011

2012

Amsterdam

2013

2014

Den Haag (gemeente)

2015

2016 Rotterdam

2017

2018

Utrecht (gemeente)

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/70072ned/ table?ts=1601548867541) ● Den Haag kende tussen 2014-2019 een sterke stijging van het mediane vermogen ● Den Haag kent een lager mediaan vermogen dan Utrecht, maar hoger dan Rotterdam ● In absolute zin stegen met name de vermogens van woningbezitters in Den Haag

SAMENVATTEND ● Tussen 2014-2019 steeg in Den Haag het mediane inkomen en vermogen van huishoudens (met name van woningbezitters) aanzienlijk en nam het aandeel huishoudens met kortstondig laag inkomen licht af ● Maar: • Het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen en het aandeel personen met een bijstandsuitkering is vrijwel gelijk gebleven; • Den Haag kent een lager mediaan besteedbaar huishoudinkomen en vermogen dan Utrecht (en wat woningvermogen betreft ook vergeleken met Amsterdam) en meer lage inkomens en bijstandsontvangers.

3.6

 erdeling van werk en inkomen naar achtergrondV kenmerken

Hoewel het in het algemeen vrij goed gaat op de arbeidsmarkt in Den Haag vanaf 2014 tot de coronacrisis – er wordt meer gewerkt, de werkloosheid daalt, er wordt meer verdiend en er wordt meer vermogen opgebouwd – is het de vraag of iedereen van deze ontwikkeling in gelijke mate profiteert. De Economische Visie voor Den Haag heeft hieromtrent een duidelijke ambitie geformuleerd, namelijk brede economische bloei. Dat wil zeggen, een bloeiende economie waarvan iedereen profiteert.

49

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

We zagen hierboven al een aantal voorbeelden dat niet iedereen in gelijke mate heeft geprofiteerd van de welvaartsgroei. Zo is het aandeel inactieven in de bevolking gelijk gebleven in de periode 2014-2019 in Den Haag en betraden bepaalde groepen de arbeidsmarkt niet. Daarnaast constateerden we inkomens- en vermogensongelijkheid en bleek dat het vermogen van woningbezitters veel sterker steeg dan van alle huishoudens in Den Haag. De vraag is echter niet simpel of iedereen profiteert van economische welvaart ja of nee, maar hoe groot de verschillen zijn en naar welke kenmerken. In principe zijn er – zoals onderzoek naar sociale ongelijkheid in algemene zin heeft laten zien – heel veel mogelijke bepalers van het hebben van veel of weinig schaarse goederen. We focussen ons op de belangrijkste bepalers, voor welke gegevens voor Den Haag beschikbaar zijn (opleidingsniveau, geslacht, leeftijd, migratieachtergrond en de wijk), en op de uitkomsten werkloosheid, bruto arbeidsparticipatie en het hebben van een bijstandsuitkering.

3.6.1

Werkloosheid naar achtergrondkenmerken

Tabel 3.5 laat zien dat de algemene trend naar dalende werkloosheid die voor Den Haag

tussen 2014 en 2019 voor Den Haag is geconstateerd (en die hieronder nog te zien is onder “totaal personen”), ten goede is gekomen aan groepen die een achterstandspositie op de arbeidsmarkt hadden (en hebben) zoals lager opgeleiden, niet-westerse migranten en jongeren. Om nog specifieker te zijn: meer dan ten goede. Zo daalde de werkloosheid onder lager opgeleiden (personen met een hoogst behaalde onderwijsniveau van basisonderwijs, vmbo, eerste 3 jaar havo/vwo) acht procentpunten, terwijl die onder hoger opgeleiden (personen met een hoogst behaalde onderwijsniveau van hbo of wo) drie procentpunten daalde. Hoewel in beide groepen de werkloosheid zich halveerde, gaat het bij de lager opgeleiden om een absoluut gezien veel sterkere daling. Als gevolg hiervan zijn in 2019 de verschillen in werkloosheid tussen lager en hoger opgeleiden geringer dan in 2014 (resp. 6 en 11 procentpunten). Dus, er kan inderdaad gezegd worden dat lager opgeleiden sterker hebben geprofiteerd van dalende werkloosheid dan hoger opgeleiden. Dit laat zich bijvoorbeeld verklaren doordat lager opgeleiden vaker de flexibele schil op de arbeidsmarkt vormen. Bij laagconjunctuur verliezen lager opgeleiden hierdoor eerder hun baan dan hoger opgeleiden, maar bij hoogconjunctuur – zoals tussen 2014 en 2019 – vinden lager opgeleiden ook weer sneller werk.

