RIS307135 Bijlage 6 - Nota van Beantwoording Structuurvisie CID
Tekst van het document
Zienswijze
Reactie
Mede door corona omstandigheden is voorlichting voor het brede publiek op diverse tijdstippen achterwege gelaten. Er is op 12 mei jl. een digitale bijeenkomst geweest die de indiener te laat heeft bereikt. Indiener noteert dat de zienswijzeprocedure in het kader van wet- en regelgeving WRO een officiële verankering wordt van dit CID plan. Naast inspraakbijeenkomsten over deelonderwerpen is het dan wel van belang dat het college daarvoor enkele openbaar toegankelijke bijeenkomst(en) voor de brede groep belanghebbenden en bewoners aanbiedt zo nodig digitaal via het gemeentekanaal met inspraakopties en daaraan publiciteit aan te geven. Daarmede wordt de uiteindelijke vaststelling van het ontwerp naar een vast te stellen structuurplan wat betreft draagvlak/legitimatie versterkt en – niet onbelangrijk – kan onnodige ruis vooraf ter zijde worden gesteld.
Voor het CID is een leidraad “Participatie en communicatieplan CID” (RIS303004) vastgesteld door het college d.d. 02-07-2019. In het Participatie en communicatieplan CID is aangegeven is dat het college het van belang vindt dat er een goede en continue dialoog ontstaat met de stad. Zij vindt interactie en een open communicatie daarvoor onmisbaar. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de verschillende producten en het niveau van participatie. Per plan, gebied, project of thema wordt of moet nog worden geparticipeerd. Voor de structuurvisie is het participatieniveau ‘raadplegen’ gehanteerd. Voor de structuurvisie hebben een drietal omgevingsbrede overleggen plaats gevonden en zijn er enkele overleggen met buurt-/wijkverenigingen gevoerd.
Omdat een optimale OV- mobiliteit des poedels kern is voor het CID-gebied en de stad Den Haag adviseert de indiener tevens voor het openbaar vervoer nog een enkele bijeenkomst te houden. De indieners indruk is dat de voorliggende stukken gegevens bevatten die in de praktijk niet draagvlak verhogend zullen blijken te zijn
Het webinar is op diverse platforms aangekondigd en nog steeds terug te zien via de gemeentelijke website van het CID (zie https://www.denhaag.nl/nl/in-destad/ondernemen/ central-innovation-district-cid-economisch-hart-van-denhaag.htm?utm_ source=alias&utm_medium=offline&utm_campaign=cid). Bij de verdere planuitwerking zal ook samenwerking en afstemming worden gezocht 54/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
met belanghebbenden en inwoners door middel van participatie. Daarbij wordt verwezen naar het Participatie- en communicatieplan CID, waarin is aangegeven op basis van welk participatie-niveau betrokkenen kunnen participeren. Eventuele bijeenkomsten om over de nadere invulling van en de keuzes voor het openbaar vervoer te praten worden in dat kader georganiseerd. Hierbij is de indiener al aangehaakt. B
Regelmatig komen stedenbouwkundige suggesties in beeld die betrekking hebben op het CID gebied om NS. Bij de “stakeholders” ware af te checken wat zij tussen nu en 5 jaar verwachten. NS is daar ook mee bezig. In het kader van de royale EU- en ECB financiering van m.n. zuidelijk Europa wordt ook Nederland bedeeld met enkele miljarden. Zo ligt er wel een extra kans “om ook eens wat investeringsmiddelen binnen te slepen”. Kan de stad Den Haag via hun lobby-circuit in “Brussel” niet ook een poging doen hier bijdragen voor te vragen ook in combi met NS en HTM investeringen? Ruimte is schaars, de CID barrières zijn tamelijk “ontmoedigend” groot en dubbelgebruik is op wereld- en Europees niveau gebruikelijker dan ooit. Indiener gaat verder in op: • De aanleg van de Rotterdamse baan en het aandeel auto in variant 3B in de planMER • De knooppuntenfilosofie geïntroduceerd door de HTM/MRDH • Diverse Haagse en regionale tramverbindingen • De lijnen in de tramtunnel • Een juiste balans van ruimte voor voetgangers, fietsers en OV • Het belang van OV-verbeteringen op korte termijn • Het belang van tramverbindingen in de stad • Mogelijke exploitatiemodellen • De modal split voor auto’s die hoog blijft • Het belang van behoud van bestaande en toevoegen van nieuwe OV-tracés met verschillende opties • Het project viersporigheid Dordrecht - Leiden
Het college bedankt het Platform OVHA voor de uitgebreide analyse van het OV net van Den Haag en de suggesties hoe dit net verbeterd kan worden. Hierbij mist het college echter een concrete reactie op de inhoud en de keuzes die in de structuurvisie worden gemaakt. De opmerkingen passen beter bij de planvorming in het kader van de Schaalsprong OV/OV Next. Ook heeft het betrekking op samenwerking die er is met de regio en het Rijk in MOVE/MOVV om te komen tot een effectief pakket aan maatregelen om het OV te versterken in samenhang met de verstedelijking. De opmerkingen over lijnvoering sluiten aan bij de procedure voor de jaarlijkse vaststelling van de vervoerplannen van HTM. Eventuele bijeenkomsten om over de nadere invulling van en de keuzes voor het openbaar vervoer te praten worden in dat kader georganiseerd. Hierbij is de indiener al aangehaakt. De structuurvisie beperkt zich tot de assen waarop het openbaar vervoer in het CID een plek moet kunnen vinden en hoe het benutten van het OV leidt tot een stuk stad waarbij intensivering en leefbaarheid elkaar versterken. Een meer specifieke reactie op de opmerkingen over de positie van het OV in het CID is te vinden in de reactie op zienswijze 47.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
55/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 36 – Indiener Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Indiener verwijst naar bijlage 9 Gereedschapskist openbare ruimte CID, waarin het voorstel is om de huidige groennorm te verlagen van 16m2 naar 8m2. Indiener tekent vier bezwaren aan om de groennorm met 50% te verminderen.
Er is geen sprake van een vermindering van de groennorm, tot nu toe werd er namelijk geen groennorm gehanteerd binnen de gemeente. De genoemde 16 m2 is dus ook geen norm maar was berekend op basis van de bekende situatie. Het college verwijst verder naar de aanvulling op de planMER, onderdeel ruimteclaims, waarin de huidige en verwachte toekomstige m2 groen in beeld zijn gebracht.
B
In de argumentatie wordt aangegeven dat Amsterdam deze groennorm hanteert. Indiener verwijst naar de Groenvisie 2050 van Amsterdam, waarin staat: “Een leefbare stad voor mens en dier geeft dat de huidige groennormen worden geactualiseerd zodat ze in lijn zijn met de ambitie van de groenvisie”. Indiener stelt dat hiermee lijkt dat Den Haag de structuurvisie baseert op een verouderde norm van 8m2 van Amsterdam.
Alle grote steden zijn momenteel bezig met normering van groen maar hanteren verschillende methodes om normering toe te passen. Daaruit lijkt de 8 m2 groennorm voor dit deel van Den Haag het meest logisch als referentiepunt.
C
In de Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen is de World Health Organization (WHO) aangehaald. De WHO heeft berekend dat elke stad tenminste 9m2 groene ruimte moet aanbieden. Een optimale hoeveelheid ligt tussen de 10 en 15m2 per persoon. Ervan uitgaande dat deze range inmiddels is verouderd en naar boven bijgesteld zou moeten worden, lijkt er geen reden zijn om 16m2 te verminderen in de Structuurvisie.
Binnen de 8m2 valt nabij groen. Daarnaast is er in Den Haag volop groen in de omgeving zoals Haagse Bos en de kust maar ook bijvoorbeeld Midden Delfland.
