RIS307135 Bijlage 6 - Nota van Beantwoording Structuurvisie CID
Tekst van het document
H
Het OV loopt nu al, met name in de centrumgebieden, tegen zijn grenzen aan. Daarom denkt de indiener dat in de structuurvisie meer aandacht zou moeten worden geschonken aan de vraag hoe het tram- en busvervoer in de stad ook in die fase aan de steeds grotere vraag moet kunnen voldoen.
Verwezen wordt naar de beantwoording onder D.
I
Indiener verwijst naar paragraaf 4.3, waarin staat: “De overige wegen in het CID hebben geen functie voor doorgaand autoverkeer en zijn hier ook niet op ingericht. Binnen dit gebied wordt een snelheid van 30 km/uur de norm, waarbij de veiligheid en oversteekbaarheid voor voetgangers en fietsers centraal staan”. Indiener pleit er voor om de OV-routes in het gebied buiten deze voorgestelde nieuwe norm van 30 km/u te houden, omdat een hogere snelheid van tram en bus belangrijk is om voldoende kwaliteit te kunnen blijven bieden, niet alleen voor de gebruikers van het CID, maar ook de reizigers met verder weg gelegen bestemmingen. Aandacht voor prioriteit en goede inpassing van het langzaam verkeer is daarbij zeker nodig, maar een hoog-stedelijk gebied rond stations zonder goede bereikbaarheid van die stations voor het lokale OV, is slecht voor de gehele stad.
Meer veiligheid en comfort voor fietsers en voetgangers en hogere verblijfskwaliteit en betere looproutes, zullen ook leiden tot meer OV gebruik. Reizigers moeten immers vrijwel altijd naar de halte lopen of fietsen. Het aandeel OV dat voor het CID als streefwaarde wordt genoemd is vergelijkbaar met het OV gebruik door bewoners van de binnenstad, waar de afgelopen jaren al een mobiliteitstransitie is bereikt als gevolg van kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte en autoluw inrichten. In het centrum zal het aandeel OV door bezoekers en werkers hoger zijn dan de genoemde 20%. Als uitgangspunt voor alle gebruikers en bewoners van CID acht het college dit vooralsnog een realistische waarde.
J
Indiener vraagt er zorg voor te dragen dat het autoluw maken niet leidt tot een achteruitgang van de kwaliteit en snelheid van het OV.
Zoals de indiener aangeeft zal de vervoervraag met de intensivering en kwaliteitsverbetering in het gebied toenemen. Om de groei op korte en middellange termijn te kunnen verwerken, zullen ook de andere tram- en buslijnen in het gebied meer reizigers te verwerken krijgen. Deze rijden op maaiveld. Op de kaarten is aangegeven welke tracés hiervoor de voorkeur hebben. De gemeente wil dan ook in gesprek met HTM faseringsopties te ontwikkelen, zodat de capaciteitsgroei en de
72/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
gewenste doorstroming gelijke tred kan houden met de ontwikkeling van het gebied. Voor de inrichting van de campusboulevard onderschrijft het college de belangrijke rol voor de bereikbaarheid van het busplatform. Om ruimtelijke ontwikkelingen hier mogelijk te maken, is een versmalling van het Prins Bernhardviaduct en het vervallen van de busbaan echter onontkoombaar. Bij de uitwerking van de plannen voor de campusboulevard wordt daarom ingezet op een blijvend goede doorstroming van het busverkeer op deze route. Daarvoor zijn ook andere middelen beschikbaar dan een vrije busbaan. De gemeente zal HTM nauw betrekken bij deze verdere planvorming.
K
Ten aanzien van de plannen voor de Campus boulevard (omgeving CS) verbaast het de indiener dat de belangrijke busverbinding (meer dan 1500 busbewegingen per dag) via het Prins Bernhardviaduct naar CS niet in de visie genoemd wordt. De versmalling van het Bernhardviaduct, waarbij de busbaan vervalt, en het verdwijnen van de korte busoprit leiden tot een stevige verslechtering van de bereikbaarheid van het busplatform voor bussen (en dus busreizigers) en fors hogere exploitatiekosten. Dit kan de indiener niet rijmen met de doelstelling om het OV te versterken.
L
Indiener ziet graag een reservering voor een tramverbinding over het Bernhardviaduct opgenomen in de plannen. Het bestaande tramspoor over het Lage Zand is niet meer terug te vinden op kaart 7.3. In de structuurvisie wordt hier verder niet over gesproken. Indiener gaat ervanuit dat dit spoor deel blijft uitmaken van het railnet. Daarnaast past het ontbreken van een bestaande tramverbinding en verder geheel ontbreken van bus en busplatform CS op kaart 7.3 van de visie (agendakaart Policy Campus/Campus Boulevard) niet bij het streven naar versterken van het OV.
Verwezen wordt naar de beantwoording onder K.
M
Indiener stelt dat op de agendakaart College Campus (kaart 7.4) voor de omgeving HS zijn de tram- en buslijnen geheel afwezig. Dit staat in contrast met de belangrijke functie als vervoersknooppunt in het Haagse netwerk. De Waldorpstraat wordt volgens de visie een groene boulevard, die gemakkelijk oversteekbaar is, maar onduidelijk is hoe de vier buslijnen die nu de verbinding met HS bieden hierin de ruimte krijgen.
De betreffende agendakaart gaat met name in op de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied. Bij uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met de knooppuntfunctie van Station HS.
N
Tenslotte vraagt de indiener om er zorg voor te dragen dat langdurige afsluitingen of beperkingen worden voorkomen respectievelijk verminderd door in de bouwvergunningen eisen te stellen aan de bouwende partijen.
Voor wat betreft het garanderen van de bereikbaarheid van de stad en de doorstroming van het OV tijdens bouwwerkzaamheden, heeft het college een bereikbaarheidsregisseur benoemd. Deze hanteert een handelingskader bereikbaarheidsregie, waarin de OV-routes expliciet als onderdeel van het netwerk zijn opgenomen. Het stedelijk bereikbaarheidsoverleg, waaraan ook HTM deelneemt, is de plaats waar de te stellen eisen worden besproken en bewaakt.
O
Daarnaast verwijst de indiener naar haar eerdere reactie aan de gemeente Den Haag op de gebiedsagenda’s van de drie deelgebieden van het CID, waarin uitgebreid inhoudelijk wordt ingegaan op de verschillende deelgebieden.
De bijlage bij de zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. De Gebiedsagenda’s voor de drie deelgebieden zijn inmiddels vastgesteld.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
73/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 48 – Indiener Ingediend d.d.: 18 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze is gelijk aan die van zienswijze 8, zie de samenvatting en beantwoording aldaar In aanvulling op zienswijze 8, draagt de indiener de volgende punten aan.
Zienswijze
Reactie
A
Indiener voelt zich als bewoner compleet genegeerd door de gemeente, die doet alsof er participatie is, terwijl het vooral voelt alsof er iets door de strot gedrukt wordt, waarbij de bewoner vooral te laat is. Even aangehoord worden, maar niet eens serieus fatsoenlijk antwoord krijgt op de vele vragen, maar afgedaan wordt middels een vaag algemeen schrijven. Hoe gaat u alsnog ALLE gestelde vragen inhoudelijk beantwoorden?
In deze nota van beantwoording staat de reactie op alle zienswijzen verwoord.
B
Nu er overal in den lande en in mijn vakgebied (gebouwde omgeving) discussies zijn over hoe kantoren in de toekomst ingericht moeten worden n.a.v. de corona crisis is het volstrekt onduidelijk hoe e.e.a. gaat uitpakken. Gaan bedrijven kantoorruimte afstoten en ontstaat er dus een overschot aan kantoorruimte in de plannen van het CID? Gaan leerlingen meer online leskrijgen? Werknemers meer online werken? E.e.a. zou met zich mee kunnen brengen dat de woningbehoefte van stad naar land verhuist en kantoorbehoefte anders wordt (minder m2 door afstoten of juist meer vanwege meer kantoorruimte per fte). Derhalve lijkt het raadzaam om de structuurvisie op meerdere vlakken aan te passen alvorens deze te accorderen. Vraag: gaat u de structuurvisie corona-proof maken?