Ook jongeren (hier 15-25 jaar) en niet-westerse migranten profiteerden meer van de dalende werkloosheid dan hun referentiegroepen van respectievelijk ouderen en autochtonen. Voor vrouwen zou men dat ook kunnen zeggen, maar de verschillen in werkloosheid met mannen waren in 2014 reeds zwak. Wel blijft het zo dat de genoemde kwetsbare groepen een aanzienlijke achterstand houden op de arbeidsmarkt wat betreft de kansen op het vinden van betaald werk.

50

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

TABEL 3.5 WERKLOOSHEID (%) NAAR ACHTERGRONDKENMERKEN, DEN HAAG 2014-2019 2014

2015

2016

Totaal personen

10,9%

10,1%

8,8%

Geslacht: mannen

10,6%

9,9 %

8,2%

Geslacht: vrouwen

11,3%

10,3%

9,6%

Leeftijd: 15 tot 25 jaar

19,4%

16,0%

Leeftijd: 25 tot 45 jaar

9,6%

8,6%

2017

2018

2019

7,2%

5,2%

5,1%

6,8%

5,3%

5,1%

7,6%

5,1%

5,0%

16,7%

13,8%

10,0%

9,8%

6,9%

5,8%

4,0%

4,0%

Leeftijd: 45 tot 75 jaar

9,6%

9,8%

8,3%

6,5%

5,1%

4,6%

Migratieachtergrond: Nederland

6,9%

6,2%

6,0%

5,1%

3,6%

3,4%

Migratieachtergrond: westers

9,1%

9,5%

8,5%

6,1%

5,3%

4,8%

Migratieachtergrond: niet-westers

17,8%

16,2%

13,3%

11,0%

7,4%

7,5%

Onderwijsniveau: laag onderwijs

17,1%

17,6%

14,7%

12,1%

9,9%

8,8%

Onderwijsniveau: middelbaar onderwijs

12,4%

12,1%

10,2%

8,4%

5,5%

5,7%

Onderwijsniveau: hoog onderwijs

6,4%

4,8%

4,9%

4,1%

2,9%

2,9%

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84703NED/table?ts=1605602918555) ● Kwetsbare groepen (lager opgeleiden, niet-westerse migranten en jongeren) lieten een sterkere daling in werkloosheid zien dan niet-kwetsbare groepen in Den Haag tussen 2014 en 2019 ● Wel blijft het zo dat de genoemde kwetsbare groepen in 2019 in Den Haag nog steeds aanzienlijk vaker werkloos zijn dan niet-kwetsbare groepen

3.6.2 Bruto arbeidsparticipatie naar achtergrondkenmerken

Wat betreft de bruto arbeidsparticipatie, de werkenden en werklozen als aandeel van de totale populatie tussen 15-75 jaar, zien we dat het beeld van algemene stabiliteit in Den Haag tussen 2014 en 2019 (ongeveer twee op de drie mensen werkt of is werkloos; zie figuur 3.8) iets genuanceerd kan worden, maar de trends per groep zijn niet sterk. In overeenstemming met de bevinding van sterker gedaalde werkloosheid onder kwetsbare groepen, zien we in tabel 3.6 onder niet-westerse migranten en vrouwen een lichte toename van de bruto arbeidsparticipatie (minder inactieven), terwijl dat onder de referentiegroepen van autochtonen en mannen niet te zien is. Jongeren en lager opgeleiden vormen hierop – op het beeld van de inhaalslag onder achterstandsgroepen – een uitzondering. Zowel onder de jongste als oudste leeftijdsgroep op de arbeidsmarkt neemt de bruto arbeidsparticipatie toe, terwijl zowel onder lager en hoger opgeleiden geen verandering te zien is. Het aandeel inactieven daalt aldus onder niet-westerse migranten, vrouwen en jongeren, maar niet onder lager opgeleiden in de genoemde periode in Den Haag. De eerste trend is heugelijk, hoewel ze nog niet sterk te noemen is; de tweede trend zorgelijk.