D
De verstening van Den Haag en stadsdeel Laak draagt bij aan de opwarming van Laak. Door de groennorm te verminderen van 16m2 naar 8m2 wordt de verstening en de verwarming van Laak alleen maar erger. Dit zorgt juist voor meer hittestress. Hierdoor zal ik gedwongen worden om maatregelen te nemen om zomers mijn huis af te kunnen koelen en dat zorgt voor meer gebruik van energie en CO2-uitstoot.
De huidige inrichting van de buitenruimte in Laakhavens is stenig en dat heeft niet direct met de groennorm te maken. Het college is het eens met de indiener dat de inrichting van de buitenruimte in Laakhavens groener moet; dat is dan ook de opgave voor Laakhaven.
E
De vermindering van de groennorm draagt bij aan de verdere verschraling van natuurbeheer in Stadsdeel Laak. In Groenvisie 2050 van Amsterdam: “Een leefbare stad voor mens en dier is ruimte voor insecten en vogels. Gebouwen hebben daken met planten, geveltuinen, groene gevels met klimplanten en zijn aantrekkelijk voor insecten, vleermuizen en vogels. Het groen op kavels en gebouwen draagt bij aan een verlaging van de temperatuur in de stad op hete dagen en zorgt dat het riool minder belast wordt tijdens hoosbuien.” Ik zie geen enkele visie hierover in het Gereedschapskist openbare ruimte CID. Als Den Haag besluit om de groennorm te verminderen tot 8m2 dan lijkt het erop dat Laak een stadsdeel wordt waarin geen ruimte is voor dieren als insecten, vleermuizen en vogels. Terwijl dit heel goed mogelijk moet zijn binnen een verdichte stad.
Ook de Structuurvisie CID en de gereedschapskist gaan uit van het verbeteren van het groen in het CID, om een aantrekkelijk en leefbaar gebied te maken en met het oog op klimaatadaptatie. Er is ook geen sprake van een verlaging van een groennorm. Door de verdichting in het CID zal per saldo wel het oppervlak groen per woning afnemen. Het college verwijst naar de aanvulling planMER voor een toelichting. Naast normering is de inzet om vooral de kwaliteit van het groen te verbeteren voor mens, plant en dier. En dat is zeker niet uitgesloten in een verdichte stad.
56/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 37 – Indiener Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze en conclusie Zienswijze is gelijk aan die van zienswijze 8, zie de samenvatting, beantwoording en conclusie aldaar.
Vragen en opmerkingen bij de Structuurvisie In aanvulling op de zienswijze, heeft de indiener een bijlage bijgevoegd: Vragen en opmerkingen bij de Structuurvisie per hoofdstuk. Deze bijlage is gelijk aan zienswijze 10, zie de samenvatting, beantwoording en conclusie aldaar.
Zienswijze 38 – De Haagse Hogeschool Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
De Haagse Hogeschool heeft in het proces van tot stand komen op uitgebreide wijze kunnen participeren. Het resultaat is een uitstekend plan, waar de Haagse Hogeschool goede mogelijkheden ziet in de uitwerking naar een mooie stad. De structuurvisie is voor de indiener een goed plan; het maakt een samenhangende stedelijke groei van Den Haag mogelijk. Het plan bevat uitstekende elementen om de bereikbaarheid te waarborgen, duurzaamheid te realiseren en zo onder andere het gebied rond station Hollands Spoor nieuw elan te geven.
De gemeente is blij met het feit dat de Haagse Hogeschool de gemeentelijke ambitie onderschrijft.
B
Voor de Haagse Hogeschool is de knip in de Waldorpstraat goed nieuws. Dat maakt dat het Johanna Westerdijkplein direct grenst aan de ingang van het station, en daarmee de loop verbinding tussen NS en HHS sterk verbetert. Opgemerkt wordt dat bij de omvorming van het Johanna Westerdijkplein van transitiegebied naar verblijfsgebied in het ontwerp wel meegenomen moet worden dat zich nog steeds dagelijks grote aantallen studenten van station naar hogeschool bewegen en het daarmee nooit geheel
De gemeente is zich bewust van het grote aantal passanten in het gebied. Dit komt aan de orde bij de planuitwerking voor dit deelgebied.
57/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
zijn functie als transitiegebied verliest. C
De voorgenomen langzaam verkeersroute over het terrein van HHS, langs het water, is belemmerend voor het ontwikkelen van een sport en leisure zone in de ‘achtertuin’ van HHS. Indiener maakt deze zone graag toegankelijk voor omwonenden, maar wi regie kunnen blijven voeren over indieners stuk grond langs het water. Bij gelegenheid, zoals evenementen ter gelegenheid van de start van het nieuwe studiejaar, wil de Haagse Hogeschool kunnen beschikken over onze achtertuin en deze kunnen afsluiten. Bovendien loopt de route vast in de bocht onder het Hogeschool gebouw, waar een afsluiting mogelijk moet blijven. De Haagse Hogeschool wil de veiligheid voor studenten en medewerkers kunnen garanderen door de mogelijkheid te hebben dit gebied af te kunnen sluiten als daar de noodzaak voor blijkt. Indiener stelt voor om deze route aan de voorzijde van HHS te laten passeren, daar is altijd een vrije route te realiseren.
Het college ziet de bedoelde looproute langs het water als een wenselijk eindbeeld, waarbij de wensen van de Haagse Hogeschool als eigenaar uiteraard van belang zijn. Of en onder welke voorwaarden deze route mogelijk is, is een kwestie van verdere planuitwerking en overleg.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 39 – Vastgoedbedrijf Universiteit Leiden Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze A
B
Zienswijze
Reactie
Indiener constateert dat er onvoldoende aandacht is voor huisvesting voor studenten en universitaire medewerkers in de Campusboulevard, het Haagse centrum, de stad Den Haag en de regio Haaglanden. Indiener acht het noodzakelijk voor het slagen van de ontwerp-structuurvisie dat de gemeente Den Haag passende maatregelen treft om bovengenoemde huisvesting te faciliteren.
Den Haag zet zich ervoor in om een (internationale) studentstad te zijn. Dit betekent dat in Den Haag gezorgd wordt voor voldoende studentenhuisvesting die bijdraagt aan een wervend studentenklimaat.
De Campusboulevard ligt in een zeer complex centrumgebied waarbij het voornemen van de gemeente Den Haag is betaalbare huisvesting voor de lage- en middeninkomens te realiseren. Mogelijk zal een beperkt deel van de benodigde studentenhuisvesting in de (directe) nabijheid van de Campus gerealiseerd kunnen worden. Ook voor promovendi, wetenschappelijke staf, kenniswerkers en ondersteunend personeel is
De gemeente heeft reeds een visie opgesteld ten aanzien van studentenhuisvesting. Deze visie is vastgelegd in de Woonagenda 2020-2023.
Den Haag heeft daarom onverminderd oog voor de noodzaak van voldoende kwalitatief goede studentenwoningen. Tot 2023 zet de gemeente Den Haag in op 1.000 studentenwoningen. De ambitie is om tot 2026 in totaal 3.000 studentenwoningen toe te voegen. Deze ambitie wordt vastgelegd is de Woonagenda 2020-2023 (RIS305711).
In deze Woonagenda legt het College van B&W ook haar visie vast ten aanzien van betaalbare woningbouw. Woningen waarvoor onder andere promovendi,
58/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
C
D
E
betaalbare huisvesting in of nabij de Campusboulevard van groot belang. Indiener wil daarom, in aanvulling op de activiteiten in het kader van de Bestuurlijk Overleg over Studentenhuisvesting met de gemeente Den Haag en betrokken huisvesters, een lange termijn visie op de huisvesting van zowel medewerkers (inclusief promovendi) als student (nationaal en internationaal) ontwikkelen.
wetenschappelijke staf, kenniswerkers en ondersteunend personeel een doelgroep zijn. Van de woningen die er per jaar bij zullen komen, zal minimaal 30 procent sociale huur zijn en 20 procent middeldure huur. In aanvulling op de eis van 20% middeldure huur, streeft de gemeente naar 20% betaalbare koop.
