CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS307135 Bijlage 2 - DSO2020 191 Bijlage PlanMER Deelrapport klimaatbestendigheid

Commissie Ruimte 23 juni 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Gewijzigd raadsvoorstel van het college inzake Structuurvisie Central Innovation District19.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Central Innovation District Deelrapport Klimaatbestendigheid

Gemeente Den Haag 23 maart 2020

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Central Innovation District Gemeente Den Haag

Deelrapport Klimaatbestendigheid Definitief 02 23 maart 2020 110741/20-004.535

110741 mevrouw A.M. Springer-Rouwette MSc drs.ing. E.J.N. Rijsdijk

mevrouw R.S. Boulsums MSc, T. Puts MSc P.A. Feij MSc mevrouw A.M. Springer-Rouwette MSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Catharijnesingel 33 Postbus 24087 3502 MB Utrecht +31 (0)30 765 19 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

2

UITGANGSPUNTEN

6

2.1

Kaders vanuit wetgeving, beleid en richtlijnen

6

2.2

Ingreep-effectrelaties

7

2.3

Beoordelingskader

8

2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9

9 9 10 10 10 12 12 13 13

Beïnvloeding van de bodemkwaliteit Beïnvloeding van de bodemgesteldheid Effecten op de waterkwaliteit: ecologisch en chemisch Beïnvloeding kans op wateroverlast Effecten op Wnb Natura 2000 Effecten op Wnb beschermde soorten Effecten op Natuurnetwerk Nederland Beïnvloeding mate van hittestress Beïnvloeding mate van windhinder

3

HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING

14

3.1

Huidige situatie

14

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6

14 17 21 26 30 31

3.2

Bodem Water Wnb Natura 2000 Wnb beschermde soorten Natuurnetwerk Nederland Stadsklimaat

Autonome ontwikkeling

34

3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6

Bodem Water Wnb Natura 2000 Wnb Beschermde soorten Natuurnetwerk Nederland Stadsklimaat

37 37 38 39 39 39

3.3

Samenvatting van kansen en bedreigingen

41

4

EFFECTEN

43

4.1

Bodem

43

4.1.1

Bodemkwaliteit

43

4.1.2 4.2

Bodemgesteldheid

Water 4.2.1 4.2.2

44 44

Waterkwaliteit Risico op wateroverlast

44 45

4.3

Wnb Natura 2000

47

4.4

Wnb Beschermde soorten

57

4.5

Natuurnetwerk Nederland

58

4.6

Stadsklimaat

58

4.6.1 4.6.2

58 59

5

Hittestress Windhinder

KEUZES, KANSEN EN AANDACHTSPUNTEN VOOR DE STRUCTUURVISIE

61

5.1

Samenvatting van effecten

61

5.2

Keuzes, kansen en aandachtspunten

61

6

DISCUSSIE EN AANBEVELINGEN

63

6.1

Leemten in kennis en onzekerheden

63

6.2

Monitoring en evaluatie

64

6.3

Maatregelen achter de hand

64

Laatste pagina

64

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Verklarende woordenlijst

1

II

Referenties

1

1 INLEIDING Functie van dit deelrapport Dit deelrapport beschrijft de effecten van de plannen voor het Central Innovation District (CID). Het deelrapport vormt onderdeel van het MER CID. In het deelrapport staan alleen specifieke uitgangspunten en gedetailleerde informatie over het thema klimaatbestendig. Een algemene toelichting op het project en de aanpak en uitgangspunten voor de effectstudies is te vinden in het hoofdrapport MER. Leeswijzer

Tabel 1.1 Leeswijzer voor het deelrapport thema klimaatbestendig MER CID Hoofdstuk

Geeft antwoord op de vraag:

2. uitgangspunten

welke kaders, beleid en richtlijnen worden meegenomen? Welke criteria worden gehanteerd en met welke beoordelingsschalen?

3. huidige situatie en autonome ontwikkeling

hoe ziet de huidige en autonome situatie eruit in het plangebied met betrekking tot de criteria?

4. effecten Structuurvisie CID

welke effecten hebben de alternatieven van de Structuurvisie op het plangebied?

5. keuzes, kansen en aandachtspunten voor de Structuurvisie

welke te maken keuzes, kansen en aandachtspunten volgen uit de vastgestelde effecten van de Structuurvisie?

6. discussie en aanbevelingen

wat zijn aandachtspunten bij het lezen van dit deelrapport? Wat zijn onze aanbevelingen?

5 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

2 UITGANGSPUNTEN 2.1

Kaders vanuit wetgeving, beleid en richtlijnen

Tabel 2.1 geeft een overzicht van het huidige beleid en de regelgeving met betrekking tot het thema klimaatbestendig voor zover van invloed op de plannen voor het CID.

Tabel 2.1 Kaders Beleidsstuk/wet

Toelichting

Handboek openbare ruimte

Geeft richtlijnen en beleid voor onder andere water en groen, restzettingseis.

Haagse ambities en eisen extreme neerslag (Concept 16-05-2019)

Geeft in concept ambities ten aanzien van extreme neerslag.

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming (Wnb) biedt de juridische basis voor de aanwijzing van te beschermen gebieden, beschermde soorten, vergunningverlening, schadevergoeding, toezicht en beroep. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) zijn hiermee in nationale regelgeving verankerd. De Wnb heeft als doel het beschermen en in stand houden van Natura 2000-gebieden, bijzondere soorten en houtopstanden.

Natuurnetwerk Nederland (provinciaal beleid)

Het provinciaal beleid met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) binnen ZuidHolland is in de Omgevingsvisie Zuid-Holland (22 januari 2019) opgenomen. In de ontwerpOmgevingsverordening (20 september 2018) staan de regels horende bij het beleid uit de Omgevingsvisie. Hierin wordt de begrenzing van het NNN bepaald en onder welke voorwaarden er ingrepen in het NNN plaats mogen vinden en wat de voorwaarden in het geval van compensatie zijn. In het kader van ontwikkeling van CID Den Haag bestaan juridische risico’s op (significante) aantasting van het NNN.

Kaderrichtlijn Water

De KRW heeft als doel het oppervlaktewater en grondwater in de EU te beschermen en het duurzame gebruik van water te bevorderen. De KRW gaat zowel over de ecologische (biologische en fysisch-chemische parameters) als chemische waterkwaliteit (toxische stoffen). De waterbeheerders dienen hun wateren in 2021, uiterlijk 2027, op orde te hebben. Het voornemen mag niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van KRW-wateren. De ecologische toestand en normen voor biologische en chemische parameters zijn opgenomen in de meest recente KRW-factsheets van).

Gebiedsagenda Overkluizing Utrechtsebaan (A12)/CS Oost CONCEPT (5 december 2018)

Geeft overzicht programma, ruimtegebruik en globale strategie t.a.v. klimaatadaptatie en natuur.

Gebiedsagenda Den Haag Laan van NOI CONCEPT (5 december 2018)

Geeft overzicht programma, ruimtegebruik en globale strategie t.a.v. klimaatadaptatie en natuur.

Gebiedsagenda Hollands Spoor/Laakhavens CONCEPT (5 december 2018)

Geeft overzicht programma, ruimtegebruik en globale strategie t.a.v. klimaatadaptatie en natuur.

6 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Beleidsstuk/wet

Toelichting

Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie

Het doel van de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is een klimaatbestendige en waterrobuuste ruimtelijke inrichting van Nederland in 2050. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen moeten daarom vanaf 2020 klimaatbestendig en waterrobuust handelen.

Besluit bodembeleid

Sinds 2008 is het nationale Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu, én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen.

Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels om de bodem te beschermen. De sanering van verontreinigde bodem en grondwater worden door middel van de Wbb geregeld. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd.

Nota Eyeline Skyline

Deze nota biedt handvatten om hoogbouw op een verantwoorde en zorgvuldige manier in te passen in de structuur van de stad, zodat initiatiefnemers duidelijkheid krijgen en uitgedaagd worden om bij te dragen aan een groene en duurzame stad en met innovatieve oplossingen te komen.

