RIS307213 Bijlage 1
Tekst van het document
EHBO of AED
38%
Veilig sportklimaat / Sportiviteit en respect
30%
Instructie Verantwoord Alcoholschenken (IVA)
25%
Werving en behouden van vrijwilligers
23%
Strategie/beleid
22%
Communicatie (website, sociale media)
22%
Ledenwerving en -behoud
22%
Positief coachen
21%
Exploitatie kantine
19%
Ledenadministratie
18%
Buurthuis van de Toekomst
15%
Sponsoring (werving)
15%
Financiën/boekhouden Anders
12% 1%
Figuur 3.17. Cursussen voor vrijwilligers en bestuursleden
Onder vrijwilligers en bestuursleden van grote verenigingen worden EHBO- of AED-cursussen (veel) vaker bezocht (59%) dan bij kleine verenigingen (24%). Eenzelfde (groot) verschil is zichtbaar bij de cursussen voor Veilig sportklimaat / Sportiviteit en respect (50% bij grote verenigingen tegenover slechts 16% bij kleine verenigingen) en bij de Instructie Verantwoord Alcoholschenken (resp. 36% en 18%). Bij kleine verenigingen worden cursussen voor ledenwerving en -behoud juist weer (iets) vaker bezocht (resp. 23% en 20%). Tot slot is gevonden dat vrijwilligers bij zwem- en voetbalverenigingen en beach-, branding- en watersport bij relatief veel cursussen/bijeenkomsten aanwezig zijn geweest; vrijwilligers bij denksportverenigingen hebben juist relatief weinig cursussen/bijeenkomsten bezocht.
28
3.5. Financiën 3.5.1. Financiële situatie Deze paragraaf gaat in op de financiële situatie bij verenigingen in het onderzoek gedurende het afgelopen jaar (2019). De verenigingen hebben de vragenlijst in februari 2020 ingevuld, waarbij is gevraagd naar de situatie in het huidige seizoen. Voor veel verenigingen loopt het seizoen van de zomer tot de volgende zomer, maar voor andere verenigingen loopt het gelijk aan het kalenderjaar21. Voldoen aan de financiële verplichtingen Figuur 3.18 vat samen of de deelnemende verenigingen (N = 165) aan hun financiële verplichtingen konden voldoen. In het lopende seizoen voldeed 92% aan alle financiële verplichtingen. 7% kon nog niet aangeven of dit seizoen aan alle financiële verplichtingen zou kunnen worden voldaan. Eén en twee jaar terug waren deze percentages respectievelijk 98% en 95%. Nu
92%
2%
1jr terug
7%
98%
2jr terug
2%
95%
Ja
Nee
5%
Niet bekend
Figuur 3.18. Kunnen voldoen aan financiële verplichtingen (N = 165)
Financieel resultaat Figuur 3.19 vat het financiële resultaat van deelnemende verenigingen samen. Het resultaat van meer dan zeven van de tien verenigingen (72%) is dit jaar nul of positief; voor 18% van de verenigingen is dat momenteel nog niet bekend en 11% heeft een negatief resultaat.
Nu
72%
11%
18%
1jr terug
85%
15%
2jr terug
86%
14%
Nul of positief
Negatief
Nog niet bekend
Figuur 3.19. Financiëel resultaat (N = 165)
VITALITEIT: THEMA FINANCIËN •
92% van de verenigingen kan de laatste drie jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen.
•
Voor 72% van de verenigingen is het financiële resultaat de afgelopen drie jaar nul of positief geweest.
21 In de onderzoeken in 2012 en 2014 hebben de verenigingen in april/mei de vragenlijst ingevuld in plaats van in januari. De vraagstelling was toen hetzelfde. Het leek ons dat het voor de verenigingen waar het seizoen van zomer tot zomer loopt, makkelijker is om in april een inschatting te maken van de financiële situatie in het betreffende seizoen dan wanneer dat al in januari moet gebeuren. We hielden er rekening mee dat er daarom meer verenigingen zouden zijn die nog niets zouden kunnen zeggen over de financiële situatie op dat moment, maar dit bleek niet het geval te zijn.
29
3.5.2. De begroting en reserves Van de 165 deelnemende verenigingen hebben 151 (92%) een begroting voor het huidige seizoen; 92 verenigingen (56%) sparen geld met een bepaald doel of een bepaalde bestemming; 122 verenigingen (74%) hebben (daarnaast) een financiële buffer of eigen vermogen. Kleine en grote verenigingen en sportsoorten •
Er zijn geen significante verschillen tussen kleine en grote verenigingen op deze punten.
•
Verenigingen voor beach-, branding- en watersport en zwemmen sparen relatief vaak voor een bepaald doel (meer dan 90% van deze verenigingen). Verenigingen voor vechtsport en/of zelfverdediging en overige balsporten sparen relatief minder vaak voor een bepaald doel (ongeveer de helft van deze verenigingen).
Bestemming gespaard geld Figuur 3.20 vat de bestemming van het door de vereniging gespaarde geld samen. Het blijkt dat 40% van de verenigingen geld apart heeft gezet voor onderhoud van de accommodatie; onder verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud aan de accommodatie is dit percentage aanzienlijk hoger (92%). Verder blijkt dat 32% van alle verenigingen geld gespaard heeft voor de aanschaf van sportmaterialen. Onderhoud accommodatie
40%
Aanschaf sportmaterialen
32%
Lustrum
29%
Anders
30%
Figuur 3.20. Bestemming gespaard geld (N = 165)
VITALITEIT: THEMA FINANCIËN •
Bij 92% van de verenigingen is een begroting voor het huidige seizoen aanwezig.
•
56% van de verenigingen spaart geld met een bepaald doel of een bepaalde bestemming.
•
74% van de verenigingen heeft (naast spaargeld) een financiële buffer of eigen vermogen.
30
3.6. Maatschappelijke functie van verenigingen De maatschappelijke functie van de verenigingen wordt vastgesteld aan de hand van zes indicatoren: •
Er is een beleidsplan aanwezig voor maatschappelijke functie van vereniging.
•
De organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten, gericht op niet-leden. Zo niet: concrete plannen hiervoor.
•
Er is iemand verantwoordelijk voor ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten.
•
De sport-, club- of kleedaccommodatie wordt gebruikt door andere organisaties dan alleen de sportvereniging.
•
Er is een aanbod voor specifieke doelgroepen (ouderen, mensen met een beperking) of er zijn concrete plannen hiervoor.
•
Er is structurele samenwerking met één of meer partners uit zorg, welzijn of onderwijs (buiten gebruik van de accommodatie). Zo niet: concrete plannen hiervoor óf oppervlakkige, incidentele contacten.
In deze paragraaf zullen we deze indicatoren bespreken. Aan het eind van de paragraaf geven we aan in hoeverre de verenigingen in het onderzoek een maatschappelijke functie in de stad vervullen. Het is van belang te realiseren dat we hier een kunstmatige grens gesteld hebben om de verenigingen in te kunnen delen; uiteraard vervullen alle sportverenigingen in de praktijk in meer of mindere mate een belangrijke maatschappelijke functie in de stad. 3.6.1. Beleidsplan maatschappelijke functie Een minderheid (16%) van de verenigingen heeft een beleidsplan voor de maatschappelijke functie van de verenigingen op papier gezet; 4% van de verenigingen is bezig met een dergelijk beleidsplan. Deze aantallen zijn te laag om uitsplitsingen te naar grootte of sportsoort statistisch te toetsen. Wel kan gesteld worden dat het beeld overeenkomt met eerdere jaren, dat wil zeggen: grote verenigingen hebben in vergelijking met kleine verenigingen vaker een beleidsplan op papier gezet. MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE: BELEID EN VISIE •
16% van de verenigingen heeft een beleidsplan voor de maatschappelijke functie van de vereniging op papier gezet.
•
4% van de verenigingen is bezig met een dergelijk beleidsplan.
3.6.2. Andere activiteiten Om een indruk te krijgen van de mate waarin sportverenigingen een maatschappelijke functie vervullen, is het onder meer belangrijk om te kijken naar (andere) activiteiten gericht op niet-leden. Het gaat om activiteiten buiten de reguliere sportactiviteiten, zoals huiswerkbegeleiding, maaltijdvoorziening, kaartavonden of fysiotherapie. In Figuur 3.21 worden deze uitkomsten samengevat. Van alle verenigingen (N = 165) organiseert 23% activiteiten anders dan de reguliere sportactiviteiten die gericht zijn op nietleden; 6% heeft plannen om dit binnen twee jaar te gaan doen. Onder kleine verenigingen blijkt het percentage dat andere activiteiten organiseert aanzienlijk lager (14%) dan onder grote verenigingen (36%); dit verschil is statistisch significant22.
