20231214-RIS317026 Voorstel van het college inzake Vaststelling ontwerp-bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4
Tekst van het document
Het voorgaande betekent, dat het PUK het voor het bestemmingsplan geldende uitgangspunt voor het opstellen van het bestemmingsplan is. De zienswijze dat het bestemmingsplan louter een “faciliterende vertaling” van de wensen van een door “derden” ontwikkeld bouwplan is, wordt daarom niet gedeeld. b.
Zienswijze
Voor het behouden en aanpassen van het bestaande voormalige ministeriegebouw is het ontwerp bestemmingsplan veel te ruim van opzet. De 'goede ruimtelijke ordening' is daarmee onbewezen. Reactie Zoals onder a. aangegeven, is sloop-nieuwbouw het uitgangspunt waarbinnen de ontwikkeling op de kavel plaats kan vinden. De mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zijn een uitwerking van het (geamendeerd vastgestelde) planuitwerkingskader. Er is daarom geen sprake van een ontwerp bestemmingsplan dat veel te ruim van opzet is. c.
Zienswijze
Gebleken is dat de gemeente Den Haag niet in staat en bij machte is om bouwplannen van derden behoorlijk te begeleiden. Dit leidt tot onaanvaardbare overschrijdingen van kosten en termijnen die zowel ontwikkelaars als woningzoekenden schaden en ten koste gaan van de bestedingsruimte van het bestuur. Dit moge o.a. blijken uit * het Legoland-project in Scheveningen, waarbij het draagvermogen van de boulevard-vloer niet voldoet aan de eisen die contractueel met de ontwikkelaar zijn overeengekomen, * aan een hotel aan de Strandweg in Scheveningen, waar de contractueel overeengekomen parkeergarage ontbreekt, * aan project Spui/Schedeldoekshaven waar toren C niet tot stand zal komen en het stadsbalkon voorlopig niet voltooid zal worden binnen de gemaakte afspraken en contracten. * aan het project voor een tweetal woontorens op een fietsenstalling op het KJ Plein waar ontwikkelaar en aannemer zich hebben gedistantieerd van de eerder met de gemeente contractueel overeengekomen wijze van bouwen, tijdschema en woningdifferentiatie. Daarnaast blijkt de gemeente regelmatig geen zekerheid te kunnen bieden dat een voorgenomen en overeengekomen bouwplan daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Gezien de plannen zoals die door dit college worden voorbereid in Zuid West, Binckhorst en elders vragen we ons ook af in hoeverre deze locatie voldoende onderscheidende toevoeging zal zijn aan het mozaïek van de stad, de omliggende buurten en de onderscheiden Schenkstrook. Gezien de stijgende rente, de stijgende bouwkosten en de dalende waarde van bestaande woningen is de kans niet denkbeeldig dat na de sloop van het SoZagebouw de initiatiefnemer stopt met de uitvoering van zijn plannen nadat de gemeente aansprakelijk is gesteld voor gederfde inkomsten en gemaakte kosten. Reactie De gemeente begeleid en beoordeeld jaarlijks tientallen projecten. De hier aangehaalde projecten zijn slechts enkele voorbeelden daarvan, waarbij sprake is van zeer verschillende omstandigheden. Het gaat te ver om op basis van 4 projecten te stellen dat de gemeente niet in staat en bij machte is om bouwplannen van derden te begeleiden.
40/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
Met de vaststelling van het planuitwerkingskader heeft de gemeente de kaders vastgelegd, waarbinnen de ontwikkeling dient plaats te vinden. Deze uitgangspunten zorgen ervoor dat het plan programmatisch past bij de behoefte en een voldoende onderscheidende toevoeging zal zijn aan het mozaïek van de stad. Er zijn veel factoren die invloed hebben of een bouwplan daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Naast ruimtelijke aspecten, spelen bouwkosten, financiering een belangrijke rol. Ook veranderende regelgeving van andere overheden heeft invloed op de haalbaarheid van een project. Er is geen reden om aan te nemen dat de ontwikkeling van het SoZa-gebouw stop wordt gezet nadat sloop van het huidige pand heeft plaatsgevonden. In een dergelijk (hypothetisch) geval is het ook helemaal niet vanzelfsprekend dat de gemeente aansprakelijk is voor gederfde inkomsten en gemaakte kosten. Conclusie Gelet op het voorgaande adviseert het college de gemeenteraad de zienswijze ongegrond te verklaren. 7.
Ra. 10520676
Gemeente Leidschendam Voorburg
De volledige zienswijze is als bijlage opgenomen. Ten aanzien van deze zienswijze merkt het college het volgende op: a. Integraliteit planontwikkeling Zienswijze Het college steunt uw ambities en doelstellingen voor het CID en, ingezoomd op het gebied rondom Laan van Noi, voor de versterking van de ICT-Security Campus op het gebied rondom station Laan van NOI. De transformatie van dit gebied zal een impuls geven aan Den Haag, maar ook aan Leidschendam-Voorburg en de regio. Tegelijkertijd zullen de ruimtelijke ontwikkelingen rondom Laan van NOI ook impact hebben op de omliggende wijken en dus ook op de bewoners van onze gemeente, met name in Voorburg-Noord. In het gebied rondom station Laan van NOI staat meer te gebeuren dan alleen de herontwikkeling van ‘SoZa’. Er is een start gemaakt met de MIRT-verkenning Infrastructuur en Knooppunten Oude Lijn, waar station Laan van NOI onderdeel van uitmaakt, en er wordt gewerkt aan plannen voor het toevoegen van een substantieel programma op de van Alphenstraat (Haagse zijde). Daarnaast wordt gewerkt aan plannen voor de herontwikkeling van het TinQ-tankstation en zal de Verlengde Velostrada in het gebied worden gerealiseerd. Tot slot wordt er gezocht naar een geschikte locatie voor een tramkeervoorziening in het gebied. Hier zit direct ook onze zorg.
De ruimtelijke procedure voor de Anna van Hannoverstraat gaat over één deelproject in het totale ‘projectgebied’. Het is zeer wenselijk de herontwikkeling van SoZa en de herinrichting/vergroening van de openbare ruimte rondom het gebouw ook te bezien vanuit een integrale visie op het gebied. Dit hebben wij u ook meegegeven in ons advies en onze zienswijzen op onder meer de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor de Anna van Hannoverstraat 4 en het m.e.r. voor het Central Innovation District. Hoewel er een start gemaakt leek te worden met de ontwikkelvisie voor het gebied rondom station
41/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
Laan van NOI - grofweg van de Koningin Wilhelminalaan/Prinses Beatrixlaan tot en met de TinQlocatie en van de Schenkkade tot en met de groenstrook langs de Van Alphenstraat - staat deze alweer geruime tijd on hold, vanwege capaciteitsproblemen bij de gemeente Den Haag. Ons college maakt dan ook graag van de gelegenheid gebruik om u te verzoeken zich in te spannen dit traject zo spoedig mogelijk opnieuw op te starten. Niet alleen om de plannen voor SoZa en de openbare ruimte vanuit een overkoepelend beeld te bezien, maar ook omdat de MIRT-verkenning voor de Oude Lijn wel doorloopt. De kans bestaat dat binnen deze verkenning keuzes worden gemaakt die (zeer) bepalend zijn voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied. Kortom, het is wat ons betreft niet gewenst om nu en in de toekomst individuele ontwikkelingen in het gebied ‘los’ te toetsen. Wij benadrukken, nogmaals, de noodzaak om ook waakzaam te zijn op een mogelijke cumulatie van (negatieve) effecten in het gebied en de uitstraling ervan op het omliggende gebied. Het is niet ondenkbaar dat de herontwikkeling van SoZa toekomstige ontwikkelingen in het gebied beperkt of (nadelig) beïnvloedt. Reactie De Gemeente Den Haag onderschrijft het belang van een integrale visie op het gebied dat onderdeel is van de gebiedsontwikkeling CID.
