CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307135 Bijlage 2 - DSO2020 191 Bijlage PlanMER Deelrapport klimaatbestendigheid

Commissie Ruimte 23 juni 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Gewijzigd raadsvoorstel van het college inzake Structuurvisie Central Innovation District19.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.18 Hittestress huidige situatie (bron: denhaag.klimaatatlas.net)

Voor een analyse van het huidige stadsklimaat is het ook nuttig om het aandeel groen in het CID-gebied in beeld te brengen. Deze kaart is te zien in de volgende afbeelding.

Afbeelding 3.19. Het percentage vegetatie (bomen, struiken en lage vegetatie in het CID-gebied) (Bron: Atlasnatuurlijkkapitaal.nl)

Windhinder Net als in de rest van Nederland waait er in Den Haag het vaakst een wind afkomstig uit het zuidwesten. De windsnelheid in Den Haag ligt over het algemeen tussen de 12 en 28 km/u. Gezien de ligging van Den Haag aan zee heeft de stad vaker dan andere steden te maken met hoge of extreme windsnelheden.

33 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Voor het CID specifiek zijn geen gegevens bekend over windhinder. Wel is duidelijk dat het een gebied is met een stedelijke configuratie van relatief veel hoogbouw en smalle straten. Gebouwen kunnen zorgen voor wrijving wat de wind doet afremmen en daarmee voor lagere windsnelheden in een dichtbebouwd gebied kan zorgen. Echter komt ook het tegenovergestelde voor: smalle straten en hoogbouw kan resulteren in een wind-tunneleffect en daarmee een toename van wind. Proefondervindelijk is vastgesteld dat dit laatste effect op diverse plaatsen binnen het CID terug te vinden is. De gemiddelde windsnelheid per windrichting in Den Haag is terug te vinden in de volgende afbeelding. Hierin is de dominante zuidwestrichting duidelijk te zien.

Afbeelding 3.20 De gemiddelde windsnelheid en richting in Den Haag (Bron: Meteoblue.com)

3.2

Autonome ontwikkeling

Klimaatverandering Klimaatverandering staat steeds hoger op de agenda in Nederland en daarbuiten. Het is dan ook essentieel om de effecten van klimaatverandering in acht te nemen bij gebiedsontwikkelingen. Omdat er veel onzekere factoren meespelen in het toekomstige verloop van het klimaat, is niet vast te stellen hoe ons klimaat precies verandert de komende jaren. Daarom heeft het KNMI vier verschillende klimaatscenario’s ontwikkeld specifiek voor klimaatverandering in Nederland. Deze scenario’s berekenen het klimaat voor het jaar 2050 en 2085. Deze berekening is ten opzichte van het klimaat in de referentieperiode van 1981-2010 (zoals gepubliceerd in de klimaatatlas van het KNMI). De ontwikkelde scenario’s zijn gebaseerd op vier combinaties van twee uiteenlopende waarden voor de wereldwijde temperatuurstijging (gematigd en warm) en twee mogelijke varianten van luchtstromingspatronen (lage waarde en hoge waarde). Samen vormen de vier scenario’s de hoekpunten waarbinnen de klimaatverandering in Nederland zich waarschijnlijk zal voltrekken (afbeelding 3.21).

34 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.21 De vier verschillende klimaatscenario’s ontwikkeld door het KNMI (Bron: KlimaatscenariosKNMI, 2015)

Afbeelding 3.22 toont in de linker kolom de algemene veranderingen die gelden in elk scenario. De rechter kolom toont de verschillen en natuurlijke variaties in de vier scenario’s. Afbeelding 3.22 De algemene veranderingen en verschillen in de vier verschillende scenario’s (Bron: KlimaatscenariosKNMI, 2015)

Voor de beschrijving van de autonome ontwikkelingen in het klimaat voor de jaren 2030 en 2040 is er gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas. De gegevens in deze atlas zijn ook gebaseerd op de vier verschillende KNMI-klimaatscenario’s. De tabel toont de gegevens voor de thema’s hitte en droogte gebaseerd op het meest extreme scenario, het WH-scenario. Voor het thema wateroverlast wordt er uitgegaan van het GH-scenario.

35 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Tabel 3.11 Gegevens klimaatverandering voor het thema hitte in Nederland in het WH scenario (Bron: Klimaateffectatlas) Perioden

In het huidige klimaat (referentieperiode 1981-2010)

In het jaar 2030*

In het jaar 2040*

17

17,9

18,6

32,1

33,4

34,6

aantal tropische dagen max. temp ≥30°C

4

7

11

aantal tropische nachten max. temp ≥20°C

0

1

1

3,4

4,4

5,3

-10,00

-7,8

-5,9

gemiddelde zomertemperatuur in °C heetste zomerdag in °C

gemiddelde wintertemperatuur in °C koudste winterdag in °C

Tabel 3.12 Gegevens klimaatverandering voor het thema droogte in Nederland in het WH scenario (Bron: Klimaateffectatlas) Perioden

In het huidige klimaat (referentieperiode 1981-2010)

In het jaar 2030*

In het jaar 2040*

gemiddelde hoeveelheid neerslag in de zomer in mm

229

230

232

neerslagtekort dat eens in de 10 jaar voorkomt

225

252

279

aantal opeenvolgende droge dagen ≤ 3mm

17

18

18

Tabel 3.13 Gegevens klimaatverandering voor het thema wateroverlast in Nederland in het WH scenario (Bron: Klimaateffectatlas) Perioden

In het huidige klimaat (referentieperiode 1981-2010)

In het jaar 2030*

In het jaar 2040*

gemiddelde hoeveelheid neerslag per jaar (in mm)

887

905

922

dagelijkse hoeveelheid neerslag die eens in de 10 jaar wordt overschreden in de zomer (in mm)

59

62

65

dagelijkse hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden in de zomer (in mm)

85

90

95

gemiddelde neerslag in de winter (in mm)

219

233

245

* Het KNMI heeft gegevens voor het jaar 2050. Door uit te gaan van een lineair verloop van de optredende veranderingen, is een inschatting gemaakt van de veranderingen in de jaren 2030 en 2040.

Effecten van wateroverlast en hittestress Klimaatveranderingheeft grote nadelige gevolgen voor de mens, de natuur en de gebouwde omgeving. Vormen van wateroverlast en schade zijn (Kunst, 2016): - materiële schade (schade aan gebouwen, vervoermiddelen en infrastructuur); - gezondheidsrisico’s (afvalwater dat uit de riolering op straat stroomt); - veiligheidsrisico’s (belemmering voor hulpdiensten, putdeksels die losraken en meer ongelukken op de weg); - economische schade (blokkering van belangrijke verkeersaders door water op straat). Ook de toename van hittestress heeft nadelige effecten op (Klok, 2018): - gezondheid (slaapproblemen, gezondheidsklachten door hitte en luchtverontreiniging, ziekenhuisopnames en sterfte); - buitenruimte (schade aan natuur, druk op buitenruimte, sociale overlast en evenementen);

36 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

-

leefbaarheid (comfort, arbeidsproductiviteit, scholen, kinderopvang en detailhandel); water (drinkwaterkwaliteit, gebruik van koelwater, watervraag, (zwem)waterkwaliteit); netwerken (energievraag voor koeling, stroomuitval, uitzetting van rails, bruggen en bestrating).

3.2.1

Bodem

Bodemkwaliteit Er zijn geen locaties bekend waar momenteel aanpassingen aan de bodemkwaliteit -zoals saneringenplaatsvinden. De bodemkwaliteit zal dan ook naar verwachting niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. Een verslechtering van de bodemkwaliteit is onwaarschijnlijk gezien nationale wetgeving dit niet toelaat bij nieuwe ingrepen. Een verbetering van de bodemkwaliteit ten gevolge van saneringen is denkbaar. Bodemgesteldheid Er zijn geen ingrepen in de bodem bekend die de bodemgesteldheid noemenswaardig beïnvloeden tot 2030 en 2040. Dit betekent dat de bodemgesteldheid niet verandert.

