CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS302343 Bijlage 1 Vitaliteitsonderzoek Sportverenigingen 2018

Commissie Samenleving 27 mei 2021, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief van wethouder van Onderwijs, Sport en Buitenruimte inzake Vitaliteitsonderzoek sportverenigingen 202021.569 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 1

Rapport

Vitaliteitsonderzoek sportverenigingen 2018 November 2018

Vitaliteitsonderzoek sportverenigingen 2018 De vitaliteit en maatschappelijke functie van Haagse sportverenigingen

Uitgave Gemeente Den Haag Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn Stafgroep Onderzoek, Strategie en Projecten Augustus 2018

Redactie Femmelien Busstra Lieke de Jong Theun van Balveren

Dit rapport is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid opgesteld. Toch kan het voorkomen dat bepaalde informatie niet (geheel) juist wordt weergegeven. U kunt geen rechten ontlenen aan de teksten en cijfers uit dit rapport.

Inhoudsopgave SAMENVATTING EN CONCLUSIES

-3-

1

INLEIDING 1.1 Doel en vraagstelling 1.2 Leeswijzer

-3-3-3-

2

HOE WE VITALITEIT METEN 2.1 Vitaliteit 2.2 Maatschappelijke functie

-4-4-5-

3

DE STAND VAN ZAKEN IN 2018 3.1 De deelnemende verenigingen 3.1.1 Grootte van de verenigingen 3.1.2 Sportsoort 3.1.3 Type accommodatie 3.1.4 De stadsdelen 3.2 Beleid 3.2.1 Beleidsplannen 3.2.2 Toekomstplannen 3.2.3 Meerjarenonderhoudsplanning 3.3 Leden en activiteiten 3.3.1 Ledenaantallen 3.3.2 Activiteiten voor ledenbinding 3.4 Kader en vrijwilligers 3.4.1 Bestuursleden 3.4.2 Commissies 3.4.3 Functieprofielen en taakomschrijvingen 3.4.4 Vrijwilligers 3.5 Financiën 3.5.1 Financiële situatie 3.5.2 De begroting en reserves 3.6 Maatschappelijke functie van verenigingen 3.6.1 Beleidsplan maatschappelijke functie 3.6.2 Andere activiteiten 3.6.3 Verantwoordelijke voor maatschappelijke functie 3.6.4 Gebruik accommodatie door anderen 3.6.5 Sportaanbod voor doelgroepen 3.6.6 Samenwerking met andere organisaties

-6-6-6-7-8-9-9-9- 12 - 15 - 16 - 16 - 18 - 19 - 19 - 19 - 21 - 22 - 25 - 25 - 26 - 27 - 27 - 27 - 29 - 29 - 30 - 31 -

4

VITALE SPORTVERENIGINGEN 4.1 Vitale sportverenigingen 4.2 Maatschappelijke functie van verenigingen 4.3 Vitaliteit en maatschappelijke functie 4.4 Knelpunten in de indicatoren 4.5 Impact verantwoordelijkheid onderhoud accommodatie

- 33 - 33 - 35 - 39 - 40 - 41 -

5

VERANDERINGEN NA 2016 5.1 De indicatoren 5.2 Vitaliteit en maatschappelijke functie

- 44 - 45 - 47 -

6

EXTRA VRAGEN 2018 6.1 vertrouwenspersoon 6.2 Verklaringen omtrent goed gedrag (VOG) 6.3 Actief bezig met specifieke beleidsthema’s 6.4 Problemen

- 49 - 49 - 49 - 50 - 52 -

LITERATUUR Bijlage I Bijlage II Bijlage III

Vragenlijst Onderzoeksverantwoording Scoringsmethodiek vitaliteit en maatschappelijke functie

- 53 - 54 - 69 - 71 -

Samenvatting en conclusies Sportverenigingen zijn van grote waarde voor deze stad. Iedere Haagse sportvereniging levert wekelijks fantastische prestaties. Het belang van sportverenigingen is vastgelegd in het beleidskader ‘Sport maakt Den Haag sterker, Den Haag sportief in beweging’. Hierin is de ambitie uitgesproken dat het percentage vitale sportverenigingen de komende periode gaat stijgen. Alleen dan zijn verenigingen nu en in de toekomst in staat gezamenlijk de sport te organiseren en te beoefenen. Veel sportverenigingen beperken zich niet alleen tot de sport, maar vervullen, onder de noemer Buurthuis van de Toekomst, een brede maatschappelijke functie. In het eerder genoemde beleidskader is ook de ambitie uitgesproken om de verenigingen met deze brede maatschappelijke functie te ondersteunen bij de uitvoering van deze functie. Om inzicht te krijgen of deze ambities worden waargemaakt, doet de gemeente Den Haag al sinds 2012 een tweejaarlijks onderzoek naar de vitaliteit van de sportverenigingen in de stad en de mate waarin zij een maatschappelijke functie vervullen. Dit rapport beschrijft de resultaten van de 4e meting in 2018. Er hebben in 2018 185 verenigingen meegedaan aan dit onderzoek. Dat is 70% van de verenigingen die zijn uitgenodigd om deel te nemen1.

Definities vitaliteit en maatschappelijke functie Vitaliteit hebben we gedefinieerd als het vermogen van een vereniging om nu en in de toekomst de eigen sporten aan te kunnen bieden aan eigen en potentiële leden. We hebben achttien indicatoren opgesteld die ten grondslag liggen aan vitaliteit. Deze indicatoren zijn verdeeld over vijf thema’s: de leden van de vereniging, het kader, het beleid en de visie, de accommodatie en de financiën. Een vereniging heeft een brede maatschappelijke functie als zij activiteiten onderneemt die gericht zijn op mensen van buiten de vereniging en/of wanneer de vereniging samenwerkt met andere organisaties. Aan deze maatschappelijke functie liggen zes indicatoren ten grondslag die iets zeggen over de mate waarin de maatschappelijke functie is opgenomen in het beleid. We trekken in dit onderzoek een grens en spreken daarom van verenigingen met en zonder een maatschappelijke functie, maar uiteindelijk vervullen alle verenigingen een maatschappelijke functie in de stad.

In totaal zijn zes op de tien van de verenigingen in 2018 in Den Haag vitaal (60%) zie figuur S1: lichten donkeroranje bij elkaar). In 2016 was dat 54% van de deelnemende verenigingen. Bijna de helft van de verenigingen (46%) heeft een maatschappelijke functie binnen de stad (donkeroranje en donkerblauw bij elkaar). Wanneer we dat met elkaar combineren, blijkt ruim een derde van de verenigingen vitaal te zijn én een maatschappelijke functie te vervullen. Drie op de tien (29%) van de verenigingen zijn niet vitaal en vervullen ook geen maatschappelijke functie. Figuur S.1

Vitaliteit en maatschappelijke functie bij Haagse sportverenigingen

24% 29% A (niet vitaal) A+ (niet vitaal + maatsch.f.) B+ (vitaal + maatsch.f.) B (vitaal) 10% 36%

Veranderingen na 2016 1

Er zijn in 2018 265 sportverenigingen uitgenodigd deel te nemen aan het onderzoek, die allemaal zijn aangesloten bij een bond, waarvan de meesten zijn aangesloten bij NOC*NSF

Om de situatie in 2018 met die van 2016 te vergelijken, hebben we alleen gekeken naar de verenigingen die aan beide onderzoeken hebben meegedaan, dit zijn 153 verenigingen. Tussen 2016 en 2018 zijn er bij deze verenigingen meer positieve dan negatieve verschuivingen geweest. Dat geldt zowel voor de vitaliteit als voor het hebben van een maatschappelijke functie. Bij net iets meer dan de helft (53%) is de categorie (wel of niet vitaal en wel of niet een maatschappelijke functie) nog steeds hetzelfde (81 verenigingen). Bij 63% van de verenigingen is de vitaliteit (wel of niet vitaal zijn) niet veranderd ten opzichte van 2018. Bij 18% is de vitaliteit afgenomen, maar daar staat tegenover dat bij 20% de vitaliteit is toegenomen. Voor de brede maatschappelijke functie geldt iets vergelijkbaars: 7% van de verenigingen heeft in 2018 geen brede maatschappelijke functie meer, terwijl ze dat in 2016 wel hadden en 13% heeft in 2018 juist wel een brede maatschappelijke functie en in 2016 niet. Verschil tussen vitale en niet-vitale verenigingen Wanneer we inzoomen op de verschillen tussen vitale en niet-vitale verenigingen, blijkt dat niet-vitale verenigingen op bijna alle indicatoren significant lager scoren dan vitale verenigingen. Er zijn vier indicatoren waar het verschil groter is dan 0.4 punten. De drie indicatoren van het thema accommodatie vallen alle drie in deze top vier.