De lange termijn gevolgen van de coronacrisis zijn nog zeer onzeker. De gemeente ziet vooralsnog geen structurele vraaguitval die de uitvoering van de visie onhaalbaar maakt. Het college ziet daarom geen aanleiding voor een fundamenteel andere visie op de ontwikkeling van het CID-gebied.
C
Daarnaast zou de indiener graag zien dat er meerdere scenario’s beschreven worden en er tevens aan triage gedaan wordt wat betreft risico’s en prioriteiten. FMECA analyses zijn in gebouwbeheer volstrekt normaal. Volgens de indiener moet er reeds in de structuurvisie een FMECA analyse op stedenbouwkundig niveau aangebracht worden. Tevens lijkt een stappenplan om tot het gewenste resultaat te komen nogal wenselijk.
De structuurvisie is een ruimtelijke uitwerking van de ambities zoals deze geformuleerd zijn in CID Agenda 2040. Met de visie wordt de samenhang binnen het CID vastgelegd en de leidende principes voor de uitwerking op gebieds- en projectniveau. De visie biedt ruimte om deze principes op gebieds- en projectniveau nader uit te werken op basis van locatie specifieke karakteristieken. Vanuit deze context wordt het uitwerken van aanvullende scenario’s op het niveau van de structuurvisie niet noodzakelijk geacht.
D
Indiener maakt zich grote zorgen om de kwaliteit van de openbare ruimten. De hoogbouw aan de Schenkkade en daaruit volgende toenemende druk op de infrastructuur en toenemend gebruik van de openbare (groene) ruimte zal de biodiversiteit niet ten goede komen. Indiener verzoekt u om vooraf uitvoerig te beschrijven welke begroeiing de extra (hoog)bouw wel/niet aankan.
De structuurvisie spreekt zich niet uit over de invulling van een specifieke locatie. De begroeiing in relatie tot hoogbouw in de Schenk volgt bij nadere planuitwerking. Voor de Schenk staan de ecologische betekenis van het water en de oevers niet ter discussie.
E
Indiener heeft geconstateerd dat men het VUC terrein wil bestempelen als openbare
De verwijzing specifiek naar het VUC-terrein wordt niet herkend. Binnen het CID-gebied
In Hoofdstuk 1 van de structuurvisie is een tekstuele toevoeging gemaakt, waarin in wordt gegaan op de relatie van de structuurvisie tot de huidige coronacrisis.
74/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
F
ruimte t.b.v. sport en ontspanning. Per 5.000 inwoners moet er 30.000m2 openbaar terrein zijn voor sport en spel. Als de bewonersaantallen van Bezuidenhout nu en Mariahoeve opgeteld worden bij de toekomstige extra bewoners van Bezuidenhout leert een eenvoudige rekensom dat er 180.000m2 nodig is. Door te doen alsof het VUC terrein in de toekomst heel Bezuidenhout (en Mariahoeve) voorziet in de behoefte belazert u de boel. Het meerekenen van de m2 Haagse Bos zijn al helemaal onbegrijpelijk. Daar waar een boom staat kan ik er hooguit in klimmen. Vraag: Op basis waarvan rekent u het Haagse Bos als m2 sport en ontspanning? Valt Boompje klimmen onder sport en ontspanning? Is Staatsbosbeheer van uw idee op de hoogte op het bos te laten overspoelen door sporters? Zijn de paadjes daar er wel op berekend?
is onvoldoende ruimte om grootschalige buitensportvoorzieningen aan te leggen. Er zal zeker ruimte zijn voor sport en ontspanning in het CID , maar dan in een multifunctionele/intensieve vorm en met nadruk op sporten in de openbare ruimte. In de bijlage ‘voorzieningenprogramma’ worden voorbeelden aangedragen als hardlopen, bootcamps, trap- en basketbalveldjes (pagina 16). Ook het Haagse Bos biedt ruimte voor ontspanning en sport in de vorm van wandelen en hardlopen.
De Schenkkade kent nu nog een bijzondere fauna. Bent u zich bewust van welke beschermde planten er groeien? Hoe gaat u deze beschermen?
Onderzoek naar beschermde soorten komt aan de orde bij nadere planuitwerking en vergunningverlening.
Conclusie Deze zienswijze leidt tot de volgende aanpassing van de ontwerp-Structuurvisie CID. • In Hoofdstuk 1 is een paragraaf toegevoegd over de structuurvisie in relatie tot de huidige coronacrisis.
Zienswijze 49 – Bewonersoverleg Leeghwaterkade, Fijnjekade en omgeving (BOLF) Ingediend d.d.: 18 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze is gelijk aan die van zienswijze 8, zie de samenvatting en beantwoording aldaar.
Wijk specifieke aspecten Daarnaast draagt de indiener de volgende wijk specifieke aspecten aan.
Zienswijze
Reactie
A
In par. 5.2.1 (p.28) staat dat in de nabijheid van de stations wordt gestuurd op grootschalige publiekstrekkers, als hotels, evenementenlocaties (en ..). Indiener is tegen locaties voor grote evenementen bij station HS, omdat die evenementen voor veel overlast, zoals geluidoverlast, kunnen zorgen. Dat zou dan de rust die er nu voor de bewoners is, aanzienlijk kunnen verstoren
Bij locatiestudies en/of vergunningprocedures voor eventuele nieuwe evenementlocaties wordt uiteraard rekening gehouden met andere belangen, zoals geluidsoverlast voor bewoners.
B
In par. 5.2.2. Wonen (p.30) wordt als norm voor nieuwbouw gehanteerd: minimaal 30% sociale huur, 20% middeldure huur. Voor studenten geldt een aparte kwantitatieve
Van alle te bouwen woningen (inclusief sociale woningbouw, middenhuur en betaalbare koop) mag maximaal 20% bestaan uit kleine woningen. Dit is exclusief de nieuwbouw 75/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
ambitie. En er wordt gestreefd naar 20% betaalbare koop. Rest dus ca. 30% voor duurdere woningen. In de Woonagenda staat dat bij een te eenzijdig aanbod van kleine woningen het risico bestaat dat bewoners hier passanten worden zonder binding met de omgeving. Om dit te voorkomen geldt dat maximaal 20% van de woningen een kleine woning mag zijn met een oppervlak van < 40m2. Dit is exclusief studentenwoningen. Indiener vindt de combinatie van de normering onduidelijk. Kunnen er dan naast de studentenwoningen in de sociale huur nog eens 20% kleine woningen, al dan niet voor studenten, komen? Indiener vreest dat dan het risico op passanten zonder binding met de wijk aanzienlijk wordt. Daarom vraagt de indiener in de Structuurvisie aan te geven hoe de normering voor de verdeling van soorten woningen en die voor kleine woningen zich tot elkaar verhouden.
studentenhuisvesting.
C
In par. 5.2.3. (p.31) wordt de hoogbouw besproken. Indiener is niet tegen de voorziene hoogbouw, maar verbindt hieraan ten minste één voorwaarde, nl. de brandveiligheid. Het treffen van alleen technische maatregelen (bijv. sprinklerinstallaties) is o.i. onvoldoende om de brandveiligheid te waarborgen. Ook de organisatie en uitrusting van de brandweer zal op zeer hoge woontorens moeten worden aangepast. En de benodigde kennis voor de toetsing door de gemeentelijke afdeling bouw- en woningtoezicht op de 150+ meter zal hiermee in lijn moeten worden gebracht. Indiener vraagt hiervoor een toezegging en opname daarvan in de Structuurvisie.
Brandveiligheid is een belangrijk onderwerp bij ruimtelijke ontwikkelingen. Advisering hierover door de veiligheidsregio is daarom een standaard onderdeel van de procedure en verplicht bij de uiteindelijke vergunning traject. Apart benoem hiervan in de structuurvisie is niet noodzakelijk.