3.2.2

Water

Waterkwaliteit De verwachting is dat in 2021 - 2027 het GEP, na uitvoering van SGBP2 maatregelen, voor alle ecologische kwaliteitselementen in de Oostboezem gehaald wordt. In 2027 wordt verwacht dat ook de doelen voor fosfaat en stikstof bereikt worden. Voor zink en benzo(a)antraceen worden de doelen in de huidige toestand niet bereikt. Voor de stof benzo(a)antraceen zijn geen maatregelen voorzien. Het is de verwachting dat zink en benzo(a)antraceen ook in de toekomst niet zullen voldoen als gevolg van autonome ontwikkelingen of generiek beleid. Risico op wateroverlast In alle scenario’s van het KNMI staat vast dat de hoeveelheid neerslag per jaar toeneemt en ook dat buien extremer worden. Neerslag die nu eens per 10 jaar voorkomt (59 mm/dag), komt in 2040 tot 2,4 keer per jaar voor (in het meest extreme scenario). Dit is een extreme hoeveelheid regen die ervoor zorgt dat de meest kwetsbare gebieden onder water komen te staan. Het gevolg van de toenemende neerslag is dan ook dat de kwetsbare locaties in het CID die nu al zichtbaar zijn, nog kwetsbaarder worden. Dit betekent dat de risico’s op wateroverlast toenemen: wateroverlast komt vaker voor. Daarnaast zullen de gebieden die nu slechts matige risico’s met zich meebrengen, een steeds serieuzer risico op wateroverlast met zich meebrengen.

Dit betekent dat de omvang van kwetsbaarheden in het CID toeneemt: wateroverlast komt op meer plekken voor. Water op straat heeft economische schade tot gevolg: gebouwen komen onder water te staan, infrastructuur raakt beschadigd en/of gaat minder lang mee en vergt meer onderhoud. Water op straat zorgt ook voor een verminderde bereikbaarheid doordat wegen slecht of niet meer begaanbaar zijn, dit brengt overlast en economische schade met zich mee en kan ook leiden tot ongelukken. Daarnaast kan de waterkwaliteit achteruit gaan, met name als gevolg van overstort van gemengd riool op oppervlaktewater of het omhoogkomen van water uit het gemengd riool waardoor vuil water op straat komt te staan. Dit heeft ook gevolgen voor de gezondheid van mens, dier en planten. De grondwaterstanden in de huidige situatie leveren geen probleem. Toename van extremen in neerslag en natte winters hebben naar verwachting effect op de grondwaterstand in het centrum van Den Haag. Te hoge grondwaterstanden kunnen daardoor vaker en langduriger optreden, zie afbeelding. De mate waarin dit gaat gebeuren is nog niet goed bekend (gemeente Den Haag, 2015).

37 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.23 De algemene veranderingen en verschillen in de vier verschillende scenario’s (Bron: KlimaatscenariosKNMI, 2015)

3.2.3

Wnb Natura 2000

Er zijn geen specifieke autonome ontwikkelingen bekend voor dit thema. Autonome ontwikkelingen in het kader van Natura 2000 en meer specifiek stikstof hangen sterk samen met verkeer, energiegebruik en verbruik. De PAS-gebiedsanalyses van de drie Natura 2000-gebieden in de regio concluderen het volgende: - voor Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide worden in 2030 de KDW’s van de volgende habitattypen overschreden: H2130A Grijze duinen (kalkrijk), H2130B Grijze duinen (kalkarm), H2150 Duinheide met Struikhei, H2180A Duinbossen (droog; subtypen be en o), H2190A Vochtige duinvalleien (open water; oligo- tot mesotrofe vormen), H2180C Duinbossen (binnenduinrand) en LG12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen; - voor Natura 2000-gebied Solleveld en Kapittelduinen worden in 2030 de KDW’s van de volgende habitattypen overschreden: H2130A Grijze duinen (kalkrijk), H2130B Grijze duinen (kalkarm), H2150 Duinheide met Struikhei, H2180A Duinbossen (droog; subtypen be en o), H2190A Vochtige duinvalleien (open water; oligo- tot mesotrofe vormen), H2180C Duinbossen (binnenduinrand) en LG12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen; - voor Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapenveld worden in 2030 de KDW’s van de volgende habitattypen overschreden: H2120 Witte duinen, H2130A *Grijze duinen (kalkrijk), H2130B *Grijze duinen (kalkarm), H2150 *Duinheiden met struikhei, H2160

Duindoornstruwelen, H2180A Duinbossen (droog) en H2180C Duinbossen (binnenduinrand). Ondanks de genoemde overschrijding van de kritische depositiewaarden wordt door de uitvoering van de herstelmaatregelen gewaarborgd dat in PAS tijdvak 1 (2015-2021) geen verslechtering optreedt van de kwaliteit van alle habitattypen en habitats van soorten waarvoor dit gebied is aangewezen. Het PAS en hiermee ook de maatregelen zijn door uitspraak van de Raad van State echter nietig verklaard. Hiermee is het onzeker of en in welke mate er in de toekomst overbelasting plaatsvindt op deze habitattypen. Voor 2040 zijn geen gegevens bekend/beschikbaar.

38 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

3.2.4

Wnb Beschermde soorten

Er zijn geen specifieke autonome ontwikkelingen bekend voor dit thema. Autonome ontwikkelingen in het kader van beschermde soorten hangen sterk samen met ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud van het stedelijke gebied.

3.2.5

Natuurnetwerk Nederland

Er zijn geen specifieke autonome ontwikkelingen bekend voor dit thema.

3.2.6

Stadsklimaat

Hitte Door klimaatverandering zullen warme periodes en hitte vaker voorkomen in Nederland. De klimaatscenario’s van het KNMI laten zien dat hittegolven in de toekomst vaker zullen voorkomen, langer zullen duren en in kracht zullen toenemen. Deze trend is voornamelijk zichtbaar in de toename van het aantal tropische dagen (≥ 29 graden), warme nachten (≥ 20 graden) en het aantal aaneengesloten dagen dat oppervlaktewater boven de 20 graden in Nederland is. De hittestress die hierdoor ontstaat heeft zeer grote gevolgen voor mens en natuur. In Nederland stijgt tijdens hittegolven het sterftecijfer bijvoorbeeld met 12 % gemiddeld. Om deze reden staat hittestress in steden in de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) als toprisico van klimaatverandering benoemd.

Afbeelding 3.24 Luchttemperatuur en sterftecijfer (Huynen et al., 2001)

Voor de beschrijving van de autonome ontwikkelingen omtrent het thema hitte in het CID is gebruik gemaakt van de kaarten en gegevens beschikbaar op de Klimaateffectatlas. Deze informatie is enkel voor het WH2050 scenario beschikbaar. Hierdoor kan alleen globaal de toename van hittestress bepaald worden, specifiek voor het CID in 2030 en 2040. Een goede indicator voor de overlast die men ondervindt ten gevolge van hittestress, is te kijken naar het aantal warme nachten per jaar.

39 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.25 Het gemiddeld aantal warme nachten per jaar (≥20°C) in de huidige situatie (Bron: Klimaateffectatlas)

Afbeelding 3.26 Het gemiddeld aantal warme nachten per jaar (≥20°C) in het scenario WH2050 (Bron: Klimaateffectatlas)

In de voorgaande afbeeldingen vergelijken we de huidige situatie met de situatie in 2050 volgens het WHscenario. Te zien is dat het aantal warme nachten tot 2050 behoorlijk zal toenemen: van circa één week tot circa drie weken per jaar, in 2030 en 2040 zal het dan ook gaan om een toename van het aantal warme nachten tot circa twee weken per jaar. Dit is ook in de volgende tabel af te lezen, waarin de warme perioden voor heel Nederland staan beschreven.

40 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Tabel 3.14 De warme periode voor Nederland in huidige situatie en WH 2050 Periode

Huidige situatie

WH2050

het gemiddeld aantal tropische dagen per jaar (≥30°C)

0-3

9-12

het gemiddeld aantal zomerse dagen per jaar (≥25°C)

10-20

30-40

het gemiddeld aantal warme dagen per jaar (≥20°C)

45-60

90-105

3-5

7-9

de langste reeks warme dagen per jaar (≥25°C)

De temperatuurtoename in het CID betekent dan ook een hoger sterftecijfer in de zomer. Daarnaast ondervinden kwetsbare groepen veel overlast en lopen zij extra risico’s bij hittestress. Kwetsbare groepen zijn ouderen, zieken, mensen met respiratoire aandoeningen en pasgeborenen. Boven een hitte-eiland-effect van 3 graden ontstaan er risico’s voor allen.

