F5dadb90-8e87-4308-9a1a-198cd106b44e
Tekst van het document
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het besluitgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de 37
integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.
Toetsing beleidsvisie De beoogde ontwikkeling voorziet in de planologisch-juridische ontwikkeling van een gebouw in de vorm van een paviljoen, aan het Engelermeer. De bezoekers worden als normaal zelfredzaam beschouwd en zijn niet permanent op locatie. Het object wordt beschouwd als beperkt kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Beperkt kwetsbare objecten zijn hierin toegestaan, wanneer een standaardverantwoordingkader is opgesteld. Het standaardverantwoordingskader is in onderstaande paragraaf nader beschreven. Beschouwing risicobronnen Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het besluitgebied is gebruik gemaakt van de “Risicokaart Nederland” - www.risicokaartnederland.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten). Een uitsnede van de risicokaart is in onderstaande figuur opgenomen.
Figuur 16 Uitsnede risicokaart i (bron: www.risicokaart.nl)
Inrichtingen Het invloedsgebied van de in de buurt van het besluitgebied gelegen inrichtingen reikt niet tot het besluitgebied. Hier hoeft in het kader van de ruimtelijke procedure dan ook niet nader op in te worden gegaan.
Transportroutes 38
Wegen / spoorwegen Op ongeveer 500 meter ten zuiden van het besluitgebied bevindt zich basisnet Route A59. Op ruim 3 kilometer ten oosten van het besluitgebied bevindt zich de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Zaltbommel. Het besluitgebied ligt ver buiten de zone van 200 m waarbinnen het groepsrisico berekend moet worden, maar binnen het invloedsgebied van de A59 en de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Zaltbommel. Er zal conform het Besluit externe veiligheid transportroutes dan ook in moeten worden gegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Veiligheidsregio In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd.
Verantwoording groepsrisico Het besluitgebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de A59 en de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Zaltbommel. Ten gevolge van een incident op de weg of het spoor kan een toxisch scenario optreden.
Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen of -wagon lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving kan waaien. Bij een bepaald percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.
Zelfredzaamheid / bestrijdbaarheid Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw de voorkeurshandeling. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. De zelfredzaamheid kan bevorderd worden door een goed alarmeringssysteem.
Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.
Conclusie Het plan voldoet aan de grenswaarde voor het PR en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in het Uitvoeringskader externe veiligheid van de gemeente 's-Hertogenbosch. Uit het voorgaande blijkt dat het (lage) GR van de nabije A59 en de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Zaltbommel als gevolg van dit plan niet zal wijzigen en derhalve geen belemmering hoeft te zijn voor het plan. Aanvullende veiligheidseisen zijn conform de afspraken 39
met de Veiligheidsregio niet nodig en niet gesteld gezien de grote afstanden tot de (op ruime afstand gelegen) risicobronnen.
Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7
Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project/planvoornemen) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is.
Uitgegaan wordt van een worst-case uiterst maximum van 40 extra voertuigbewegingen die ontstaan als gevolg van het plan zonder dat het extra verkeer in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van een permanent watersportpaviljoen in de plaats van de bestaande zeecontainers van de watersportvereniging. Onderstaand is voor het plan de NIBM tool ingevuld. Hieruit volgt dat het plan kan worden aangemerkt als NIBM
40
Figuur 17 NIBM tool
Tot slot geldt dat het besluitgebied niet in de directe omgeving van intensieve veehouderijen is gelegen of nabij wegen met een hoge verkeersintensiteit. Er wordt redelijkerwijs verondersteld dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te borgen.
Op basis van bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.8
Bodem
4.8.1 Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het besluitgebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. 4.8.2 Bodemonderzoek De bodemkwaliteit binnen het besluitgebied dient voor de ontwikkeling van de nieuwe functie bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming, danwel wat er eventueel gedaan (gesaneerd) dient te worden om de bodem voor de bestemming 'recreatie' geschikt te laten zijn.
Op de locatie of in de directe omgeving hiervan zijn geen aanwijzingen die (ernstige) bodemverontreiniging doen vermoeden. Er is geen sprake van planologische functiewijziging. In beide situaties is de locatie namelijk bestemd als recreatie. Het aspect bodem hoeft niet te worden onderzocht.
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.9
Geur
Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinder) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is.
Het besluitgebied is in het buitengebied gelegen en voorziet in de realisatie van een watersportpaviljoen. De ontwikkeling vormt geen geuroverlast voor de nabije omgeving. Het gebouw kan wel worden gekwalificeerd als geurgevoelig object. Zoals beschreven in paragraaf 4.2 zijn er in de omgeving van het besluitgebied geen 41
bedrijven gesitueerd. Het aspect industriële geur is hierdoor niet van invloed op het planvoornemen.
Agrarische geur Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het besluitgebied, in het buitengebied is geur hier een relevant aspect. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd.
In de nabijheid van het besluitgebied zijn geen veehouderijen en bedrijven gelegen die van invloed kunnen zijn op het besluitgebied. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect geurhinder geen bezwaren tegen het voorgenomen planvoornemen.
4.10
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Ten noorden van het besluitgebied, op ca. 1,9 kilometer afstand, is een hoogspanningsleiding gelegen. Op basis van de Netkaart wordt geconcludeerd dat de hoogspanningsleiding een 150 kV-lijn betreft (zie onderstaande afbeelding).
