CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS302343 Bijlage 1 Vitaliteitsonderzoek Sportverenigingen 2018

Commissie Samenleving 27 mei 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief van wethouder van Onderwijs, Sport en Buitenruimte inzake Vitaliteitsonderzoek sportverenigingen 202021.569 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 3.17

Functies/taken* waarvoor vrijwilligers te kort (185 verenigingen)

Sponsoring (werving) Trainer/coach Org. evenementen Bardienst Scheidsrechter Ledenwerving/promotie Beheer/onderhoud website, clubblad Org. wedstrijden/toernooien Andere bestuursfuncties Leider Beheer/onderhoud accommodatie Beheer/onderhoud materiaal Jeugdbestuur Secretaris Voorzitter Sportmedische zorg Penningmeester Anders

35% 33% 30% 27% 26% 26% 24% 23% 21% 17% 15% 15% 11% 8% 8% 8% 7% 3% 0%

*

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

Omdat verenigingen voor meer functies/taken vrijwilligers te kort kunnen komen, tellen de percentages niet op tot 100%.

Er is het meest behoefte aan mensen voor de sponsoring, voor training of coaching en voor het organiseren van evenementen. Ook voor de bardienst komen verenigingen regelmatig mensen te kort. Voor de bestuursfuncties hoeft men minder vaak naar vrijwilligers op zoek.

- 23 -

Kleine en grote verenigingen Kleine verenigingen zijn wat vaker dan grote verenigingen op zoek naar vrijwilligers voor een voorzitter, voor beheer (zowel accommodatie als website, etc.) en voor een penningmeester. Grote verenigingen hebben, meer dan kleine verenigingen, moeite om vrijwilligers te vinden voor de functie van leider, scheidsrechter, trainer, coach en voor de bardienst. Er zijn voor sportverenigingen diverse mogelijkheden om de vrijwilligers en bestuursleden bij te scholen of op te leiden. Cursussen en bijeenkomsten worden door verschillende organisaties verzorgd, zoals de gemeente, maar ook de sportbonden. Vrijwilligers of bestuursleden van acht op de tien verenigingen zijn bij dergelijke bijeenkomsten aanwezig geweest. Hieronder is te zien om welke bijeenkomsten het gaat. Figuur 3.18

Aanwezigheid verenigingen bij cursussen en bijeenkomsten (185 verenigingen)

EHBO of Automatische Externe Defibrillator… Instructie Verantwoord Alcoholschenken (IVA) Communicatie Ledenwerving en -behoud Veilig sportklimaat / Sportiviteit en respect Positief coachen Exploitatie kantine Strategie/beleid Maatschappelijke act. ondernemen (B vd T) Werving en behouden vrijwilligers Sponsoring (werving) Ledenadministratie Financiën/boekhouden 0% *

42% 35% 30% 29% 26% 26% 24% 23% 23% 22% 18% 14% 9% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45%

Omdat verenigingen bij meer cursussen/bijeenkomsten aanwezig kunnen zijn, tellen de percentages niet op tot 100%.

EHBO- of AED-cursussen worden veruit het meeste bezocht door verenigingen. Iets meer dan vier van de tien verenigingen (42%) zijn bij deze cursussen aanwezig geweest. Andere trainingen die veel zijn bezocht zijn instructie verantwoord alcohol schenken, communicatie en ledenwerving en –behoud. Kleine en grote verenigingen  Vrijwilligers bij grote verenigingen gaan vaker naar cursussen of bijeenkomsten dan vrijwilligers bij kleine verenigingen (respectievelijk 94% en 71%).  Vooral de cursussen/bijeenkomsten over veilig sportklimaat/sportiviteit en respect, Instructie Verantwoord Alcoholschenken, EHBO/AED zijn populairder bij grote verenigingen dan bij kleine. Verschillende sportsoorten  Vrijwilligers bij zwem- en voetbalverenigingen en beach, branding10 en watersport zijn veel bij cursussen/bijeenkomsten aanwezig geweest.  Vrijwilligers bij denksportverenigingen hebben weinig cursussen/bijeenkomsten bezocht. Vitaliteit: thema kader 71% van de verenigingen heeft voldoende vrijwilligers of een tekort dat beheersbaar is. Bij 80% van de verenigingen zijn de vrijwilligers of bestuursleden aanwezig geweest bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten.

10

Dit percentage wijkt overigens net niet significant af van het gemiddelde.

- 24 -

3.5

FINANCIËN

3.5.1

Financiële situatie

Hieronder kunt u zien hoe de financiële situatie het afgelopen jaar is geweest bij de verenigingen in het onderzoek. De verenigingen hebben in februari de vragenlijst ingevuld en er is gevraagd naar de situatie in het huidige seizoen. Voor veel verenigingen loopt het seizoen van de zomer tot de volgende zomer, maar voor andere verenigingen loopt het gelijk aan het kalenderjaar.11 Figuur 3.19

Financiële situatie, seizoen 2017/2018 (185 verenigingen)

Iets minder dan negen van de tien verenigingen (88%) hebben in het huidige seizoen aan alle financiële verplichtingen kunnen voldoen. Een deel van de verenigingen (10%) kon nog niet aangeven of zij dit seizoen aan alle financiële verplichtingen zouden kunnen voldoen12. Zeven van de tien verenigingen geven aan in het huidige seizoen geen negatief financieel resultaat te hebben. Het percentage verenigingen dat daar nog niets over kan zeggen is hier groter, 19%. 11% van de verenigingen geeft aan dit seizoen een negatief financieel resultaat te hebben. Kleine en grote verenigingen en sportsoort  Er is geen verschil tussen grote en kleine verenigingen in de mate waaraan zij aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen en in het financiële resultaat.  De aantallen zijn te klein om uitsplitsingen te doen naar de verschillende sportsoorten. Vitaliteit: thema financiën 89% van de verenigingen kan de laatste drie jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen. Voor 67% van de verenigingen is het financiële resultaat de afgelopen drie jaar nul of positief geweest.

11

In de onderzoeken in 2012 en 2014 hebben de verenigingen in april/mei de vragenlijst ingevuld in plaats van in januari. De vraagstelling was toen hetzelfde. Het leek ons dat het voor de verenigingen waar het seizoen van zomer tot zomer loopt, makkelijker is om in april een inschatting te maken van de financiële situatie in het betreffende seizoen dan wanneer dat al in januari moet gebeuren. We hielden er rekening mee dat er daarom meer verenigingen zouden zijn die nog niets zouden kunnen zeggen over de financiële situatie op dat moment, maar dat bleek niet het geval te zijn. 12 Voor het vaststellen of een vereniging vitaal is geldt als voorwaarde dat aan alle financiële verplichtingen is voldaan. Verenigingen waar dit nog niet bekend was, voldoen alsnog aan deze voorwaarde als het jaar ervoor wél aan de financiële verplichtingen kon worden voldaan.

- 25 -

3.5.2

De begroting en reserves

Het overgrote deel van de verenigingen (92%) heeft een begroting voor het huidige seizoen. Ongeveer twee derde van de verenigingen (66%) spaart geld met een bepaald doel of een bepaalde bestemming. En bijna driekwart van de verenigingen(74%) heeft (daarnaast) een financiële buffer of eigen vermogen. Kleine en grote verenigingen en sportsoort  Er zijn geen significante verschillen tussen kleine en grote verenigingen op deze punten. Wel valt op dat op één vereniging na alle grote verenigingen een begroting hebben.  Verenigingen voor beach, branding en watersport en zwemmen sparen relatief vaak voor een bepaald doel (meer dan 90%). Verenigingen voor vechtsport en/of zelfverdediging en overige balsporten sparen relatief minder vaak voor een bepaald doel (ongeveer de helft van de verenigingen).  Alle zwemverenigingen die meedoen aan het onderzoek, hebben (naast het spaargeld voor een bepaald doel) een financiële buffer of eigen vermogen. Dat geldt echter voor de helft van de voetbalverenigingen en voor vechtsport en/of zelfverdediging13 (56% en 54%). In de volgende figuur kunt u zien met welk doel verenigingen geld sparen.

Figuur 3.20

Bestemming van het spaargeld* (185 verenigingen)

Onderhoud accommodatie

36%

Aanschaf sportmaterialen

35%

Lustrum

28%

Anders

21% 0%

*

5%

10% 15% 20% 25% 30% 35% 40%

Omdat verenigingen voor meer bestemmingen geld opzij kunnen zetten, tellen de percentages niet op tot 100%.