Afbeelding 3.27 Gemiddelde zomertemperatuur

Wind Langlopende waarnemingsreeksen van de wind zijn schaars. Directe metingen zijn gevoelig voor veranderingen in meetinstrumenten en niet beschikbaar boven open zee. Daarom wordt veel gebruik gemaakt van andere, indirecte waarnemingen, zoals luchtdrukmetingen. Op basis van dit soort waarnemingen is geconstateerd dat er aan het begin en aan het einde van de twintigste eeuw meer stormen boven het Noordzeegebied waren. Halverwege de eeuw en in recente jaren is het aantal stormen lager. Boven land zien we sinds de jaren zestig een gestage afname van de windsnelheid en het aantal stormen. Dit lijkt vooralsnog vooral een gevolg van de toenemende bebouwing in Nederland. Hoe meer bebouwing hoe ruwer het landoppervlak en hoe meer de wind afgeremd wordt. Langs de kust - waaronder het CID - daalt de gemeten windsnelheid niet sinds de jaren zestig.

3.3

Samenvatting van kansen en bedreigingen

In het kader van de KRW is verslechtering van de ecologische toestand niet toegestaan. Dat betekent dat voor elke ingreep met een direct en indirect effect op het oppervlak en de waterkwaliteit getoetst moet worden. Kansen bestaan door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers (NVO’s) in de Oostboezem in de stad. Ook het aanleggen van NVO’s buiten de begrenzing, maar in directe verbinding van het waterlichaam,

41 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

draagt bij aan de KRW-doelen. Alle kwaliteitselementen die nu nog niet voldoen, profiteren van NVO’s: vis, macrofauna en waterplanten. Stikstof vormt een risico voor vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming (Natura 2000). Uit de beschrijving van de huidige situatie blijkt namelijk dat er in de regio stikstofgevoelige, overbelaste habitattypen voorkomen. Om inzicht te krijgen in de stikstofbalans van het plan is het nodig een stikstofberekening uit te laten voeren. Hiermee wordt inzichtelijk of er een toename (risico) of mogelijk zelfs afname van stikstofdepositie (kans) optreedt door het voornemen. In het plangebied komen verschillende onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor. Dit zijn vooral gebouwbewonende soorten (vleermuizen, gierzwaluw, huismus). Hiermee moet in de aanleg- en gebruiksfase rekening gehouden worden, met name bij sloop en renovatie van gebouwen. Dit kan door maatregelen te nemen in de aanlegfase en door (indien nodig) te compenseren bij vernietiging van essentieel leefgebied. Het voornemen biedt ook kansen voor deze beschermde soorten. Zo kan ingezet worden op het versterken van het leefgebied van deze soorten door te vergroenen (beplanting en water) en door het op grote schaal aanbieden van verblijfplaatsen in gebouwen (inbouwkasten voor vleermuizen en vogels).

Dit biedt kansen om de staat van instandhouding van deze soorten te verbeteren. Daarnaast komen er op twee locaties onder de Wnb beschermde vaatplanten voor. Ter hoogte van de rotonde Neherkade/Leeghwaterplein groeit de kartuizer anjer. Aan de Bontekoekade, direct ten zuiden van de spoorbrug, is een groeiplaats van schubvaren aanwezig. De groeiplaatsen van deze soorten dienen ontzien te worden of de planten dienen verplaatst te worden als er geen andere oplossing bestaat. Het heeft de aanbeveling om voor het project-MER nader onderzoek te doen naar ten minste het voorkomen van vleermuizen en jaarrond beschermde vogelnesten daar waar er gebouwen gesloopt of gerenoveerd gaan worden (in het kader van verblijfplaatsen) en daar waar lijnvormige beplanting wordt verwijderd of watergangen worden gedempt/aangepast (in het kader van vliegroutes en foerageergebied vleermuizen). Hiermee wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag en bijbehorende maatregelen inzichtelijk. Het opstellen van maatregelen is maatwerk en hangt af van de precieze ingreep. Er zijn geen effecten op het Natuurnetwerk Nederland. Wateroverlast en hittestress zijn de thema’s die de belangrijkste bedreigingen vormen voor de verdichtingsopgave van het CID. Beide risico’s zullen door klimaatverandering de komende decennia alleen maar blijven toenemen en steeds vaker en voor steeds meer overlast zorgen.

Een toename van bebouwing en/of verharding in het gebied, zullen -indien hier geen rekening mee wordt gehouden- zorgen voor nog meer wateroverlast en hittestress. Wateroverlast neemt toe wanneer de hoeveelheid verharding en/of bebouwing in een gebied toeneemt, wanneer geen maatregelen worden getroffen. En ook hittestress neemt sterk toe wanneer er groen en water verdwijnt uit een gebied en dit plaatsmaakt voor verharding en bebouwing. Vanwege de grote gevolgen van de risico’s voor onder andere de gezondheid, veiligheid en leefbaarheid, is het dan ook ten zeerste aanbevolen grootschalige maatregelen te nemen om de risico’s niet te doen toenemen. Huidig Haags, provinciaal en nationaal beleid schrijven nog geen meetbare doelen voor, maar geven wel een inspanningsverplichting tot een klimaatadaptieve inrichting en het beperken van de risico’s als gevolg van klimaatverandering.

42 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

4 EFFECTEN 4.1

Bodem

4.1.1

Bodemkwaliteit

Beschrijving Er worden de komende jaren veel ingrepen gedaan in de bodem doordat er veel wordt gebouwd, gesloopt en aangepast. De bodemkwaliteit zal niet negatief worden beïnvloed omdat wetgeving dit niet toelaat. Daarnaast zijn er geen vervuilende activiteiten of functies voorzien in het toekomstige CID. De bodemkwaliteit kan verbeterd worden door te saneren. Saneringen vinden plaats wanneer in de bodem gewerkt wordt in vervuilde grond. Dit zal dan ook het geval zijn in het CID wanneer ter plaatse van reeds bekende of nog niet bekende verontreinigingen ingrepen plaatsvinden. Daarnaast heeft de Binckhorst de bodemklasse ‘industrie’. Op veel plekken zal dit worden vervangen door klasse ‘wonen’, dit betekent een verbetering van de bodemkwaliteit. Wanneer er meer wordt gebouwd en gesloopt (alternatief maximaal bouwprogramma), is de verwachting dat de bodemkwaliteit sterker verbetert dan met een minimaal bouwprogramma. Wanneer er een grote mobiliteitstransitie plaatsvindt (alternatieven 2A, 2B, 3A, 3B) ontstaat er in principe meer ruimte voor groen omdat er minder verharding nodig is. Een groene invulling kan een verbetering van de bodemkwaliteit betekenen omdat groen niet geplant kan worden in vervuilde grond of grondklasse industrie.

Beoordeling De positieve beoordeling wordt gegeven omdat naar verwachting enkele (bekende) verontreinigingen gesaneerd worden, maar niet alle en/of een bodemvervuilende functie uit het gebied verdwijnt. Dit is op alle alternatieven van toepassing. Tabel 4.1 Beoordelingsschaal bodemkwaliteit (zonder inzet van deze maatregelen) Criterium

Alternatieven

bodemkwaliteit

1A

1B

2A

2B

3A

3B

+

+

+

+

+

+

Maatregelen De bodemkwaliteit zal in alle alternatieven vooruit gaan door de wettelijk verplichte sanering. Alle verontreiniging in het gebied wegnemen is wellicht een ver toekomstbeeld. Wat wel aanbevelenswaardig is, is om mogelijk vervuilende functies in het CID te verwijderen of te transformeren. Denk hierbij aan de transformatie van de afvalcentrale in de Binckhorst naar een schone plek waar afval als grondstof wordt gezien. De invloed van de afvalcentrale op eventuele bodemvervuiling is echter niet bekend.

43 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

4.1.2

Bodemgesteldheid

Beschrijving Er zullen veel ingrepen in de bodem worden gedaan met de toekomstige ontwikkelingen in het CID. Er wordt de komende jaren veel gebouwd en ook worden mogelijk infrastructurele kunstwerken aangepast of verwijderd. De bodemgesteldheid zal noemenswaardig worden beïnvloed op het moment dat grote ingrepen plaatsvinden die ervoor kunnen zorgen dat gebouwen daarna een hoger risico op verzakkingen hebben en dergelijke. Denk hierbij aan de aanleg van een nieuwe metrotunnel. Voor het CID zijn in geen van de alternatieven dergelijke grote ingrepen in de ondergrond voorzien. De bodemgesteldheid zal daarom in alle alternatieven nagenoeg gelijk blijven aan de huidige situatie. Beoordeling In geen van de alternatieven vinden er werkzaamheden plaats die de bodemgesteldheid blijvend beïnvloeden, dit wordt aangegeven met een 0.