Het betreft hier uiteraard alleen verenigingen die ook verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van de accommodatie (84 verenigingen). Het grootste deel hiervan is vitaal, maar een klein deel, namelijk 24 verenigingen is niet vitaal. Van deze 24 verenigingen valt op dat er 11 verenigingen zijn die geen enkele punt scoren op de drie indicatoren voor het thema ‘accommodatie’. Voor de volgende indicatoren geldt dat het verschil meer dan 0.3 punten is.  Indicator 9: Minimaal 2 plannen met uitgevoerde acties  Indicator 17: Resultaat afgelopen 3 jaar niet negatief  Indicator 4: Minimaal 3 bestuursleden  Indicator 6: Functieprofielen bestuursfuncties  Indicator 7: Cursussen vrijwilligers  Indicator 5: Voldoende vrijwilligers of beheersbaar tekort Niet-vitale verenigingen hebben met deze punten relatief veel moeite. Vitale verenigingen voeren vaker de plannen uit dan niet vitale verenigingen. Verder hebben vitale verenigingen de afgelopen drie jaar relatief vaak een positief financieel resultaat. Voor niet vitale verenigingen is dit minder vaak het geval. De overige drie indicatoren vallen allen binnen het thema ‘kader en vrijwilligers’. Voor de volgende indicatoren is het verschil tussen vitale en niet vitale verenigingen niet significant: 1. Indicator 11: Plannen om uit te breiden 2. Indicator 1: Stabiel leden aantal (inclusief daling < 5%) 3.

Indicator 10: Nieuwe sporttak Hieronder zullen we per thema de huidige stand van zaken bij de verenigingen beschrijven. De onderwerpen komen vaak overeen met de indicatoren die we gebruiken om de vitaliteit en maatschappelijke functie van de verenigingen vast te stellen. Een overzicht van de gebruikte indicatoren vindt u in hoofdstuk 2. Het beleid van de verenigingen Bijna acht van de tien verenigingen (78%) hebben één of meer beleidsplannen op schrift gesteld en de helft (48%) van de verenigingen is daarmee bezig. Acht op de tien van de verenigingen voeren de acties in de beleidsplannen ook daadwerkelijk uit. In dit onderzoek heeft 16% van de verenigingen geen beleid op schrift staan en is er niet mee bezig. Zes van de tien verenigingen hebben een algemeen beleidsplan op schrift staan. Vier op de tien verenigingen hebben iets op papier gezet over het jeugdbeleid. Dit percentage is hoger als verenigingen zonder jeugd buiten beschouwing worden gelaten. Van de verenigingen met jeugd2 heeft 55% een jeugdbeleidsplan. Iets meer dan één op de drie heeft beleidsplannen voor de sporttechnische voornemens (36%) of de normen en waarden binnen de vereniging 36%). Plannen voor de overige beleidsonderwerpen staan minder vaak op schrift. 17% van de verenigingen is de afgelopen twee jaar met een nieuwe sporttak begonnen.

Het gaat dan naast andere sporten dan de hoofdsport (12 keer een andere sport genoemd) vooral om sporten voor een specifieke doelgroep, zoals vrouwen, gehandicapten, ouderen of jongeren. 2

Betreft verenigingen met meer dan 20 jeugdleden (of meer dan 1/3 jeugdleden)

Iets meer dan de helft van de verenigingen (54%) heeft plannen om binnen twee jaar uit te breiden. Drie op de tien verenigingen zijn van plan ervoor te zorgen dat zij over twee jaar meer leden hebben dan momenteel. Ruim één op de vijf verenigingen is bezig met onderhoud en renovatie. Ook is ruim één op de vijf verenigingen bezig om de accommodatie multifunctioneler te maken (Buurthuis van de Toekomst). Er zijn echter maar weinig verenigingen met plannen voor een nieuwe dependance. Bijna zeven van de tien verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie, hebben daar ook een onderhoudsplanning voor opgesteld. Grote verenigingen hebben vaker een meerjarenonderhoudsplanning dan kleine verenigingen (80% vs 54%). Verder zijn er minder vaak meerjarenonderhoudsplannen bij verenigingen met binnensportaccommodatie (13%) Ruim zes op de tien verenigingen (64%) werken regelmatig samen met één of meer andere organisaties. Het gaat meestal om samenwerking met scholen. Leden en georganiseerde activiteiten 15% van de verenigingen is met minder dan 50 leden erg klein. 10% van de verenigingen heeft meer dan 1.000 leden en is daarmee erg groot. Gemiddeld hebben de verenigingen 375 leden.

In totaal heeft 53% van de verenigingen hun ledenaantal zien toenemen, 21% heeft te maken gehad met een afname en bij een kwart van de verenigingen is het ledenaantal min of meer gelijk gebleven. Bijna alle verenigingen (96%) organiseren activiteiten om de leden aan zich te binden, op sportgebied, daarbuiten of allebei. Bijna alle verenigingen (93%), organiseren voor hun leden sportactiviteiten buiten de reguliere sportactiviteiten om. Ze organiseren vooral toernooien en onderlinge wedstrijden voor hun leden. Ruim de helft van de verenigingen (57%) zorgt ervoor dat hun leden opleidingen kunnen volgen, bijvoorbeeld voor scheidsrechter of trainer. En bijna de helft van de verenigingen (47%) organiseert ouder-kind activiteiten voor de leden. Niet sport gerelateerde activiteiten worden iets minder vaak georganiseerd, maar nog steeds zorgt het overgrote deel van de verenigingen (90%) ervoor dat er ook buiten het sporten om gezelligheid is bij de vereniging. Ruim een kwart van de verenigingen organiseert maatschappelijke activiteiten, die gericht zijn op nietleden. Daarbij moet gedacht worden aan huiswerkbegeleiding, maaltijdvoorziening, kaartavonden of fysiotherapie. Bijna de helft van de verenigingen (47%) besteedt in het sportaanbod aandacht aan specifieke groepen.

Het gaat dan het vaakst om sportaanbod gericht op ouderen, drie op de tien verenigingen (29%) verzorgen trainingen voor ouderen. Sportaanbod voor mensen met een beperking wordt door 19% van de verenigingen aangeboden. Er zijn maar enkele verenigingen die specifiek sportaanbod hebben voor statushouders, werkzoekenden, studenten óf voor kinderen óf volwassenen met overgewicht. Slechts één op de vijf verenigingen is actief bezig met diversiteitsbeleid. Dit geldt voor zowel kleine (16%) als grote verenigingen (24%). Het ligt voor de hand dat verenigingen zonder jeugd nauwelijks actief bezig zijn met het thema ouderbetrokkenheid. Voor verenigingen met jeugd is 65% actief bezig met dit thema. Driekwart van de verenigingen is bezig met het thema (verbeteren) pedagogisch sportklimaat. Verenigingen met jeugd zijn vaker actief bezig dit thema, namelijk 88% van de verenigingen. Voor verenigingen zonder jeugd is dit percentage 49%. Bestuur en vrijwilligers Bij het merendeel van de verenigingen zijn alle drie de bestuursfuncties vervuld (86%, betreft voorzitter, penningmeester, secretaris). Bij 13% zijn de functies deels vervuld. Zeven van de tien (71%) van de verenigingen hebben één of meer functieprofielen of taakomschrijvingen op papier gezet. Eén op de tien verenigingen heeft dat niet, maar is ermee bezig.

En bijna één op de vijf (18%) van de verenigingen heeft helemaal niets op papier staan en is daar ook niet mee bezig. Het merendeel van de verenigingen in het onderzoek (91%) heeft één of meer commissies om de gang van zaken binnen de vereniging te regelen. Deze commissies hebben elk hun eigen taken en die zijn zeer uiteenlopend. Gemiddeld hebben de verenigingen in het onderzoek ruim zeven commissies.