Indiener verwijst naar het coalitieakkoord 2019-2022 waarin over studentenhuisvesting het volgende wordt gemeld: “Voor studentenwoningen komt een kwantitatieve ambitie, naast de 30-procentsnorm van sociale woningbouw.” Het college van B&W heeft aangegeven deze ambitie tijdens de collegeperiode als volgt in te vullen: Den Haag heeft onverminderd oog voor de noodzaak van voldoende kwalitatief goede studentenwoningen. Studentenwoningen worden niet meegeteld met de stedelijke norm voor 30% sociaal. Studentenwoningen dragen immers niet bij aan het terugdringen van de woningnood onder de sociale doelgroep. Om de positie van DUWO in Den Haag te borgen en hen de ruimte te bieden haar investerend vermogen in Den Haag te kunnen investeren, tellen studentenwoningen van DUWO wel mee met de 30% sociaal norm in projecten. Bovendien is DUWO een toegelaten instelling. Tot 2023 zet de gemeente Den Haag in op 1.000 studentenwoningen. Voorts wordt in het coalitieakkoord 2019-2022 gemeld: “Ook realiseren we voldoende woningen voor studenten en young professionals”. En: “We stimuleren eigenaren van grote woningen om kamer te verhuren aan studenten”. In de gemeenteraad van Den Haag is recent (mei 2020) een motie aangenomen waarin een stop op verkamering is aangekondigd.
De visie van het College van B&W op studentenhuisvesting is te vinden in de Woonagenda 2020-2023.
Sinds een aantal jaren wordt gebruik gemaakt van een landelijk model studentenhuisvesting om het tekort aan studentenhuisvesting in steden met hoger onderwijsinstellingen in kaart te brengen. Dit Apollo model laat voor Den Haag zien dat er in 2026 een tekort van 2.750 - 3.600 eenheden voor studenten wordt verwacht. Bij de berekening van dit tekort is nog geen rekening gehouden met de nieuwe strategie voor de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden. De prognose is dat de Universiteit Leiden 1.700 meer studenten verwacht dan wat nu opgenomen is in het Apollo model. Deze studenten kunnen alleen naar Den Haag komen om te studeren als in Den Haag of in de onmiddellijke omgeving van Den Haag huisvesting voor hen is.
Zoals de indiener al opmerkt wordt de behoefte aan studentenwoningen jaarlijks gemonitord. Het blijven monitoren van de prognose voor studentenhuisvesting blijft in de komende jaren belangrijk. Ook gelet op de huidige ontwikkelingen met betrekking tot coronavirus.
De Campus Den Haag van de Universiteit Leiden wordt een compacte campus in de binnenstad waar studenten, medewerkers en bezoekers alle onderwijs- en onderzoekvoorzieningen bij elkaar aantreffen. Naast het ‘eigen’ universitaire onderwijs en onderzoekgebouw wordt de Campusboulevard de fysieke campusomgeving die de samenwerking met andere kennispartners van de Universiteit stimuleert en ondersteunt. Een universiteit heeft uitdaging nodig en een inspirerende omgeving om zich te kunnen ontwikkelen. De bedrijven en organisaties in Den Haag zullen de samenwerking zoeken met de Universiteit om verder te kunnen innoveren.
Het college is blij met het feit dat de Universiteit Leiden de gemeentelijke ambitie onderschrijft. Belangrijk is te melden dat het daarbij niet alleen gaat om de “”hardware” waar de Structuurvisie nu de basis voor legt, maar vooral ook de “software”, waarin partijen elkaar weten te vinden en elkaar versterken. De gemeente trekt hierop graag op met de universiteit en andere onderwijspartners.
De stop op kamerbewoning betreft een tijdelijke maatregel. Momenteel werkt de gemeente aan nieuw kamerbewoningsbeleid. Het college van B&W onderkent het belang van kamers voor de huisvesting van studenten. Om die reden zal in het nieuwe beleid kamerbewoning voor onder anders studenten in de stad mogelijk blijven.
Er ligt momenteel een grote woningbouwopgave ten aanzien van sociale woningbouw en woningbouw voor bijzondere doelgroepen, waaronder studenten. In de huidige collegeperiode wordt gestreefd naar een evenwichtige verdeling in de nieuwbouw voor de diverse doelgroepen aangezien de druk op de woningmarkt voor alle doelgroepen groot is.
59/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Voor samenwerkingspartners die in andere delen van het CID gehuisvest zijn is de Universiteit gebaat bij een goede en aantrekkelijke verbinding vanuit de Campusboulevard.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 40 – Bewonersorganisatie Rivierenbuurt/Spuikwartier Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze is gelijk aan die van zienswijze 8, zie de samenvatting en beantwoording aldaar.
Wijk specifieke aspecten Daarnaast draagt de indiener de volgende wijk specifieke aspecten aan.
Zienswijze
Reactie
A
De ervaring leert dat vooral de Rivierenbuurt een mengelmoes vormt van wat elders niet gewenst is of niet past. De voorbeelden zijn omvangrijk: overlast gevende bedrijvigheid, prostitutie, schaduweconomie, het (bijbehorende) sluipverkeer en de parkeerdruk van bouwprojecten uit omliggende wijken. Indiener stelt dat de gemeente dit soort problematiek veroorzaakt of verergert symptomen door geen of geringe handhaving. Omdat de Rivierenbuurt als enige wijk volledig ingesloten dreigt te worden door hoogbouw en verkeersstromen zijn ook complexere zaken cruciaal, waaronder totaal resultaat bezonning en schaduwwerking van alle aanwezige en geplande hoogbouw, van windtunnelonderzoek en geluidsnormering en frequente milieu en gezondheid effect controles.
De Rivierenbuurt zal ook profiteren van de ontwikkeling van het CID richting een aantrekkelijk en beter verbonden gebied met meer ruimte voor langzaam verkeer. Bij concrete ruimtelijke ontwikkelingen zullen de genoemde effecten worden onderzocht en beoordeeld.
B
Beide deelwijken Rivierenbuurt en Spuikwartier ontberen nog heel veel groen en hebben een overdaad aan bebouwing en zijn daardoor in de klimaatverandering nu al behept met veel hittestress en onnodig veel wateroverlast.
De Haagse Klimaatatlas (zie: https://denhaag.klimaatatlas.net/) laat zien dat hittestress in de Rivierenbuurt vergelijkbaar is met veel andere woongebieden in Den Haag, maar wel lokaal in het rood schiet. Een van de opgaven voor deze buurt is dan ook het toevoegen van meer groen in de straten. Het Spuikwartier kleurt ook lokaal rood, maar in deze buurt is de afwezigheid van groen vooral een gemis in algemene zin (verblijfskwaliteit).
C
Indiener wil dat de Rivierenbuurt de volwaardige behandeling krijgt die het geografisch
In de Rivierenbuurt zijn geen grote veranderingen voorzien, vandaar de kwalificatie 60/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
D
en vanwege haar historie & architectuur verdient. Juist bij grote plannen is deze volwaardige behandeling cruciaal, want ook bij de nieuwe status quo van jarenlange werkzaamheden in het CID moet de woonfunctie in zowel het Spuikwartier en als de Rivierenbuurt mooier, leefbaarder en volwaardiger worden.
laagdynamisch gebied. Pas bij grote veranderingen zal het noodzakelijk zijn om dieper in te gaan op de historische en architectonische kwaliteiten van de Rivierenbuurt. Voor de nog op te stellen gebiedsagenda Schenk in een deel van de Rivierenbuurt zal dit nog moeten gebeuren.
Daarnaast brengt de indiener de brief die de wijkorganisaties gezamenlijk op 18 mei 2020 aan de gemeenteraadsleden en de Commissie Ruimte hebben gestuurd onder de aandacht. Indiener verzoekt om de tekst van deze brief als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Kernpunten van de brief zijn; • Regie gewenst op samenhang en volgorderlijkheid van gebiedsagenda’s, participatieplan(nen) CID, structuurvisie CID, planMER, LER, PUK en ontwerpbestemmingsplannen; • Regie op leefbaarheid met behulp van een Leefbaarheidseffectrapportage (LER) voor het hele CID; • Regie op participatie op daadwerkelijk en effectief invulling geven aan inspraak en participatie door gemeente en ontwikkelaars; • Regie door de raad richting het college met betrekking tot participatie en leefbaarheid en het opstellen van een integrale MER inclusief mitigerende maatregelen.