Tabel 4.2 Beoordelingsschaal bodemgesteldheid (zonder inzet van deze maatregelen) Criterium

Alternatieven

bodemgesteldheid

1A

1B

2A

2B

3A

3B

0

0

0

0

0

0

Maatregelen Er worden geen effecten op de bodemgesteldheid verwacht en er zijn geen maatregelen nodig om de bodemgesteldheid te verbeteren.

4.2

Water

4.2.1

Waterkwaliteit

Beschrijving In het kader van de alternatieven van de Structuurvisie heeft alleen de bouw van bruggen potentieel effect op de waterkwaliteit. Bruggen zorgen namelijk voor een toename van schaduwvorming en hiermee in een afname van begroeibaar areaal voor het kwaliteitselement waterplanten. Een afname van waterplanten kan doorwerken op de kwaliteitselementen vis en macrofauna, aangezien veel positief bijdragende soorten afhankelijk zijn van waterplanten voor hun ontwikkeling. Voor alternatieven 1a-b zijn geen extra bruggen voorzien, waarmee geen effecten optreden. Voor alternatieven 2a-b en 3a-b is wel de bouw van extra bruggen voorzien. Hiermee deze alternatieven potentieel onderscheidend op waterkwaliteit. Echter, de toename aan beschaduwd oppervlak ter hoogte van de nieuwe bruggen in vergelijking met het gehele KRW-waterlichaam is minimaal. Een verslechtering van de KRW-toestand van het hele waterlichaam is hiermee niet waarschijnlijk. Het heeft alleen een lokaal effect. Beoordeling In geen van de alternatieven vinden er ingrepen plaats die resulteren in verslechtering van de KRW-toestand van het hele waterlichaam. Dit wordt aangegeven met een 0.

44 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Tabel 4.3 Beoordelingsschaal waterkwaliteit (zonder inzet van deze maatregelen) Criterium

Alternatieven 1A

1B

2A

2B

3A

3B

0

0

0

0

0

0

waterkwaliteit

Maatregelen Er zijn geen maatregelen nodig om effecten van het voornemen op de KRW te mitigeren/compenseren. Wel wordt geadviseerd om, in het kader van de zorgplicht, locaties met een duidelijke ecologische meerwaarde in het KRW-waterlichaam (zoals aanwezigheid arealen aan waterplanten) zoveel mogelijk te sparen of te ontzien. Er liggen ook kansen, namelijk het natuurvriendelijker maken van het water bij de aanpak van bruggen, wegen en kades. Dit kan in de vorm van natuurvriendelijke oevers of (drijvende) eilanden.

4.2.2

Risico op wateroverlast

Beschrijving De ingrepen in het CID worden als aanleiding gebruikt om het gebied waterrobuust te ontwikkelen, dit is de ambitie. Om te kunnen inschatten of het risico op wateroverlast groter of kleiner wordt in de verschillende alternatieven, is de meest relevante maatstaaf de hoeveelheid verharding versus de hoeveelheid groen en oppervlaktewater in het gebied. Naast water opvangen en infiltreren in groengebied, kunnen er gebouwde oplossingen worden aangedragen. Uitgangspunt voor de beoordeling is dat gebouwde oplossingen in alle alternatieven gelijk scoren. Er wordt dus gekeken naar de potentie van het beperken van wateroverlast in de aanwezigheid van groen en open water. Daarnaast neemt de hoeveelheid neerslag toe vanwege klimaatverandering, wanneer er niks zou veranderen in het gebied neemt het risico op wateroverlast daarom toe. Beoordeling Er wordt veel bebouwing toegevoegd in het CID, maar dit gaat zoals het ernaar uitziet zeer beperkt ten koste van bestaand groen, met name is dit het geval aan de Van Alphenstraat. De Binckhorst is bovendien een gebied met een zeer hoog verhardingspercentage, dat in alle alternatieven omlaag gaat vanwege vergroening van het gebied. Het verschil tussen een minimaal en maximaal bouwprogramma is klein wanneer het gaat om klimaatadaptatie.

De footprint is hierin leidend en er wordt vanuit gegaan dat de verschillen in bouwprogramma hem met name zitten in de hoogte van de gebouwen en slechts beperkt in de footprint. Het effect van de hoogbouw op de grondwaterstand is beperkt. Omdat de bodem vooral uit zand bestaat, kan het grondwater makkelijk stromen. Wanneer ondergrondse objecten worden gebouwd, kan het grondwater hier omheen stromen. Tijdens de bouwfase geeft onttrekking van grondwater wel risico’s, deze zijn beschreven onder maatregelen. Het belangrijkste onderscheid tussen de alternatieven is de mobiliteitsstrategie. Wanneer er niet gestuurd wordt op een mobiliteitstransitie, zal de hoeveelheid verharding in de openbare ruimte gelijk blijven. Wanneer er wel gestuurd wordt, of sterk gestuurd wordt, biedt het gebied veel potentie voor vergroening en klimaatadaptieve oplossingen. Echter ontbreken er concrete maatregelen om de bestaande risico’s op wateroverlast te verkleinen Zonder kwantitatieve berekeningsmethode is het moeilijk om de toename van neerslag af te zetten tegen de vergroening van de wijk. Daarom is hier een globale inschatting voor gemaakt. De Binckhorst zal het meest vergroenen, maar leidt niet tot een verbetering voor het hele gebied.

45 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Alternatief 1A/1B Wanneer de hoeveelheid verharding nagenoeg gelijk blijft vanwege een vraagvolgende mobiliteitsstrategie, is er nauwelijks ruimte voor vergroening, behalve in de Binckhorst. In de Binckhorst zal het risico op wateroverlast kunnen verbeteren, ter hoogte van de Van Alphenstraat verslechteren (vanwege de afname van groen), in het merendeel van het gebied zal het risico op wateroverlast gelijk blijven. Dit laatste is doorslaggevend voor een score op 0. Alternatief 2A/2B Bij een sturende mobiliteitsstrategie zal er meer ruimte ontstaan om maatregelen te treffen voor het verkleinen van wateroverlast. Om helemaal geen wateroverlast te krijgen bij piekbuien, moeten er dus aanvullende maatregelen genomen worden, deze zijn nog niet voorzien. Daarmee blijft het risico op wateroverlast blijft gelijk voor de sturende alternatieven. Alternatief 3A/3B Bij een sterk sturende mobiliteitsstrategie ontstaat de meeste ruimte voor groen. Alhoewel zijn er concrete en effectieve maatregelen nodig om de risico’s van wateroverlast te verkleinen. Wordt er gekozen voor een simpele groene inrichting, dan zal dit echter niet het effect hebben dat de risico’s van wateroverlast afneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Om helemaal geen wateroverlast te krijgen bij piekbuien, moeten er dus aanvullende maatregelen genomen worden, deze zijn nog niet voorzien.

Daarmee blijft het risico op wateroverlast gelijk voor de sterk sturende alternatieven.

Tabel 4.4 Beoordelingsschaal risico op wateroverlast (zonder inzet van deze maatregelen) Criterium

Alternatieven

risico op wateroverlast

1A

1B

2A

2B

3A

3B

0

0

0

0

0

0

Maatregelen De ambitie van de gemeente om geen wateroverlast te krijgen bij piekbuien kan alleen worden behaald wanneer groots ingezet wordt regenwater op te vangen en vertraagd af te voeren in zowel de buitenruimte als gebouwen. Ook is het mogelijk om gebouwde voorzieningen aan te brengen om water te hergebruiken. Door de gebouwen en buitenruimte groen in te richten en het maaiveld met de juiste hoogteverschillen te ontwerpen, kan het water naar plekken worden geleid waar het kan worden bewaard of langzaam geïnfiltreerd. Hierdoor worden het riool en oppervlaktewatersysteem ontzien bij hevige regen. Een groene maaiveldinrichting betekent enerzijds minder verharding (dus minder water stroomt af naar riool) en anderzijds een plek waar water geïnfiltreerd en geborgen kan worden in tijden van regen. Het toevoegen van bomen biedt op zichzelf geen oplossing voor wateroverlast, maar biedt wel de kans om de boomspiegel groen in te richten om water op te vangen. Door water op te vangen in en op gebouwen of ondergronds kan regenwater worden hergebruikt, bijvoorbeeld voor irrigatie van groene daken, groen gevels of plantsoenen. Binckhorst-Noord en de spoorwegonderdoorgangen lijken het meest vatbaar voor wateroverlast volgens de Klimaatatlas. De spoorwegonderdoorgangen zijn bovendien routes die voor hulpdiensten altijd bereikbaar moeten blijven.