42
figuur 18 Uitsnede RIVM-netkaart met ligging hoogspanningsleiding
Voor de hoogspanningsleiding geldt een beschermingszone van 25 meter aan weerszijden van de leiding. Het besluitgebied is niet binnen deze beschermingszone gelegen. De zogenoemde indicatieve zone voor de 150 kV-lijn bedraagt 60 meter aan weerszijden van de leiding. Het beleidsadvies van VROM luidt dat bij ruimtelijke plannen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen, binnen de indicatieve zone, zoveel als redelijkerwijs mogelijk moet worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is, dan wel in de toekomst hoger kan worden dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Onderhavig besluitgebied ligt op een afstand van ca. 1,85 kilometer en is daarmee buiten de indicatieve zone gelegen. De ligging van het besluitgebied ten opzichte van de hoogspanningsleiding vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.11
Water
Watertoets algemeen Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer op 14 februari 2001 door Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, werd de watertoets van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd. 43
In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld (zie hiervoor paragraaf 3.3.4). De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Voorkom vervuiling van (regen)water; Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer; Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer).
Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke; Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.
Waterparagraaf
Hoogwaterberging Het plan ligt in het HoWaBo-gebied Engelermeer. Dat wil zeggen dat het gebied bij extreem hoogwater ingezet wordt als waterberging. Dan komt het water tot een hoogte van 2,90 m+NAP. Om de functie als hoogwaterberging te waarborgen, moet het hele volume van (eventuele) ophogingen en het gebouw (voor zover dat onder het hoogwaterpeil ligt) gecompenseerd worden. Zie de Verordening Ruimte van de provincie. Artikel 13.1, vooral lid 4 :”..mits de toelichting bij het bestemmingsplan een verantwoording bevat over de wijze waarop het behoud van het waterbergend vermogen van het gebied is verzekerd.”
De compensatie bestaat uit het beschikbaar maken van extra volume. Dit kan bijvoorbeeld door het afgraven van gronden. Die berging moet gecompenseerd door te graven tussen de grondwaterstand (GHG) en maaiveld.
Doordat het gebouw boven het hoogwaterpeil wordt gebouwd neemt het waterbergend vermogen niet af, bovendien wordt er meer ontgraven dan opgehoogd. In de huidige situatie is 1345 m2 aan wateroppervlakte mogelijk en bij nieuwe situatie is er zelfs meer waterbergend vermogen van totaal 1449 m2. In onderstaande 44
afbeelding is dat zichtbaar.
Figuur 19 Hoog waterberging in huidige en toekomstige situatie
Het planvoornemen voorziet in een netto toename van de waterbergingscapaciteit binnen het besluitgebied van 104 m3. Het planvoornemen is daarmee een positieve ontwikkeling. Het waterschap heeft eveneens positief gereageerd op deze ontwikkeling, zie daarvoor ook paragraaf 5.2.
Indien het gebouw en overige voorzieningen zodanig laag liggen dat ze onder water komen bij inzet van HoWaBo, dan is eventuele schade en overlast voor eigen risico. Dit kan opgevangen worden door hoogwaterbestendig te bouwen. Gedacht kan worden aan verhoogde aanleg, drijvende fundering of robuust bouwen. Dat laatste betekent dat de schade aan het gebouw en de voorzieningen geminimaliseerd wordt door de keuze van waterbestendige materialen binnen en buiten en het hoog plaatsen van elektra. 45
Figuur 20 Doorsneden van het paviljoen in relatie tot hoogwater
Riolering Op deze locatie is geen gemeentelijke riolering aanwezig. Bij het huidige strandbadpaviljoen ligt drukriolering. Het vuilwater van het pand kan hierop aangesloten worden. Het heeft de voorkeur om de aansluitingen voldoende hoog aan te leggen, zodat het vuilwater onder vrij verval aangesloten kan worden op de drukriolering. Daarmee wordt bespaard op de kosten voor aanleg en beheer. De aansluiting moet bestendig zijn tegen hoogwater en tegen opdrijving.
Hemelwater Aangezien aangesloten wordt op drukriolering, moet al het hemelwater ter plekke verwerkt worden. Conform de Verordening Bomen, Water en Groen moet minimaal 60 mm maal het verharde oppervlak geborgen of vertraagd afgevoerd worden. Gezien de omvang van het Engelermeer is afvoer op de plas toegestaan. Daarmee wordt met maatwerk afgeweken van de verordening hemelwater. Dit leidt tot een robuuste oplossing. Het aanleggen van een groendak is daarnaast een waardevolle aanvulling om regenwater vast te houden. Daarmee wordt het water vertraagd afgevoerd, hetgeen piekafvoer verminderd.
Waterkwaliteit 46
Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. Het gebruik van materialen en middelen voor onderhoud van het gebouw, de steiger en de boten vormt een aandachtspunt voor de waterkwaliteit.
Grondwater Verwacht mag worden dat de grondwaterstanden hier ondiep zijn. Hier moet rekening mee gehouden worden met de fundering en constructie.
Conclusie In deze waterparagraaf is het relevante waterbeleid behandeld. Ten opzichte van de huidige situatie resulteert de voorgenomen ontwikkeling in een toename van de waterbergingscapaciteit.
4.12
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte.
Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de visie 'werken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).
