F5dadb90-8e87-4308-9a1a-198cd106b44e
Tekst van het document
Watersportpaviljoen Engelermeer
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1
7 7 8 9 11 11 11 12 12 13 13 17 17 18 21 21 21 22
2.2
2.3 Hoofdstuk 3 3.1
3.2 3.3
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3
4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 2
Inleiding Aanleiding Planlocatie Leeswijzer Planbeschrijving Bestaande situatie 2.1.1 Ligging in de gemeente 2.1.2 Ruimtelijke structuur 2.1.3 Functionele structuur Toekomstige situatie 2.2.1 Bebouwing 2.2.2 Gebruik 2.2.3 Verkeer en parkeren Geldend bestemmingsplan Beleidskader Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie 3.3.2 Algemeen kader Bossche plassen en beleidsontwikkelkader Engelermeer 3.3.3 Welstand 3.3.4 Verordening Bomen, Water, Groen 's-Hertogenbosch 2021 Milieu, duurzaamheid en waarden Inleiding Bedrijven en milieuzonering Geluid 4.3.1 Wegverkeerslawaai 4.3.2 Railverkeerslawaai 4.3.3 Industrielawaai Trillingen Verlichting Externe veiligheid Lucht Bodem 4.8.1 Algemeen 4.8.2 Bodemonderzoek Geur Hoogspanningslijnen Water Duurzaamheid Milieueffectrapportage Ecologie Archeologie en cultuurhistorie 4.15.1 Archeologie
22 23 23 27 27 28 29 29 33 33 33 34 34 35 35 36 36 36 40 41 41 41 41 42 43 47 48 48 50 50
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
4.15.2 Cultuurhistorie Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Wettelijk vooroverleg 5.2.2 Omgevingsdialoog Procedure Uitgebreide procedure Ter inzage legging ontwerp vergunning
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
51 53 53 53 53 54 55 55 55
56 Boomeffectrapportage Notitie beoordeling stikstof Verslag omgevingsdialoog anoniem
57 75 87
3
4
Ruimtelijke onderbouwing
5
6
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De Watersport vereniging Engelermeer (WvE) is voornemens om op een locatie gelegen aan de zuidoever van het Engelermeer ten noordwesten van de stad 's-Hertogenbosch een nieuw watersportpaviljoen op te richten, bestaande uit een botenloods en een leslokaal met aanvullende ruimten. De betreffende gronden zijn grotendeels in eigendom van de gemeente 's-Hertogenbosch. Er is een kleine strook nog in eigendom van waterschap Aa en Maas maar afspraken over een grondoverdracht zijn vergevorderd. In de huidige situatie is de vereniging gehuisvest in een vijftal zeecontainers (tot stand gekomen middels een tijdelijke vergunning). Een permanente, gebouwde voorziening is gewenst, zodat de vereniging een vaste basis krijgt aan het Engelermeer met voldoende ruimte om het materiaal veilig en duurzaam op te slaan en de sport goed uit te kunnen oefenen.
Het doel is om de tijdelijk vergunde containers te vervangen door een permanente, gebouwde voorziening, waarbij de bebouwing weliswaar wordt uitgebreid, maar deze tevens ook landschappelijk wordt ingepast in de omgeving. Een nu reeds aanwezige steiger, iets verder ten oosten van de nieuwe locatie gelegen, zal worden verplaatst en aansluitend aan het terras bij het nieuwe gebouw worden gelegd. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het geldende planologisch regime dat is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Hoogwater 's-Hertogenbosch' welke is vastgesteld op 26 juni 2012. De gewenste ontwikkeling kan planologisch mogelijk worden gemaakt door middel van een buitenplanse afwijkingsprocedure op basis van artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Gelijktijdig met de afwijkingsprocedure zal ook de bouwactiviteit kunnen worden vergund, wat een tijdige realisatie bespoedigd. Artikel 2.12, eerste lid, Wabo bepaalt dat de toestemming tot afwijken van het bestemmingsplan niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieraan moet getoetst worden bij verlening van een dergelijke omgevingsvergunning. Er mogen geen belemmeringen zijn vanuit de milieuregelgeving. Op basis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bevoegd gezag zorgvuldig de belangen afwegen.
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in deze belangenafweging en toont aan dat het planvoornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing zal onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. 7
Figuur 1 Luchtfoto van locatie huidige huisvesting WvE
1.2
Planlocatie
De planlocatie beslaat een deel van de percelen kadastraal bekend als gemeente 's-Hertogenbosch, sectie R, perceelnummers 2007, 1996 en 2013. Het nieuwe gebouw heeft een oppervlakte van ca. 350 m² en zal aan de noordzijde nog een klein terras krijgen in aansluiting op de steiger. De ligging en begrenzing van het nieuwe gebouw is in figuur 2 weergegeven.
8
Figuur 2 Ligging zeecontainers (blauwe contour) en begrenzing planlocatie (rode contour)
1.3
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie van de directe omgeving en de planlocatie zelf gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente 's-Hertogenbosch beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieuthema's de revue. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 7 tenslotte beschrijft de procedure.