In de figuur is te zien dat ruim een derde van de verenigingen geld reserveert voor het onderhoud van de accommodatie. Bijna net zo groot is de groep die geld reserveert voor de aanschaf van sportmaterialen. Iets minder, maar nog steeds ruim een kwart van de verenigingen (28%), spaart geld om een lustrum te vieren. Ongeveer één op de vijf verenigingen noemt andere zaken, zoals nieuwbouw, faciliteiten en materiaal of marketing. Kleine en grote verenigingen  Er is weinig verschil tussen grote en kleine verenigingen voor wat betreft de bestemming van het spaargeld. Vitaliteit: thema financiën Bij 92% van de verenigingen is een begroting voor het huidige seizoen aanwezig. 74% van de verenigingen heeft een financiële buffer of eigen vermogen. 67% van de verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie, reserveert geld voor het onderhoud van die accommodatie.

13

Dit percentage wijkt overigens net niet significant af van het gemiddelde.

- 26 -

3.6

MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE VAN VERENIGINGEN

Om de maatschappelijke functie van de verenigingen vast te stellen, hebben we zes indicatoren opgesteld: - Er is een beleidsplan aanwezig voor maatschappelijke functie van vereniging. - De organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten, gericht op niet-leden. Zo niet: concrete plannen hiervoor. - Er is iemand verantwoordelijk voor ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten. - De sport-, club- of kleedaccommodatie wordt gebruikt door andere organisaties dan alleen de sportvereniging. - Er is een aanbod voor specifieke doelgroepen (ouderen, mensen met een beperking) of er zijn concrete plannen hiervoor. - Er is structurele samenwerking met één of meer partners uit zorg, welzijn of onderwijs (buiten gebruik van de accommodatie). Zo niet: concrete plannen hiervoor óf oppervlakkige, incidentele contacten In deze paragraaf zullen we deze indicatoren bespreken. Aan het eind van de paragraaf geven we aan in hoeverre de verenigingen in het onderzoek een maatschappelijke functie in de stad vervullen. We vinden het belangrijk om hier op te merken dat we hier een kunstmatige grens gesteld hebben die wij gebruiken om de verenigingen in te kunnen delen. Uiteraard vervullen alle sportverenigingen in de praktijk een belangrijke maatschappelijke functie in de stad. In 4.2 gaan we hier verder op in.

3.6.1

Beleidsplan maatschappelijke functie

19% van de verenigingen heeft een beleidsplan voor de maatschappelijke functie van de vereniging op papier gezet. Nog eens 11% is bezig met zo’n beleidsplan. Kleine en grote verenigingen  Grote verenigingen hebben vaker dan kleine verenigingen een maatschappelijk beleidsplan op papier gezet (respectievelijk 32 en 11%).  Voor wat betreft de verenigingen die bezig zijn met het opstellen van een beleidsplan voor de maatschappelijke functie, is er geen verschil tussen grote en kleine verenigingen. Verschillende sportsoorten  Er is geen significant verschil tussen verenigingen met verschillende sportsoorten naar het wel of niet hebben of bezig zijn met een maatschappelijk beleidsplan. Wel valt op dat geen van de denksportverenigingen die aan dit onderzoek hebben meegedaan een beleidsplan hebben voor de maatschappelijk functie.  Bovenstaande geldt als we afzonderlijk kijken naar het hebben van of het bezig zijn met een beleidsplan maatschappelijke functie. Als we echter kijken naar het percentage verenigingen dat een plan heeft of er mee bezig is (conform indicator 3) dan zijn er wel verschillen. Voor beach branding en watersport en overige balsport verenigingen is dit percentage hoog (58% en 55% terwijl het gemiddeld 30% is). Voor denksport verenigingen is dit percentage slechts 5%.

Maatschappelijke functie; beleid en visie 19% van de verenigingen heeft een beleidsplan voor de maatschappelijke functie van de vereniging op papier gezet. 11% van de verenigingen is bezig met een dergelijk beleidsplan.

3.6.2

Andere activiteiten

Voor de mate waarin sportverenigingen een maatschappelijke functie vervullen, vinden we het belangrijk om te kijken naar de activiteiten die zij organiseren gericht op niet-leden, het gaat dan om andere activiteiten dan de reguliere sportactiviteiten. U moet hierbij denken aan bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding, maaltijdvoorziening, kaartavonden of fysiotherapie. - 27 -

Figuur 3.21

Organisatie van andere activiteiten en plannen daarvoor (185 verenigingen)

28% Andere activiteiten Plannen voor andere activiteiten 63%

Geen plannen 9%

Ruim een kwart van de verenigingen organiseert maatschappelijke activiteiten, die gericht zijn op nietleden. Nog eens 9% heeft plannen om dergelijke activiteiten de komende jaren te gaan organiseren. Dat betekent dat zes op de tien verenigingen niet bezig zijn met de organisatie van maatschappelijke activiteiten en daar ook geen plannen voor heeft. Kleine en grote verenigingen  Grote verenigingen organiseren vaker activiteiten gericht op niet-leden dan kleine verenigingen (respectievelijk 42 en 19%).  Er is geen significant verschil tussen kleine en grote verenigingen in de mate waarin zij plannen hebben om dergelijke activiteiten te organiseren. Verschillende sportsoorten  Voetbalverenigingen organiseren relatief vaak maatschappelijke activiteiten.  Zwemverenigingen en verenigingen voor denksport organiseren dergelijke activiteiten juist relatief weinig.  Voor wat betreft de plannen die verenigingen hebben om dergelijke activiteiten te organiseren, is er geen verschil tussen verenigingen met verschillende sportsoorten. Maatschappelijke functie: thema leden 28% van de verenigingen organiseert andere activiteiten dan de reguliere sportactiviteiten, gericht op niet-leden. 9% van de verenigingen heeft plannen om binnen twee jaar dergelijke activiteiten te gaan organiseren.

- 28 -

3.6.3

Verantwoordelijk voor maatschappelijke functie

Bij bijna twee derde van de verenigingen (64%) is iemand aanwezig die verantwoordelijk is voor de maatschappelijke activiteiten van de vereniging. Het gaat dan bijvoorbeeld om de samenwerking met welzijnsinstellingen, scholen of naschoolse opvang of om de ontwikkeling van sportaanbod voor nieuwe doelgroepen. Kleine en grote verenigingen  Grote verenigingen hebben vaker dan kleine verenigingen iemand aangesteld die verantwoordelijk is voor de maatschappelijke activiteiten van de vereniging (respectievelijk 79 en 55%). Verschillende sportsoorten  Verenigingen voor verenigingen in de categorie ‘overig bal’ hebben relatief vaak iemand aangesteld die verantwoordelijk is voor de maatschappelijke activiteiten van de vereniging (82). Ook bij voetbalverenigingen en verenigingen voor beach, branding en watersport is relatief vaak (78 en 83%) iemand verantwoordelijk, dit is echter net niet significant.  Verenigingen voor denksport (38%) hebben relatief minder vaak iemand aangesteld voor deze taken. Maatschappelijke functie: thema kader Bij 64% van de verenigingen is er iemand verantwoordelijk voor de maatschappelijke activiteiten van de vereniging.

3.6.4

Gebruik accommodatie door anderen

We vinden het belangrijk te weten in hoeverre bij verenigingen die zeggenschap hebben over het medegebruik van hun accommodatie door anderen de accommodatie ook daadwerkelijk door anderen gebruikt wordt. Van de 82 verenigingen die iets te zeggen hebben over het medegebruik van de accommodatie, blijkt ruim driekwart (77%) het gebruik van de accommodatie te delen met anderen. In de volgende figuur is te zien om welk soort organisaties het dan gaat die gebruik maken van de accommodatie. Figuur 3.22

Organisaties die gebruik maken van de sport-, club- of kleedaccommodatie (82) verenigingen) Andere sportverenigingen

40%

School

38%

Buurt-/wijk-/welzijnsorganisaties

28%

Naschoolse opvang

17%

Fysiotherapeut/huisarts/zorginstelling

9%

Commerciële dienstverleners

7%

Jeugdorganisaties

7%

Sportschool/fitnesscentrum

7%

Anders

20% 0%

5%

10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45%

Het zijn vooral andere sportverenigingen en scholen die gebruik maken van de accommodaties van verenigingen. Daarnaast maken ook buurt- en welzijnsorganisaties gebruik van de sportaccommodaties van verenigingen en ook naschoolse opvang komt relatief vaak voor

- 29 -

Maatschappelijke functie: thema accommodatie Bij 77% van de verenigingen die zeggenschap hebben over het medegebruik van de accommodatie wordt de accommodatie gebruikt door (een) andere organisatie(s) dan alleen de sportvereniging.