Bij bijna twee derde van de verenigingen (64%) is iemand aanwezig die verantwoordelijk is voor de maatschappelijke activiteiten van de vereniging. Het gaat dan bijvoorbeeld om de samenwerking met welzijnsinstellingen, scholen of naschoolse opvang of om de ontwikkeling van sportaanbod voor nieuwe doelgroepen. Circa de helft van de verenigingen in het onderzoek heeft een centrale vertrouwenspersoon aangewezen. Grote verenigingen (meer dan 300 leden) hebben vaker een vertrouwenspersoon dan kleine verenigingen (67% vs 41%). Zwemverenigingen en verenigingen voor zelfverdediging en vechtsport hebben relatief vaak een vertrouwenspersoon aangewezen (73 en 71%). Slechts één op de vijf denksportvernigingen (19%) heeft dit. De helft van de verenigingen vraagt één of meer VOG’s aan. Verenigingen die VOG’s aanvragen hebben relatief vaak ook een vertrouwenspersoon en vice versa. Driekwart van de verenigingen die een vertrouwenspersoon hebben, hebben ook VOG’s aangevraagd. Gemiddeld hebben de verenigingen in het onderzoek 78 vrijwilligers rondlopen, maar de aantallen lopen zeer uiteen. Zo zijn er zijn een aantal verenigingen zonder vrijwilligers, maar is er ook een vereniging met 700 vrijwilligers. Een derde van de verenigingen heeft voldoende vrijwilligers. Vier op de tien verenigingen (38%) komt wel eens vrijwilligers te kort, maar dit tekort is beheersbaar.

Een kwart van de verenigingen ervaart wel knelpunten door het tekort aan vrijwilligers en bij een paar verenigingen zijn dit zelfs ernstige knelpunten (4%). Er is het meest behoefte aan mensen voor de sponsoring, voor training of coaching en voor het organiseren van evenementen. Ook voor de bardienst komen verenigingen regelmatig mensen te kort. Voor de bestuursfuncties hoeft men minder vaak naar vrijwilligers op zoek. Vrijwilligers of bestuursleden van acht op de tien verenigingen zijn in het kader van opleiding of scholing bij bijeenkomsten of cursussen aanwezig geweest. Vooral EHBOof AED-cursussen worden goed bezocht. Financiën Iets minder dan negen van de tien verenigingen (88%) hebben in het huidige seizoen aan alle financiële verplichtingen kunnen voldoen. Zeven van de tien verenigingen geven aan in het huidige seizoen geen negatief financieel resultaat te hebben. Het overgrote deel van de verenigingen (92%) heeft een begroting voor het huidige seizoen. Ongeveer twee derde van de verenigingen (66%) spaart geld met een bepaald doel of een bepaalde bestemming. En bijna driekwart van de verenigingen (74%) heeft (daarnaast) een financiële buffer of eigen vermogen.

Negen op de tien verenigingen heeft het afgelopen seizoen aan alle financiële verplichtingen kunnen voldoen en twee derde van de verenigingen geeft aan dat het financiële resultaat over het afgelopen seizoen niet negatief was. Bijna alle verenigingen werken met een actuele begroting. Bijna drie kwart van de verenigingen heeft een eigen vermogen en twee derde van de verenigingen heeft geld gespaard met een specifiek doel. Meestal gaat het dan om een spaarpot voor het onderhoud van de accommodatie of de aanschaf van sportmaterialen. Veranderingen na 2016 Om de situatie in 2018 met die van 2016 te vergelijken, hebben we gekeken naar de verenigingen die aan beide onderzoeken hebben meegedaan, dit zijn 153 verenigingen. Tussen 2016 en 2018 zijn er verschuivingen geweest. Bij net iets meer dan de helft (53%) is de categorie (wel of niet vitaal en wel of niet een maatschappelijke functie) nog steeds hetzelfde (81 verenigingen). Bij 63% van de verenigingen is de vitaliteit (wel of niet vitaal) niet veranderd ten opzichte van 2018. Bij 18% is de vitaliteit afgenomen, maar daar staat tegenover dat bij 20% de vitaliteit is toegenomen.

Voor de brede maatschappelijke functie geldt iets vergelijkbaars: 7% van de verenigingen heeft in 2018 geen brede maatschappelijke functie meer, terwijl ze dat in 2016 wel hadden en 13% heeft in 2018 juist wel een brede maatschappelijke functie en in 2016 niet. Conclusies Zes op de tien onderzochte verenigingen zijn vitaal, hiervan vervullen zes op de tien een maatschappelijke functie. Het aantal vitale verenigingen, die zowel in 2016 als in 2018 aan het onderzoek hebben meegedaan, is toegenomen ten opzichte van 2016 met 30 verenigingen. We zien dat er vooral een verschuiving is van niet vitaal zonder maatschappelijke functie naar vitaal zonder maatschappelijke functie (14

verenigingen). Negen verenigingen die al wel vitaal waren, vervullen nu ook een maatschappelijke functie. Daarnaast is ook het aantal niet vitale verenigingen dat wel een maatschappelijke functie vervult toegenomen. Dit betekent een positieve ontwikkeling in vitaliteit en/of maatschappelijke functie bij 26% van de verenigingen. Bij 21% van de verenigingen zien we een negatieve ontwikkeling in de vitaliteit of maatschappelijke functie van de verenigingen.

1 Inleiding Sportverenigingen zijn van grote waarde voor deze stad. Iedere Haagse sportvereniging levert wekelijks fantastische prestaties. Het belang van sportverenigingen is ook vastgelegd in het beleidskader ‘Sport maakt Den Haag sterker, Den Haag sportief in beweging’. Hierin is de ambitie uitgesproken dat het percentage vitale sportverenigingen de komende periode gaat stijgen. Alleen dan zijn verenigingen nu en in de toekomst in staat gezamenlijk de sport te organiseren en te beoefenen. Veel sportverenigingen beperken zich echter niet alleen tot de sport, maar vervullen, onder de noemer Buurthuis van de Toekomst, een brede maatschappelijke functie. In het eerder genoemde beleidskader is ook de ambitie uitgesproken om de verenigingen met deze brede maatschappelijke functie te ondersteunen bij de uitvoering van deze functie. Uiteraard gaat het vervullen van dergelijke functies niet altijd zonder problemen. De gemeente wil dan ook graag, daar waar nodig, gerichte ondersteuning bieden aan de Haagse sportverenigingen. Het vitaliteitsonderzoek vormt hierbij een belangrijke bron van informatie. Enerzijds om de vereniging inzicht te geven hoe de vereniging kan worden versterkt, anderzijds krijgt de gemeente een goed beeld over hoe zij sportverenigingen kan ondersteunen. Voor u ligt de rapportage ‘Vitaliteitsonderzoek 2018’.

Het onderzoek wordt tweejaarlijks uitgevoerd en is in 2018 voor de vierde keer gehouden. Het onderzoek richt zich zowel op de vitaliteit van sportverenigingen als op de brede maatschappelijke functie. In dit rapport kunt u lezen hoe de situatie op dit moment is. Ook wordt de vergelijking met de situatie in 2016 gemaakt.

1.1

DOEL EN VRAAGSTELLING

Het doel van het onderzoek is tweeledig: 1) Het onderzoek brengt de vitaliteit van Haagse sportverenigingen in beeld en de ontwikkeling daarvan in de laatste twee jaar. 2) Het onderzoek biedt zicht op de vitaliteit van individuele sportverenigingen en op de ontwikkeling daarvan in de afgelopen twee jaar. In dit rapport beschrijven we de huidige stand van zaken aangaande de vitaliteit en maatschappelijke functie van de sportverenigingen in Den Haag. In het laatste hoofdstuk maken we een vergelijking met de resultaten van het onderzoek uit 2016. De vragen die in dit rapport beantwoord zullen worden:  Hoe vitaal zijn Haagse sportverenigingen op dit moment?  Hoe heeft vitaliteit zich de afgelopen twee jaar ontwikkeld? De resultaten op individueel niveau zijn alleen beschikbaar voor medewerkers van de gemeente die contact hebben met de verenigingen over ondersteuning door de gemeente of de toekenning van subsidies. Verenigingen die mee hebben gedaan aan het onderzoek hebben een individuele rapportage ontvangen waarin de resultaten gepresenteerd worden en waarin aangegeven wordt waar zij staan ten opzichte van andere verenigingen in Den Haag als het gaat om vitaliteit en maatschappelijke functie. In bijlage VII vindt u een voorbeeld van het soort rapportage dat de verenigingen hebben ontvangen.

