RIS307213 Bijlage 1
Tekst van het document
Vitaliteitsonderzoek sportverenigingen 2020 De vitaliteit en maatschappelijke functie van Haagse sportverenigingen Uitgave Gemeente Den Haag Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn Stafgroep Onderzoek, Strategie en Projecten Augustus 2020 Redactie David Macro (DataIM) Harm van Wielink (DataIM) Jimm Laros (Gemeente Den Haag) Dit rapport is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid opgesteld. Toch kan het voorkomen dat bepaalde informatie niet (geheel) juist wordt weergegeven. U kunt geen rechten ontlenen aan de teksten en cijfers uit dit rapport.
2
Inhoud Conclusies...................................................................................................................................................5 1.1. Doel en vraagstelling .......................................................................................................................8 2. Het meten van vitaliteit en brede maatschappelijke functie....................................................................9 2.1. Vitaliteit.............................................................................................................................................9 2.2. Brede maatschappelijke functie .................................................................................................... 10 3. De stand van zaken in 2020 ................................................................................................................ 11 3.1. Deelnemende verenigingen .......................................................................................................... 11 3.1.1. Grootte van de verenigingen ................................................................................................. 11 3.1.2. Sportsoorten .......................................................................................................................... 12 3.1.3.
De accommodatie .................................................................................................................. 13 3.1.4. Stadsdelen ............................................................................................................................. 14 3.2. Beleid ............................................................................................................................................ 15 3.2.1. Beleidsplannen ...................................................................................................................... 15 3.2.2. Toekomstplannen .................................................................................................................. 18 3.2.3. Meerjarenonderhoudsplanning .............................................................................................. 18 3.3.1. Ledenaantallen ...................................................................................................................... 19 3.3.2. Activiteiten voor ledenbinding ................................................................................................ 21 3.4. Kader en vrijwilligers ..................................................................................................................... 22 3.4.1.
Bestuursleden ........................................................................................................................ 22 3.4.2. Commissies............................................................................................................................ 22 3.4.3. Functieprofielen en taakomschrijvingen ................................................................................ 24 3.4.4. Vrijwilligers ............................................................................................................................. 25 3.5. Financiën ...................................................................................................................................... 29 3.5.1. Financiële situatie .................................................................................................................. 29 3.5.2. De begroting en reserves....................................................................................................... 30 3.6. Maatschappelijke functie van verenigingen .................................................................................. 31 3.6.1. Beleidsplan maatschappelijke functie .................................................................................... 31 3.6.2.
Andere activiteiten ................................................................................................................. 31 3.6.3. Verantwoordelijke voor maatschappelijke functie .................................................................. 32 3.6.4. Gebruik accommodatie door anderen ................................................................................... 33 3.6.5. Sportaanbod voor doelgroepen ............................................................................................. 33 3.6.6. Samenwerking met andere organisaties ............................................................................... 35 4. Vitale sportverenigingen ...................................................................................................................... 36 4.1. Vitale sportverenigingen ............................................................................................................... 36 4.2. Maatschappelijke functie van verenigingen .................................................................................. 38 4.3. Vitaliteit en brede maatschappelijke functie.................................................................................. 41
3
4.4. Knelpunten in de indicatoren ........................................................................................................ 42 4.5. Impact verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie .............................................................. 43 5. Veranderingen tussen 2020 en 2018................................................................................................... 46 5.1. Veranderingen op de indicatoren en voorwaarden voor vitaliteit en maatschappelijke functie .... 47 5.1.1. Veranderingen op de indicatoren voor vitaliteit...................................................................... 47 5.1.3. Veranderingen op de indicatoren voor brede maatschappelijke functie ................................ 49 5.2. Vitaliteit en maatschappelijke functie ............................................................................................ 49 6. Overige onderwerpen .......................................................................................................................... 51 6.1. Positieve sportcultuur .................................................................................................................... 51 6.1.1. Aanwezigheid vertrouwenscontactpersoon ........................................................................... 51 6.1.2.
Verklaringen omtrent gedrag (VOG) ...................................................................................... 52 6.1.3. Actief bezig met specifieke beleidsthema’s ........................................................................... 54 6.2. Topsportbeleid .............................................................................................................................. 55 Literatuur .................................................................................................................................................................. 56
4
Conclusies Achtergrond Sport vormt een belangrijk onderdeel van de Haagse samenleving. Iedere Haagse sportvereniging levert wekelijks fantastische prestaties. Sportverenigingen verbinden mensen met elkaar, bevorderen een gezonde levensstijl en dragen bij aan een positief beeld van Den Haag door (inter)nationale sportevenementen; goed functionerende sportverenigingen spelen daarbij een cruciale rol. Het belang van sportverenigingen is vastgelegd in het beleidskader ‘Sport maakt Den Haag sterker, Den Haag sportief in beweging’ en in het onlangs gepresenteerde Haags Sportakkoord. Hierin zijn de ambities uitgesproken dat het percentage vitale sportverenigingen de komende periode gaat stijgen en verenigingen in staat zijn sportaanbod te bieden dat aansluit op de sportbehoefte van Hagenaars. Sinds 2012 voert de gemeente Den Haag een tweejaarlijks onderzoek naar de vitaliteit en maatschappelijke functie van Haagse sportverenigingen. Dit rapport beschrijft de resultaten van de 5e meting, afgenomen in februari en begin maart 2020. De uitkomsten geven een beeld van de Haagse sportverenigingen gedurende het seizoen 2019/2020.
Definities vitaliteit en maatschappelijke functie In overeenstemming met voorgaande edities van dit onderzoek wordt vitaliteit gedefinieerd als het vermogen van een vereniging om nu en in de toekomst de eigen sporten aan te kunnen bieden aan eigen en potentiële leden. Hiervoor zijn achttien indicatoren opgesteld die ten grondslag liggen aan vitaliteit. Deze indicatoren zijn verdeeld over vijf thema’s, te weten: (i) de leden van de vereniging, (ii) het kader, (iii) het beleid en de visie, (iv) de accommodatie en (v) de financiën. Een vereniging heeft een brede maatschappelijke functie wanneer zij activiteiten onderneemt die gericht zijn op mensen van buiten de vereniging en/of wanneer zij samenwerkt met andere organisaties. Aan deze brede maatschappelijke functie ligt een aantal concrete indicatoren ten grondslag die iets zeggen over de mate waarin de maatschappelijke functie is opgenomen in het beleid van de vereniging. In dit onderzoek wordt een (kunstmatige) grens getrokken, waardoor gesproken wordt over verenigingen met en zonder een brede maatschappelijke functie. Dit doet vanzelfsprekend niks af aan het gegeven dat uiteindelijk alle verenigingen een maatschappelijke functie in de stad vervullen. Vitaliteit en maatschappelijke functie ten tijde van corona Een vanzelfsprekende vraag is in hoeverre het beeld dat dit rapport schetst vertekend is door de coronacrisis.
Deze vraag valt uiteen in een vraag naar de vergelijkbaarheid van de uitkomsten met eerdere metingen en een vraag naar de mate waarin de verkregen uitkomsten een realistisch beeld geven van de huidige situatie van sportverenigingen. Voor wat betreft de vergelijkbaarheid kan geconcludeerd worden dat het veldwerk grotendeels was afgerond voordat de eerste maatregelen door het kabinet werden afgekondigd 1. De antwoorden van deelnemende verenigingen geven derhalve een beeld van hoe de sportverenigingen ervoor stonden tot net voor de coronacrisis. Dit maakt een inhoudelijke vergelijking tussen de uitkomsten van deze meting en de uitkomsten van eerdere metingen betekenisvol. De verwachting is dat de uitkomsten zoals verkregen in februari 2020 niet of nauwelijks te relateren valt aan de situatie bij Haagse sportverenigingen ten tijde van publicatie, immers: vrijwel alle sportverenigingen hebben te maken gehad met een periode waarin geen activiteiten konden worden 1 Om precies te zijn: op 9 maart vulden de laatste 4 van de 165 sportverenigingen de vragenlijst in. Op deze dag werden ook de eerste (algemene) maatregelen afgekondigd. Deze maatregelen hadden nog geen directe impact op sportverenigingen.