Er zijn meer lager opgeleiden gaan werken in de beroepsbevolking en minder werden er werkloos (tabel 3.5), maar dat heeft nog niet geleid tot een lager aandeel inactieven onder lager opgeleiden. Dit is des te zorgelijker omdat de verschillen in inactiviteit tussen lager en hoger opgeleiden zeer sterk te noemen zijn (48% bruto arbeidsparticipatie onder lager opgeleiden versus 70% en 83% onder middelbaar en hoger opgeleiden). Een groot deel van de lager opgeleiden in Den Haag — een lichte meerderheid zelfs — heeft hierdoor geen binding met de arbeidsmarkt.

51

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

TABEL 3.6. BRUTO ARBEIDSPARTICIPATIE (%) NAAR ACHTERGRONDKENMERKEN, DEN HAAG 2014-2019 2014

2015

2016

2017

2018

2019

Totaal personen

67,2%

67,0%

66,3%

66,4%

67,6%

68,4%

Geslacht: mannen

73,3%

72,5%

72,1%

72,6%

72,8%

73,5%

Geslacht: vrouwen

61,1%

61,6%

60,5%

60,3%

62,5%

63,4%

Leeftijd: 15 tot 25 jaar

57,2%

59,1%

57,8%

57,5%

55,4%

59,7%

Leeftijd: 25 tot 45 jaar

82,3%

81,1%

79,5%

80,1%

82,8%

83,2%

Leeftijd: 45 tot 75 jaar

56,3%

56,8%

57,3%

57,3%

58,5%

58,6%

Migratieachtergrond: Nederland

69,0%

68,9%

68,4%

68,9%

68,6%

69,5%

Migratieachtergrond: westers

67,9%

67,6%

66,7%

69,2%

69,0%

69,5%

Migratieachtergrond: niet-westers

64,6%

64,4%

63,6%

62,0%

65,9%

67,1%

Onderwijsniveau: laag onderwijs

48,0%

47,0%

45,5%

44,7%

46,8%

48,2%

Onderwijsniveau: middelbaar onderwijs

70,1%

69,2%

68,3%

68,7%

70,1%

70,4%

Onderwijsniveau: hoog onderwijs

82,9%

83,3%

84,1%

83,9%

82,2%

83,0%

Bron: CBS https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84703NED/table?ts=1605602918555) ● Het aandeel inactieven daalde onder niet-westerse migranten, vrouwen en jongeren, maar niet onder lager opgeleiden in Den Haag tussen 2014-2019 ● Vrouwen, jongeren en lager opgeleiden blijven een aanzienlijke achterstand houden op de arbeidsmarkt in Den Haag, terwijl de achterstand in bruto arbeidsparticipatie tussen niet-westerse migranten en autochtonen vrijwel is verdwenen in 2019

3.6.3 Inkomen van ZZP’ers

Een andere vorm van sociale ongelijkheid betreft die tussen zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers) en overige werknemers. Hoewel ZZP’ers een hoger mediaan (gestandaardiseerd) inkomen hebben dan de gehele populatie (inclusief werkenden, werklozen en inactieven), is er veel ongelijkheid binnen de groep van ZZP’ers en ervaren relatief velen financiële problemen en armoede. Dat de inkomens van ZZP’ers gemiddeld hoger zijn dan in de gehele populatie, zien we als we figuur 3.25 vergelijken met figuur 3.16. In 2013 was het mediaan besteedbaar huishoudinkomen in de gehele Haagse populatie 21.700 euro per jaar en onder ZZP’ers 25.200 euro (cijfers voor werkenden zijn niet bekend). Wel is het mediane inkomen van ZZP’ers in Den Haag lager dan van ZZP’ers uit de andere drie grote steden en dan van ZZP’ers in geheel Nederland. Dat zou met de relatief grote omvang en groei van ZZP’ers in Den Haag te maken kunnen hebben (zie hoofdstuk 6). Kennelijk maken velen – ook financieel minder draagkrachtigen – de sprong naar ZZP’er-schap. Verder registreert een grote groep arbeidsmigranten in Den Haag zich als ZZP’er om in de bouw of het Westland te werken.