D
In hoofdstuk 5.3. wordt gesproken over de mobiliteitstransitie. Indiener vreest dat bij het afsluiten van de Waldorpstraat voor doorgaand autoverkeer (na eerder al het afsluiten van de Hoefkade en Parallelweg) de Neherkade zal dichtslibben door voortdurende filevorming. In het planMER staat dat de Centrumring in alle alternatieven druk en ongezond blijft. De Neherkade is een belangrijk deel van de Centrumring en die wordt na de openstelling van de Rotterdamsebaan alleen maar drukker. Dit heeft invloed op de bereikbaarheid van o.a. het CID-deel College Campus HS. In par. 6.3. (p.42) wordt gesteld dat de mobiliteitstransitie een essentiële voorwaarde is om de bereikbaarheid van het CID te behouden en te verbeteren. Indiener denkt dat dit voor de Neherkade niet kan worden waargemaakt. Naar aanleiding van onze eerdere vragen hierover stelt u, dat vooral veel korte autoritten zullen vervallen door een samenhangend pakket van maatregelen om een hoger aandeel lopen, fietsen en openbaar vervoer te bereiken. Onder invloed van de huidige coronamaatregelen is het gebruik van het openbaar vervoer aanzienlijk gedaald. Er is geen zekerheid dat dit in de toekomst weer op het peil van 2019 zal komen. Of het daarna verder zal groeien is ook lang niet zeker.
Wellicht is het autoverkeer door bewoners en bezoekers van de nieuwe torens te beïnvloeden, maar de Neherkade wordt vooral door het verkeer naar andere grote wijken van de stad gebruikt. De toegenomen negatieve effecten van het autoverkeer hebben grote invloed op de kwaliteit van het milieu en dus op de leefbaarheid binnen het plangebied, in het bijzonder aan de randen. In het planMER wordt onomstotelijk aangegeven dat hierdoor
In het kader van het CID worden ook de maatregelen bezien die een effect hebben op het verkeersaanbod en de routes buiten het CID. Hiermee wordt niet alleen het eventuele effect van intensivering in het CID gemonitord voor de Neherkade, maar ook het effect van ingrepen elders in de stad. Met behulp van verkeersmodellen wordt vooraf zo goed mogelijk een beeld gegeven van de te verwachten verkeers- en milieueffecten. Er zijn echter altijd onvoorziene omstandigheden die invloed kunnen hebben op de berekende effecten zoals bijvoorbeeld Corona, maar ook de toename van gebruik van elektrische auto's. Op zich hebben de modellen altijd enige marge wat betreft de prognose van de intensiteiten en de uitstoot en dergelijke. Desalniettemin worden de verkeers- en milieueffecten bij een grote ingreep gemonitord. Dat gebeurt bijvoorbeeld al voor de Rotterdamsebaan, maar ook voor de recent uitgevoerde verkeersingrepen (knips) in de Schilderswijk. Daarnaast brengt de gemeente structureel de geluidsbelasting van het wegverkeer en de luchtkwaliteit gemeentebreed in beeld. Op basis daarvan kan worden beoordeeld of extra maatregelen getroffen moeten worden.
Stel dat 10% van de totale woningbouwproductie in het CID bestaat uit studentenwoningen dan wordt er in het CID maximaal 30% kleine woningen gebouwd,
76/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
de situatie op de Neherkade flink verslechtert. Indiener vraagt dan ook om in de Structuurvisie (par. 4.3) op te nemen dat de gemeente (milieu-) maatregelen gaat opstellen en uitvoeren om dit negatieve effect zo veel mogelijk tegen te gaan. Daarbij is ook nodig om handhavend op te treden. De Neherkade vertoont nu trekken van een racebaan. E
Ten slotte stelt de indiener nog een vraag bij par. 7 .2.. Voor het gebied HS/Laakhavens wordt 140.000 m2 kantoren voorzien. In de huidige omstandigheden en ook voor de toekomst is er nogal wat onzekerheid over de behoefte aan kantoren. Indiener pleit ervoor om ook op ruimtes voor startups in te zetten, in lijn met de creatieve gedachte achter het CID.
De structuurvisie wordt gefaseerd uitgevoerd, waarbij marktomstandigheden en ruimtebehoeften gemonitord worden. Indien nodig kan gedurende de uitvoering bijgestuurd worden binnen de context van de visie. Ruimte voor startups past ook zeker binnen het ontwikkelingsbeeld voor het gebied HS/Laakhavens en sluit goed aan bij het reeds aanwezige onderwijscluster.
F
Daarnaast brengt de indiener de brief die de wijkorganisaties gezamenlijk op 18 mei 2020 aan de gemeenteraadsleden en de Commissie Ruimte hebben gestuurd onder de aandacht. Indiener verzoekt om de tekst van deze brief als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Kernpunten van de brief zijn; • Regie gewenst op samenhang en volgorderlijkheid van gebiedsagenda’s, participatieplan(nen) CID, structuurvisie CID, planMER, LER, PUK en ontwerpbestemmingsplannen; • Regie op leefbaarheid met behulp van een Leefbaarheidseffectrapportage (LER) voor het hele CID; • Regie op participatie op daadwerkelijk en effectief invulling geven aan inspraak en participatie door gemeente en ontwikkelaars; • Regie door de raad richting het college met betrekking tot participatie en leefbaarheid en het opstellen van een integrale MER inclusief mitigerende maatregelen.
In afbeelding 1.2 in de inleiding van de structuurvisie is aangegeven hoe de diverse ruimtelijke documenten met elkaar samenhangen. Door een overkoepelende structuurvisie CID vast te stellen met de hoofdlijnen voor het ruimtelijk beleid kan de samenhang tussen de verschillende instrumenten worden bewerkstelligd. Daarbij is er niet voor gekozen om reeds lopende ontwikkelprocessen stil te zetten. De stad gaat niet “op slot” tijdens het opstellen van de visie. Voor zover de brief gaat over de uitvoering van en rol van de gemeente of raad bij diverse participatieprojecten, ontstijgt de beantwoording daarvan de scope van deze nota zienswijzen met betrekking tot de inhoud van de structuurvisie CID. De brief is besproken in de raad en heeft geleid tot de toezegging een LER-nulmeting uit te voeren voor het hele CID waarvan de resultaten eind 2020 beschikbaar zullen zijn.
Conclusie Het gezamenlijke deel van de zienswijze leidt tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie zoals genoemd bij zienswijze 8, zie de conclusie aldaar. De wijk specifieke aanvulling leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
77/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 50 – Indiener Ingediend d.d.: 18 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Als bewoner van het Oranjeplein in de Stationsbuurt volgt de indiener de ontwikkelingen van het CID al jaren nauwgezet. Allereerst wil de indiener de gemeente Den Haag complimenteren met de hoge ambities die zij heeft voor de ontwikkeling van het CID gebied.
Het college is blij met deze positieve reactie.
B
Indiener heeft wel zorgen over de mogelijke gevolgen van het CID op de leefbaarheid en dus op de indieners woongenot, zowel tijdens de jarenlange bouwfases, als in de beoogde eindsituatie. Indiener maakt zich zorgen over het totaal effect van het CID op de leefbaarheid en het woongenot. Wat is het effect van de vele nieuwe torens wat betreft windhinder, schaduw, ecologie, geluid, trillingen, (grond)waterstand, etc.? Wanneer wordt dit onderzocht en hoe wordt bijgestuurd als de effecten tegenvallen? Indiener verzoekt om het totaal effect van de nieuwe ontwikkelingen op de bestaande leefbaarheid inzichtelijk te maken en in zijn geheel (lees: heel CID-gebied) en in detail wijkbreed te beschouwen.
In de planMER is op hoofdlijnen een beeld gegeven van het effect van de realisatie van het CID, ook op het gebied van gezondheid en leefbaarheid. Veel hangt echter af van de nadere invulling bij uitwerking in deelgebieden. Bij die verdere uitwerking en vergunningverlening worden de door indiener aangestipte punten onderzocht en kunnen maatregelen worden getroffen om bij te sturen.