5
georganiseerd. In de Monitor Sport en Corona, uitgevoerd door Mulier Instituut (2020) wordt uitgebreid op de gevolgen van de coronacrisis op Nederlandse sportverenigingen ingegaan. De conclusies zijn duidelijk: de crisis heeft grote financiële gevolgen gehad voor vrijwel alle Nederlandse sportverenigingen; ook heeft de crisis een negatieve impact op de ledenontwikkeling. Veel activiteiten om leden te werven voor het komende sportseizoen waren immers niet toegestaan gedurende de periode van maatregelen. Gezien het voorgaande dienen de uitkomsten van dit rapport gelezen te worden als een momentopname van hoe Haagse verenigingen ervoor stonden voor de coronacrisis. Omwille van de leesbaarheid zijn deze kanttekeningen in de hoofdtekst grotendeels weggelaten. Wanneer bijvoorbeeld gesproken wordt over een percentage verenigingen dat vitaal genoemd mag worden op basis van de gestelde criteria, dan wordt bedoeld dat de verenigingen op het moment van meten vitaal waren. Mogelijk is een deel van deze verenigingen dat inmiddels niet meer, maar het in kaart brengen hiervan valt buiten de scope van dit onderzoek.
Samenvatting op hoofdlijnen Gekozen is voor een samenvatting op hoofdlijnen; voor een uitgebreidere samenvatting wordt verwezen naar Bijlage 1. Van de 262 benaderde sportverenigingen vulden 165 de vragenlijst in (63%). Van alle 165 deelnemende verenigingen was ruim de helft (58%) ten tijde van het onderzoek vitaal; in 2018 was dat percentage 60% en in 2016 56%. Ruim een derde van de deelnemende verenigingen (34%) voldeed aan de criteria voor brede maatschappelijke functie, waarbij de kanttekening gemaakt dient te worden dat dit aandeel aanzienlijk hoger was onder grote verenigingen met meer dan 300 leden (50%). Figuur 1.1 toont de ontwikkeling van vitaliteit en maatschappelijke functie onder Haagse verenigingen vanaf de eerste meting tot aan nu. De blauwe lijn geeft het aandeel vitale verenigingen weer, inclusief eventuele vitale verenigingen die ook een maatschappelijke functie hebben. De oranje lijn geeft het aandeel verenigingen weer dat een brede maatschappelijke functie heeft, inclusief verenigingen die (ook) vitaal zijn. Vanaf 2014 is meer dan de helft van de onderzochte verenigingen vitaal, waarbij opvalt dat de verschillen tussen jaren relatief klein zijn, zodanig dat (statistisch) niet van een significante toe- of afname gesproken kan worden.
Voor het hebben van een brede maatschappelijke functie wordt, ten opzichte van 2018, een substantiële afname gevonden, maar wanneer naar de percentages van 2012, 2014 en 2016 gekeken wordt, valt op dat met name de uitkomst van 2018 afwijkt van de trend. 70% 60% 55%
60% 45%
50% 40%
58%
56% 46%
43% 38%
42% 38%
30%
35%
35%
31%
34% 29%
20% 10% 0% 2012
2014
2016
2018
2020
Vitale verenigingen Verenigingen met brede maatschappelijke functie Niet-vitale verenigingen zonder brede maatschappelijke functie
Figuur 1.1. Ontwikkeling vitaliteit en maatschappelijke functie vanaf de eerste meting
6
Verschillen tussen vitale en niet-vitale verenigingen Vitale verenigingen scoren – per definitie – gemiddeld hoger op de onderliggende indicatoren dan nietvitale verenigingen, maar deze verschillen blijken sterk te variëren tussen de individuele indicatoren. Op vrijwel alle indicatoren is het verschil tussen vitale en niet-vitale verenigingen statistisch significant (zie H.4.4). De verschillen blijken gemiddeld het grootst op de indicatoren in het thema Beleid; ter illustratie: 82% van de vitale verenigingen heeft acties uit beleidsplannen uitgevoerd, tegenover (slechts) 28% bij niet-vitale verenigingen. Voor alle indicatoren geldt dat minder dan de helft van de niet-vitale verenigingen er punten op heeft behaald. Voor verenigingen met verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud geldt dat de verschillen eveneens groot zijn: vitale verenigingen hebben vaker een meerjarenonderhoudsplanning: 82% versus 26% bij niet-vitale verenigingen. Hetzelfde geldt voor het hebben van reserves voor onderhoud aan de accommodaties: bij vitale verenigingen is dat bij 84% het geval; bij niet-vitale verenigingen is dat slechts bij 32% het geval.
Op het thema kader geldt dat de verschillen tussen vitale en niet-vitale verenigingen op de indicatoren voor commissies, bestuursleden en (voldoende) vrijwilligers weliswaar statistisch significant zijn, maar relatief kleiner van omvang in verhouding tot de eerdergenoemde verschillen. Voornaamste verklaring hiervoor is dat alle verenigingen het op deze indicatoren relatief goed doen: zowel binnen vitale als nietvitale verenigingen scoort 67% positief op elk van deze indicatoren2. Een vergelijkbare uitkomst werd gevonden op het thema financiën: voor alle indicatoren binnen dit thema geldt dat 57% van zowel de vitale als niet-vitale verenigingen op de indicator positief scoort, waarbij wel geldt dat vitale verenigingen op elk van de indicatoren statistisch significant hoger scoren, maar de verschillen zijn qua grootte kleiner.
2
Dit percentage is verkregen middels een vergelijking van de gemiddelde scores uit Tabel 4.4, die voor de betreffende indicatoren kunnen worden opgevat als proporties.
7
1. Inleiding Sportverenigingen zijn van grote waarde voor de stad. Iedere Haagse sportvereniging levert wekelijks fantastische prestaties. Het belang van sportverenigingen is ook vastgelegd in het beleidskader ‘Sport maakt Den Haag sterker, Den Haag sportief in beweging’ en in het onlangs gepresenteerde Haags Sportakkoord. Hierin zijn de ambities uitgesproken dat het percentage vitale sportverenigingen de komende periode gaat stijgen en verenigingen in staat zijn sportaanbod te bieden dat aansluit op de sportbehoefte van Hagenaars. Veel sportverenigingen beperken zich echter niet alleen tot sport, maar vervullen onder de noemer ‘Buurthuis van de Toekomst’ een brede maatschappelijke functie. In het eerdergenoemde beleidskader is ook de ambitie uitgesproken om de verenigingen met deze brede maatschappelijke functie te ondersteunen bij de uitvoering van deze functie. Uiteraard gaat het vervullen van dergelijke functies niet altijd zonder problemen. De gemeente wil dan ook graag, daar waar nodig, gerichte ondersteuning bieden aan de Haagse sportverenigingen. Het vitaliteitsonderzoek vormt hierbij een belangrijke bron van informatie. Enerzijds om de vereniging inzicht te geven hoe de vereniging kan worden versterkt, anderzijds krijgt de gemeente een goed beeld over hoe zij sportverenigingen kan ondersteunen. Voor u ligt de rapportage ‘Vitaliteitsonderzoek 2020’.
Het onderzoek wordt tweejaarlijks uitgevoerd en is in 2020 voor de vijfde keer gehouden. Het onderzoek richt zich zowel op de vitaliteit van sportverenigingen als op de brede maatschappelijke functie. In dit rapport kunt u lezen hoe de situatie was begin 2020; ook wordt de vergelijking met de situatie in 2018 gemaakt. 1.1. Doel en vraagstelling Dit rapport beschrijft de huidige stand van zaken aangaande de vitaliteit en maatschappelijke functie van de sportverenigingen in Den Haag, waarbij ook een vergelijking wordt gemaakt met de resultaten uit 2018. De vragen die in dit rapport beantwoord zullen worden zijn: •
Hoe vitaal zijn Haagse sportverenigingen op dit moment en wat is hun maatschappelijke functie?
•
Hoe hebben de vitaliteit en maatschappelijke functie van Haagse verenigingen zich de afgelopen twee jaar ontwikkeld?