De belangrijkste ambities en uitgangspunten voor de gebiedsontwikkeling CID en de daarin opgenomen deelgebieden zijn verwoord in de Structuurvisie CID (risRIS307135) en bijbehorende plan MER. In de Structuurvisie wordt ingegaan op het deelgebied Den Haag Laan van NOI en ook verwezen naar de eerder opgestelde gebiedsagenda met de opgaven voor het deelgebied. De herontwikkeling van SoZa maakt hier onderdeel van uit. Het Planuitwerkingskader (PUK) ten behoeve van de herontwikkeling van SoZa (ris RIS309866) past binnen het kader van de Structuurvisie CID en ook bij het opstellen van het Bestemmingsplan zijn de kaders van de Structuurvisie leidend. Daarmee is hier geen sprake van een ‘losse’ ontwikkeling. Wij onderschrijven dat voor de samenhang met de omgeving en toekomstige ontwikkelingen in het gebied een integrale visie op de omgeving van project en het gebied meerwaarde heeft. Het opstellen van de ontwikkelvisie NOI heeft vertraging opgelopen vanwege personele wisselingen en capaciteitsgebrek. Zodra het weer mogelijk is, zal het traject voor de ontwikkelvisie worden vervolgd, aangezien deze opgenomen is het Programmaplan CID. b. Mobiliteitsstrategie en parkeren Zienswijze De plannen voor de Anna van Hannoverstraat omvatten ca. 120.000 m2 aan programma, waaronder 1.000 a 1.200 woningen.
In de toekomst worden daar mogelijk nog tienduizenden vierkante meters aan programma in het gebied rondom station Laan van NOI aan toegevoegd. Voor onze gemeente geldt dat de bereikbaarheid van de gemeente en de parkeermogelijkheden in met name de wijken Voorburg-Noord en Bovenveen onder druk kunnen komen te staan. Dit vraagt wat het college betreft om een overkoepelende mobiliteitsstrategie voor het gebied. Hierin zouden het faciliteren van de voetganger en de fietser, het stimuleren van deelmobiliteit en een visie op het gebruik van de auto in het gebied rondom het station een plek moeten krijgen. Reactie In Den Haag wordt ingezet op het beïnvloeden van de modal split, met als doel het behalen van een modal shift, dit betekent: het vergroten van het aandeel voetgangers, fietsers en OV-gebruikers ten opzichte van het aandeel gemotoriseerd verkeer. Dit is in Den Haag vastgelegd in de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 (RIS310664). En houdt onder meer in dat er bij de inrichting van de openbare ruimte en gebouwen wordt uitgaan van het STOMP-principe: Stappen-Trappen-Ov-MaaS-Privéauto. In de eerste plaats wordt er voor de
42/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
voetganger en fietser gekozen, gevolgd door het OV, deelmobiliteit en privéauto. Zo vormt de mens het startpunt. Lopen is de basis, voor wat langere afstanden bieden fiets, OV en auto de uitkomst. MaaS kan dit nog makkelijker maken. MaaS staat voor Mobility as a Service, Hiermee bedoelen we mobiliteit als dienstverlening in de brede zin. Een goed voorbeeld is deelmobiliteit. Bij deelmobiliteit maken meerdere mensen gebruik van dezelfde vervoermiddelen. Dit kan zowel een auto, (bak)fiets als scooter zijn. De privéauto geldt als sluitstuk, deze neemt namelijk de meeste ruimte in beslag. Het parkeerbeleid zoals vastgelegd in “Parkeerstrategie 2021-2030" (RIS308711) ondersteunt deze modal shift richting langzaam verkeer. De visie in de nota is er op gericht van Den Haag een duurzaam bereikbare en een leefbare stad te maken door ervoor te zorgen dat reizigers een bewuste keuze kunnen maken voor de vervoerwijze en de route die het beste bij hen past. De parkeernormen zoals vastgelegd in de parkeernormennota CID en Binckhorst (ris306160) geven verder invulling aan de mobiliteitstransitie, door het toepassen van normen die gebaseerd zijn op het autobezit bij reeds gerealiseerde woningen. Door dit beleid, voorziet het mobiliteitsaanbod in de vervoersvraag van de bewoners binnen en buiten het project, zodat geen overlast wordt veroorzaakt in Den Haag of Leidschendam-Voorburg.
Daarnaast wordt in de wijken direct rond het plangebied in zowel Den Haag als LeidschendamVoorburg een vorm van gereguleerd parkeren toegepast zodat er geen parkeeroverlast in de aangrenzende wijken is te verwachten. c. Voorzieningen Zienswijze In het verlengde van de aandacht die wij vragen voor de integraliteit van de planvorming en de waakzaamheid voor de cumulatie van (nadelige effecten van) bouwplannen, hecht ons college eraan ook aandacht te vragen voor het in kaart brengen en monitoren van de druk op de bestaande voorzieningen in het gebied. Ook aan de Voorburgse zijde. Het gaat dan bijvoorbeeld om de druk op basisscholen, zorgfuncties en sociaal maatschappelijke voorzieningen. Reactie Om de voortgang van de Anna van Hannoverstraat en andere planvoornemens in het CID te monitoren, en de uitgangspunten en aannames die bij de uitgevoerde onderzoeken zijn toegepast, door de jaren heen te evalueren, wordt een uitgebreide monitoring opgezet. Doel hiervan is om, naast het controleren van de aannames en de analyses, ook zo nodig aanvullende maatregelen te kunnen nemen, of zo nodig aanpassingen van planvoornemens of fasering daarvan te kunnen besluiten. De monitoring wordt vergelijkbaar qua opzet met de werkwijze van de monitoring van het MER van de Rotterdamse Baan, waar in afgelopen jaren veel ervaring mee opgedaan is.
De systematiek en invulling van de onderzoeksopgave van het MER is daarmee bepalend voor de opzet en inhoud van de monitoring. Op die wijze kan systematisch en consequent gemeten, getoetst en beoordeeld worden. De basis wordt gelegd door zorgvuldig bij te houden welk programma (wonen en andere functies) is toegevoegd en/of is verdwenen. Op basis hiervan kunnen bijvoorbeeld verkeersmodellen worden geactualiseerd en kunnen uitkomsten hiervan vergeleken worden met prognoses, aannames en tellingen. Daarmee kunnen ook de daaruit voortvloeiende (grijze) milieueffecten gemonitord worden. Ook andere effecten als druk op voorzieningen en beschikbaarheid van groen kunnen op deze wijze periodiek worden beoordeeld. Hiervoor worden jaarrapportages CID opgesteld en om de 4 jaar een programmaplan CID. Ook deze monitoring draagt bij aan het niet overvragen van de omgeving door de bouwplannen in het CID. Voor het in kaart brengen en monitoren van de druk op bestaande voorzieningen monitort de gemeente Den Haag met een 2-jaarlijks update van Integrale Huisvestingsplannen voor Zorg&
43/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
Welzijn, Sport, Cultuur & bibliotheken en onderwijs de situatie ten aanzien van de voorzieningen. Jaarlijks worden de leerlingprognoses geactualiseerd. Om inzichtelijk te krijgen of er in voldoende voorzieningen wordt voorzien is er een voorzieningenonderzoek CID (RIS316628) gedaan. Met het voorzieningenonderzoek wordt inzicht gegeven in de additionele behoefte (in vierkante meters) aan maatschappelijke en commerciële voorzieningen in het CID. De basis voor het bepalen van de additionele behoefte aan maatschappelijke voorzieningen zijn de Haagse Referentienorm Maatschappelijke Voorzieningen 2021. Voor het bepalen van de additionele behoefte aan commerciële voorzieningen zijn dichthedenanalyses gebruikt. Het onderzoek wordt elk jaar herijkt op basis van de verdere uitwerking van het CID. In paragraaf 4.4.20 van het bestemmingsplan is onderbouwd op welke manier invulling is gegeven aan de nota Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen (RIS307513). In de nota zijn richtinggevende oppervlaktes voor diverse voorzieningen uitgangspunt bij de start van een dergelijk grootschalig project. Hierbij gaat het om primair en voorgezet onderwijs, sport, zorg en welzijn, kunst en cultuur, maar ook voldoende speelveldjes, en gebruiksgroen in de openbare ruimte om te sporten. De referentienormen zijn niet bedoeld als bindende norm.