Kadernota Duurzaamheid

De kadernota duurzaamheid geeft invulling aan de thema’s schone energievoorziening, betere leefomgeving (schone lucht, natuurinclusief, klimaatbestendig, schoner en stiller), duurzaam stedelijk vervoer en een duurzaam gebruik van grondstoffen in relatie tot gebiedsontwikkelingen.

Kadernota Openbare ruimte

De kadernota Openbare Ruimte geeft de visie voor de openbare ruimte van Den Haag weer. De drie doelen van de nota zijn: een eenvoudige, harmonieuze en ruimtelijke inrichting, schoon, heel en veilige inrichtingselementen en functioneel, flexibel en veelzijdig gebruik van de openbare ruimte.

Kadernota Natuurinclusief bouwen

Deze nota stimuleert groen- en natuurinclusief bouwen door middel van een puntensysteem. Bij nieuwbouwprojecten wordt voorgeschreven om voor een bepaald aantal punten aan groene en natuurinclusieve maatregelen te nemen. Voor het CID zijn de maatregelen voor ‘grootschalige bebouwing en hoogbouw’ van toepassing.

2.2

Ingreep-effectrelaties

Tabel 2.2 beschrijft op hoofdlijnen welke ingrepen mogelijk optreden door de plannen voor het CID. De effecten die als gevolg van deze ingrepen kunnen optreden, worden in beeld gebracht aan de hand van verschillende aspecten en criteria. Samen vormen deze het beoordelingskader (tabel 2.3).

Tabel 2.2 Ingreep-effectrelaties Ingreep

Effect

Plek in beoordelingskader

ruimtegebruik: hoeveelheid verharding, bebouwing, groen en water

meer verharding en minder groen leidt tot minder infiltratie en waterberging → minder klimaatbestendig (en vice versa)

het effect op klimaatbestendigheid is meegenomen als onderdeel van het aspect water in het criterium ‘kans op wateroverlast’

meer bebouwing en verharding leidt tot meer warmte die wordt vastgehouden → meer hittestress (en vice versa)

het criterium hittestress is meegenomen onder het aspect ‘stadsklimaat’

meer bebouwing kan leiden tot meer windhinder (en vice versa)

het criterium windhinder is meegenomen onder het aspect ‘stadsklimaat’

de hoeveelheid groen heeft effect op de soortendiversiteit

effecten op Natura 2000, Wnb beschermde soorten en Natuurnetwerk Nederland is meegenomen onder het aspect ‘natuur’

sloop of renovatie → is slopen van nestplekken van vogels en verblijfplaatsen van vleermuizen → invloed op beschermde soorten en natuurnetwerken

invloed op Natura 2000, Wnb beschermde soorten en Natuurnetwerk Nederland is meegenomen als criterium onder het aspect ‘natuur’

sloop of renovatie van gebouwen

7 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Ingreep

Effect

Plek in beoordelingskader

functiewijziging (groen naar bebouwd of andersom)

functiewijziging kan leiden tot extra saneringsmaatregelen

saneringsmaatregelen wijzigen de bodemkwaliteit, genoemd als criterium onder het aspect ‘bodem’

ingrepen in de ondergrond door sloop/nieuwbouw van infrastructuur of bebouwing

grote ondergrondse ingrepen hebben effect op bodemgesteldheid → kan verzakking en verdichting teweeg brengen

de bodemgesteldheid is meegenomen onder het aspect ‘bodem’

toename (of afname) van verkeer

meer verkeer zorgt voor meer vervuiling die afstroomt op het water → invloed waterkwaliteit

waterkwaliteit is meegenomen onder het aspect ‘water’

2.3

Beoordelingskader

Onderstaand kader wordt gebruikt om de effecten van de alternatieven voor het CID te bepalen (hoofdstuk 4). Dezelfde structuur wordt ook gebruikt om de huidige en autonome toestand van het milieu in beeld te brengen en te beoordelen (hoofdstuk 3).

Tabel 2.3 Beoordelingskader Aspecten

Criteria

Methode en informatie

bodem

beïnvloeding van de bodemkwaliteit (verontreinigingen)

kwalitatief:

-

DINO-loket;

-

interpretatie beschikbare geotechnische onderzoeken.

-

opvragen gegevens bij hoogheemraadschap Delfland, gemeente en provincie;

-

opvragen gegevens (data/scenario’s) KNMI;

-

infoworks model maken ten behoeve van de stresstest voor ProjectMER (= extra opdracht).

-

opvragen ecologische gegevens bij hoogheemraadschap Delfland, gemeente, provincie, ecologische werkgroepen (vleermuizen en vogels) en gebiedsbeheerders Natura 2000-duingebieden;

-

raadplegen NDFF;

beïnvloeding van hittestress als gevolg van de stedenbouwkundige inrichting

-

interpretatie kaart stedelijk hitte-eilandeffect

beïnvloeding van windhinder als gevolg van de stedenbouwkundige inrichting

-

literatuur windhinder raadplegen

beïnvloeding van de bodemgesteldheid (dichtheid en verzakking) water

effecten op de waterkwaliteit: ecologisch en chemisch (Kaderrichtlijn Water) beïnvloeding kans op wateroverlast

natuur

effecten op Natura 2000, Wnb beschermde soorten en Natuurnetwerk Nederland

stadsklimaat

8 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

verzamelen gegevens en verwerken tot overzichtskaart bodemkwaliteit;

raadplegen internetbronnen (onder andere waterkwaliteitsportaal); kwalitatieve en kwantitatieve beschrijving chemische en ecologische waterkwaliteit;

nader (soortgericht) veldonderzoek (indien nodig voor projectMER); stikstof-berekening (gebruiksfase); beschrijving (planMER: kwalitatief; projectMER: kwalitatief+ kwantitatief) huidige toestand voor Natura 2000(-duingebieden; doelen, knelpunten en trend met betrekking tot stikstof), beschermde soorten (waarnemingen, leefgebieden, potenties) en NNN (ligging + kenmerken en waarden).

In onderstaande paragrafen wordt elke aspect en criterium nader toegelicht en uitgewerkt.

2.3.1

Beïnvloeding van de bodemkwaliteit

Voor het criterium ‘bodemkwaliteit’ is het van belang de huidige bodemkwaliteit globaal in beeld te hebben. Daarvoor worden bodemkaarten van de gemeente geraadpleegd (WebGIS gemeente Den Haag). Vervolgens wordt voor de referentiesituatie gekeken naar locaties die gesaneerd worden. Dit wordt in een kaart weergegeven. Om te weten wat de invloed op de bodemkwaliteit is van de Structuurvisie CID wordt bekeken van hoeveel van de bekende verontreinigde locaties het aannemelijk is dat deze ten behoeve van de ontwikkeling van de alternatieven gesaneerd zullen worden.

Tabel 2.4 Beoordelingsschaal beïnvloeding van de bodemkwaliteit (verontreinigingen) Score

Beoordeling

++

het is aannemelijk dat alle bestaande (bekende) verontreinigingen worden gesaneerd en dat alle bekende bodemvervuilende functies verdwijnen uit het gebied

+

er worden naar verwachting enkele (bekende) verontreinigingen gesaneerd, maar niet alle en/of een bodemvervuilende functie verdwijnt uit het gebied

0

er wordt niks gesaneerd en er is ook geen verslechtering van de bodemkwaliteit te verwachten

-

er wordt een functie in het gebied toegevoegd die de bodemkwaliteit negatief beïnvloedt

--

er wordt meer dan één functie in het gebied toegevoegd die de bodemkwaliteit negatief beïnvloedt

2.3.2

Beïnvloeding van de bodemgesteldheid

De bodemopbouw wordt globaal in kaart gebracht met informatie van het Bodemloket. Wanneer de bodemopbouw bekend is, zijn daarmee ook de risico’s in kaart te brengen wanneer grote ingrepen in de bodem worden gedaan (denk bijvoorbeeld aan de aanleg van een tunnel). Op deze manier krijgen we potentiële zettingen en verzakkingen in beeld en kunnen de effecten van de verschillende alternatieven worden bepaald.