22
Een χ2-toets op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N=165) = 3,57; p = 0,001 (< 0,05).
31
Alle verenigingen (N = 165) Kleine verenigingen (N = 99)
23% 14%
Grote verenigingen (N = 66)
6% 4%
82%
36%
Ja
71%
9%
Plannen binnen 2 jaar
55%
Nee
Figuur 3.21 Andere activiteiten (N = 165)
Verschillen naar sportsoorten •
Voetbalverenigingen organiseren relatief vaak maatschappelijke activiteiten; zwemverenigingen en verenigingen voor denksport organiseren dergelijke activiteiten juist relatief weinig.
•
Voor wat betreft de plannen die verenigingen hebben om andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten organiseren, is er geen verschil tussen verenigingen met verschillende sportsoorten. MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE: THEMA LEDEN •
23% van de verenigingen organiseert andere activiteiten dan de reguliere sportactiviteiten, gericht op nietleden.
•
6% van de verenigingen heeft plannen om binnen twee jaar dergelijke activiteiten te gaan organiseren.
3.6.3. Verantwoordelijke voor maatschappelijke functie Bij 51% van de deelnemende verenigingen is iemand aanwezig die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten van de vereniging. Het gaat dan bijvoorbeeld om de samenwerking met welzijnsinstellingen, scholen of naschoolse opvang of om de ontwikkeling van sportaanbod voor nieuwe doelgroepen. Onder grote verenigingen (met meer dan 300 leden) is dit percentage hoger (65%) dan onder kleine verenigingen (41%); dit verschil is statistisch significant23.
Alle verenigingen
51%
Grote verenigingen Kleine verenigingen
49% 65%
35%
41%
59%
Wel iemand aanwezig met verantwoordelijkheid maatschappelijke functie vereniging Niet iemand aanwezig met verantwoordelijkheid voor maatschappelijke functie vereniging Figuur 3.22. Verantwoordelijkheid voor maatschappelijke functie MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE: THEMA KADER •
23
Bij 51% van de verenigingen is er iemand verantwoordelijk voor de ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten van de vereniging.
Een χ2-toets op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N=165) = 8,93; p = 0,003 (< 0,05).
32
3.6.4. Gebruik accommodatie door anderen We vinden het belangrijk te weten in hoeverre zeggenschap over het medegebruik van de accommodatie ook daadwerkelijk leidt tot het gebruik van de accommodatie door andere organisaties. Van de 75 verenigingen met zeggenschap over het medegebruik van de accommodatie, blijkt een ruime meerderheid (88%) het gebruik van de accommodatie te delen met anderen. Onderstaande figuur toont welke soorten organisaties gebruik maken van de accommodatie24. Figuur 3.23 vat het medegebruik van de accommodatie samen. In iets meer dan de helft van de gevallen (51%) wordt de accommodatie gedeeld met andere sportverenigingen. In ruim vier op de tien gevallen (43%) betreft het scholen.
Andere sportverenigingen
51%
School (basis- of voorgezet onderwijs)
43%
Buurt-/wijk-/welzijnsorganisaties
31%
Naschoolse opvang
25%
(Sport)fysiotherapeut/huisartsen/zorginstellingen
11%
Commerciële dienstverleners
7%
Sportschool/fitnesscentrum Jeugdorganisaties (scouting)
4% 0%
Anders
25%
Figuur 3.23. Medegebruik accommodatie onder verenigingen met zeggenschap over medegebruik (N = 75)
3.6.5. Sportaanbod voor doelgroepen Sommige verenigingen hebben in hun sportaanbod extra aandacht voor bepaalde doelgroepen, zoals ouderen, mensen met een beperking, niet-westerse Hagenaars of kinderen of volwassenen met overgewicht. Het gaat dan om een trainingsgroep of trainingsuur dat speciaal voor deze doelgroepen georganiseerd wordt. Iets meer dan de helft van de verenigingen (54%) besteedt in hun sportaanbod aandacht aan ten minste één specifieke doelgroep. Onder grote verenigingen is dit percentage hoger (68%) dan onder kleine verenigingen (44%); dit verschil is statistisch significant25.
24 Aangezien het veel voorkomt dat meer dan één type organisatie medegebruiker is van de accommodatie van de vereniging, komt de som van de percentages boven de 100% uit. 25 Een χ2-toets op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N=165) = 8,98; p = 0,003 (< 0,05).
33
Verschillen naar sportsoorten In Figuur 3.24 wordt een uitsplitsing gegeven naar sportsoort. Het blijkt dat de bijna negen van de tien fitness, turn- en dansverenigingen (89%) in hun sportaanbod aandacht besteedt aan ten minste één doelgroep; bij denksportverenigingen is dit percentage juist aanzienlijk lager (27%). Fitness, turnen en dans
89%
Hockey
70%
Korfbal
67%
Beach, branding en watersport
67%
Overige balsporten
65%
Zwemmen
64%
Zelfverdediging, vechtsport
64%
Racketsport
56%
Voetbal
45%
Denksport
27%
Figuur 3.24. Doelgroepen naar sportsoort
Type doelgroep In Figuur 3.25 wordt samengevat naar wat voor type doelgroepen de aandacht van verenigingen uitgaat. De percentages zijn berekend op de totale steekproef aan deelnemende sportverenigingen; vanwege de kleine aantallen worden verder geen uitsplitsingen gemaakt naar grootte van de vereniging of sportsoort. Het blijkt dat iets meer dan een op de vijf verenigingen (22%) gericht aanbod aan ouderen (55+) aanbiedt. Iets minder dan een op de vijf (17%) richt zich op mensen met een beperking. Slechts 2% richt zich op werkzoekenden; 4% richt zich op expats.
Ouderen (55+)
22%
Mensen met een beperking
17%
Jongste jeugd (2 tot 4 jarigen)
13%
Niet-westerse Hagenaars
12%
Studenten
11%
Statushouders
6%
Volwassenen met overgewicht
5%
Ouders van jeugdleden
5%
Kinderen met overgewicht
5%
Expats Werkzoekenden
4% 2%
Figuur 3.25. Aandacht naar type doelgroepen onder alle deelnemende sportverenigingen
34
3.6.6. Samenwerking met andere organisaties De mate waarin verenigingen samenwerken met andere organisaties zegt iets over de maatschappelijke rol die zij vervullen. Voorbeelden van samenwerking zijn het organiseren van een gezamenlijk sportaanbod of de organisatie van activiteiten voor buurtbewoners of andere doelgroepen in de stad; belangrijk is dat de samenwerking verder gaat dan het (enkel) ter beschikking stellen van de accommodatie. Ruim de helft van de sportverenigingen (56%) werkt regelmatig (meer dan 5x per jaar) samen met een of meer andere organisaties; nog eens ruim de helft (58%) doet dit incidenteel (5x per jaar of minder). Deze percentages kunnen overlappen, omdat (dezelfde) verenigingen met sommige organisaties regelmatig samenwerken en met andere incidenteel. 21% van de verenigingen geeft aan geheel niet samen te werken met andere organisaties. Kleine versus grote verenigingen •
Grote verenigingen werken vaker regelmatig samen met andere organisaties (72%) dan kleine verenigingen (45%); dit verschil is statistisch significant26.
•
Grote verenigingen werken eveneens vaker incidenteel samen met andere organisaties (70%) dan kleine verenigingen (51%); dit verschil is eveneens statistisch significant27.
Verschillen naar sportsoorten •
Voor wat betreft de regelmatige samenwerking (meer dan 5 keer per jaar) is gevonden dat verenigingen voor zwemmen, ‘overig bal’, voetbal en fitness en turnen in relatief hoge mate regelmatig samenwerken met andere organisaties; verenigingen voor denksport werken relatief weinig samen met andere organisaties.
•
Voor wat betreft de incidentele samenwerking is er geen verschil tussen verenigingen met verschillende sportsoorten.