Het wordt dan ook sterk aanbevolen om deze plaatsen te verbeteren, niet alleen door maatregelen ter plekke te nemen, maar met name door maatregelen te nemen bij de bron. Dit betekent dat regen opgevangen wordt waar het valt, zodat het niet af zal stromen naar de lager gelegen gebieden zoals onder het spoor.

46 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Tijdens de bouwfase is aandacht voor grondwater belangrijk. In bouwkuipen van parkeergarages, hoge torens en andere ontgravingen wordt het grondwater bemalen. Dit is een risicovolle aangelegenheid in stedelijk gebied. In het BRL 12010, onderdeel van BRL 12000 het protocol voor Tijdelijke grondwaterbemaling (https://www.sikb.nl/bodembeheer/richtlijnen/brl-12000) is een lijst opgenomen met mogelijke risico’s. De relevante risico’s uit deze lijst voor het gebied CID zijn de volgende: - zettingen en zakkingen van gebouwen in de omgeving; - droogstand en aantasting houten palen door het verlagen van de gws; - verplaatsen en/of onttrekken verontreinigd grondwater; - beïnvloeding grond- of grondwatersaneringen en nazorg; - beïnvloeding andere bemalingen/permanente onttrekkingen/KWO (koude-warmte opslag) systemen; - aantasting natuurwaarden en groenvoorzieningen (zoals kwetsbare, monumentale bomen); - aantasting archeologisch en aardkundige waarden; - aantrekken van brak en/of zout grondwater; - aantasting strategische zoet grondwatervoorraden, bijvoorbeeld in de duinen. Dit zijn allemaal risico’s die grote (financiële) gevolgen kunnen hebben.

4.3

Wnb Natura 2000

Beschrijving In het kader van Natura 2000-gebieden treden alleen effecten op van stikstofdepositie. Hiervoor is een Aerius-berekening uitgevoerd. De berekening betreft een verschilberekening op hoofdlijnen van de gebruiksfase. De gebruiksfase van de verschillende alternatieven worden hiermee vergeleken met de referentiesituatie. Dat is het jaar 2040, waarbij alleen de autonome ontwikkeling is meegenomen (geen extra bouwprogramma of mobiliteitsstrategie). Van de alternatieven betreft de gebruiksfase van alternatief 1A het ‘nulalternatief’. Dit alternatief betreft wel een bouwprogramma, maar geen aanvullende mobiliteitsstrategie (‘business as usual’). Hiermee worden de onderscheidende effecten tussen de mobiliteitstrategieën van de alternatieven inzichtelijk gemaakt. Uitgangspunten effectbeoordeling De uitgangspunten voor de beoordeling zijn de volgende: - de aanlegfase is niet berekend, aangezien de locaties en werkwijze voor deze fase niet bekend zijn. Door de ligging van het plangebied in de nabijheid van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en de omvang van de voorgenomen ontwikkelingen zijn deze deposities hoogstwaarschijnlijk relevant. In de uitwerking van de plannen (fasering, werkwijze, materieel, enz.) dient stikstofdepositie in de aanlegfase beoordeeld te worden; - alleen projectbijdragen voor de gebruiksfase zijn berekend en beoordeeld.

Omdat op dit moment nog onduidelijkheid bestaat over de wijzigingen in de energieprestaties van het bestaand en nieuw (vervangend) bouwprogramma in het CID zijn de effecten van de depositie vanwege gebouwinstallaties buiten beschouwing gelaten. Er is dus gekeken naar de verschillen in deposities veroorzaakt door de mobiliteitsstrategie. Alleen projectbijdragen voor de gebruiksfase >0,005 mol/ha/jr, op relevante hexagonen zijn meegenomen in de effectbeoordeling: · 0,005 mol/ha/jr is de ondergrenswaarde waarmee Aerius standaard rekent; · een relevant hexagoon is een hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijke habitat of habitat van voor stikstof gevoelige soorten voorkomt, en waarbij tevens sprake is van een al dan niet naderende overbelasting van N-depositie vanaf 70 mol per hectare, per jaar onder de kritische depositiewaarde (conform de Beleidsregel intern en extern salderen van de Provincie Zuid-Holland, d.d. 8 oktober 2019). Alleen de hexagonen die naar voren komen als ‘relevant’, zijn opgenomen in het toetsingskader. Voor hexagonen waarbij de achtergronddepositie plus de projectbijdrage meer dan 70 mol lager is dan de KDW voor het betreffende habitattype of leefgebied, zijn negatieve effecten van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten; - alternatieven 1B (maximaal volgend) en 3A (minimaal sterk sturend) zijn niet doorgerekend.

Alternatief 1B onderscheid zich alleen van alternatief 1A door het maximale bouwprogramma. De effecten van het

47 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

bouwprogramma blijken gering en zijn al inzichtelijk door de vergelijking tussen alternatieven 2A en 2B Hetzelfde geld voor alternatief 3A, dat zich nauwelijks onderscheid van 3B. Beoordeling In tabel 4.5 is de samenvatting van de resultaten weergegeven. De getallen zijn indicatief en alleen bruikbaar voor onderlinge vergelijking van de effecten vanwege mobiliteitswijzigingen (deposities vanwege gebouwinstallaties maken geen onderdeel uit van het onderzoek). Het aantal relevante hexagonen waar een projectbijdrage op plaatsvindt, geeft een globaal inzicht in de reikwijdte van effecten ten opzichte van de referentiesituatie in 2040. De maximale toename geeft inzicht in de globale omvang van de depositie. In tabellen 4.7 en 4.8 zijn de uitgebreide resultaten van de Aerius-berekening per alternatief weergegeven.

Tabel 4.5 Samenvatting resultaten Aerius-berekeningen per alternatief Alternatief

Aantal relevante hexagonen

Maximale toename (mol/ha/jr)

1A (nulalternatief)

2.958

1,2

2A

1.880

5,0

2B

1.919

5,1

3B

1.696

4,9

Bereik van het effect De resultaten laten zien dat het nulalternatief 1A (mobiliteitsstrategie ‘volgend’) op orde grootte 3.000 hexagonen een toename heeft ten opzichte van de referentiesituatie. Ook is te zien dat de alternatieven 2A en 2B (sturend) en 3B (sterk sturend) toenames hebben op respectievelijk orde grootte 1.900, 1.900 en 1.700 hexagonen ten opzichte van de referentiesituatie. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het nulalternatief 1A (mobiliteitsstrategie ‘volgend’) naar verwachting tot de grootste toename van het depositieoppervlak van stikstof resulteert ten opzichte van de referentiesituatie. De mobiliteitsstrategieën ‘sturend’ en ‘sterk sturend’ hebben depositie op een kleiner aantal hexagonen ten opzichte van het nulalternatief. In de afbeeldingen 4.1 tot en met 4.4 is de projectbijdrage per hexagoon voor ieder alternatief weergegeven.

48 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 4.1 Projectbijdrage per relevant hexagoon voor alternatief 1A

Afbeelding 4.2 Projectbijdrage per relevant hexagoon voor alternatief 2A

49 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 4.3 Projectbijdrage per relevant hexagoon voor alternatief 2B

Afbeelding 4.4 Projectbijdrage per relevant hexagoon voor alternatief 3B

Mate van depositie

50 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Echter, naast het effectbereik moet er ook gekeken worden naar de daadwerkelijke toename in depositiehoeveelheid. Met andere woorden: wat is de mate van depositie van de alternatieven binnen het effectbereik, ten opzichte van de referentiesituatie? De resultaten laten zien dat, ondanks een kleiner depositieoppervlak, op 2A en 2B (sturend) en 3B (sterk sturend) de hoogste projecttoenames zijn berekend. Deze toenames vinden allen plaats op een hexagoon waar in het nulalternatief (1A) een lagere depositie optreedt. Dit is in tabel 4.6 weergegeven.