Wel zijn ze bedoeld om bij gebiedsontwikkelingen aan de voorkant globaal onderbouwde ruimte- en investeringsclaims te kunnen doen (RIS307513, p. 5). Toepassing van de normen op individuele bouwprojecten heeft zijn beperkingen, omdat veel voorzieningen op een hoger schaalniveau (buurt, wijk of stadsdeel) worden georganiseerd. Inzet is om voldoende aanbod op het juiste schaalniveau te realiseren, gekoppeld aan de grote gebiedsontwikkelingen. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om voldoende voorzieningen te realiseren. Hierbij wordt opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3213 en 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:164)) voor de beoordeling of gevreesd moet worden voor een (duurzame) ontwrichting van het voorzieningenniveau doorslaggevend is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoefte. Alleen een mogelijke ontwrichting ten aanzien van eerste levensbehoeften wordt ruimtelijk relevant geacht. Een aantasting van het voorzieningenniveau van andere behoeften is op zichzelf geen reden om planologische medewerking aan een besluit te weigeren. d.
Communicatie en participatie
Zienswijze De gemeente Den Haag heeft bewoners van Voorburg(-Noord) geïnformeerd over de voortgang van de plannen met betrekking tot de Anna van Hannoverstraat 4. Ook maakte een aantal bewoners van Voorburg onderdeel uit van de Klankbordgroep die door ontwikkelaar VORM is samengesteld. Communicatie en participatie blijft echter een belangrijk aandachtspunt voor het vervolg van het proces, met name als we kijken naar het grotere geheel; de planontwikkeling voor het grotere gebied. Reactie Wij onderschrijven net als u het belang van goede communicatie- en participatie bij de verdere planontwikkelingen in het gebied. Hiervoor hebben wij een Communicatie- en Participatieplan CID vastgesteld. Daarbij zullen wij, net als tot nu toe is gedaan, de bewoners van Voorburg (-Noord) betrekken en informeren.
44/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
e.
Samenwerking
Zienswijze De gemeente Leidschendam-Voorburg werkt op dit moment constructief samen met de gemeente Den Haag aan de verschillende plannen rondom station Laan van NOI en de versterking van het knooppunt zelf. We vertrouwen erop dat het proces van de ontwikkelvisie spoedig hervat zal worden en blijven graag de afstemming opzoeken over thema's als het voorzieningenniveau, mobiliteit, vergroening, participatie en klimaatadaptatie. We wensen u veel succes met het vervolg van de herontwikkeling van de Anna van Hannoverstraat 4 en vertrouwen op een vruchtbare samenwerking. Reactie Dank voor het vertrouwen in de samenwerking, wij kijken uit naar de verdere samenwerking die komende periode nog intensiever zal worden in het gestarte MIRT traject. Zodra het proces voor de Ontwikkelvisie opgestart wordt zal er uiteraard contact gezocht worden en dit aangekondigd worden via de regulier overleggen. Wij vertrouwen eveneens op een vruchtbare samenwerking. Conclusie Gelet op het voorgaande adviseert het college de gemeenteraad de zienswijze ongegrond te verklaren.
8.
Ra. 10522427
Stichting Wijkberaad Bezuidenhout
De volledige zienswijze is als bijlage opgenomen. Ten aanzien van deze zienswijze merkt het college het volgende op: a. Zienswijze Reactie concept bestemminsplan Op 24 juli 2022 heeft het Wijkberaad aan de Dienst Stedelijke Ontwikkeling, Afdeling Juridische Planvorming en Omgevingsrecht een reactie gestuurd op het concept bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (2022-06-13). In de Toelichting op het Ontwerpbestemmingsplan (RIS31468_Bijlage_l_deel_l_Toelichting) wordt gesteld dat gestelde vragen, gedane suggesties en gegeven adviezen beantwoord worden. Echter wij constateren dat daar weinig concreets ter verbetering van het Bestemmingsplan is overgenomen en dat sommige vragen onbeantwoord blijven, dan wel verkeerd geïnterpreteerd of onvolledig beantwoord zijn. Van het aanbod tot nadere uitleg en overleg is geen gebruik gemaakt door de gemeente. Het Wijkberaad verzoekt u dan ook de eerdere reactie (bijlage 2) als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Bijlage 2 A. Invoeren toetsingskader, aansluitend gebied Voor alle Haagse bestemmingsplannen is een toetsingskader zeer gewenst, een “Terms of Reference” zoals dit zo mooi heet. Idealiter staat daar dan de LER tussen op wijkniveau en dus niet op kavelniveau. De LER op wijkniveau vindt u op www.bezuidenhout.nl. Het toetsingskader geeft bij bouwaanvragen direct overzocht van de impact van bouwplannen binnen het vigerende
45/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
bestemmingsplan op de omgeving inclusief bestemmingen. Dergelijk overzicht en inzicht is nu niet of nauwelijks voorhanden. Er kan eigenlijk nauwelijks gesproken worden van een kwalitatieve beschrijving. Het wijkberaad vraagt aandacht voor de inrichting van de openbare ruimte zowel in de tijdelijke als in de definitieve situatie. En is bezorgd over de aansluiting van het gebouw op de openbare ruimte. • Enerzijds juist omdat niet duidelijk is wat aan de andere zijde van de kavelgrens of eigendomsgrens (Gemeente Den Haag, ProRail, kavel) in de toekomst gebeuren zal. Er is gezegd dat de rooilijnen van het huidige SoZa-gebouw aangehouden zouden worden, maar dit lijk niet te kloppen, de bestemmingsgrens en daarmee volgens de tekening ook rooilijn lijkt midden over de trottoirs (aan spoorzijde) te gaan. Dit zou de genoemde toegestane overkraging kunnen betreffen. Wij vragen ons af of dit een correcte en terechte interpretatie van ‘rooilijn aanhouden’ is. • Anderzijds hebben wij sterke twijfels over de haalbaarheid van de diverse uitgangspunten. Gaat de nieuwe inrichting functioneren als gewenst? Hoewel rapporten in theorie aantonen dat aan de normgrenzen voldaan wordt en dus bij de vergunning verstrekking geen obstakel zullen vormen, vragen wij ons wel af wat te doen wanneer het in de praktijk toch niet zo mooi blijkt uit te pakken als belooft.
Het gebouw staat er dan immers al en er is geen weg terug. Wil er straks wel een boom groeien? En wil men wel op een terras zitten waar men wegwaait? Ons advies is dan ook om, hoewel misschien niet gebruikelijk, ook kwalitatieve eisen te stellen in het bestemmingsplan. Overweeg het plangebied uit te breiden teneinde de gewenste noodzakelijke aansluiting om het omringende gebied te kunnen garanderen. Reactie De gemeenteraad heeft op 16 december 2021 het Plan uitwerkingskader (PUK) Anna van Hannoverstraat 4 vastgesteld. Dit PUK vormt het gemeentelijke kader waarbinnen het bestemmingsplan opgesteld dient te worden. Daarnaast gelden er regels van andere overheden (Hoogheemraadschap Delfland, provincie Zuid-Holland en het Rijk) waaraan voldaan moet worden. Dit tezamen is het toetsingskader voor het opstellen van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan vormt samen met het bouwbesluit, de bouwverordening en de welstandsnota het wettelijke toetsingskader voor het toekomstige bouwplan. Een Leefbaarheids effect rapportage (LER) is naar aard een participatietool en draagt bij aan de invulling van de participatie-ambities die de gemeente nastreeft: het actief communiceren met omwonenden en andere belanghebbenden. Een LER is een communicatiemiddel en niet zozeer een toetsingskader.
Bij het opstellen van het bestemmingsplan moet aangetoond worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bij het bepalen van of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening wordt er als het ware een kwalitatieve afweging gemaakt. De aspecten die hierbij van belang zijn, zijn opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan schrijft niet voor hoe de inrichting van de openbare ruimte vormgegeven moet worden of hoe de aansluiting van een gebouw op de openbare ruimte plaatsvindt. De uitwerking van de inrichting van de openbare ruimte vindt plaats via een afzonderlijk traject. In het Openbare Ruimte Plan voor deze ontwikkeling wordt aandacht besteed aan de aansluiting van het gebouw met de openbare ruimte en het functioneren van (de inrichting van) de openbare ruimte. Het uitgangspunt is dat de input van belanghebbenden en stakeholders bij de inrichting betrokken wordt.