Met de vast gestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging, vergroening, groendak, vergroten biodiversiteit) 2. CO2 neutrale omgeving (o.a. energie besparing, energie opwekking, gasloos) 3. Waardebehoud van grondstoffen (o.a. circulariteit, circulair bouwen, biobased materialen) 4. Duurzame mobiliteit (o.a. schoon vervoer, elektrische laadpunten, schone elektrische boten) Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening met meer biodiversiteit van en in onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om.
Het paviljoen is gasloos en losmaakbaar (demontabel) met biobased, CO2-negatief en/of herbruik te materialen. Het paviljoen zal duurzaam verwarmd worden met een volledig gebalanceerd systeem. De verlichting zal volledig led zijn. De staalconstructie zal niet worden gelast en het dak bestaat uit prefab (beton)elementen zonder de gebruikelijke druklaag. De elementen blijven daardoor losmaakbaar. De waterkerende laag (dakbedekking) is van Citumen (circulair bitumen). Het isoleren van het paviljoen gebeurd door middel van houtvezelisolatie. Dit heeft eenzelfde isolerende werking als de traditionele materialen, maar is 47
CO2-negatief. De afwerking van het paviljoen gebeurd onder andere door Bio-based beplating welke voornamelijk bestaan uit rijstvlies (voorbeeld zijn Resysta platen). De buitengevel bestaat uit een schanskorf gevuld met puinafval. De buitenkozijnen zullen (traditioneel) in hout worden uitgevoerd. Het schilderwerk gebeurd door middel van Graphenstone Ecosphere verf. Dit is verf op basis van natuurlijke grondstoffen en neemt ook CO2 op. Het groene dak wordt één geheel met de af te graven grond die als aarden wal aan twee zijde tegen het gebouw wordt terug gebracht. Op dat dikke grondpakket zal een diversiteit aan vegitatie worden gepland (en op natuurlijke wijze kunnen ontstaan) wat positief bijdraagt aan de biodiversiteit. Een deel van de nu aanwezige stelconplaten wordt hergebruikt als terras. Het bouwplan past zodoende geheel binnen de duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch.
4.13
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Onderhavige ontwikkeling kan niet worden gezien als een stedelijk project. Daarnaast zullen, gelet op de kenmerken van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieueffecten optreden. Voor de ontwikkeling is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
4.14
Ecologie
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artik el 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of 48
vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
De planontwikkeling zal worden gerealiseerd buiten het broedseizoen. Om te kunnen borgen dat er tijdens de realisatie geen beschermde soorten nadelig worden geraakt, wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld. Het ecologisch werkprotocol is met name bedoeld om te borgen dat de aannemer/ontwikkelaar binnen de kaders van de wet Natuurbescherming werkt. Ter naleving van dit ecologisch werkprotocol wordt het na goedkeuring ook als voorschrift aan de vergunning verbonden.
Daarnaast wordt het ontwerp van het paviljoen landschappelijk ingepast en voorzien van een groen dak. Daarmee worden de bestaande natuurwaarden versterkt.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De 49
planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Stikstofdepositie In het kader van de gebiedsbescherming van Natura2000-gebieden is, naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State ten aanzien van het PAS, voor iedere ruimtelijke ontwikkeling een beoordeling van de stikstofeffecten voor Natura 2000-gebieden noodzakelijk. De drempelwaarde die onder het PAS werd gehanteerd is namelijk vervallen, waardoor zal moeten worden aangetoond dat een plan geen stikstofdepositie op nabijgelegen Natura2000-gebieden heeft.
In dat kader is er een notitie beoordeling stikstof opgesteld en bijgevoegd in Bijlage 2. De conclusie van dit onderzoek is dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van stikstofdepositie.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het planvoornemen niet leidt tot negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelinstellingen van nabijgelegen Natura 2000 gebieden en dat dientengevolge geen vergunning in het kader van de Wnb vereist is.
Het besluitgebied is niet gelegen in een Natura2000-gebied, zodat er uitsluitend sprake is van externe werking. Gezien de kleinschalige aard van het planvoornemen en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek), is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Ook is de locatie niet gelegen in de directe nabijheid het Natuur Netwerk Nederland dan wel houtopstanden.
Het planvoornemen heeft verder geen negatieve invloed op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Een ecologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Mitigerende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet noodzakelijk.
4.15
Archeologie en cultuurhistorie
4.15.1 Archeologie De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. 50
Op de archeologische verwachtingenkaart is het besluitgebied aangeduid met een lage archeologische verwachting (zie afbeelding hieronder). In het bestemmingsplan is voor het besluitgebied geen dubbelbestemming voor archeologische waarden opgenomen.