De resultaten op het niveau van de sportvereniging zijn enkel beschikbaar voor medewerkers van de gemeente die contact hebben met de verenigingen over ondersteuning door de gemeente of de toekenning van subsidies. Verenigingen die mee hebben gedaan aan het onderzoek hebben een individuele rapportage ontvangen. Deze rapportage vat de resultaten samen en geeft aan waar de verenigingen staan ten opzichte van andere verenigingen in Den Haag als het gaat om vitaliteit en maatschappelijke functie; Bijlage 4 bevat een voorbeeld van een dergelijke rapportage.
8
2. Het meten van vitaliteit en brede maatschappelijke functie Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop vitaliteit en brede maatschappelijke functie van verenigingen in dit onderzoek zijn gemeten. Een uitgebreide beschrijving van de gevolgde onderzoeksmethode en de wijze van scoring is te vinden in Bijlage 3. 2.1. Vitaliteit In dit onderzoek is vitaliteit als volgt gedefinieerd: Vitaliteit is het vermogen van een vereniging om nu en in de toekomst de eigen sporten aan te kunnen bieden aan eigen en potentiële leden. Mede op basis van onderzoek van het Mulier Instituut naar vitaliteit bij sportverenigingen wordt uitgegaan van vijf onderliggende thema’s van vitaliteit, te weten (i) leden, (ii) kader, (iii) beleid en visie (iv) accommodatie en (v) financiën. Voor elk van deze thema’s zijn concrete indicatoren vastgesteld waarmee de vitaliteit kan worden gemeten. Tabel 1. Thema’s en indicatoren vitaliteit Thema
Indicator
i.
- Ledenaantal afgelopen drie jaar stabiel of stijgend.
Leden
- Onderneemt activiteiten voor ledenbinding. ii.
Kader
- Minimaal twee commissies (verenigingen met meer dan 300 leden: minimaal vijf). - Algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris. - Voldoende vrijwilligers of een beheersbaar tekort. - Beschreven functieprofielen voor de bestuursfuncties. - Aanwezig bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten.
iii.
Beleid en visie
- Beleidsplan aanwezig op minimaal twee terreinen, waaronder een algemeen beleidsplan. - Acties uit minimaal twee beleidsplannen worden uitgevoerd. - Afgelopen twee jaar nieuw sportaanbod / lidmaatschapsvormen begonnen of plannen daarvoor binnen twee jaar. - Plannen om uit te breiden of de accommodatie aan te passen.
iv.
Accommodatie
- Meerjarenonderhoudsplanning aanwezig. - Geld gereserveerd voor onderhoud accommodatie. - Accommodatiecommissie aanwezig.
v.
Financiën
- Begroting aanwezig. - Vereniging kan laatste drie jaar aan alle verplichtingen voldoen. - Financiële resultaat is de afgelopen drie jaar niet negatief. - Eigen vermogen.
De indicatoren worden gemeten met één of meerdere vragen. Afhankelijk van de indicator wordt op basis van de gegeven antwoorden een score van een half of één punt toegekend (zie Bijlage 3 voor een gedetailleerde beschrijving van de indicatoren, de onderliggende vragen uit de vragenlijst en de puntentoekenning).
9
Om vitaal genoemd te kunnen worden, dient aan twee condities te zijn voldaan. Ten eerste dient de vereniging een minimumscore te hebben behaald over alle indicatoren. De indicatoren die betrekking hebben op de accommodatie worden alleen gemeten en meegeteld bij verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie (zie Bijlage 3 voor een verdere toelichting). Ten tweede dient de vereniging aan enkele zogeheten absolute voorwaarden te voldoen, namelijk: Tabel 2. Absolute voorwaarden vitaliteit Voorwaarde 1.
Het algemeen bestuur bevat minimaal een voorzitter, een penningmeester en een secretaris.
Voorwaarde 2.
Er is een actuele begroting aanwezig.
Voorwaarde 3.
De vereniging kan het laatste jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen.
2.2. Brede maatschappelijke functie De brede maatschappelijke functie van een vereniging wordt als volgt gedefinieerd: Een vereniging heeft een brede maatschappelijke functie als zij activiteiten onderneemt die gericht zijn op mensen van buiten de vereniging en/of wanneer zij samenwerkt met andere organisaties. Wederom wordt uitgegaan van thema’s, gemeten via indicatoren. Het aantal indicatoren is beperkt; doorgaans betreft het één indicator per thema. Tabel 3. Thema’s en indicatoren brede maatschappelijke functie Thema
Indicator
i.
Leden
-
Organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten, gericht op niet-leden. Zo niet: concrete plannen hiervoor.
ii.
Kader
-
Er is iemand verantwoordelijk voor ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten.
iii.
Beleid en visie
-
Beleidsplan aanwezig voor maatschappelijke functie van vereniging.
iv.
Accommodatie
-
Sport-, club- of kleedaccommodatie wordt gebruikt door andere organisaties dan alleen de sportvereniging.
v.
Maatschappelijke activiteiten en contacten in de buurt
-
Aanbod voor specifieke doelgroepen (ouderen, mensen met een beperking) of concrete plannen hiervoor.
-
Structurele samenwerking met een of meer partners uit zorg, welzijn of onderwijs (buiten gebruik van de accommodatie). Zo niet: concrete plannen hiervoor óf oppervlakkige, incidentele contacten.
Verenigingen kunnen voor elke indicator uit dit thema maximaal één punt halen. Ook hier geldt dat verenigingen een bepaald aantal punten moeten halen voordat er sprake is van een maatschappelijke functie bij de vereniging. In dit geval is het maximale aantal punten voldoende, er zijn geen absolute voorwaarden waar de vereniging aan moet voldoen. De indicator over het medegebruik van de accommodatie (iv) wordt alleen voorgelegd aan verenigingen die hier zeggenschap over hebben. Het minimumaantal punten dat zij moeten halen ligt dan ook één punt hoger dan bij verenigingen die geen zeggenschap hebben over het medegebruik van de accommodatie.
10
3. De stand van zaken in 2020 Dit hoofdstuk beschrijft de huidige stand van zaken bij de Haagse sportverenigingen in 2020. Waar mogelijk wordt onderscheid gemaakt tussen kleine verenigingen (minder dan 300 leden) en grote verenigingen (300 leden of meer). Ook wordt gekeken naar verschillen op basis van aangeboden sportsoorten; hierbij beperkt de analyse zich tot sporten die door minimaal vijf procent van de deelnemende verenigingen worden aangeboden, omdat de aantallen anders te klein worden voor een betrouwbare vergelijking. Waar relevant3 worden verschillen getoetst op significantie; hierbij wordt een significantieniveau van 5% aangehouden4. Aan het eind van elke paragraaf zullen we de uitkomsten op de indicatoren presenteren die we gebruiken om vitaliteit en maatschappelijke functie te meten. In dit hoofdstuk wordt gekeken naar alle verenigingen die in 2020 meededen aan het onderzoek. Qua opzet volgt dit hoofdstuk de wijze waarop dit hoofdstuk ook in eerdere edities van deze rapportage is ingedeeld; evenwel staan de resultaten op zichzelf. Een vergelijking tussen verenigingen in 2020 en 2018 wordt gemaakt in Hoofdstuk 4; bij deze vergelijking worden enkel de verenigingen meegenomen die in beide jaren hebben meegedaan. 3.1. Deelnemende verenigingen In totaal kregen 262 sportaanbieders in Den Haag een uitnodiging voor het onderzoek.
Hiervan hebben 165 verenigingen de vragenlijst ingevuld (63% van het totaal). Deze paragraaf beschrijft de deelnemende verenigingen: de grootte van de verenigingen, de sport(en) die zij aanbieden, het type accommodatie en het stadsdeel waar zij gevestigd zijn.
3.1.1. Grootte van de verenigingen In Figuur 3.1 worden de verenigingen naar grootte weergegeven. Bijna een derde van de verenigingen (30%) heeft minder dan honderd leden; eveneens bijna een derde (30%) heeft 100 tot 300 leden; 13% heeft 300 tot 500 leden en ruim een kwart (27%) heeft 500 leden of meer.