46/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
B. Max is max In het plan is de hoogte gemaximaliseerd: 75 meter. Is het aantal m2 BVO gemaximaliseerd: 120.000m2. Is het aantal woningen gemaximaliseerd: 1200 eenheden. Echter, in de Regels wordt ruimte gelaten voor ‘het bevoegd gezag’ om hiervan af te wijken (naar boven). De standaard afwijkingsgrens is doorgaans 10%. Wij adviseren om de genoemde maxima te garanderen in het bestemmingsplan en de afwijkingsregel expliciet uit te sluiten voor dit bestemmingsplan. Max is max, daar moeten we op kunnen vertrouwen. Reactie Zoals gebruikelijk in bestemmingsplannen zijn ook in het voorliggende bestemmingsplan regels opgenomen die enige flexibiliteit bieden bij concrete bouwplanuitwerking, zie hiervoor de algemene bouwregels (artikel 7) en de algemene afwijkingsregels (artikel 10). In de regels van het concept ontwerp bestemmingsplan werd ruimte gelaten voor het 'bevoegd gezag' om af te wijken van de in het plan opgenomen aantal woningen. De vrijstelling voor een hoger aantal woningen is niet meer opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Er is aangesloten op de uitgangspunten uit het planuitwerkingskader. Het bestemmingsplan maakt maximaal 1.200 woningen mogelijk. Er is zijn geen mogelijkheden in het plan opgenomen om dit aantal te kunnen vergroten. C. Herdefinieer de toegestane functies voor de ‘Plint’ op maaiveldniveau.
In de begrippenlijst van de Regels staat de volgende definitie van ‘plint’: “het onderste gedeelte van een gebouw dat gezien vanaf maaiveldniveau, als bepalend kan worden aangemerkt voor de beleving in stedenbouwkundige, architectonische en functionele zin.” De plint betreft dus niet enkel de begane grond maar kan meerdere bouwlagen betreffen. Maak in het plan duidelijk hoeveel bouwlagen hier wordt bedoeld. Er is in de project- en bouwplannen, bij bewonersparticipatieavonden gesproken over de ‘levendigheid en openheid van de plint’, dit komt ook terug in de Toelichting. We zien dit echter niet terug in het bestemmingsplan (zowel in de Regels als in de Verbeelding). De ambities uit de Toelichting worden op geen enkele manier waargemaakt of juridisch vertaald. Zie artikel 4.4 Specifieke gebruiksregels van de Gemengde Bestemming. Zo wordt het aantal vierkante meters Horeca en detailhandel gebonden aan een maximumaantal, terwijl voor een open en levendige plint ook een minimumaantal m2’s vereist is, voor dergelijke functies. Aangenomen motie 5 van de Gemeenteraad (Toelichting Art.4.4.4 PUK) betreft de ‘Plintenstrategie’, de uitwerking hiervan vinden we niet terug in dit plan. Ook missen we de functiemenging en het minimumvereiste voor een gedegen en kwalitatieve ‘plint’.
Zoals het conceptplan nu voorschrijft is het mogelijk dat de gemengde functies op de begane grond zouden bestaan uit functies die helemaal niet als ‘levendig’ of ‘open’ ervaren zullen worden wanneer eenmaal gerealiseerd. Kantoren die ’s avonds de lamellen dicht doen, vuilcontaineropslag, toegangspoorten/afleveringspunten winkels, dichtgeplakte winkelruiten behoren allemaal tot de opties. Dit is niet het toekomstbeeld wat iedereen voor ogen heeft bij een ‘levendige en open plint’. Ons advies is, zet in op een open en toegankelijke plint op de eerste bouwlaag (begane grond/ maaiveld) en sluit functies die het open/ toegankelijk karakter op dat niveau negatief beïnvloeden uit.
47/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
De plint op maaiveldniveau moet levendig zijn en in verbinding met de openbare ruimte. Ofwel maak onderscheid tussen enerzijds de ‘plint – maaiveld’: waar de aansluiting met de openbare ruimte gemaakt kan, maar tegelijkertijd ook gegarandeerd worden en anderzijds ‘plint – niet zijnde maaiveld’ waar de iets ruimere voorgestelde functiemenging zoals nu omschreven bij ‘plint’ mag plaatsvinden. Concreet houdt dit bijvoorbeeld in: • Geef in het bestemmingsplan aan op welke manier de open en toegankelijk karakter van de plint juridisch gegarandeerd moet/kan worden. • Definieer hoeveel procent (30%?) van de plint op maaiveldniveau publiek toegankelijk moet zijn. • Definieer welke functies op maaiveldniveau uitgesloten zijn. Immers kantoren in de plint zijn in de avonduren gesloten, en verre van levendig. • Een levendige plint kan niet zonder een levendige openbare ruimte. Dit vergt ook uitnodigend inrichten van de openbare ruimte. Reserveer ruimte voor terras. Die is er nu aan de spoorzijde van het plot niet. Reactie Conform de Plintenstrategie (vastgesteld 23 augustus 2022) is er voor dit bestemmingsplan een plintenvisie opgesteld (bijlage 1 van de toelichting). Op basis van een plintenstudie van Rebel naar dit gebied zijn de primaire looproutes bepaald, waar reuring aanwezig is en meer publiektrekkende functies nodig zijn.
Daarnaast zijn er in het binnengebied meer plekken voor rust en groen. Deze looproutes zijn vastgelegd in bijlage 6 van de regels. Volgens de nota Eyeline Skyline heeft een plint een minimale bouwhoogte van 4,5 meter. De nota bepaalt niet dat een plint uit enkel de begane grondlaag moet bestaan. Ook het PUK schrijft dit niet voor. Voor wat betreft de ambities voor het plan, sluiten we in het bestemmingsplan aan op het PUK, waar er geen minimum aantal m2's horeca is opgenomen. In hoofdstuk 6 van het PUK en de Plintenvisie is bepaald dat levendige en transparante plinten langs de belangrijkste looproutes bijdragen aan sociale veiligheid en ontmoeting. Hier ligt de nadruk op programma met een publiek karakter (voorzieningen/ dienstverlening, horeca, commercieel en entrees naar kantoren, woningen en mogelijk hotel). Langs de belangrijkste looproutes bevinden zich geen woningen op maaiveld (met uitzondering van centrale entrees naar bovengelegen woningen). Op de hoeken mogen ook geen entrees van bovengelegen woningen gesitueerd worden. De regels uit het bestemmingsplan, maken de gewenste functiemenging mogelijk. Regels die langs de belangrijkste routes woningen op maaiveld uitsluiten en op de hoeken entrees van woningen ontsluiten ontbreken in het concept ontwerp bestemmingsplan. We hebben de regels op deze punten aangepast, zie hiervoor artikel 4.4 lid v en lid w.
Het beeldkwaliteitsdocument (en daarmee ook Welstand) zal ook als instrument worden ingezet om te sturen, zoals op materiaalgebruik en details, de samenhang tussen de bebouwing en het omliggende openbaar gebied. Op deze wijze wordt ook een bijdrage geleverd aan het bereiken van de beoogde levendigheid en verbindingen met de openbare ruimte. Om het gebouw en de bewoners te bedienen, zal een aantal strekkende meters plint aangrenzend aan de openbare ruimte beschikbaar moeten zijn voor logistiek (waaronder afval) technische ruimtes en entrees. D. Waterbergend vermogen binnen het plangebied oplossen vastleggen
48/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
In de huidige situatie is sprake van een vijver. Het waterbergend vermogen moet bij de geplande demping elders (op redelijke afstand binnen het peilgebied) worden gecompenseerd (Toelichting Art. 5.11.2). Anders moet het alsnog binnen het plangebied worden teruggebracht. In de toelichting staat dat het de regels is dat het waterbergingsniveau behouden blijft. Het is ons niet duidelijk waar de waterberging opgelost wordt. Het ontwerp voor zover wij dat kennen lijkt hierin wel te voorzien, maar het wordt niet vastgelegd in een garantie in het concept bestemmingsplan. Ons advies is om in het bestemmingsplan op te nemen dat het waterbergend vermogen binnen het plangebied opgelost moet worden wanneer er in de bouwplannen sprake is van demping van (een deel van) de thans aanwezige vijver. Reactie In overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland wordt bekeken op welke wijze invulling gegeven dient te worden aan de wateropgave. Het is goed mogelijk dat een deel van de benodigde waterberging buiten het plangebied wordt opgelost. In de regels is dan ook bepaald dat binnen 12 maanden na oplevering van het bouwplan een waterberging met een capaciteit van 800 m3 beschikbaar moet zijn. Met een dergelijke bepaling moet worden voorzien in de benodigde waterbergingscapaciteit, maar geldt niet de noodzaak de waterberging in het plangebied op te lossen.