9
10
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1
Bestaande situatie
2.1.1 Ligging in de gemeente De planlocatie, gelegen aan de zuidoever van het Engelermeer en maakt deel uit van het gelijknamige recreatieve gebied gelegen net ten noorden van de snelweg A59 en ten noordwesten van de stad 's-Hertogenbosch. De planlocatie ligt in zuidelijk richting hemelsbreed op een afstand van ca. 700 meter van de wijk West en woonbuurt De Kruiskamp en in westelijke richting op een afstand van ca. 850 meter van de bebouwde kom van Vlijmen, gemeente Heusden.
Figuur 3 Luchtfoto 'noordwestelijk deel s-Hertogenbosch en omgeving met ligging planlocatie (rode contour)
11
2.1.2 Ruimtelijke structuur De planlocatie is een onderdeel van het gebied dat als schil rond de stad 's-Hertogenbosch ligt. Waterschap Aa en Maas heeft De Gement in Vught en de omgeving van het Engelermeer ingericht als waterbergingsgebieden. Deze liggen ten westen van 's-Hertogenbosch en beschermen de provinciale hoofdstad tegen hoogwater. De natuur rond de stad kreeg hierdoor ook een impuls. Het project kreeg de naam HoWaBo. Dat staat voor Hoogwateraanpak 's-Hertogenbosch. Zie ook paragrafen 3.3.1 en 4.11
Het waterbergingsgebied omvat delen van De Gement in Vught. Ook de omgeving van het Engelermeer, aan de noordzijde van de A59, is onderdeel van de waterberging. Het projectgebied heeft overlap met het gebied van de Natte Natuurparel Moerputten en Vlijmens Ven.
Het Engelermeer, dat in gebruik is als recreatieplas, is waarschijnlijk een overblijfsel van een oude stroomgeul van de Maas van vóór de dertiende eeuw. In de vorige eeuw is er met zandzuigers veel zand uit het Engelermeer gehaald. De zandwinning was bedoeld voor ophoging van de gronden die ontpolderd waren. De ontpolderde gebieden konden op deze manier ontwikkeld worden. 2.1.3 Functionele structuur De planlocatie staat onder directe invloed van het stedelijke gebied. Dit uit zich onder meer in recreatief medegebruik in de overgangszone tussen landelijk en stedelijk gebied. Bij recreatief medegebruik wordt vooral gedoeld op wandelen en fietsen in gebieden die primair zijn ingericht voor agrarisch gebruik of natuur. Het Engelermeer is een zoetwaterplas gelegen ten noordwesten van de stad 's-Hertogenbosch. De zuid – zuidwest zijde van het Engelermeer is primair gericht op recreatie. In het gebied is sprake van extensieve en intensieve recreatie (watersport, zwemmen, wandelen, fietsen) in combinatie met vooral aan de noord- en oostzijde natuur- en landschapswaarden. Het gebied bestaat zowel uit een zandwinplas als een natuurplas. Ten westen van het Engelermeer zijn twee agrarische bedrijven gevestigd.
Aan de zuidoever van het Engelermeer bevindt zich een strandbad. Daarnaast is er een kleinschalig horeca uitgiftepunt aanwezig. Gedurende het seizoen (medio mei t/m medio september) wordt er dagelijks vanaf 10.00u tot 18.00u toezicht gehouden en is het horeca uitgiftepunt geopend. Tevens zijn er enkele aanvullende voorzieningen aanwezig zoals diverse speeltoestellen, een EHBO-post, reddingsbrigade, sanitair, douches, picknickplaatsen, parkeerplaatsen en een fietsenstalling.
De Watersportvereniging Engelermeer (WvE) bevindt zich ook aan de zuidzijde van het Engelermeer, direct ten oosten van het strandbad en maakt tevens gebruik van enkele van bovenstaande voorzieningen. De huidige activiteiten van de WvE zijn gehuisvest in een vijftal naast elkaar geplaatste zeecontainers welke op betonnen platen staan. Vanaf deze zeecontainers loopt een pad gemaakt van diezelfde betonplaten in noordoostelijke richting tot aan de waterlijn van het Engelermeer welke fungeert als helling ten behoeve van het te water laten en het uit het water halen van de zeilboten en de reddingsboot van de strandwacht. Tevens bevindt zich ten oosten van de zeecontainers nog een T-steiger die zowel door de WvE als ook door zwemmers gebruikt wordt.
12
Figuur 4 Luchtfoto zuidzijde Engelerplas met voorzieningen en huidige ligging containers en steiger
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Bebouwing Het planvoornemen omvat de bouw van een nieuw verenigingsgebouw/watersportpaviljoen voor de WvE. Na realisatie van de nieuwbouw zullen de bestaande, tijdelijk vergunde zeecontainers en de betonnen platen worden verwijderd. Het nieuw te realiseren gebouw bestaat uit 1 bouwlaag en komt deels verdiept in het landschap te liggen. Het paviljoen is beoogd op de landtong ten noordoosten van de zeecontainers. De landtong is in de huidige situatie voor een deel bedekt met gazon, aan de landzijde is een bosplantsoen gelegen en de zoom van de oever is begroeid met bomen, opschot, heesters, bramen, riet en kruiden. De T-steiger ten oosten wordt verplaatst naar de kop van het nieuwe gebouw en maakt ook onderdeel uit van het planvoornemen. Momenteel kent het besluitgebied reeds een aanzienlijk hoogteverschil waarbij de oever op ca. +1.55 m NAP is gelegen en het bosplantsoen, het hoogste deel van het besluitgebied, op ca.+3.24 m NAP.