Tabel 2.5 Beoordelingsschaal beïnvloeding van de bodemgesteldheid (zettingen en verzakkingen) Score

Beoordeling

++

er vinden werkzaamheden plaats die de bodemgesteldheid aanzienlijk verbeteren (zettingen en verzakkingen in de toekomst voorkomen)

+

er vinden werkzaamheden plaats die de bodemgesteldheid enigszins verbeteren (grootschalige zettingen en verzakkingen in de toekomst voorkomen)

0

er vinden geen werkzaamheden plaats die de bodemgesteldheid blijvend beïnvloeden

-

er vinden werkzaamheden plaats die effect hebben op de bodemgesteldheid en een risico kunnen vormen voor zettingen en verzakkingen

--

er worden ondergrondse functies aangelegd die naar alle waarschijnlijkheid ernstige verzakkingen tot gevolg hebben

9 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

2.3.3

Effecten op de waterkwaliteit: ecologisch en chemisch

Tabel 2.6 Beoordelingsschaal effecten op de waterkwaliteit: ecologisch en chemisch (Kaderrichtlijn Water) Score

Beoordeling

++

er zijn ontwikkelingen voorzien die de waterkwaliteit over het gehele gebied positief beïnvloeden

+

er zijn ontwikkelingen voorzien die de waterkwaliteit op enkele plekken positief beïnvloeden

0

de waterkwaliteit wordt niet beïnvloed

-

er zijn ontwikkelingen voorzien die resulteren in een verslechtering van de waterkwaliteit, maar effecten zijn te mitigeren

--

er zijn ontwikkelingen voorzien die resulteren in een verslechtering van de waterkwaliteit, maar effecten zijn niet te mitigeren

2.3.4

Beïnvloeding kans op wateroverlast

Wateroverlast is gerelateerd aan de hoeveelheid waterberging in een gebied en de manier waarop het water afgevoerd wordt en afstroomt. Dit wordt voor het CID globaal in kaart gebracht voor zover er gegevens bekend zijn. Vervolgens wordt de impact van de verschillende alternatieven bepaald aan de hand van de effecten die de ontwikkelingen hebben op de potentie tot waterberging en een robuust watersysteem.

Tabel 2.7 Beoordelingsschaal beïnvloeding risico op wateroverlast Score

Beoordeling

++

het is aannemelijk dat er geen wateroverlast* zal zijn bij piekbuien

+

het risico op wateroverlast neemt af ten opzichte van de referentiesituatie

0

het risico op wateroverlast blijkt gelijk aan de referentiesituatie

-

het risico op wateroverlast neemt toe ten opzichte van de referentiesituatie

--

het risico op wateroverlast neemt aanzienlijk toe ten opzichte van de referentiesituatie, juist ook in reeds kwetsbare gebieden

* Wateroverlast betekent geen schade aan infrastructuur en gebouwen, en de hoofdwegen blijven toegankelijk voor noodhulp

2.3.5

Effecten op Wnb Natura 2000

Uitgangspunten stikstofdepositie-onderzoek In dit deelrapport wordt, voor ieder van de alternatieven, de situatie na realisatie van het plan vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie omvat alle voorgenomen autonome ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied. Dit zijn ontwikkelingen die zouden plaatsvinden, ook als het plan niet tot uitvoering wordt gebracht. Het jaar waarvoor de effecten in beeld worden gebracht, is 2040. De dalende trend in de emissiefactoren van verkeer en de verwachtte toename van de verkeersintensiteit in verdere jaren, leiden respectievelijk tot een afname en een toename van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen. Doordat 2030 het verst in de toekomst gelegen jaar is waarvoor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat achtergrondconcentraties en emissiefactoren heeft vrijgegeven, hebben de rekenresultaten in absolute zin geen betekenis. Een vergelijking tussen de alternatieven is wel mogelijk.

10 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

De effectbeoordeling van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is enkel gebaseerd op wijzingen in de verkeersintensiteit ten gevolge van het bouwprogramma en de mobiliteitsstrategie. De emissies van woningen in zowel de referentie- als de plansituatie maken geen deel uit van de berekeningen. De gehanteerde verkeersintensiteiten zijn afkomstig uit het Nederlands Regionaal Model (NRM). Voor de afbakening van het onderzoeksgebied zijn alle wegvakken uit het NRM met een verschilintensiteit (tussen de plan- en de referentiesituatie) van meer dan 500 motorvoertuigen per etmaal geselecteerd. Alle (delen van) Natura 2000-gebieden binnen een straal van 5 km van de geselecteerde wegvakken zijn meegenomen in de beoordeling. Het modelgebied, dat wil zeggen de wegvakken die worden meegenomen in de berekening, beslaat alle wegvakken binnen een straal van 5 km van de geselecteerde (delen van) Natura 2000-gebieden. Omdat dit voor ieder van de alternatieven kan verschillen, is ervoor gekozen alle (delen van) Natura 2000gebieden uit alle onderzoeksgebieden me te nemen, zodat er sprake is van één modelgebied (afbeelding 2.2).

Afbeelding 2.1 Modelgebied stikstofdepositiemodellering

Ter vereenvoudiging van de berekening, is het aantal wegvakken teruggebracht tot de wegvakken die in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn opgenomen. Dit zijn de wegenvakken met de hoogste verkeersintensiteit en vertegenwoordigen het grootste deel van de emissies. De wegvakken binnen het CID zijn eveneens opgenomen in de berekening, aangezien de grootste wijzigingen in verkeersintensiteit hier te verwachten zijn. De benodigde parameters voor de berekening, naast de verkeersintensiteiten en de stagnatiefactoren, zijn afkomstig uit het NSL. Dit omvat onder andere de hoogteligging van de weg, de snelheden, het wegtype, de tunnelfactor en de aftand en hoogte van schermen langs de weg. De berekening is uitgevoerd met AERIUS-Scenario (versie 2019.0). Beoordeling Verschillende negatieve effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebieden, variërend van ruimtebeslag tot effecten van geluid en stikstof. Aan de andere kant kan ook positief bijgedragen worden, bijvoorbeeld bij het

11 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

verminderen van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Op basis van de ligging van de Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van het voornemen, wordt bepaald welke effecten zijn uit te sluiten en welke effecten wel relevant zijn. De effecten worden beoordeeld op basis van de gevoeligheid van de gebieden voor deze effecten.

Tabel 2.8 Beoordelingsschaal effecten op Natura 2000 Score

Beoordeling

++

sterk positief: grote kans op bijdrage aan de instandhoudingsdoelen door permanente uitbreiding of kwaliteitsverbetering

+

positief: enige kans op bijdrage aan de instandhoudingsdoelen door permanente uitbreiding of kwaliteitsverbetering

0

neutraal, geen bijdrage/risico’s

-

risico op effecten op de instandhoudingsdoelen. Effecten zijn tijdelijk en/of te mitigeren (op dezelfde locatie)

--

groot risico op effecten op de instandhoudingsdoelen. Effecten zijn niet te mitigeren, compensatie is noodzakelijk

2.3.6

Effecten op Wnb beschermde soorten

Verschillende negatieve effecten kunnen optreden op beschermde soorten, zoals vernietiging van leefgebied of verstoring. Aan de andere kant kan ook positief bijgedragen worden, bijvoorbeeld door het creëren van nieuw leefgebied ten opzichte van de referentiesituatie. Op basis van de te verwachte soorten en de aard en omvang van het voornemen, wordt bepaald welke effecten relevant zijn. De effecten worden beoordeeld op basis van de gevoeligheid van de soorten voor deze effecten.