In afbeelding 1.2 in de inleiding van de structuurvisie is aangegeven hoe de diverse ruimtelijke documenten met elkaar samenhangen. Door een overkoepelende structuurvisie CID vast te stellen met de hoofdlijnen voor het ruimtelijk beleid kan de samenhang tussen de verschillende instrumenten worden bewerkstelligd. Daarbij is er niet voor gekozen om reeds lopende ontwikkelprocessen stil te zetten. De stad gaat niet “op slot” tijdens het opstellen van de visie. Voor zover de brief gaat over de uitvoering van en rol van de gemeente of raad bij diverse participatieprojecten, ontstijgt de beantwoording daarvan de scope van deze nota zienswijzen met betrekking tot de inhoud van de structuurvisie CID. De brief is besproken in de raad en heeft geleid tot de toezegging een LER-nulmeting uit te voeren voor het hele CID waarvan de resultaten eind 2020 beschikbaar zullen zijn.
Conclusie Het gezamenlijke deel van de zienswijze leidt tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie zoals genoemd bij zienswijze 8, zie de conclusie aldaar. De wijk specifieke aanvulling leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 41 – Indiener Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze A
Zienswijze
Reactie
Indiener stelt dat het Bezuidenhout het twijfelachtige genoegen heeft in drie delen genoemd te worden in de CID visie. Na het Bombardement op het Bezuidenhout in 1945 is in de Haagsche Gemeenteraad plechtig beloofd het Bezuidenhout weer op te bouwen zoals het geweest was. Vele bouwwethouders later moeten we helaas constateren dat breken en bouwen elkaar in rap tempo opvolgen en beloften en afspraken zeer snel vergeten worden; prikkeldraadregeling, zichtlijnen met bouwhoogtes, onderhoud netkous, “nooit van gehoord”. Werd er vroeger nog serieus
Het college herkent zich niet in het geschetste beeld.
61/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
overleg gepleegd met omwonenden thans is participatie verworden tot het inhuren van dure communicatiebureaus met spelletjes op een bedenkelijk simpel niveau. B
Bij de plannen strijden wonen en werkgelegenheid om aandacht. Jarenlang is de policy geweest om werkgelegenheid bij stations te creëren want “ we willen geen spoorwijken meer”. Indiener stelt dat in die visie de wind opeens is gedraaid. We gaan nu anoniem opgehokt in woontorens bij het station investeren, je kan bijna voorspellen wat daar gaat gebeuren, en misschien komt er een beetje economie.
Kern van de visie is dat het CID een gemengd gebied wordt, dus zowel economische functies als wonen. Het beleid om woningen geconcentreerd toe te voegen in dit deel van de stad is al vastgelegd in de Agenda Ruimte voor de Stad (2016, RIS295016).
D
Voor station Laan van NOI wordt ICT-Security Campus specifiek genoemden in de gebiedsagenda. Er wordt gesteld dat er met de stakeholders is gesproken, maar daar horen de omwonenden niet bij. Zij tellen ook niet mee in de “ triple helix “ die bestaat uit overheid, ondernemingen en onderwijs. In het verleden hebben bewoners in het Beatrixoverleg structureel contact met de wethouders en projectontwikkelaars gehad over het Beatrixkwartier tegenwoordig cocreating genoemd. Dit was een vruchtbare samenwerking tussen de drie partijen.
De gebiedsagenda voor station Laan van NOI is in december 2018 vastgesteld. Bij de verdere uitwerking van de plannen in het gebied worden bewoners betrokken.
E
Den Haag wil graag groter worden, maar Den Haag als morfologische bouwwerk is een verzameling dorpen die dat niet aan kan. De buurgemeenten en ook Voorburg en Bezuidenhout zitten niet te wachten op bouw van 125 meter, maar zijn misschien in een breder overleg wel bereid om mee te werken aan meer woningen, waar politieagent, onderwijzer en verpleegster beter kunnen wonen dan in anonieme woontorens.
Het college meent dat Den Haag meer is dan een verzameling dorpen en met de ontwikkeling van het CID en de Binckhorst een nieuwe fase van hoogstedelijke ontwikkeling ingaat.
F
Het probleem van veel mooie plannen is dat ze bij de uitvoering vaak al achterhaald zijn. Ze zijn gebaseerd op veronderstellingen die in de moderne tijd steeds sneller veranderen.
Het is een gegeven dat tussen planvorming en uitvoering tijd verstreken is en het mogelijk is dat de context inmiddels is veranderd. De structuurvisie geeft een toekomstbeeld op hoofdlijnen, waarbinnen flexibiliteit en aanpassing aan omstandigheden mogelijk is.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
62/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 42 – Indiener Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze en conclusie Zienswijze is gelijk aan die van zienswijze 8, zie de samenvatting, beantwoording en conclusie aldaar.
Vragen en opmerkingen bij de Structuurvisie In aanvulling op de zienswijze, heeft de indiener een bijlage bijgevoegd: Vragen en opmerkingen bij de Structuurvisie per hoofdstuk. Deze bijlage is gelijk aan zienswijze 10, zie de samenvatting, beantwoording en conclusie aldaar.
Zienswijze 43 – Indiener Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze is gelijk aan die van zienswijze 8, zie de samenvatting en beantwoording aldaar. In aanvulling op zienswijze 8, draagt de indiener de volgende punten aan.
A
Zienswijze
Reactie
Daarnaast brengt de indiener de brief die de wijkorganisaties gezamenlijk op 18 mei 2020 aan de gemeenteraadsleden en de Commissie Ruimte hebben gestuurd onder de aandacht. Indiener verzoekt om de tekst van deze brief als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Kernpunten van de brief zijn; • Regie gewenst op samenhang en volgorderlijkheid van gebiedsagenda’s, participatieplan(nen) CID, structuurvisie CID, planMER, LER, PUK en ontwerpbestemmingsplannen; • Regie op leefbaarheid met behulp van een Leefbaarheidseffectrapportage (LER) voor het hele CID; • Regie op participatie op daadwerkelijk en effectief invulling geven aan inspraak en participatie door gemeente en ontwikkelaars; • Regie door de raad richting het college met betrekking tot participatie en leefbaarheid en het opstellen van een integrale MER inclusief mitigerende maatregelen.
In afbeelding 1.2 in de inleiding van de structuurvisie is aangegeven hoe de diverse ruimtelijke documenten met elkaar samenhangen. Door een overkoepelende structuurvisie CID vast te stellen met de hoofdlijnen voor het ruimtelijk beleid kan de samenhang tussen de verschillende instrumenten worden bewerkstelligd. Daarbij is er niet voor gekozen om reeds lopende ontwikkelprocessen stil te zetten. De stad gaat niet “op slot” tijdens het opstellen van de visie. Voor zover de brief gaat over de uitvoering van en rol van de gemeente of raad bij diverse participatieprojecten, ontstijgt de beantwoording daarvan de scope van deze nota zienswijzen met betrekking tot de inhoud van de structuurvisie CID. De brief is besproken in de raad en heeft geleid tot de toezegging een LER-nulmeting uit te voeren voor het hele CID waarvan de resultaten eind 2020 beschikbaar zullen zijn.
63/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Vragen en opmerkingen bij de Structuurvisie In aanvulling op de zienswijze, heeft de indiener een bijlage bijgevoegd: Vragen en opmerkingen bij de Structuurvisie per hoofdstuk. Deze bijlage is gelijk aan zienswijze 10, zie de samenvatting en beantwoording aldaar.