500 leden of meer 27%
< 100 leden 30%
300 - 500 leden 13% 100 - 300 leden 30%
Figuur 3.1. Verdeling grootte deelnemende verenigingen (N = 165)
3 Doorgaans geldt dat verschillen tussen grote en kleine verenigingen op significantie worden getoetst; de aantallen zijn hier groot genoeg voor (99 kleine vs. 66 grote verenigingen); voor verschillen tussen sportsoorten wordt afgezien van significantietoetsen, aangezien het aantal verenigingen per sportsoort doorgaans te klein is (zie ter referentie de aantallen in Tabel 3.1). 4 Het significantieniveau is de kans dat een te toetsten nulhypothese ten onrechte wordt verworpen. Nulhypotheses zijn doorgaans geformuleerd in termen van geen verschil tussen groepen of geen samenhang tussen variabelen; het verwerpen van een nulhypothese impliceert dan de alternatieve hypothese, namelijk dat er wél een verschil tussen groepen bestaat, of dat er wél een samenhang is tussen variabelen. Bij een significantieniveau van 5% is er een kans van 5% dat er onterecht geconcludeerd wordt dat er een (echt) verschil of een echte samenhang bestaat. Deze fout staat ook wel bekend als een Type-1 fout.
11
3.1.2. Sportsoorten In Figuur 3.2 wordt het aanbod aan sportsoorten samengevat. Een uitgebreide beschrijving van de categorisering is te vinden in de methodologische bijlage (Bijlage 3). Omdat een vereniging meer dan één sportsoort kan aanbieden, komt de som van de percentages boven de 100% uit. Een vijfde van de deelnemende verenigingen biedt voetbal aan als sport (20%). De racketsporten (16%), zelfverdedigingen vechtsporten (13%), overige balsporten (10%) en denksporten (9%) zijn ook goed vertegenwoordigd in het onderzoek. Voetbal Racketsport Zelfverdediging, vechtsport Overig balsport Denksport Zwemmen Beach-, branding- of watersport Hockey Fitness, turnen, dans Korfbal Jeudeboules Biljart Cricket Volleybal Overig
20% 16% 13% 10% 9% 8% 7% 6% 5% 5% 4% 2% 2% 2% 15%
Figuur 3.2. Sportsoorten aangeboden door deelnemende verenigingen (N = 165)
Van verenigingen met sportsoorten die door ten minste 5% wordt aangeboden, is het gemiddelde en het totale aantal leden berekend; deze gegevens worden samengevat in Tabel 3.1. De tien deelnemende hockeyverenigingen hebben (met afstand) het hoogste gemiddelde aantal leden (1256), terwijl de 33 voetbalverenigingen juist het grootste totale aantal leden vertegenwoordigen (17963). De denksporten en de zelfverdedigings- en vechtsporten vormen gemiddeld de kleinere verenigingen. Verder geldt dat de verenigingen die cricket aanbieden, veelal ook andere sporten aanbieden; deze verenigingen zijn dan onderdeel van omni-sportverenigingen met meer dan 300 leden. Tabel 3.1. Gemiddeld en totaal aantal leden per vereniging, onderverdeeld naar sportsoorten
Hockey
Gemiddelde Aantal
Standaarddeviatie (SD)
Aantal verenigingen
1256
748
10
Totaal aantal leden 12558
Voetbal
544
529
33
17963
Zwemmen
538
417
14
7537
Overig balsport
474
594
17
8062
Racketsport
439
474
27
11858
Beach-, branding- of watersport
437
483
12
5238
Fitness, turnen, dans
308
179
9
2768
Korfbal
244
153
9
2193
Zelfverdediging / vechtsport
180
210
22
3953
Denksport
115
145
15
1729
12
3.1.3. De accommodatie Verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud accommodatie Van alle 165 deelnemende verenigingen is bijna de helft (48%) verantwoordelijk voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie. Onder de 66 grote verenigingen (300 leden of meer) is dit aandeel relatief hoger (77%) dan onder de 99 kleinere verenigingen (minder dan 300 leden), waarbinnen het percentage dat verantwoordelijk is voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie slechts 29% bedraagt. Per sportsoort 5 is het aandeel dat verantwoordelijk is voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie berekend (zie Figuur 3.3). Het merendeel van de hockey-, korfbal- en voetbalverenigingen draagt verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud (resp. 90%, 89% en 85%), terwijl dit aandeel onder denksport-, zelfverdediging-/vechtsport- en zwemverenigingen aanzienlijk lager is (resp. 7%, 14% en 14%). Hockey
90%
Korfbal
89%
Voetbal
85%
Beach-, branding- of watersport
75%
Overig bal
65%
Fitness, turnen, dans
56%
Racketsport
41%
Zwemmen
14%
Zelfverdediging / vechtsport
14%
Denksport
7%
Figuur 3.3. Verantwoordelijkheid meerjarenonderhoud accommodatie per type sportsoort
Figuur 3.4 vat samen voor wat voor type accommodaties verenigingen verantwoordelijkheid dragen voor het meerjarenonderhoud6. Ruim vier op de tien verenigingen (44%) draagt verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud van een clubgebouw met horeca-functie. Ruim een derde van de verenigingen (37%) is verantwoordelijk voor kleedkamers en bijna drie op de tien (27%) draagt de verantwoordelijkheid voor een materiaalgebouw. Clubgebouw met horeca
44%
Kleedkamers
37%
Materiaalgebouw
27%
Buitensportacc., zoals een sportveld Binnensportacc., zoals een sporthal Anders
15% 8% 7%
Figuur 3.4. Typen accommodatie deelnemende verenigingen (N = 165)
5
Hierbij zijn enkel sportsoorten geïncludeerd die door meer dan 5% van alle verenigingen worden aangeboden. Verenigingen kunnen voor meer dan één type accommodatie verantwoordelijkheid dragen, vandaar dat de percentages optellen tot meer dan 100%. 6
13
Zeggenschap over medegebruik van de accommodatie Van alle deelnemende verenigingen (N = 165) heeft 46% zeggenschap over het medegebruik van de sport- club- of kleedkameraccommodatie door andere organisaties. Van de 85 verenigingen die geen verantwoordelijkheid dragen voor het meerjarenonderhoud, hebben 77 verenigingen (91%) ook geen zeggenschap over het medegebruik. Omgekeerd geldt dat van de 80 verenigingen die wél verantwoordelijkheid dragen voor het meerjarenonderhoud, er 67 wel zeggenschap hebben over medegebruik van de accommodatie (84%). Verantwoordelijkheid voor meerjarenonderhoud en zeggenschap over medegebruik van de accommodatie hangen dus sterk met elkaar samen7. 3.1.4. Stadsdelen In Figuur 3.5 wordt de verdeling van deelnemende sportverenigingen naar stadsdeel weergeven. Ruim een kwart (27%) van de verenigingen in het onderzoek is afkomstig uit het stadsdeel Escamp. De stadsdelen Loosduinen (18%), Haagse Hout (13%) en Segbroek (12%) zijn eveneens ruim vertegenwoordigd in het onderzoek. Deze verdeling is niet verwonderlijk: het merendeel van de Haagse sportverenigingen is ook in deze stadsdelen gevestigd.
Centrum 9% Laak 5%
Escamp 27%
LeidschenveenYpenburg 7%
Scheveningen 9%
Segbroek 12%
Loosduinen 18% Haagse Hout 13%
Figuur 3.5. Deelnemende verenigingen naar stadsdeel (N = 165)
7
Een χ2-toets op de 2 × 2 -kruistabel waarin het al dan niet verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van de accommodatie is afgezet tegen het al dan niet hebben van zeggenschap over medegebruik, toont een significante samenhang: χ2 (df=1, N=165) = 91.86; p < 0,001.