3.6.5

Sportaanbod voor doelgroepen

Sommige verenigingen hebben in hun sportaanbod extra aandacht voor bepaalde doelgroepen, zoals ouderen, mensen met een beperking, niet-westerse Hagenaars of kinderen of volwassenen met overgewicht. Het gaat dan om een trainingsgroep of trainingsuur dat speciaal voor deze doelgroepen georganiseerd wordt. In de volgende figuur is te zien welk deel van de verenigingen in hun sportaanbod aandacht heeft voor deze doelgroepen (links) en voor welke doelgroepen er dan aandacht is (rechts). Figuur 3.23

Sportaanbod voor specifieke doelgroepen (185 verenigingen) 29%

Ouderen (55+) Mensen met een beperking

19% 11%

Studenten

47% 53%

Niet-westerse Hagenaars

5%

Volwassenen met overgewicht

5%

Kinderen met overgewicht

4%

Werkzoekenden

3%

Statushouders

3% 5%

Anders

Ja

Nee

0%

5% 10% 15% 20% 25% 30% 35%

Bijna de helft van de verenigingen (47%) besteedt in het sportaanbod aandacht aan specifieke groepen. Het gaat dan het vaakst om sportaanbod gericht op ouderen, drie op de tien verenigingen (29%) verzorgen trainingen voor ouderen. Sportaanbod voor mensen met een beperking wordt door 19% van de verenigingen aangeboden. Er zijn maar enkele verenigingen die iets regelen voor statushouders, werkzoekenden of voor kinderen of volwassenen met overgewicht. Kleine en grote verenigingen  Grote verenigingen organiseren vaker een sportaanbod speciaal voor bepaalde groepen dan kleine verenigingen (respectievelijk 65 en 36%).  Als we vervolgens kijken naar de doelgroepen waarvoor het aanbod georganiseerd wordt, is er geen verschil tussen grote en kleine verenigingen. Verschillende sportsoorten  Er zijn geen significante verschillen voor het al dan niet aanbieden van sportactiviteiten voor specifieke doelgroepen.  Er zijn wel significante verschillen als wordt gekeken naar verenigingen die of een sportactiviteit voor specifieke doelgroepen aanbiedt of daar plannen voor heeft (gemiddeld 54% van de verenigingen =indicator 5). Dan blijkt dat denksportverenigingen een relatief laag percentage hebben, namelijk 33%. Het percentage voor turnen fitness en dance is relatief hoog 77%, maar net niet significant hoger. - 30 -

Maatschappelijke functie: thema maatschappelijke activiteiten en contacten in de buurt. 47% van de verenigingen heeft een sportaanbod voor specifieke doelgroepen. 7% is van plan om dat op korte termijn (binnen twee jaar) te gaan organiseren.

3.6.6

Samenwerking met andere organisaties

Of en de mate waarin verenigingen samenwerken met andere organisaties zegt ook iets over de maatschappelijke rol die zij vervullen in de stad. Het gaat dan om samenwerking buiten het gebruik van de accommodaties om. De samenwerking kan zeer divers zijn, van het organiseren van een gezamenlijk sportaanbod tot de organisatie van activiteiten voor buurtbewoners of bepaalde doelgroepen in de stad. Ruim zes op de tien verenigingen (64%) werkt regelmatig samen met een of meer andere organisaties. Nog eens zes op de tien verenigingen (58%) werkt incidenteel samen met een of meer organisaties. Dit kan uiteraard met elkaar overlappen. 18% van de verenigingen geeft aan niet samen te werken met andere organisaties. In de volgende figuur is weergegeven met welk soort organisaties de verenigingen samenwerken, uitgesplitst in regelmatige en incidentele samenwerking (respectievelijk meer dan vijf keer per jaar of vijf keer per jaar of minder). Figuur 3.24

Organisaties waarmee verenigingen intensief of incidenteel samenwerken (185) verenigingen) 44%

Andere sportvereniging

30% 31%

School

22% 18%

Buurt-/wijk-/welzijnsorganisaties

22% 13%

Naschoolse opvang

21% 10%

Fysiotherapeut/huisarts/zorginstelling

15%

Commerciële dienstverlener

8%

Sportschool/fitnesscentrum

8%

16% 20% 3%

Jeugdorganisaties

20% 0%

5%

Regelmatig (> 5 x p.j.) *

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

Incidenteel (max. 5 x p.j.)

Verenigingen kunnen met meer organisaties samenwerken, dus de percentages tellen niet op tot 100 procent.

Als het om regelmatige samenwerking gaat, werken verenigingen meestal samen met andere verenigingen en met scholen. Met andere organisaties wordt ook samengewerkt, maar dan gaat het toch meestal om incidentele samenwerking. Van de verenigingen die niet samenwerken met andere organisaties, is 28% van plan de komende twee jaar met één of meer van deze organisaties te gaan samenwerken. Kleine en grote verenigingen  Grote verenigingen werken vaker dan kleine verenigingen regelmatig samen met andere organisaties (respectievelijk 82 en 52%).  Ook de incidentele samenwerking gebeurt vaker bij grote dan bij kleine verenigingen (respectievelijk 67 en 53%), maar dit verschil is net niet significant  De aantallen zijn te klein om voor grote en kleine verenigingen apart te kijken naar het soort organisaties waarmee zij samenwerken. - 31 -

Verschillende sportsoorten  Als het gaat om regelmatige samenwerking met andere organisaties, zien we dat verenigingen voor zwemmen, ‘overig bal’, voetbal en fitness en turnen en dans vaak samenwerken met andere organisaties.  Verenigingen voor denksport werken weinig samen met andere organisaties.  Voor wat betreft de incidentele samenwerking is er geen verschil tussen verenigingen met verschillende sporttakken. Maatschappelijke functie: thema maatschappelijke activiteiten en contacten in de buurt. 64% van de verenigingen werkt regelmatig samen met andere organisaties (buiten het gezamenlijk gebruik van de accommodatie om). 20% van de verenigingen heeft concrete plannen om te gaan samenwerken of werkt op incidentele basis samen met andere organisaties.

- 32 -

4 Vitale sportverenigingen In dit hoofdstuk laten we eerst zien hoe vitaal de Haagse sportverenigingen in 2018 zijn. Daarna maken we een combinatie met de maatschappelijke functie van verenigingen en tot slot zullen we kijken bij welke indicatoren de problemen liggen voor verenigingen die niet vitaal zijn. 4.1

VITALE SPORTVERENIGINGEN

In dit onderzoek zijn achttien indicatoren gebruikt die iets zeggen over de vitaliteit van een vereniging. Daarnaast zijn er drie voorwaarden waar verenigingen in elk geval aan moeten voldoen om vitaal genoemd te worden. Hieronder zetten we op een rij hoe de verenigingen in het onderzoek scoren op de indicatoren. Tabel 4.1

Scores verenigingen op indicatoren en voorwaarden vitaliteit (185 verenigingen)

Indicatoren

Percentage verenigingen

Totaal aantal verenigingen

1. Ledenaantal afgelopen drie jaar stabiel.

82%

185

2. Onderneemt activiteiten voor ledenbinding.

85%

185

3. Minimaal twee commissies (grote verenigingen met meer dan 300 leden: minimaal vijf).

84%

185

4. Algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris.

86%

185

5. Voldoende vrijwilligers of een beheersbaar tekort.

71%

185

6. Beschreven functieprofielen voor de bestuursfuncties.

62%

185

7. Aanwezig bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten.

81%

185

8. Beleidsplan aanwezig op minimaal twee terreinen, waaronder een algemeen beleidsplan

50%

185

Zo niet: minimaal één beleidsplan of bezig met twee

31%

185

9. Acties uit minimaal twee beleidsplannen worden uitgevoerd.

62%

185

10. Afgelopen twee jaar nieuwe sporttak begonnen.

17%

185

Zo niet: plannen daarvoor binnen twee jaar.