Zie ook de beantwoording van de zienswijze van het Hoogheemraadschap Delfland.
E. Windhindereisen openbare ruimte opnemen, desnoods door aanpassingen van het gebouwontwerp Het naastgelegen station heeft een bereik van 20 duizend bewegingen per dag. Verkeersbewegingen zullen zich concentreren rondom en zelfs gewenst door de plot van het bestemmingsplan, waar ook nog eens een ‘levendige plint’ gewenst is. Waar windhinder is zal men de locatie vermijden. De geplande bebouwing levert door windhinder een zeer matig verblijfsklimaat in de openbare ruimte op (ook buiten het plot van dit bestemmingsplan). De bebouwing zorgt voor een nieuwe situatie op straatniveau voor voorbijgangers. Groen en bomen krijgen een belangrijke rol toebedeeld in het tegengaan van de windhinder. Echter een dergelijke maatregel mag niet worden ingezet om te voldoen aan een norm. Overigens mag worden betwijfeld of groen en bomen in dit klimaat tot wasdom komen en die rol kunnen gaan vervullen. Ons advies is om windhinder mee te nemen in de eisen waaraan een ontwerp van de bebouwing binnen het bestemmingsplan moet voldoen. Ons voorstel is om daarbij te verwijzen naar de NEN8100. Deze norm geeft eisen en bepalingsmethoden voor de toetsing van het lokale windklimaat in de gebouwde omgeving op loop- respectievelijk verblijfsniveau in relatie tot het effect van wind op voetgangers en is bedoeld te worden toegepast bij bouwplannen.
In deze norm worden een drietal activiteitenklassen gedefinieerd (NEN 8100: 2006); • Doorlopen, gericht lopen bv parkeerterrein, trottoir, doorsteel naar station LaanvNOI • Slenteren, zitten en staan bv winkelstraat, onoverdekte winkelstraat, park, gebouwingang • Langdurig zitten bv terras, bakje in het park
49/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
Wat ons betreft kan het niet zo zijn dat de buitenruimte in de in het bestemmingsplan bedoelde functies in de beoordeling “matig” of “slecht” per activiteitenklasse zouden scoren. Ofwel leg de kwaliteit ‘geen windhinder’ kwalitatief vast in het bestemmingsplan, waardoor ter vermindering van windhinder maatregelen in het gebouwontwerp moeten worden opgenomen teneinde aan de eisen voor de beoordeling “goed” te voldoen. Dit is in lijn met het Haags beleid dat is vastgelegd in de ‘actualisering van de normen ten aanzien van bezonning en windhinder (9 februari 2010). Gebruik van windschermen en luifels of afronding van gebouwhoeken zijn bouwkundige oplossingen die ons inziens door de bouwende partij moeten worden voorzien om tot een openbare ruimte te komen die voldoet aan de in het bestemmingsplan gestelde eisen. Het beoogde gebruik moet worden geborgd bij de bouw en niet afhankelijk zijn van de (ver)huurder (want niet te handhaven). Kortom, de technische oplossingen moeten in het gebouwontwerp voorzien zijn.
Concreet komt dit wat ons betreft neer op de volgende kwaliteitsklasse-eisen: • Doorlopen, gericht lopen kwaliteitsklasse C • Slenteren, zitten en staan kwaliteitsklasse B • Langdurig zitten kwaliteitsklasse A Ons advies is om in het bestemmingsplan vast te leggen welke delen/ functies in welke activiteitenklasse vallen en derhalve aan welke kwaliteitseis (zie bovenstaande) ze moeten voldoen, en ook om de verantwoordelijkheid hiervoor bij de ontwikkelaar neer te leggen. Reactie Alle bouw hoger dan 50 meter moet voldoen aan de Haagse windhinder- en bezonningsnorm RIS170519. In deze norm die gebaseerd is op de NEN8100, zijn voor verschillende activiteiten in de openbare ruimte de maximaal toelaatbare overschrijdingskansen vastgelegd. Aan deze norm moet ook dit project voldoen. Als uitgangspunt in de norm en het NEN8100 wordt een drempelsnelheid van 5m/s aangehouden. De kwalificering van het windklimaat is gebaseerd op de procenten kans dat deze drempelsnelheid op een locatie wordt overschreden voor de activiteiten ‘doorlopen’, ‘slenteren’ en langdurig zitten’. Windgevaar wordt nooit toegestaan. De hoogst toelaatbare kans op overschrijding van de drempelwaarde bij doorlopen is, in de NENnorm en de Haagse norm: 10-20%, bij slenteren 5-10% en bij stilzitten 2,5-5% van de tijd. Deze beoordeling wordt in de normen ‘matig’ genoemd.
Deze overschrijdingskansen worden berekend op een situatie zonder bestaande of nieuwe bomen. Bomen hebben immers niet in alle jaargetijden dezelfde bladdichtheid, worden de groeiomstandigheden en het tot volle wasdom komen van bomen ook beïnvloedt door de mogelijke windhinder, en maakt het op lange termijn voldoen aan de eisen, te afhankelijk van beheer, onderhoud en vervanging. Om deze reden worden ook bomen, groen en elementen in de openbare ruimte niet als oplossing voor windhinder geaccepteerd. De problematiek moet in principe dus op eigen terrein of middel de situering of plastiek van de bouwmassa worden opgelost. In het windhinderonderzoek (OD 16109-6-RA), Bijlage 14 bij de toelichting, zijn verschillende varianten onderzocht. Zo is ter afweging de geplande situatie zonder geplande begroeiing en omgevingsbebouwing onderzocht. Ter afweging is ook de geplande situatie zonder geplande
50/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
begroeiing, met omgevingsbebouwing en de geplande situatie met geplande begroeiing en omgevingsbebouwing. In de situatie zonder geplande begroeiing en omgevingsbebouwing) is er in het plangebied overwegend sprake van een goed tot matig windklimaat voor 'doorlopen'. Tussen de nieuwbouwblokken is sprake van een matig windklimaat voor ’doorlopen’. Door entrees in dit gebied wat terug te leggen in de gevels voldoet het windklimaat bij dergelijke entrees ook aan de Haagse norm. Het windklimaat kan effectief verder verbeterd worden door het plaatsen van windremmende elementen. Aan de zuidwestzijde van het gebied is een matig windklimaat voor doorlopen. Aan deze zijde vinden geen entrees en publieke functies plaats en voldoet de classificering voor doorlopen. Als ondergrens wordt minimaal een 'matig' windklimaat nagestreefd (zie ook RIS170509). Daar wordt op de onderzochte plaatsen, voor de activiteit doorlopen, aan voldaan. Wanneer de geplande omgevingsbebouwing en geplande begroeiing worden toegepast dan wordt voor de activiteit slenteren, met uitzondering van de Laan van NOI, de hoek Anna van Hannoverstraat – Laan van NOI en een spot in de tussenstraat tussen de nieuwe gebouwen ten minste in een matig windklimaat voorzien.