Type organisaties waarmee samengewerkt wordt Figuur 3.26 geeft weer met welk soort organisaties de verenigingen samenwerken, uitgesplitst naar regelmatige en incidentele samenwerking. Vanwege de kleine aantallen kan hier geen onderscheid gemaakt worden naar grootte of sportsoort. Andere sportverenigingen 21%
School (basis- of voorgezet onderwijs) 12%
Naschoolse opvang/peuteropvang Jeugdorganisaties (scouting)
44%
29% 36%
21%
0%
19% 12%
Buurt-/wijk-/welzijnsorganisaties
24%
12% 15%
(Sport)fysiotherapeut/huisartsen/zorgins... 8%
Sportschool/fitnesscentrum Regelmatig (meer dan 5x pj)
16%
Incidenteel (max. 5x pj)
Figuur 3.25. Aandacht naar type doelgroepen onder alle deelnemende sportverenigingen (N = 165)
26
Een χ2-toets op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N=165) = 11,98; p = 0,001 (< 0,05).
27
Een χ2-toets op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N=165) = 6,00; p = 0,014 (< 0,05).
35
4. Vitale sportverenigingen Dit hoofdstuk toont eerst hoe vitaal de Haagse sportverenigingen in 2020 zijn. Vervolgens wordt gekeken naar de maatschappelijke functie van verenigingen en tot slot kijken we bij welke indicatoren de problemen liggen voor verenigingen die niet vitaal zijn. 4.1. Vitale sportverenigingen Dit onderzoek richt zich op achttien indicatoren voor vitaliteit, zoals omschreven in Hoofdstuk 2. In onderstaande tabel (4.1) wordt samengevat hoe de deelnemende verenigingen in 2020 gemiddeld scoorden per indicator. Het percentage in de tabel geeft het aandeel verenigingen weer dat op de betreffende indicator punten heeft behaald. Tabel 4.1. Indicatoren vitaliteit Leden
%
N
1 Ledenaantal afgelopen drie jaar stabiel.
79%
165
2 Onderneemt activiteiten voor ledenbinding. Kader
86%
165
3 Minimaal twee commissies (grote verenigingen met meer dan 300 leden: minimaal vijf).
84%
165
4 Algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris.
92%
165
5 Voldoende vrijwilligers of een beheersbaar tekort.
76%
165
6 Beschreven functieprofielen voor de bestuursfuncties. 7 Aanwezig bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten. Beleid en visie 8 Beleidsplan aanwezig op minimaal twee terreinen, waaronder een algemeen beleidsplan. Zo niet: minimaal één beleidsplan of bezig met twee. Totaal
62%
165
72%
165
45%
165
36%
165
81%
9 Acties uit minimaal twee beleidsplannen worden uitgevoerd.
59%
165
10 Afgelopen twee jaar nieuw sportaanbod en/of nieuwe lidmaatschapsvormen begonnen.
16%
165
31%
165
Zo niet: plannen daarvoor binnen twee jaar. Totaal 11 Aanvullende inkomstenbronnen (vanaf 2020).
47% 25%
165
Accommodatie (verenigingen met verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud accommodatie 12 Er is een meerjarenonderhoudsplanning aanwezig. 69% 80 13 Er wordt gereserveerd voor onderhoud.
71%
80
14 Er is een accommodatiecommissie aanwezig.
64%
80
Begroting aanwezig 15 Begroting aanwezig.
92%
165
16 Vereniging kan laatste drie jaar aan alle verplichtingen voldoen.
92%
165
17 Financiële resultaat is de afgelopen drie jaar niet negatief.
72%
165
18 Eigen vermogen.
74%
165
36
Om vitaal genoemd te kunnen worden, dienen verenigingen niet alleen een minimum aantal punten op alle indicatoren te halen; de verenigingen dienen ook aan drie (absolute) voorwaarden te voldoen. Tabel 4.2 vat samen of deelnemende verenigingen in 2020 aan deze voorwaarden voldoen. Voor een ruime meerderheid is dit het geval (85%). Tabel 4.2. Voorwaarden 1. Het algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris.
92%
2. Er is een actuele begroting aanwezig.
92%
3. De vereniging kan het laatste jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen.
98%
Voldoet aan alle drie de voorwaarden.
85%
Verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie kunnen maximaal 17,5 punten krijgen voor vitaliteit en verenigingen die deze verantwoordelijkheid niet hebben, kunnen maximaal 14,5 punten krijgen. Om vitaal genoemd te worden, moeten verenigingen ten eerste aan de drie bovenstaande voorwaarden voldoen. Ten tweede moeten ze een minimaal aantal punten halen op de indicatoren: voor verenigingen met verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud is dit minimaal twaalf punten en voor verenigingen zonder die verantwoordelijkheid is dit minimaal tien punten. Van alle verenigingen blijkt bijna zes op de 10 (58%) vitaal. Van de 96 niet-vitale verenigingen voldeden 25 verenigingen niet aan alle drie de absolute voorwaarden; 4 van deze verenigingen zouden echter als vitaal worden geclassificeerd op basis van (enkel) hun puntenaantal; verder bleek dat 18 verenigingen (19%) slechts één punt tekort kwamen. Tezamen vormen de hiervoor genoemde 22 ‘bijna vitale verenigingen’ ruim 13% van alle onderzochte verenigingen. Vitaliteit bij grote en kleine verenigingen Onderstaande figuur maakt duidelijk dat vitaliteit samenhangt met grootte van de vereniging: onder grote verenigingen (vanaf 300 leden) is 79% vitaal; onder kleine verenigingen is dit percentage slechts 44%. Dit gevonden verschil is statistisch significant28.
Alle verenigingen
58%
Grote verenigingen Kleine verenigingen
42% 79%
44%
21% 56%
Vitaal
Niet vitaal
Figuur 4.1. Vitaliteit alle verenigingen en uitsplitsing naar grootte
28
Een χ2-toets op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N=165) = 19,18; p < 0,001.
37
Vitaliteit uitgesplitst naar sportsoort In Figuur 4.2 wordt de vitaliteit van verenigingen uitgesplitst naar type sportsoort. Het valt op dat er vooral onder de verenigingen voor korfbal en beach-, branding- en watersport veel vitale verenigingen zijn. Verenigingen voor denksport en vechtsport zijn volgens de opgestelde criteria minder vaak vitaal. Opgemerkt moet worden dat de aantallen deelnemende verenigingen voor veel sportsoorten laag zijn; de verschillen zijn derhalve enkel indicatief en zouden ook door toeval gevonden kunnen zijn, dat wil zeggen: met name bij de kleine sportsoorten geldt dat een enkele vereniging die al dan niet vitaal is al een aanzienlijk procentueel verschil oplevert.
Korfbal
89%
Beach, branding, watersport
11%
83%
17%
Hockey
70%
Fitness, turnen, dans
67%
33%
Zwemmen
64%
36%
30%
Voetbal
61%
39%
Racketsport
59%
41%
Overig balsport
59%
41%
Denksport Zelfverdediging, vechtsport
40%
60%
36%
64%
Vitaal
Niet vitaal
Figuur 4.2. Vitaliteit per type sportsoort
4.2. Maatschappelijke functie van verenigingen Sportverenigingen vervullen een belangrijke maatschappelijke functie. Naast de sportgelegenheid die zij bieden, hebben ze een belangrijke sociale functie. Verder zorgen verenigingen ervoor dat Hagenaars in beweging zijn, wat goed is voor de gezondheid en vitaliteit van de bevolking. Dit onderzoek beoogt inzicht te geven in de mate waarin verenigingen een maatschappelijke functie vervullen. Daarom hebben we een grens gesteld om vast te stellen welke verenigingen een brede maatschappelijke functie vervullen in de stad (voor meer informatie, zie Hoofdstuk 2). Dit is een kunstmatige grens die niets afdoet aan de belangrijke maatschappelijke functie die álle verenigingen vervullen. Per indicator kregen verenigingen nul, een halve of één punt, afhankelijk van hun situatie. Tabel 4.3 vat de uitkomsten op de zes afzonderlijke indicatoren voor een brede maatschappelijke functie samen. De percentages in de tabel geven weer hoeveel procent van de deelnemende verenigingen op de betreffende indicator één punt of een halve punt scoorden. Indicator 4 was enkel van toepassing voor verenigingen met zeggenschap over het medegebruik van de accommodatie.
38
Tabel 4.3. Uitkomsten indicatoren maatschappelijke functie Indicator 1 (N = 165) -
Organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten gericht op niet-leden (1 punt).
-
Zo niet: concrete plannen voor activiteiten voor niet-leden (½ punt).
23% 6%
Indicator 2 (N = 165) Iemand is bezig met de ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten (1 punt).
51%
Indicator 3 (N = 165) Beleidsplan aanwezig op maatschappelijke functie van de vereniging (1 punt). Zo niet: bezig met beleidsplan maatschappelijke functie (½ punt).
16% 4%
Indicator 4 (N = 75; verenigingen met zeggenschap over medegebruik) -
Accommodatie wordt gebruikt door andere organisaties (1 punt).