Tabel 4.6 Toename in maximale depositie per alternatief Alternatief

1A

2A

2B

3B

Maximale toename (mol/ha/jr)

Natura 2000-gebied

Code

1,2

Meijendel & Berkheide

H2180C

1,2

Meijendel & Berkheide

5,0

Habitattype/ leefgebied

Depositie op dit hexagoon in nulalternatief (1A) (mol/ha/jr)

Toename op dit hexagoon t.o.v. nulalternatief (1A) (mol/ha/jr)

Duinbossen (binnenduinrand)

n.v.t.*

n.v.t.*

Lg12

Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

n.v.t.*

n.v.t.*

Meijendel & Berkheide

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

1,2

3,8

5,0

Meijendel & Berkheide

Lg12

Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

1,2

3,8

5,1

Meijendel & Berkheide

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

1,2

3,9

5,1 Meijendel & Berkheide

Lg12

Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

1,2

3,9

4,9 Meijendel & Berkheide

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

1,2

3,7

Lg12

Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

1,2

3,7

* Alternatief 1A is het nulalternatief (1A)

Het is opmerkelijk dat voor alternatieven 2A en 2B (sturend) en 3B (sterk sturend) een afname in depositieoppervlak plaatsvindt, en tegelijkertijd een toename van de maximale deposities. De reden hiervoor is dat er weliswaar sprake is van een afname van de verkeersintensiteit in en op de belangrijkste wegen rond het CID, maar er tegelijkertijd sprake is van een toename van de verkeersintensiteit op de wegen in de directe nabijheid van de Natura 2000-gebieden. Deze relatief kleine toename weegt (door de korte afstand tot het Natura 2000-gebied) zwaarder dan de afname in het CID.

51 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 4.5 Verschilintensiteiten (plan- min referentiesituatie) voor alternatief 1A

Afbeelding 4.6 Verschilintensiteiten (plan- min referentiesituatie) voor alternatief 2A

52 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Tabel 4.7 Aantal relevante hexagonen per alternatief met een projectbijdrage (>0,005 mol/ha/jr). Getallen zijn indicatief Natura 2000-gebied

Code

Habitattype

1A (nulalternatief)

2A

2B

3B

Coepelduynen

H2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

18

-

-

-

Meijendel & Berkheide

H2120

Witte duinen

8

3

3

3

H2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

1.996

1.234

1.274

1.180

H2130B

Grijze duinen (kalkarm)

1.508

1.120

1.143

1.077

H2160

Duindoornstruwelen

5

5

5

5

H2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

40

31

31

29

H2180Ao

Duinbossen (droog), overig

463

449

452

442

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

35

11

14

9

Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

4

4

4

4

H2190B

Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

6

4

4

3

H2190C

Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

6

6

6

6

H3140

Kranswierwateren

98

-

-

-

Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

21

17

17

17

ZGH2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

34

16

18

16

ZGH2130B

Grijze duinen (kalkarm)

9

9

9

9

ZGH2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

7

7

7

7

ZGH2180Ao

Duinbossen (droog), overig

8

3

3

2

ZGH2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

2

-

1

-

Grijze duinen (kalkrijk)

1

-

-

-

H2190Aom

Lg12

Solleveld & Kapittelduinen

53 | 64

H2130A

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Natura 2000-gebied

Westduinpark & Wapendal

Code

Habitattype

1A (nulalternatief)

2A

2B

3B

H2130B

Grijze duinen (kalkarm)

64

-

-

-

H2150

Duinheiden met struikhei

11

-

-

-

H2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

12

-

-

-

H2180Ao

Duinbossen (droog), overig

89

10

8

3

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

3

-

-

-

H2120

Witte duinen

15

15

14

8

H2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

172

163

158

74

H2130B

Grijze duinen (kalkarm)

44

35

35

7

H2150

Duinheiden met struikhei

5

-

-

-

H2160

Duindoornstruwelen

16

16

16

11

H2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

9

4

4

2

H2180Ao

Duinbossen (droog), overig

5

3

3

3

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

95

85

84

66

Grijze duinen (kalkrijk)

63

61

60

25

ZGH2130A

Tabel 4.8 Maximale toenames per alternatief (>0,005 mol/ha/jr) op relevante hexagonen. De maximale waarden zoals in tabel 4.5 en 4.6 zijn rood gearceerd. Getallen zijn indicatief Natura 2000-gebied

Code

Habitattype

1A (nulalternatief)

2A

2B

3B

Coepelduynen

H2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

0,01

-

-

-

Meijendel & Berkheide

H2120

Witte duinen

0,08

0,08

0,09

0,10

H2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

1,10

4,47

4,51

4,38

54 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Natura 2000-gebied

Code

2A

2B

3B

Grijze duinen (kalkarm)

1,10

4,47

4,51

4,38

H2160

Duindoornstruwelen

0,63

1,74

1,76

1,75

H2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,24

0,26

0,26

0,29

H2180Ao

Duinbossen (droog), overig

1,11

4,48

4,52

4,39

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

1,23

5,03

5,07

4,91

Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

0,02

0,03

0,03

0,03

H2190B

Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

0,35

0,82

0,85

0,79

H2190C

Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

0,07

0,08

0,08

0,08

H3140

Kranswierwateren

0,05

-

-

-

Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

1,23

5,03

5,07

4,91

ZGH2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

1,11

4,48

4,52

4,39

ZGH2130B

Grijze duinen (kalkarm)

0,43

1,33

1,37

1,30

ZGH2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,76

2,77

2,86

2,73

ZGH2180Ao

Duinbossen (droog), overig

0,32

0,69

0,71

0,66

ZGH2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

0,07

-

0,01

-

H2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

0,01

-

-

-

H2130B

Grijze duinen (kalkarm)

0,09

-

-

-

H2150

Duinheiden met struikhei

0,01

-

-

-

H2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

-

-

-

H2180Ao

Duinbossen (droog), overig

0,09

0,45

0,39

0,07

Lg12

55 | 64

1A (nulalternatief)

H2130B

H2190Aom

Solleveld & Kapittelduinen

Habitattype

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Natura 2000-gebied

Westduinpark & Wapendal

Code

1A (nulalternatief)

2A

2B

3B

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

0,09

-

-

-

H2120

Witte duinen

0,08

0,03

0,03

0,02

H2130A

Grijze duinen (kalkrijk)

0,21

0,18

0,13

0,04

H2130B

Grijze duinen (kalkarm)

0,15

0,12

0,11

0,01

H2150

Duinheiden met struikhei

0,08

-

-

-

H2160

Duindoornstruwelen

0,16

0,15

0,11

0,04

H2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,15

0,12

0,11

0,01

H2180Ao

Duinbossen (droog), overig

0,06

0,02

0,02

0,01

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

0,21

0,21

0,17

0,04

Grijze duinen (kalkrijk)

0,11

0,05

0,04

0,04

ZGH2130A

56 | 64

Habitattype

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

De alternatieven 1A, 1B, 2A, 2B, 3A en 3B resulteren allen in risico op effecten op de instandhoudingsdoelen. Dit komt door een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Dit geldt ook voor het nulalternatief (1A). Effecten zijn niet te mitigeren, compensatie is noodzakelijk. Dit wordt voor alle alternatieven weergeven met een zeer negatieve beoordeling (--).

Tabel 4.9 Beoordelingsschaal Natura 2000 Criterium

Alternatieven

Natura 2000

1A*

1B*

2A

2B

3A

3B

--

--

--

--

--

--

* Nulalternatief (1A).

Maatregelen Op dit moment bestaat geen inzicht in te nemen maatregelen.

4.4

Wnb Beschermde soorten

Beschrijving In het plangebied komen verschillende onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor. Het gaat hierbij vooral om vleermuizen, jaarrond beschermde vogelnesten (in gebouwen) en planten. De alternatieven zijn echter niet onderscheidend in effecten op soorten. In alle alternatieven wordt gebouwd en gerenoveerd, waarmee ze allemaal in potentie resulteren in verstoring van soorten en vernietiging van leefgebied in de aanleg- en gebruiksfase. De mate waarin dit optreedt is sterk afhankelijk van de exacte ingreep ter plaatse van de soort en zijn leefgebied. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er een groot risico bestaat, aangezien de ontwikkelingen potentieel tot vernietiging van essentieel leefgebied of verblijfplaatsen van beschermde soorten leiden. Ook na eventuele mitigatie resteert een risico op aantasting van de lokale staat van instandhouding. Compensatie is nodig. Beoordeling De alternatieven resulteren allen in een potentiële compensatieopgave voor onder de Wnb beschermde soorten. Vanwege toepassing van het puntensysteem natuurinclusief bouwen worden de negatieve effecten op soorten gecompenseerd bij een groot deel van de bouwprojecten. Daardoor verkleinen de risico’s en worden de beoordeling niet zeer negatief, maar negatief (-).