C
In de Structuurvisie (p. 40) staat dat “veel afhangt van de wijze waarop met name de openbare ruimte wordt ingericht. De mobiliteitstransitie is in ieder geval een voorwaarde om gezondheid en leefbaarheid op peil te houden”. Verderop (p. 60) staat echter: “een groot deel van de incidentele en structurele kosten die voortvloeien uit de visie zijn momenteel niet voorzien in de gemeentelijke begroting en daarmee is de visie als geheel op dit moment niet uitvoerbaar.” Indiener verzoekt om inzicht te verschaffen in de haalbaarheid en betaalbaarheid van de mobiliteitstransitie en om randvoorwaarden op te nemen voor de mobiliteitstransitie in de Structuurvisie.
De mobiliteitstransitie kent een groot aantal verschillende maatregelen en investeringen, welke gefaseerd uitgevoerd worden. Bij de start van een maatregel of investering moeten voldoende financiële middelen beschikbaar te zijn voor de implementatie/uitvoering. Er is momenteel dekking voor meerdere maatregelen en investeringen inzake de mobiliteitstransitie, maar er is nog geen dekking voor het gehele pakket aan gewenste maatregelen en investeringen. Er ligt nog een opgave om deze dekking te vinden binnen gemeentelijke en externe bronnen. De fasering van de maatregelen en investeringen wordt afgestemd op de beschikbaarheid van middelen. Het college verwijst tevens naar de nieuwe bijlage ‘Ontwikkelstrategie’.
D
Indiener maakt zich ook zorgen over voorzieningen. Het voorzieningenprogramma gaat enkel over het aantal voorzieningen dat nodig is voor de nieuwe bewoners. Er wordt ten onrechte geen rekening gehouden met de huidige bewoners(aantallen) en de aanwezigheid en kwaliteit van de huidige voorzieningen. Waarbij kan worden gesteld dat het huidige voorzieningenniveau van de Stationsbuurt niet toereikend is voor het huidige aantal inwoners. Indiener vraagt om in de Structuurvisie inzichtelijk te maken wat het te verwachten effect is van de grote aantallen nieuwe bewoners aan de randen van de Stationsbuurt op de bestaande voorzieningen in onze wijk, zoals scholen, zorginstellingen, speeltuinen, parken etc.
Het klopt dat de bijlage ‘voorzieningenprogramma’ gericht is op de voorzieningen die volgens de vuistregels nodig zijn voor nieuwe bewoners en gebruikers van het gebied. Bij verdere uitwerking in deelgebieden kan ook rekening worden gehouden met de bestaande voorzieningen in de omgeving of het tekort daaraan.
78/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
E
Indiener verwijst naar bijlage 11 Nota beantwoording zienswijzen NRD CID, waarin onder punt 3 het volgende wordt aangegeven: “Als bijlage van de structuurvisie is een voorzieningenprogramma opgesteld”. Indiener verzoekt het voorzieningenprogramma op te nemen in de structuurvisie zelf en niet in de bijlage. Zorg hierbij voor duidelijke kaders, waarbij ook ingezet wordt op het verbeteren en vergroten van de kwaliteit en het aantal voorzieningen in de bestaande buurten, zoals de Stationsbuurt.
De belangrijkste conclusies uit het ‘voorzieningenprogramma’ zijn al opgenomen in de structuurvisie, in paragraaf 5.2.5. In paragraaf 5.2.5 is een tekstuele aanpassing gemaakt: “nieuw te ontwikkelen voorzieningen kunnen ook worden ingezet om in eventuele tekorten in omliggende buurten te voorzien”.
F
Indiener verwijst naar de Gereedschapskist openbare ruimte CID, waarin richtlijnen zijn opgenomen voor aantallen m2 groen en water. Als streven zou 8m2 groen per huishouden als norm voldoende moeten zijn voor een duurzaam leefbaar gebied. Indiener verzoekt om de groennorm van 8m2 per huishouden niet als streven, maar als harde randvoorwaarde op te nemen in de structuurvisie.
In de gereedschapskist is een streefnorm van 8m2 groen per woning op gebiedsniveau voorgesteld. De specificatie en invulling hiervan moet nog verder worden uitgewerkt, zodat dit nu niet als harde randvoorwaarde is opgenomen in de structuurvisie. Wel is in de structuurvisie paragraaf 5.4.1 een verwijzing naar de streefnorm opgenomen.
G
Daarnaast verzoekt de indiener om hierbij inzichtelijke te maken hoeveel m2 groen kan worden gerealiseerd in de huidige openbare ruimte van de gebieden in of grenzen aan het CID.. Indiener vraagt om verder te kijken dan alleen de kavels waar straks gebouwd gaat worden; neem ook kaders op voor het vergroenen van de huidige openbare ruimte en stel daarvoor financiële middelen beschikbaar. Daarbij vraagt de indiener de gemeente om in dit kader een actieve rol te spelen en middelen beschikbaar te stellen om particulieren te helpen/ aan te moedigen bij het ontstenen van tuinen en bij de verwezenlijking van geveltuinen en daktuinen.
De relatie van de norm met de bestaande situatie zal voor gebiedsgericht moeten worden uitgezocht. De gemeente zal in herinrichting van de buitenruimte maximaal streven naar vergroening. Ze zal ontwikkelingen in lijn met de nota Natuurinclusief bouwen stimuleren om te vergoenen. En de gemeente werkt samen met de Stichting Steenbreek die ontstenen van particuliere tuinen stimuleert
H
Indiener verzoekt om een koppeling aan te brengen tussen bouwplannen met effect op leefbaarheid in combinatie met de mate waarin de gemeente (financieel) in staat is om daadwerkelijk uitvoering te geven aan maatregelen die de vereiste mobiliteitstransitie en leefbaarheid waarborgen.
De mobiliteitstransitie bestaat uit een groot aantal verschillende maatregelen en investeringen, welke gefaseerd uitgevoerd worden. Bij de start van een maatregel of investering moeten voldoende financiële middelen beschikbaar te zijn voor de implementatie/uitvoering. Er is momenteel dekkingen voor meerdere maatregelen en investeringen inzake de mobiliteitstransitie, maar er is nog geen dekking voor het gehele pakket aan gewenste maatregelen en investeringen. Er ligt nog een opgave om deze dekking te vinden binnen gemeentelijke en externe bronnen. De fasering van de maatregelen en investeringen wordt afgestemd op de beschikbaarheid van middelen. De mobiliteitstransitie maakt onderdeel uit van een pakket aan maatregelen om voldoende milieuruimte te creëren om het toevoegen van programma mogelijk te maken. Hierdoor zijn de mobiliteitstransitie en het toevoegen van programma aan elkaar gerelateerd.
I
Met betrekking tot parkeren is op p.6 van de structuurvisie het volgende opgenomen: "Voor mensen die toch een eigen auto nodig hebben of met de auto willen komen, zijn er voldoende parkeerplaatsen aanwezig, maar wel tegen een marktconform tarief. (....)Voor woningen, kantoren, bedrijven, voorzieningen en bezoekersparkeren gelden lagere parkeernormen." Indiener verzoekt om de parknormen in de structuurvisie te concretiseren.
De structuurvisie doet geen uitspraken over concrete parkeernormen. De concrete parkeernormen worden door de raad separaat vastgesteld in een nota parkeernormen.
J
Daarbij vraagt de indiener ook aandacht voor de parkeernormen en het parkeerbeleid in
Als het parkeerregime wijzigt, dan gebeurt dit in een afzonderlijk raadsvoorstel met 79/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
de Stationsbuurt. Indiener verzoekt om parkeren in de Stationsbuurt uitsluitend mogelijk te maken voor bewoners en bezoekers van bewoners met een vergunning en betaald parkeren enkel door middel van dagkaarten tegen een hoog tarief.
bijbehorende inspraak. Voor een wijziging zijn er momenteel geen concrete plannen. De structuurvisie doet hierover geen uitspraak.