Tabel 2.9 Beoordelingsschaal effecten op Wnb beschermde soorten Score

Beoordeling

++

sterk positief, grote kans op verbetering van de gunstige staat van instandhouding en/of functionaliteit van het leefgebied

+

positief, enige kans op verbetering van de gunstige staat van instandhouding en/of functionaliteit van het leefgebied

0

neutraal, geen bijdrage/risico’s

-

risico, ontwikkelingen leiden potentieel tot vernietiging van een deel van het leefgebied of verblijfplaatsen van beschermde soorten. Na eventuele mitigatie resteert geen risico op aantasting van de lokale staat van instandhouding

--

groot risico, ontwikkelingen leiden potentieel tot vernietiging van essentieel leefgebied of verblijfplaatsen van beschermde soorten. Ook na eventuele mitigatie resteert een risico op aantasting van de lokale staat van instandhouding. Compensatie is nodig

2.3.7

Effecten op Natuurnetwerk Nederland

Verschillende negatieve effecten kunnen optreden op het NNN, zoals oppervlakteverlies of verstoring. Aan de andere kant kan ook positief bijgedragen worden, bijvoorbeeld door het creëren van nieuw areaal aan NNN ten opzichte van de referentiesituatie. Op basis van de ligging van het NNN en de aard en omvang van het voornemen, wordt bepaald welke effecten zijn uit te sluiten en welke effecten wel relevant zijn. De effecten worden beoordeeld op basis van de gevoeligheid van de gebieden voor deze effecten.

12 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Tabel 2.10 Beoordelingsschaal effecten op Natuurnetwerk Nederland Score

Beoordeling

++

sterk positief: grote kans op bijdrage de wezenlijke kenmerken en waarden

+

positief: enige kans op bijdrage aan de wezenlijke kenmerken en waarden

0

neutraal, geen bijdrage/risico’s

-

risico op effecten van de aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden. Effecten kunnen gemitigeerd worden, waarmee geen risico meer bestaat op significante aantasting

--

groot risico, significante aantasting wezenlijke kenmerken en waarden niet uit te sluiten. Significante aantasting niet te mitigeren. Aantasting leidt tot een compensatieopgave

2.3.8

Beïnvloeding mate van hittestress

Bestaande hittestresskaarten van het Central Innovation District worden bekeken voor de referentiesituatie. Autonome ontwikkelingen worden in kaart gebracht aan de hand van klimaat-scenario’s van het KNMI. Hittestress neemt toe wanneer het oppervlakte aan verharding en verstening toeneemt en/of wanneer de hoeveelheid groen afneemt, en vice versa. Daarom wordt een inschatting per alternatief gemaakt van de hoeveelheid verharding en hoeveelheid groen om de globale effecten te kunnen bepalen.

Tabel 2.11 Beoordelingsschaal beïnvloeding mate van hittestress Score

Beoordeling

++

het stedelijk hitte-effect beperkt zich tot een comfortabel niveau dat nagenoeg geen risico met zich meebrengt voor de gezondheid

+

het stedelijk hitte-effect neemt af (tot een acceptabel risico) ten opzichte van de referentiesituatie

0

het stedelijk hitte-effect wordt niet negatief en niet positief beïnvloed

-

het stedelijk hitte-effect neemt toe

--

het stedelijk hitte-effect neemt sterk toe ten opzichte van de referentiesituatie

2.3.9

Beïnvloeding mate van windhinder

Voor windhinder zijn weinig gegevens beschikbaar. Daarom wordt literatuur onderzocht om te bepalen hoe de mate van windhinder zou kunnen wijzigen in de verschillende alternatieven. Belangrijkste input hiervoor is de hoeveelheid en hoogte van de bebouwing en de stedenbouwkundige configuratie, indien bekend.

Tabel 2.12 Beoordelingsschaal beïnvloeding mate van windhinder Score

Beoordeling

++

de hoeveelheid windhinder neemt aanzienlijk af

+

de hoeveelheid windhinder neemt af

0

de hoeveelheid windhinder wordt niet negatief en niet positief beïnvloed

-

de hoeveelheid windhinder neemt toe

--

de hoeveelheid windhinder neemt aanzienlijk toe

13 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

3 HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING 3.1

Huidige situatie

Inleiding Het CID en de spoorzone Hollands Spoor zijn hoog stedelijke, dichtbebouwde gebieden. Met name hoog stedelijke gebieden zijn kwetsbaar voor klimaatverandering omdat deze een hoge dichtheid aan functies bevatten, veel verharding en veel (hoge) bebouwing. Een gebrek aan openbare ruimte in de vorm van groen en water zorgt voor een toename van risico’s op bijvoorbeeld wateroverlast en hittestress. Daarnaast kan dit effecten hebben op de natuur, in het gebied zelf of in de omgeving.

3.1.1

Bodem

Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit in Den Haag is in kaart gebracht in de volgende afbeelding. Te zien is dat in het CID overal de klasse wonen is toegepast, met uitzondering van de spoortrajecten, de Utrechtsebaan en de Binckhorst. Klasse wonen is schone grond, die niet gesaneerd hoeft te worden bij bouwwerkzaamheden. Industriegrond moet afhankelijk van de nieuwe functie gesaneerd worden.

Afbeelding 3.1 Bodemklasse (WebGIS gemeente Den Haag)

De toepassingsgrond is voor het hele gebied klasse wonen, met uitzondering van de spoortrajecten en de Utrechtsebaan. In de volgende afbeelding is te zien waar zich verdachte locaties bevinden voor bodemverontreiniging. Te zien is dat een groot gedeelte van het CID (met name rondom centraal station en in Bezuidenhout) verdacht is voor luchtaanvallen. Dit betekent dat zich mogelijk munitie in de bodem bevindt. Een verdachte locatie

14 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

moet volgens landelijke richtlijnen worden onderzocht op aanwezigheid van munitie alvorens hier gebouwd kan worden, trillingen kunnen namelijk tot exploderen leiden.

Afbeelding 3.2 CE (niet gesprongen explosieven) bodembelasting en bodemverontreiniging (WebGIS, gemeente Den Haag)

In roze zijn de verontreinigde locaties weergegeven. Er bevinden zich verschillende verontreinigde locaties in het central innovation district. Bodemgesteldheid Door de ligging aan zee is Den Haag grotendeels gebouwd op duin- en kustzandgronden. De boringen die bekend zijn in het CID bevestigen dit. De ondergrond bestaat voornamelijk uit zand. Tussendoor bevinden zich lagen tot enkele meters bestaande uit leem, veen en klei. Zand is een prettige grondsoort om op te bouwen omdat het voor weinig gevoelig is voor zettingen en restzettingen. De slappere grondsoorten zoals veen en klei zijn wel gevoelig voor zettingen. Deze lagen bevinden zich, voor zover bekend, beperkt in het gebied maar zijn wel aanwezig. In de afbeelding zijn enkele grondboringen opgenomen die de verschillende bodemlagen aanduiden.

15 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.3 Locatie boringen (DINO-loket)

Afbeelding 3.4 Bodemgesteldheid CID (1 tot en met 5 van links naar rechts) (Bron: DINO-loket)

16 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

3.1.2

Water

Waterkwaliteit In het plangebied CID Den Haag ligt het KRW-waterlichaam Oostboezem. Onderstaande tabel 3.1 toont een overzicht van het KRW-waterlichaam, de beheerder en het watertype.