Conclusie Het gezamenlijke deel van de zienswijze leidt tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie zoals genoemd bij zienswijze 8, zie de conclusie aldaar. De aanvulling leidt niet tot aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID.
Zienswijze 44 – Indiener Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze en conclusie Zienswijze is gelijk aan die van zienswijze 8, zie de samenvatting, beantwoording en conclusie aldaar.
Zienswijze 45 – Indiener Ingediend d.d.: 17 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Ambitie van en voor Den Haag is een goed ding. Ambitie moet echter stoelen op concrete cijfers, moet uitvoerbaar zijn en vooral gedragen worden door de burgers. De structuurvisie en planMER voldoen daar naar indieners inzien niet aan. De cijfers zijn aannames over hoe komende tien tot twintig jaar e.e.a. zal ontwikkelen. Het valt de indiener op dat Den Haag de maximum variant van de prognoses steeds als doel stelt. Prognoses hebben de gewoonte om vaak niet uit te komen. Van belang is om eerst vast te stellen wie zijn wij en wat willen we worden.
De ambities voor het CID zijn al in 2019 vastgesteld in de ‘CID Agenda 2040; Kansen voor nieuw Den Haag’ (RIS302327). De structuurvisie bevat een ruimtelijke uitwerking hiervan. Uitspraken over een periode van 20 jaar zijn alleen te doen op basis van prognoses met bepaalde aannames. Omdat daarbij sprake is van onzekerheid, zijn in de planMER verschillende scenario’s onderzocht. Het gehanteerde programma in tabel 7.1 van de structuurvisie is een ‘indicatief programma’. De ruimtelijke uitgangspunten voor het gebied blijven overeind, ook als dit programma niet exact wordt gerealiseerd.
B
De beperkte bouwgrond van onze stad wordt in de plannen met name gezocht en ingevuld in de wijken rondom de drie NS stations: het CID. Of het gebied die grote toestroom van bewoners en bedrijven aan kan is blijkbaar niet relevant. De hoogte in is
In de structuurvisie en de bijlage Gereedschapskist Openbare Ruimte CID is veel aandacht voor de noodzaak van groen in de stad en klimaatadaptatie. De uitvoering van ecologisch onderzoek is aan de orde bij concrete projecten. Het college verwijst verder 64/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
blijkbaar de enige oplossing. Indiener vraagt zich ernstig af of er bij de plannen serieus onderzoek gedaan is naar de ecologische gevolgen, van een muur hoge torens aan de oostkant van de stad, voor de totale stad. Den Haag heeft nu al stedelijke hitte eilanden. Door veel (hoge) steen te bouwen zonder voldoende groen zullen dit er veel meer worden (hier wordt veel over geschreven en voor gewaarschuwd).
naar de nota Stadsnatuur (RIS305825).
Tevens maakt de indiener zich ernstig zorgen over de (o.a. financiële) haalbaarheid van de plannen. Veel (zeer) hoge torens, weinig groen, veel hoge huren, kleine appartementen, veel verkeer (auto/ fiets/lopen). Op dit moment zitten we in een pandemie die vermoedelijk nog even zal voortduren volgens de deskundigen. We staan aan de vooravond van een zeer grote recessie. De kans dat er de komende jaren vaker een dergelijke pandemie kan komen wordt door deskundigen reëel geacht. Er wordt verwacht dat onze leefwijze ingrijpend zal gaan veranderen. In de voorliggende plannen met hoge torens, kleine woningen, weinig groen is quarantaine niet te doen. Ook de behoefte aan en invulling van bedrijfsruimtes zal vermoedelijk wijzigen. Gezien het ingrijpende van de huidige situatie ontstaan door de pandemie verzoekt de indiener om plannen die beschreven staan in de structuurvisie en planMER te bevriezen en de komende periode te gebruiken om het plan aan te passen aan de nieuwe werkelijkheid en toekomstgerichter te maken.
De lange termijn gevolgen van de coronacrisis zijn nog zeer onzeker. De gemeente ziet vooralsnog geen structurele vraaguitval die de uitvoering van de visie onhaalbaar maakt. Het college ziet daarom geen aanleiding voor een fundamenteel andere visie op de ontwikkeling van het CID-gebied.
D
Tevens is er dan de mogelijkheid om het nieuwe plan/visie leesbaar te maken voor de gemiddelde burger van Den Haag. Dit kan de inspraak en vooral de draagkracht voor de plannen vergroten.
Het document is doorgenomen en aangepast teneinde de leesbaarheid te verbeteren.
E
Tot slot wil de indiener als betrokken bewoner van Bezuidenhout nog opmerken dat het is opgevallen dat het overlaten aan de markt van participatietrajecten doorvlochten is met tegenstrijdige belangen. Van echte participatie is geen sprake geweest. De gemeente heeft hier geen verantwoordelijkheid genomen.
In het participatieproces heeft ook de ontwikkelaar / grond-/ opstaleigenaar een rol, tezamen met andere belanghebbenden. Indien de grond-/opstaleigenaar een ontwikkeling voorstaat heeft de gemeente slechts een kaderstellende en toetsende rol. De gemeente kan dan niet verantwoordelijk zijn voor bijvoorbeeld planning en een aantal andere zaken die de ontwikkeling betreffen. Hierdoor is het ook logisch dat voor de participatie ook een belangrijke rol is weggelegd voor de ontwikkelaar.
C
De structuurvisie wordt gefaseerd uitgevoerd, waarbij marktomstandigheden en ruimtebehoeften gemonitord worden. Indien nodig kan gedurende de uitvoering bijgestuurd worden binnen de context van de visie.
Conclusie Deze zienswijze leidt tot de volgende aanpassingen van de ontwerp-Structuurvisie CID: • Er zijn redactionele verbeteringen in het stuk doorgevoerd: verduidelijking vaktermen, een aantal Engelse woorden vervangen door Nederlandse termen, waar mogelijk; en uitschrijven van afkortingen;
65/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 46 – Hoogheemraadschap van Delfland Ingediend d.d.: 18 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Indiener stelt dat het thema “klimaatadaptatie” is in de visie goed verankerd. Echter, de doorvertaling naar kwantitatieve kaders ontbreekt nog. Daarmee kan er lastig sturing aan het invullen van de ambitie worden gegeven. Alhoewel dit in de stukken wordt onderkend, wordt echter niet beschreven of, en zo ja welke, stappen worden gezet om de kaders op te stellen. Voor de energietransitie wordt duidelijk beschreven, dat de kaders in ontwikkeling zijn. Daarbij wordt gesteld, dat voor de uitwerking de dan ter beschikking staande kaders aangehouden moeten worden. Indiener verzoekt dit ook voor klimaatadaptatie zo te stellen en de ambities nader uit te werken mede om te voorkomen, dat de belasting van het watersysteem in de komende jaren toeneemt.
Voor klimaatadaptatie is beleid in ontwikkeling dat vooral kwantitatief van aard is. De kwalitatieve kant is opgenomen in de structuurvisie en de bijlages.
B
Indiener verwijst naar het document “Haagse ambities en eisen Klimaatadaptatie”, waarin de eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen vertaald zijn naar gemeentelijke kaders. Indiener verzoekt de Haagse ambities specifiek te benomen en als kader voor de uitwerking van de deelgebieden mee te nemen.
Op het moment dat het genoemde document bestuurlijk is vastgesteld, zal dit ook van toepassing zijn voor de uitwerking van deelgebieden in het CID.
C
Indiener verwijst naar hoofdstuk 10.3.2 van het MER waarin ook het risico wordt benoemd, dat de verdichting in het CID tot een teruggang in klimaatbestendigheid kan leiden. Dit is niet in lijn met de bestuurlijke afspraken uit onder andere “Haagse ambities en eisen Klimaatadaptatie” en het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Indiener stelt dat naast het vaststellen van de kaders, monitoring van klimaatbestendigheid dan ook van belang is. Echter komt in het monitoringsplan de kwantificering en vastlegging van waterberging, groen, en daarmee klimaatadaptatie, onvoldoende terug.