K
In het politieke debat van de gemeente Den Haag is de afgelopen weken verschillende keren gesproken over de participatie rondom het CID. Het bevreemdt de indiener dat hier steevast wordt gesuggereerd dat er weldegelijk participatie heeft plaatsgevonden met bewoners en dat er gebiedspanels zijn; wie zitten daar dan in en wat doen deze? Indiener merkt hierbij op dat de participatie bij de totstandkoming van de Structuurvisie en de gebiedsvisies tot op heden niet in overeenstemming is met het Communicatie en Participatieplan CID. De webinar van mei jl. was ook louter informatief, niet raadplegend. De gesprekken met stakeholders waren puur informatief, ter verduidelijking van de stukken.
In het Participatie- en communicatieplan CID is aangegeven is dat het college het van belang vindt dat er een goede en continue dialoog ontstaat met de stad. Zij vindt interactie en een open communicatie daarvoor onmisbaar. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de verschillende producten en het niveau van participatie. Per plan, gebied, project of thema wordt of moet nog worden geparticipeerd. Voor de structuurvisie is het participatieniveau ‘raadplegen’ gehanteerd. Voor de structuurvisie hebben een drietal omgevingsbrede overleggen plaats gevonden en zijn er enkele overleggen met buurt-/wijkverenigingen gevoerd. Daarnaast zijn er ook formele momenten geweest waarop zienswijzen konden worden ingediend. De gemeente is nog bezig deze participatie verder vorm te geven, o.a. middels panels en wijkcafe’s.
L
In de structuurvisie wordt gesproken over gebiedspanels (p. 62). Het is de indiener niet duidelijk op welk moment of momenten in het proces deze panels zijn of worden ingezet, zodat de praktische waarde van de participatievorm niet valt vast te stellen en de effectiviteit niet te meten. Indiener verzoekt in de structuurvisie een overzicht op te nemen van het participatietraject tot op heden (met wie, is wanneer en waarover geparticipeerd en op welk niveau) en een vooruitblik te geven op de toekomst.
Het college heeft onlangs de raad bericht dat panels zullen worden ingesteld voor participatie en klankbord. Per deelgebied zal dit t.z.t. worden ingericht.
M
Indiener vindt het onnavolgbaar dat het CID op onderdelen al wordt gerealiseerd, dat er gebiedsagenda’s worden opgesteld (zonder participatie, slechts informatie) en dat er gelijktijdig een ontwerp-Structuurvisie zonder inhoud en kaders ter inzage verschijnt. Gezien de parallelle processen in planvorming en ontwikkeling verzoekt de indiener bijlage VII ‘Uit te werken opgaven’ te concretiseren en de structuurvisie op deze aspecten nader aan te vullen, te onderbouwen en van een toetsbaar kader te voorzien, in plaats van dit in een bijlage op te nemen.
Ontwikkelen in een stad is een doorlopend proces. Bij het opstellen van een visie zijn er al projecten uitgevoerd, in uitvoering, in voorbereiding en in ontwikkeling. Een visie komt daar “doorheen”, terwijl deze projecten ook gewoon doorlopen. De stad gaat niet “op slot” tijdens het opstellen van de visie. Het CID bestaat immers ook al een tijdje. De structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid voor het CID op hoofdlijnen. Verdere concretisering vindt plaats bij uitwerking in deelgebieden.
Conclusie Deze zienswijze leidt tot de volgende aanpassing van de ontwerp-Structuurvisie CID: • In paragraaf 5.2.5 is opgenomen dat nieuw te ontwikkelen voorzieningen ook kunnen worden ingezet om in eventuele tekorten in omliggende buurten te voorzien.
80/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 51 – MRP Soza b.v. Ingediend d.d.: 18 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
In de structuurvisie wordt de locatie van het voormalige ministerie van SZ&W onder meer aangeduid als zoeklocatie voor een (openbare) parkeergarage, dient de locatie klimaat adaptief te zijn en is er sprake van een collectief warmtenet. Deze stapeling van ambities is zeer specifiek voor onze locatie benoemd, en mag niet strijdig zijn met de eerder gemaakte afspraken over de specifieke en bijzondere ambities voor Soza met gemeente Den Haag welke momenteel worden verwerkt in het PUK. Indiener vraagt of dit bevestigd kan worden.
Over de locatie SoZa heeft nog geen bestuurlijke besluitvorming plaatsvonden. Deze vindt plaats op basis van een nadere planuitwerking waarin de haalbaarheid van de genoemde ambities is onderzocht. Deze ontwikkeling wordt getoetst aan het beleid zoals opgenomen in de structuurvisie, wanneer deze is vastgesteld.
B
In de structuurvisie wordt voor het gebied rondom station Laan van NOI een maximaal aantal woningen van 3.000 genoemd, dit maximum mag niet strijdig zijn met het aantal woningen van ca. 1.300 welke op onze locatie zijn overeengekomen en in het PUK zullen worden opgenomen. Indiener vraagt of er meer duidelijkheid gegeven kan worden over de (globale) verdeling van de beschikbare aantallen en meters over de totale locatie en of het bevestigt kan worden dat deze aansluiten op afspraken over onze locatie? Dit ook in relatie tot de aangeven ambities ten aanzien van bereikbare woningen.
De structuurvisie doet geen uitspraak over de invulling en voortgang van een specifieke locatie. Over de locatie SoZa heeft nog geen bestuurlijke besluitvorming plaatsgevonden. Het genoemde aantal woningen op de Soza locatie is niet strijdig met het maximaal aantal woningen rondom station Laan van NOI.
C
Indiener verwijst naar hoofdstuk 8 waarin wordt gesproken over o.a. het kostenverhaal. Indiener geeft aan dat de indruk bestaat dat, mede gelet op het feit dat er aangegeven is dat het plan nog niet uitvoerbaar is, er nog nagedacht wordt over de mogelijkheden om het plan uitvoerbaar te maken door kosten over het gebied te verdelen en o.a. via kostenverhaal, maar ook door mogelijke subsidies. Indiener vindt dat de structuurvisie hier echter geheel geen duidelijkheid over, ook niet wat dat voor de verschillende deelgebied kan betekenen. De gemeente Den Haag en MRP Soza b.v. hebben echter al afspraken gemaakt over de plankosten (1,2 miljoen) en de bovenplanse voorzieningen (4 miljoen) welke (deels) toerekenbaar zijn aan onze locatie in geval van een nieuwbouw ontwikkeling. Deze gemeentelijke kosten zullen door MRP Soza b.v. worden vergoed aan de gemeente en deze afspraken worden vast gelegd in een anterieure overeenkomst. Daarbij stelt MRP Soza b.v. vast dat de onderliggende business case van de beoogde nieuwbouw ontwikkeling géén dekking geeft voor een aanvullende kosten vergoedingen aan gemeente zoals een afdracht bovenwijkse voorzieningen. Indiener vraagt of bevestigt kan worden dat de structuurvisie niet strijdig is met voornoemde afspraken?
De structuurvisie doet geen uitspraak over de invulling en voortgang van een specifieke locatie. Er heeft nog geen bestuurlijke besluitvorming plaatsgevonden over het kostenverhaal voor de SoZa locatie. Deze ontwikkeling wordt getoetst aan het beleid zoals opgenomen in de structuurvisie, wanneer deze is vastgesteld.
81/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 52 – De Fietsersbond Ingediend d.d.: 18 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze A
Zienswijze
Reactie
Indiener ziet een gevaar in het opsplitsen van het gebied in deelgebieden, in combinatie met het afsplitsen van de Binckhorst, dat eerder als onderdeel van het gehele CID werd gezien. Veel van de vragen en dilemma’s op verkeersgebied hebben juist betrekking op de relatie tussen die gebieden en spelen op de overgangen tussen die gebieden. Als de ontwikkeling per deelgebied in participatieprocessen en dergelijke wordt besproken dreigt dat te leiden tot deeloplossingen die niet met elkaar in overeenstemming zijn. Het uiteindelijk effect is dan dat de participatieprocessen géén oplossing voor het geheel hebben opgeleverd, en dat die buiten de participatieprocessen om wordt bepaald.
De structuurvisie geeft duidelijk aan wat de samenhang tussen de verschillende deelgebieden is. Daarmee is er juist aandacht voor het overwinnen van de infrastructurele barrières door realisatie van logische verbindingen voor voetgangers en fietsers binnen het CID en met de omgeving. Via deze verbindingen worden ook relaties met de Binckhorst gelegd. Het aangeven van de zwaktes op kaart 2.5 markeert de aandacht die nodig is voor de goede verbindingen met de Binckhorst.