52

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.25 MEDIAAN GESTANDAARDISEERD HUISHOUDINKOMEN VAN VAN ZZP'ERS (X 1.000 EURO), NEDERLAND EN G4 2014-2017 34 32 30 28 26 24 22 20

2014 Nederland

2015 Amsterdam

2016 Den Haag

Rotterdam

2017 Utrecht

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84661NED/table?ts=1604308535532) Ondanks de niet geringe mediane inkomens van ZZP’ers bevinden zich velen in een financieel slechte situatie en in armoede. We zien dat in 2018 landelijk 9% van de huishoudens waarin de voornaamste inkomensbron uit zelfstandig ondernemerschap komt tenminste een jaar met een laag inkomen leeft (figuur 3.26). Onder huishoudens die hun voornaamste inkomensbron uit een werknemers positie halen is dit slechts 2%. In de vier grote steden is de armoede onder zelfstandigen nog pregnanter, met name in Amsterdam waar 18% van de zelfstandigen-huishoudens een langdurig laag inkomen heeft. In Den Haag is dit percentage 15%, in Rotterdam 16% en in Utrecht 13%. Het verschil met werknemers in de G4 is hiermee ook groter want werknemers in de G4 hebben maar iets vaker een laag inkomen dan in de rest van Nederland.

53

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.26 PERCENTAGE HUISHOUDENS MET LAAG EN LANGDURIG (TENMINSTE 1 JAAR) LAAG INKOMEN, WERKNEMERS EN ZELFSTANDIGEN, NEDERLAND EN G4 2018 20%

18%

18% 16%

15,6%

14,7%

14%

13,1%

12% 9,1%

10% 8% 6% 4% 2% 0%

2,0% Nederland

3,1%

3,3%

3,1%

Amsterdam

Den Haag

Rotterdam

werknemer

2,6%

Utrecht

zelfstandige

Noot: voornaamste inkomstenbron inkomen als werknemer of zelfstandige Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84641NED/table?ts=1604308619057) Tussen 2014 en 2019 is het aandeel zelfstandigen dat leeft met een langdurig laag inkomen licht gedaald in Nederland en de G4 (figuur 3.27). Was het aandeel in 2014 18% voor Den Haag, in 2018 was het 15%. Die daling zette in 2013 al in. De daling in armoede onder zelfstandigen is opvallend gegeven de sterke toename van zelfstandigheid in zowel Den Haag als elders in deze periode (zie hoofdstuk 6). Als er meer zelfstandigen komen, zouden we kunnen verwachten dat er ook een groter deel het niet redt met hun onderneming. Anderzijds zouden juist veel zelfstandigen kunnen zijn gestart vanwege de betere economische vooruitzichten. Overigens is de daling van het aandeel lage inkomens onder zelfstandigen in Den Haag in overeenstemming met de daling van lage inkomens in de gehele Haagse populatie (zie figuur 3.17).

54

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 3.27 PERCENTAGE HUISHOUDENS MET LAAG EN LANGDURIG (TENMINSTE 1 JAAR) LAAG INKOMEN, ZELFSTANDIGEN, NEDERLAND EN G4 2011-2018 25% 20%