De activiteit 'langdurig zitten' (terrassen) is niet onderzocht in het windhinderonderzoek, waardoor terrassen niet meer bij recht in het bestemmingsplan worden toegestaan, maar alleen nog maar middels een binnenplanse afwijking (zie hiervoor artikel 5.3 en artikel 6.4 van de regels). Aan het verlenen van medewerking is de voorwaarde verbonden dat aangetoond moet worden dat er ter plaatse van het beoogde terras ten minste sprake is van een matig windklimaat voor de activiteit 'langdurig zitten', zoals gekwalificeerd in de NEN 8100. F. Groen: kwalitatief en substantieel Afgezien van de snipper ‘groen’ tussen hoogbouw en het benzinestation, bestaat het groen in het plangebied uit een rechthoek van ca. 33 bij 27 meter in de noordhoek van een kavel met hoogbouwkolossen. Wind en onvoldoende of geen direct zonlicht beïnvloeden de groeimogelijkheden op een negatieve manier. Het lijkt uiterst onwaarschijnlijk dat hier op enig moment sprake kan zijn van een groengebied moet een gunstig verblijfsklimaat. In het bezonningsonderzoek wordt de Haagse bezonningsnorm gehanteerd. Deze heeft alleen betrekking op de bezonning van woningen. Groen van voldoende kwaliteit heeft ook behoefte aan zonlicht, advies om de Haagse normen uit te breiden met normen hiervoor. De inrichting van het groen zou in co-productie met toekomstige gebruikers worden bepaald (aangenomen motie 1 van de Gemeenteraad).
Wij vragen ons af of dat is gebeurd en op welke wijze hier vorm aan is gegeven? Tevens wordt in het PUK de eis gesteld dat het areaal groen in de openbare ruimte moet worden uitgebreid. Het huidige areaal is 2314 m2. In het conceptplan komen wij niet verder dan ca. 1050 m2. Graag worden wij van ons ongelijk overtuigd, in het andere geval lezen we graag hoe alsnog voldoende groen wordt gecreëerd. Advies: Formuleer naast kwantitatief ook de kwalitatieve eisen voor de inpassing van groen. Het doel van een kwalitatief ontwerp en bestemmingsplan kan niet zijn dat bewoners en wijk uiteindelijke opgescheept worden met een verpieterd stukje mos of ‘schaamgroen’. Zie ook opmerking over groen bij het advies over windhinder en de aansprakelijkheid van de ontwikkelaar/ eigenaar van te bouwen objecten.
51/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
Reactie In het voorliggende bestemmingsplan is ervoor gekozen om gebieden die specifiek als groene ruimte worden ingericht specifiek als Groen te bestemmen. Binnen de bestemmingen Gemengd en Verkeer Verblijfsgebied zal ook groen gerealiseerd worden en is groen of groenvoorzieningen toegelaten. Het gaat daarbij om openbaar groen op maaiveld en groen op daken van gebouwen. Het is niet gebruikelijk om kwalitatieve eisen ten aanzien van de groeninvulling in een bestemmingsplan op te nemen. Daarom is daar in dit bestemmingsplan ook niet voor gekozen. Voor de volledigheid wijzen wij nog op het te doorlopen VO/DO traject, waarin de mogelijkheid geboden zal worden op de inrichtingsplannen te reageren. Of er sprake zal zijn van een groengebied met een gunstig verblijfsklimaat hangt af van verschillende factoren. Bezonning kan daar een van zijn, maar dat hoeft niet. Te veel bezonning kan ook als onprettig worden ervaren. Wij zien geen reden om de bezonningsnormen uit te breiden met een norm voor bezonning van groen. G. Parkeren: risico’s korte termijn visie Parkeren in Bezuidenhout is nu al een probleem, dit plan zorgt op meerdere manieren voor negatieve effecten, dus voor een nog groter probleem. • In voorliggend conceptplan wordt qua parkeernormen voor motorvoertuigen verwezen naar de “Nota parkeernormen CID en Binckhorst 2020”.
In de betreffende nota staat het volgende: Ontwikkelaars die parkeren op eigen terrein oplossen kunnen tot maximaal 50% van de parkeerbehoefte met deelauto’s oplossen. Eén deelauto inclusief parkeerplaats komt in plaats van vier reguliere parkeerplaatsen. De deelauto’s dienen minimaal 5 jaar beschikbaar te zijn voor bewoners van de ontwikkeling. De ontwikkelaar of de eigenaar maakt afspraken over de overdracht van de deelauto’s met de gebruikers en/of de VVE. Na deze vijf jaar blijven de parkeerplaatsen voor deelauto’s behouden voor bewoners. Ofwel in het plangebied mogen minder parkeerplekken voor auto’s voorzien worden voor en periode van 5 jaar als men deelauto’s inzet op eigen terrein. Woningen echter worden doorgaans gebouwd om minimaal 60/70 jaar mee te gaan. Na de periode van 5 jaar deelmobiliteit aangeboden te hebben, kunnen aanbieders van deelmobiliteit zich terugtrekken of vanuit monopolie positie met onredelijke eisen/vraagprijzen richting de dan gebruikers/Vve komen, waardoor de parkeervoorziening niet langer ingevuld wordt door deelauto’s. Er ontstaat dan per direct een situatie, dat er een tekort aan parkeervoorzieningen ontstaat. Hoe garanderen de Regels in het bestemmingsplan, dat er na 5 jaar voldoende parkeerplekken op de plot zullen zijn? Wie is verantwoordelijk voor het realiseren van de minimale parkeernorm ook na de in de genoemde Nota parkeernormen CID.
Parkeernormen? Immers na verlenging van de bouwvergunning kan na vijf jaar niet alsnog extra parkeergelegenheid gerealiseerd worden. Deze verantwoordelijkheid kan en mag niet neergelegd worden bij de bewoners/ gebruikers. •
Er bestaat een mogelijkheid om volgens eerdergenoemde Nota een afwijking van de parkeereis af te kopen. “Minder parkeerplaatsen huren of (laten) realiseren dan op basis van
52/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
de hierboven voorgestelde parkeernormen en toepassingsregels is berekend, mag ook. Zowel voor het CID als voor de Binkhorst geldt dit tot de helft van de berekende parkeerbehoefte. In dat geval wordt, indien aan de voorwaarden en regels wordt voldaan, een storting in de Voorziening Parkeren en Mobiliteitsmaatregelen per niet aan te leggen parkeerplaats geëist. De gemeente is vervolgens verantwoordelijk voor het investeren van het gestorte geld in mobiliteitsmaatregelen en centrale parkeervoorzieningen voor de toekomstige bewoners van de woningen en gebruikers van de kantoren, bedrijven en voorzieningen. Deze investeringen moeten ten goede komen aan de mobiliteitstransitie in het gebied waar de parkeereis (gedeeltelijk) is afgekocht.” In de omschrijving wordt ‘gebied’ niet gedefinieerd. Advies 1. Formuleer eisen voor de inpassing en oplossing van het parkeren van motorvoertuigen over de gehele levenscyclus van de bebouwing in het plangebied en beperkt deze niet enkel tot de eerste 5 jaren na vergunning verstrekking/ realisatie. Advies 2. Sta samenloop toe van deelauto’s en afkoopregeling van parkeerplaatsen tot maximaal 50% van de initieel berekende/ toepasselijke parkeernorm. Verondersteld wordt dat mensen die in de nabijheid van een station wonen/ werken geen eigen auto hebben.
De praktijk leert dat bewoners in omliggende straten niet beduidend minder eigen motorvoertuigen in bezit hebben. Toestaan van afkoop binnen het bestemmingsgebied ligt dan ook niet voor de hand. Reactie Het parkeerbeleid staat toe dat er gebruik wordt gemaakt van deelauto's. Bij de uitwerking van het bouwplan, in het kader van de omgevingsvergunning zal er getoetst worden of aan het parkeerbeleid wordt voldaan. Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte om in het benodigde aantal parkeerplaatsen te voorzien, zowel bij toepassing van deelauto's als zonder toepassing van deelauto's. Wij verwachten geen tekort aan parkeerplaatsen. Op basis van het programma dat het bestemmingsplan mogelijk maakt zijn ongeveer 392 parkeerplaatsen (zie toelichting paragraaf 5.2) nodig. Het bestemmingsplan staat bovengronds maximaal 15.000 m2 parkeren mogelijk (maximaal 600 parkeerplaatsen), waardoor zondermeer in de parkeerbehoefte voorzien zal kunnen worden. Wel kunnen we al meegeven dat aan bewoners en bezoekers geen parkeervergunningen worden toegekend, waardoor het niet mogelijk is dat er in gereguleerd gebied op straat wordt geparkeerd. Wij zien geen redenen om aan te nemen dat ondanks dat er dicht bij een station gewoond en gewerkt wordt, men niet beduidend minder eigen motorvoertuigen in bezit zal hebben. Het gemeentelijk parkeerbeleid is zorgvuldig tot stand gekomen.