Figuur 21 Uitsnede Archeologische verwachtingskaar met indicatie besluitgebied
Conclusie Onderhavige ontwikkeling ziet toe op het realiseren van een watersportpaviljoen waar reeds in de bestaande situatie zeecontainers gevestigd zijn. Op basis van de verwachtingsk aart is er sprake van een lage archeologische verwachting. De bodemverstorende ingrepen zijn dermate gering van omvang dat nader archeologisch onderzoek voor de realisatie van het planvoornemen niet noodzakelijk is. Wel geldt de algemene zorgplicht en meldingsplicht op grond van de Monumentenwet. 4.15.2 Cultuurhistorie Het besluitgebied is niet gelegen binnen een gebied dat aangewezen is als een cultuurhistorisch waardevol gebied, danwel in een gebied waar een rijks- of gemeentelijk monument is gelegen. Het aspect cultuurhistorie is daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
51
52
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Wanneer voor gronden een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) is voorgenomen, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
Het kostenverhaal wordt verzekerd via de leges over de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en de overige, met de ontwikkeling samenhangende kosten via een anterieure overeenkomst welke tussen de gemeente en initiatiefnemer wordt gesloten. In de anterieure overeenkomsten zijn ook afspraken vastgelegd over planschade. Daarnaast is het grootste gedeelte van de gronden (en gebouw) in eigendom van de gemeente. Daarmee zijn de plankosten verzekerd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor het plan wordt de standaard omgevingsvergunningsprocedure gevolgd op basis van de Wabo. Tijdens deze procedure kan iedereen inhoudelijk reageren op het plan door het indienen van een zienswijze. 5.2.1 Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan voorgelegd aan het Waterschap en de Provincie Noord-Brabant. Door het Waterschap is een positief advies gegeven ten aanzien van het planvoornemen en de toename van de bergingscapaciteit. Met de Provincie Noord-Brabant is in 2020 diverse keren overleg gevoerd. De tijdelijke zeecontainers waren in overeenstemming met de destijds geldende provinciale verordening. Het paviljoen vormt daar de permanente, duurzame oplossing op voor de reeds bestaande, recreatieve (watersport)functie in het gebied. Doordat nu sprake is van een permanente voorziening, kan deze ook beter landschappelijk worden ingepast dan de zeecontainers. De kwaliteitsverbetering van het landschap is enerzijds gelegen in het verwijderen van de (niet 53
ingepaste) zeecontainers met verharding maar vooral ook in het aan twee zijden inbedden van het nieuwe gebouw in een aarden wal met daarop begroeiing. Deze aankleding gaat verder dan een normaal groen dak met sedum beplanting. De wijze waarop het gebouw deels 'verdwijnt' in het landschap komt niet alleen het groene uitzicht ten goede, maar ook de vegetatie en biodiversiteit in het gebied. Hierdoor is de belevingswaarde in de nieuwe situatie multifunctioneel en in overeenstemming met de doeleinden van de huidige (Interim) omgevingsverordening. 5.2.2
Omgevingsdialoog Gemeente 's-Hertogenbosch vraagt initiatiefnemers om voorafgaand aan de juridisch-planologische procedure een omgevingsdialoog te voeren. Ze heeft daartoe een handreiking opgesteld aan de hand waarvan initiatiefnemers deze dialoog kunnen voeren. Als de omgevingsdialoog op een goede wijze is gevoerd, treedt dat in de plaats van de gemeentelijke inspraakprocedure. In het kader van de omgevingsdialoog heeft het bestuur van de Watersportvereniging gesproken met diverse eigenaren en gebruikers in het gebied, zoals de hondenschool, de exploitant van het strandpaviljoen/ strandbad, de zorgboerderij/camping De Locatie, omwonenden en de bestuursraad Engelen-Bokhoven. Tijdens deze gesprekken, die al voor 2020 zijn gestart, is het plan gepresenteerd en vragen beantwoord. Als gevolg van de dialoog zijn al de eerste aanpassingen aan het plan gedaan, om het nieuwe paviljoen meer in het landschap in te bedden in plaats van dat het een nieuw, modern oriëntatiepunt zou worden. Alle gesproken partijen waren uiteindelijk zeer positief en hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling. Een geanonimiseerd verslag is als Bijlage 3 toegevoegd. Een aparte inspraakprocedure is derhalve niet meer nodig.
Aanvullend op de contacten van initiatiefnemers met de bestuursraad Engelen - Bokhoven, is door de gemeente ook gevraagd om een advies over de voorgenomen ontwikkeling. Dit positieve advies hebben wij op 21 juli 2021 ontvangen.
54
Hoofdstuk 6 Procedure 6.1
Uitgebreide procedure
Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld als onderdeel van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3 van de Wabo ten behoeve. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat twee procedures voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, te weten de reguliere en de uitgebreide procedure. Voor het realiseren van het watersportpaviljoen is het doorlopen van de uitgebreide procedure noodzakelijk. De gemeente 's-Hertogenbosch legt de ruimtelijke onderbouwing met bijbehorend concept bouwplan eerst ter instemming voor aan de raad. Nadat de raad zich in positieve zin heeft uitgesproken over het project, is een verklaring van geen bedenkingen niet meer noodzakelijk en kan direct worden gestart met de voorbereiding van het besluit over de omgevingsvergunning.
6.2
Ter inzage legging ontwerp vergunning
Het ontwerpbesluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning wordt, inclusief deze ruimtelijke onderbouwing, gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijze indienen. Daarna zal, met inachtneming van eventuele reacties een definitief besluit worden genomen op de aanvraag.
55
Bijlagen
56
Bijlage 1 Boomeffectrapportage
57
Bomen Effect Analyse Boothuis Engelermeer ‘s-Hertogenbosch
COLOFON Bomen Effect Analyse Boothuis Engelermeer
OPDRACHTNEMER
idverde Bomendienst E bomendienst@idverde.nl
OPGESTELD DOOR VRIJGEGEVEN DOOR
Tom Putman Bart van Tilburg
OPDRACHTGEVER
Gemeente ‘s-Hertogenbosch Dhr. Van Zoggel
PROJECTNUMMER KENMERK
728200426 BD20239
VERSIE DATUM
1 22 december 2020
Copyright 2020 idverde. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van idverde. idverde is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan bij gebruik van gegevens uit dit rapport.