14
3.2. Beleid 3.2.1. Beleidsplannen We vinden het belangrijk dat verenigingen beleid opstellen en nadenken over de toekomst van de vereniging. Deze paragraaf gaat in op het aantal verenigingen dat hun beleid op schrift heeft gesteld, verenigingen die bezig zijn beleid te ontwikkelen en verenigingen die de acties in hun beleidsplannen tot uitvoering brengen. In Tabel 3.2 wordt de algemene stand van zaken op het gebied van beleidsplannen samengevat. Ruim driekwart (77%) van de verenigingen heeft één of meer beleidsplannen op schrift gesteld. Zes van de tien verenigingen (60%) is bezig met het opstellen van één of meer beleidsplannen. Driekwart van de verenigingen voeren acties uit de beleidsplannen daadwerkelijk uit. Tabel 3.2. Verenigingen met één of meer beleidsplannen Aantal
% deelnemende. verenigingen (N = 165)
Beleidsplan(nen) op schrift
127
77%
Bezig met beleidsplan(nen)
99
60%
Acties uit beleidsplan(nen) uitgevoerd
124
75%
Geen beleidsplan(nen)
26
16%
Tabel 3.3 toont de samenhang tussen het hebben van beleidsplannen op schrift en het (al dan niet) bezig zijn met beleidsplannen; 16% van de verenigingen heeft geen beleid op schrift staan en is daar ook niet mee bezig. Daartegenover staat dat 53% van de verenigingen beleid op schrift heeft staan én bezig is met nieuwe beleidsplannen of het bijwerken van bestaande beleidsplannen. Van de 38 verenigingen die geen beleidsplan op schrift hebben staan, zijn 12 (d.w.z. 32%) wel bezig met het opstellen van één of meerdere beleidsplannen. Tabel 3.3. Verenigingen met één of meer beleidsplannen Bezig met beleidsplan Beleidsplan op schrift
Totaal
Niet bezig
Wel bezig
Niet op schrift
16%
7%
Wel op schrift
24%
53%
77%
Totaal
40%
60%
100%
23%
Kleine en grote verenigingen Figuur 3.6 toont een uitsplitsing naar kleine verenigingen (< 300 leden) en grote verenigingen (vanaf 300 leden). Het blijkt dat vrijwel alle grote verenigingen (98%) één of meer beleidsplannen op schrift hebben staan; voor kleine verenigingen is dit percentage slechts 63%; dit verschil is statistisch significant 8 . Eveneens blijkt dat een ruime meerderheid van de grote verenigingen bezig is met het opstellen van één of meer beleidsplannen (79%); tegenover een minderheid van de kleine verenigingen (47%); ook dit verschil blijkt statistisch significant9. Tot slot is gevonden dat (slechts) 2% van de grote verenigingen geen beleidsplannen op schrift heeft staan én evenmin bezig met beleidsplannen; bij kleine verenigingen was dit een kwart (25%); ook dit verschil blijkt statistisch significant10.
8
Een χ2-test op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N = 165) = 28,73; p < 0,001. Een χ2-test op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N = 165) = 16,18; p < 0,001. 10 Een χ2-test op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N = 165) = 16,81; p < 0,001. 9
15
98% 79%
77% 63%
60% 47% 25% 16% 2%
Beleidsplan(nen) op schrift Alle verenigingen
Bezig met bepleidsplannen Grote verenigingen
Geen beleidsplannen op schrift en ook niet bezig met beleidsplannen Kleine verenigingen
Figuur 3.6. Beleidsplannen bij grote en kleine verenigingen.
Beleidsplannen bij verschillende sportsoorten In Figuur 3.7 wordt een vergelijking gemaakt tussen sportsoorten. Alle korfbal- en hockeyverenigingen hebben ten minste één beleidsplan op schrift (100%); ook de voetbal- (91%) en fitness, turn- en dansverenigingen (89%) hebben relatief vaak een beleidsplan op schrift. Onder verenigingen voor zelfverdediging/vechtsporten (64%) en denksporten (53%) is dit aandeel relatief lager.
Korfbal
100%
Hockey
100%
Voetbal
91%
Fitness, turnen, dans
89%
Beach, branding, watersport
83%
Zwemmen
79%
Overige balsporten
76%
Racketsport
70%
Zelfverdediging, vechtsport
64%
Denksport
53%
Figuur 3.7. Beleidsplan(nen) op schrift bij type sportsoorten
16
Type beleidsplannen Het blijkt dat 45% van de verenigingen een algemeen beleidsplan heeft én ten minste één ander beleidsplan. Onder grote verenigingen is dit percentage aanzienlijk hoger (64%) dan onder kleine verenigingen (32%); dit verschil is statistisch significant11. In Tabel 3.4 wordt een overzicht gegeven van het type beleidsplannen dat verenigingen op schrift hebben gesteld en waar men al dan niet acties uit heeft uitgevoerd; deze gegevens zijn op twee manieren gepercenteerd. Allereerst is het percentage verenigingen dat acties uit het betreffende beleidsplan heeft uitgevoerd weergegeven ten opzichte van het aantal verenigingen dat het betreffende beleidsplan op schrift heeft staan, ofwel bezig is met het betreffende beleidsplan. Ten tweede is gepercenteerd ten opzichte van alle verenigingen, ongeacht of deze het betreffende beleidsplan hebben of daarmee bezig zijn. Ter illustratie: slechts 44% van de verenigingen heeft een beleidsplan op schrift voor jeugdbeleid of is met een dergelijk beleidsplan bezig en ten opzichte van het totaal aantal verenigingen (N = 165) is het aandeel verenigingen dat acties uit een jeugdbeleidsplan uitvoert dan ook beperkt (36%); evenwel geldt dat binnen verenigingen die een dergelijk beleidsplan hebben (of hiermee bezig zijn) een ruime meerderheid (81%) ook acties uit het jeugdbeleidsplan uitvoert12. Tabel 3.4.
Type beleidsplannen op schrift, bezig en acties uitgevoerd Beleidsplan op schrift
Beleidsplan op schrift of bezig
Binnen alle verenigingen
Acties uitgevoerd uit betreffende beleidsplan Binnen verenigingen met beleidsplan op schrift óf bezig met beleidsplan
Binnen alle verenigingen
Algemeen beleidsplan
52%
67%
75%
50%
Sporttechnisch plan
36%
40%
82%
33%
Topsport
15%
20%
70%
14%
Jeugdbeleid
32%
44%
81%
36%
Vrijwilligersbeleid
30%
47%
65%
30%
Normen en waarden (Veilig sportklimaat / Sportiviteit en respect) Sponsoring (werving)
39%
44%
78%
34%
22%
33%
67%
22%
Communicatie
16%
26%
67%
18%
Ledenwerving/-behoud
24%
40%
55%
22%
Accommodatie
28%
41%
69%
28%
Maatschappelijke functie vereniging (Buurthuis van de Toekomst)
16%
20%
64%
13%
VITALITEIT: BELEID EN VISIE
•
Een ruime meerderheid 77% van de verenigingen heeft beleidsplannen op schrift.
•
Minder dan de helft van de verenigingen (45%) heeft een algemeen beleidsplan en ten minste één ander beleidsplan op schrift.
•
Van alle 165 deelnemende verenigingen voeren er 96 acties uit ten minste twee beleidsplannen uit (58%).
11
Een χ2-test op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N = 165) = 15,70; p < 0,001. Merk op dat de percentages uit de vierde kolom (ook) verkregen kunnen worden door de percentages van de tweede en derde kolom met elkaar te vermenigvuldigen.
12
17
3.2.2. Toekomstplannen Een indicatie van vitaliteit is wanneer verenigingen bezig zijn met vernieuwing en nadenken over de toekomst. Te denken valt aan het beginnen van nieuw sportaanbod en/of lidmaatschapsvormen, of het zoeken naar nieuwe inkomstenbronnen. Nieuw sportaanbod en/of nieuwe lidmaatschapsvormen 31% van de deelnemende sportverenigingen is de afgelopen twee jaar begonnen met nieuw sportaanbod en/of nieuwe lidmaatschapsvormen, 16% van de verenigingen heeft hier in de komende twee jaar plannen voor en 53% van de verenigingen is hier niet mee begonnen en heeft hier ook geen plannen voor in de toekomst. Onder grote verenigingen is het percentage dat gestart is met nieuw sportaanbod/lidmaatschapsvormen aanzienlijk hoger (42%) dan onder kleine verenigingen (23%). Er zijn geen grote verschillen voor wat betreft plannen voor nieuw aanbod/lidmaatschapsvormen in de komende twee jaar (18% voor grote verenigingen, 15% voor kleine verenigingen). Het aandeel verenigingen dat in het geheel niet bezig is met uitbreiden is bij kleine verenigingen juist aanzienlijk hoger: 62%, tegenover 39% bij grote verenigingen.