Tabel 3.1 Kenmerken KRW-waterlichaam Oostboezem Naam

Code

Watertype

Beheerder

Oostboezem

NL15_01

M7b (kunstmatig)

hoogheemraadschap van Delfland

In de KRW-factsheet van het hoogheemraadschap van Delfland zijn de kenmerken van het waterlichaam, de doelen voor de goede chemische en ecologische toestand en geplande KRW-maatregelen ter verbetering van de ecologische kwaliteit vastgelegd. Dit document [hoogheemraadschap van Delfland, 2015] is geraadpleegd voor de beschrijving van de kwaliteit in de huidige situatie. Waterlichaam de Oostboezem betreft watertype ‘Grote diepe kanalen met scheepvaart’ (M7b) en is gekenmerkt als een kunstmatig waterlichaam. Dat houdt in dat het waterlichaam door mensen is gegraven op een plaats waar voorheen geen water was. Het waterlichaam betreft boezemwater. De Oostboezem bestaat overwegend uit brede en diepe kanalen waarover beroepsscheepvaart en recreatievaart plaatsvindt. Daarnaast zijn er in de stedelijke gebieden Den Haag, Delft en Rotterdam ook singels en grachten aanwezig. Het oppervlaktewater heeft een belangrijke aan- en afvoerfunctie waardoor de stroomrichting varieert. Het grondgebruik van het afwateringsgebied bestaat uit stedelijk gebied, melkveehouderij en glastuinbouw. De Oostboezem wordt deels bevaren door de recreatievaart en beroepsvaart. Om scheepvaart op de Oostboezem mogelijk te maken, zijn de watergangen diep, staan er harde beschoeiingen en wordt er een vast waterpeil gehandhaafd. Door de scheepvaart treedt veel opwerveling en golfslag op.

Hierdoor staan in het bevaarbare deel van de Oostboezem nauwelijks waterplanten en komen vissen en macrofauna voornamelijk in de zijtakken voor.

Afbeelding 3.5 Impressie waterlichaam Oostboezem

De ecologische waterkwaliteit wordt beoordeeld op basis van een aantal biologische en fysisch-chemische indicatoren met bijbehorende doelen, het zogenaamde Goede Ecologisch Potentieel (GEP). Het huidige GEP ecologie wordt op dit moment niet behaald doordat de macrofauna, overige waterflora en vis matig scoren. Fytoplankton scoort goed. De prognose is dat de doelen in de toekomst wel gehaald worden.

17 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Met betrekking tot ecologie ondersteunende parameters worden er normoverschrijdingen voor fosfaat, stikstof en zuurgraad (pH) gerapporteerd. Voor de overige relevante parameters (specifiek verontreinigende stoffen) zijn er problemen met alle relevante stoffen.

Afbeelding 3.6 GEP en ecologische toestand van de kwaliteitselementen in de Oostboezem

Risico op wateroverlast Wateroverlast is een thema dat nu al geregeld speelt in Nederland, zo ook in Den Haag. Er wordt daarom gekeken naar de meest kwetsbare gebieden binnen een stad om de risico’s op wateroverlast te kunnen beperken. In een gebied met procentueel veel verharding en bebouwing, speelt wateroverlast een grote rol. Bepalende factoren voor het risico op wateroverlast zijn onder meer: de hoogtes in een gebied, de grondsoort en mate van infiltratie, de hoeveelheid open water, waterberging en riolering. In de volgende afbeelding is te zien wat de huidige risico’s op wateroverlast zijn voor het CID.

18 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.7 Wateroverlast bij bui 100 mm in 2 uur (huidige situatie) (bron: Klimaatatlas Den Haag)

Deze kaart geeft een indicatie van de kwetsbaarheden voor water op straat. Bij een bui van 100 mm in 2 uur worden waterdieptes verwacht tot 10 cm, tot 20 cm en 20 cm en meer. Zoals te zien is, bevat het CID meerdere gebieden die kwetsbaar zijn voor wateroverlast, zoals de Utrechtsebaan en de spooronderdoorgang bij het Rijswijkse plein en de Binckhorstlaan. Oorzaken voor de kwetsbaarheid voor wateroverlast, valt onder meer te verklaren door de lage hoeveelheid oppervlaktewater en groen, waar het water naartoe kan afwateren. Zie de volgende afbeeldingen.

Afbeelding 3.8 Open water in huidige situatie (bron: WebGIS gemeente Den Haag)

19 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.9. Het percentage vegetatie (bomen, struiken en lage vegetatie in het CID-gebied) (Bron: Atlasnatuurlijkkapitaal.nl)

De grondwaterstanden in het gebied worden sterk bepaald door het peil in het oppervlaktewater. De vastgestelde peilen zijn te zien in onderstaande afbeelding 3.10. Het maaiveld in dit deel van Den Haag ligt op circa 0,5 m boven NAP. Dit betekend dat de drooglegging in een groot deel van het CID-gebied kleiner is dan 1 m. Door het strakke peilbeheer zijn ook de fluctuaties in het grondwater beperkt.

Afbeelding 3.10 Grondwaterstanden binnen CID Den Haag

20 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

3.1.3

Wnb Natura 2000

In de omgeving van het plangebied CID Den Haag liggen drie Natura 2000-gebieden, namelijk Meijendel & Berkheide (ongeveer 3 km), Westduinpark & Wapendal (ongeveer 4 km) en Solleveld & Kapittelduinen (ongeveer 7 km). Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 14 km afstand. Directe effecten (zoals oppervlakteverlies en verstoring door licht en geluid) zijn door de afstand op voorhand uit te sluiten. Alleen effecten door stikstof zijn mogelijk. In onderstaande paragraaf worden de algemene kenmerken en aanwezige natuurwaarden van de drie dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergegeven. Ook wordt een doorkijk gegeven naar de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten. Op andere verder weg gelegen gebieden zijn effecten van stikstof ook niet uit te sluiten. Het risico op depositie wordt naarmate de afstand tot het voornemen groter wordt, wel steeds kleiner. Daarom worden andere gebieden hieronder niet nader beschreven. Dat neemt niet weg dat er nog steeds risico’s van stikstofdepositie bestaan.

Afbeelding 3.11 Globale ligging plangebied en Natura 2000-gebieden

Meijendel & Berkheide Natura 2000-gebied Meijendel en Berkheide betreft een Habitatrichtlijngebied van in totaal 2.878 hectare in de provincie Zuid-Holland. Beheerders zijn Domeinen, Staatsbosbeheer, Duinwaterbedrijf Zuid-Holland en particulieren. Het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide is op 25 april 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken (EZ) definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft op 3 juli 2014 een besluit genomen waarin de begrenzing van het Natura 2000-gebied deels is gewijzigd [Ministerie van Economische Zaken, 2013]. Daarnaast ligt er een ontwerp-wijzigingsbesluit van 23 februari 2018 om enkele instandhoudingsdoelen toe te voegen (zie cursieve namen in tabel 3.2) (Ministerie van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit, 2018). Het gebied bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het zuidelijke deelgebied Meijendel is een relatief laag gelegen gebied met grote 'uitgestoven duinvlakten', dat in het zuidelijk deel minder reliëfrijk is. In het noordelijke deelgebied Berkheide liep het zand vast in de oorspronkelijk natte stroombedding van de oude Rijn. Het is gevormd door overstuiving van oude duinen, waardoor het een relatief hooggelegen duinmassief is.

Hier is de kweldruk dan ook groter dan in Meijendel. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. Dit zijn duinakkers die nu vooral uit

21 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

bos bestaan. Het gebied kent dan ook een aantal goed ontwikkelde bostypen. Plaatselijk, zoals in de Libellenvallei, komen soortenrijke duinvalleibegroeiingen voor. Na grootschalig herstel van een aantal valleien bij de Wassenaarse Slag breiden deze begroeiingen zich uit. In het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide zijn veertien habitattypen en vier habitatsoorten opgenomen waarvoor een instandhoudingsdoel geldt [Ministerie van Economische Zaken, 2013]. In tabel 3.2 staan de habitattypen en -soorten met de bijbehorende instandhoudingsdoelen vermeld.