2
BD20239
INHOUDSOPGAVE COLOFON
2
1.
4
INLEIDING 1.1 Uitgangspunten project 1.2 Voorgenomen werkzaamheden
2.
WERKWIJZE 2.1 Werkwijze bovengrondse beoordeling 2.1.1 Conditie bepaling 2.1.2 Gebreken bomen 2.2 Werkwijze ondergronds onderzoek
3.
RESULTATEN 3.1 Bovengrondse Beoordeling 3.1.1 Conditie en toekomstverwachting 3.1.2 Mechanische gebreken 3.2 Resultaten Ondergronds onderzoek 3.2.1 Bodemprofiel 1 3.2.2 Bodemprofiel 2 3.2.3 Bodemboring 1 3.3 Kansen en Knelpunten 3.3.1 Locatie Specifieke kansen en knelpunten
4.
CONCLUSIE EN ADVIES 4.1 Eindoordeel effecten 4.2 Impact uitvoering 4.3 Locatie specifieke randvoorwaarden 4.4 Algemene randvoorwaarden
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2
3
BD20239
4 6
7 7 7 8 8
9 9 9 10 10 10 11 11 12 12
13 13 14 15 15
16 Boomgegevens Bomenposter werken rond bomen
16 17
1. Inleiding Langs de zuidoever van het Engelermeer in ’s-Hertogenbosch, een gebied met recreatiebestemming, staat een boothuis gepland. De werkzaamheden zijn beoogd binnen de kwetsbare zone van diverse bomen. De Gemeente ‘s-Hertogenbosch stelt derhalve als eis dat er voorafgaand aan de civiele werkzaamheden een Bomen Effect Analyse (BEA) wordt uitgevoerd. idverde Bomendienst heeft onderzocht wat de invloed op de bomen zal zijn tijdens en na het realiseren van dit gebouw ten behoeve van de watersport. Bomen Effect Analyse (BEA) Een BEA beantwoordt de vraag of een boom/bomen in de huidige verschijningsvorm en huidige standplaats duurzaam behouden kan/kunnen blijven in relatie tot de voorgenomen werkzaamheden en welke maatregelen en randvoorwaarden hiervoor nodig zijn. Hiervoor worden de volgende onderdelen nader uitgewerkt: Wat is de grootte, conditie, vitaliteit en kwaliteit van de bomen? Waar bevindt zich de voornaamste beworteling? Wat is de toekomstverwachting van de bomen bij ongewijzigde omstandigheden? Aanvullend heeft u ons gevraagd om een advies te leveren over: Wat zijn de (mogelijke) negatieve effecten van de geplande werkzaamheden? Welke maatregelen zijn nodig om mogelijk negatieve effecten te voorkomen dan wel te beperken?
1.1 Uitgangspunten project Locatie Het Engelermeer is een zoetwaterplas gelegen ten westen van de stad ’s-Hertogenbosch. Delen van de oever van dit meer hebben een natuurbestemming, de zuidoever wordt gebruikt voor sport en recreatie. In dit deel is een parkeerplaats gelegen, vanuit hier zijn diverse stranden te bereiken, afbeelding 1-1. Naast de parkeerplaats bevindt zich een opslaggebouw ten behoeve van watersportmaterialen, ook staan hier een aantal zeecontainers en is er verharding aangebracht vanaf de containers richting het water. Het nieuw te realiseren gebouw is ook ten behoeve van de watersport en staat gepland op de landtong ten noordoosten van de zeecontainers. De landtong is voor een deel bedekt met gazon, aan de landzijde is een bosplantsoen gelegen en de zoom van de oever is begroeid met bomen, opschot, heesters, bramen, riet en kruiden.
Afbeelding 1-1; projectlocatie 4
BD20239
De oorspronkelijk aangegeven afstanden van het gebouw tot de aanwezige bomen konden met het uitmeten tijdens het veldwerk niet worden gerealiseerd. Het onderzoek is daarom gebaseerd op een plaatsing waarbij de oorspronkelijk aangegeven afstanden tot de bomen aan de noord- en westzijde van het gebouw zijn aangehouden. De afstanden tot de bomen aan de zuid en oostzijde zijn gemeten en aangepast, deze staan ingetekend in afbeelding 1-2. Hierdoor staan de locaties van boom 2, 3 en 4 niet meer correct weergegeven. Daarnaast staan er enkele bomen niet weergegeven. Deze bomen staan weergegeven in Afbeelding 3-1. Projectfase Het project bevindt zich in de ontwerpfase. Er is inzicht in de te verwachten ingrepen en de afmetingen van het gebouw zijn op het ontwerp aangegeven. Aan de hand van deze BEA is beoordeeld wat de invloed van de werkzaamheden op de bomen zal zijn en welke maatregelen (indien nodig) getroffen moeten worden om de bomen duurzaam te kunnen behouden.