1.2

LEESWIJZER

In het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) gaan we in op hoe de vitaliteit en maatschappelijke functie gemeten wordt. In hoofdstuk 3 beschrijven we de huidige stand van zaken bij de verenigingen aan de hand van de thema’s die ten grondslag liggen aan vitaliteit. In hoofdstuk 4 gaan we in op de vitaliteit en de maatschappelijke functie van de verenigingen die meededen aan het onderzoek. In hoofdstuk 5 maken we tot slot een vergelijking met de resultaten uit het onderzoek dat in 2014 is uitgevoerd. In de figuren en tekst zullen we steeds percenteren op het totaal aantal verenigingen dat mee heeft gedaan aan het onderzoek. Een uitzondering hierop zijn de figuren die betrekking hebben op de accommodatie, daarin zijn de verenigingen zonder accommodatie buiten beschouwing gelaten. -3-

2 Hoe we vitaliteit meten In dit hoofdstuk gaan we in op de manier waarop we vitaliteit en de brede maatschappelijke functie van verenigingen meten in dit onderzoek. Een uitgebreide onderzoeksverantwoording vindt u in bijlage II. 2.1

VITALITEIT

In het onderzoek hebben we vitaliteit als volgt gedefinieerd: Vitaliteit is het vermogen van een vereniging om nu en in de toekomst de eigen sporten aan te kunnen bieden aan eigen en potentiële leden. Mede op basis van het onderzoek van het Mulier Instituut naar vitaliteit bij sportverenigingen zijn we uitgegaan van vijf onderliggende thema’s bij vitaliteit:  Leden  Kader  Beleid en visie  Accommodatie  Financiën Deze thema’s hebben we weer onderverdeeld in indicatoren: Leden - Ledenaantal afgelopen drie jaar stabiel of stijgend - Onderneemt activiteiten voor ledenbinding Kader -

Minimaal twee commissies (grote verenigingen met meer dan 300 leden: minimaal vijf) Algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris Voldoende vrijwilligers of een beheersbaar tekort Beschreven functieprofielen voor de bestuursfuncties Aanwezig bij cursussen, trainingen of informatiebijeenkomsten

Beleid en visie - Beleidsplan aanwezig op minimaal twee terreinen, waaronder een algemeen beleidsplan - Acties uit minimaal twee beleidsplannen worden uitgevoerd - Afgelopen twee jaar nieuwe sporttak begonnen of plannen daarvoor binnen twee jaar - Plannen om uit te breiden of de accommodatie aan te passen Accommodatie - Er is een meerjarenonderhoudsplanning aanwezig - Er wordt gereserveerd voor onderhoud - Er is een accommodatiecommissie aanwezig Financiën - Begroting aanwezig - Vereniging kan laatste drie jaar aan alle verplichtingen voldoen - Financiële resultaat is de afgelopen drie jaar niet negatief - Eigen vermogen Verenigingen kunnen per indicator maximaal ½ of 1 punt halen en voor vitaliteit moeten ze vervolgens een minimaal aantal punten halen (in bijlage III kunt u zien hoe de punten per indicator verdeeld zijn en hoeveel punten er nodig zijn om een vitale vereniging te zijn). De indicatoren die betrekking hebben op de accommodatie worden alleen gemeten bij verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie. Voor hen is het minimum aantal punten dat ze moeten halen voor vitaliteit hoger dan voor de verenigingen die niet verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie.

Behalve deze indicatoren vinden we een aantal punten zo belangrijk dat ze in het onderzoek als absolute voorwaarden voor vitaliteit zijn meegenomen: -4-

Voorwaarde 1: Het algemeen bestuur bestaat minimaal uit een voorzitter, penningmeester en secretaris  Voorwaarde 2: Er is een actuele begroting aanwezig  Voorwaarde 3: De vereniging kan het laatste jaar aan alle financiële verplichtingen voldoen. Dit betekent dat verenigingen in elk geval aan deze drie voorwaarden moeten voldoen voor vitaliteit en dat vervolgens wordt gekeken of ze voldoende punten hebben voor vitaliteit. 2.2

MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE

De maatschappelijke functie van een vereniging hebben we als volgt gedefinieerd: Een vereniging heeft een brede maatschappelijke functie als zij activiteiten onderneemt die gericht zijn op mensen van buiten de vereniging en/of wanneer zij samenwerkt met andere organisaties. Net als bij vitaliteit zijn we voor de maatschappelijke functie uitgegaan van een aantal indicatoren. Deze zijn ook weer onder te brengen in thema’s. Het gaat om veel minder indicatoren, dus meestal is er één indicator per thema. Leden - Organisatie van andere activiteiten dan reguliere sportactiviteiten, gericht op niet-leden. Zo niet: concrete plannen hiervoor. Kader - Er is iemand verantwoordelijk voor ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten Beleid en visie - Beleidsplan aanwezig voor maatschappelijke functie van vereniging Accommodatie - Sport-, club- of kleedaccommodatie wordt gebruikt door andere organisaties dan alleen de sportvereniging Maatschappelijke activiteiten en contacten in de buurt - Aanbod voor specifieke doelgroepen (ouderen, mensen met een beperking) of concrete plannen hiervoor - Structurele samenwerking met een of meer partners uit zorg, welzijn of onderwijs (buiten gebruik van de accommodatie). Zo niet: concrete plannen hiervoor óf oppervlakkige, incidentele contacten Verenigingen kunnen voor elke indicator maximaal één punt halen.

Ook hier geldt dat verenigingen een bepaald aantal punten moeten halen voordat er sprake is van een maatschappelijke functie bij de vereniging. In dit geval is het maximale aantal punten voldoende, er zijn geen absolute voorwaarden waar de vereniging aan moet voldoen. De indicator over het medegebruik van de accommodatie wordt alleen voorgelegd aan verenigingen die hier zeggenschap over hebben. Het minimum aantal punten dat zij moeten halen ligt dan ook één punt hoger dan bij verenigingen die geen zeggenschap hebben over het medegebruik van de accommodatie.

-5-

3 De stand van zaken in 2018 In dit hoofdstuk zullen we aan de hand van een aantal thema’s de huidige stand van zaken beschrijven bij de verenigingen. Waar mogelijk kijken we naar het verschil tussen grote en kleine verenigingen, waarbij kleine verenigingen minder dan 300 leden hebben en grote verenigingen 300 of meer leden hebben. Ook kijken we naar de verschillen tussen de verschillende sportsoorten die aangeboden worden. Wat dit laatste betreft, beperken we ons tot de sporten die door minimaal tien verenigingen worden aangeboden3, omdat de aantallen anders te klein worden voor een betrouwbare vergelijking. Omdat het bij de vergelijking tussen sportsoorten sowieso om kleine aantallen gaat, noemen we hier ook geen percentages, maar geven we een algemene beschrijving van de verschillen die we constateren. Alle verschillen die we noemen zijn getoetst op significantie. Aan het eind van elke paragraaf zullen we de uitkomsten op de indicatoren presenteren die we gebruiken om vitaliteit en maatschappelijke functie te meten. Omdat de uitkomsten vergelijkbaar zijn met de situatie in 2016, zullen we de stand van zaken hier puntsgewijs bespreken. In hoofdstuk 4 zullen we de situatie in 2016 en 2018 nader met elkaar vergelijken. Dan kijken we alleen naar de verenigingen die in beide jaren aan het onderzoek hebben meegedaan.

Dit hoofdstuk echter gaat over álle verenigingen die in 2018 meededen aan het onderzoek. We beginnen het hoofdstuk met een beschrijving van de aan het onderzoek deelnemende verenigingen. 3.1

DE DEELNEMENDE VERENIGINGEN

In totaal zijn er 265 sportaanbieders4 in Den Haag die een uitnodiging gekregen hebben om mee te doen aan het onderzoek. Hiervan hebben 185 verenigingen de vragenlijst ingevuld, dat is 70% procent van het totaal. In deze paragraaf zullen we een beschrijving geven van de deelnemende verenigingen: de grootte van de verenigingen, de sport(en) die zij aanbieden, het type accommodatie en het stadsdeel waar zij gevestigd zijn.

3.1.1

Grootte van de verenigingen

Figuur 3.1

Grootte van de aan het onderzoek deelnemende verenigingen (185 verenigingen)

Iets minder dan een derde (30%) van de verenigingen in het onderzoek hebben minder dan honderd leden. Van de verenigingen in het onderzoek heeft 28% honderd tot driehonderd leden, 15% procent is nog weer een slag groter met driehonderd tot vijfhonderd leden en 21% van de verenigingen is groot, met vijfhonderd leden of meer. 3

Het gaat om de volgende sportsoorten: beach-, branding- en watersport; denksport; racketsport; fitness, turnen en dans; voetbal; zelfverdediging of vechtsport; zwemmen; overige balsporten; overige sporten. 4

Alle sportverenigingen die aangesloten zijn bij een sportbond en een aantal stichtingen hebben een uitnodiging gekregen. Voor het gemak spreken we in het rapport over verenigingen, hoewel er dus ook een paar stichtingen bij zitten.