7%

185

11. Plannen om uit te breiden of de accommodatie aan te passen.

54%

185

12. Er is een meerjarenonderhoudsplanning aanwezig.

69%

84

13. Er wordt gereserveerd voor onderhoud.

66%

84

14. Er is een accommodatiecommissie aanwezig

68%

84

15. Begroting aanwezig.

92%

185

16. Vereniging kan laatste drie jaar aan alle verplichtingen voldoen.

89%

185

17. Financiële resultaat is de afgelopen drie jaar niet negatief.

67%

185

18. Eigen vermogen.

74%

185

Leden

Kader

Beleid en visie

Accommodatie

Financiën

- 33 -

Vervolg Tabel 4.1 Voorwaarden

Percentage verenigingen

1. Het algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris.

86%

2. Er is een actuele begroting aanwezig.

92%

3. De vereniging kan het laatste jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen.

95%

Voldoet aan alle drie de voorwaarden

80%

Totaal aantal verenigingen 185 185 185 185

Verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie kunnen maximaal 17,5 punten krijgen voor vitaliteit en verenigingen die deze verantwoordelijkheid niet hebben, kunnen maximaal 14,5 punten krijgen. Om vitaal genoemd te worden, moeten verenigingen ten eerste aan de drie bovenstaande voorwaarden voldoen. Ten tweede moeten ze een minimaal aantal punten halen op de indicatoren: voor verenigingen met verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud is dit minimaal twaalf punten en voor verenigingen zonder die verantwoordelijkheid is dit minimaal tien punten. Figuur 4.1

Vitaliteit ( 185 verenigingen)

40% niet vitaal vitaal 60%

Zes op de tien verenigingen is vitaal volgens de door ons gehanteerde definitie. Vier op de tien is niet vitaal. In de volgende figuur is te zien wat het verschil is in vitaliteit van grote en kleine verenigingen. Figuur 4.2

Vitaliteit bij kleine en grote verenigingen (respectievelijk 112 en 72 verenigingen)

- 34 -

90% 79%

80% 70% 60% 50%

52%

48% niet vitaal

40%

vitaal

30%

21%

20% 10% 0% Kleine vereniging (<= 300 leden)

Grote vereniging (> 300 leden)

In de figuur is te zien dat bij de kleine verenigingen de verdeling tussen niet-vitale en vitale verenigingen ongeveer gelijk opgaat. Dat is een groot verschil met de grote verenigingen, waar acht van de tien verenigingen vitaal zijn. We moeten hier een kanttekening plaatsen dat de context waarin kleine verenigingen werken vaak een heel andere is dan die waarin grote verenigingen opereren. Voor veel kleine verenigingen is het niet nodig om beleid te ontwikkelen om goed te kunnen functioneren. In de volgende figuur kijken we naar de verschillende sporttakken. In de figuur nemen we alleen die sporttakken op die door voldoende verenigingen (minimaal negen) in het onderzoek aangeboden worden. Figuur 4.3 Vitaliteit bij de verschillende sporttakken (171 verenigingen, gesorteerd op aandeel vitale verenigingen) Racketsport

23

5

Beach, Branding, Watersport

3

Zwemmen

3

9 8

Overig bal

13

9

Voetbal Fitness, Turnen enDans

6

vitaal

21

15

niet vitaal

7 10 11

Denksport 8

Zelfverdediging, Vechtsport Overig

16 18

10

0

5

10

15

20

25

Het valt op dat er vooral onder de verenigingen voor racketsport, beach- en watersport en zwemmen veel vitale verenigingen zijn. Verenigingen voor denksport en vechtsport zijn minder vaak vitaal, volgens de opgestelde criteria.

4.2

MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE VAN VERENIGINGEN

Alle sportverenigingen hebben een maatschappelijke functie in de stad. Behalve de sportgelegenheid die zij bieden, hebben ze een belangrijke sociale functie. En daarnaast zorgen zij ervoor dat - 35 -

Hagenaars in beweging zijn, wat goed is voor de gezondheid en vitaliteit van de bevolking. Een aantal sportverenigingen zijn heel actief bezig met de invulling van een maatschappelijke functie door bijvoorbeeld ook de buurtbewoners bij de verenigingen te betrekken. Zij kunnen uiteindelijk een Buurthuis van de Toekomst worden. Dit onderzoek moet inzicht geven in de mate waarin verenigingen een maatschappelijke functie vervullen. Daarom hebben we een grens gesteld om vast te stellen welke verenigingen een brede maatschappelijke functie vervullen in de stad (voor meer informatie, zie de onderzoeksverantwoording in bijlage II). Dit is een kunstmatige grens die wij hebben gesteld, maar dat doet niets af aan de belangrijke maatschappelijke functie die álle verenigingen vervullen in de stad. In tabel 4.2 zetten we de uitkomsten op de zes indicatoren die we gebruiken nog even op een rijtje.

- 36 -

Tabel 4.2

Uitkomsten indicatoren maatschappelijke functie (185 verenigingen)

Indicatoren

Percentage verenigingen

Indicator 1 Organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten gericht op niet-leden. Zo niet: concrete plannen voor activiteiten voor niet-leden. Indicator 2 Iemand is bezig met de ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten.

Aantal verenigingen

28%

185

9% 64%

Indicator 3 Beleidsplan aanwezig op maatschappelijke functie van de vereniging. Zo niet: bezig met beleidsplan maatschappelijke functie.

185

19%

185

11%

Indicator 4 Accommodatie wordt gebruikt door andere organisaties dan alleen de sportvereniging Indicator 5 Sportaanbod voor specifieke doelgroepen (ouderen, beperking). Zo niet: concrete plannen hiervoor. Indicator 6 Structurele samenwerking met één of meer partners uit zorg, welzijn of onderwijs (buiten gebruik accommodatie). Zo niet: concrete plannen hiervoor óf oppervlakkige, incidentele contacten (buiten gebruik accommodatie).

77%

82

47% 7%

185

64% 185 21%

Per indicator kregen verenigingen nul, een halve of één punt, afhankelijk van hun situatie. In totaal konden verenigingen mét zeggenschap over het medegebruik van de accommodatie (Indicator 4) maximaal zes punten halen en verenigingen zonder deze zeggenschap konden maximaal vijf punten halen. Voor verenigingen mét zeggenschap over het gebruik van de accommodatie hebben we de grens bij vier punten gelegd: bij verenigingen met vier punten of meer gaan we er van uit dat zij een brede maatschappelijke functie vervullen in de stad. Voor verenigingen zonder zeggenschap over het gebruik van de accommodatie ligt de grens bij drie punten. Het resultaat is in de figuur hieronder te zien. Figuur 4.4

Brede maatschappelijke functie van verenigingen (185 verenigingen)

46% 54%

Ja Nee

Bijna de helft van de verenigingen (46%) in het onderzoek vervult een brede maatschappelijke functie in de stad.

- 37 -

Figuur 4.5

Brede maatschappelijke functie bij kleine en grote verenigingen (respectievelijk 112 en 72 vereniging)

80% 68%

67%

70% 60% 50% 40%

Ja

33%

32%

Nee

30% 20% 10% 0% Kleine vereniging (<= 300 leden)

Grote vereniging (> 300 leden)

Er is een duidelijk verschil tussen kleine en grote verenigingen in de mate waarin zij een maatschappelijke functie vervullen: twee derde van de grote verenigingen vervult een brede maatschappelijke functie in de stad, terwijl dat bij de kleine verenigingen één derde is. Er is ook een verschil tussen verenigingen met verschillende sporttakken. Dit is goed te zien in de volgende figuur. Figuur 4.6 Brede maatschappelijke functie naar sporttak (171 verenigingen, gesorteerd op aandeel vitale verenigingen) Beach, Branding, Watersport

8

4

Voetbal

22

14

Overig bal

13

9

Fitness, Turnen, Dans

6

7 11

Zelfverdediging, Vechtsport 5

Zwemmen

ja

13

nee

6 12

Racketsport

16

3

Denksport

18 14 14

Overig 0

5

10

15

20

25

In de figuur is te zien dat verenigingen voor beach, branding en watersport en voetbalverenigingen vaker een brede maatschappelijke functie vervullen. Verenigingen voor denksport vervullen juist relatief weinig een brede maatschappelijke functie.

- 38 -

4.3

VITALITEIT EN MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE

Uit het onderzoek blijkt dat 61% van de verenigingen vitaal is en 46% een maatschappelijke functie vervult. In deze paragraaf zullen we kijken naar de combinatie van vitaliteit en een maatschappelijke functie. Voor het gemak hebben we de vier verschillende categorieën een label gegeven:  A: niet-vitale vereniging zonder maatschappelijke functie,  A+: niet-vitale vereniging met maatschappelijke functie,  B: vitale vereniging zonder maatschappelijke functie,  B+: vitale vereniging met maatschappelijke functie. In de volgende figuur geven we weer hoe de verenigingen in Den Haag verdeeld zijn over deze categorieën. Figuur 4.7

Vitaliteit én maatschappelijke functie (185 verenigingen)

24% 29%

A (niet vitaal) A+ (niet vitaal + maatsch.f.) B+ (vitaal + maatsch.f.)