13
Figuur 5 Situatietekening planvoornemen
Om het gebouw landschappelijk goed in te passen, wordt een deel van het bestaande hoogteverschil afgegraven. Het peil van het nieuwe gebouw komt ca 2,5m boven het waterpeil te liggen. Hierdoor valt het grootste gedeelte van het gebouw binnen de contour van de huidige ophoging van het landschap. Het gebouw wordt aan 2 zijden ingepakt met een natuurlijk glooiend talud. Het dak van het nieuwe gebouw wordt groen aangelegd, met een dusdanige humuslaag waarbij groei van vegetatie mogelijk is. Met de extra boomaanplant (zie paragraaf 3.3.4) is het nieuwe gebouw vanaf de zuid- en oostzijde straks niet waarneembaar. Dit terwijl aan de waterkant een modern ontwerp met veel glas voor het toezicht kunnen houden op de watersporters. Met de bouw van het paviljoen dient grond afgegraven te worden, waarbij de vrijgekomen grond vervolgens wordt gebruikt om het beoogde talud aan te vullen. Er wordt per saldo slechts 256 m3 extra grond aangevoerd.
14
Figuur 6 Plattegronden (voorlopig ontwerp) In figuur 5 is de voorlopige indeling van de begane grond van het paviljoen in de toekomstige situatie weergegeven. Het gebouw is op te delen in 2 gedeeltes, namelijk de botenloods met werkplaats, welke zich aan de zuidzijde van het paviljoen bevindt en een gedeelte waar zich de entree, de sanitaire voorzieningen, kleedlokalen en een leslokaal bevindt. Aan de noord- en oostgevel zijn de diverse (nood)uitgangen beoogd, waarbij ten noorden van het gebouw eveneens een terras/vlonder/steiger is beoogd waarvandaan de boten te water worden gelaten. Het ontwerp is nog in ontwikkeling, deze planolgische procedure voorziet in het mogelijk maken van het gebouw, de steiger en het gebruik. Er blijft daarmee flexibiliteit in de definitieve invulling van het gebouw. Aan weerszijden van het gebouw worden schanskorven geplaatst die, waar bouwtechnisch nodig, verder doorlopen dan de lengte van het gebouw zelf. Het gebouw zal worden uitgevoerd met een groen dak hetgeen een groene landschappelijke inpassing van het gebouw borgt.
15
Figuur 7 Gevelaanzichten watersportpaviljoen
Mogelijke toekomstige uitbreiding In het oorspronkelijke ontwerp van het watersportpaviljoen was rekening gehouden met een gedeeltelijke 2e bouwlaag, waardoor het gebouw een kop kreeg aan de noordzijde. Het ontwerp is later aangepast en in het kader van voorliggende ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van de aan te vragen omgevingsvergunning is deze 2e laag definitief geschrapt. Mocht er in de toekomst toch behoefte blijken om alsnog deze 2e laag te realiseren, dan zal dat via een aparte, nieuwe aanvraag omgevingsvergunning geregeld moeten worden. Ter indicatie van die gedachte, is in figuur 7 een schetsontwerp opgenomen van deze mogelijke 2e laag. Maar zoals gezegd maakt die extra bouwlaag geen onderdeel uit van voorliggend planvoornemen.
16
Figuur 8 Artist impression idee van 2e bouwlaag watersportpaviljoen (nu niet aangevraagd)
2.2.2 Gebruik Het besluitgebied is momenteel deels al in gebruik als locatie van de WvE. Het gebruik zal met het planvoornemen niet wijzigen en blijft recreatief. Het planvoornemen maakt wel de bouw van de het paviljoen mogelijk op een andere locatie dan waar de huidige tijdelijke zeecontainers staan. Omdat het gebouw ook groter is, verruimen de bebouwingsmogelijkheden wel als gevolg van deze procedure. 2.2.3
Verkeer en parkeren
Verkeer Het besluitgebied wordt ontsloten via de Meerheuvelweg. Het besluitgebied is gelegen aan de waterkant en derhalve zal het laatste stuk te voet afgelegd dienen te worden. Deze ontsluiting blijft ook in de beoogde situatie behouden. Het gebouw treedt in de plaats van de huidige opslag- en gebruiksruimte in de containers. Daardoor zal er in beginsel geen sprake zijn van een grotere verkeersaantrekkende werking als gevolg van de nieuwbouw anders dan het natuurlijke aan- en verloop van de watersportvereniging. De Meerheuvelweg heeft voldoende capaciteit om de verkeersintensiteiten op te vangen. Ook zal de verkeersveiligheid niet nadelig worden beïnvloed. Op basis van een worst-case inschatting is er sprake van 40 verkeersbewegingen pet etmaal in de nieuwe situatie met de toevoeging van het clubhuis. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om deze extra verkeersintensiteiten op te vangen. De normale ledengroei van de vereniging blijft ruim binnen deze marge. Daarnaast geldt dat een groot deel van de bezoekers van de locatie per fiets komt. De leden komen grotendeels binnen een straal van 5km van de locatie vandaan en dankzij de nieuwe opslagmogelijkheid (botenhuis) hoeft er ook geen groot/zwaar materiaal vervoerd te worden.