Dat er met name op de grenzen tussen de deelgebieden problemen zijn, blijkt ook uit de zwaktes die geïnventariseerd zijn (blz. 10): daar worden vooral ook de infrastructurele barrières genoemd, en die liggen veelal op die grenzen. De kaart in afbeelding 2.5, waar de zwaktes zijn afgebeeld, laat ook zien hoe door het weglaten van de Binckhorst in de analyse problemen uit beeld raken. Indiener pleit er voor de verkeersproblemen integraal in een participatieproces aan te pakken, voor binnenstad, CID en Binckhorst. B
De ambitie § 3.3 over “Ambities, Verbinden van mensen en gebieden”: “over 20 jaar is het CID een aantrekkelijk gebied dat uitnodigt tot wandelen, fietsen en OV-gebruik”, onderschrijft de indiener van harte. Indiener merkt op dat dit ook in de verdeling van de ruimte tot uitdrukking moet komen. Ook voor de ‘visie’ in § 4.3 (“Visie, Mobiliteit op menselijke maat”) geldt hetzelfde: een goede doelstelling, nog geen concretisering. Indiener mist ook de concretisering bij de verdere uitwerking in § 5.3 (“Thematische uitwerking, Mobiliteit op menselijke maat”). Bij de start van de planning moet die
De structuurvisie geeft uitgangspunten voor de verdere planuitwerking. Hier moet de concretisering plaatsvinden in maatvoering en dwarsprofielen. Wat betreft de positie van voetgangers en fietsers geeft de structuurvisie als belangrijk uitgangspunt dat de openbare ruimte wordt ingericht met als voorkeursvolgorde 1. voetganger 2. fietser en 3 openbaar vervoer. Bij de inrichting en maatvoering moet daarbij rekening worden gehouden met grotere volumes voetgangers en fietsers. Een autoluwe inrichting van grote delen van het CID, met meer straten met een maximumsnelheid van 30 km/uur, is hiervoor een belangrijke de randvoorwaarde. Dat biedt ook de ruimte voor een inrichting die ruimte geeft aan verschillende soort fietsen en fietsers.
82/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
ambitie ook vorm gegeven worden in eisen voor bijvoorbeeld de ruimte in het dwarsprofiel. Daarbij moet er ook rekening gehouden met de steeds groter worden verschillen tussen ‘fietsen’ en hun gebruikers, in breedte, gewicht en snelheid. De huidige normen zullen niet voldoende zijn. Op sommige punten kunnen aparte paden voor snel lange-afstandsverkeer wenselijk zijn. C
Op de kaart in afbeelding 4.6 valt de indiener op dat bestaande voor de fiets gunstige kortsluitingen daar niet langer op aangegeven staan, zoals de verbindingen tussen de fietstunnel bij Den Haag HS naar enerzijds de Goudriaankade, en anderzijds langs de Haagse Hogeschool naar het Stamkartplein. Indiener ziet die graag behouden, zeker zolang er geen andere goede fietsverbindingen zijn die aansluiten op een tunnel onder de spoorlijn.
Op de kaart zijn alleen de hoofd- en sterfietsroutes opgenomen, dat zijn de belangrijkste fietsverbindingen met de hoogste intensiteiten fietsverkeer. Ook tussenliggende wegen en straten hebben een meer lokale functie in het fietsnetwerk. Dat geldt ook voor de fietsverbinding tussen de fietstunnel bij HS en de Goudriaankade.
D
Indiener geeft aan in de paragrafen 5.2.2 en 5.2.3 over Wonen en Hoogbouw het uitgangspunt te missen dat er een op straatniveau gemakkelijk toegankelijke stalling voor fietsen moet zijn. Dit moet zowel gelden voor woongebouwen als voor kantoorgebouwen. Gelukkig wordt dit wel in paragraaf 5.3.3 genoemd, maar het moet gerealiseerd worden bij de bouwopgave, en zou dus ook dáár genoemd moeten worden.
In de opbouw van de structuurvisie is ervoor gekozen om de uitgangpunten voor mobiliteit in één hoofdstuk te bundelen. De uitgangspunten voor fietsparkeren in 5.3.3. gelden voor de bouwopgaven zoals omschreven in 5.2.2. en 5.2.3. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning worden deze uitgangspunten per plan als toetsingskader gehanteerd.
E
Indiener zou graag een onderscheid zien tussen maatregelen die op lange termijn wellicht gerealiseerd kunnen worden, en maatregelen die beslist binnen de planperiode verwezenlijkt moeten worden.
De structuurvisie geeft uitgangspunten voor de inrichting en de ruimtelijke structuur van het CID met als planhorizon 2040. In de verdere planuitwerking worden de concrete maatregelen benoemd, met een onderscheid in maatregelen voor de korte en (middel-)lange termijn.
F
Indiener vindt de afbeeldingen 7.3, 7.4 en 7.5 nogal onzorgvuldig. De afbeeldingen zijn niet in alle opzichten consistent met elkaar, en soms klopt de legenda niet met het kaartbeeld.
De afbeeldingen 7.3, 7.4 en 7.5 waar de indiener naar verwijst betreffen kaarten uit de gebiedsagenda. Afbeelding 7.3 is een samenvoeging van de agendakaarten van CS oost en Campusboulevard, bij die samenvoeging zijn inderdaad wat fouten opgetreden. De afbeeldingen 7.4 en 7.5 zijn overgenomen uit de Gebiedsagenda’s en zijn wel consistent. Afbeelding 7.3 is daarom aangepast.
G
Indiener vindt het jammer dat de tekst in §7.7, over de Schenk en omgeving, niet met een kaart verduidelijkt worden. Indiener vindt het nu niet echt duidelijk wat bedoeld wordt met “een aanpassing aan het Schenkviaduct en het viaduct aan de Binckhorstlaan nodig waarbij het nieuwe Schenkviaduct voor autoverkeer wordt aangesloten op de Centrum Ring”. Volgens de indiener zou het goed zijn het viaduct in te korten en aan te laten sluiten op de Binckhorstlaan.
In de structuurvisie is de realisatie van een nieuwe Schenkverbinding opgenomen die rechtstreeks op de Centrumring aansluit. Deze aansluiting vindt voor het autoverkeer plaats op de Binckhorstlaan. Deze nieuwe Schenkverbinding maakt het mogelijk om de Weteringkade en Rijswijkseplein te ontlasten van doorgaand autoverkeer, zodat hier meer ruimte vrijkomt voor voetganger, fietser en verblijfskwaliteit.
Conclusie Deze zienswijze leidt tot de volgende aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID: • Afbeelding 7.3 is aangepast.
83/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 53 – Indiener Ingediend d.d.: 18 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze A
Zienswijze
Reactie
De heersende Covid-19 pandemie zal de komende jaren de scheiding tussen arm en rijk vergroten. Dit zal betekenen dat gemeenten minder geld beschikbaar hebben voor het verwezenlijken van plannen. Het lijkt de indiener aannemelijk dat daardoor B&W zich (nog) meer laten “sturen” door private gelden.
De lange termijn gevolgen van de coronacrisis zijn nog zeer onzeker. De gemeente ziet vooralsnog geen structurele vraaguitval die de uitvoering van de visie onhaalbaar maakt. Het college ziet daarom geen aanleiding voor een fundamenteel andere visie op de ontwikkeling van het CID-gebied.
De heersende Covid-19 pandemie (en eventueel een andere pandemie) zal de komende jaren vermoedelijk leiden tot een andere inrichting van de maatschappij; vermoedelijk ook (veel) minder forenzenbewegingen en geheel andere verkeersstromen dan nu worden genoemd. B
Voor de gezondheidszorg wordt al enige decennia naar ik meen, ernaar toegewerkt om voorzieningen op wijkniveau te organiseren. Heden wordt dit extra benadrukt vanuit de regering. Indiener wijst er op dat gezondheidsvoorzieningen nergens worden genoemd of uitgewerkt in de structuurvisie.