15% 10% 5% 0%

2011

2012

Nederland

2013 Amsterdam

2014

2015 Den haag

2016 Rotterdam

2017

2018 Utrecht

Noot: voornaamste inkomstenbron inkomen als zelfstandige Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84641NED/table?ts=1604308619057) De financiële risico’s van zelfstandig ondernemerschap komen ook tot uiting bij de coronacrisis. Het CBS becijferde dat bij wegvallen van de inkomsten van drie maanden, bij 19% van hen de resterende financiële middelen van het huishouden onder de minimumloongrens zakken. Bij een vol jaar aan gederfd inkomen komen bij meer dan een derde van de zelfstandigen de financiële middelen onder deze kritische grens. Deze daling is sterker onder zelfstandigen zonder personeel, jongere zelfstandigen, zelfstandigen in de horeca, bouw en vervoer en zelfstandigen in Den Haag dan voor andere zelfstandigen. Na 12 maanden inkomensderving zou het aandeel zelfstandigen dat onder de minimumloongrens valt in Den Haag in 2018 op 52% uitkomen, terwijl dat in Rotterdam 48%, in Amsterdam 43% en in Utrecht 36% is. Zelfstandigen in Bloemendaal en Rozendaal zouden na een jaar inkomensderving met 21% het minst vaak onder de minimumloongrens komen. Deze verschillen tussen steden zijn ten dele het gevolg van verschillen in de uitgangssituatie in inkomen en vermogens.37 ● Hoewel ZZP’ers gemiddeld een redelijk inkomen hebben, is bij velen de kans op een laag inkomen en armoede groot.

Het aandeel lage inkomens onder zelfstandigen in Den Haag is niet groter dan elders in de G4, maar het risico op armoede als gevolg van de coronacrisis is wel groter

37 Zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/28/het-effect-van-het-wegvallen-van-het-zelfstandigeninkomen

55

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

3.6.4 Wijkverschillen

Naast verschillen naar opleiding, leeftijd, geslacht en migratieachtergrond, bestaan er – zoals bekend uit veel eerdere onderzoekingen voor Den Haag – sterke wijkverschillen in de economische positie van bewoners.38 Het CBS rapporteert de verdeling van uitkeringen (werkloosheid, bijstand, arbeidsongeschiktheid, AOW) naar wijken in Den Haag in 2013 en 2019. We zien met name aanmerkelijk wijkverschillen in het aandeel personen met een bijstandsuitkering; wijkverschillen zijn veel geringer in het aandeel werkloosheidsuitkeringen en het aandeel arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Zo heeft in 2013 16% van de inwoners van Schilderswijk en 15% van de inwoners van Binckhorst vanaf 15 jaar een bijstandsuitkering, terwijl dat in veel andere wijken slechts 1% is (bijv. Archipelbuurt) of 0% (bijv. Van Stolkpark en Scheveningse Bos). In 2019 zijn deze wijkverschillen amper veranderd, op wat uitschieters na. Zo maakt Binckhorst een aanzienlijke daling door en Hoornwijk en Zuiderpark een sterke stijging in het aandeel personen met een bijstandsuitkering. ● Er bestaan aanzienlijke wijkverschillen in het aandeel bijstandsontvangers in Den Haag in 2019, waarin bekende achterstandswijken (zoals Schilderswijk) een veel groter aandeel laten zien dan andere wijken ● Deze wijkverschillen zijn amper veranderd in Den Haag tussen 2013-2019

SAMENVATTEND ● De werkloosheid daalde tussen 2014-2019 in Den Haag sneller onder kwetsbare groepen (lager opgeleiden, niet-westerse migranten en jongeren) dan niet-kwetsbare groepen en de inactiviteit daalde ook sneller onder deze groepen (m.u.v. lager opgeleiden) ● Maar: • Deze kwetsbare groepen zijn in 2019 nog altijd op grote afstand (vaker werkloos en inactief) van niet-kwetsbare groepen (m.u.v. niet-westerse migranten); • Er zijn bestaan aanzienlijke wijkverschillen in Den Haag in met name het aandeel bijstandsontvangers. Dit is vrijwel onveranderd gebleven tussen 2014 en 2019; • ZZP’ers in Den Haag hebben, net als elders, een groter risico op het belanden in armoede dan werknemers. Tijdens de coronacrisis hebben ZZP’ers in Den Haag een relatief groter armoederisico dan elders in de G4.

38 De vraag in dit soort onderzoeken naar wijkverschillen is altijd of deze wijkverschillen echte (causale)

wijkeffecten weerspiegelen van het wonen in een achterstandswijk of selectieve migratie van kwetsbare

groepen naar achterstandswijken dan wel populatiecompositie op een ongecontroleerd kenmerk (bijv. lagere opleiding). Causale wijkeffecten blijken daarbij veelal zwakker dan selectieve migratie-effecten of verschillen die tot stand komen door populatiecompositie. Merk op dat in onze grove analyse we nergens voor kunnen controleren.