Of- en hoeveel deelauto's toegepast zullen worden is op dit moment niet bekend. Wel is duidelijk dat het bestemmingsplan in de mogelijkheid voorziet om voldoende parkeergelegenheid te realiseren. Bij indiening van het bouwplan zal aangetoond moeten worden dat aan het gemeentelijk parkeerbeleid wordt voldaan. Wij zien geen reden om in afwijking van het parkeerbeleid een bepaling in het bestemmingsplan op te nemen die voorziet in eisen voor de inpassing en oplossing voor het parkeren van motorvoertuigen voor de gehele levenscyclus van de bebouwing.
53/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
H. Fiets (- en scooter)parkeren Of er sprake is van voldoende fietsparkeercapaciteit, wordt alleen kwantitatief bepaald en getoetst (art.8.1.c en d en de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016). ‘Voldoende capaciteit’ heeft echter ook een kwalitatief aspect (bruikbaarheid, bereikbaarheid). Hier wordt helaas niets over gezegd. In het bestemmingsplan zou bijvoorbeeld kunnen worden opgenomen waar en hoe het fiets- en scooterparkeren (op maaiveld?) zou moeten worden gerealiseerd. Er is in de wijk Bezuidenhout een fiets- en scooterparkeerprobleem. Bij de inmiddels gerealiseerde nieuwbouw is de problematiek alleen maar toegenomen. Het (fiets)parkeren is naast een handhavingsprobleem ook een ontwerpprobleem dat opgelost moet worden, zeker als de bewoners van de 1000-1200 nieuwe woningen hun (bak)fietsen en scooters zullen willen gaan stallen en niet altijd de op papier bedachte oplossingen blijken te volgen. Advies: formuleer naast kwantitatief ook de kwalitatieve eisen voor de inpassing en oplossing van het (bak)fiets- en scooterparkeren. Zonder goede, bruikbare en bereikbare faciliteiten worden de openbare ruimte een verblijfplaats voor stalen rossen, een verre van aangenaam verblijfsklimaat. Reactie Het fietsparkeren wordt kwalitatief beoordeeld in het kader van de omgevingsvergunning.
Nieuwbouwontwikkelingen in het CID-gebied moeten voldoen aan het beleid zoals dat is verwoord in de nota parkeernormen CID en Binckhorst. De aanvraag omgevingsvergunning zal op dit punt worden getoetst. Voor het bestemmingsplan is het met name relevant of het bestemmingsplan in voldoende fietsparkeerplaatsen kan voorzien. In het planuitwerkingskader (PUK) is opgenomen dat het fietsparkeren op maaiveld in de buitenruimte niet is toegestaan, het fietsparkeren voor bewoners, werknemers en bezoekers op eigen terrein wordt opgelost, met dien verstande dat het stallen van fietsen voor bewoners gecombineerd wordt met de stallingsruimte voor gebruikers en bezoekers van kantoren. Bij de inrichting van de openbare ruimte zal dit in acht genomen worden en wordt nader uitgewerkt op welke wijze voorkomen kan worden dat het fiets- en scooterparkeren tot problemen kan leiden. Het bestemmingsplan is hier niet het instrument voor. Er wordt voorzien in een inpandige collectieve fietsenstalling die comfortabel vanaf het maaiveld bereikbaar is en voldoende ruimte biedt voor een breed scala aan mogelijke typen fietsen met verschillende maten. Hiervoor dient de beleidsregel ‘Bergingen nieuwe woongebouwen Den Haag 2017’ in acht te worden genomen. Dit is een toepassing van gelijkwaardigheid op artikel 1.3 van het bouwbesluit om per woning een berging te realiseren.
De stalling zal zodanig in het totale bouwplan worden ingepast dat dit niet ten koste zal gaan van een levendige plint, met functies als horeca, winkels en bedrijven. b. Zienswijze Regie gemeente Als doel van het bestemmingsplan wordt aangegeven: "Het mogelijk maken van de voorgenomen herontwikkeling". Deze zin in combinatie met de rest van de Toelichting en de Regels geeft geen blijk van een gemeente die regie voert, maar van een gemeente die zich laat leiden door projectontwikkelaars. Deze zienswijze is erop gericht om de regie terug te pakken, het
54/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
bestemmingsplan als sturend instrument zijn functie te laten hebben en de volgordelijkheid van plannen en procedures te handhaven. Reactie Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad het planuitwerkingskader Anna van Hannoverstraat 4 (PUK) vastgesteld. In het PUK zijn ruimtelijke en programmatische kaders vastgelegd waarbinnen de ontwikkeling dient plaats te vinden. De gemeente heeft hierin actief de regie gevoerd en is samen met de betrokken partijen tot een herontwikkeling van de kavel gekomen. Het bestemmingsplan is de juridische vertaling van het PUK, waarin de gemeente de kaders voor de herontwikkeling van de kavel heeft vastgelegd. Het voorliggende bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van herontwikkeling van de kavel, vandaar dat in de toelichting als doel ‘Het mogelijk maken van de voorgenomen herontwikkeling’ is opgenomen. Er is geen sprake van een gemeente die zich laat leiden door projectontwikkelaars.
c. Zienswijze Van Toelichting naar Regels De Toelichting (RIS314687_Bijlage_l_deel-l_Toelichting) bevat veel vaag taalgebruik, veel woorden zonder concreet iets te zeggen. Het blijft bij streven en veelal niet uitgewerkte ambities. De term 'duurzaam' wordt misleidend gebruikt (achteruitgang ten opzichte van de huidige situatie wordt als akkoord bestempeld!), zolang er maar binnen de normen gebleven wordt. Sterker nog in de Toelichting wordt erkend dat bepaalde normen niet gehaald gaan worden. Reactie In de toelichting van het bestemmingsplan wordt zowel ingegaan op de relevante beleidskaders (hoofdstuk 4 van de toelichting), op de relevante Omgevingsaspecten, maar wordt ook een beschrijving van de bestaande situatie als de toekomstige situatie gegeven. Er zijn meerdere instrumenten om duurzaamheidsaspecten te regelen, via een anterieure overeenkomst, het bouwbesluit en het bestemmingsplan. Ruimtelijke aspecten die voortkomen uit de Wet ruimtelijke ordening en aanverwante regelgeving zijn onderbouwd in het bestemmingsplan, de juridische borging vindt plaats in de regels van het bestemmingsplan. Waar relevant voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn aspecten verankerd in de planregels (zie bijvoorbeeld de artikelen 4.7, 4.8 en 4.9). d.
Zienswijze In het belang van huidige en toekomstige bewoners van de wijk Bezuidenhout, waarin dit plangebied ligt, heeft ons inziens het huidige niveau als ondergrens te gelden wat betreft de verschillende ambities. Reactie Het bestemmingsplan vormt een uitwerking van de (ambitieuze) kaders die in het Planuitwerkingskader Anna van Hannoverstraat 4 zijn opgenomen. Daar waar ruimtelijk relevant en relevant voor een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie, zijn de uitgangspunten opgenomen in het bestemmingsplan. De toelichting omvat meer achtergrondinformatie maar dat doet hier verder niet aan af. e.
Zienswijze
55/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
Het bestemmingsplan is bedoeld als sturingsinstrument. Daarom is het belangrijk dat de verschillende ambitieniveaus binnen het bestemmingsplan vertaald worden in concrete, en juridische toetsbare, eisen en Regels. Reactie Onderhavig bestemmingsplan is, voor zover dit mogelijk is, een vertaling van de uitgangspunten en voorwaarden uit het PUK. Voor zover ambities via het bestemmingsplan vastgelegd kunnen worden, is dit reeds gebeurd. f. Zienswijze Plint (RIS314687_Bijlage_l_deel-3_Regels: 4.4) Men maakt het mogelijk dat er een mix van functies komt, maar garandeert daarmee nog niet dat de plint transparant en levendig wordt. Er staat helemaal niets over gevels. De gemeente legt op geen enkele manier vast dat de plinten (op bepaalde plaatsen) transparant en levendig zullen zijn. We hebben ernstige bedenkingen over de realiseerbaarheid. 20% publiekstoegankelijke functies is nog geen garantie dat de plint op die locatie transparant is. In het geval van een eerstelijns zorgvoorziening zal de gevel eerder geblindeerd zijn vanwege privacy van de zorgvragers. In de plankaart worden geen locaties aangegeven waar de gevel op plintniveau transparant moet zijn. Zie hiervoor onze opmerkingen op het concept bestemmingsplan waar geen bevredigend antwoord op gegeven wordt en slechts een aanbeveling overgenomen wordt.