Gezondheidszorgvoorzieningen zoals huisarts, tandarts en apotheek worden gerekend onder de basisvoorzieningen. Het college verwijst hiervoor naar paragraaf 5.2.5 van de structuurvisie en de bijlage ‘voorzieningenprogramma’.
C
Indiener vindt dat er niet stilgestaan wordt bij het feit, dat de mobiliteit voor oudere voetgangers ruimte kan vergen om zich veilig te kunnen verplaatsen. Indiener is van mening dat t.a.v. mobiliteit het van belang is dat iedereen zich kan verplaatsen naar en door de publieke ruimte. Dat geldt dus ook voor scootmobielen, rollators, invalidenvervoer maar ook mensen met fysieke beperkingen of mensen die overprikkeld worden door licht, door geluid. En een dusdanige inrichting dat voetgangers 1,5 meter afstand kunnen houden, dus op een stoep kunnen blijven lopen ook al is daar een terras ingericht langs en of ver voor de plint!
Bij de inrichting van de buitenruimte speelt inclusiviteit een belangrijke rol. Het college realiseert dat daarin ook de ontwikkelingen gevolgd moeten worden. De borging van inclusiviteit zit vooral in het generieke Haagse Handboek Openbare Ruimte.
D
Het ene document baseert zich op andere feiten dan het andere; dit schept verwarringen bij de indiener en doet denken dat de opstellers ervan niet ter plaatse bekend zijn en dit gebrek aan kennis niet hebben aangevuld door een beroep te doen op daartoe beschikbare bronnen noch door bewoners gegeven opmerkingen hebben verwerkt.
Zonder nadere specificatie heeft het college dit punt niet kunnen verwerken. Soms is er een tijdverschil tussen het moment van opstellen van verschillende bijlages, waardoor verschillen kunnen ontstaan. Uiteindelijk gaat het om de tekst zoals opgenomen in het hoofddocument, de Structuurvisie CID.
E
In de Rivierenbuurt is geen tot weinig groen. Een aantal bomen welke in sterk vervuilde bodem staan, wordt een “park” genoemd. Het Huygenspark niet veilig te bereiken voor een voetganger vanuit de Rivierenbuurt… Het trottoir langs het water aan de Pletterijkade is als “park” ingekleurd. Wellicht omdat er bomen staan?
In de Rivierenbuurt staan geen grote veranderingen op stapel die in een structuurvisie genoemd worden. Concrete gevolgen van bouwplannen in omliggende gebieden worden pas duidelijk bij nadere planuitwerking. Dat de verdichting en hoogbouw ook negatieve effecten kunnen hebben wordt niet ontkend. De structuurvisie geeft wel aan dat in het hele CID-gebied vergroend moet worden, wat dus ook geldt voor de Rivierenbuurt. De ontwikkelingen in de omgeving zijn zichtbaar vanuit de Rivierenbuurt 84/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
De omliggende gebieden werpen letterlijk en figuurlijk straks een schaduw over de wijk; dit beïnvloedt de leefbaarheid voor de Rivierenbuurt maar wordt niet genoemd dan wel is bewust weggelaten.
en de buurt zal meeprofiteren van de kwalitatieve impuls die daarvan uitgaat.
Een geschetst bouwprogramma aan de kop van de Binckhorst wordt in het ene document wel, in het andere niet genoemd. De aansluiting van een “nieuw Schenkviaduct” geeft extra belasting van het milieu en leidt tot veranderde verkeersstromen in de wijk; dit zou moeten zijn uitgewerkt.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 54 – GGD Haaglanden Ingediend d.d.: 19 juni 2020 Deze zienswijze is na de termijn van terinzagelegging ingediend. Voor de volledigheid zijn de zienswijzen wel ambtelijk beantwoord.
Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
GGD Haaglanden draagt graag bij aan een integrale samenhangende beoordeling van de effecten van de keuzes die worden gemaakt in het CID en is blij met de aandacht die daarbij is voor gezondheid. Wat volgens de indiener echter nog steeds mist is de inbedding van de ontwikkeling van het CID in het perspectief van de stad als geheel, neergelegd in een integrale Omgevingsvisie. Hoewel een gemeentelijke Omgevingsvisie op grond van de Omgevingswet pas in 2022 formeel als instrument wordt ingevoerd, zou een dergelijke visie een kader bieden voor alle ambities van de stad en richting geven aan ontwikkelingen.
In de bijlage ‘Samenvatting beleidskader’ is het actuele relevante beleid van de gemeente beschreven. Op dit moment beschikt de gemeente inderdaad nog niet over een gemeentedekkende Omgevingsvisie. Een verplichting hiertoe ontstaat pas na inwerkingtreding van de Omgevingswet.
B
n algemene zin geeft het ontwerp-PlanMER een goed beeld van de te verwachten effecten van de mogelijke ontwikkelingen in het CID. Door een verkenning van de hoeken van het speelveld wordt duidelijk wat de consequenties van toekomstige keuzes zijn. Ook wordt duidelijk dat voor het realiseren van een gezonde en leefbare stad een aantal belangrijke randvoorwaarden moet worden voldaan: mobiliteitstransitie, inrichting openbare ruimte op een manier die de leefbaarheid ten goede komt en toevoegen van groen op leefniveau. Hiermee kan een deel van de bestaande knelpunten in het gebied
Het college is blij met deze positieve reactie op het ontwerp-planMER.
85/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
worden opgelost en kan worden voorkomen dat er nieuwe knelpunten ontstaan. C
Eerder in het proces heeft GGD Haaglanden geadviseerd over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor deze planMER. Bij de terinzagelegging van de Structuurvisie is ook een ‘Nota van Beantwoording zienswijzen NRD CID’ gepubliceerd. In deze nota wordt wel genoemd dat GGD Haaglanden een advies heeft gegeven, maar helaas wordt in hoofdstuk 4 niet inhoudelijke ingegaan op ons advies en wat daarmee is gedaan. Ook moet de indiener constateren dat GGD Haaglanden niet is betrokken bij de invulling van verschillende criteria voor het thema gezondheid.
In het proces van de beantwoording zienswijzen NRD is het advies van de GGD opgevat als een interne (gemeentelijke) advisering, waardoor de afhandeling niet in de ‘Nota van beantwoording zienswijzen NRD CID’ terecht is gekomen.
D
Uit de beoordeling van de verschillende indicatoren binnen het thema ‘Gezondheid en leefbaarheid’ zou de indruk kunnen ontstaan dat er geen onderscheid zou zijn tussen de varianten 2A, 2B, 3A en 3B. Dit is echter geenszins het geval. Een aantal indicatoren dat rechtstreeks een relatie heeft met gezondheid is ondergebracht bij andere thema’s. Daar komt bij dat het aspect ‘Groen’ in het ontwerp-planMER niet voorkomt als beoordelingscriterium, terwijl het wel indirect aan de orde komt bij de aspecten gezond gedrag (thema Gezondheid en leefbaarheid), stadsklimaat (thema Klimaatbestendigheid) en openbare ruimte (thema Hoogstedelijkheid). Groen speelt echter ook een zelfstandige rol voor gezondheid, waarbij ook Overigens de bereikbaarheid, de omvang en de kwaliteit van het groen een rol speelt. Indiener pleit er nogmaals voor om ‘groen’ als zelfstandig beoordelingscriterium toe te voegen.
De gemeente onderkent het belang van voldoende groen voor de gezondheid. Belangrijk uitgangspunt binnen de structuurvisie is vergroening en klimaatadaptatie. In de Gereedschapskist openbare ruimte CID zijn ambities en richtlijnen opgenomen voor de omvang, inrichting en kwaliteit van de groenvoorzieningen het CID.
E
Binnen het thema ‘Gezondheid en leefbaarheid’ heeft de indiener twijfels bij de wijze waarop de MGR is beschreven en geïnterpreteerd.
Het college neemt deze opmerking ter kennisgeving aan.