53% 31%
62% 42%
39% 18%
16%
23%
15%
Alle verenigingen Grote verenigingen Kleine verenigingen Afgelopen twee jaar uitgebreid met nieuw sportaanbod en/of nieuwe lidmaatschapsvormen Plannen om de komende twee jaar te beginnen met nieuw sportaanbod en/of nieuwe lidmaatschapsvormen Geen van beide Figuur 3.8. Nieuw sportaanbod en/of nieuwe lidmaatschapsvormen
3.2.3. Meerjarenonderhoudsplanning We vinden het belangrijk dat verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie, daar ook een actuele planning voor op papier hebben staan. Van de 85 deelnemende verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud blijkt bij 55 (65%) ook een meerjarenonderhoudsplanning aanwezig. Onder grote verenigingen is dit percentage aanzienlijk hoger (75%) dan onder kleine verenigingen (25%); dit verschil is statistisch significant13.
VITALITEIT: HET THEMA ACCOMMODATIE
13
•
Een ruime meerderheid (65%) van de verenigingen die meerjarenonderhoud heeft een meerjarenonderhoudsplanning.
•
Onder grote verenigingen is dit aandeel significant hoger (75%) dan onder kleine verenigingen (25%).
Een χ2-test op de 2x2 kruistabel levert χ2(1, N = 85) = 6,22; p = 0,013 (< 0,05).
18
verantwoording
dragen
voor
het
3.3. Leden en activiteiten 3.3.1. Ledenaantallen In Figuur 3.9 wordt de verdeling van ledenaantallen, zoals begin 2020 bekend, weergegeven voor deelnemende verenigingen. 15% van de verenigingen had minder dan 50 leden; 11% had meer dan 1000 leden.
Meer dan 1000 leden
11%
600 tot 1000 leden
10%
300 tot 600 leden
19%
150 tot 300 leden
15%
50 tot 150 leden
30%
Minder dan 50
15%
Figuur 3.9. Verdeling ledenaantallen deelnemende verenigingen (N = 165)
Het gemiddelde aantal leden bedraagt 484 (SD = 1346, N = 165); één vereniging kan beschouwd worden als een uitbijter: deze vereniging had namelijk meer dan 16.000 leden, meer dan zes keer zoveel als de eerstvolgende sportvereniging. Meetellen van deze uitbijter kan het gemiddelde sterk hebben vertekend; wanneer deze uitbijter buiten beschouwing gelaten wordt, is het gemiddelde aantal leden 386 (SD = 469, N = 164). In Figuur 3.10 is de verandering van ledenaantallen ten opzichte van 2018 weergegeven. Bij 50% van de deelnemende verenigingen groeide het ledenaantal tussen 2018 en 2020 (de groene kolommen tezamen). Bij 22% van de verenigingen nam het aantal leden juist af (de rode kolommen tezamen). Bij een aanzienlijk deel van de verenigingen (28%) was het ledenaantal constant (de blauwe kolom). 28%
27%
18%
16% 7%
2%
2%
Afname tot aan 50%
Afname tussen 25% en 50%
Afname tussen 5% en 25%
Weinig toe- of afname
Toename tussen Toename tussen Toename meer 5% en 25% 25% en 25% dan 50%
Figuur 3.10. Verdeling verandering ledenaantallen ten opzichte van 2018 (N = 165)
Voor kleine verenigingen is een verandering in het ledenaantal procentueel gezien al snel groot. Daarom hebben de kleine verenigingen meer dan de grote verenigingen te maken met procentueel grote schommelingen in het ledenaantal.
19
Vertegenwoordiging Haagse bevolking naar leeftijdsgroepen In het onderzoek konden de verenigingen per leeftijdsgroep aangeven wat het aantal leden bij hun vereniging was. Tabel 3.5 geeft het totaal aantal leden per leeftijdsgroep weer, gesommeerd over de deelnemende verenigingen14. Ter vergelijking wordt ook de opbouw van de Haagse bevolking in dezelfde leeftijdscategorieën samengevat. Tabel 3.5. Ledenaantal per leeftijdsgroep Haagse bevolking (1/1/2020)
Leeftijdscategorie
Aantal leden
Percentage
0 t/m 5 jaar
2255
3%
7%
6 t/m 12 jaar
16421
21%
8%
13 t/m 18 jaar
11787
15%
7%
19 t/m 44 jaar
22293
28%
38%
45 t/m 64 jaar
17092
21%
26%
65 jaar en ouder
10026
13%
14%
Meer dan een op de vijf (21%) van de leden van de 165 deelnemende verenigingen was in de basisschoolleeftijd (6 t/m 12). Dit is ruim twee en een half keer zoveel als het aandeel van deze leeftijdsgroep in de Haagse bevolking. Ook voor 13- t/m 18-jarigen geldt dat zij ruim vertegenwoordigd zijn. Voor 19- t/m 44-jarigen geldt het omgekeerde: zij zijn verhoudingsgewijs minder vertegenwoordigd dan in de Haagse populatie. Voor 65+’ers geldt dat zij ongeveer evenveel vertegenwoordigd zijn als in de Haagse bevolking.
VITALITEIT: HET THEMA LEDEN
•
Bij 78% van de verenigingen is het ledenaantal ten opzichte van twee jaar geleden stabiel of stijgend geweest.
14
Omdat mensen lid kunnen zijn van meer verenigingen, zitten hier dubbeltellingen in. De vergelijkingen met de populatiepercentages moeten derhalve met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
20
3.3.2. Activiteiten voor ledenbinding Vrijwel alle Haagse sportverenigingen (161 van de 165, d.w.z. 98%) organiseren activiteiten om leden aan zich te binden. Dit kunnen sportgerelateerde activiteiten zijn zoals toernooien, onderlinge wedstrijden of opleidingen, of niet-sportgerelateerde activiteiten zoals feesten en clubavonden. In totaal organiseerden 151 van de 165 deelnemende verenigingen sportgerelateerde activiteiten buiten het reguliere sportaanbod (92%); 148 verenigingen (90%) organiseerden niet-sportgerelateerde activiteiten. Figuur 3.11 vat het aandeel sportgerelateerde- en niet-sportgerelateerde activiteiten samen; de percentages zijn berekend ten opzichte van het totaal aantal deelnemende sportverenigingen. Verenigingen kunnen meer dan één type activiteit organiseren, vandaar dat de percentages (kunnen) optellen tot boven de 100%. Toernooien
75%
Feesten/barbecue
Onderlinge wedstrijden
72%
Clubavonden
Opleidingen (bv. scheidsrechter, trainer)
Kamp
62%
79% 57% 42%
Ouder-kind sportactiviteiten
41%
Bingo-/kaartavonden
30%
Anders (sportgerelateerd)
39%
Anders (niet-sportgerelateerd)
34%
Sportgerelateerde activiteiten
Niet-sportgerelateerde activiteiten
Figuur 3.11. Activiteiten t.b.v. ledenbinding t.o.v. het totaal aantal deelnemende sportverenigingen (N =165)
Onder de sportgerelateerde activiteiten worden toernooien (75%) en onderlinge wedstrijden (72%) het meest genoemd; onder niet-sportgerelateerde activiteiten worden feesten en barbecues (79%) en clubavonden (57%) het meest genoemd. Kleine en grote verenigingen • • •
Grote verenigingen organiseren vaker en meer activiteiten dan kleine verenigingen. Met name de mogelijkheid om opleidingen te volgen, wordt door grote verenigingen vaker geboden dan door kleine verenigingen. Bij de niet-sportgerelateerde activiteiten zijn het vooral de bingo- en kaartavonden en kampen die grote verenigingen vaker organiseren dan kleine verenigingen.
Verschillen op basis van type sportsoort Met name verenigingen voor voetbal organiseren vaker dan andere verenigingen sportgerelateerde activiteiten voor hun leden. Verenigingen voor zwemmen en denksport doen dit juist relatief weinig. Verenigingen voor voetbal organiseren voor hun leden ook vaker dan andere verenigingen nietsportgerelateerde activiteiten. Bij verenigingen voor denksport en zelfverdediging/vechtsport vinden dit soort activiteiten minder vaak plaats.