88%
Indicator 5 (N = 165) -
Sportaanbod voor specifieke doelgroepen (ouderen, beperking) (1 punt).
55%
-
Zo niet: concrete plannen hiervoor (½ punt).
6%
Indicator 6 (N = 165) -
Structurele samenwerking met één of meer partners uit zorg, welzijn of onderwijs (m.u.v. gebruik accommodatie) (1 punt).
60%
-
Zo niet: concrete plannen hiervoor óf oppervlakkige, incidentele contacten (m.u.v. gebruik accommodatie) (½ punt).
22%
In totaal konden verenigingen mét zeggenschap over het medegebruik van de accommodatie (Indicator 4) maximaal zes punten halen en verenigingen zonder deze zeggenschap konden maximaal vijf punten halen. Voor verenigingen mét zeggenschap over het gebruik van de accommodatie hebben we de grens bij vier punten gelegd: bij verenigingen met vier punten of meer gaan we ervan uit dat zij een brede maatschappelijke functie vervullen in de stad. Voor verenigingen zonder zeggenschap over het gebruik van de accommodatie ligt de grens bij drie punten. Figuur 4.3 vat samen of de deelnemende verenigingen een brede maatschappelijke functie vervullen; tevens wordt een uitsplitsing naar grootte getoond. Van alle deelnemende verenigingen blijkt ruim een derde (34%) te voldoen aan de criteria voor een brede maatschappelijke functie. Onder grote verenigingen is dit percentage aanzienlijk hoger dan onder kleine verenigingen (resp. 50% en 23%).
Alle verenigingen
34%
Grote verenigingen Kleine verenigingen
66% 50%
50%
23%
77%
Brede maatschappelijke functie
Geen brede maatschappelijke functie
Figuur 4.3. Maatschappelijke functie alle verenigingen en uitsplitsing naar grootte
39
Figuur 4.4 toont een uitsplitsing naar type sportsoort. Te zien is dat verenigingen voor voetbal, overige balsporten en hockey vaker een brede maatschappelijke functie vervullen dan andere verenigingen. Verenigingen voor denksport vervullen het minst vaak een brede maatschappelijke functie. Voetbal
58%
42%
Overige balsporten
53%
47%
Hockey
50%
50%
Fitness, turnen, dans
44%
Beach, branding, watersport
56%
33%
67%
Racketsport
30%
70%
Zelfverdediging, vechtsport
27%
73%
Zwemmen Denksport
14%
86%
7%
93%
Brede maatschappelijke functie
Geen brede maatschappelijke functie
Figuur 4.4. (Brede) maatschappelijke functie per type sportsoort
Mogelijke verklaringen daling maatschappelijke functie Een vergelijking met de uitkomsten van het onderzoek van 2018 laat zien dat het aandeel verenigingen met een brede maatschappelijke functie is afgenomen, namelijk van 46% naar 34%. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn gelegen in de selectie van verenigingen. De hierboven getoonde uitkomsten tonen immers dat achtergrondkenmerken zoals de grootte en het sportaanbod samenhangen met29 het al dan niet vervullen van een brede maatschappelijke functie. Zouden er in 2020 verhoudingsgewijs meer kleine verenigingen deelnemen dan in 2018, dan zou dat mogelijk de verklaring kunnen zijn voor (netto) gevonden afname; eenzelfde argument zou kunnen gelden voor het sportaanbod. Echter, een vergelijking van de steekproeven in 2018 en 2020 op de kenmerken grootte en het sportaanbod laat zien dat sprake is van zeer vergelijkbare (en soms nagenoeg identieke) verdelingen op de betreffende kenmerken. Dit maakt het niet aannemelijk dat onbedoelde (systematische) verschillen in steekproeftrekking of verzameling de waargenomen afname in brede maatschappelijke functie verklaren.
Wanneer naar de individuele indicatoren gekeken wordt, blijkt dat met name op indicator 2 (“Er is iemand verantwoordelijk voor ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten”, indicator 3 (“Beleidsplannen”) en indicator 6 (“Structurele samenwerking met partners uit zorg, welzijn of onderwijs”) in 2020 lager gescoord wordt dan in 2018 (zie H5.3.1 voor een verdere uitwerking hiervan). Op elk van deze kenmerken was in 2018 juist een toename zichtbaar ten opzichte van 2016. In eerdere rapporten (2014 en 2016) zijn vergelijkbare fluctuaties gevonden. In het rapport daterend van 2016 wordt reeds gewezen op de mogelijkheid dat deze ook het gevolg kunnen zijn van andere respondenten, die het beleid van (grotendeels) dezelfde verenigingen net iets anders waarderen. Een mogelijke aanbeveling op dit punt zou zijn om in toekomstige metingen een bredere set criteria voor maatschappelijke functie op te stellen, om zo de doorwerking van toevallige beoordelingsfouten van respondenten te minimaliseren. Om enige vergelijkbaarheid met eerdere jaargangen te behouden wordt aangeraden eventuele nieuwe criteria voor maatschappelijke functie in te voeren als aanvulling op de bestaande meetmethode.
29 We doen hier nadrukkelijk geen uitspraken over causaliteit; er is weliswaar statistische samenhang tussen sportaanbod en het al dan niet vervullen van een brede maatschappelijke functie. Welke factoren deze statistische samenhang verder verklaren valt buiten de scope van dit onderzoek.
40
4.3. Vitaliteit en brede maatschappelijke functie Gebleken is dat van de deelnemende verenigingen 58% vitaal is en 34% een brede maatschappelijke functie vervult. Figuur 4.5 toont de verdeling van verenigingen naar combinatie van vitaliteit en maatschappelijke functie30. Van alle verenigingen die deelnamen geldt dat 27% (afgerond) zowel vitaal is als een brede maatschappelijke functie vervult; 35% (afgerond) is niet vitaal en vervult evenmin een brede maatschappelijke functie.
Vitaal en brede maatschappelijke functie
26,7% 34,5%
Vitaal, geen brede maatschappelijke functie Niet vitaal, wel brede maatschappelijke functie Niet vitaal, geen brede maatschappelijke functie
7,3%
31,5%
Figuur 4.5. Verdeling combinatie vitaliteit en brede maatschappelijke functie
Figuur 4.6 toont de uitsplitsing naar grote en kleine verenigingen30. Bij kleine verenigingen is slechts 15% vitaal in combinatie met een brede maatschappelijke functie; bij de grote verenigingen is dat 44%; het verschil is statistisch significant31. Van de kleine verenigingen is bijna de helft (48%) niet vitaal en vervult evenmin een brede maatschappelijke functie; bij grote verenigingen is dit percentage 15%; dit verschil is eveneens statistisch significant32.
47,5%
43,9% 34,8%
29,3%
15,2%
15,2% 8,1%
6,1%
Kleine verenigingen
Grote verenigingen
Vitaal en brede maatschapeplijke functie
Vitaal, geen brede maatschappelijke functie
Niet vitaal, wel brede maatschappelijke functie
Niet vitaal, geen brede maatschappelijke functie
Figuur 4.6. Verdeling combinatie vitaliteit en brede maatschappelijke functie naar grootte verenigingen
30 31 32
Ter voorkoming van afrondingsfouten zijn de getallen in de figuur afgerond op één decimaal, i.p.v. op gehelen. Een z-toets op het verschil in proporties binnen grote en kleine verenigingen levert z = 4,13; p < 0,001. Een z-toets op het verschil in proporties levert z = 4.36; p < 0.001.