Met het oog op het genoemde risico is in de structuurvisie opgenomen dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan klimaatbestendigheid. In de bijlage Gereedschapskist Openbare Ruimte CID zijn hiervoor de belangrijkste principes in beeld gebracht. De aanzet tot monitoringsplan in de PlanMER is geen uitputtende opsomming van de te monitoren aspecten. In paragraaf 10.2.1 van de planMER is wel aangegeven, dat klimaatadaptatie van belang is bij monitoring en evaluatie.
D
Indiener stelt dat de effecten van de ontwikkeling op de waterhuishouding worden nauwelijks benoemd. Indiener verzoekt zo mogelijk in de structuurvisie zelf, en in ieder geval later bij de gebiedsuitwerkingen, te beschrijven, wat het effect van de ontwikkelingen op de waterhuishouding is. Het uitgangspunt daarbij is, dat ontwikkelingen zodanig uitgewerkt worden, dat de waterhuishouding minimaal even goed blijft functioneren (standstill-principe).
Het college onderschrijft het uitgangspunt dat ontwikkeling van het plangebied zodanig uitgewerkt moet worden dat de waterhuishouding minimaal even goed blijft functioneren.
E
Indiener stelt dat een inschatting van de kans op een toename van overstorten door extreme regen en een grotere belasting van het rioolstelsel, en daarmee verslechtering van de waterkwaliteit, ontbreekt. Daarnaast kunnen ingrepen aan de oevers of waterkant tot positieve of negatieve effecten op waterkwaliteit leiden. Indiener verzoekt om kansen en mogelijk negatieve effecten van de waterkwaliteit te benoemen.
De gemeente gaat er van uit dat er niet meer dan nu, en het liefst zelfs minder, de overstorten moeten worden gebruikt bij pieken. Daarom wordt er zo ingezet in vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren.
66/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
F
Indiener stelt dat een beschrijving van de waterhuishouding en de samenhang met de riolering en de opvang van hemelwater ontbreekt. De kans op wateroverlast bij gelijke maaiveldinrichting neemt vanwege klimaatverandering toe. In get MER-beoordeling wordt dit nu gezien als een neutrale score. Indiener vindt dat echter een achteruitgang. Via de watertoets kan hier in volgende fases op gestuurd worden, maar dit betreft alleen ontwikkelingen. Als een deel van het gebied ongewijzigd blijft, zijn maatregelen nodig, om de kans op wateroverlast gelijk te houden dan wel te verkleinen.
Voor gebieden waar geen ontwikkeling plaats vindt, maar waar wel wordt heringericht, worden wel klimaatmaatregelen genomen. Daarmee loopt CID voor op andere delen van de stad waar klimaatadaptatie nog geen vanzelfsprekend onderdeel is van de ontwerpopgave van de buitenruimte.
G
In het plangebied ligt een korte waterkering. Deze is voor de structuurvisie van minder belang, maar wel voor de uitwerking.
Het college is het eens met de indiener dat de korte waterkering van belang is bij de uitwerking. Dit is een aandachtspunt bij nadere planuitwerking.
H
Indiener verzoekt om te beschrijven wat de effecten van de verdichting voor transport en verwerking van het afvalwater zijn en hoe daarbij negatieve effecten op de waterkwaliteit en waterkwantiteit voorkomen worden.
De toename van het aantal bewoners en bezoekers in Den Haag zal leiden tot een toename van het afvalwater. Het opvangen van de gevolgen hiervan wordt beschouwd als een uit te werken opgave.
I
In het plangebied loopt een rioolpersleiding met een diameter van 1,2 m. Dit is een belangrijke transportleiding van rioolwater in Den Haag. Indiener stelt dat het van belang is om de functionaliteit van de leiding te waarborgen. Dat betekent, dat er niet over de leiding heen gebouwd mag worden en er ruimte omheen blijft bestaan (5 m aan beide zijden), zodat de leiding bereikbaar blijft, wanneer dat nodig is.
Het college onderschrijft het benoemde standpunt.
J
Indiener stelt dat de effecten van het plan op het grondwater niet volledig inzichtelijk worden gemaakt. Op p.20 van deelrapport Klimaatadaptatie wordt benoemd, dat door het strakke peilbeheer fluctuaties in het grondwater beperkt zijn. Op p.37 wordt echter aangegeven, dat extreem weer effect op de grondwaterstand gaat hebben. Wij verzoeken u te beschrijven, hoe zich dat tot elkaar verhoudt. Indiener stelt ook dat de relatie tussen grondwater en bouwdiepte ontbreekt, zoals het effect van kelders. Daarnaast worden de effecten van WKO’s alleen bij risico’s benoemd. Dit ziet de indiener ook graag nader toegelicht, aangezien hierop in verband met de energietransitie in het plan ingezet wordt. Tevens verzoekt de indiener een duidelijkere en eenduidigere beschrijving en conclusie over grondwater te geven.
Het is vooral bij extreme neerslag dat het grondwater lokaal kan stijgen (ipv riool te belasten) met een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater. Dat past in het peilbeheer.
K
Indiener stelt dat in deze fase het belang van de waterhuishouding niet onderscheidend is voor de variantenafweging en wordt slechts summier benoemd. Indiener verzoekt om in de structuurvisie te beschrijven dat het waterbelang in de uitwerking van de deelgebieden verwerkt en meegewogen wordt.
Het college onderschrijft het punt van de indiener. Paragraaf 5.4.2 is op dit punt aangepast.
67/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Bijlagen Daarnaast heeft de indiener de zienswijze voorzien van een bijlage, waarin per onderdeel punten worden aangedragen, inclusief tekstuele opmerkingen.
Bijlage
Reactie
Ontwerp-Structuurvisie CID A
Indiener verwijst naar paragraaf 4.4 Aantrekkelijke en duurzame leefomgeving. Indiener doet het volgende tekstvoorstel: 2e kolom “of juist af te voeren” strookt niet met blz. 39. De formulering van blz. 39 is de juiste: “vasthouden, bergen / gebruiken en dan pas afvoeren”. Dat graag overnemen. Laatste zin “toekomsbestendig”. De ondergrond is ook voor klimaatadaptiviteit een factor van belang. Graag toevoegen “toekomstbestendig én klimaatadaptief”.
De suggesties zijn overgenomen.
B
Indiener verwijst naar paragraaf 5.2.4 Hergebruik grondstoffen. Indiener stelt dat opvangen en benutten hemelwater daar goed inpast. Dit sluit enerzijds aan bij de gewenste vergroening (verkoelende verdamping kan niet zonder voldoende water). Het draagt tevens bij aan een besparing op het gebruik aan drinkwater, juist tijdens droogte drinkwater.
Het college begrijpt de gedachtegang van het Hoogheemraadschap, al wordt bij ‘grondstoffen’ meestal niet direct aan (hemel)water gedacht.
C
Indiener verwijst naar paragraaf 5.4.1 en 5.4.2 Groen en natuurinclusief. De beleidskaders Eyleine Skyline en Nota natuurinclusief Bouwen sturen op meer groen. Waterberging past daar goed bij maar niet wordt gevraagd / gekwantificeerd. In aansluiting op het convenant klimaatadaptief bouwen zijn er Haagse eisen en ambities geformuleerd waarin dit wel getalsmatig wordt ingevuld. Het concept daarvan is opgenomen in de Gereedschapskist Openbare ruimte. Indiener verzoekt om te benoemen dat zodra deze kaders zijn vastgesteld, deze bij de uitwerking van de deelgebieden worden gehanteerd.
Op het moment dat het genoemde document bestuurlijk is vastgesteld, zal dit ook van toepassing zijn voor de uitwerking van deelgebieden in het CID. Dit hoeft niet apart benoemd te worden.