Over het algemeen komen deze fietsers vanuit de bijvoorbeeld de Bossche wijk Kruiskamp over de lanzaamverkeersbrug over de A59 naar het besluitgebied. Het planvoornemen heeft geen consequenties voor deze ontsluiting en de capaciteit van de wegen en infrastructuur blijft ook de toekomstige situatie voldoende om het fietsverkeer veilig van en naar het besluitgebied te kunnen afwikkelen.
Parkeren 17
Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets (vastgesteld op 21 september 2016). De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden. Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.
Voor de recreatieve functies aan het Engelermeer is een collectieve parkeervoorziening gerealiseerd aan de Meerheuvelweg. Deze is van voldoende omvang om te kunnen voorzien in de behoefte voor het planvoornemen. Binnen deze collectieve parkeervoorziening is ook in ruime omvang voorzien in fietsparkeren. Ook hier bestaat er voldoende capaciteit om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte voor fietsers.
2.3
Geldend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan voor het besluitgebied is het bestemmingsplan 'Hoogwater 's-Hertogenbosch', dat op 26 juni 2012 onherroepelijk is vastgesteld. In figuur 8 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven. De gronden binnen het besluitgebied hebben de bestemming 'Recreatie' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied'. De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: Dagrecreatieve voorzieningen en strand; ter plaatse van de aanduiding 'horeca' voor een paviljoen; Paden en wegen en parkeervoorzieningen; Water en waterhuishoudkundige voorzieningen; Groenvoorzieningen. De voor 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van het waterbergend vermogen.
Figuur 9 Uitsnede geldend bestemmingsplan
18
Het planvoornemen behelst het realiseren van een nieuw gebouw in de vorm van een paviljoen ten behoeve van een watersportvereniging. Het vigerende bestemmingsplan maakt het niet mogelijk om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren. Daarnaast is sportgebruik momenteel ook niet mogelijk. Een afwijking van het geldende bestemmingsplan middels een buitenplanse afwijking op basis van artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is noodzakelijk om het voornemen planologisch - juridisch te kunnen borgen.
19
20
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid: 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4. efficiënt gebruik van de ondergrond; 5. een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen; 7. het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9.
ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd. Hierbij geldt voor wonen dat er bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
21
Het planvoornemen betreft de realisatie van een nieuw gebouw in de vorm van een paviljoen voor de watersportvereniging. Deze vereniging is reeds gevestigd op de locatie en tijdelijk gehuisvest in zeecontainers. De voorziene ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing aangezien het hier daarmee geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, dit is pas aan de orde bij een vestiging van een nieuwe functie met gebouw met bruto vloeroppervlakte van > 500 m2. In onderhavig geval is er sprake van toevoeging van een paviljoen voor een bestaande functie van < 500 m2 en zullen de bestaande zeecontainers na realisatie, verwijderd worden. Verder is het besluitgebied niet gelegen in of in de nabijheid van een gebied waarin het Rijk een nationaal belang heeft aangewezen. 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) omvat, als instrument van de nieuwe omgevingswet, de rijksvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving. De NOVI treed in werking met de omgevingswet, waarbij het de huidige SVIR vervangt als nationaal strategisch omgevingsbeleid. In het gedachtegoed van de omgevingswet is de NOVI een breed gedragen plan, dat met veel partijen is gemaakt, maar enkel voor Rijk juridisch bindend is. De NOVI beschrijft op hoofdlijnen het toekomstperspectief op 2050 voor de leefomgeving, in de breedste zin van het woord.
In de NOVI zijn 21 nationale belangen opgenomen waarbij het rijk systeemverantwoordelijkheid draagt. Deze belangen zijn samengevoegd in vier prioriteiten waarop het Rijk wil sturen en richting geven. Deze prioriteiten zijn: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Sterke en gezonde steden en regio's Voor de belangenafweging zijn in de NOVI drie uitgangspunten opgenomen: combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal afwentelen wordt voorkomen Met de NOVI wordt de huidige lijn die met de decentralisatie doorgezet en benadrukt dat een gebiedspecifieke aanpak de voorkeur heeft.
Het planvoornemen betreft de realisatie van een nieuw gebouw in de vorm van een paviljoen voor de watersportvereniging. Deze vereniging is reeds gevestigd op de locatie en tijdelijk gehuisvest in zeecontainers. Het nieuwe paviljoen wordt uitgevoerd met een groen dak en landschappelijk ingepast wat ten goede komt aan de milieukwaliteit, waterbergingscapaciteit en kwaliteit van de leefomgeving.
Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen passend is binnen de (Ontwerp-) Omgevingsvisie. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en worden met het Barro en het Bro juridisch verankerd. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
22
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.
In het kader van deregulering en decentralisatie is er voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en de EHS.