10%

B (vitaal)

36%

Bijna drie op de tien verenigingen (29%) zijn niet vitaal en vervult ook geen brede maatschappelijke functie. Eén op de tien verenigingen is niet vitaal, maar vervult wel een maatschappelijke functie. Ruim één derde van de verenigingen (36%) is vitaal met een maatschappelijke functie en nog eens bijna een kwart (24%) is vitaal, maar dan zonder brede maatschappelijke functie. In de figuur is te zien dat 6 van de tien vitale verenigingen een maatschappelijke functie vervullen en van de niet-vitale verenigingen vervult bijna een kwart een maatschappelijke functie.

- 39 -

In de volgende figuur maken we onderscheid tussen kleine en grote verenigingen. Figuur 4.8

Vitaliteit en maatschappelijke functie bij kleine en grote verenigingen (respectievelijk 112 en 72 verenigingen)

70% 60%

60% 50% 40% 40%

A (niet vitaal) A+ (niet vitaal + maatsch.f.)

30%

27%

B+ (vitaal + maatsch.f.)

21%

19%

20% 12%

B (vitaal)

13% 8%

10% 0% Kleine vereniging (<= 300 leden)

Grote vereniging (> 300 leden)

Er is een groot verschil tussen kleine en grote verenigingen in de verdeling van vitaliteit en maatschappelijke functie. Bij de grote verenigingen is zes van de tien verenigingen vitaal in combinatie met een brede maatschappelijke functie die zij vervullen. Bij de kleine verenigingen is dat twee op de tien. Van de kleine verenigingen zijn vier op de tien niet vitaal en vervullen ook geen brede maatschappelijke functie, tegenover (ruim) één op de tien grote verenigingen (13%) Ook hier speelt de verschillende context waarin grote en kleine verenigingen opereren een grote rol.

4.4

KNELPUNTEN IN DE INDICATOREN

In de volgende figuur laten we zien wat de gemiddelde score is op de indicatoren van de vitale en nietvitale verenigingen. Op deze manier is te zien op welke indicatoren de niet-vitale verenigingen slechter scoren dan de vitale. Uiteraard scoren de vitale verenigingen gemiddeld hoger op de afzonderlijke indicatoren dan de niet-vitale verenigingen. Maar voor sommige indicatoren zijn de verschillen groter dan voor andere. Vitale verenigingen scoren beduidend hoger (meer dan 0.4) op de drie indicatoren rond de accommodatie14. Verder scoren vitale verenigingen beduidend hoger op de indicator ‘uitvoeren beleidsplannen’. Vitale verenigingen scoren ook hoger (tussen de 0.3 en 0.4) op vier van de vijf indicatoren voor het thema kader en op de indicator ‘resultaat positief of nul’. Deze indicatoren bepalen in belangrijke mate het verschil tussen vitaal en niet vitaal, kennelijk hebben niet-vitale verenigingen aanzienlijk meer moeite met deze punten. Met name bij ‘visie’ (nieuwe sporttak en uitbreidingsplannen) zijn de verschillen tussen vitale en nietvitale verenigingen kleiner (minder dan 0.1).

14

Het betreft alleen verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud

- 40 -

Figuur 4.9 Gemiddelde scores op indicatoren, vitale en niet-vitale verenigingen (84 verenigingen voor de 3 indicatoren rond accommodatie, voor de overige indicatoren 185 verenigingen) Leden Leden aantal stabiel Activiteiten ledenbinding Kader Voldoende commissies Voldoende bestuursleden Voldoende vrijwilligers Functieprofielen bestuursfuncties Cursussen vrijwilligers Beleid Beleidsplannen aanwezig Acties beleidsplannen uitgevoerd Nieuwe sporttak Uitbreidingsplannen Accommodatie Meerjarenonderhoudsplanning Reserve onderhoud accommodatie Accommodatiecommissie Financien Begroting aanwezig Kan aan verplichtingen voldoen Resultaat posititief of nul Eigen vermogen -

0,25 vitaal

0,50

0,75

1,00

Niet vitaal

Wanneer we kijken naar de verenigingen die wel voldoende punten hebben, maar niet aan alle drie de voorwaarden voldoen, valt op dat bijna al deze verenigingen niet aan de eerste voorwaarde voldoen en aan de overige twee wel. Ze hebben in het algemeen bestuur dus niet minimaal een voorzitter, penningmeester en secretaris, dit is vaak een tijdelijke situatie. Kennelijk is het voor een aantal verenigingen op het moment van het onderzoek een probleem om deze drie functies in het algemeen bestuur te vervullen en vallen ze daardoor niet onder de vitale verenigingen.

4.5

IMPACT VERANTWOORDELIJKHEID ONDERHOUD ACCOMMODATIE

Tot slot is gekeken naar de impact van de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de accommodatie voor de verenigingen. Zoals eerder is gemeld is 45% van de verenigingen verantwoordelijk voor het meerjarig onderhoud van een accommodatie. Uit een nadere analyse blijkt dat voornamelijk de grote verenigingen verantwoordelijk zijn voor het meerjarig onderhoud van de accommodatie (zie tabel 4.3). Tabel 4.3. Omvang verenigingen versus verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie (185 verenigingen) Verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie

Geen verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie

Totaal

Kleine vereniging (<= 300 leden)

31%

69%

100%

Grote vereniging (> 300 leden)

67%

33%

100%

Totaal

45%

55%

100%

- 41 -

Wanneer we kijken naar het verschil in vitaliteit en maatschappelijke functie van de vereniging met en zonder verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de accommodatie, zien we dat de verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van de accommodatie vaker vitaal zijn en vaker een maatschappelijke functie hebben. Figuur 4.10 Vitaliteit en maatschappelijke functie naar verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie (185 verenigingen) vitaal + maatschappelijke functie vitaal niet vitaal + maatschappelijke functie niet vitaal 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

niet verantwoordelijk voor meerjarenonderhoud verantwoordelijk voor meerjarenonderhoud Wanneer we naar de individuele indicatoren kijken, zien we dat verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van de accommodatie bijna altijd gemiddeld wat hoger scoren. Wel is de gemiddelde score voor voldoende vrijwilligers net iets lager dan bij verenigingen die niet verantwoordelijk zijn voor het onderhoud. Verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van de accommodatie scoren relatief hoger op de indicatoren uitvoeren acties beleidsplannen, aanwezig zijn van beleidsplannen, cursussen voor vrijwilligers en voldoende commissies. Figuur 4.11. Gem. scores indicatoren, verenigingen wel en niet verantwoordelijk voor het onderhoud (185 verenigingen) Leden Leden aantal stabiel Activiteiten ledenbinding Kader Voldoende commissies Voldoende bestuursleden Voldoende vrijwilligers Functieprofielen bestuursfuncties Cursussen vrijwilligers Beleid Beleidsplannen aanwezig Acties beleidsplannen uitgevoerd Nieuwe sporttak Uitbreidingsplannen Accommodatie Meerjarenonderhoudsplanning Reserve onderhoud accommodatie Accommodatiecommissie Financien Begroting aanwezig Kan aan verplichtingen voldoen Resultaat posititief of nul Eigen vermogen -

0,25

niet verantwoordelijk voor meerjarenonderhoud

0,50

0,75

1,00

verantwoordelijk voor meerjarenonderhoud

- 42 -

Er is weliswaar een relatief kleine groep niet vitaal (24 verenigingen ), maar deze scoren erg laag op de drie indicatoren die betrekking hebben op het thema accommodatie. Van deze 24 verenigingen scoren 11 verenigingen geen enkele punt op deze drie factoren. Tabel 4.4 Verenigingen verantwoordelijk voor meerjarenonderhoud naar vitaal en niet vitaal en het positief scoren op indicatoren in thema ’accommodatie’. niet vitaal

vitaal

Ind 12: Meerjarenonderhoudsplanning

27%

88%

Ind 13: Reserve voor onderhoud accommodatie

27%

83%

Ind 14: Accommodatiecommissie

39%

81%

- 43 -

5 Veranderingen na 2016 In dit hoofdstuk vergelijken we de resultaten van het onderzoek uit 2016 met de resultaten van het huidige onderzoek. We willen benadrukken dat dit onderzoek geen effectmeting is. Dit onderzoek is niet zo opgezet dat we uitspraken kunnen doen over het effect van specifieke beleidsmaatregelen. Het is een weergave van de resultaten van de 185 verenigingen die de vragenlijst hebben ingevuld. Door het vergelijken van de resultaten van verenigingen die in beide jaren hebben meegedaan kunnen we meer in algemene lijnen concluderen of het beleid van de gemeente op de juiste terreinen wordt ingezet. In de volgende figuur kunt u zien hoeveel verenigingen er in 2016 en 2018 meededen aan het onderzoek en wat de overlap is. Figuur 5.1