Tabel 3.2 Instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide

Code

Nederlandse naam

Doelstelling oppervlakte

Doelstelling kwaliteit

Doelstelling populatie

H2110

Embryonale duinen

=

=

H2120

Witte duinen

=

>

H2130A

*Grijze duinen (kalkrijk)

>

>

H2130B

*Grijze duinen (kalkarm)

>

>

H2160

Duindoornstruwelen

= (<)

=

H2180A

Duinbossen (droog)

=

=

H2180B

Duinbossen (vochtig)

=

=

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

=

>

H2190A

Vochtige duinvalleien (open water)

>

>

H2190B

Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

>

>

H2190C

Vochtige duinvalleien (kalkarm)

>

>

H2190D

Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)

>

>

H3140

Kranswierwateren

=

=

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

=

=

H1014

Nauwe korfslak

=

=

=

H1149

Kleine modderkruiper

=

=

=

H1166

Kamsalamander

=

=

=

H1318

Meervleermuis

=

=

=

Habitattypen

Habitatsoorten

*

prioritair habitattype

=

Behoudsdoelstelling

>

Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling

(<)

Achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan

Stikstof In de huidige situatie worden de kritische depositiewaarden (KDW’s) van de volgende habitattypen en leefgebieden overschreden: H2120 Witte duinen, H2130A Grijze duinen (kalkrijk), H2130B Grijze duinen (kalkarm), H2180A Duinbossen (droog; be en o), H2180C Duinbossen (binnenduinrand), H2190A Vochtige duinvalleien (open water; om), 2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) en LG12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen, wat leefgebied betreft van de H1014 nauwe korfslak (Provincie Zuid-Holland, 2017a). Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat stikstof alleen voor H2130A Grijze duinen (kalkrijk) en H2130B Grijze duinen (kalkarm) een knelpunt vormt. Deze habitattypen zijn in tabel 3.3 weergegeven.

22 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Tabel 3.3 Relevante stikstofgevoelige habitattypen

Code

Nederlandse naam

Knelpunten i.r.t. stikstof

Trend

*Grijze duinen (kalkrijk)

H2130A

Eutrofiering en verzuring met als gevolg oppervlakkige ontkalking, een onnatuurlijk grote hoeveelheid organische stof in de bodemprofielen, een toename van gevoeligheid voor stikstof in de kalkrijke duinen en versnelde vastlegging van stuivend zand (door de vorming van algenmatten op kaal zand en een versnelde kolonisatie en successie).

-

*Grijze duinen (kalkarm) H2130B

Eutrofiering en verzuring met als gevolg een door zandzegge gedomineerde vegetatie, snelle ophoping van organisch materiaal, afname van kale en zandige bodem, sterke vermossing met grijs kronkelsteeltje, een (versnelde) verzuring van de bodem.

-

Habitat-typen

*

prioritair habitattype

+

positief

-

negatief

=

stabiel

?

onbekend

Solleveld & Kapittelduinen Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen betreft een Habitatrichtlijngebied van in totaal 827 hectare in de provincie Zuid-Holland. Beheerders zijn gemeente Den Haag, Duinwaterbedrijf Zuid-Holland, ZuidHollands Landschap. Het Natura 2000-gebied is op 30 september 2011 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) definitief aangewezen als Natura 2000gebied (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, 2011a). De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft op 30 maart 2017 een besluit genomen waarin doelen voor H2110 Embryonale wandelende duinen en H1903 Groenknolorchis zijn toegevoegd (Ministerie van Economische Zaken, 2017a). Het tussen Den Haag en Ter Heijde gelegen Solleveld wijkt af van de meeste andere Zuid-Hollandse duingebieden doordat het voor het overgrote deel bestaat uit 'oude duinen'. Bijzonder in deze ontkalkte duinen zijn enkele heideterreintjes, die evenals andere landschapselementen herinneren aan het historische, agrarische gebruik. Het gebied is niet heel reliëfrijk en bestaat uit duinen, duinbossen, graslanden, duinheiden, struwelen, ruigten en plassen. Aan de binnenduinrand liggen een aantal oude landgoedbossen met een rijke stinzeflora. Ten noorden van de oude monding van de Maas liggen de Kapittelduinen.

Dit gebied bestaat uit de ten oosten van het strand gelegen duinen, vochtige duinvalleien, duinplassen, duin- en landgoedbossen, graslanden, struwelen, ruigten en een aantal dijktrajecten. Het gebied ligt op de overgang van kust naar rivierengebied en meer landinwaarts worden de rivierinvloeden steeds duidelijker zichtbaar in de vegetatie. In het Staelduinse Bos liggen diverse bunkers. In het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen zijn 14 habitattypen en vier habitatsoorten opgenomen waarvoor een instandhoudingsdoel geldt (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, 2011a). In tabel 3.4 staan de habitattypen en -soorten met de bijbehorende instandhoudingsdoelen vermeld.

Tabel 3.4 Instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen

Code

Nederlandse naam

Doelstelling oppervlakte

Doelstelling kwaliteit

H2110

Embryonale duinen

=

=

H2120

Witte duinen

= (<)

>

23 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Habitattypen

Doelstelling populatie

H2130A

*Grijze duinen (kalkrijk)

=

>

H2130B

*Grijze duinen (kalkarm)

=

>

H2150

Duinheiden met struikhei

=

>

H2160

Duindoornstruwelen

= (<)

=

H2180A

Duinbossen (droog)

=

>

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

=

>

H2190B

Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

>

>

H2190D

Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)

= (<)

=

Nauwe korfslak

=

=

Groenknolorchis

ontwikkeling biotoop

Habitatsoorten H1014 H1903 *

prioritair habitattype

=

Behoudsdoelstelling

>

Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling

(<)

Achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan

= vestiging duurzame populatie

Stikstof In 2020 worden de kritische depositiewaarden (KDW’s) van de volgende habitattypen overschreden: H2130A Grijze duinen (kalkrijk), H2130B Grijze duinen (kalkarm), H2150 Duinheide met Struikhei, H2180A Duinbossen (droog; subtypen be en o), H2190A Vochtige duinvalleien (open water; oligo- tot mesotrofe vormen), H2180C Duinbossen (binnenduinrand) en LG12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen, wat leefgebied betreft van de H1014 nauwe korfslak. Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat stikstof voor H2180C Duinbossen (binnenduinrand) en LG12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen, geen knelpunt vormt (Provincie Zuid-Holland, 2017b). Deze habitattypen zijn dan ook niet in tabel 3.5 weergegeven.

Tabel 3.5 Relevante stikstofgevoelige habitattypen

Code

Nederlandse naam

Knelpunten in relatie tot stikstof

Trend

*Grijze duinen (kalkrijk)

Vergrassing en/of verstruweling door onder andere verhoogde stikstofdepositie, maar met name de aanwezigheid van slibrijk zand, beheerinspanningen en wegvallen van dynamiek en konijnenbegrazing.

=/-

*Grijze duinen (kalkarm)

Vergrassing door hoge stikstofdepositie in combinatie met het gebruik als hondenuitlaatplaats, de grondsoort van de Slaperdijk (een aangelegde dijk).

+/-

H2130B H2150

Duinheiden met struikhei

Vergrassing als gevolg van hoge stikstofaanvoer uit de lucht.

H2180A

Duinbossen (droog)

Aanwezigheid van exoten, mogelijk door invloed van stikstofdepositie

Habitattypen

H2130A

Vochtige duinvalleien (open water) H2190A

+ = Versnellen van de opbouw van organische stof onder invloed van verhoogde atmosferische stikstofdepositie. Dit leidt tot een verhoging van de beschikbaarheid van voedingstoffen. Bij droogvallen mineraliseert een deel van de geaccumuleerde stof, hetgeen de concurrentiepositie van snelgroeiende planten verbetert, ten koste van pioniersoorten

*

prioritair habitattype

+

positief

-

negatief

=

stabiel

?

onbekend

24 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

?

Westduinpark & Wapendal Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal betreft een Habitatrichtlijngebied van in totaal 246 hectare in de provincie Zuid-Holland. Beheerders zijn gemeente Den Haag, Rijkswaterstaat en particulieren. Het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal is op 30 september 2011 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) definitief aangewezen als Natura 2000gebied. Het Westduinpark is een park aan de rand van Den Haag. Het is een breed, gevarieerd en kalkrijk duingebied met kenmerkende habitats van de Hollandse duin- en kuststreek. Er is een breed scala aan vegetatietypen van jonge en oude, droge duinen, met ruigten, graslanden en struwelen en binnenduinbos aanwezig, met karakteristieke flora. Het veel kleinere, tussen de bebouwing van Den Haag gelegen Wapendal bestaat uit een oud duin met struikheivegetatie. In het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal zijn zeven habitattypen opgenomen waarvoor een instandhoudingsdoel geldt (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, 2011b). In tabel 3.6 staan de habitattypen met de bijbehorende instandhoudingsdoelen vermeld.