F
Uit het ontwerp-planMER wordt duidelijk dat er nog onzekerheden zijn, zowel in de wijze waarop toekomstige ontwikkelingen zullen plaatsvinden als in de effecten van die ontwikkelingen op de kwaliteit van de leefomgeving. Het is dan ook goed dat er eerste aanzet wordt gegeven voor een monitoringsprogramma. Dit is essentieel om tijdig bij te kunnen sturen als ontwikkelingen in de praktijk leiden tot ongewenste effecten. GGD Haaglanden biedt hierbij aan om mee te denken over en mee te werken aan het verder invullen van het monitoringsprogramma.
Het college dankt de GGD voor dit aanbod.
G
Hoewel de structuurvisie voor het CID en het planMER zich richten op de lange termijn (de periode tot 2040), adviseert de indiener om ook aandacht te besteden aan de gevolgen van de huidige pandemie van het nieuwe coronavirus. De maatregelen die hiervoor momenteel van kracht zijn, waaronder het afstand houden en het zoveel mogelijk thuiswerken, hebben mogelijk blijvende invloed op toekomstige ontwikkelingen en de randvoorwaarden voor de inrichting van de stad. Hier zou tenminste een beschouwing over moeten worden opgenomen in de stukken.
Het college is het met indiener eens dat de mogelijkheden voor thuiswerken (energieinfra, faciliteiten binnen loopafstand) en ruimte kunnen houden in de openbare ruimte belangrijke bouwstenen zijn voor de ontwikkeling van het CID. De lange termijn gevolgen van de coronacrisis zijn echter nog zeer onzeker. De gemeente ziet vooralsnog geen structurele vraaguitval die de uitvoering van de visie onhaalbaar maakt. Het college ziet daarom geen aanleiding voor een fundamenteel andere visie op de ontwikkeling van het CID-gebied voor de aankomende 20 jaar. In Hoofdstuk 1 van de structuurvisie is een tekstuele toevoeging gemaakt, waarin in wordt gegaan op de relatie van de structuurvisie tot de huidige coronacrisis.
86/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Conclusie Deze zienswijze leidt tot de volgende aanpassing van de ontwerp-Structuurvisie CID: • In Hoofdstuk 1 is een paragraaf toegevoegd over de structuurvisie in relatie tot de huidige coronacrisis.
Zienswijze 55 - VVE Van de Parrastraat 19 / 3e Louise de Colignystraat 147 Ingediend d.d.: 23 juni 2020 Deze zienswijze is na de termijn van terinzagelegging ingediend. Voor de volledigheid zijn de zienswijzen wel ambtelijk beantwoord.
Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Indiener stelt dat de ontwerp-Structuurvisie nog een te abstract en moeilijk te begrijpen plan is waarin nog geen duidelijke (toetsings)kaders staan. Indiener vindt dat het beeld dat voor de indieners buurt in de ontwerpvisie wordt geschetst minder duidelijk is dan de gebiedsagenda van vorig jaar.
De structuurvisie is een document voor de aankomende 20 jaar; een stip op de horizon waar de gemeente naar toe wil groeien. De structuurvisie bevat voldoende handvatten voor de gemeente om de verdere uitwerking aan te toetsen. In de uitwerkingsdocumenten, zoals bestemmingsplannen, wordt het toetsingskader vastgelegd voor gemeente en private partijen wat gebruikt kan worden voor de verdere uitvoering.
B
Indiener stelt dat de ambities die o.a. op het gebied van mobiliteit en leefbaarheid moeten worden gehaald te groot zijn om over te laten aan een zelfregulering van de markt. De overheid moet hier een hoofdrol in spelen door regelgeving en (voor)investeringen. Deze noodzakelijke (voor)investeringen zullen deels moeten worden betaald door de ontwikkelaars. Indiener stelt dat het gebrek aan inzicht in de financiële ruimte bij de ontwikkelaars en de gemeente onvoldoende vertrouwen geeft in realisatie van het hoge ambitieniveau.
Het is niet de intentie van de gemeente om ambities op het gebied van mobiliteit en leefbaarheid aan zelfregulering van de markt over te laten. Het college verwijst naar de nieuwe bijlage Ontwikkelstrategie, waarin wordt ingegaan op de rol van de gemeente en financiële aspecten.
C
Vooraf bepaalde de ontwikkelaar waar de participatie over mocht gaan. In het webinar dat de ontwikkelaars van de SoZa locatie als ‘afsluiting’ van hun ‘participatietraject’ hebben georganiseerd suggereerden zijn bijna dat zij het planuitwerkingskader opstelden. De gemeente was hier dit keer afwezig. Indiener stelt dat het beeld dat hierdoor ontstaan is, is dat de gemeente zich achter de ontwikkelaars verschuilt en niet de regie wil voeren over dit soort majeure ontwikkelingen voor de stad, niet alleen hier maar ook elders. Een brede belangenafweging en communicatie hierover is de taak van de overheid.
Deze zienswijze betreft niet de communicatie in het kader van de Structuurvisie CID, maar een traject voor een specifieke ontwikkeling. De gemeente is bij ruimtelijke ontwikkelingen het besluitvormende orgaan waar de belangenafweging plaatsvindt en daarom vindt de gemeente communicatie en participatie belangrijk. Daarin ziet de gemeente een belangrijke rol en verantwoordelijkheid voor initiatiefnemers om bewoners en overige belanghebbenden te betrekken bij hun planvorming.
D
In de ontwerpstructuurvisie worden vaak subjectieve termen als 'aantrekkelijk', 'attractief', 'inspirerend’ en 'veerkrachtig’ gebruikt. Veel punten zitten in de categorie ‘streven’. Indiener stelt dat dit niet goed genoeg is, zoals ook het Adviescollege
De structuurvisie stelt de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor een periode van 20 vast, en blijft daardoor inderdaad een zekere abstractie houden. Bij planuitwerking voor deelgebieden en ruimtelijke procedures worden concrete regels opgesteld en
87/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Stikstofproblematiek fijntjes duidelijk heeft gemaakt in zijn advies. Gezien het niveau van uitwerking van de Gebiedsagenda’s moet het mogelijk zijn een structuurvisie met goede, meer objectieve kaders en meetbare resultaten op te stellen. Met een afgewogen totaalbeeld rond leefbaarheid, klimaatbestendigheid, schaduwwerking, geluid enz. Dit kan niet worden afgedaan met algemeenheden ‘kan nog niet worden bepaald’ en worden doorgeschoven naar de projectontwikkelaars. Daarnaast geeft de indiener aan zich zorgen te maken over het ontbreken van een zorgvuldige afweging tussen belangen van initiatiefnemers en bewoners.
onderzoek uitgevoerd naar de effecten op onder andere geluid, bezonning et cetera.
E
Indiener vraagt om in de structuurvisie voor de nieuw bebouwing onderscheid te maken tussen de maximale bouwhoogtes en bouwvolumes van de Schenkkade/ Station Laan van Nieuw Oost Indië en de Beatrixlaan en deze voor de Schenkkade/ Station Laan van Nieuw Oost Indië te laten aansluiten bij de huidige bebouwing langs de Schenkkade (SoZa en Siemens pand). De gemeente heeft eerder met bewonersorganisaties het zogenaamde Schenkakkoord gesloten, hierin zijn afspraken gemaakt over de hoogte.
Het bepalen van de toegestane bouwhoogtes en bouwvolumes is onderdeel van verdere planuitwerking, de structuurvisie doet hier geen uitspraken over.
F
Het aangepaste plan voor de SoZa‐locatie dat dit jaar door ontwikkelaars is gepresenteerd is kleiner dan het plan van vorig jaar. Maar dit komt voor een belangrijk deel doordat het programma langs het spoor op grond van de NS nu buiten beschouwing wordt gelaten. Dat stelt de indiener niet gerust. Voor de NS‐strook kan evengoed nog een bouwplan worden ontwikkeld op basis van de gebiedsagenda.
Over de locatie SoZa heeft nog geen bestuurlijke besluitvorming plaatsvonden. Deze vindt plaats op basis van een nadere planuitwerking waarin de haalbaarheid van de genoemde ambities is onderzocht.