De voorgenomen ontwikkeling ligt in een gebied waarin het Rijk een nationaal belang heeft aangewezen, het gaat om het Radarverstoringsgebied behorende bij radarstation Herwijnen dat is aangegeven op kaart 6: radarstations. Op deze gronden gelden op grond van artikel 2.6.2 van het Barro maximaal toelaatbare bouwhoogtes voor objecten ter bescherming van de werking van (radar)apparatuur. De ligging in dit gebied vormt geen belemmering, aangezien de maximaal toegestane bouwhoogtes (zijnde 113 meter boven N.A.P. als meest beperkende) niet gehaald worden. Het planvoornemen vormt geen belemmering aangezien de maximale toegestane bouwhoogte niet gehaald wordt. Hierdoor heeft het Barro en en Rarro geen consequenties voor voorliggend plan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Vooruitlopend op de in werking treding van de Omgevingswet, hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.
De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's. Inmiddels is er ook een Interim omgevingsverordening vastgesteld, waarop hierna wordt ingegaan.
Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil laten zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.
23
Het planvoornemen betreft de realisatie van een nieuw gebouw in de vorm van een paviljoen voor de watersportvereniging. Deze vereniging is reeds gevestigd op de locatie en tijdelijk gehuisvest in zeecontainers. Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan het recreatief voorzieningenniveau in de nabijheid van de stad. Het duurzame en groene ontwerp van het planvoornemen is daarbij een duidelijke verbetering in het kader van duurzaamheid. Daarmee leidt voorliggend plan tot een verbeterde omgevingskwaliteit en past het plan binnen de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie maart 2020) De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de Omgevingsvisie, zoals beschreven in voorgaande paragrafen, vormen het beleidskader voor het provinciaal ruimtelijk beleid. Het juridische kader voor dit beleid is vastgelegd in de Verordening Ruimte en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze verordeningen vormen derhalve belangrijke uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren.
Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. In deze Interim omgevingsverordening zijn de bestaande verordeningen samengevoegd en vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voorvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. Voor het besluitgebied zijn naast de algemene 'rechtstreeks werkende regels voor activiteiten', zoals beschreven in hoofdstuk 2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, de ínstructieregels aan gemeenten, beschrijven in hoofdstuk 3 en de 'instructieregels aan waterschappen', beschreven in hoofdstuk 4, regels voor gebiedsaanduidingen van toepassing. Het besluitgebied is hierbij op de verschillende kaarten behorende bij de interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid als: landelijk gebied; verbod uitbreiding veehouderij, regionale waterberging; en binnen het thema waterkwantiteit als normvrijgebied voor waterschappen, normen voor wateroverlast en reservering waterberging.
Figuur 10 Uitsnede kaart interim omgevingsverorderning Noord-Brabant - landelijk gebied 24
Figuur 11 Uitsnede kaart interim omgevingsverordening Noord-Brabant - regionale waterberging
Figuur 12 Uitsnede kaart interim omgevingsverordening Noord-Brabant - groenblauwe mantel
In de bovenstaande afbeeldingen is te zien dat er twee werkingsgebieden gelden voor het besluitgebied, te weten 'landelijk gebied' en meer specifiek binnen het landelijk gebied 'regionale waterberging' en 'goenblauwe mantel'. In de omgevingsverordening is daarnaast een aantal basisprincipes voor evenwichtige toedeling van functies aan locaties bepaald.
Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een clubhuis voor de watersportvereniging in de vorm van een paviljoen. De ontwikkeling past qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor het besluitgebied en houd rekening met omliggende waarden.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die betrekking hebben op nieuwvestiging zijn in het landelijk gebied niet wenselijk. Met het planvoornemen is echter geen sprake van nieuwvestiging omdat de WvE reeds op de locatie gevestigd is en een tijdelijke vergunning voor de zeecontainers vigerend is. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in landelijk gebied, moet echter wel, conform artikel 3.9 van de Verordening (kwaliteitsverbetering landschap) bepalen dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het begrip landschap heeft hier niet alleen betrekking op groenontwikkeling maar ook betrekking op sloop of uiterlijke verschijningsvorm 25
van bebouwing.
De verschijningsvorm en inrichting van het dak van het watersportpaviljoen is zodanig vormgegeven dat het goed ingepast is in het landschap en bovendien is het toegankelijk en daardoor is de belevingswaarde multifunctioneel. De provincie heeft aangegeven dat dit dak mag worden gerekend tot een kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarnaast verdwijnen de bestaande zeecontainers met het planvoornemen.
Naast de ligging in het landelijk gebied, is het besluitgebied gelegen in het regionale waterbergingsgebied. Gronden gelegen binnen deze aanduiding strekken mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Het oprichten van bebouwing is in principe niet mogelijk voor dit gebied. Met het planvoornemen wordt echter voorzien in het behoud van het waterbergend vermogen van het gebied door gericht af te graven en de peilhoogtes te optimaliseren, zie ook paragraaf 4.11. Daarmee is het planvoornemen in lijn met de doelstellingen voor regionale waterbergingsgebieden. Daarnaast is het besluitgebied gelegen in de groenblauwe mantel. Een bestemmingsplan van toepassing op de groenblauwe mantel: strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Het planvoornemen voorziet in het realiseren en gebruiken van een watersportpaviljoen op de huidige locatie van de WvE. In het ontwerp is rekening gehouden met het waterbergend vermogen van het gebied.