Reactie Het creëren van levendigheid en attractieve plinten gaat over functies en vorm. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen over de functies (o.a. looproutes en metrages van bepaalde functies zoals detailhandel en zorg) en in het beeldkwaliteitsplan zijn aspecten opgenomen die gaan over het gebouw (materialisering, uitstraling en transparantie). Het bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan hebben beide invloed op deze gewenste levendigheid. Wij verwachten dat de huidige bestemmingsregeling in combinatie met de eisen die via het beeldkwaliteitsdocument aan het bouwplan gesteld worden bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen in het plangebied. g. Zienswijze Goede ruimtelijke ordening vraagt o.i. om heldere Regels en plankaart voor de plint. Wij verzoeken u om hetgeen hierboven opgemerkt hierin te verwerken. Reactie Zie onze eerdere beantwoording onder e en f. h. Zienswijze Voldoen aan Nota natuurinclusief bouwen (Toelichting 4.4.9) 12. De gemeente Den Haag wil natuurinclusief bouwen in de stad bevorderen (2019, RIS 301953). In de Regels staat echter niets over voldoen aan de Nota Natuurinclusief Bouwen. Het woord ""natuur"" (Zie o.a. ""Toelichting 5.7. Natuurbescherming"") komt niet terug in de Regels. In de Toelichting wordt enkel iets gezegd over de locaties waar vleermuizen in de definitieve situatie terecht kunnen, maar tijdelijke locaties zijn niet benoemd.
Er wordt met geen woord gerept over Zorgplicht, soortenbescherming, etc. Reactie
56/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
Doordat er sprake is van het opstellen van een bestemmingsplan verbrede reikwijdte is het mogelijk regels op te nemen ten aanzien van natuurinclusief bouwen. De regels zijn op dit punt aangevuld. Overigens zal ook nog in het kader van de toetsing van de omgevingsvergunning voor bouwen hier de nodige aandacht voor zijn. In de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan is in paragraaf 5.7 wel ingegaan op de zorgplicht en soortenbescherming. Hier is toegelicht hoe het bepaalde uit de Wet natuurbescherming (Wnb) doorwerkt voor de plannen. Het aanvullend vleermuisonderzoek was op het moment dat het ontwerp bestemmingsplan werd gelegd nog niet beschikbaar. Het onderzoek is in het vast te stellen bestemmingsplan opgenomen (bijlage 15). Uit het onderzoek blijkt dat het pand Anna van Hannoverstraat 4 een functie heeft voor vleermuizen (vast rust- en voortplantingsplaats van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis). Zonder het nemen van maatregelen zal de functionaliteit van deze plaatsen naar verwachting worden vernield. Sloopwerkzaamheden zijn daarmee ontheffingsplichtig (Wet natuurbescherming). Een aanvraag ontheffing is ingediend. i. Zienswijze Het Wijkberaad verzoekt u ook op dit punt de regie te pakken en via de Regels te borgen dat alsnog aan de nota Natuurinclusief bouwen wordt voldaan.
Reactie Natuurinclusief bouwen is vastgesteld stedelijk beleid waaraan moet worden voldaan. Het is dan ook via de regels geborgd in het bestemmingsplan. j. Zienswijze Bouwplan in relatie tot ontwerp bestemmingsplan, gebied CID en wijk Bezuidenhout Kwaliteit van de Openbare Ruimte Toelichting, blz.33, 5e alinea: "De kwaliteit van de openbare ruimte is een van de belangrijkste beoordelingscriteria van het plan." Er blijkt op geen enkele manier dat de kwaliteit van de Openbare Ruimte prioriteit heeft. De inrichting van de Anna van Hannoverstraat is nog onduidelijk. De claims van de NS maken een ontwerp nog niet mogelijk. Tot die tijd is ook niet te beoordelen of er sprake is van een fatsoenlijk stationsgebied, waarbij er samenhang is tussen het bouwplan, de toekomstplannen van de NS en de openbare ruimte. Waar blijven bijvoorbeeld de fietsen van NS-reizigers? Bovendien wordt door de NS gehint op de toekomst met een nieuw station met een groter ontvangstdomein op wellicht een (iets) andere plek. Reactie De inrichting van de openbare ruimte wordt op een later moment nader uitgewerkt. Naast de bestaande kaders, eisen en regels, zoals het Handboek Openbare Ruimte, de Kadernota’s, de nota Stadsnatuur en het beeldkwaliteitsdocument, borgt de toetsing en afstemming met o.a. de Advies Commissie Openbare Ruimte en het VOV de beoogde, duurzame kwaliteit van de openbare ruimte.
Ook zal er participatie over de openbare ruimte plaatsvinden. De goede kwalitatieve invulling van de openbare ruimte is voldoende geborgd en dit wordt bij de verdere beoordeling van het bouwplan betrokken.
57/174
Gemeente Den Haag Ons kenmerk
DSO/10629902
k. Zienswijze Hier wreekt zich o.i. dat het bestemmingsplan niet is opgesteld vanuit de regievoerende gemeente met helicopterview, maar op geleide van plannen van externe partijen. De Gebiedsvisie Laan van NOI is nog niet gereed en mist hier. De volgordelijkheid der dingen is omgedraaid en zorgt daardoor logischerwijs voor problemen. De oplossing is dan ook snel gevonden: stel nu eerst de Gebiedsvisie Laan van NOI op (en vast). Breng vervolgens het ontwerp Bestemmingsplan daarmee in overeenstemming en biedt het nieuwe ontwerp ter vaststelling aan. Reactie De belangrijkste ambities en uitgangspunten voor de gebiedsontwikkeling CID en de daarin opgenomen deelgebieden zijn verwoord in de Structuurvisie CID (RIS307135) en bijbehorende plan MER. In de Structuurvisie wordt ingegaan op het deelgebied Den Haag Laan van NOI en ook verwezen naar de eerder opgestelde gebiedsagenda met de opgaven voor het deelgebied. De herontwikkeling van SoZa maakt hier onderdeel van uit. Het PUK ten behoeve van de herontwikkeling van SoZa (RIS309866) past binnen het kader van de Structuurvisie CID en ook bij het opstellen van het Bestemmingsplan zijn de kaders van de Structuurvisie leidend. Er is dus wel degelijk sprake van regie.
Wij onderschrijven dat voor de samenhang met de omgeving en toekomstige ontwikkelingen in het gebied een integrale visie op de omgeving van project en het gebied meerwaarde heeft. De integrale visie is in dit geval vastgelegd in de Structuurvisie CID waarmee het bestemmingsplan in overeenstemming is. l. Zienswijze Het ontwerp bestemmingsplan behelst een (te) klein gebied. In de Toelichting wordt wel een groter gebied dan sec het plangebied besproken. Aan de in de Toelichting geschetste vooruitzichten ligt geen gebiedsvisie ten grondslag en er is geen planning, financiering of garantie van uitvoering aan gekoppeld, zodat hieraan geen waarde kan worden gehecht. De vooruitzichten kunnen dan ook geen positieve rol spelen in de beoordeling van het plan of sprake is van een goede ruimtelijke ordening (wel een rol in negatieve zin). Reactie Het ontwerp bestemmingsplan omhelst de kavel Anna van Hannoverstraat 4. Zoals hiervoor aangegeven, zie het antwoord onder k, is het vanwege de beschikbaarheid van diverse kaders niet direct noodzakelijk een gebiedsvisie op te stellen. In het bestemmingsplan zijn alle relevante aspecten betrokken en behandeld die noodzakelijk zijn voor de beoordeling of er wel of niet sprake is van een goede ruimtelijke ordening. m.