D
Indiener verwijst naar paragraaf 5.4.2. Indiener stelt dat het mooi is dat ontwikkelingen in samenhang en gebiedsgericht worden bezien. Daarmee zijn meer en beter ingepaste oplossingen voor klimaatadaptatie mogelijk. In de laatste alinea bij waterpartijen graag aanvullen dat ondiep / stilstaand water juist bij draagt aan het hitte-eiland effect als de warmte daarvan ’s-avonds en ’s-nachts wordt afgestaan.
Deze suggestie is overgenomen.
E
Indiener verwijst naar paragraaf 5.4.3. Indiener stelt dat microklimaat nu vooral gaat over geluid en wind. Waarom wordt fijnstof niet benoemd? Groen is een goede maatregel omdat het fijnstof bindt en daarbij ook kan bijdragen aan waterberging en verkoeling.
De effecten van groen op luchtkwaliteit op plaatselijk niveau lijken volgens onderzoek beperkt en is daarom niet expliciet benoemd in deze paragraaf. Er is wel een passage toegevoegd op het positieve effect van groen op gezondheid.
F
Indiener verwijst naar paragraaf 6.2. Hier wordt voor energietransitie een kaderstellend proces geschetst. Indiener stelt voor een dergelijke aanpak ook voor klimaatadaptatie te
Het college neemt deze zienswijze voor kennisgeving aan.
68/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
volgen. G
Indiener verwijst naar paragraaf 6.4. In de 2e alinea wordt een onderscheid benoemd tussen paragraaf 5.2 en 5.4 die niet aansluit op de tekst van die paragrafen zelf. Indiener vraagt of de tekst hier klopt met de genoemde paragrafen?
Deze verwijzing klopt inderdaad niet meer, de tekst is aangepast.
H
Indiener verwijst naar paragraaf 7.4 opgave 2 “scheiden van hemelwater”. Indiener vraagt wat daar mee wordt bedoeld, dit graag verduidelijken.
Bedoeld wordt het toepassen van de nieuwe principes voor het omgaan met hemelwater.
I
Indiener verwijst naar paragraaf 11.3. Graag hier ook het Verstedelijkingsakkoord Zuidelijke Randstad noemen, waarin is afgesproken dat herontwikkeling en nieuwbouw plaats vindt volgens de principes van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen.
Een verwijzing naar het genoemde akkoord is toegevoegd aan de bijlage, onder II.4 (regionale kaders).
Gereedschapskist Openbare Ruimte J
In een bijlage bij de zienswijze heeft indiener gedetailleerde opmerkingen opgenomen met betrekking tot de bijlage Gereedschapskist.
De opmerkingen zijn besproken met het Hoogheemraadschap en hebben geleid tot een aantal aanpassingen, zie opsomming onder ‘conclusie’.
PlanMER en deelrapport Klimaatbestendigheid P
In een bijlage bij de zienswijze heeft indiener gedetailleerde opmerkingen opgenomen met betrekking tot het hoofdrapport PlanMER en het deelrapport Klimaatbestendigheid.
De opmerkingen zijn in een overleg met het Hoogheemraadschap besproken. Zij leiden niet tot aanpassing van de rapporten. De conclusies van de PlanMER blijven in stand. Bij verdere uitwerking van de plannen wordt het Hoogheemraadschap betrokken.
Conclusie Deze zienswijze leidt tot de volgende aanpassing van de ontwerp-Structuurvisie CID: • In paragraaf 4.4 zijn tekstuele aanpassingen gedaan met betrekking tot waterberging en het toevoegen van de term ‘klimaatadaptief’; • In paragraaf 5.4.2 is de volgende tekst toegevoegd: “ondiep/stilstaand water draagt juist bij aan het hitte-eiland effect als de warmte daarvan ’s avonds en ’s nachts worden afgestaan”; • In paragraaf 5.4.2 is toegevoegd dat bij uitwerking van deelgebieden het belang van de waterhuishouding wordt meegewogen; • In paragraaf 5.4.3 is een passage toegevoegd over het positieve effect van groen op gezondheid; • In paragraaf 6.4 is de foutieve verwijzing naar paragrafen 5.2 en 5.4 weggehaald; • In bijlage II.4 van de Structuurvisie is het Verstedelijkingsakkoord Zuidelijke Randstad opgenomen.
Deze zienswijze leidt tot de volgende aanpassing van de Gereedschapskist Openbare Ruimte CID: • In de doorsnede op pagina 28 is waterberging opgenomen; • Op pagina 26 is de verwijzing naar m2 water op particulier terrein weggehaald; • Op pagina 27 is ‘geminimaliseerd’ vervangen door ‘geoptimaliseerd’; • De profielen op pagina 28-30 zijn aangepast met betrekking tot het thema Hemelwater; • Aan bijlage I is de volgende tekst toegevoegd: “ondiep/stilstaand water draagt juist bij aan het hitte-eiland effect door nachtelijke uitstraling”; • De poster op pagina 33 is verwijderd in verband met slechte leesbaarheid; de inhoud is behouden. 69/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
Zienswijze 47 – HTM Ingediend d.d.: 18 juni 2020 Samenvatting en beantwoording zienswijze Zienswijze
Reactie
A
Met belangstelling heeft HTM kennis genomen van de ontwerp-structuurvisie voor het CID. Het ontwikkelen van het CID is voor de stad een enorme opgave op het gebied van woningbouw en werkgelegenheid. Deze ontwikkeling van het CID is tegelijk een grote kans om de doelstelling van houden c.q. maken. Hiervoor zijn forse maatregelen nodig op allerlei gebieden. Als één van de drie ambities wordt benoemd “Over 20 jaar is het CID een aantrekkelijk gebied dat duurzame multimodale bereikbaarheid in de stad waar te maken en zodoende dit gebied leefbaar te uitnodigt tot wandelen, fietsen en OV-gebruik.” Indiener onderschrijft deze ambitie, en wil graag een bijdrage leveren aan het realiseren daarvan. Indiener ziet dat van het openbaar vervoer een groter aandeel wordt verwacht in het verzorgen van het personenverkeer. Dat verheugt de indiener en daarom wil de indiener zich graag inzetten om die rol te kunnen vervullen.
Het college is blij met deze positieve reactie van de HTM.
B
De goede samenwerking tussen gemeente, MRDH en HTM bij de uitwerking van o.a. de plannen voor de Schaalsprong OV in het programma OV-NEXT laat zien dat wij hieraan een constructieve bijdrage leveren.
Het goed functioneren van het openbaar vervoer is voor het functioneren van het CID een essentiële voorwaarde. De structuurvisie sluit daarom ook aan op de uitgangspunten die de wij gezamenlijk in de Schaalsprong OV/OVNext/MOVE en MOVV hebben opgenomen en uitwerken. Dit gebeurt samen met HTM, de regio en het Rijk. Terecht vraagt u aandacht voor de wijze waarop de structuurvisie ruimte biedt aan het OV om intensivering van dit stadsdeel mogelijk te maken en tegelijk ook de andere wijken en de stations uitstekend bereikbaar te houden.
Tegelijk wil de indiener benadrukken dat het CID voor reizigers -inwoners of bezoekers van de stad – die overstappen tussen trein en het lokale openbaar vervoer ook (of juist vooral) de toegangspoort tot de stad is. Daarmee zullen aanpassingen in het OVnetwerk in het CID ook een uitstraling hebben naar de hele stad en regio. Bij de keuzes die gemaakt worden voor de inrichting van het CID-gebied moet de indieners inziens dit aspect zwaarder meegewogen worden. C
Vanuit de rol als stedelijk vervoeder denkt de indiener dat bij de ontwikkelingen van het CID van wezenlijk belang is dat de capaciteitsgroei van het OV gelijke tred kan houden met de groei van de stad. Dus groei in het CID qua aantallen inwoners en arbeidsplaatsen betekent automatisch dat extra OV-capaciteit én daarbij passende fysieke ruimte voor het OV vereist is. In het CID loopt het OV nu al tegen zijn grenzen aan, daarom is uitbreiding noodzakelijk om de gewenste modal shift te kunnen realiseren. Ontwikkeling van de 2 hoofdcorridors uit de Schaalsprong kan hierin een belangrijke bijdrage leveren. Zolang die plannen nog niet geëffectueerd zijn, moet die groei op maaiveldniveau gefaciliteerd worden. En wij verwachten dat ook op lange termijn een grote capaciteit OV nodig zal zijn via routes op maaiveld door het CID.