Tabel 3.6 Instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal

Code

Nederlandse naam

Doelstelling oppervlakte

Doelstelling kwaliteit

H2120

Witte duinen

=

=

H2130A

*Grijze duinen (kalkrijk)

>

>

H2130B

*Grijze duinen (kalkarm)

=

=

H2150

*Duinheiden met struikhei

=

=

H2160

Duindoornstruwelen

= (<)

=

H2180A

Duinbossen (droog)

=

>

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

= (<)

=

*

prioritair habitattype

=

Behoudsdoelstelling

>

Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling

(<)

Achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan

Stikstof In 2020 worden de kritische depositiewaarden (KDW’s) van de volgende habitattypen overschreden: H2120 Witte duinen, H2130A *Grijze duinen (kalkrijk), H2130B *Grijze duinen (kalkarm), H2150 *Duinheiden met struikhei, H2160 Duindoornstruwelen, H2180A Duinbossen (droog) en H2180C Duinbossen (binnenduinrand). Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat stikstof voor H2160 Duindoornstruwelen geen knelpunt vormt (provincie Zuid-Holland, 2017c). Dit habitattype is dan ook niet in tabel 3.7 weergegeven.

Tabel 3.7 Relevante stikstofgevoelige habitattypen

Code

Nederlandse naam

Knelpunten in relatie tot stikstof

Trend

H2120

Witte duinen

Versnelde vergrassing en hiermee vastlegging van de duinen (algengroei en gras), in combinatie met het wegvallen van verstuiving en dynamiek in de zeereep en de achteruitgang van het konijn in de duinen. Doordat de effecten van duinfixatie, stikstofdepositie en het wegvallen van het konijn sterk met elkaar samenhangen, zijn de effecten van de stikstofdepositie niet los te beschouwen.

-

H2130A

*Grijze duinen (kalkrijk)

Hoge stikstofdepositie, in combinatie met het vastleggen van de kust en het teruglopen van de konijnenstand resulteert in vergrassing en verstruweling. Dit wordt ook versterkt door allerlei (door de mens beïnvloede) factoren en processen (aanbrengen teelaarde en organisch stadsafval aangebracht, hondenuitlaat).

-

25 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

H2130B

*Grijze duinen (kalkarm)

afname van kaal zand en open, grazige en half grazige vegetaties en zandige buntgrasvegetaties door te hoge depositie van stikstof. Het ontbreken van voldoende dynamiek (overstuiving) en de afwezigheid van konijnen speelt hier ook een rol in.

-/=

H2150

*Duinheiden met struikhei

De afwezigheid van typische soorten (korstmossen) kan het gevolg zijn van hoge stikstofaanvoer uit de lucht. Zowel verzurende als vermestende effecten van stikstofdepositie zijn nadelig voor korstmossenflora. Daarnaast speelt de dichte structuur van de heidekernen een rol, waardoor (korst)mossen (maar ook (schijn)grassen) geen kans krijgen.

+

H2180A

Duinbossen (droog)

Een mogelijke bedreiging voor de kwaliteit van droge duinbossen is een verdergaande verzuring. De aanwezigheid van de rompgemeenschap zomereikgaffeltandmos (zomereikverbond) is hier een indicator van. Verzuring is een natuurlijke ontwikkeling maar wordt door de stikstofdepositie versterkt. Zodra de kalkbuffer in de bodem is opgelost of uitgespoeld, kan strooisel zich opbouwen en de pH dalen. Echter veel boom- en struiksoorten in duinbossen zijn in staat om kalk uit de ondergrond weer beschikbaar te maken voor de vegetatie, en gaan daarmee verzuring tegen. In Wapendal speelt aanvullend nog de beperkte omvang in relatie tot de aanwezigheid van typische fauna.

?

H2180C

Duinbossen (binnenduinra nd)

De ruige ondergroei van de bossen wijst op (zeer) voedselrijke omstandigheden. Deze lijken echter primair veroorzaakt te zijn door het opbrengen van organisch materiaal in het verleden (t.b.v. parkinrichting en a.g.v. voormalige vuilstort in De Plak) en de hoge vermesting door honden. In hoeverre de depositie van stikstof hier nog (extra) aan bijdraagt, is moeilijk te duiden maar wordt zekerheidshalve meegenomen.

+/-

3.1.4

Wnb beschermde soorten

In onderstaande paragrafen is in tabelvorm beschreven welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen. Hierbij is enerzijds onderscheid gemaakt in waarnemingen bekend uit de NDFF (periode 2014 2018) [www.ndff.nl] en gegevens uit het Portaal Natuur en Milieu van de gemeente Den Haag [https://www.denhaag.nl/]. Ook is aangegeven welke soorten en/of soortgroepen er op basis van de kenmerken van het plangebied redelijkerwijs verwacht mogen worden omdat ze er leefgebied kunnen vinden. In de beschrijving en begeleidende tekst zijn alleen soorten benoemd die onderscheidend (kunnen) zijn in de nadere effectbeoordeling. Per beschermingsregime betekent dat de volgende gegevens zijn opgenomen: - vogelrichtlijn: alle waarnemingen van jaarrond beschermde nesten en vogels met nest- en/of territoriumindicerend gedrag waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn; - habitatrichtlijn: alle waarnemingen van soorten (individuen, verblijfplaatsen en/of sporen); - andere soorten: alle waarnemingen van soorten (individuen, verblijfplaatsen en/of sporen) die niet zijn vrijgesteld middels bijlage 6 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud.

Waarnemingen of het verwachte voorkomen van soorten die niet onderscheidend zijn in de nadere effectbeoordeling, worden voor het hele projectgebied kort besproken onder het kopje ‘Algemeen’. Dit betreffen algemene broedvogels en soorten die binnen de Provincie Zuid-Holland zijn vrijgesteld in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Vogelrichtlijn: algemene broedvogels Het plangebied kent een grote diversiteit aan potentieel broedbiotoop voor een groot aantal algemeen voorkomende vogelsoorten. Dit broedbiotoop bestaat onder andere uit bomen, struiken/struweel, hagen, oevers van watergangen en bebouwing. Het is met zekerheid te stellen dat in de periode half maart-half juli broedende vogels in deze biotopen aanwezig zijn. Doorgaans wordt door bevoegd gezag geen ontheffing verleend voor overtredingen in het kader van broedgevallen van algemeen voorkomende vogels. Overtredingen zijn namelijk vrij eenvoudig te voorkomen, door bijvoorbeeld: - buiten het broedseizoen (dat duurt van globaal van 15 maart tot 15 juli) te werken;

26 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

-

-

potentiële broedplekken (vegetatie) voorafgaand aan het broedseizoen en de werkzaamheden ongeschikt te maken voor broedende vogels (maaien, snoeien, kappen) en kort houden tijdens het broedseizoen (om latere vestiging van broedvogels te voorkomen); de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen in te zetten en dan continue door te werken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt.

Andere Soorten: vrijgestelde soorten De Provincie Zuid-Holland heeft een aantal algemeen voorkomende soorten die beschermd zijn binnen het beschermingsregime ‘Andere soorten’, vrijgesteld in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. De vrijstelling geldt voor het beschadigen/vernietigen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen en het doden/plukken van individuen. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht. De soorten zijn opgenomen in bijlage 6 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland. Het plangebied van CID Den Haag is groot herbergt een grote diversiteit aan habitats waar vrijgestelde soorten geschikt leefgebied kunnen vinden. Daarom is met zekerheid te stellen dat in het plangebied beschermde, maar vrijgestelde soorten voorkomen. In tabel 3.8 zijn deze soorten weergegeven.