41
4.4. Knelpunten in de indicatoren Tabel 4.4. toont de gemiddelde scores op de indicatoren van de vitale en de niet-vitale verenigingen. Omdat de scores liepen van 0 tot 1, zijn deze scores ook op te vatten als proportie. Ter illustratie: de gemiddelde score op de indicator ‘ledenaantal stabiel of toenemend’ is 0,82, wat in dit geval overeenkomt met dat 82% van de verenigingen op deze indicator een punt scoort. Door de gemiddelde scores tussen vitale en niet vitale verenigingen te vergelijken, kan een indicatie gegeven worden van wat mogelijke knelpunten zijn voor vitaliteit. Uiteraard scoren de vitale verenigingen gemiddeld hoger op de afzonderlijke indicatoren dan de niet-vitale verenigingen, maar voor sommige indicatoren zijn de verschillen groter dan voor andere. Naast het absolute verschil in proporties wordt een effectgrootte-maat getoond (Cohen’s h), waarmee de verschillen in proportie vergeleken kunnen worden33. Gangbaar is om h ≤ 0,20 op te vatten als een klein effect; h ≈ 0,50 als een middelgroot effect en h ≥ 0,80 als een groot effect. Tabel 4.4. Gemiddelde score indicatoren vitale en niet-vitale verenigingen Gemiddelde score
Verschil in gemiddelde score
Effectgrootte
Vitaal
Niet vitaal
Cohen’s h
0,82
0,75
0,07
0,11
0,98
0,68
0,30***
0,48
0,95
0,68
0,27***
0,43 0,30
Leden -
Ledenaantal stabiel of toenemend 3 of meer activiteiten voor ledenbinding
Kader -
Voldoende commissies Voldoende bestuursleden32
1,00
0,81
0,19***
Voldoende vrijwilligers
0,83
0,67
0,17**
0,26
0,42
0,34
***
0,58
***
0,75
Functieprofielen bestuursfuncties
0,76 0,91
0,46
0,44
Beleidsplannen aanwezig
0,79
0,41
0,39***
0,65
Acties beleidsplannen uitgevoerd Nieuw sportaanbod of nieuwe lidmaatschapsvormen
0,82
0,28
0,55***
0,96
0,47
0,28
0,19**
0,37
0,34
0,12
0,22
***
0,53
0,82
0,26
0,56***
1,00
0,32
0,52
***
0,91
0,72
0,37
0,35**
0,62
Begroting aanwezig32
1,00
0,80
0,20***
0,31
Kan laatste 3 jaar aan verplichtingen voldoen
0,98
0,84
0,14**
0,22
0,62
0,17*
0,28
0,57
0,30***
0,47
Cursussen vrijwilligers en kaderleden
Beleid -
Andere vormen van financiering
Accommodatie -
Meerjarenonderhoudsplanning Reserve voor onderhoud accommodatie Accommodatiecommissie aanwezig
0,84
Financiën -
Resultaat afgelopen 3 jaar niet negatief Eigen vermogen
0,79 0,86
* p < 0,05; ** p < 0,01; *** p < 0,001
33 De effectgrootte-maat Cohen’s h wordt berekend als tweemaal het (absolute) verschil van de twee arcsin-transformaties op de wortel van de (onafhankelijke) proporties: Cohen s ℎ = 2 arcsin − arcsin (Lee, 2016)
42
Gevonden systematische verschillen tussen vitale en niet-vitale verenigingen De meest opvallende verschillen tussen vitale en niet-vitale verenigingen zijn gevonden op de indicatoren voor accommodatie (meerjarenonderhoudsplanning en reserve voor onderhoud) en op de indicatoren op het thema beleid (acties beleidsplannen uitgevoerd); hier is het verschil in gemiddelde score op alle drie de indicatoren meer dan 0,3 punt. Vitale verenigingen scoren ook hoger op vier van de vijf indicatoren voor het thema kader34 en op de indicator ‘resultaat positief of nul’. Voor het thema ‘Accommodatie’ geldt dat de indicatoren meerjarenonderhoudsplanning en reserve voor onderhoud accommodatie in grote mate verschillen tussen vitale en niet-vitale verenigingen: beide hebben Cohen’s h’s van meer dan 0,8 (groot verschil), ten bate van de vitale verenigingen; op de indicator m.b.t. de aanwezigheid van de accommodatiecommissie wordt het verschil als ‘middelgroot’ getypeerd35. Voor het thema ‘Beleid’ geldt dat met name het (daadwerkelijk) uitvoeren van acties uit beleidsplannen samenhangt met vitaliteit: vitale verenigingen voeren aanzienlijk vaker acties uit beleidsplannen uit dan niet-vitale verenigingen (Cohen’s h = 0,96, wat getypeerd kan worden als een groot verschil). VITALE VS NIET-VITALE VERENIGINGEN •
Voor verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud aan de accommodatie is gevonden dat de grootste verschillen tussen vitale en niet-vitale verenigingen zijn te vinden op de indicatoren voor accommodatie en dan specifiek voor het hebben van een meerjarenonderhoudsplanning (82% bij vitale verenigingen tegenover 26% bij niet-vitale verenigingen) en het hebben van financiële reserves voor onderhoud (84% tegenover 32%).
•
Voor alle verenigingen tezamen (ongeacht verantwoordelijkheid meerjarenonderhoud) is gevonden op het thema beleid een duidelijk verschil bestaat: vitale verenigingen voeren aanzienlijk vaker acties uit beleidsplannen uit dan niet-vitale verenigingen (82% vs. 28%).
4.5. Impact verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie Tot slot is gekeken naar de impact van de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de accommodatie voor de verenigingen op vitaliteit en maatschappelijke functie. Van alle deelnemende verenigingen is 49% verantwoordelijk voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie. In Tabel 4.5 is een uitsplitsing gemaakt van het al dan niet verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van de accommodatie naar de grootte van de verenigingen. Van de kleine verenigingen is 29% verantwoordelijk voor het onderhoud van de accommodatie; van de grote verenigingen is ruim driekwart (77%) hiervoor verantwoordelijk. Tabel 4.5. Omvang verenigingen versus verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie Verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie Ja
Nee
Totaal
Kleine verenigingen (tot 300 leden)
29%
71%
100%
Grote verenigingen (meer dan 300 leden)
77%
23%
100%
48%
52%
100%
Totaal
34 De indicator ‘voldoende bestuursleden’ dient tevens als noodzakelijk criterium, vandaar dat de gemiddelde score
op deze indicator inherent verschilt tussen vitale en niet-vitale verenigingen; hetzelfde geldt voor de indicator ‘begroting aanwezig’ (onder financiën). 35 De in de literatuur gebruikelijke afkappunten hebben een enigszins arbitrair karakter en dienen derhalve (enkel) om effecten onderling te kunnen vergelijken.
43
De rol van verantwoordelijkheid voor (meerjaren)onderhoud aan de accommodatie bij vitaliteit en maatschappelijke functie Wanneer we kijken naar het verschil in vitaliteit en maatschappelijke functie van de vereniging met en zonder verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de accommodatie, zien we dat de verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van de accommodatie vaker vitaal zijn en vaker een maatschappelijke functie hebben dan verenigingen die geen verantwoordelijkheid voor accommodatieonderhoud hebben. Een mogelijke achterliggende verklaring hiervoor is dat het hebben van een accommodatie verenigingen in staat stelt medegebruik aan te bieden aan andere organisaties, waardoor uiteindelijk verdergaande samenwerkingsverbanden kunnen ontstaan. 55%
43% 34% 29%
13%
12%
11% 4%
Niet vitaal en geen MF
Niet vitaal, maar wel brede maatschappelijke functie
Verantwoordelijk meerjarenonderhoud
Vitaal, maar geen maatschappelijke functie
Vitaal en brede maatschappelijke functie
Geen verantwoordelijkheid meerjarenonderhoud
Figuur 4.7. Vitaliteit en maatschappelijke functie uitgesplitst naar verantwoordelijkheid meerjarenonderhoud accommodatie
Mogelijk kan de samenhang tussen het al dan niet verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van de accommodatie en vitaliteit / maatschappelijke functie van de vereniging worden verklaard door de grootte van de vereniging. Om dit te onderzoeken zijn twee logistische regressieanalyses uitgevoerd, met respectievelijk vitaliteit (1 = wel, 0 = niet) en brede maatschappelijke functie (1 = wel, 0 = niet) als afhankelijke variabelen. Als predictoren zijn ingevoerd de grootte van de vereniging (0 = klein, 1 = groot) en het al dan niet verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud (1 = wel, 0 = niet). De uitkomsten staan in Tabel 4.6. Het model voor vitaliteit is significant; het blijkt dat zowel de grootte (OR = 2,92; p < 0,01) als de verantwoordelijkheid voor meerjarenonderhoud (OR = 3,01; p < 0,05) in positieve mate voorspellend zijn voor het al dan niet vitaal zijn van de vereniging 36 . Het model ter voorspelling van een brede maatschappelijke functie blijkt eveneens (als geheel) significant, maar hier is enkel de predictor verantwoordelijkheid voor met meerjarenonderhoud significant positief voorspellend.
36 Aanvullend is ook nog een model onderzocht met een interactie-effect tussen grootte en verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud. Dit bleek echter niet tot een significante modelverbetering te leiden. Verder bleek het niet haalbaar om op het huidige aantal verenigingen een model te maken waarin ook (apart) naar de rol van zeggenschap voor medegebruik gekeken werd, omdat dit in grote mate overlapt met meerjarenonderhoud aan de accommodatie. Om een dergelijke analyse toch mogelijk te maken, zouden (veel) meer verenigingen geïncludeerd moeten worden.