-6-

3.1.2

Sportsoort

In de volgende figuur ziet u hoe de verschillende sporten zijn vertegenwoordigd in het onderzoek. In de tabel daaronder zijn de bijbehorende aantallen weergegeven. In de figuur en tabel hebben we de sporten samengevoegd in categorieën. In bijlage IV kunt u zien welke indeling we hebben gebruikt. Figuur 3.2

Sporten aangeboden door deelnemende verenigingen (185 verenigingen) 0%

5%

10%

15%

20%

25%

Voetbal Racketsport Zelfverdediging, vechtsport Overige balsporten Denksport Fitness, turnen, dans Beach-, branding-, watersport Zwemmen Hockey Korfbal Biljart Jeudeboules Cricket Volleybal Overig

Tabel 3.1

Sporten aangeboden door deelnemende verenigingen (185 verenigingen)

Sport

Aantal verenigingen

Percentage verenigingen

Voetbal

36

19%

Racketsport

28

15%

Zelfverdediging, vechtsport

24

13%

Overige balsporten

22

12%

Denksport

21

11%

Fitness_Turnen_Dans

13

7%

Beach-, branding-, watersport

12

6%

Zwemmen

11

6%

Hockey

9

5%

Korfbal

9

5%

Biljart

5

3%

Jeudeboules

5

3%

Cricket

4

2%

Volleybal

3

2%

Overig

28

15%

Totaal* *

185 Verenigingen kunnen meer sporten aanbieden, de som van de percentages is daardoor groter dan 100%.

Bij één op de vijf (19%) verenigingen in het onderzoek kan gevoetbald worden. Ook de racketsporten, zelfverdediging en denksporten zijn goed vertegenwoordigd in het onderzoek. Sporten die weinig aangeboden lijken te worden zijn jeu de boules, cricket, volleybal, biljart. Echter, dit is relatief. Het aantal Haagse verenigingen in deze sporten is goed vertegenwoordigd. Als we binnen de sportsoort onderscheid maken tussen grote en kleine verenigingen (de grens ligt in dit geval bij 300 leden), vallen een paar dingen op. Verenigingen waar denksport of zelfverdediging/vechtsport worden aangeboden, zijn relatief vaak kleine verenigingen. -7-

Voetbalverenigingen en zwemverenigingen zijn over het algemeen grote verenigingen. De vier verenigingen die cricket aanbieden, bieden ook andere sporten aan. Ze zijn onderdeel van omni sportverenigingen met meer dan 300 leden. 3.1.3

Type accommodatie

Van de deelnemende verenigingen is 45% verantwoordelijk voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie. Het gaat dan vaak om grote verenigingen en minder vaak om de kleine verenigingen (resp. 67% en 31%). Verenigingen die beach- branding en watersport en voetbal aanbieden zijn relatief vaak verantwoordelijk voor het meerjarenonderhoud (resp. 92% en 78%). Verenigingen voor zwemmen en denksport hebben die verantwoordelijkheid juist vaak niet, net als verenigingen voor zelfverdediging en vechtsport. In de volgende figuur is te zien hoeveel verenigingen verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van de verschillende types accommodatie. Figuur 3.3

Type accommodatie waarvoor verenigingen verantwoordelijk zijn* (185 verenigingen) Clubgebouw met horeca

41%

Kleedkamers

37%

Materiaalgebouw

29%

Buitensportacc., zoals een sportveld

11%

Binnensportacc., zoals een sporthal

8%

Anders

3% 0%

*

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

Verenigingen kunnen voor meer typen accommodatie verantwoordelijk zijn, de som van de percentages is daardoor groter dan 100%.

Voor ongeveer vier op de tien van de verenigingen geldt dat zij verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een clubgebouw met horeca-functie (41%) en/of voor de kleedkamers (37%). Drie op de tien (29%) van de verenigingen zijn verantwoordelijk voor het meerjarenonderhoud van het materiaalgebouw. Wat opvalt is dat de grote verenigingen (meer dan 300 leden) die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud bijna allemaal verantwoordelijk zijn voor het clubgebouw met horeca en voor kleedkamers (resp. 47 en 44 van de 48 verenigingen). Ruim vier op de tien verenigingen (44%) kunnen zelf bepalen of andere organisaties gebruik maken van de sport-, club- of kleedaccommodatie die zij gebruiken. Voor de overige 56% procent is dat niet van toepassing of kan dat niet. Dit hangt sterk samen met de verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud: verenigingen met die verantwoordelijkheid hebben ook vaak zeggenschap over het medegebruik van de accommodatie. Grote verenigingen hebben vaker zeggenschap over het medegebruik dan kleine verenigingen (respectievelijk 61% en 33% procent). Onder de verenigingen met zeggenschap over het medegebruik zijn veel voetbalverenigingen. Daarnaast heeft de helft (51%) van de verenigingen in het onderzoek inkomsten uit het gebruik van een kantine.

Ook dit hangt sterk samen met de verantwoordelijkheid van verenigingen voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie en tevens met de zeggenschap over het medegebruik van de accommodatie. Grote verenigingen hebben vaker inkomsten uit het gebruik van een kantine dan kleine verenigingen (respectievelijk (75%) en (37%) procent). Wanneer we naar de sportsoorten van de verenigingen kijken, zien we dat met name voetbalverenigingen, verenigingen voor beach- en watersport inkomsten uit een kantine hebben en verenigingen voor denksport en zelfverdediging of vechtsport hebben dit juist meestal niet. Figuur 3.4

Zeggenschap over medegebruik

Figuur 3.5

Inkomsten uit gebruik van -8-

van de accommodatie (185 verenigingen)

kantine (185 verenigingen)

24% 45%

44% 55%

32%

Ja

3.1.4

Nee

Niet van toepassing

Ja

Nee

De stadsdelen

Figuur 3.6

Verdeling van verenigingen in het onderzoek over de stadsdelen (185 verenigingen) 2% 5%

Stedelijk 18%

15%

Loosduinen Escamp Segbroek

4%

Scheveningen 8%

Centrum 26% 8%

Laak Haagse Hout

14%

Leidschenveen-Ypenburg

Een kwart (26%) van de verenigingen in het onderzoek komt uit Escamp. Andere stadsdelen die goed vertegenwoordigd zijn in het onderzoek zijn Loosduinen, Segbroek, en Haagse Hout. Dit zijn ook de stadsdelen waar de meeste verenigingen te vinden zijn. Er zijn 3 ‘stedelijke’ verenigingen die niet aan een stadsdeel zijn toe te wijzen. 3.2 3.2.1

BELEID Beleidsplannen

We vinden het belangrijk dat verenigingen beleid opstellen en nadenken over de toekomst van de vereniging. In deze paragraaf gaan we in op het aantal verenigingen dat hun beleid op schrift heeft gesteld, verenigingen die bezig zijn beleid te ontwikkelen en verenigingen die de acties in hun beleidsplannen tot uitvoering brengen. Tabel 3.2

Aantal verenigingen met een of meer beleidsplannen -9-

*

Aantal

Percentage

Beleidsplan(nen) op schrift

144

78%

Bezig met beleidsplan(nen)

89

48%

Acties uit beleidsplan(nen) uitgevoerd

148

80%

Geen beleidsplan(nen)

30

16%

Totaal

185

100%

Er is overlap tussen de aantallen (en percentages): verenigingen kunnen zowel een beleidsplan op schrift hebben gesteld als bezig zijn met een ander beleidsplan. De som telt daardoor niet op tot het totaal in de tabel.

Bijna acht van de tien verenigingen (78%) hebben één of meer beleidsplannen op schrift gesteld en de helft (48%) van de verenigingen zijn daarmee bezig. Acht op de tien van de verenigingen voeren de acties in de beleidsplannen ook daadwerkelijk uit. In dit onderzoek heeft 16% van de verenigingen geen beleid op schrift staan en is er niet mee bezig. Kleine en grote verenigingen  Bijna alle grote verenigingen hebben beleidsplannen op schrift staan (92% procent tegenover 69% procent bij de kleine verenigingen).  De verenigingen die geen beleidsplan hebben en daar ook niet mee bezig zijn, zijn bijna allemaal kleine verenigingen, waar een beleidsplan mogelijk minder relevant is Verschillende sportsoorten  Binnen bijna alle verschillende sportsoorten heeft het merendeel van de verenigingen een beleidsplan op schrift staan.  Uitzondering hierop zijn de verenigingen voor denksport: hier hebben ongeveer vier op de zes verenigingen (57%) een beleidsplan op schrift.  Binnen alle sportsoorten voeren de meeste verenigingen de acties uit de beleidsplannen uit. Zes van de tien verenigingen heeft een algemeen beleidsplan op schrift staan. Vier op de tien verenigingen hebben iets op papier gezet over het jeugdbeleid. Dit percentage is hoger als verenigingen zonder jeugd buiten beschouwing worden gelaten. Van de verenigingen met jeugd5 heeft 55% een jeugdbeleidsplan.