Er wordt in de structuurvisie op een aantal manieren voorgesorteerd op het verbeteren van de doorstroming van het OV en het beschikbaar houden van voldoende routes in het gebied. In de eerste plaats wordt voor versnellen en capaciteitsvergroting ingezet op uitbouwen van de Koningscorridor, de Leijenburgcorridor en de Oude Lijn, zoals in de Schaalsprong OV is opgenomen. Bundelen op deze corridors is het meest effectief om de bereikbaarheid van het CID en de bereikbaarheid van de stations te verbeteren vanuit de stad, de regio en verder weg gelegen bestemmingen. De investeringen in deze lightrail en spoorverbindingen vinden gefaseerd plaats, ook in de periode voor 2030 wordt ingezet op meer capaciteit en kwaliteit. Een voorbeeld hiervan is het programma 70/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
D
Ten tweede denkt de indiener dat van belang is dat het OV snel en attractief is. Concreet betekent dit: zorgdragen voor en handhaven van uitstekende tram en busverbindingen, vrije banen, betere doorstroming en maximale prioriteit bij kruisingen. Dit geldt niet alleen voor de deels nog aan te leggen autonome banen voor de twee corridors, maar voor alle OV-lijnen naar en door het CID. Juist in een centrumgebied als het CID is een uitstekende doorstroming voorwaarde voor goed functionerend OV en optimale bereikbaarheid. Ten derde denkt de indiener dat van belang is dat het lokale OV vanuit het CID de hele stad bereikbaar kan houden. Dus een grote rol voor lopen en fietsen binnen het gebied, maar ook een hoge doorstromingskwaliteit op het (beperkte) aantal OV-routes op maaiveld in het CID-gebied om de (rest van de) stad goed aangesloten te houden op de drie hoofdstations. Ten vierde denkt de indiener dat van belang is dat de beschikbare (verkeers-)ruimte voor het OV niet afneemt. Om meer reizigers te kunnen gaan vervoeren zullen op de bestaande routes meer bussen en trams gaan rijden; op een enkele plaats (Prins Bernhardviaduct) kan een nieuwe route ontwikkeld worden, die niet alleen nodig is voor het functioneren van het OV, maar juist de CID-programmering kan versterken. Wij gaan ervan uit dat de gemeente zorgdraagt voor handhaving van de OV-kwaliteit.
Ten vijfde denkt de indiener dat van belang is dat het OV robuust is. Bij ongeplande verstoringen van het netwerk, maar ook bij geplande werkzaamheden, is het van groot belang dat het systeem robuust is. De bereikbaarheid van centrum, CID en stations moet in die gevallen mogelijk blijven. Dat vereist dat meerdere routes in en door het CID beschikbaar moeten blijven en bijvoorbeeld een calamiteitenhalte behouden blijft nabij Den Haag Centraal.
hoogfrequent spoor op de Oude Lijn dat eind 2024 gereed komt. Tegelijk zijn er trajectdelen op maaiveld, waar het OV al op kortere termijn tegen capaciteitsbeperkingen aanloopt. Het Rijswijkseplein en de Waldorpstraat zijn voorbeelden van plekken waar veel reizigers verwerkt worden met het OV, maar waar met name de hoeveelheid autoverkeer regelmatig een bottleneck vormt voor de doorstroming van het OV. In de Structuurvisie wordt er daarom op ingezet om het autoverkeer op deze routes aanzienlijk te reduceren. Een autoluwe inrichting is uitgangspunt, doorgaand autoverkeer wordt geconcentreerd op de centrumring. Hiervan profiteren voetgangers en fietsers, maar het biedt ook ruimte om de vertraging van trams en bussen te reduceren. Uitgangspunt is dat waar de trams en bussen een vrije baan ter beschikking hebben, deze behouden blijven. Waar het OV samen met het autoverkeer en fietsers gebruik maakt van de rijbaan, is het de inzet om de maximum snelheid te beperken tot 30 km/uur. Dit vergroot de verkeersveiligheid en de verwachting is dat dit niet ten koste gaat van de doorstroming van het OV, omdat met het verminderen van de hoeveelheid autoverkeer de vertragingen voor het OV verminderen. Op enkele wegvakken zal de samenloop met fietsers nadere aandacht vragen.
Gegeven de intensivering in het gebied, zal de gemeente er niet aan ontkomen om hier of daar een afweging te moeten maken tussen de doorstroming van het OV en de benodigde ruimte voor fietsers en voetgangers. Een goede verkeersveiligheid voor kwetsbare verkeersdeelnemers is daarbij het belangrijkste uitgangspunt. Het streven is daarbij dat de totale rijtijd van de OV-lijnen die het CID bedienen niet zal toenemen. Hierover wilt de gemeente met u in gesprek.
Als laatste denkt de indiener dat van belang is dat tijdens de verbouwing de verkoop kan doorgaan. Meerdere bouwprojecten hebben de laatste jaren onnodig, of onnodig lang, de bereikbaarheid per OV aanzienlijk verslechterd. Indiener vraagt om bij de komende grootscheepse bouwplannen bindende voorwaarden te stellen die de overlast minimaliseren. E
In de structuurvisie is één van de ambities dat over 20 jaar het CID een aantrekkelijk gebied is dat uitnodigt tot wandelen, fietsen en OV-gebruik. Hierbij wordt een modal split voor het OV van 20% nagestreefd. Indiener zet vraagtekens bij deze ambitie: in het centrumgebied van Den Haag is de modal split van het OV nu al aanzienlijk hoger. Voor het CID zou een hogere ambitie dan ook logisch zijn. De inrichting van het CID zou moeten bijdragen aan een hogere modal shift van het OV, niet alleen in het CID, maar in
Verwezen wordt naar de beantwoording onder D.
71/88
Nota van Beantwoording Ontwerp-Structuurvisie CID 2040
F
de gehele stad. Indiener constateert dat de ruimtelijke planvorming en de planvorming op het gebied van bereikbaarheid nog onvoldoende goed op elkaar aansluiten. De kaarten 4.6 en 4.7 de structuurvisie vertonen onderlinge verschillen als het gaat om het OV, waarvan niet duidelijk is of dit gebaseerd is op beleidskeuzes of op onnauwkeurigheden in de productie. Toevoegen van een specifieke OV-kaart in de structuurvisie, met daaraan gekoppeld een beschrijving van het gewenste kwaliteitsniveau van de OV-routes, zou helpen om de positie van het OV in het gebied te duiden en voorgestelde aanpassingen helder te maken.
De structuurvisie heeft een hoog abstractieniveau en geeft de onderlinge verbanden tussen de thema’s aan. Er is gekozen voor een mobiliteitskaart waarin zowel OV, als autoverkeer als fiets- en voetverkeer te zien is. Het belang van OV is helder, maar dat geldt juist ook voor de voetganger en de fietser, die ook geen aparte kaart hebben.
G
HTM is blij dat zij in het kader van OV-NEXT de plannen voor de Schaalsprong verder in samenwerking met gemeente en MRDH kunnen uitwerken. En op de langere termijn zullen de aan te leggen of te versterken Leyenburg- en Koningscorridor zeker kunnen bijdragen aan de gewenste uitbreiding van OV-capaciteit en -kwaliteit. Deze plannen worden in paragraaf 5.3.5. beschreven, en worden door de indiener van harte onderschreven. Als aandachtspunt wil de indiener wel meegeven dat de eerste 10-20 jaar, als deze projecten nog niet gereed zijn, de te verwachten groei vooral op het huidige netwerk op maaiveld gaat neerslaan.
Verwezen wordt naar de beantwoording onder D.