Aantal verenigingen in de onderzoeken in 2016 en 2018 (absolute aantallen)

Alleen in 2016

In 2016 en in 2018

Alleen in 2018

153 verenigingen hebben aan beide onderzoeken meegedaan, maar toch ook nog een aanzienlijke groep verenigingen heeft óf in 2016 óf in 2018 meegedaan aan het onderzoek (respectievelijk 32 en 52 verenigingen). Omdat niet dezelfde verenigingen hebben meegedaan is bij de vergelijking van de uitkomsten niet duidelijk of een eventueel geconstateerd verschil toe te schrijven is aan een daadwerkelijke verandering of aan een verschil tussen beide groepen verenigingen. De vergelijking die we in dit hoofdstuk maken tussen de resultaten van het onderzoek uit 2016 en 2018 is daarom gebaseerd op alleen die verenigingen die aan beide onderzoeken hebben meegedaan.15 Om verwarring met de andere hoofdstukken in dit rapport te voorkomen, zullen we geen percentages, maar alleen absolute aantallen noemen.

15

Dit hoofdstuk gaat alleen over der verenigingen die in 2016 én 2018 meededen aan het onderzoek. Ten opzichte van alle verenigingen die in 2016 aan het onderzoek meededen, zitten in de groep verenigingen in dit hoofdstuk aanzienlijk meer vitale verenigingen, wat meer verenigingen met een brede maatschappelijke functie en de combinatie hiervan komt meer voor. Daardoor zijn er aanzienlijk minder niet-vitale verenigingen zonder maatschappelijke functie onder de verenigingen in dit hoofdstuk. Het zijn dus met name de vitale verenigingen uit 2016 die in 2018 weer mee hebben gedaan aan het onderzoek. Ten opzichte van alle verenigingen die in 2016 meededen, zijn er wat meer vitale verenigingen onder de verenigingen in dit hoofdstuk, met name onder de verenigingen met een maatschappelijke functie.

- 44 -

5.1

DE INDICATOREN

In de volgende tabel is te zien in hoeverre de scores op de indicatoren in 2018 veranderd zijn ten opzichte van het onderzoek in 2016. Daaronder staat een tabel met de absolute voorwaarden die gelden bij het vaststellen van vitaliteit. In de tabellen is het absolute aantal verenigingen opgenomen waarvan de score op de betreffende indicator respectievelijk is afgenomen, gelijk is gebleven en is toegenomen. In de rechterkolom hebben we het totale verschil opgenomen: het verschil in het aantal verenigingen dat in 2018 hoger (+) of lager (-) is gaan scoren ten opzichte van 2016. Een voorbeeld: Een voorbeeld: voor 21 verenigingen is het ledenaantal in 2018 niet meer stabiel, terwijl dat in 2016 wel zo was. Andersom zijn er 25 verenigingen waar het ledenaantal momenteel wel stabiel is, terwijl dat in 2016 niet het geval was. Voor 107 verenigingen is de situatie niet veranderd. Per saldo zijn er in 2018 4 verenigingen meer waarvan het leden aantal de afgelopen drie jaar stabiel is (25-21=4). Tabel 5.1

Verandering in de indicatoren voor vitaliteit ten opzichte van 2016 (153 verenigingen, voor de indicatoren 12, 13 en 14 m.b.t. accommodatie 67 verenigingen))

Indicatoren

Verandering ten opzichte van 2014

Saldo

-

(+ of -)

+/-

+

1.

Ledenaantal afgelopen drie jaar stabiel.

21

107

25

4

2.

Onderneemt activiteiten voor ledenbinding.

9

132

12

3

3.

Minimaal twee commissies (grote verenigingen met meer dan 300 leden: minimaal vijf).

7

138

8

1

4.

Algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris.

10

131

12

2

5.

Voldoende vrijwilligers of een beheersbaar tekort.

15

128

10

-5

6.

Beschreven functieprofielen voor de bestuursfuncties.

19

111

23

4

7.

Aanwezig bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten.

11

122

20

9

8.

Beleidsplan aanwezig op minimaal twee terreinen, waaronder een algemeen beleidsplan. Zo niet: minimaal één beleidsplan of bezig met twee.

29

102

22

-7

9.

Acties uit minimaal twee beleidsplannen worden uitgevoerd.

16

120

17

1

10.

Afgelopen twee jaar nieuwe sporttak begonnen. Zo niet: plannen daarvoor binnen twee jaar.

27

98

28

1

11.

Plannen om uit te breiden of de accommodatie aan te passen.

21

111

21

0

12.

Er is een meerjarenonderhoudsplanning aanwezig.

9

44

14

5

13.

Er wordt gereserveerd voor onderhoud.

9

50

8

-1

14.

Er is een accommodatiecommissie aanwezig

11

46

10

-1

15.

Begroting aanwezig.

6

142

5

-1

16.

Vereniging kan laatste drie jaar aan alle verplichtingen voldoen.

8

140

5

-3

17.

Financiële resultaat is de afgelopen drie jaar niet negatief.

21

121

11

-10

18.

Eigen vermogen.

16

124

13

-3

In tabel 5.1 is te zien dat er uiteindelijk op het totaal weinig verschil is tussen de scores van de verenigingen in 2016 en in 2018.Op de meeste indicatoren is een positieve ontwikkeling te zien. Een positieve uitschieter is indicator 7 ‘aanwezig bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten’. Een negatieve uitschieter is indicator 17 ‘financiële resultaat is de afgelopen drie jaar niet negatief’. Hoewel er per saldo dus weinig veranderingen te zien zijn, zijn er wel grote verschuivingen in het aantal verenigingen dat erop vooruit of achteruit is gegaan. Deze verschuivingen heffen elkaar voor - 45 -

een groot deel weer op in het eindsaldo. Voor de volgende indicatoren zijn er flinke verschuivingen: een nieuwe sporttak (indicator 10), stabiel leden aantal (indicator 1), de functieprofielen (indicator 6), de aanwezigheid van beleidsplannen (indicator 8), en plannen om uit te breiden of de accommodatie aan te passen (indicator 11). Deze grote fluctuaties zijn kenmerkend voor de weerbarstige praktijk waarmee verenigingen geconfronteerd worden. De fluctuaties kunnen ook het gevolg zijn van een andere respondent in 2018 die net een andere kijk heeft op de vereniging dan de persoon die de vragenlijst in 2016 heeft ingevuld. Tabel 5.2

Verandering in de voorwaarden voor vitaliteit ten opzichte van 2014

Voorwaarden

Verandering ten opzichte van 2014

Saldo

-

(+ of -)

+/-

+

1.

Minimaal een voorzitter, penningmeester en secretaris in algemeen bestuur.

10

131

12

2

2.

Er is een actuele begroting aanwezig.

6

142

5

-1

3.

De vereniging kan het laatste jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen.

6

142

5

-1

Voldoet aan alle indicatoren.

17

118

18

1

Per saldo zijn er bijna evenveel verenigingen die aan alle voorwaarden voldoen. Er is in 2018 één vereniging meer dan in 2016 die aan alle voorwaarden voldoet. Voor alle voorwaarden afzonderlijk zijn de saldi ook rond de nul. In de volgende tabel laten we zien wat de verschillen zijn tussen scores op de indicatoren voor de brede maatschappelijke functie die verenigingen vervullen. Voor bijna alle indicatoren is het saldo positief. Uitzondering is indicator 1 ‘Organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten, gericht op niet-leden (of plannen daarvoor)’. Er zijn in 2018 meer verenigingen bezig met aanbod voor specifieke doelgroepen en er zijn ook meer verenigingen waar iemand verantwoordelijk is voor het ontwikkelen van maatschappelijke activiteiten. Tabel 5.3 Verandering in de indicatoren voor maatschappelijke functie ten opzichte van 2016 (153 verenigingen) Indicatoren

Verandering ten opzichte van 2014

Saldo

-

(+ of -)

+/-

+

1.

Organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten, gericht op niet-leden. Zo niet: concrete plannen hiervoor.

22

113

18

-4

2.

Er is iemand verantwoordelijk voor ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten.

14

114

25

11

3.

Beleidsplan aanwezig voor maatschappelijke functie van vereniging. Bezig met beleidsplan voor maatschappelijke functie vereniging.