Iets meer dan één op de drie verenigingen heeft beleidsplannen voor de sporttechnische voornemens (36%) of de normen en waarden binnen de vereniging (36%). Plannen voor de overige beleidsonderwerpen staan minder vaak op schrift. De percentages verenigingen die bezig zijn met beleidsplannen zijn beduidend lager. Het beleidsplan voor ledenwerving scoort het hoogst, namelijk 19% van de verenigingen is daarmee bezig. Ook scoren de thema’s vrijwilligersbeleid en beleid voor de accommodatie vrij hoog. Respectievelijk 14 en 13 procent van de verenigingen is bezig met een beleidsplan voor deze thema’s. Vooral verenigingen die een te kort aan vrijwilligers ervaren zijn bezig met een beleidsplan voor vrijwilligersbeleid (namelijk 23% versus 11% van de verenigingen die geen tekort ervaren). Bijna één op de tien verenigingen (8%) is bezig met een algemeen beleidsplan. De percentages verenigingen die de acties uit de beleidsplannen uitvoeren, liggen voor alle soorten beleidsplannen hoog: de meeste verenigingen die beleidsplannen op schrift hebben staan of daarmee bezig zijn, voeren ook de acties uit die daaruit voortvloeien. Wat opvalt is dat verenigingen die een te kort aan vrijwilligers ervaren voor nagenoeg alle soorten beleidsplannen de acties minder vaak uitvoeren dan de verenigingen die géén te kort aan vrijwilligers ervaren.

Wel zijn de verenigingen met en zonder te kort aan vrijwilligers even vaak bezig om de beleidsplannen voor het vrijwilligersbeleid uit te voeren (27% van de verenigingen).

5

Betreft verenigingen met meer dan 20 jeugdleden (of meer dan 1/3 jeugdleden)

- 11 -

Figuur 3.7

Beleidsplannen naar onderwerp (185 verenigingen) Algemeen beleidsplan Normen en waarden Jeugdbeleid Sporttechnisch plan Vrijwilligersbeleid Sponsoring Accommodatie Ledenwerving/-behoud Topsport

Maatschappelijke functie vereniging Communicatie Anders 0% Op schrift

10%

20%

Mee bezig

30%

40%

50%

60%

70%

Acties uitgevoerd

Kleine en grote verenigingen Het blijkt dat grote verenigingen vaker een algemeen beleidsplan op schrift hebben gesteld dan kleine verenigingen (74% vs 51%). Kleine verenigingen zijn even vaak als grote verenigingen bezig met het op schrift zetten (8%) van een algemeen beleidsplan en grote verenigingen voeren vaker dan kleine verenigingen de acties uit die in het algemeen beleidsplan opgenomen zijn (69% vs 41%). Verder valt op dat:  grote verenigingen vaker een beleidsplan voor jeugdbeleid (64% vs 25%) en sporttechnisch beleid (54% vs 24%) op schrift hebben gesteld  voor deze thema’s voeren grote verenigingen ook vaker de acties uit. Grote verenigingen voeren vaker acties uit voor jeugdbeleid (64% vs 25%) en rond het sporttechnisch plan (51% vs 21%)  grote verenigingen vaker bezig zijn met plannen voor accommodatie (22% vs 7%), vrijwilligersbeleid (21% vs 10%) en communicatie (19% vs 8%). Vitaliteit: thema beleid en visie 50% van de verenigingen heeft een algemeen beleidsplan én nog een ander beleidsplan op schrift gezet6 31% heeft dit niet, maar heeft wel minimaal één beleidsplan op schrift gezet óf is bezig tenminste twee beleidsplannen op schrift te zetten. 62% van de verenigingen voert acties uit minimaal twee verschillende beleidsplannen uit.

3.2.2

Toekomstplannen

Als verenigingen bezig zijn met vernieuwing en nadenken over de toekomst, vinden we dat een indicatie voor vitaliteit. In deze paragraaf zullen we daar aandacht aan besteden. We kijken dan naar

6

Van alle verenigingen heeft 60% een algemeen beleidsplan. De meeste verenigingen (50%) hebben hiernaast nog een ander beleidsplan. Een deel heeft echter alleen een algemeen beleidsplan.

- 12 -

de mate waarin verenigingen een nieuwe sporttak zijn begonnen of willen beginnen en naar de uitbreidingsplannen van verenigingen.

- 13 -

Figuur 3.8

Verenigingen met een nieuwe sporttak of plannen daartoe (185 verenigingen)

80%

76%

70% 60% 50% 40% 30% 20%

17% 7%

10% 0% Afgelopen 2 jaar* *

Plannen binnen 2 jaar

Geen van beide

6 procent van de verenigingen is de afgelopen twee jaar met een nieuwe sporttak begonnen én heeft plannen om binnen twee jaar met nóg een nieuwe sporttak te beginnen. Deze verenigingen tellen mee in de linker kolom.

17% van de verenigingen is de afgelopen twee jaar met een nieuwe sporttak begonnen. Het gaat dan naast andere sporten dan de hoofdsport (12 keer een andere sport genoemd) vooral om sporten voor een specifieke doelgroep, zoals vrouwen, gehandicapten, ouderen of jongeren. In bijlage VI geven we een overzicht van de sporten die verenigingen hier noemen. 7 procent van de verenigingen is van plan om binnen afzienbare tijd een nieuwe sporttak te gaan aanbieden. Dat betekent dat bijna drie van de vier verenigingen (76%) hier niet mee bezig is. Kleine en grote verenigingen  Grote en kleine verenigingen zijn even vaak met een nieuwe sport begonnen dan kleine verenigingen (beide 17%).  Grote verenigingen zijn wel vaker van plan met een nieuwe sporttak te beginnen (22% tegenover 8% bij de kleine verenigingen). Verschillende sportsoorten In 2018 zijn opvallend veel verenigingen met beach/branding/watersport met een nieuwe sporttak begonnen (5 van de 12 in het onderzoek), ze maken ook het vaakst nieuwe plannen om met een nieuwe sporttak te beginnen (4 van de 12 in het onderzoek). De denksportverenigingen en de zwemverenigingen die meedoen aan dit onderzoek hebben allen de afgelopen twee jaar géén nieuwe sporttak opgestart. Van de 38 verenigingen die in 2016 hebben aangegeven dat ze plannen hadden om met een nieuwe sporttak te beginnen hebben 32 ook in 2018 de vragenlijst ingevuld.

De helft van deze verenigingen heeft aangegeven dat ze afgelopen twee jaar inderdaad zijn gestart met een nieuwe sporttak. Uitbreidingsplannen Iets meer de helft van de verenigingen (54%) heeft plannen om binnen twee jaar uit te breiden. Dat kan verschillende vormen aannemen, in de volgende figuur is te zien waar het dan om gaat.

- 14 -

Figuur 3.9

Verbouwings- en uitbreidingsplannen* (185) verenigingen) Meer leden binnen 2 jr.

30%

Regulier onderhoudswerk acc.

22%

Renovatie acc.

21%

Uitbreiding acc. multifunctionaliteit

21%

Nieuwbouw acc.

17%

Nieuwe dependance binnen 2 jr.

3%

Anders

3% 0%

*

5%

10% 15% 20% 25% 30% 35%

Omdat verenigingen meer uitbreidingsplannen kunnen hebben, tellen de percentages niet op tot 100%.

Drie op de tien verenigingen zijn van plan ervoor te zorgen dat zij over twee jaar meer leden hebben dan momenteel. Ruim één op de vijf verenigingen is bezig met onderhoud en renovatie. Ook is ruim één op de vijf verenigingen bezig om de accommodatie multifunctioneler te maken (Buurthuis van de Toekomst). Er zijn echter maar weinig verenigingen met plannen voor een nieuwe dependance. Kleine en grote verenigingen  Grote verenigingen hebben duidelijk vaker uitbreidingsplannen dan kleine verenigingen (respectievelijk (79% en 38%.)  Vooral de kleine verenigingen willen binnen twee jaar meer leden.  De grote verenigingen willen vaker uitbreiding van de accommodatie. Verschillende sportsoorten Verenigingen voor overig balsporten, beach-, branding- en watersport7 en voetbal hebben vaker (meer dan 70%) dan andere verenigingen uitbreidingsplannen. Vitaliteit: thema Beleid en visie 17% van de verenigingen is de afgelopen twee jaar met een nieuwe sporttak begonnen 7% van de verenigingen heeft dat niet gedaan, maar heeft wel plannen om de komende twee jaar een nieuwe sporttak op te zetten. 54% van de verenigingen heeft plannen om uit te breiden of de accommodatie aan te passen.