56

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

57

4.

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

58

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

4. S  TAD: EEN ATTRACTIEVE STAD VOOR BEWONERS, BEZOEKERS EN TALENT? 4.1

Samenvatting

Indicator

2014

Aandeel tevreden over woning

Binnenlands vestigingsoverschot (#)

2016

2017

79,2%

Aandeel tevreden over woonomgeving Woonaantrekkelijkheid (rang)

2015

2018

2019

74,3%

74,9%

76,8%

20142019 % verandering

% punt verschil

-6,2%

-4,9%

2,5%

1,9%

5

6

7

5

6

6

-609

-1124

-1249

-1151

-2748

-3677

503,8%

Buitenlands vestigingsoverschot (#)

3884

3983

3720

6515

6040

9380

141,5%

Aantal HBO/WO studenten

23844

23898

24342

25091

26035

26287

10,2%

Aantal internationale organisaties

455

Bezoekersaantal

480 9000

12500

Aantrekkingskracht buitenlands talent (rangorde)

9500

28

54

Nederlandse gasten met hotelovernachting (x 1000)

424

430

457

549

551

533

25,7%

Buitenlandse gasten met hotelovernachting (x 1000)

417

468

473

519

528

499

19,7%

Zakelijke overnachtingen (x 1000)

710

810

720

770

750

770

8,5%

111

147

179

195

214

93,2%

47,3

49,5

52,7

Congres deelnemersdagen ( x 1000) Besteding toerist (gemiddeld in E per bezoek)

● Den Haag is een aantrekkelijke stad voor bewoners. Bewoners zijn over het algemeen tevreden over woning en woonomgeving en Den Haag scoort hoog op de woonaantrekkelijkheidsindex. • Maar: • Er is veel minder tevredenheid onder huurders dan huiseigenaren en na 2015 daalt de tevredenheid onder huurders; • Den Haag blijft wat betreft woontevredenheid en woonaantrekkelijkheid iets achter op Utrecht en Amsterdam • Net als de andere drie grote steden scoort Den Haag minder goed op (objectieve) veiligheid en het aandeel koopwoningen; • De aantrekkelijkheid van het cultureel en culinair aanbod is in Den Haag iets gedaald tussen 2016 en 2019, maar de bereikbaarheid van banen nam toe. ● Den Haag is ook een aantrekkelijke stad voor mensen van buiten om er te gaan wonen, te werken of te studeren. Er vestigen zich tussen 2014 en 2019 steeds meer buitenlanders in Den Haag (positief migratieoverschot), het aandeel HBO en WO studenten is gestegen en het aantal internationale organisaties is gegroeid. • Maar: • Er vertrekken ook steeds meer mensen naar een andere gemeente in Nederland dan er zich vestigen in Den Haag vanuit een andere gemeente (d.w.z. een groeiend binnenlands vertrekoverschot); • Den Haag kent een beduidend kleiner aandeel studenten dan de drie andere grote steden als gevolg van het geringere aanbod van opleidingen.

59

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

● Den Haag is ook een aantrekkelijke stad voor bezoekers. Er is sprake van een gestage groei van het aantal gasten met hotelovernachting in Den Haag tussen 2012 en 2019 en ook groei van het aantal zakelijke gasten met hotelovernachting en het aantal congresdagen. • Maar na een piek in het aantal zakelijke gasten in 2015 fluctueren de zakelijke overnachtingen.

4.2

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een beknopt overzicht gegeven van de mate waarin Den Haag een attractieve stad is om te wonen, om zich te vestigen en om te bezoeken. Dit betreft het strategische doel 1 uit de Economische Visie. We kijken naar woontevredenheid, aantrekkingskracht voor mensen van buiten en de aantrekkingskracht voor toeristen. De attractiviteit van Den Haag voor bedrijven bespreken we in hoofdstuk 6. Het belang van een attractieve stad voor brede economische bloei is in de Economische Visie als volgt omschreven (p. 27): “De gemeente Den Haag werkt er al geruime tijd aan om de stad aantrekkelijker te maken en scoort hier goed op. Dit gebeurt onder andere door het toeristisch aanbod te vergroten, congressen aan te trekken, de marketing van de stad te verbeteren, het aanbod van winkels en cultuur te vergroten, ruimte te bieden voor vernieuwende horecaconcepten en evenementen te ondersteunen. Daarnaast ontwikkelen we Scheveningen in de volle breedte (bad, dorp en haven), en ook het onderwijs- en cultuurcomplex aan het Spui. Binckhorst, Kijkduin, de binnenstad en de wijken zijn beeldbepalend voor de aantrekkelijkheid van de stad. Ten slotte investeren we in voorzieningen, (internationaal) onderwijs, cultuur, groen en buitenruimte. Door deze inzet stijgt de populariteit van Den Haag. Een attractieve, sfeervolle stad waar iets te beleven is, trekt talent aan.