16

114

23

7

4.

Sport-, club- of kleedaccommodatie wordt gebruikt door andere organisaties dan alleen de sportvereniging.

5

42

5

0

5.

Aanbod voor specifieke doelgroepen (ouderen, mensen met een beperking). Zo niet: concrete plannen hiervoor.

17

95

29

12

6.

Structurele samenwerking met een of meer partners uit zorg, welzijn of onderwijs (buiten gebruik van de accommodatie). Zo niet: concrete plannen hiervoor óf oppervlakkige, incidentele contacten

24

101

28

4

- 46 -

5.2

VITALITEIT EN MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE

In de volgende figuren is het aantal vitale en niet-vitale verenigingen en het aantal verenigingen met wel en geen maatschappelijke functie in 2016 en 2018 te zien en de combinatie hiervan. In de figuren is te zien dat onder de verenigingen die beide jaren mee hebben gedaan aan het vitaliteitsonderzoek in 2018 meer verenigingen vitaal zijn en meer verenigingen een maatschappelijke functie vervullen.

Vitale en niet-vitale verenigingen, 2016 en 2018 (aantallen)16

Figuur 5.2

56 59

niet vitaal

2018 2016

97 94

vitaal

0 Figuur 5.3

20

40

60

80

100

120

Wel of geen maatschappelijke functie (MF), in 2016 en 2018 (aantallen) 76

geen MF

85 2018 67 0

Figuur 5.4

20

40

60

80

100

Vitaliteit en maatschappelijke functie (MF) bij verenigingen in 2016 en 2018 (aantallen) 40

niet vitaal

44

16 15

niet vitaal, MF

2018

Vitaal, MF

61

52 36

Vitaal 0 *

2016

76

MF

10

20

30

40

2016

41 50

60

70

De figuur is gebaseerd op de vastgestelde percentages. Omdat deze niet overeenkomen met de percentages elders in het rapport (het gaat tenslotte om een andere groep verenigingen) en om verwarring te voorkomen, nemen we de percentages niet op in de figuur.

Wanneer we kijken naar de figuur met de combinatie zien we dat van de verenigingen die in beide jaren mee hebben gedaan in 2018 61 vitaal zijn met een maatschappelijke functie. In 2016 waren dat er minder, namelijk 52. Het aantal niet-vitale verenigingen zonder maatschappelijke functie is afgenomen van 40 naar 44. De verschillen die we hierboven beschrijven, hebben betrekking op de totale aantallen. Het gaat om het totaal aantal vitale verenigingen dat veranderd is of het totaal aantal verenigingen met een 16

Van 3 van de 149 verenigingen was niet in beide jaren bekend of er een maatschappelijke functie is

- 47 -

maatschappelijke functie. Wanneer we kijken naar de individuele verenigingen wordt zichtbaar dat er wel verschuivingen zijn geweest. Bij 63% van de verenigingen is de vitaliteit (wel of niet vitaal zijn) niet veranderd ten opzichte van 2018. Bij 18% is de vitaliteit afgenomen, maar daar staat tegenover dat 20% de vitaliteit is toegenomen. Voor de brede maatschappelijke functie geldt iets vergelijkbaars: 7% van de verenigingen heeft in 2018 geen brede maatschappelijke functie meer, terwijl ze dat in 2016 wel hadden en 13% heeft in 2018 juist wel een brede maatschappelijke functie en in 2016 niet. Het zou interessant zijn om na te gaan wat aan deze verschuivingen ten grondslag ligt, maar dit vereist nader verdiepend onderzoek. Voor de combinatie van vitaliteit en maatschappelijke functie hebben we de verschuivingen in onderstaande tabel gezet. Tabel 5.4

Percentages verenigingen naar vitaliteit en maatschappelijke functie in 2014 en 2016 (153 verenigingen)

2016

2018 Niet vitaal

Niet vitaal, MF

Vitaal

Vitaal, MF

Niet vitaal

23

1

14

6

44

Niet vitaal, MF

3

2

1

9

15

Vitaal

9

4

19

9

41

Vitaal, MF

5

9

2

37

53

40

16

36

61

153

In de tabel staat aan de linkerkant de situatie in 2016 weergegeven en aan de bovenkant de situatie in 2018. Zo is er bijvoorbeeld één vereniging die in 2016 niet vitaal was zonder een maatschappelijke functie en die in 2018 nog steeds niet vitaal is, maar inmiddels wel een maatschappelijke functie heeft (tweede cel in de bovenste rij). In de tabel zijn de verenigingen die niet veranderd zijn licht blauw gemaakt, deze staan op de diagonaal. In totaal gaat het om 81 verenigingen waarin de situatie niet veranderd is ten opzichte van 2016, dit is iets meer dan de helft (53%). Dat betekent dat bij iets minder dan de helft van de verenigingen een verandering is geweest in de vitaliteit en/of maatschappelijke functie. We zien dat er vooral een verschuiving is van niet vitaal zonder maatschappelijke functie naar vitaal zonder maatschappelijke functie (14 verenigingen).

- 48 -

6 Extra vragen 2018 De gemeente vindt een pedagogisch sportklimaat belangrijk. Daarom wil de gemeente dat verenigingen in hun beleid aandacht hebben voor aspecten die een positieve invloed hebben op het pedagogisch klimaat op de verenigingen. In de vragenlijst van 2018 is hier aandacht aan besteed. In de vragenlijst is ook gevraagd naar de problemen die de verenigingen op dit moment ervaren. Ook hier wordt in dit hoofdstuk over gerapporteerd 6.1

PEDAGOGISCH SPORTKLIMAAT

6.1.1. VERTROUWENSPERSOON Circa de helft van de verenigingen in het onderzoek heeft een centrale vertrouwenspersoon aangewezen.

Figuur 6.1

Aandeel verenigingen met vertrouwenspersoon (185 verenigingen)

ja

49% 51%

nee

Grote verenigingen (meer dan 300 leden) hebben vaker een vertrouwenspersoon dan kleine verenigingen (67% vs 41%). Zwemverenigingen en verenigingen voor zelfverdediging en vechtsport hebben relatief vaak een vertrouwenspersoon aangewezen (73 en 71%).Slechts één op de vijf denksportvernigingen (19%) heeft dit. Verder hebben ruim drie op de vier vitale verenigingen een vertrouwenspersoon en zeven op de tien verenigingen met een brede maatschappelijke functie. Zeven op de tien verenigingen die niet vitaal zijn én zonder brede maatschappelijke functie hebben géén vertrouwens persoon. 6.1.2 Verklaringen omtrent goed gedrag (VOG) De helft van de verenigingen vraagt één of meer VOG’s aan. Verenigingen die VOG’s aanvragen hebben relatief vaak ook een vertrouwens persoon en vice versa. Driekwart van de verenigingen die een vertrouwenspersoon hebben ook VOG’s aangevraagd.

- 49 -

Figuur 6.2

Aandeel verenigingen met VOG’s (185 verenigingen)

ja

50% 50%

nee

Ook voor VOG’s aanvragen geldt dat dit vaker gedaan wordt door grote verenigingen, namelijk door zeven op de tien (68%) Voor kleine verenigingen is dit vier op de tien (38%). Verenigingen voor denksport en beach, branding en watersport vragen reatief weinig een VOG aan (14 en 33%). Zwemverenigingen hebben daarentegen relatief vaak VOG’s aangevraagd (82%). Vooral voor de trainers en coaches worden VOG’s aangevraagd. Figuur 6.3 Functies waarvoor VOG’s zijn aangevraagd (185 verenigingen) Trainers

44%

Coaches

33%

bestuursleden

30%

Teambegeleiders

26%

Anders

14% 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

6.1.3 Actief bezig met specifieke beleidsthema’s Een goede sfeer en plezier, aandacht voor (de ouders van de) jeugd en aandacht voor diversiteit en het stimuleren van een positief klimaat zijn thema’s die bijdragen aan de veiligheid binnen een vereniging. In de vragenlijst is gevraagd of verenigingen hier actief mee bezig zijn. Driekwart van de verenigingen is met één of meer van deze thema’s bezig. Verenigingen met jeugd zijn vaker actief bezig met één van deze thema’s namelijk 88% van de verenigingen. Voor verenigingen zonder jeugd is dit percentage 49%. Verenigingen zijn vooral actief met het thema’s gastvrijheid. Slechts één op de vijf verenigingen is actief bezig met diversiteitsbeleid. Dit geldt voor zowel kleine (16%) als grote verenigingen (24%). Voor de overige thema’ geldt dat grote verenigingen er relatief veel vaker mee bezig zijn dan kleine vereniging. Het verschil is met name groot voor het thema ouderbetrokkenheid (74% vs. 30%). Voor verenigingen met jeugd is 65% actief bezig met het thema ouderbetrokkenheid.