Tabel 4.10 Beoordelingsschaal Wnb beschermde soorten Criterium

Alternatieven

beschermde soorten

1A

1B

2A

2B

3A

3B

-

-

-

-

-

-

Maatregelen Met het voorkomen van beschermde soorten moet in de aanleg- en gebruiksfase rekening gehouden worden. Dit kan door maatregelen te nemen in de aanlegfase (mitigatie). Mogelijk is compensatie nodig bij vernietiging van essentieel leefgebied. De noodzaak voor maatregelen is echter sterk afhankelijk van de exacte ingreep ter plaatse van de soort en zijn leefgebied.

57 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004.535 | Definitief 02

Dit betekent het volgende: - als duidelijk is wat de exacte werkzaamheden zijn, dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar ten minste vleermuizen, gebouwbewonende vogels en planten. Dit geldt zowel voor werkzaamheden aan of bij bestaande bebouwing, als werkzaamheden aan of bij groen- en waterstructuren; - bij verstoring dient in de aanleg- en gebruiksfase gemitigeerd te worden Meestal is dan geen ontheffing nodig. Hierbij valt te denken aan werken buiten kwetsbare perioden en tijdstippen van soorten, aangepast licht- en geluidbeheer (vleermuisvriendelijke lampen), leefgebied ontzien, et cetera; - bij vernietiging dient gecompenseerd en een ontheffing aangevraagd te worden. Er bestaan echt ook legio kansen voor vergroten van de biodiversiteit. Deze bestaan uit vergroenen (beplanting en water) en het aanbieden van verblijfplaatsen in gebouwen en kunstwerken (vleermuizen en vogels). Dit dient in samenspraak met een ecoloog uitgewerkt te worden. Het puntensysteem natuurinclusief bouwen biedt hiervoor een basis.

4.5

Natuurnetwerk Nederland

Beschrijving De alternatieven liggen buiten het NNN van de provincie. De provincie kent geen externe werking in relatie tot ingrepen buiten het NNN. Er treden geen effecten op. Beoordeling In geen van de alternatieven vinden er ingrepen plaats in het Natuurnetwerk Nederland. Dit wordt aangegeven met een 0.

Tabel 4.11 Beoordelingsschaal Natuurnetwerk Nederland (zonder inzet van deze maatregelen) Criterium

Alternatieven

Natuurnetwerk Nederland

1A

1B

2A

2B

3A

3B

0

0

0

0

0

0

Maatregelen Maatregelen zijn niet nodig.

4.6

Stadsklimaat

4.6.1

Hittestress

Beschrijving Door de verandering van het klimaat neemt de temperatuur de komende jaren toe en komen hete en zomerse dagen veel vaker voor. De gemiddelde zomertemperatuur neemt toe met 1 tot 2 graden tot 2040. Worden er geen maatregelen getroffen, dan betekent dit eenduidig een forse toename van hittestress in het CID. De grootste bijdrage aan hittestress is verharding, zowel op maaiveld als gebouwen zelf. Daar waar geen verharding is maar groen op maaiveld, lopen de temperaturen niet hoger op dan in ruraal gebied. Intensiever groen kan bovendien bijdragen aan verkoeling in de directe omgeving, dankzij verdamping en schaduwvorming.

58 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004.535 | Definitief 02

Schaduw en wind hebben ook groot effect op hitte in de stad. Hoogbouw kan zorgen voor meer wind en schaduw. Als dit goed wordt ontworpen kunnen wind en schaduw voor verkoeling zorgen. Aan de andere kant zorgen teveel schaduw en harde wind voor een onprettig leefklimaat. Beoordeling Eén graad gemiddelde temperatuurstijging klinkt weinig, maar betekent over de loop van 24 uur verschillen van meerdere graden. Dit betekent hittestress en warme nachten. Alternatief 1A/1B: de hoeveelheid verharding op maaiveld blijft nagenoeg gelijk en de hoeveelheid bebouwing neemt toe. Dit betekent dat hittestress ten opzichte van de referentiesituatie sterk toeneemt. Alternatief 2A/2B: ook in deze alternatieven neemt de hoeveelheid bebouwing toe. De mobiliteitstransitie betekent weliswaar ruimte voor vergroenen in het straatprofiel, maar dit levert naar verwachting geen significante bijdrage om hittestress te verminderen. De hoeveelheid hittestress zal netto dus toenemen. Het is een dringende aanbeveling om het vergroenen van het CID vast te leggen in de Structuurvisie en te waarborgen. Alternatief 3A/3B: een sterk sturende mobiliteitsstrategie betekent nog meer potentie om groen aan te planten. Wordt gekozen voor een simpele groene inrichting, dan zal dit echter niet het effect hebben dat de hittestress afneemt ten opzichte van de referentiesituatie.

Omdat het vergroenen en het voorschrijven van intensief groen niet is geborgd, is er sprake van toename van hittestress.

Tabel 4.12 Beoordelingsschaal hittestress (zonder inzet van deze maatregelen) Criterium

Alternatieven

hittestress

1A

1B

2A

2B

3A

3B

--

--

-

-

-

-

Maatregelen De sloop en nieuwbouw in het CID biedt kansen om hittestress te verminderen. Daarvoor moet sterk worden ingezet op het toevoegen van groen aan de gevels, groene daken op lagere bebouwing. Stromend water, zoals fonteinen of verneveling, schaduw en materialen met een hoog weerkaatsingsvermogen (albedo)zorgen ook voor verkoeling. Wat echter de grootste bijdrage levert is intensief groen. De alternatieven 2A, 2B, 3A en 3B bieden als kansen om lokaal sterk te vergroenen en hiermee zelfs te zorgen voor verkoeling voor de directe omgeving. Daarnaast biedt intensief groen de mogelijkheid voor mensen om een koele schaduwrijke plek op te zoeken op de hete momenten van de dag. De Structuurvisie moet hier uitspraken in doen, er moet ruimte worden gereserveerd voor deze vergroening.

4.6.2

Windhinder

Beschrijving Er vindt geen toename van wind plaats ten gevolge van klimaatverandering. De toename van hoogbouw kan echter lokaal wel zorgen voor meer windhinder. Indien geen maatregelen worden genomen zal meer hoogbouw in het CID een negatief effect hebben op de hoeveelheid windhinder. Beoordeling

59 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004.535 | Definitief 02

Tabel 4.13 Beoordelingsschaal windhinder (zonder inzet van deze maatregelen) Criterium

Alternatieven

windhinder

1A

1B

2A

2B

3A

3B

-

-

-

-

-

-

Maatregelen Om windhinder tegen te gaan of te verminderen, dient windonderzoek op gebiedsniveau te worden gedaan. Dit onderzoek kan gepaste maatregelen voorschrijven om de hoeveelheid wind rondom het gebouw te voorkomen. De hoeveelheid wind heeft ook te maken met de ruimte rondom een gebouw, een groot plein zal eerder last ondervinden van wind dan wanneer het gebouw omringd is door andere bebouwing. Een manier om windhinder lokaal tegen te gaan is het toepassen van luifels.

60 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004.535 | Definitief 02

5 KEUZES, KANSEN EN AANDACHTSPUNTEN VOOR DE STRUCTUURVISIE 5.1

Samenvatting van effecten

Onderstaande tabel toont de beoordeling van effecten op het thema Klimaatadaptatie.