Afbeelding 1-2;: Geplande locatie gebouw ten opzichte van (slechts gedeeltelijk weergegeven bestaande bomen Beschikbare informatie Voor deze BEA zijn de volgende bronnen en uitgangspunten gebruikt: • 1111A_Hoogtekaart.pdf • 1111A_Terreinanalyse_drsn_09122020.pdf • 1111A-DO-200.pdf • Tekening t.b.v. BEA.pdf
5
BD20239
1.2 Voorgenomen werkzaamheden In het plangebied gaan bovengrondse en ondergrondse herinrichtingen plaatsvinden. Een deel van het gebouw komt onder het huidige maaiveld te liggen, daarnaast wordt de omgeving van het gebouw opgehoogd met een talud. De tekeningen van het ontwerp staan weergegeven in het bijgevoegde document 1111A-DO-200.pdf. Aan weerszijden van het gebouw worden schanskorven geplaatst die verder doorlopen dan de lengte van het gebouw zelf. De lengte van het gebouw zal 22,25 meter bedragen, de breedtematen verschillen van 12,75 meter bij de voor en achter gevel tot 12,95 meter ter hoogte van doorsnede AA (weergegeven in figuur 1-2 als de middelste doorsnede). Het veldwerk is op 16 december 2020 uitgevoerd door Tom Putman, boomtechnisch adviseur werkzaam bij idverde Bomendienst. Tijdens het veldwerk is er een toelichting gegeven door een medewerker van de gemeente ’s-Hertogenbosch aangaande op te nemen bomen en beoogde locatie van de nieuwbouw.
6
BD20239
2. Werkwijze 2.1 Werkwijze bovengrondse beoordeling De bomen in het gebied zijn uitgebreid visueel beoordeeld op veiligheid, conditie, mechanische kwaliteit en toekomstverwachting bij ongewijzigde omstandigheden. Hierbij is gebruik gemaakt van de VTA-methode. Met de VTA-methode worden de visueel zichtbare gebreken van de boom beoordeeld. Er wordt gekeken naar afwijkingen aan stam, kroon en wortelaanlopen. Sommige van deze afwijkingen geven een indicatie van verminderde stabiliteit (gevaar voor windworp of stambreuk). Andere afwijkingen, bijvoorbeeld zwaar dood hout in de kroon, hebben een verhoogd risico op takbreuk tot gevolg. Tevens wordt aandacht besteed aan de conditie van de bomen. Bepalend voor de conditie is in de winter scheutlengte en knopzetting en in de zomer bladzetting.
2.1.1
Conditie bepaling
De conditiebepaling geeft een oordeel over de gezondheidstoestand van een boom op een bepaald moment. Bij de conditie worden, afhankelijk van het seizoen, de volgende conditiekenmerken beoordeeld: blad/ knopbezetting bladgrootte transparantie van de kroon takscheutlengte hoeveelheid dode takken/ twijgen aanwezigheid van groeistrepen op de bast Afhankelijk van de boomsoort, de leeftijd en de beschikbare hoeveelheid licht rond de boomkroon kan de aanwezigheid van enig dood hout als normaal worden beoordeeld. Voor de conditiebepaling wordt de volgende indeling gehanteerd; goed, iets verminder, sterk verminderd, slecht, dood. Op basis van de conditiebepaling en aanwezigheid van eventuele gebreken wordt bepaald wat de toekomstverwachting van de boom is. Voor toekomstverwachting wordt de volgende indeling gehanteerd; meer dan 15 jaar, 10 tot 15 jaar, 5 tot 10 jaar, 1 tot 5 jaar en < 1 jaar. Onderstaand worden de toekomstverwachting op basis van de conditie weergegeven. Op basis van aangetroffen gebreken kan deze toekomstverwachting negatief worden bijgesteld. Conditiebepaling
Toekomstverwachting
goed
> 15 jaar
voldoende
> 15 jaar
matig
5 tot 10 jaar, 10 tot 15 jaar
slecht
1 tot 5 jaar, < 1 jaar
dood
N.v.t.
Tabel 2-1; conditiebepaling met Toekomstverwachting De conditiebeoordeling doet geen uitspraak over de vitaliteit van de boom. De vitaliteit is de gezondheidstoestand van de boom over langere termijn en bepaalt het vermogen van een boom om stresssituaties te overleven. Dit kunnen bijvoorbeeld perioden van droogte of ernstige wortelbeschadiging zijn. Om de vitaliteit van een boom te kunnen bepalen dienen in de loop der jaren meerdere conditiebepalingen te worden gedaan. Wanneer een boom een toekomstverwachting heeft van minder dan 10 jaar dan wordt geadviseerd de boom niet in te passen.
7
BD20239
2.1.2
Gebreken bomen
Naast de conditiebepaling zijn tevens de gebreken van de bomen beoordeeld. In de meeste gevallen is er geen relatie tussen gebreken en conditie. Gebreken kunnen wel invloed hebben op de toekomstverwachting van bomen met een goede conditie. Gebreken kunnen bijvoorbeeld zijn: slechte takaanhechtingen (plakoksels) parasitaire schimmelaantastingen scheuren in stam en/ of takken holtes dode takken Mechanische gebreken kunnen van invloed zijn op de stabiliteit van de gehele boom of breukvastheid van de kroon, stam en/ of takken. Zo kan een boom die is aangetast door een parasitaire schimmel omvallen of afbreken. Wanneer gebreken invloed hebben op de stabiliteit en/ of breukvastheid dan worden beheermaatregelen geadviseerd. Wanneer visueel de veiligheidstoestand niet goed is vast te stellen dan wordt nader stabiliteitsonderzoek geadviseerd.