• •
VITALITEIT: HET THEMA LEDEN
• •
Vrijwel alle Haagse sportverenigingen (98%) organiseren activiteiten om leden aan zich te binden 73% van de verenigingen organiseert minimaal drie verschillende soorten activiteiten om hun leden aan de vereniging te binden, buiten de reguliere sportactiviteiten om.
21
3.4. Kader en vrijwilligers Deze paragraaf vat samen hoe de deelnemende verenigingen hun bestuursfuncties vervullen, alsmede hoe men het beleid rondom vrijwilligers vormgeeft. 3.4.1. Bestuursleden Als richtlijn wordt aangehouden dat het bestuur van vitale sportverenigingen uit minimaal een voorzitter, penningmeester en secretaris bestaat. Bij 152 van de 165 deelnemende verenigingen (92%) werden de bestuursfuncties vervuld door drie verschillende personen. Bij negen verenigingen (6%) werden één of twee van de bestuursfuncties vervuld en bij vier (2%) werden geen van de bestuursfuncties vervuld. Van de 13 verenigingen waar niet alle bestuursfuncties vervuld werden, gaven zes verenigingen aan dat het moeilijk is om kandidaten te vinden voor de bestuursfuncties; vier gaven aan dat sprake is van een tijdelijke situatie en drie verenigingen stelden dat het vanwege de grootte van de vereniging niet nodig was om alle bestuursfuncties (door aparte personen) te vervullen. Vanwege de kleine aantallen verenigingen die niet alle bestuursfuncties vervuld hebben, is het niet mogelijk om uitsplitsingen te doen naar grootte van de vereniging of naar sportsoorten. VITALITEIT: THEMA KADER
•
Bij 92% van de verenigingen bevat het algemeen bestuur een voorzitter, een penningmeester en een secretaris.
3.4.2. Commissies Een commissie is een afgebakende eenheid binnen een organisatie, belast met een specifieke set taken en verantwoordelijkheden. Van de 165 onderzochte verenigingen hebben in totaal 150 (91%) één of meer commissies ten behoeve van de dagelijkse gang van zaken binnen de vereniging. Onder de 99 kleine verenigingen (minder dan 300 leden) was het percentage zonder enige commissie 13%; onder de 64 grote verenigingen (vanaf 300 leden) was dit percentage slechts 3%. De 150 verenigingen met ten minste één commissie hebben gemiddeld 7,4 commissies (SD = 4.4). Grote verenigingen hebben gemiddeld bijna twee keer zoveel commissies (M = 10,3; SD = 3,2; N = 86) dan kleine verenigingen (M = 10,3; SD = 4,2; N = 64). Dit verschil bleek statistisch significant15. Tabel 3.5 vat het gemiddelde aantal commissies samen per type sportsoort. Hockeyverenigingen blijken gemiddeld 13,3 commissies te hebben; zelfverdediging- en vechtsportverenigingen hebben gemiddeld 3,9 commissies. Tabel 3.5. Gemiddeld aantal commissies onder verenigingen naar type sportsoort. M
SD
N
M
SD
N
Hockey
13,3
3,2
9
Korfbal
11,3
4,0
9
Overige balsporten
8,8
4,0
17
Racketsport
8,5
4,6
22
Voetbal
9,5
4,7
31
Zwemmen
5,2
1,6
12
Beach, branding, watersport
9,3
Fitness, turnen, dans
9,1
3,6
12
Denksport
5,0
3,3
15
5,6
7
Zelfverdediging, vechtsport
3,9
2,9
15
15
Dit verschil is getoetst met een onafhankelijke t-toets op de gemiddelden; gevonden werd dat t(112,93) = 8,20; p < 0,01 (tweezijdig).
22
Figuur 3.12 vat de frequentie van de verschillende soorten commissies samen onder deelnemende sportverenigingen. Het blijkt dat ruim vier op de vijf verenigingen (81%) een kas- of financiële commissie heeft. Zes op de tien verenigingen heeft een technische commissie en ruim de helft heeft een activiteiten/feesten- of wedstrijdcommissie (resp. 59% en 56%). Commissies voor topsport en maatschappelijke activiteiten zijn bij weinig verenigingen aanwezig (resp. 13% en 12%). Kas / financieel Technische
81% 60%
Activiteiten of feesten Wedstrijd
59% 56%
Ledenadministratie Kantine of bar Sponsor
40%
Jeugd Toernooi
39%
46% 44% 40%
Accommodatie PR Materialen
34% 31% 31%
Scheidsrechter Normen en waarden Vrijwilligers Topsport Maatschappelijke activiteiten Anders
25% 23% 21% 13% 12% 16%
Figuur 3.12. Commissies onder deelnemende sportverenigingen (N =165)
Van de 80 verenigingen die aangaven verantwoordelijk te zijn voor het meerjarenonderhoud van de accommodatie gaven 51 aan een accommodatiecommissie te hebben (64%). Onder de (deels overlappende) 75 verenigingen die zeggenschap hebben over het medegebruik van de accommodatie gaven 46 verenigingen (61%) aan een accommodatiecommissie te hebben. Binnen deze groepen zijn geen significante verschillen tussen grote en kleine verenigingen gevonden.
VITALITEIT: THEMA KADER EN ACCOMMODATIE •
91% van de verenigingen heeft ten minste één of meer commissies.
•
81% van de kleine verenigingen heeft ten minste twee commissies.
•
89% van de grote verenigingen heeft ten minste vijf commissies.
•
64% van de verenigingen verantwoordelijk voor het meerjarenonderhoud van de accommodatie heeft een accommodatiecommissie.
23
3.4.3. Functieprofielen en taakomschrijvingen Verenigingen zetten voor bepaalde functies en activiteiten profielen en taakomschrijvingen op papier. Als richtlijn wordt aangehouden dat verenigingen in elk geval de functieprofielen voor de bestuursfuncties (voorzitter, penningmeester en secretaris) op papier zetten. Van de 165 onderzochte verenigingen hebben 117 verenigingen één of meer functieprofielen op papier gezet (71%); bij 106 verenigingen (64%) betreft het (onder andere) één of meer van de drie bestuursfuncties; 102 verenigingen (62%) hadden functieprofielen voor alle drie de bestuursfuncties. In totaal zijn 22 verenigingen (13%) bezig functieprofielen op papier te zetten. In Figuur 3.13 wordt een samenvatting gegeven van het voorkomen van functieprofielen en taakomschrijvingen op schrift naar de verschillende typen functieprofielen en taakomschrijvingen. Duidelijk is dat de drie bestuursfuncties (penningmeester, voorzitter en secretaris) bij een ruime meerderheid van verenigingen een omschrijving op schrift hebben (resp. bij 64%, 64% en 62% van de deelnemende verenigingen). Penningmeester Voorzitter Secretaris Algemeen bestuurslid Trainer Bardienst Organisatie wedstrijden/toernooien Beheer/onderhoud website, clubblad Scheidsrechter Beheer/onderhoud/schoonmaak acc. Beheer/onderhoud materiaal Organisatie evenementen Leider Sponsoring (werving) Sportmedische zorg Anders
64% 64% 62% 36% 36% 21% 21% 20% 18% 17% 16% 15% 15% 14% 7% 4%
Figuur 3.13. Functieprofielen en taakomschrijvingen op schrift (N = 165)
Kleine en grote verenigingen • • •
Er is een duidelijk verschil tussen grote en kleine verenigingen: grote verenigingen zetten vaker functieprofielen en/of taakomschrijvingen op papier dan kleine verenigingen. Zowel grote als kleine verenigingen hebben functieprofielen op papier gezet voor de essentiële bestuursfuncties. Voor bijna alle andere functieprofielen/taakomschrijvingen geldt dat grote verenigingen deze vaker op papier hebben gezet dan kleine verenigingen. Dit geldt vooral voor de functies ‘trainer’ en ‘algemeen bestuurslid’.
Verschillende sportsoorten •
Verenigingen voor zwemmen en voetbal hebben vaker functieprofielen en taakomschrijvingen op papier gezet dan andere verenigingen; beach-, branding- en watersportverenigingen en verenigingen voor denksport en voor zelfverdediging- of vechtsport doen dat juist minder vaak.