3.2.3

Meerjarenonderhoudsplanning

We vinden het belangrijk dat verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie, daar ook een actuele planning voor op papier hebben staan. In paragraaf 3.1.3 zagen we al dat verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie vaker grote verengingen zijn en dat het relatief vaak gaat om verenigingen die beachbranding en watersport en voetbal aanbieden. In de volgende figuur is te zien of deze verenigingen een meerjarenonderhoudsplanning hebben voor hun accommodatie.

7

Dit percentage wijkt overigens net niet significant af van het gemiddelde.

- 15 -

Figuur 3.10

Meerjarenonderhoudsplanning aanwezig (84) verenigingen)

31% Ja, voor een of meer acc. Nee 69%

Bijna zeven van de tien verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie, hebben daar ook een onderhoudsplanning voor opgesteld. Grote verenigingen hebben vaker een meerjarenonderhoudsplanning dan kleine verenigingen (80% vs 54%). Verder zijn er minder vaak meerjarenonderhoudsplanning bij verenigingen met binnensportaccommodatie (13%) Vitaliteit: score op thema accommodatie 69% van de verenigingen met verantwoordelijkheid voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie (84 verenigingen) heeft hier een onderhoudsplanning voor opgesteld.

3.3 3.3.1

LEDEN EN ACTIVITEITEN Ledenaantallen

Tabel 3.3

Ledenaantallen bij verenigingen, begin 2018

Ledenaantal

Aantal verenigingen

Percentage

< 50 leden

28

15%

50 - 150 leden

51

28%

150 - 300 leden

29

16%

300 - 600 leden

38

21%

600 - 1000 leden

20

11%

> 1000 leden

18

10%

Totaal

185

100%

15% van de verenigingen is met minder dan 50 leden erg klein en 10% heeft meer dan 1.000 leden en is daarmee erg groot. Gemiddeld hebben de verenigingen 375 leden8, de kleinste vereniging heeft er 2 en de grootste 2238.

8

Bij de berekening van het gemiddelde is één vereniging buiten beschouwing gelaten. Omdat bij deze vereniging alle sporters/deelnemers als lid worden geregistreerd, loopt het aantal leden op tot bijna 16.000 leden. In de overige analyses is deze vereniging wel gewoon meegenomen.

- 16 -

Figuur 3.11

Verandering in ledenaantal ten opzichte van 2016 (185 verenigingen) 2% 15%

5% Afname >= 50% 14%

8%

Afname tussen 25% en 50% Afname tussen 5% en 25% Weinig toe- of afname Toename tussen 5% en 25%

26% 30%

Toename tussen 25% en 50% Toename >= 50%

Uit de figuur wordt duidelijk dat er meer verenigingen zijn die met een toename van het ledenaantal te maken hebben gehad dan met een afname. Met name de groep verenigingen met een kleine toename van het ledenaantal (tussen 5 en 25%) is groot, bijna een derde van de verenigingen valt in deze groep (30%). Eén op de zeven verenigingen is met meer dan de helft toegenomen (27 verenigingen). In totaal heeft 53% van de verenigingen hun ledenaantal zien toenemen, 21% heeft te maken gehad met een afname en bij een kwart van de verenigingen is het ledenaantal min of meer gelijk gebleven. Kleine en grote verenigingen Voor kleine verenigingen is een verandering in het ledenaantal procentueel gezien al snel groot. Daarom hebben de kleine verenigingen meer dan de grote verenigingen te maken met procentueel grote schommelingen in het ledenaantal. Verschillende sportsoorten  Net als in 2016 is het ledenaantal bij de verenigingen voor zelfverdediging en vechtsport flink toegenomen.  Opvallend is dat het aandeel voetbalverenigingen dat te maken heeft gehad met een ledendaling gering is, namelijk maar 6%. In het onderzoek konden de verenigingen per leeftijdsgroep aangeven wat het aantal leden bij hun vereniging was. In de volgende tabel geven we het totaal aantal leden per leeftijdsgroep gesommeerd over de deelnemende verenigingen.

Daarnaast vergelijken we de procentuele verdeling met de bevolkingsopbouw in Den Haag. Tabel 3.4

*

Ledenaantal per leeftijdsgroep (185 verenigingen) Aantal leden*

Percentage

Haagse bevolking (1/1/2018)

0 t/m 5 jaar

2.239

3%

7%

6 t/m 12 jaar

17.802

26%

8%

13 t/m 18 jaar

10.970

16%

7%

19 t/m 44 jaar

17.269

25%

38%

45 t/m 64 jaar

12.194

18%

26%

65 jaar en ouder

8.376

12%

14%

Omdat mensen lid kunnen zijn van meer verenigingen, zitten hier dubbeltellingen in.

Ruim één op de vier leden is in de basisschoolleeftijd. In vergelijking met de Haagse populatie is dat een hoog aandeel, ruim drie keer zo hoog. Ook in de leeftijdsgroep 13 t/m 18 jaar is het aandeel leden nog bijna twee keer zo hoog als het aandeel in de Haagse populatie. Hoewel de groep van 19 tot en met 44 jaar in ons onderzoek één van de grootste ledengroep is, blijft deze leeftijdsgroep het meest achter bij de bevolkingsopbouw. Het aandeel leden van 65 jaar en ouder ligt iets onder het aandeel in de Haagse populatie. - 17 -

Vitaliteit: thema Leden Bij 82% van de verenigingen is het ledenaantal ten opzichte van twee jaar geleden stabiel of stijgend geweest.

3.3.2

Activiteiten voor ledenbinding

Bijna alle verenigingen (96%) organiseren activiteiten om de leden aan zich te binden, op sportgebied, daarbuiten of allebei. In de figuur hieronder is te zien om welke activiteiten het kan gaan.

Niet-sportgerelateerde Sportgerelateerde activiteiten activiteiten

Figuur 3.12

Activiteiten voor ledenbinding (185 verenigingen)*

Toernooien

76%

Onderlinge wedstrijden

75%

Opleidingen

57%

Ouder-kind sportactiviteiten

44%

Anders, sport

31%

Feesten/barbecue

76%

Clubavonden

58%

Kamp

47%

Bingo-/kaartavonden

28%

Anders, niet sport

28% 0%

*

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

Verenigingen organiseren vaak meer dan een soort activiteiten, daarom tellen de percentages niet op tot 100%.

Bijna alle verenigingen (93%), organiseren voor hun leden sportactiviteiten buiten de reguliere sportactiviteiten om. Driekwart van de verenigingen in het onderzoek organiseert toernooien voor hun leden en nog eens driekwart organiseert onderlinge wedstrijden. Ruim de helft van de verenigingen (57%) zorgt ervoor dat hun leden opleidingen kunnen volgen, bijvoorbeeld voor scheidsrechter of trainer. En bijna de helft van de verenigingen (47%) organiseert ouder-kind activiteiten voor de leden. Niet sport gerelateerde activiteiten worden iets minder vaak georganiseerd, maar nog steeds zorgt het overgrote deel van de verenigingen (90%) ervoor dat er ook buiten het sporten om gezelligheid is bij de vereniging. Bijna acht van de tien verenigingen (76%) organiseerde een barbecue of feest en zes op de tien (58%) heeft gezorgd voor clubavonden. Bij bijna de helft van de verenigingen (47%) konden de leden op kamp en ruim een kwart zorgt dat er bingo- of kaartavonden zijn voor de leden (28%). Kleine en grote verenigingen  Grote verenigingen organiseren vaker en meer activiteiten dan kleine verenigingen.  Met name de mogelijkheid om opleidingen te volgen, worden door grote verenigingen vaker geboden.  Bij de niet-sportgerelateerde activiteiten zijn het vooral de bingo- en kaartavonden en kamp die grote verenigingen vaker organiseren.

Verschillende sportsoorten  Met name verenigingen voor voetbal organiseren vaker dan andere verenigingen sportgerelateerde activiteiten voor hun leden.  Verenigingen voor zwemmen en denksport doen dit juist relatief weinig.  Verenigingen voor voetbal organiseren voor hun leden ook vaker dan andere verenigingen niet-sportgerelateerde activiteiten. - 18 -

Bij verenigingen voor denksport en zelfverdediging/vechtsport vinden dit soort activiteiten minder vaak plaats.