Dit waterbergend vermogen wordt door het planvoornemen niet aangetast. Daarnaast is in de verschijningsvorm en inrichting van het watersportpaviljoen ingepast in het landschap. Belangrijkste element daarbij is het groene dak dat plaats biedt voor de ontwikkeling van groen en opgaande vegetatie. Het paviljoen wordt daarmee niet alleen aan het zicht onttrokken, maar biedt ook versterking van de landschappelijke en ecologische waarden van het gebied als geheel. Tot slot geldt conform artikel 3.42 van de verordening dat duurzame stedelijke ontwikkelingen voor wonen, werken of voorzieningen: bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Reeds in de motivering ten aanzien van de kwaliteitsverbetering landschap en groenblauwe mantel is aangetoond dat het planvoornemen bijdraagt aan opvang van water, lanschappelijke en ecologische kwaliteiten.
Daar komt bij dat de locatie van het watersportpaviljoen niet verandert ten aanzien van de huidige locatie van de WvE. Er is daarmee geen sprake van een aanzienlijk nieuw ruimtebeslag voor deze functie. Door de inpassing is er bovendien sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Het groene dak met ruimte voor vegetatiegroei zorgt bovendien voor een hittestress bestendig gebouw. Ook is er sprake van een duurzaam gebouw, zoals ook omschreven in paragraaf 4.12. Concluderend k an worden gesteld, dat het planvoornemen passend is binnen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 26
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie (RSV) vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het gemeentelijk grondgebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen.
Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.
Ten aanzien van het Engelermeer wordt gesteld dat hier een bovenlokale recreatieve functie met mogelijkheden om die functie verder uit bouwen aan de orde is. Aan de andere kant behoort het gebied tot HoWaBo (Hoogwateraanpak 's-Hertogenbosch). Dit houdt in dat bij hoog water in de beken de Aa en de Dommel het water tijdelijk naar twee poldergebieden kan worden geleid, de Gement met de Moerputten en het Engelermeer.
27
Figuur 13 Ligging besluitgebied in HoWaBo
Met het planvoornemen wordt voorzien in een permanente huisvesting voor de WvE. Hiermee wordt een duurzame oplossing gevonden voor de tijdelijke huisvesting in zeecontainers. Hiermee garandeert het planvoornemen een opwaardering van de recreatieve waarde van het gebied. Tegelijkertijd is door het ontwerp van het paviljoen (verdiepte ligging met groen dak) een goede landschappelijke inpassing geborgd waarbij het waterbergend vermogen van dit HoWaBo gebied toe neemt. Zie daarvoor ook paragraaf 4.11.
Het planvoornemen is daarmee in lijn met de RSV. 3.3.2 Algemeen kader Bossche plassen en beleidsontwikkelkader Engelermeer In januari 2017 heeft de gemeente 's-Hertogenbosch het algemeen kader Bossche plassen vastgesteld. Doel van dit kader is invulling te geven aan de uitwerking van de opgaven van het Waterstructuurplan (en Waterplan 2016 -2020) en de plassen beter in te richten op het gebied van natuur, recreatie en landschappelijke inrichting om de potentie te benutten. Voor het Engelermeer is een separaat beleidskader opgesteld, namelijk het beleidsontwikkelkader 'zie Meer van het Engelermeer' (december 2016), waar in het algemeen kader Bossche plassen naar wordt verwezen. Het gebied op en rond het Engelermeer zou zich moeten ontwikkelen tot een hoogwaardiger natuur- en recreatiegebied, gericht op de beleving van water en natuur. Vanwege de aanwezige natuurwaarden aan de oost- en noordzijde, kunnen nieuwe ontwikkelingen alleen aan de west en zuid-westzijde plaatsvinden.
Figuur 14 Besluitgebied gelegen in zone met bouwmogelijkheden voor recreatieve en sport voorzieningen 28
Figuur 13 laat zien dat het besluitgebied is gelegen binnen een gebied waar recreatieve en sportvoorzieningen mogelijk zijn (gele arcering). Dergelijke initiatieven dienen aan de volgende spelregels te voldoen: 1. Moet geen lawaai of hoge snelheid op of rond het water tot gevolg hebben met uitzondering van noodgevallen/reddingsbrigade; 2. Moet (grotendeels) gericht zijn op buitenactiviteiten, gebruik maken van water, landschap of natuur; 3. Moet beperkt zijn in hoeveelheid bebouwing en/of infrastructuur; 4. Moet een meerwaarde hebben voor natuur en landschap; 5. Moet financieel haalbaar zijn en voor gemeente financieel neutraal; 6. Moet kunnen beschikken over de gronden waar het initiatief zou moeten plaatsvinden 7. Moet voldoen aan eisen van veiligheid, uitstraling en onderhoud Het voornemen voldoet aan de bovenstaande eisen. De WvE richt zich op watersportactiviteiten die geen lawaai of hoge snelheid op het water tot gevolg hebben. Het huidige gebruik wordt met het planvoornemen bestendigt. De huidige zeecontainers maken plaats voor een duurzaam watersportpaviljoen dat in het landschap wordt ingepast. Het ruimtebeslag is met het ontwerp beperkt en daarnaast zorgt de groene inpassing van het ontwerp, met name het dak en het bomenplan, voor een meerwaarde voor het landschap. In Hoofdstuk 5 is de financiële en maatschappelijke haalbaarheid verzekerd.