44
Tabel 4.6. Logistische regressieanalyses op vitaliteit en brede maatschappelijke functie Uitkomstvariabele Vitaliteit
Brede maatschappelijke functie
B
OR
Sig.
B
OR
Sig.
1,071
2,917
0,007
0,517
1,678
0,187
Verantwoordelijk MJO (1 = wel)
1,103
3,014
0,003
1,639
5,150
0,000
Constante
-0,551
0,576
0,020
-1,817
0,163
0,000
Modelparameters Grote vereniging (1 = groot)
Modeldiagnostieken Modelsignificantie
χ2(2)=22,94, p < 0,01
χ2(2)=29,95, p < 0,01
Nagelkerke's R2
0,216
0,230
Cox & Snell R2
0,160
0,166
DE ROL VAN VERANTWOORDELIJKHEID VOOR DE ACCOMMODATIE •
Verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud aan de accommodatie blijkt voorspellend voor zowel vitaliteit als het vervullen van een brede maatschappelijke functie: verenigingen mét deze verantwoordelijkheid zijn gemiddeld vaker vitaal en vervullen vaker een brede maatschappelijke functie.
•
De grootte van een verenigingen blijkt voorspellend te zijn op de vitaliteit van een verenigingen: grote verenigingen hebben een grotere kans om vitaal te zijn.
•
Wanneer rekening wordt gehouden met of verenigingen verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud, blijkt de grootte van de vereniging niet (meer) voorspellend voor of men een brede maatschappelijke functie vervult.
45
5. Veranderingen tussen 2020 en 2018 Dit hoofdstuk vergelijkt de resultaten van het onderzoek uit 2020 met de resultaten van het onderzoek uit 2018. Door het vergelijken van de resultaten van verenigingen die in beide jaren hebben meegedaan, kan in algemene zin een indicatie verkregen worden van de ontwikkeling in vitaliteit bij verenigingen, maar het is van belang te realiseren dat deze studie geen effectmeting is: het onderzoek is niet zodanig opgezet dat uitspraken gedaan kunnen worden over het (eventuele) effect van tussentijds genomen specifieke beleidsmaatregelen. Onderstaande figuur toont hoeveel verenigingen er in 2020 en 2018 meededen aan het onderzoek en wat de overlap is. In totaal hebben 214 verenigingen aan ten minste één van beide onderzoeken meegedaan; 136 verenigingen hebben aan beide metingen meegedaan.
Enkel 2018 49
Zowel 2018 als 2020 136
Enkel 2020 29
Figuur 5.1. Deelname verenigingen in 2018 en 2020
In de navolgende paragrafen worden enkel de gegevens getoond van de 136 verenigingen die aan beide metingen hebben meegedaan. Het is denkbaar dat deze verenigingen op vitaliteit en brede maatschappelijke functie gemiddeld anders scoren dan de verenigingen die in 2020 niet meer hebben meegedaan, immers: het (herhaald) meedoen aan een dergelijk onderzoek zou op zichzelf kunnen samenhangen met vitaliteit en maatschappelijke functie. De vraag is dus in hoeverre de 136 overlappende verenigingen verschillen van de 29 verenigingen die enkel in 2020 meededen voor wat betreft vitaliteit en maatschappelijke functie. Om dit te onderzoeken zijn zowel de percentages voor vitaliteit en maatschappelijke functie alsmede de puntentellingen berekend voor beide groepen. Tabel 5.1 vat de uitkomsten samen; het blijkt dat het percentage vitale verenigingen onder verenigingen die in beide jaren deelnamen aanzienlijk hoger is dan onder de verenigingen die enkel in 2020 deelnamen (resp. 61% en 45%). Eenzelfde uitkomst (zij het minder sterk) wordt gevonden voor het percentage verenigingen met een brede maatschappelijke functie (35% versus 31%). De verschillen ten aanzien van beide percentages zijn echter niet statistisch significant37.
Daarnaast is de gemiddelde score voor vitaliteit hoger onder verenigingen die op beide momenten deelnamen dan onder verenigingen die alleen in 2020 hebben deelgenomen (resp. 11,8 en 10,3). Dit verschil is wel statistisch significant38. Op basis van deze uitkomsten kan niet uitgesloten worden dat het selecteren op verenigingen die op beide momenten deelnamen, mogelijk een meer positief beeld geeft van de ontwikkelingen tussen 2018 en 2020 voor wat betreft vitaliteitsscores. Tabel 5.1. Vergelijking terugkerende en nieuwe verenigingen in 2020 Enkel deelname in 2020 (N = 29)
Deelname in 2020 en 2018 (N = 136)
Percentage vitale verenigingen
45%
61%
Percentage verenigingen met brede maatschappelijke functie
31%
35%
Gemiddelde score vitaliteit
10,3
11,8
Gemiddelde score maatschappelijke functie
2,5
2,6
37 Gezien de kleine aantallen in de groep die (enkel) deelnam in 2020 zegt dit op zichzelf weinig. Bij kleine aantallen zullen statistische tests immers (altijd) vaker niet-significante uitkomsten opleveren. Vandaar dat ook naar verschillen in gemiddelde scores is gekeken. 38 Een onafhankelijke t-test op het gemiddelde binnen beide groepen gaf aan dat t(df = 163) = 2,20; p = 0,03 (< 0,05).
46
5.1. Veranderingen op de indicatoren en voorwaarden voor vitaliteit en maatschappelijke functie In deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van scoretabellen waarin vergelijkingen worden gemaakt tussen de situatie in 2020 en 2018. Bij deze tabellen gaat het om de verandering, niet om de absolute score39. In de eerste drie kolommen staan de absolute aantallen verenigingen waarvan de score op het betreffende item respectievelijk is afgenomen (-), gelijk is gebleven (=) of is toegenomen (+). De laatste kolom bevat het netto verschil, ook wel saldo genoemd. Het saldo wordt berekend als het verschil tussen het aantal verenigingen dat een verbetering op het criterium hebben laten zien (+) en het aantal verenigingen dat een verslechtering liet zien (-). Is het saldo positief, dan zijn er meer verenigingen met een positieve ontwikkeling dan een negatieve ontwikkeling. 5.1.1. Veranderingen op de indicatoren voor vitaliteit Onderstaande tabel toont de veranderingen per indicator voor de 136 verenigingen die in zowel 2020 als 2018 deelnamen. Van twee indicatoren (indicator 10 en indicator 11) is geen vergelijking gemaakt, omdat deze tussentijds inhoudelijk zijn gewijzigd. Tabel 5.1. Veranderingen in indicatoren voor vitaliteit Verandering ten opzichte van 2018 Indicator
-
=
+
Saldo
Thema leden 1
Ledenaantal afgelopen drie jaar stabiel of stijgend.
18
103
15
-3
2
Onderneemt activiteiten voor ledenbinding.
7
123
6
-1
5
123
8
3
Thema kader 3
Voldoende aantal commissies.
4
5
121
10
5
5
Algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris. Voldoende vrijwilligers of een beheersbaar tekort.
10
112
14
4
6
Beschreven functieprofielen voor de bestuursfuncties.
21
94
21
0
7
Aanwezig bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten.
22
105
9
-13
46
64
26
-20
20
105
11
-9
12 Er is een meerjarenonderhoudsplanning aanwezig40.
6
47
9
3
13 Er wordt gereserveerd voor onderhoud40.
5
49
8
3
8
48
6
-2
15 Begroting aanwezig.
3
130
3
0
16 Vereniging kan de laatste drie jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen.
2
128
6
4
17 Financiële resultaat is de afgelopen drie jaar niet negatief.
15
101
20
5
18 Er is eigen vermogen.
15
110
11
-4
Thema beleid en visie 8 9
Beleidsplan aanwezig op minimaal twee terreinen, waaronder een algemeen beleidsplan. Zo niet: minimaal één beleidsplan of bezig met twee. Acties uit minimaal twee beleidsplannen worden uitgevoerd.
Thema accommodatie
40
14 Er is een accommodatiecommissie aanwezig . Thema financiën
39 Opgemerkt dient te worden dat deze methode gevoelig is voor zogeheten vloer- en plafondeffecten en enkel een ontwikkeling weergeeft. Wanneer alle verenigingen in 2018 reeds de maximale score op een indicator zouden hebben behaald, is het niet mogelijk nog te verbeteren. Het saldo zegt derhalve enkel wat over de ontwikkeling, niet over de mate waarin de verenigingen op de indicator daadwerkelijk hoog of laag scoorden. 40 Het betreft (enkel) verenigingen verantwoordelijk voor de uitvoer van het meerjarenonderhoud aan de accommodatie.