Een aantrekkelijk Den Haag leidt tot een hoger voorzieningenniveau, meer variatie in aanbod en een positiever imago. Met een aantrekkelijker vestigingsklimaat en een hogere concurrentiepositie tot gevolg. Hierdoor zullen meer bedrijven zich willen vestigen in de stad en meer bezoekers naar Den Haag willen komen. Dat betekent meer klanten in de winkels, meer gasten in de horeca en meer mensen in attracties en musea. Hun bestedingen leiden tot meer omzet en groeimogelijkheden voor bedrijven en brengen werkgelegenheid in de stad.” Vinden de bewoners Den Haag inderdaad een aantrekkelijke stad om te wonen? Hoe aantrekkelijk is Den Haag als stad om zich te vestigen, te werken of te studeren? En hoe zit het met bezoek aan Den Haag? Dit hoofdstuk geeft antwoorden op deze vragen. Zoals gezegd, zullen we de bevindingen in dit hoofdstuk en verdere hoofdstukken beknopt weergeven.

4.3

Attractieve stad om te wonen

4.3.1

Woontevredenheid

Een eerste en directe indicator voor de mate waarin bewoners Den Haag een aantrekkelijke stad vinden om te wonen is de tevredenheid met hun woning en met de woonomgeving. De gegevens hieromtrent komen uit surveyonderzoek Woon Onderzoek Nederland (WoON).

60

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 4.1 PERCENTAGE HUISHOUDENS DAT TEVREDEN OF ZEER TEVREDEN IS MET DE HUIDIGE WONING, NEDERLAND EN G4 2002-2018 95% 90% 85% 80% 75% 70% 65%

2002

2006

2009

Nederland

Den Haag (gemeente) Utrecht (gemeente)

2012

2015

2018

Amsterdam Rotterdam

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84570NED/table?ts=1603274311911) ● Figuur 4.1 laat zien dat de meeste mensen tevreden zijn met de huidige woning. In Den Haag is dat in 2018 74% ● Maar de tevredenheid met de huidige woning neemt af in Den Haag tussen 2015 en 2018, net als elders. Deze daling had zich al eerder ingezet (sinds 2002) ● De tevredenheid met de huidige woning is geringer in Den Haag dan in Utrecht en Nederland als geheel (in 2018 is dat een 10 procentpunt verschil) FIGUUR 4.2 PERCENTAGE HUISHOUDENS DAT TEVREDEN OF ZEER TEVREDEN IS MET DE HUIDIGE WONING; HUISEIGENAREN VERSUS HUURDERS, DEN HAAG 2002-2018 100% 90% 80% 70%

60% 50%

2002

2006

2009

2012

2015

Eigenaar

Huurder

2018

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84570NED/table?ts=1603274311911)

61

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

● Figuur 4.2 laat zien dat huiseigenaren in Den Haag in 2018 beduidend tevredener zijn met de woning dan huurders (89% versus 62%) ● Dit is elders ook zo, maar het verschil tussen eigenaren en huurders in tevredenheid met de woning is groter in Den Haag (huurders zijn er relatief minder tevreden; zie figuur A.1 in Bijlage)39 ● Opvallend is dat onder huiseigenaren de tevredenheid met de eigen woning amper is gedaald. De afname in de tevredenheid met de woning is des te scherper onder huurders in Den Haag, met name door een daling na 2015 (van 72% tevreden in 2015 naar 62% tevreden in 2018) FIGUUR 4.3 PERCENTAGE HUISHOUDENS DAT TEVREDEN OF ZEER TEVREDEN IS MET DE HUIDIGE WOONOMGEVING, NEDERLAND EN G4 2002-2018 95% 90% 85% 80% 75% 70% 65%