2.2 Werkwijze ondergronds onderzoek Naast de visuele boomcontrole zijn de bodemopbouw en het bewortelingspatroon van de relevante bomen onderzocht. Dit is gebeurd door het maken van proefsleuven. Op basis van deze gegevens worden knelpunten en maatregelen in en over de ondergrondse groeiruimte opgemerkt. Groeiplaatsonderzoek Op basis van grondboringen of profielsleuven wordt het bodemprofiel beschreven. Aspecten die per bodemlaag worden beschreven zijn de mate van beworteling, het vochtgehalte, eventuele roestverschijnselen, het organisch stofgehalte, de textuur, leemgehalte en de verdichting. De waardes zijn bepaald op basis van visuele waarnemingen. De locatie van de profielsleuven is gekozen aan de hand van mogelijke knelpunten bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden. Bij de bodembeschrijving wordt gebruik gemaakt een visuele classificatie van het organische stof gehalte en de zandmediaan conform de indeling van de Stiboka en een vaste omschrijving van het vochtpercentage. Organische stof
Naam
M50 tussen
Naam
0 - 1,5 %
Humusarm
50 en 105 µm
Uiterst fijn zand
1,5 - 2,5 %
Matig humusarm
105 en 150 µm
Zeer fijn zand
2,5 - 5 %
Matig humeus
150 en 210 µm
Matig fijn zand
5-8%
Zeer humeus
210 en 420 µm
Matig grof zand
8 - 15 %
Humusrijk
420 en 2000 µm
Zeer grof zand
Tabel 2-2; Classificering organische stof
8
BD20239
Tabel 2-3; Classificering korrelgrootte
3. Resultaten Dit hoofdstuk bestaat uit de bovengrondse beoordeling en het ondergronds onderzoek. Daarnaast worden de knelpunten benoemd die invloed hebben op het duurzaam behoud van de bomen.
3.1 Bovengrondse Beoordeling In de hiernavolgende sub-paragrafen worden de resultaten van de bovengrondse beoordeling weergegeven. De resultaten geven inzicht in de huidige situatie. In bijlage 1 is de uitgebreide inventarisatietabel met alle boomkenmerken opgenomen.
3.1.1
Conditie en toekomstverwachting
Van de 13 beoordeelde bomen zijn er 10 visueel beoordeeld als gezond, met een daarbij horende toekomstverwachting van meer dan 15 jaar. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de conditie van alle bomen, met de daarbij behorende toekomstverwachting. Op het aangeleverde kaartmateriaal stonden boom 7, 10 en 11 niet weergegeven. Ook stond er ten noorden van boom 3 een boom ingetekend die afwezig was. Op figuur 3.1 is een overzicht weergegeven van de locatie en conditie van de bomen. In de gegevens van de inventarisatie in bijlage 1 is een totaaloverzicht weergegeven van de conditie, gebreken en toekomstverwachting per boom. Conditie
Toekomstverwachting
Boomnummers
Voldoende
> 15 jaar
2, 3, 5, 6, 8, 11, 13
Voldoende
5 tot 10 jaar
7, 10, 12
Matig
10 tot 15 jaar
9
Slecht
1 tot 5 jaar
4
Dood
-
1
Tabel 3-1; Resultaten conditie en toekomstverwachting
Afbeelding 3-1; Aanwezige bomen in projectgebied met kleur afhankelijk van conditie
9
BD20239
3.1.2
Mechanische gebreken
In totaal zijn er bij 8 bomen invloedrijke mechanische gebreken geconstateerd. Afhankelijk van het gebrek kan deze de veiligheid van de omgeving of de toekomstverwachting van de bomen beïnvloeden. In onderstaande tabel zijn de gebreken bij de individuele bomen weergegeven, die binnen 3 jaar een risico kunnen veroorzaken. Een totaaloverzicht van de mechanische problemen per boom is opgenomen in bijlage 1 gegevens inventarisatie. Kroon (zwaar) dood hout Plakoksel Zwamaantasting Ingerotte snoeiwond(en) Gebroken/losse tak Dode boom
Boomnummer 2, 3, 4, 5, 8, 9 7, 10, 12 4 9 9 1
Tabel 3-2; resultaten geconstateerde gebreken
3.2 Resultaten Ondergronds onderzoek Bij deze BEA is ondergronds onderzoek verricht naar de bodemopbouw en de beworteling.
3.2.1
Bodemprofiel 1
Opbouw bodemprofiel
Opmerkingen Beworteling
Grondwater
In beplanting – 2 meter vanuit de stamvoet van boom 3 0 - 5 centimeter Humusrijk matig grof zand, donker bruin, vochtig. 5 - 40 centimeter Matig humusrijk matig grof zand, bruin, licht vochtig. 40 - 80 centimeter Humusarm matig fijn zand, licht bruin/ wit, droog. 80-100 centimeter Grijze klei/ compact fijn wit zand Na 40 centimeter zeer verdichtte, harde droge bodem. In de bovenlaag van 40 centimeter is een extensieve beworteling aangetroffen opnamewortels en haarwortels aangetroffen van maximaal 3 centimeter Ø. Tussen 40 en 80 centimeter zijn enkele opname van maximaal 0,5 centimeter Ø aangetroffen. In deze profielsleuf is geen grondwater aangetroffen.