47
Voor alle indicatoren geldt dat de meeste verenigingen geen veranderingen hebben doorgemaakt (=). Het saldo laat overwegend een (licht) negatieve trend zien, dat wil zeggen: op het merendeel van de indicatoren is het aantal verenigingen dat lager scoort dan in 2018 groter dan het aantal verenigingen dat hoger scoort. Hierna worden achtereenvolgens de verschillen per thema uiteengezet. Op het thema Leden zijn in verhouding tot de andere thema’s relatief weinig verschuivingen zichtbaar, hoewel het netto saldo wel (licht) negatief is; een voorbeeld hiervan is dat tegenover de 18 verenigingen met een gedaald ledenaantal 15 andere verenigingen staan met een gestegen ledenaantal. Op het thema Kader zijn de verschillen overwegend klein, met uitzondering van indicator 7 (“Aanwezig bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten”). Voor 22 verenigingen geldt dat hier ten opzichte van 2018 slechter op gescoord werd; hier tegenover stonden slechts 9 verenigingen die op deze indicator beter scoorden. Op het thema Beleid en visie zijn de verschillen verhoudingsgewijs het grootst. Voor 46 verenigingen geldt dat zij ten opzichte van 2018 slechter scoorden op de indicator “Beleidsplan aanwezig” (8). Voor indicator 9 (het uitvoeren van acties uit minimaal twee beleidsplannen) geldt iets vergelijkbaars: 20 verenigingen scoorden hierop slechter, tegenover 11 die hier beter op scoorden.
Op de thema’s Accommodatie en Financiën is tenslotte een gematigd en gemengd beeld zichtbaar, waarbij op sommige indicatoren (lichte) toe- of afnames te zien zijn. Opvallend is wel dat op het punt van de financiële resultaten (indicator 17) en eigen vermogen (indicator 18) relatief veel verschuivingen zichtbaar zijn, maar hier compenseren de afnames en de toenames elkaar grotendeels, waardoor de netto verschillen op populatieniveau grotendeels wegvallen. 5.1.2. Veranderingen op de absolute voorwaarden voor vitaliteit In Tabel 5.2 zijn de veranderingen op het gebied van het voldoen aan absolute voorwaarden voor vitaliteit samengevat voor verenigingen die deelnamen in zowel 2020 als 2018. Hierbij wordt dezelfde opzet aangehouden als in de vorige paragraaf: de eerste kolom bevat het aantal verenigingen dat slechter scoort (-), de tweede kolom het aantal verenigingen dat gelijk is gebleven (=) en de derde kolom het aantal verbeterde verenigingen (+); het saldo toont het netto verschil tussen verbeteringen en verslechteringen. Net als bij de indicatoren van vitaliteit blijkt bij de voorwaarden dat het overgrote deel van de verenigingen hetzelfde scoort als in 2018. Daarnaast blijkt er op geen enkele voorwaarde sprake van een netto verslechtering.
Op de eerste voorwaarde (bestuur) is sprake van een netto verbetering van 5: er zijn 10 verenigingen die een vooruitgang laten zien ten opzichte van 2018, tegenover 5 verenigingen die een verslechtering laten zien. Hetzelfde geldt voor het voldoen aan de financiële verplichtingen (saldo +7). Tabel 5.2. Veranderingen in absolute voorwaarden voor vitaliteit 2020 vs 2018
Voorwaarde
Saldo
-
=
+
1 Minimaal een voorzitter, penningmeester en secretaris in algemeen bestuur.
5
121
10
5
2 Er is een actuele begroting aanwezig.
3
130
3
0
3 De vereniging kan het laatste jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen.
1
127
8
7
7
115
7
0
Voldoet aan alle indicatoren.
48
5.1.3. Veranderingen op de indicatoren voor brede maatschappelijke functie Tabel 5.3 vat de ontwikkeling op het gebied van brede maatschappelijke functie samen voor verenigingen die in zowel 2020 als 2018 deelnamen. Net als bij de indicatoren en de voorwaarden voor vitaliteit zien we wederom dat het overgrote deel van de verenigingen op alle indicatoren hetzelfde scoort op beide metingen. Evenwel laten de saldi zien dat er sterke (netto) dalingen zichtbaar zijn. Dit is met name zichtbaar op indicator 2 (iemand verantwoordelijk voor de ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten): 11 verenigingen laten een verbetering zien op deze indicator, maar 32 laten een verslechtering zien (saldo = -21). Ook ten aanzien van indicator 3 zien we relatief groot negatief saldo van -15. Tabel 5.3. Veranderingen in indicatoren brede maatschappelijke functie 2020 vs 2018
Indicator 1 2 3 4 5 6
Organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten, gericht op niet-leden. Zo niet: concrete plannen hiervoor. Er is iemand verantwoordelijk voor ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten. Beleidsplan aanwezig voor maatschappelijke functie van vereniging. Bezig met beleidsplan voor maatschappelijke functie vereniging. Sport-, club- of kleedaccommodatie wordt gebruikt door andere organisaties dan alleen de sportvereniging. Aanbod voor specifieke doelgroepen (ouderen, mensen met een beperking). Zo niet: concrete plannen hiervoor. Structurele samenwerking met een of meer partners uit zorg, welzijn of onderwijs (buiten gebruik van de accommodatie). Zo niet: concrete plannen hiervoor óf oppervlakkige, incidentele contacten.
Saldo
-
=
+
13
118
5
-8
32
93
11
-21
21
109
6
-15
5
43
5
0
8
89
14
6
12
118
6
-6
GEOBSERVEERDE VERANDERINGEN OP DE INDICATOREN VOOR MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE •
De algehele afname in verenigingen met een brede maatschappelijke functie kan (hoofdzakelijk) worden toegeschreven aan het minder aanwezig zijn van verantwoordelijken voor de ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten (indicator 2) en een afname in het hebben van beleidsplannen t.b.v. de maatschappelijke functie van de vereniging (indicator 3).
5.2. Vitaliteit en maatschappelijke functie Onderstaande figuur toont het aantal vitale en niet-vitale verenigingen onder verenigingen die in zowel 2020 als 2018 hebben meegedaan. Van deze verenigingen waren er in 2020 61% vitaal; in 2018 was dat percentage 64%. Deze afname is echter niet significant41. 2020
83
2018
53
88
0
48
Vitaal
Niet vitaal
136
41 Dit is getoetst met behulp van een non-parametrische McNemar’s test op de 2x2 kruistabel, gevormd door de vitale en niet-vitale verenigingen in 2020 af te zetten tegen dezelfde verdeling in 2018. De test is uitgevoerd met toepassing van continuïteitscorrectie; het bleek dat McNemar’s χ2 (df = 1) = 0,59, p = 0,441 (ns).
49
Figuur 5.3. Vitale en niet-vitale verenigingen in 2020 en 2018 (aantallen)
Figuur 5.4 toont het aantal verenigingen met en zonder brede maatschappelijke functie in 2020 en 2018, onder de 136 verenigingen die op beide momenten hebben meegedaan. Hoewel sprake is van een afname van verenigingen met een brede maatschappelijke functie (65 in 2018 tegenover 56 in 2020), is deze afname niet significant42.
2020
56
2018
80 65
0
71
Brede maatschappelijke functie
Geen brede maatschappelijke functie
136
Figuur 5.4. Brede maatschappelijke functie in 2020 en 2018 (aantallen)
Tot slot is gekeken naar veranderingen in de combinatie vitaliteit en maatschappelijke functie. In Tabel 5.4 staat aan de linkerkant de situatie in 2018 weergegeven en aan de bovenkant de situatie in 2020. Zo zijn er bijvoorbeeld vijf verenigingen die in 2018 niet vitaal waren zonder een maatschappelijke functie en die in 2020 nog steeds niet vitaal zijn, maar inmiddels wel een brede maatschappelijke functie hebben (tweede cel in de bovenste rij). In de tabel zijn de verenigingen die niet veranderd zijn licht blauw gemarkeerd, deze staan op de diagonaal. In totaal gaat het om 85 verenigingen waarin de situatie niet veranderd is ten opzichte van 2020; dit is bijna twee derde (63%). Dat betekent dat bij iets meer dan een derde van de verenigingen (37%) een verandering is geweest in de vitaliteit en/of maatschappelijke functie. Tabel 5.4. Veranderingen in de combinatie vitaliteit en maatschappelijke functie 2020 Niet vit. geen brede mf. 26
Niet vit wel brede mf 5
Vit geen brede mf. 2
Vit brede MF 4
Totaal 37
Niet vit wel brede mf
3
3
0
5
11
Vit maar geen brede mf.