2002

2006

2009

Nederland

Den Haag (gemeente) Utrecht (gemeente)

2012

2015

2018

Amsterdam Rotterdam

Noot: Woonomgeving is de omgeving en de buurt waar een huishouden woont. Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84570NED/table?ts=1603274311911) ● Figuur 4.3 laat zien dat de meeste mensen tevreden zijn met de huidige woonomgeving (in Den Haag in 2018 76%) ● De tevredenheid met de huidige woonomgeving is onveranderd gebleven in Den Haag tussen 2015 en 2008 (i.t.t. tevredenheid over de woning), evenals ervoor ● Wel blijft Den Haag wat tevredenheid van de woonomgeving betreft iets achter op Amsterdam en Nederland als geheel, maar ligt ze voor op Rotterdam

39 Dit verschil in woontevredenheid tussen huurders en eigenaren bestaat ook wanneer binnen dezelfde inkomensgroep wordt gekeken (figuur A.2 in Bijlage). Verschillen in inkomen kunnen het verschil in woningtevredenheid tussen huurders en eigenaren aldus niet verklaren.

62

DE HAAGSE HOGESCHOOL

STAAT VAN DE HAAGSE ECONOMIE 2020

FIGUUR 4.4 PERCENTAGE HUISHOUDENS DAT TEVREDEN OF ZEER TEVREDEN IS MET DE HUIDIGE WOONOMGEVING; HUISEIGENAREN VERSUS HUURDERS, DEN HAAG 2002-2018 100% 90%

80% 70% 60% 50%

2002

2006

2009

2012

2015

Eigenaar

Huurder

2018

Bron: CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84570NED/table?ts=1603274311911) ● Figuur 4.4 laat zien dat ook wat betreft tevredenheid over de woonomgeving geldt dat huiseigenaren in Den Haag in 2018 beduidend tevredener zijn dan huurders (83% versus 70%), maar dat verschil is kleiner dan bij woningtevredenheid (huurders zijn wat positiever over de woonomgeving dan woning) ● Dit verschil in tevredenheid met de woonomgeving tussen huiseigenaren en huurders is elders ook te constateren. In Den Haag lijkt dit verschil in tevredenheid met de woonomgeving niet groter te zijn dan elders (zie figuur A.3 in Bijlage). ● Wederom, net als bij woningtevredenheid, zien we dat de trends verschillen tussen huiseigenaren en huurders: onder huurders nam de tevredenheid met de woonomgeving in Den Haag tussen 2014 en 2018 niet toe, maar wel (zij het in lichte mate) onder huiseigenaren.

4.3.2 Woonaantrekkelijkheidsindex

Een tweede maat voor aantrekkelijkheid van de stad is niet gebaseerd op de subjectieve inschatting van bewoners, maar op feitelijkheden. Het betreft de woonaantrekkelijkheidsindex zoals ontwikkeld in het kader van het jaarlijkse onderzoek Atlas voor Gemeenten (hier gebruiken we de samenvatting met speciale focus op Den Haag; Kenniswijzer Atlas voor Gemeenten 2019, Gemeente Den Haag/DSO). “Daarbij wordt naar acht indicatoren gekeken die ieder een eigen gewicht hebben gekregen. In volgorde van belangrijkheid zijn dat: bereikbaarheid van banen, cultureel aanbod (podiumkunsten), veiligheid (op basis van het

aantal geweldsmisdrijven en vernielingen), aandeel koopwoningen in de woningvoorraad, bereikbaarheid van natuurgebieden, kwaliteit van het culinaire aanbod, aanwezigheid van een universiteit, en historisch karakter van de stad (percentage woningen gebouwd voor 1945” (Kenniswijzer Atlas voor Gemeenten 2019, Gemeente Den Haag/DSO: p. 4). In totaal werden de 50 grootste Nederlandse gemeenten, inclusief de G4, op deze aspecten gerangordend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9842882/1