Tabel 3.8 Vrijgestelde soorten in de Zuid-Holland Soorten aardmuis

huisspitsmuis

bosmuis

kleine watersalamander

bruine kikker

konijn

bunzing

meerkikker

dwergmuis

middelste groene kikker/bastaardkikker

dwergspitsmuis

ree

egel

rosse woelmuis

gewone bosspitsmuis

veldmuis

gewone pad

vos

haas

wezel

hermelijn

woelrat

Plangebied Het plangebied bestaat uit infrastructuur (wegen, tram- en spoorlijnen, stations), bebouwing (woonhuizen en -torens, bedrijven, loodsen), braakliggend terrein, watergangen, parken en andere groenstructuren (bomenrijen, struweel). In tabel 3.9 is voor het plangebied CID Den Haag aangegeven welke onderscheidende soorten er in de zijn waargenomen op basis van de NDFF (periode 2015 - 2019) en het Portaal Natuur en Milieu van de gemeente Den Haag. De waarnemingen die zijn gedaan in het plangebied zijn vetgedrukt. De overige waarnemingen betreffen waarnemingen in de zone van ongeveer 200m rondom het plangebied. Het is aannemelijk dat er meer functies voor soorten aanwezig zijn dan ingevoerd in de NDFF en opgenomen in het Portaal Natuur en Milieu van de gemeente Den Haag.

27 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Tabel 3.9 Waarnemingen in en rond plangebied (dikgedrukt: in plangebied; normaal: in 200 m bufferzone rond plangebied) Beschermingsregime

NDFF

Portaal Natuur en Milieu

Vogelrichtlijn

Buizerd (baltsend/parend), gierzwaluw (nest), grote gele kwikstaart (baltsend), huismus (nest), slechtvalk (potentieel nest), sperwer (baltsend) (afbeelding 3.11)

-

Habitatrichtlijn

gewone dwergvleermuis (foerageergebied, verblijfplaats), ruige dwergvleermuis (foerageergebied), watervleermuis, rosse vleermuis (foerageergebied)

algemeen foerageergebied, gewone dwergvleermuis (foerageergebied, verblijfplaats, vliegroute), rosse vleermuis (verblijfplaats) (zie afbeelding 3.12).

Andere soorten

eekhoorn (nest), karthuizeranjer (groeiplaats; afbeelding 3.13), schubvaren (groeiplaats), wilde ridderspoor

schubvaren (groeiplaats)

Het plangebied maakt onderdeel uit van het drukke stedelijk gebied van Den Haag. Het is mogelijk dat ook andere gebouwbewonende vleermuissoorten zoals laatvlieger en mogelijk ook meervleermuis en gewone grootoorvleermuis in het plangebied voorkomen. Vleermuizen en hun essentiële leefgebied zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn. Ook is het niet uit te sluiten de steenmarter in het plangebied voorkomt (beschermingsregime ‘Andere soorten’). De soort wordt waargenomen in Den Haag [www.ndff.nl]. Het plangebied biedt weinig tot geen geschikt leefgebied voor soorten of soortgroepen anders dan in deze paragraaf beschreven.

Afbeelding 3.12 Waarnemingen van jaarrond beschermde nesten en vogels met nest- en/of territoriumindicerend gedrag waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn

28 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.13 Functie van het plangebied en de omgeving voor vleermuizen

Afbeelding 3.14 Groeiplaatsen beschermde vaatplanten

29 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

3.1.5

Natuurnetwerk Nederland

In de omgeving van het plangebied CID Den Haag liggen verschillende gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (afbeelding 3.14 en 3.15). In deze gebieden liggen de beheertypen zoals weergegeven in de legenda in tabel 3.10. Het plangebied overlapt niet met het Natuurnetwerk Nederland of de bijbehorende ecologische verbindingszones. De Provincie kent geen externe werking in het kader van Natuurnetwerk Nederland. Omdat er geen overlap is tussen het plangebied en het Natuurnetwerk Nederland, zijn effecten op het Natuurnetwerk Nederland op voorhand uitgesloten. Het Natuurnetwerk Nederland wordt hiermee niet verder behandeld.

Afbeelding 3.15 Globale ligging plangebied (rode kader) en het Natuurnetwerk Nederland (groene arcering)

30 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Afbeelding 3.16 Globale ligging plangebied (rode kader) en de beheertypen van het Natuurnetwerk Nederland (gekleurde arceringen)

Tabel 3.10

Legenda van beheertypen behorend tot afbeelding 3.16 globale ligging plangebied (rode kader) en de beheertypen van het natuurnetwerk nederland (gekleurde arceringen)

Beheertype

Legendakleur

N04.02 Zoete Plas N10.02 Vochtig hooiland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N14.03 Haagbeuken- en essenbos N15.01 Duinbos N17.03 Park- of stinzenbos N17.05 Wilgengriend

3.1.6

Stadsklimaat

Hittestress In steden is het relatief warmer dan in de rurale omgeving; vooral ’s avonds en ’s nachts is blijft het vaak 5 tot 8 graden warmer dan in omliggende gebieden. Het verschijnsel dat de temperatuur in een stad hoger is dan op het platteland wordt ook wel aangeduid als het hitte-eilandeffect. Het hitte-eilandeffect is het resultaat van het hoge percentage bebouwing, verharding en het geringe aandeel groen in de stad in vergelijking tot het omliggende platteland. Het CID is bij uitstek een gebied met een hoge dichtheid aan bebouwing en veel verharding. Vooral voor kwetsbare groepen, zoals ouderen, pasgeborenen en mensen met een respiratoire aandoening, kan het voorkomen van hittestress risicovol zijn.

31 | 64

Witteveen+Bos | 110741/20-004-535 | Definitief 02

Een studie van TNO (TNO, 2012) toonde aan dat Den Haag van alle Nederlandse steden het sterkste hitteeiland effect zou kennen. Op basis van een opvolgend onderzoek genaamd ‘Haagse Hitte’ is vastgesteld dat het hitte-eilandeffect in Den Haag inderdaad fors is, maar niet ernstiger dan in de rest van de metropoolregio. Wel is er aangetoond dat het hitte-eilandeffect in Den Haag zich vooral afspeelt in de stadsdelen Centrum, Scheveningen en Laak (inclusief de Binckhorst). Binnen het CID vallen onder andere de stadsdelen Centrum en de Binckhorst. De studie ‘Haagse hitte’ toonde aan dat voornamelijk de mate van verharding, het gebrek aan weerkaatsing van zonlicht (albedo), de afwezigheid van groen en oppervlaktewater, schaduw en sky-view, gebouwvolume en de korte afstand tot de zee factoren in Den Haag zijn die gezamenlijk het hitte-eiland bepalen in de zomer. Dat er sprake is van een stedelijk hitte-eiland en hittestress in het CID-gebied is te zien in afbeelding 3.16. Deze afbeelding laat de gemiddelde temperatuurstijging per etmaal zien ten opzichte van landelijk gebied. Een stijging van meer dan twee graden (etmaalgemiddelde) geeft gezondheidsrisico’s voor kwetsbare groepen en boven de drie graden voor alle doelgroepen. Echter beperkt de schaal van volgende afbeelding zich tot ‘boven de twee graden’ en specificeert niet nader wat de temperatuurtoename exact is.

Het risico is daarom alleen globaal in te schatten.

Afbeelding 3.17 Hittestress huidige situatie CID (bron: Klimaateffectatlas)

De volgende kaart laat nog nauwkeuriger in het CID de belangrijkste knelpunten zien ten aanzien van hittestress. Hierin is te zien welke onderdelen de grootste bijdrage leveren aan de vorming van hittestress. Let op dat water in deze kaart geen waarde heeft, gezien het feit dat water zowel kan zorgen voor koeling als voor hitte.

32 | 64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9574352/1