7
0
23
4
34
Vit en brede MF
7
2
12
33
54
Totaal
43
10
37
46
136
Niet vit. en geen brede mf. 2018
42
McNemar’s χ2 = 1,83; p = 0,176 (ns).
50
6. Overige onderwerpen Dit hoofdstuk bespreekt enkele overige onderwerpen die buiten de thema’s voor vitaliteit en maatschappelijke functie vallen maar wel relevant zijn voor een beeld van de stand van zaken van Haagse sportverenigingen. Er wordt ingegaan op het al dan niet hebben van een positieve sportcultuur (6.1), het topsportbeleid (6.2) en problemen die de verenigingen ervaren (6.3). 6.1. Positieve sportcultuur De gemeente Den Haag vindt een positieve sportcultuur erg belangrijk. Daarom wil de gemeente dat verenigingen in hun beleid aandacht hebben voor aspecten die een positieve invloed hebben op de cultuur van hun verenigingen. Ingegaan wordt op de aanwezigheid van vertrouwenscontactpersonen (6.1.1), Verklaringen Omtrent het Gedrag (6.1.2) en de mate waarin verenigingen bezig zijn met specifieke beleidsthema’s (6.1.3).
6.1.1. Aanwezigheid vertrouwenscontactpersoon In Figuur 6.1 wordt aangegeven of bij de verenigingen een vertrouwenspersoon aanwezig is. Van alle 165 verenigingen die in 2020 deelnamen aan het onderzoek had 54% een vertrouwenspersoon. Onder grote verenigingen (meer dan 300 leden) is dit percentage aanmerkelijk hoger (82%) dan onder kleine verenigingen (35%). Dit verschil is statistisch significant43.
Alle verenigingen
54%
Grote verenigingen Kleine verenigingen
46% 82%
35%
18% 65%
Vertrouwenspersoon aanwezig
Geen vertrouwenspersoon aanwezig
Figuur 6.1. Aanwezigheid vertrouwenspersoon
Samenhang vertrouwenspersoon met vitaliteit en brede maatschappelijke functie Verder is onderzocht in hoeverre het hebben van een vertrouwenspersoon samenhangt met vitaliteit en/of het vervullen van een brede maatschappelijke functie. Dit bleek het geval: van de 96 vitale verenigingen hadden er 64 een vertrouwenspersoon (67%), tegenover 36% van de 69 niet-vitale verenigingen; dit verschil is statistisch significant. Van de 56 verenigingen met een brede maatschappelijke functie hadden er 40 een vertrouwenspersoon (71%), tegenover 45% van de 109 verenigingen zonder brede maatschappelijke functie. Dit verschil is eveneens statistisch significant44.
43
Een χ2-toets op de 2x2 kruistabel (wel/niet vertrouwenspersoon vs. groot/klein) leverde χ2(1, N = 165) = 34.4; p < 0,01. Voor de kruistabel van vitaliteit vs. wel/geen vertrouwenspersoon bleek χ2(1, N = 165) = 14.98; p < 0,001; voor de kruistabel van brede maatschappelijke functie vs. wel/geen vertrouwenspersoon bleek χ2(1, N = 165) = 10.44; p < 0,001.
44
51
Aanwezigheid vertrouwenspersonen bij sportsoorten Of er al dan niet een vertrouwenspersoon aanwezig is blijkt aanzienlijk te verschillen tussen sportsoorten. Met name bij zelfverdediging/vechtsport (82%), hockeyverenigingen (80%) en korfbalverenigingen (78%) blijkt relatief vaak een vertrouwenspersoon aanwezig. Bij racketsport- (44%) en denksportverenigingen (13%) blijkt juist relatief minder vaak een vertrouwenspersoon aanwezig.
Zelfverdediging, vechtsport
82%
Hockey
80%
Korfbal
78%
Zwemmen
71%
Voetbal
61%
Overige balsporten
59%
Beach, branding, watersport
58%
Fitness, turnen, dans
56%
Racketsport
44%
Denksport
13%
Figuur 6.1. Aanwezigheid vertrouwenspersoon naar sportsoort
6.1.2. Verklaringen omtrent gedrag (VOG) Met een verklaring omtrent gedrag (VOG) kunnen trainers, coaches, begeleiders en (andere) vrijwilligers van sportverenigingen aantonen dat gedrag uit het verleden van de betreffende persoon geen bezwaar oplevert voor de functie. VOG’s dragen bij aan een veilig en pedagogisch sportklimaat en verenigingen kunnen deze verklaring voor vrijwilligers gratis aanvragen. In Figuur 6.2 wordt weergegeven of VOG’s zijn aangevraagd onder deelnemende verenigingen. Van alle 165 deelnemende verenigingen blijkt 55% ten minste één VOG aangevraagd te hebben. Onder grote verenigingen is dit percentage aanzienlijk hoger (82%) dan onder kleine verenigingen (37%); dit verschil is statistisch significant45.
Alle verenigingen
55%
Grote verenigingen Kleine verenigingen
45%
82%
37%
18%
63%
Wel VOG's
Geen enkele VOG
Figuur 6.2. VOG aangevraagd; alle verenigingen en uitsplitsing naar grootte
45
Een χ2-toets op de 2x2 kruistabel van wel/geen VOG x groot/klein leverde: χ2(df = 1, N = 165) = 31,63; p < 0,01.
52
Samenhang VOG’s aangevraagd met vitaliteit en brede maatschappelijke functie Gekeken is in hoeverre het aanvragen van VOG’s samenhangt met vitaliteit en het al dan niet vervullen van een brede maatschappelijke functie. Onder vitale verenigingen blijkt het percentage dat ten minste één VOG heeft aangevraagd (71%) aanzienlijk hoger dan onder niet-vitale verenigingen (33%). Dit verschil is significant; een vergelijkbare uitkomst werd gevonden voor maatschappelijk functie: onder verenigingen met een brede maatschappelijke functie was het percentage met ten minste één VOGaanvraag 70%, tegenover 48% bij verenigingen zonder brede maatschappelijke functie; ook dit verschil is statistisch significant46.
VOG’s bij sportsoorten In Figuur 6.3 wordt weergegeven in hoeverre VOG’s zijn aangevraagd bij verschillende sportsoorten. Bij hockey-, korfbal en zwemverenigingen is relatief vaak (ten minste één) VOG(s) aangevraagd (resp. 90%, 89% en 86%). Bij denksportverenigingen is dit percentages juist aanzienlijk lager (20%). Hockey
90%
Korfbal
89%
Zwemmen
86%
Fitness, turnen, dans
78%
Zelfverdediging, vechtsport
68%
Overige balsporten
65%
Voetbal
52%
Beach, branding en watersport
50%
Racketsport
48%
Denksport
20%
Figuur 6.3. VOG’s aangevraagd naar sportsoorten
VOG’s aangevraagd naar functietype Het blijkt dat 46% van de onderzochte verenigingen VOG’s aanvraagt voor trainers; 33% doet dit voor coaches. Trainers
46%
Coaches
33%
Bestuursleden
32%
Teambegeleiders Anders
28% 16%
Figuur 6.4. VOG’s aangevraagd naar functietype
46 Dit is getoetst met χ2-toetsen op de kruistabellen. Voor de kruistabel van vitaliteit vs. wel/geen VOG bleek χ2(1, N = 165) = 22.82; p < 0,01. Voor de kruistabel van brede maatschappelijke functie vs. wel/geen VOG bleek χ2(1, N = 165) = 7,20; p < 0,01.
53
6.1.3. Actief bezig met specifieke beleidsthema’s Een goede sfeer en plezier, aandacht voor (de ouders van de) jeugd en aandacht voor diversiteit en het stimuleren van een positief klimaat zijn thema’s die bijdragen aan de veiligheid binnen een vereniging. In de vragenlijst is gevraagd of verenigingen hier actief mee bezig zijn. Meer dan 8 op de 10 verenigingen (81%) besteedt aandacht aan sportplezier en driekwart (75%) besteedt aandacht aan gastvrijheid en sfeer. Thema’s waar verenigingen relatief weinig mee bezig zijn, zijn het aannamebeleid van vrijwilligers (19%) en het contact met andere partijen in de wijk omtrent sociale veiligheid (18%).
Er is aandacht voor sportplezier