24
VITALITEIT: THEMA KADER •
62% van de verenigingen heeft functieprofielen van alle drie de bestuursfuncties (voorzitter, secretaris en penningmeester) op papier gezet.
•
13% van de verenigingen is bezig functieprofielen op papier te zetten.
3.4.4. Vrijwilligers Vrijwilligers zijn van cruciaal belang voor sportverenigingen. Gemiddeld hebben de 165 onderzochte verenigingen 70 vrijwilligers (SD = 104). Niet verbazingwekkend is dat grote verenigingen gemiddeld meer vrijwilligers hebben dan kleine verenigingen (gemiddeld resp. 143 en 22). Dit verschil bleek ook statistisch significant16. Bij verenigingen voor voetbal, zwemmen en beach-, branding- en watersport zijn relatief veel vrijwilligers actief, bij verenigingen voor denksport en zelfverdediging- en/of vechtsport zijn dat er juist weinig. Ook dit wordt grotendeels door de omvang van de vereniging bepaald. Figuur 3.14 vat samen in hoeverre verenigingen een tekort aan vrijwilligers hebben ervaren. Het blijkt dat van alle verenigingen 36% aangeeft voldoende vrijwilligers te hebben; 45% geeft aan soms niet genoeg vrijwilligers te hebben; 18% heeft (structureel) onvoldoende vrijwilligers. De verschillen tussen grote en kleine verenigingen zijn niet significant.
Alle verenigingen
Grote verenigingen
Kleine verenigingen
Voldoende vrijwilligers
36%
32%
39%
45%
18%
52%
17%
41%
19%
Soms wel, soms niet genoeg vrijwilligers
Onvoldoende vrijwilligers
Figuur 3.14. Tekorten aan vrijwilligers
In totaal gaven 105 verenigingen aan soms of structureel onvoldoende vrijwilligers te hebben. Van deze verenigingen gaf bijna twee derde (63%) aan dat het tekort beheersbaar was; de overige 39 verenigingen (37%) gaven aan dat het tekort soms tot (ernstige) knelpunten leidt.
Absolute omvang van het tekort aan vrijwilligers Verenigingen met een tekort komen gemiddeld 14 vrijwilligers tekort. Dit verschilt aanzienlijk tussen grote en kleine verenigingen: grote verenigingen hebben gemiddeld een tekort van 18 vrijwilligers; kleine verenigingen hebben gemiddeld een tekort van 7 vrijwilligers. Dit verschil is statistisch significant17.
16 17
Een Welch-t-toets op de (onafhankelijke) gemiddelden toonde dat t(69,2)= 7,36, p < 0,001 (tweezijdig). Een Welch-t-toets op de (onafhankelijke) gemiddelden toonde dat t(51,5)= 16,7, p < 0,001 (tweezijdig).
25
Relatieve omvang van het tekort aan vrijwilligers Naast naar het absolute tekort aan vrijwilligers is gekeken naar het (relatieve) tekort aan vrijwilligers, berekend ten opzichte van het totaal aantal gewenste18 vrijwilligers. Voor alle (105) verenigingen met een tekort tezamen werd gevonden dat dit tekort gemiddeld 6,5% bedroeg, dat wil zeggen: ten opzichte van het totaal aantal gewenste vrijwilligers kwam men 6,5% tekort. Onder kleine verenigingen was dit relatieve tekort gemiddeld 9,6%; onder grote verenigingen was dit relatieve tekort gemiddeld 2,4%; dit verschil is statistisch significant19.
Gemiddeld relatieve tekort (in%)
Figuur 3.15 toont het relatieve tekort aan vrijwilligers, uitgesplitst naar grootte en of de tekorten al dan niet tot knelpunten leiden. Onder grote verenigingen die aangaven dat het vrijwilligerstekort geen knelpunten oplevert, is het relatieve tekort gemiddeld 1,2%; onder kleine verenigingen is dit tekort gemiddeld 8,4%; dit verschil is statistisch significant. Onder grote verenigingen die aangaven dat het vrijwilligerstekort wel knelpunten oplevert, is dit tekort gemiddeld 4,1%; onder kleine verenigingen is dit 11,9%; dit verschil is eveneens statistisch significant20.
11,9% 8,4%
8,1% 5,6% 4,1% 1,2%
Alle verenigingen
Groot Geen knelpunt
Klein
Knelpunt
Figuur 3.15. Gemiddeld relatieve tekort afgezet tegen ervaren knelpunten
Tekort vrijwilligers voor specifieke functies Figuur 3.16 vat samen waar de tekorten aan vrijwilligers zich voordoen. Van de 165 deelnemende verenigingen heeft 32% een tekort aan vrijwilligers voor het werven van sponsoring, 29% heeft tekorten aan trainers/coaches en 28% heeft tekorten aan vrijwilligers voor het werven van leden. Opvallend is dat bij grote verenigingen een groot tekort aan scheidsrechters heerst (39% van de grote verenigingen ervaart hier een tekort). Ook vindt 38% van de grote verenigingen onvoldoende vrijwilligers voor het draaien van bardiensten. Kleine verenigingen hebben juist relatief meer moeite met het vinden van vrijwilligers voor promotie (32% vergeleken met 21% onder grote verenigingen).
18 Het totaal aantal gewenste vrijwilligers is het aantal reeds aanwezige vrijwilligers, verhoogd met het aantal vrijwilligers dat men momenteel tekort komt. 19 Een Welch-gecorrigeerde onafhankelijke t-toets op het verschil in gemiddelden toont dat t(99,26) = 5,66; p < 0,01 (tweezijdig). 20 Beide verschillen zijn getoetst middels een gecombineerde tweewegsvariantieanalyse (ANOVA) met grootte en het al dan niet ervaren van knelpunten als factoren en het relatieve tekort als afhankelijke variabele. Voor de factor knelpunt (wel/niet) werd gevonden dat F(1, 102) = 5,75; p = 0,018 (< 0,05); voor de factor grootte (klein vs. groot) werd gevonden dat F(1, 102) = 31,57; p < 0,001).
26
32%
Sponsoring (werving)
26% 29%
Trainer/coach
27%
33%
22% 26% 29%
24%
25%
Scheidsrechter
39%
15% 21%
Andere bestuursfuncties
30%
15% 19%
Beheer/onderhoud website, clubblad
26%
15% 18%
Beheer/onderhoud materiaal
15% 16%
Beheer/onderhoud/schoonmaak accommodatie
12% 12%
Jeugdbestuur
9%
23%
23%
17%
8% 9% 8%
Essentiële bestuursfunctie
8%
Leider
Alle verenigingen
38%
27%
Organisatie evenementen
Anders
32%
20%
Organisatie wedstrijden/toernooien
Centrale Vertrouwenscontactpersoon
28%
21%
Bardienst
Sportmedische zorg
33%
26%
Ledenwerving/promotie vereniging
39%
5% 5%
12%
11%
1% 5% 6% 4% 5% 3%
8%
Grote verenigingen
Kleine verenigingen
Figuur 3.16. Tekort aan vrijwilligers, uitgesplitst naar type functie en grootte verenigingen
27
Cursussen en trainingen voor vrijwilligers en bestuursleden Er zijn voor sportverenigingen diverse mogelijkheden om de vrijwilligers en bestuursleden bij te scholen of op te leiden. Cursussen en bijeenkomsten worden door verschillende organisaties verzorgd, zoals de gemeente, maar ook de sportbonden. Vrijwilligers of bestuursleden van ruim zeven op de tien verenigingen (72%) zijn bij dergelijke bijeenkomsten aanwezig geweest. Onder de 66 grote verenigingen is dit aandeel aanzienlijk hoger dan onder de 99 onderzochte kleine verenigingen (94% en 58%). Figuur 3.17 toont de trainingen en cursussen die bezocht worden door vrijwilligers en bestuursleden van alle sportverenigingen tezamen. EHBO- of AED-cursussen worden veruit het meeste bezocht door verenigingen. Van bijna vier op de tien verenigingen (38%) hebben vrijwilligers of bestuurders deelgenomen aan deze cursussen. Andere trainingen die relatief veel worden bezocht zijn Veilig sportklimaat / Sportiviteit en respect (30%) en de Instructie Verantwoord Alcoholschenken (IVA) (25%).