- 50 -

Figuur 6.4 beleidsthema’s waar verenigingen actief mee bezig zijn (185 verenigingen). Gastvrijheid, sfeer

59%

Talent en sportplezier

52%

(On)gewenst gedrag

48%

Ouderbetrokkenheid

47%

Positief Coachen

43%

Diversiteit

19% 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

- 51 -

6.2

PROBLEMEN

In onderstaande grafiek is weergegeven voor welke thema’s problemen worden ervaren. Slechts 16% ervaart geen problemen rond één van deze thema’s. Werving van zowel leden als vrijwilligers staan boven aan de lijst. Kleine verenigingen hebben iets vaker problemen met het werven van leden (72%), grote verenigingen juist met het werven van vrijwilligers (63%) Figuur 6.5 ervaren problemen (185 verenigingen). Ledenwerving en -behoud

51%

Werving en begeleiding van vrijwilligers

45%

Beheer en onderhoud van de accommodatie

18%

Bestuur van de vereniging

15%

Maatschappelijke functie van de vereniging

12%

Ontwikkelen van beleid

10%

Wet- en regelgeving

9%

Beheer van de financiën

5%

Anders, namelijk:

16% 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

- 52 -

Literatuur Diepeveen, M., Vitaliteitsscan sportverenigingen 2016. De vitaliteit en maatschappelijke functie van Haagse sportverenigingen. Den Haag, 2017. Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn, Stafgroep Onderzoek, Strategie en Projecten.

- 53 -

BIJLAGE I

VRAGENLIJSTVRAGENLIJST VITALITEITSSCAN 2018

CONTACTGEGEVENS 0. Wij beschikken over de volgende gegevens van uw vereniging, wilt u deze gegevens controleren en aanvullingen of missende gegevens invullen? Wilt u ook uw naam en uw functie binnen de vereniging invullen? Gegevens in onze administratie Naam vereniging Straat en huisnr (postadres) Postcode (postadres)

Aanvullingen/verbeteringen

xxx Xxx

xxx

Xxx

Plaats (postadres)

xxx

Algemeen mailadres

xxx

Oprichtingsdatum

xxx

Uw naam (invuller vragenlijst) Uw functie 0.1 Welke sport(en) biedt uw vereniging aan? (Meerdere antwoorden mogelijk)

0.2 Is uw vereniging een binnensportvereniging, een buitensportvereniging of beide?  Binnensport  Buitensport  Beide

LEDEN 1. Hoeveel leden heeft uw vereniging momenteel (begin 2018)? Dit is inclusief donateurs en niet-spelende / niet-sportende leden. Als u het precieze aantal niet weet, probeer dan een zo goed mogelijke schatting te geven.

1.a Hoeveel donateurs en niet sportende leden zijn er dit jaar. Als u het precieze aantal niet weet, probeer dan een zo goed mogelijke schatting te geven.

- 54 -

2. Hoeveel leden had uw vereniging een jaar geleden (incl. donateurs en niet-spelende / nietsportende leden)? Als u het precieze aantal niet weet, probeer dan een zo goed mogelijke schatting te geven.

3. Hoeveel leden had uw vereniging twee jaar geleden (incl. donateurs en niet-spelende / nietsportende leden)? Als u het precieze aantal niet weet, probeer dan een zo goed mogelijke schatting te geven.

Niet verplicht 4. Hoeveel leden (incl. donateurs en niet-spelende / niet-sportende leden) zijn er momenteel (begin 2018) in de leeftijden: Als u het precieze aantal niet weet, probeer dan een zo goed mogelijke schatting te geven. Aantal a. 0 t/m 5 jaar b.. 6 t/m 12 jaar: c.. 13 t/m 18 jaar: d.. 19 t/m 44 jaar: e. 45 t/m 64 jaar: f. 65 jaar en ouder 5. Welke activiteiten doet uw vereniging om de leden aan uw vereniging te binden? Het gaat hier om activiteiten buiten de reguliere activiteiten om, dus trainingen en competitiewedstrijden tellen niet mee. (meerdere antwoorden mogelijk)  Toernooien (ook speciale toernooien met bv een thema)  Onderlinge wedstrijden  Ouder-kind sportactiviteiten  Opleidingen (bv. scheidsrechter, trainer)  Andere sportgerelateerde activiteiten, namelijk:  Feesten/barbecue  Bingo-/kaartavonden  Kamp  Clubavonden  Andere niet-sportgerelateerde activiteiten, namelijk:  Geen

- 55 -

KADER 6. Is in het algemeen bestuur van uw vereniging momenteel de functie van voorzitter, penningmeester én secretaris vervuld? (door drie verschillende personen)  Ja, alle drie  vraag 7  Nee, maar wel één of twee van deze functies  Nee, geen van deze functies Als v6 = ‘nee’ 6.0. Waarom is een of meer van deze functies momenteel niet vervuld?

7. Is er bij uw vereniging iemand verantwoordelijk voor de maatschappelijke activiteiten van de vereniging? U kunt hier bijvoorbeeld denken aan de samenwerking met welzijnsinstellingen, scholen of naschoolse opvang of aan de ontwikkeling van sportaanbod voor nieuwe doelgroepen (mensen met een beperking, senioren, kinderen met overgewicht).  Ja  Nee 8. Kunt u hieronder aangeven welke commissies er bij uw vereniging zijn?  Sponsorcommissie (werving gelden)  Toernooicommissie  Kas-/financiële commissie  Topsportcommissie  Commissie voor ledenadministratie  PR-commissie  Accommodatiecommissie  Normen en waardencommissie  Technische commissie  Vrijwilligerscommissie  Wedstrijdcommissie  Kantine-/barcommissie  Scheidsrechtercommissie  Jeugdcommissie  Materialencommissie  Activiteiten- of feestcommissie  Commissie maatschappelijke activiteiten  Anders, namelijk:

 Onze vereniging heeft geen commissies

- 56 -

Niet verplicht 9. Hoeveel vrijwilligers heeft uw vereniging? Het gaat hier om alle vrijwilligers, bijvoorbeeld bestuursleden, trainers, leiders, assistenten, ouders die rijden. Als u het precieze aantal niet weet, probeer dan een zo goed mogelijke schatting te geven. personen 10. Heeft de vereniging genoeg vrijwilligers?  Voldoende  vraag 14  Soms wel, soms niet genoeg vrijwilligers  Onvoldoende Als v10 = 2 of 3 11. Is het tekort aan vrijwilligers beheersbaar of levert het tekort knelpunten op in de organisatie?  Beheersbaar tekort  Knelpunten  Ernstige knelpunten Niet verplicht Als v10 = 2 of 3 12. Hoeveel vrijwilligers komt de vereniging momenteel tekort bij de werkzaamheden binnen de vereniging? Als u het precieze aantal niet weet, probeer dan een zo goed mogelijke schatting te geven.

Als v10 = 2 of 3 13. Voor welke functies of activiteiten komt de vereniging (soms) vrijwilligers tekort? (meerdere antwoorden mogelijk)  Voorzitter  Beheer/onderhoud materiaal  Penningmeester  Beheer/onderhoud/schoonmaak accommodatie  Secretaris  Organisatie evenementen  Andere bestuursfuncties  Sponsoring (werving)  Jeugdbestuur  Ledenwerving/promotie vereniging  Trainer/coach  Beheer/onderhoud website, clubblad  Leider  Bardienst  Scheidsrechter  Sportmedische zorg  Organisatie wedstrijden/toernooien  Anders, namelijk:

- 57 -

14. Zijn vrijwilligers van uw vereniging de afgelopen twee jaar aanwezig geweest bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten over de volgende onderwerpen? (meerdere antwoorden mogelijk)  Exploitatie kantine  Sponsoring (werving)  Strategie/beleid  Ledenadministratie  Communicatie (denk daarbij aan website-communicatie, sociale media)  Ledenwerving en -behoud  Werving en behouden van vrijwilligers  Positief coachen  Veilig sportklimaat / Sportiviteit en respect  Financiën/boekhouden  Maatschappelijke activiteiten ondernemen (Buurthuis van de Toekomst)  Instructie Verantwoord Alcoholschenken (IVA)  Eerste Hulp Bij Ongelukken (EHBO) of Automatische Externe Defibrillator (AED)  Anders, namelijk:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/7529500/1