Vitaliteit: thema leden 85% van de verenigingen organiseert minimaal drie verschillende soorten activiteiten om hun leden aan de vereniging te binden, buiten de reguliere sportactiviteiten om.

3.4

KADER EN VRIJWILLIGERS

3.4.1

Bestuursleden

Figuur 3.13

Functie voorzitter, penningmeester, secretaris vervuld (185 verenigingen)

4% 3% 86%

2%

14%

5%

Ja, alle drie Niet nodig, andere inrichting bestuursfuncties Overig

Tijdelijke situatie, op zoek moeilijk vervulbaar

Bij het merendeel van de verenigingen zijn alle drie de bestuursfuncties vervuld (86%). Bij 13% zijn de functies deels vervuld. Eén vereniging heeft geen van de drie functies vervuld. Voor de meeste van deze verenigingen geldt dat het om een tijdelijke situatie gaat en dat zij op zoek zijn naar vervanging. Een aantal verenigingen geeft aan dat het moeilijk is om deze vacature te vervullen (4%). Er is hierin geen verschil tussen grote en kleine verenigingen en de aantallen zijn te klein voor een uitsplitsing naar de verschillende sporttakken. Vitaliteit: thema kader Bij 86% van de verenigingen bestaat het algemeen bestuur minimaal uit een voorzitter, penningmeester en een secretaris.

3.4.2

Commissies

Het merendeel van de verenigingen in het onderzoek (91%) heeft één of meer commissies om de gang van zaken binnen de vereniging te regelen. Deze commissies hebben elk hun eigen taken en die zijn zeer uiteenlopend. Gemiddeld hebben de verenigingen in het onderzoek ruim zeven commissies. Uiteraard hangt het aantal commissies sterk samen met de omvang van de vereniging: grote verenigingen hebben meer commissies dan kleine verenigingen, grote verenigingen gemiddeld iets meer dan tien en de kleine verenigingen gemiddeld bijna vijf commissies. Voetbalverenigingen hebben over het algemeen relatief veel commissies (gemiddeld tien). Verenigingen voor zwemmen, - 19 -

denksport en zelfverdediging of vechtsport hebben relatief weinig commissies (gemiddeld respectievelijk 5 , 5 en 4).

- 20 -

Figuur 3.14

Soorten commissies* (185 verenigingen)

Kas of financieel Technisch Activiteiten Wedstrijd Jeugd Kantine of bar Ledenadministratie Sponsor PR Toernooi Materialen Accommodatie Normen en waarden Scheidsrechter Vrijwilligers Topsport Maatschappelijke activiteiten Anders

78% 60% 56% 54% 48% 46% 45% 43% 42% 41% 38% 37% 26% 24% 24% 14% 12% 14% 0%

*

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

Omdat er meestal meer commissies zijn per vereniging, tellen de percentages niet op tot 100%.

Een kascommissie of financiële commissie is bij ruim drie kwart van de verenigingen aanwezig. Zes op de tien verenigingen heeft een technische commissie, een wedstrijdcommissie of een activiteitencommissie. Een commissie voor maatschappelijke activiteiten en voor topsport is bij slechts weinig verenigingen aanwezig. Van de verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie, heeft 68% een accommodatiecommissie. Binnen deze groep is geen significant verschil tussen grote en kleine verenigingen. Vitaliteit: thema kader en accommodatie 80% van de kleine verenigingen (300 leden of minder) heeft minimaal twee commissies. 92% van de grote verenigingen (groter dan 300) heeft minimaal vijf commissies. In totaal heeft 84% van de verenigingen voldoende commissies9. 68% van de verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoud van een accommodatie, heeft een accommodatiecommissie.

3.4.3

Functieprofielen en taakomschrijvingen

Verenigingen zetten voor bepaalde functies en activiteiten profielen en taakomschrijvingen op papier. Wij vinden het belangrijk dat verenigingen in elk geval de functieprofielen voor de bestuursfuncties (voorzitter, penningmeester en secretaris) op papier zetten. Zeven van de tien (71%) verenigingen hebben één of meer functieprofielen of taakomschrijvingen op papier gezet. Eén op de tien verenigingen heeft dat niet, maar is ermee bezig. En bijna één op de vijf (18%) van de verenigingen heeft helemaal niets op papier staan en is daar ook niet mee bezig.

9

De norm voor kleine verenigingen is 2 commissies en voor grote verenigingen is dit 5 commissies.

- 21 -

Figuur 3.15

Functieprofielen en taakomschrijvingen op schrift (185 verenigingen)

Voorzitter Penningmeester Secretaris Trainer Algemeen bestuurslid Bardienst Org. wedstr./toernooien Scheidsrechter Sponsoring (werving) Org. evenementen Beheer/onderhoud materiaal Website, clubblad Leider Beheer/onderhoud acc. Sportmedische zorg Anders

65% 63% 63% 41% 37% 22% 21% 19% 17% 16% 16% 14% 14% 12% 6% 3% 0%

*

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

Omdat verenigingen vaak meer functies/taken op papier hebben gezet, tellen de percentages niet op tot 100%.

In de figuur is duidelijk te zien dat met name de functieprofielen van de bestuursfuncties vaak op papier worden gezet door de verenigingen. De overige functies en/of taken staan veel minder vaak op papier. Kleine en grote verenigingen  Er is een duidelijk verschil tussen grote en kleine verenigingen: grote verenigingen zetten vaker functieprofielen en/of taakomschrijvingen op papier dan kleine verenigingen (respectievelijk 82% en 64%).  Voor de drie bestuursfuncties hebben zowel grote als kleine verenigingen functieprofielen op papier gezet.  Voor bijna alle andere functieprofielen/taakomschrijvingen geldt dat grote verenigingen die vaker op papier hebben gezet dan kleine verenigingen. Dit geldt vooral voor de functies ‘trainer’ en ‘algemeen bestuurslid’.. Verschillende sportsoorten  Verenigingen voor zwemmen en voetbal hebben vaker functieprofielen en taakomschrijvingen op papier gezet.  Beach, branding en watersport verenigingen en verenigingen voor denksport en voor zelfverdediging of vechtsport doen dat juist minder vaak. Vitaliteit: thema kader 62% van de verenigingen heeft de functieprofielen van de bestuursfuncties (voorzitter, secretaris en penningmeester) op papier gezet.

3.4.4

Vrijwilligers

Gemiddeld hebben de verenigingen in het onderzoek 78 vrijwilligers rondlopen, maar de aantallen lopen zeer uiteen. Er zijn een aantal verenigingen zonder vrijwilligers, maar er is ook een vereniging met 700 vrijwilligers. Kleine en grote verenigingen en sportsoort Uiteraard is er een duidelijk verschil tussen grote en kleine verenigingen: kleine verenigingen (maximaal 300 leden) hebben gemiddeld 27 vrijwilligers en grote verenigingen (meer dan 300 leden) hebben er gemiddeld 157. Bij verenigingen voor voetbal, zwemmen en beach/branding/watersport zijn veel vrijwilligers actief, bij verenigingen voor denksport en zelfverdediging en/of vechtsport zijn dat er juist weinig. Ook dit wordt grotendeels door de omvang van de vereniging bepaald. - 22 -

Hieronder is te zien in hoeverre er een tekort aan vrijwilligers is bij de verenigingen. Figuur 3.16

Eventueel tekort aan vrijwilligers en knelpunten bij tekort (185 vrijwilligers)

Voldoende

33%

Beheersbaar tekort

38%

Knelpunten

25%

Ernstige knelpunten

4% 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

Een derde van de verenigingen heeft voldoende vrijwilligers en nog eens bijna vier op de tien (38%) komt wel eens vrijwilligers te kort, maar dit tekort is beheersbaar. Een kwart van de verenigingen ervaart wel knelpunten door het tekort aan vrijwilligers en bij een paar verenigingen zijn dit zelfs ernstige knelpunten (4%). Er is geen verschil tussen grote en kleine verenigingen in de mate waarin zij knelpunten ervaren bij het tekort aan vrijwilligers. De aantallen zijn te klein om per sportsoort te kijken. Gemiddeld komen verenigingen met een tekort aan vrijwilligers zo’n 17 mensen te kort. Bij grote verenigingen is dit gemiddeld 28 en bij kleine is er gemiddeld een te kort van 8 mensen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/7529500/1