Tabel 3-3; beschrijving profielsleuf 1
Afbeelding 3-2; Profielsleuf in relatie tot boom 3
10
BD20239
Afbeelding 3-3; Bodemopbouw en beworteling van bodemprofiel 1
3.2.2
Bodemprofiel 2
Locatie profiel Opbouw bodemprofiel
Opmerkingen Beworteling
Grondwater
In verharding – 1 meter vanuit de stamvoet van boom 6 0 - 80 centimeter Matig humusrijk matig grof zand, licht bruin, vochtig. 80 - 90 centimeter Humusarm fijn zand, wit, droog. Geen opbouw in bovenste grondlaag, duidelijk afwijkend van bodemprofiel 1. In de bovenlaag van 80 centimeter is een matig intensieven beworteling aangetroffen van opnamewortels, haarwortels en stabiliteitswortels van maximaal 6 centimeter Ø. In deze profielsleuf is geen grondwater aangetroffen.
Tabel 3-4; beschrijving profielsleuf 2
Afbeelding 3-4; Profielsleuf in relatie tot boom 6
3.2.3
Afbeelding 3-5; Bodemopbouw en beworteling van bodemprofiel 2
Bodemboring 1
Beplanting Opbouw bodemprofiel
Opmerkingen
Grondwater
In verharding – 4,4 meter vanuit de stamvoet van boom 8 0 - 90 centimeter Matig humusrijk matig grof zand, licht bruin, vochtig. 90 - 110 centimeter Humusarm fijn zand, wit, droog. 110 - 150 centimeter Humusarm matig grof zand, lichtbruin, licht vochtig 150 - 170 centimeter Kleihoudend matig grof zand, bruin, vochtig 170 - 210 centimeter Zware klei, donkerbruin, nat. Naar verwachting zou er op lagere dieptes al grondwater gevonden zijn aangezien het gebied aan een meer grenst. In plaats daarvan rust de bovenste grondlaag op een kleipakket In deze boring is geen grondwater aangetroffen.
Tabel 3-5; beschrijving profielboring 1
Afbeelding 3-6; Overgangen van grondlagen in bodemboring 1
11
BD20239
3.3 Kansen en Knelpunten De impact van de werkzaamheden op de bovengrondse en ondergrondse situatie van de bomen wordt toegelicht aan de hand van de knelpunten, daarnaast worden waar mogelijk kansen benoemd om de situatie en kwaliteit van de bomen te verbeteren.
3.3.1
Locatie Specifieke kansen en knelpunten
Plaatsen gebouw De steenkorf en het vlonder aan de noordzijde van het gebouw zijn gepland in de kwetsbare zone van boom 6. De steenkorf is maximaal 4,9 meter hoog en past niet onder de kroon van boom 6. Boom 7 staat in zijn geheel op de plaats waar de vlonder gebouwd dient te worden. De muren van het gebouw zelf worden binnen de kwetsbare zone van de bomen 10, 11, 12 en 13 aangelegd, hierbij zou tak- en wortelschade kunnen optreden wat de levensverwachting van de boom beperkt. Afwerken omgeving Op het document 1111A_Terreinanalyse_drsn_09122020.pdf is te zien dat de achterzijde van het gebouw op gaat in een talud. Om dit te realiseren zal extra grond opgebracht moeten worden. Op figuur 1-2 staat met een groene lijn weergegeven tot waar deze ophoging komt. Volgens het huidige ontwerp wordt in een deel van de kwetsbare zone van bomen 2 en 3 grond op gebracht, dit kan resulteren in een zuurstoftekort bij de wortels en afsterving van de bomen. In gebruik nemen gebouw Boom 10 en 12 bevinden zich voor de geplande deuropeningen. Bij het in gebruik nemen van het gebouw zullen deze bomen de doorgang belemmeren.
Afbeelding 3-7; Noordzijde van het gebouw uitgezet met jalons (vlonder en schanskorf niet meegenomen)
12
BD20239
4. Conclusie en Advies In het projectgebied gaan diverse werkzaamheden plaatsvinden die mogelijk invloed hebben op de bomen. Per onderdeel geven wij randvoorwaarden voor ontwerp en boombescherming. Er worden indien mogelijk alternatieven geboden voor het behoud van de bomen en een verbetering van de conditie en toekomstverwachting.
4.1 Eindoordeel effecten Op basis van de voorgenomen werkzaamheden en de veranderende toekomstverwachting zijn de effecten op de bomen inzichtelijk gemaakt en wordt een conclusie gegeven of de bomen in de nieuwe situatie ingepast kunnen worden en onder welke randvoorwaarden afbeelding 4-1, 4-2 en tabel 4-1. Niet duurzaam te behouden bomen, op basis van kwaliteit Aan de hand van de bovengrondse beoordeling van de bomen is bepaald wat de conditie en de levensverwachting van de bomen is. Voor boom 1, 4 en 9 is de toekomstverwachting minder dan 10 jaar, wij adviseren om deze bomen niet in te passen in de nieuwe situatie. De bomen hebben een onvoldoende conditie of minder, waardoor deze bij geringe (wortel)schade onvoldoende zullen herstellen. Boom 7, 10 en 12 hebben een niet duurzame kroonopbouw waardoor deze bomen niet als toekomstbestendig worden beschouwd. Als bomen op basis van de bovengrondse kwaliteit niet kunnen worden ingepast, zijn deze bomen bij de inpasbaarheid gekenmerkt als: Nee, op basis van kwaliteit. Niet duurzaam te behouden bomen, op basis van het ontwerp Op basis van het ontwerp kunnen boom 6, 8 en 11 niet behouden blijven, dit betreft bomen waarvoor het niet mogelijk is om het ontwerp aan te passen om deze te behouden.