Het planvoornemen is daarmee passend binnen het beleidsontwikkelkader 'zie Meer van het Engelermeer'. 3.3.3 Welstand Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen. Daarnaast gelden de algemene welstandscriteria als beoordelingskader. Het planvoornemen is door de gecombineerde welstandscommissie op 5 juli 2021 beoordeeld. De welstandscommissie adviseert in beginsel positief over het ontwerp van het paviljoen. Voor een goede landschappelijke inpassing vraagt zij bij het definitieve ontwerp wel extra aandacht voor het behoud van de bomen tijdens de werkzaamheden. Hierin zal door middel van een ecologisch werkprotocol alsmede een kapmelding met compensatievoorstel worden voorzien. 3.3.4 Verordening Bomen, Water, Groen 's-Hertogenbosch 2021 De Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 is door de gemeenteraad vastgesteld op 9 maart 2021. Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen en behoort bij de visie 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen.
Het doel van het stellen van de regels in deze verordening is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch namelijk kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Verder is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Ook is het doel van het stellen van de regels in deze verordening het beschermen van bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen juridisch ook geborgd. Water Wat betreft het onderdeel water zijn in deze verordening regels opgenomen voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in deze verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd. (zie de waterparagraaf 4.11) 29
Groen Wat betreft het onderdeel groen is in deze verordening per gebied een groennorm vastgelegd. Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Het doel van het opnemen van een groennorm in deze verordening is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving. Bomen Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in deze verordening regels opgenomen om bepaalde categorieën houtopstanden te beschermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden niet worden geveld.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet het eventuele effect op bestaande bomen vroegtijdig worden onderzocht. Hiervoor dient een bomeninventarisatie analyse (BEA). Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. Uitgangspunt is het zoveel mogelijk behouden van bomen en indien echt niet anders mogelijk, het verplanten van bomen en herplant/compensatie.
Voor het plan is een BEA opgesteld, zie Bijlage 1. Ten tijde van het onderzoek was de positie van het paviljoen nog in onderzoek zoals ook te zien is aan de 3 scenario's in het BEA. De bevindingen zijn door aanpassing in het laatste ontwerp echter niet ongeschikt en blijven relevant voor dit planvoornemen. Binnen deze rapportage zijn de 13 meest dichtbij gelegen bomen beoordeeld. Met het oorspronkelijke ontwerp zouden 9 bomen (boomnummers 1, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12) gekapt moeten worden en 2 andere bomen met maatregelen goed inpasbaar zijn (boomnummer 2 en 3). Uit eigen onderzoek van onze bomendeskundige is gebleken dat een tweestammige wilg (boomnummers 8 en 9) toch behouden kan worden mits deze op 1,5m wordt teruggezet en als knot verder groeien. Dat zou het totaal te verwijderen aantal bomen op 7 brengen. Vanwege de laatste aanpassingen in het ontwerp, zal er 1 boom meer komen te vervallen (boomnummer 5). Het totaal aantal te kappen bomen komt daarmee op 8 waarvan 1 meldingsplichtig en 1 kapvergunningplichtig. In voornoemde melding is tevens de aanpassing van de tweestammige wilg geregeld. Conform het beleid is bij de acceptatie van de melding en de verleende vergunning een herplantplicht opgelegd van 4 bomen in de 1e en 2e grootte met een aanplantmaat 20-25 cm.
Aanvullend is vanwege een zorgvuldige inpassing van het gebouw en een toevoeging aan de landschappelijke kwaliteitsverbetering, overeengekomen dat er nog 12 bomen meer zullen worden aangepland. Het totaal aantal nieuwe bomen komt daarmee op 16 zoals in onderstaande afbeeelding is weergegeven. Met de al aanwezige bomen in de omgeving zal de noodzakelijke kap geen impact hebben op het totale beeld en zal binnen 10 jaar de verdwenen kroonprojectie gecompenseerd zijn. Al overige bomen zullen goed worden beschermd tijdens het bouwproces d.m.v. o.a. bouwhekken en een ecologisch werkprotocol wat voorafgaand aan de vergunningverlening wordt getoetst door de gemeente en als voorschrift aan de vergunning wordt verbonden. Ook worden de standaard voorschriften voor het bouwen nabij bomen, de zogenaamde bomenposter, als voorschrift aan de vergunning verbonden .