Tabel 5.1 Beoordeling van de effecten op thema klimaatadaptatie Aspect

Criterium

bodem

water

natuur

stadsklimaat

5.2

Alternatieven 1A

1B

2A

2B

3A

3B

bodemkwaliteit

+

+

+

+

+

+

bodemgesteldheid

0

0

0

0

0

0

waterkwaliteit

0

0

0

0

0

0

risico op wateroverlast

0

0

0

0

0

0

Natura 2000

--

--

--

--

--

--

beschermde soorten

-

-

-

-

-

-

Natuurnetwerk Nederland

0

0

0

0

0

0

hittestress

--

--

-

-

-

-

windhinder

-

-

-

-

-

-

Keuzes, kansen en aandachtspunten

De alternatieven voor het CID hebben positieve en negatieve effecten op bodem, water, natuur en stadsklimaat. Op het gebied van wateroverlast en hittestress verschillen de effecten per alternatief. Op het gebied van Natura 2000, beschermde soorten en windhinder zijn risico’s op negatieve effecten in alle alternatieven. De bodemkwaliteit zal in alle alternatieven vooruit gaan door de wettelijk verplichte sanering. Er worden geen effecten op de bodemgesteldheid en Natuurnetwerk Nederland verwacht. Keuzes De keuzes in mobiliteitsstrategie beïnvloeden de speelruimte voor aanpassingen in het stadsklimaat. Met name een (sterk) sturende mobiliteitsstrategie (alternatieven 2A/B en 3A/B) biedt kansen en mogelijkheden voor vergroening, waardoor zelfs hittestress in potentie kan afnemen ten opzichte van referentiesituatie. De Structuurvisie dient hierover uitspraken te doen om te voorkomen dat de ruimte die vrijkomt dankzij de mobiliteitstransitie niet optimaal benut wordt. Het type groen en de bodem zijn hierbij van belang. Zorg voor een bodem waar water kan infiltreren en zorg voor intensief groen op verschillende niveaus (maaiveld, laag groen en bomen) die door middel van verdamping en schaduwwerking een positief effect hebben op lokale hittestress. Ook kunnen bestaande bebouwde gebieden bij herontwikkeling deel teruggebracht kunnen worden als groen of water.

61 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004.535 | Definitief 02

Aandachtspunten De risico’s op wateroverlast en de toename van hittestress dragen beide bij aan risico’s voor de gezondheid, maar kan ook grote financiële schade en overlast in de samenleving veroorzaken. Als gevolg van klimaatverandering nemen wateroverlast en hitte toe. Om de negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken is meer ruimte voor groen en klimaatbestendige inrichting van het CID noodzakelijk. De verharding van stedelijk gebied draagt negatief bij aan deze risico’s en kan worden verbeterd door minder ruimte voor gemotoriseerd verkeer te bieden en meer ruimte voor groen. Ook door het toepassen materialen met lichte kleuren helpt om het zonlicht te weerkaatsen en daarmee de hittestress te verminderen. Het vasthouden en vertraagd afvoeren van regenwater op gebouwniveau kan het risico op wateroverlast verminderen (vasthouden, bergen, afvoeren). Het effect van de hoogbouw op de grondwaterstand is beperkt. Tijdens de bouwfase geeft onttrekking van grondwater wel risico’s. Tijdens de bouwfase is aandacht voor grondwater dus belangrijk. Hoogbouw kan windhinder veroorzaken. Gezien de toename van hoogbouw in het CID, is een studie naar windhinder en het nemen van maatregelen belangrijk. Bij voorkeur op het niveau van deelgebieden, zodat ontwikkelingen in samenhang bekeken kunnen worden.

Stikstof vormt een risico voor vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming (Natura 2000). Uit de beschrijving van de huidige situatie blijkt namelijk dat er in de regio stikstofgevoelige, overbelaste habitattypen voorkomen. Het extra bouwprogramma en de daarmee samenhangende extra verkeersbewegingen kunnen leiden tot extra stikstofdepositie op deze overbelaste gebieden. Omdat op dit moment nog onduidelijkheid bestaat over de wijzigingen in de energieprestaties van de bestaand en nieuw (vervangend) bouwprogramma in het CID zijn de effecten van gebouwen buiten beschouwing gelaten. Uit indicatieve stikstofberekeningen van de wijzigingen in verkeersbewegingen blijkt dat in alle alternatieven een verdere toename van de stikstofdepositie plaatsvindt door extra inwoners, werknemers en bezoekers in het CID. De exacte hoogte van de extra stikstofdepositie is vanwege beperkingen in deze berekeningen niet vast te stellen1. Wel is duidelijk dat stikstofdepositie in alle alternatieven leidt tot een groot risico op significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een ander risico is het effect op beschermde soorten. Het stedelijke gebied van Den Haag vormt namelijk leefgebied voor gebouwbewonende vleermuizen en vogels en er groeien beschermde vaatplanten.

Het is aannemelijk dat er een ontheffing aangevraagd moet worden en er maatregelen (compensatie/mitigatie) plaats moeten vinden. Kansen De sloop en nieuwbouw in het CID biedt kansen om het stadsklimaat te verbeteren. Daarvoor is het van belang om de openbare ruimte en bebouwde omgeving in CID klimaatadaptief te plannen en ontwerpen. Er moet sterk worden ingezet op het toevoegen van groen aan de gevels, groene daken op lagere bebouwing en daarnaast het slim kiezen voor lichte kleur materialen of anderzijds materialen met een hoog weerkaatsingsvermogen (albedo). Wat echter de grootste bijdrage levert voor het verminderen van wateroverlast en hittestress is intensief groen (beschermde soorten). Het op grote schaal aanbieden van nest- en verblijfplaatsen in gebouwen en kunstwerken en het natuurvriendelijke maken van het stedelijke water (KRW) zijn kansen om in CID te ontwikkelen.

62 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004.535 | Definitief 02

6 DISCUSSIE EN AANBEVELINGEN 6.1

Leemten in kennis en onzekerheden

Windhinder Windhinder is een thema dat veel onzekerheden bevat. Toename van hoogbouw kán namelijk leiden tot meer windhinder, maar met de juiste maatregelen kan het er ook voor zorgen dat windhinder rondom de bebouwing afneemt. Daarnaast is de stedenbouwkundige configuratie van invloed op de windhinder. Zolang de toekomstige stedenbouwkundige configuratie niet bekend is, kan er geen algemene uitspraak worden gedaan over de effecten op windhinder. Aanbevolen wordt om de effecten van windhinder nader te onderzoeken op een lager schaalniveau bij een meer concrete stedenbouwkundige configuratie. Verharding De belangrijkste oorzaak van hittestress in stedelijk gebied is verharding en verstening van het gebied. De hoeveelheid verharding is op een globaal niveau redelijk in te schatten voor alle alternatieven. Echter zijn de volgende factoren ook bepalend voor de temperatuur in het gebied, maar op een dusdanig detailniveau dat de gebiedsvisie en beleidsstukken hier nog geen uitspraken over doen: hoeveelheid groen, type groen, hoeveelheid gevelgroen en groene daken, gebouwhoogten, weerkaatsingsvermogen (albedo), verharding en gevels. Wanneer deze op de juiste manier worden toegepast kunnen deze factoren gecombineerd ook een merkbaar effect hebben op hittevorming in het CID. Stikstofdepositie De effecten van het CID op stikstofgevoelige natuur zijn gedeeltelijk in beeld gebracht.

De stikstofberekeningen gaan in op de effecten van de mobiliteitstransitie. De effecten van een nieuw (vervangend) bouwprogramma met bijbehorende wijzigingen in energieprestaties is buiten beschouwing gelaten omdat deze nog te onduidelijk zijn. Ook de effecten in de aanleg- of bouwfase van zowel het programma als de mobiliteitsmaatregelen is niet beschouwd in dit MER. In de uitwerking van de plannen dienen deze effecten in beeld te worden gebracht, om al dan niet met behulp van aanvullende maatregelen1 uit te kunnen sluiten dat significant negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Aanwezigheid beschermde soorten In alle alternatieven wordt gebouwd en gerenoveerd, waarmee ze allemaal in potentie resulteren in verstoring van soorten en vernietiging van leefgebied in de aanleg- en gebruiksfase. De mate waarin dit optreedt is sterk afhankelijk van de exacte ingreep ter plaatse van de soort en zijn leefgebied. Daarom dient, zodra de plannen bekend zijn, nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar ten minste vleermuizen, gebouwbewonende vogels en planten. Dit geldt zowel voor werkzaamheden aan of bij bestaande bebouwing, als werkzaamheden aan of bij groen- en waterstructuren. Dit onderzoek geeft inzicht in de noodzaak van maatregelen en de mate van vergunbaarheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9574352/1