30
Figuur 15 Blauwe puntjes zijn de nieuw toe te voegen bomen vanwege herplantplicht en extra compensatie
Om het het bouwplan te kunnen realiseren, worden enkele bomen gekapt. Hiervoor geldt een herplantplicht en wordt ook nog extra compensatie uitgevoerd. De overige bomen blijven behouden en beschermd tijdens de bouwfase. De bomenposter wordt bijgevoegd bij de vergunning en ook het ecologisch werkprotocol wordt als voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning. Het planvoornemen is hiermee niet in strijd met het gemeentelijk groen- en bomenbeleid zoals verwoord in de Verordening Bomen, water en groen.
31
32
Hoofdstuk 4 Milieu, waarden 4.1
duurzaamheid
en
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.
Richtlijn Bij het beoordelen van (binnen het besluitgebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het besluitgebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudowetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera 33
is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).
Daarnaast wordt in een intensief gebruikt gebied met veel functies en "bedrijvigheid" vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. Dit heeft onder andere te maken met acceptatie, gewenning en achtergrondbelasting. De VNG-uitgave hanteert twee omgevingstypes: 1. 'rustige woonwijk'; 2. 'gemengd gebied'. Indien onderbouwd kan worden dat sprake is van een gemengd gebied, dan geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Het besluitgebied is gelegen in een gebied met diverse functies.
Er zijn geen woningen gelegen in de directe omgeving van het besluitgebied. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op ongeveer 500 m afstand. Omdat de mogelijk gemaakte functie zal vallen binnen milieucategorie 2 geldt een indicatieve hinderafstand van 30 m. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De watersportvereniging zal dan ook niet leiden tot onaanvaardbare milieuhinder. Daarnaast geldt omgekeerd dat er in de omgeving geen hindergevende functies zijn gelegen waarvan het project negatieve effecten ondervindt.
Conclusie Met het planvoornemen wordt een clubhuis voor de watersportvereniging opgericht in de vorm van een paviljoen. Deze functie is op ruime afstand gelegen van de omliggende woningen en vormt daarmee geen hinder voor deze objecten. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3
Geluid
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.3.1
Wegverkeerslawaai
Wettelijk kader Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidsonderzoekszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk tot 63 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde 34
aangehouden: Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling) Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een rumoerig gebied langs een drukke snelweg met verhoogde geluidsbelastingen. Een hogere waarde mag – zoals gezegd - de maximale geluidsbelasting van 53 dB niet overschrijden.
Voorwaarden voor een vast te stellen hogere waarde zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid van een geluidsluwe (rustige) zijde en een geluidsniveau in de buitenruimte (zoals achtertuin/balkon) dat voldoet aan de ambitie voor het betreffende gebied. Voor geluidsbelastingen op gevels meer dan 53 dB kan formeel geen ontheffing worden verleend.
Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.
Beschrijving Met het planvoornemen wordt geen geluidgevoelige functie mogelijk gemaakt. Daarnaast is het besluitgebied niet gelegen binnen de geluidszonering van een weg. Er is derhalve geen onderzoeksplicht, danwel belemmering met betrekking tot wegverkeerslawaai.
4.3.2 Railverkeerslawaai Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De beoogde ontwikkeling ligt op ruime afstand van spoorlijnen en is niet in dergelijke zone gelegen. Voorts voorziet het planvoornemen niet in de oprichting van een geluidgevoelig object. Het aspect railverkeerlawaai is derhalve niet van invloed op het planvoornemen. 4.3.3 Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. De grootte van de zone is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidruimte van het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan moet de zone, die niet kleiner mag zijn dan de 50 dB(A) contour, worden vastgelegd.
Het planvoornemen voorziet niet in de oprichting van een gevoelige bestemming in het kader van de Wet Geluidhinder. Daarnaast is er in de nabijheid van het besluitgebied geen industrieterrein gelegen.
35
Voor de watersportvereniging is, op grond van hun activiteiten en bijhorende bovengenoemde richtafstanden tot woningen in relatie de afstand tussen de beoogde locatie en de nu aanwezige woningen als ook ter plaatse van door de gemeente Heusden aangewezen potentiële bouwvlakken voor woningen aan de Meerheuvelweg (dit ten gevolge van de aanpassing van het knooppunt 45 van de A59 en de mogelijke amovering van bestaande woningen), geen onacceptabele geluidhinder te verwachten.
De activiteit heeft ook een verkeer aantrekkende werking. Bezoekers komen met de fiets, scooter of auto. Uitgaande van gemiddeld 40 extra verkeersbewegingen per etmaal (op basis van gemiddeld 20 aanwezige personen, worst-case situatie) zal de geluidsbelasting vanwege het extra verkeer niet waarneembaar zijn, dit aspect is dan ook niet nader onderzocht.
4.4
Trillingen
Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).
Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Het planvoornemen ligt veel verder van het spoor. De wegen in de omgeving van het besluitgebied zijn geasfalteerd. Er vinden in de omgeving geen industriële activiteiten plaats (waarvan trillinghinder verwacht wordt). Er zijn eveneens geen klachten bekend omtrent trillinghinder uit de omgeving. Trillingen zijn hierdoor beschouwd als niet relevant op het planvoornemen.
4.5
Verlichting
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling.
Het planvoornemen heeft geen betrekking op een relevante lichtbron die tot hinder is op de omgeving. Verlichting is derhalve niet van invloed op het planvoornemen.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in een ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: 36
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continue en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.