CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

De Gezinsadvocaat onderzoeksrapport Hart van Brabant

Commissie SOCIAAL 27 oktober 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Lokaal programma47.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

In het eerste deel is het proces omschreven, ook wel de feitelijke uitvoering (zo ongeveer als hierboven). In dit deel zijn ook alle documenten opgenomen die de gezinsadvocaten en gedragswetenschappers tijdens het proces nodig hebben, zoals de begeleidingsovereenkomst, de toestemmingsverklaring, het RTI, het plan van aanpak en een concept verzoekschrift. In dit deel van het handboek worden er ook enkele handvatten geboden (inhoudelijke aanwijzingen) aan de GAGW-koppels. Het tweede deel bevat de financiële en administratieve route van de GA-Pilot, die uiteraard soms iets van de normale gang van zaken afwijkt vanwege het karakter van proefimplementatie. De cliënten zijn bijvoorbeeld geen kosten verschuldigd. In dit deel is beschreven hoe men moet declareren. Daarnaast zijn de zakelijke gegevens opgenomen van alle gezinsadvocaten, gedragswetenschappers en alle aangesloten advocaten en mediators (die echter niet in de GA-Pilot participeerden). Ook bevat het handboek bereikbaarheidsgegevens van de gemeenteambassadeurs, zodat de gezinsadvocaten en gedragswetenschappers weten met wie zij contact kunnen opnemen (bij betrokken gemeenten) voor het inzetten (en financieren) van de hulp. In het derde en laatste deel van het handboek staat achtergrondinformatie opgenomen, die niet direct in het proces wordt benut. In dit deel staan bijv.

een uitleg van de Pilot, de routekaart, de (contra)indicatie voor het deelnemen aan de Pilot, de zgn. S.A.T.-procedure en een literatuurlijst. In het handboek is geen informatie over het onderzoek opgenomen. 6.9.2 Registraties Voor de GA-Pilot was niet voorzien in een systematische registratie van kerngegevens per casus. In het belang van een vlotte afhandeling werd in de aanmeldingsfase van meet af aan persoonlijke informatie (NAW, bereikbaarheid) van de ouders bijgehouden, en na koppeling met de GA en GW ook van dezen. Deze gegevens werden handmatig in een Excel document bijgehouden, overigens niet op de wijze van een casusregistratie. Voor het onderzoek was deze en aanvullende informatie over de doorstroming in het proces en doorlooptijden essentieel. In overleg tussen Pilot-leiding en onderzoekers, is door Triqs een Excelgebaseerd formulier ontwikkeld (CLIENTFLOW) waarin in enig detail de procesvoortgang werd

77

bijgehouden – voor zover in het primair proces in datavastlegging was voorzien. Details staan in hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8.2 dat op deze gegevens berust. CLIENTFLOW was januari 2022 operationeel, en kan overigens voor iedere casus (scheiding) worden gebruikt. Vanaf dat momenten werden er wekelijkse overzichten geproduceerd door Triqs met het secretariaat en konden tal van aspecten van het GA-proces worden gemonitord. Bepaalde informatie werd niet als GA-Pilot-eigen gezien, zoals informatie over uitvallers waarover niets bekend is geworden. Ten behoeve van het onderzoek werd vervolgens een inhoudelijke registratie ontwikkeld met invulmomenten (door de GA/GW) op scharnierpunten in het proces. Dat heette de PEILMOMENTENREGISTRATIE. Er zijn (tot nu toe) in de praktijk 3 scharnierpunten. Het 4e geplande peilmoment was de follow-up; dit peilmoment is wel voorbereid maar kon niet worden benut, omdat de follow-up zelfs van de eerste afgeronde casus te kort was. In hoofdstuk 7 over de methoden van onderzoek is deze registratie verder in detail beschreven. Naast de PEILMOMENT registratie werden OUDERENQUÊTES afgenomen (bij beide ouders afzonderlijk). Alleen die bij intake konden worden gerealiseerd, niet die voor de follow-up enquête. De Ouderenquêtegegevens waren alleen voor de onderzoekers beschikbaar.

Via CLIENTFLOW werd per casus de compleetheid van de gehele dataregistratie bijgehouden. Hierover vond wekelijks intensief overleg plaats tussen onderzoekers en het Pilot-bureau. 6.9.3 Competenties GA en GW Regionale advocaten en gedragswetenschappers zijn via een vacature omschrijving geworven voor deelname aan de GA-Pilot. De vacaturebeschrijving met omschrijving van de vereiste kwalificaties voor de Gezinsadvocaat staat hieronder (figuur 6.5). Figuur 6.5:

Kwalificaties voor een Gezinsadvocaat

Over welke opleidingen en ervaring moet jij beschikken? Om als Gezinsadvocaat binnen de Pilot werkzaam te kunnen zijn moet jij aan de volgende vereisten voldoen: Ofwel: Lid zijn van de vFAS en met succes de Juridische Specialisatieopleiding Familierecht hebben afgerond en met succes de Specialisatieopleiding tot vFAS-Scheidingsmediator hebben afgerond en minimaal 10 jaren onafgebroken en onvoorwaardelijk als advocaat ingeschreven staan en vanaf de 2 jaar voorafgaande aan de aanvraag jaarlijks minimaal 500 uur als advocaat op het gebied van het personen-en familierecht gewerkt te hebben. Danwel: Onvoorwaardelijk als advocaat bij de Raad voor Rechtsbijstand ingeschreven staan voor de specialisatie Personen- en Familierecht en onvoorwaardelijk als mediator bij de Raad voor Rechtsbijstand ingeschreven staan voor de specialisatie Personen- en Familierecht en minimaal 10 jaren onafgebroken en onvoorwaardelijk als advocaat ingeschreven staan en vanaf de 2 jaar voorafgaande aan de aanvraag jaarlijks minimaal 500 uur als advocaat op het gebied van het personen-en familierecht gewerkt te hebben. Welke (persoonsgebonden) competenties moet jij bezitten? • Weerbaarheid (geestelijke weerbaarheid tegen gruwelijkheden) • Analytisch vermogen • Gezag (natuurlijk overwicht) • Oprechte interesse (goed kunnen luisteren naar ouders en hun kinderen)

78

• • • • • • • • •

Schakelen (soepel bewegen tussen lineair en causaal perspectief en rollen en tussen zorg en recht) Balanceren (tussen verantwoordelijkheid nemen en verantwoordelijkheid geven) Geduld (oplossen van complexe problemen vraagt tijd) Relativeren (haalbaarheid en houdbaarheid van veranderingen inzien) Doorpakken (doortastend gericht op eindresultaat) Kunnen afbakenen (door zelf geen inhoudelijk werk te verrichten) Respect (deze grondhouding geeft de mogelijkheid vertrouwen te winnen en zich meervoudig partijdig op te kunnen stellen) Pragmatisch (gericht op haalbare oplossingen) Informeren (transparant communiceren naar alle betrokkenen; de communicatievaardigheden zijn uitstekend).

Hieruit blijkt dat een GA een gespecialiseerde familie(recht)advocaat die: 

de ouders zo goed mogelijk (de-escalerend, met minder lange doorlooptijd, ook overigens efficiënt) door het scheidingsproces leidt; hierbij gebruik weet te maken van instrumentarium zoals risicotaxatie;  het kind, waar mogelijk, bij de aanpak betrekt, en daarbij de optimale ontwikkeling van kinderen in de nieuwe gezinssituatie borgt in samenwerking met de GW; de GA kan naar kinderen luisteren en die informatie benutten, en herkennen wanneer gedragswetenschappelijke (of medische) hulp is aangewezen;  geïntegreerd interdisciplinair werkt; hij/zij kan waar nodig schakelen met de rechtspraak d.w.z. een zaak (gedeeltelijk) bij de rechter neerleggen of, andersom, aansluiten op een door de rechter aangegeven aanpak;  in staat is met een GW in een interactieve vorm samen te werken, om de juridische effectiviteit gezamenlijk te vergroten, vooral wanneer juridische en gedragswetenschappelijke uitdagingen interfereren;  herkent wanneer de GA werkwijze minder goed is dan andere, en dan doorgeleidt; meer algemeen die zeer goed rekenschap geeft van het inhoudelijk element van de factor tijd en continuïteit. In de vacature voor Gedragswetenschapper, om deel te kunnen nemen aan de Pilot, werden de volgende eisen aan de Gedragswetenschapper gesteld (figuur 6.6). Figuur 6.6:

Kwalificaties voor een Gedragswetenschapper

Opleiding en competenties Gedragswetenschapper in de Pilot voor Gezinsadvocaat Opleiding De gedragswetenschapper (GW) die naast de Gezinsadvocaat (GA) de regie heeft over de te nemen route van een scheidend gezinssysteem dient       

een afgeronde academische opleiding in één van de gedragswetenschappelijke (hulpverlenende) disciplines professioneel (academisch) toegerust in de psychologische ontwikkeling van kinderen kennis en vaardigheden in de toepassing van systemische en oplossingsgerichte interventies en is bij voorkeur systeemtherapeut NVRG. gerichte training en supervisie in de integrale werkwijze van de GA expert op het gebied van systeemtherapie bemoeizorger, actie kunnen ondernemen voor de gezinsleden zonder hulpvraag hulpverlener door het beantwoorden van de hulpvraag

79

Naast de startbekwaamheden dient er een training gevolgd te worden om interventies op het complexe terrein van scheiding te kunnen toepassen en de ontwikkeling van specialistische competenties te ontwikkelen. Competenties Naast onderstaande competenties is  

verantwoordelijkheid nemen en de juiste technieken en vaardigheden in kunnen zetten

in samenhang met elkaar en op een effectieve en integrale wijze van onmisbaar belang. De GW in de basis de volgende (persoonsgebonden) competenties te bezitten.          

Weerbaarheid (emotionele weerbaarheid tegen vermeend onrecht of gruwelijkheden) Gezag (natuurlijk overwicht) Schakelen (soepel bewegen tussen lineair en causaal perspectief en rollen) Balanceren (tussen verantwoordelijkheid nemen en verantwoordelijkheid geven) Geduld (oplossen van complexe problemen vraagt tijd) Relativeren (haalbaarheid en houdbaarheid van veranderingen inzien) Doorpakken (doortastend gericht op eindresultaat) Respect (deze grondhouding geeft de mogelijkheid vanuit elke rol te acteren) Praktisch (gericht op haalbare oplossingen) Informeren (vanuit de regie communiceren richting alle betrokkenen)

Anders gezegd: een GW’er is een gespecialiseerde gedragswetenschapper die: 

   

de emotionele en juridische conflicten van ouders en evt. kinderen onderscheidt en diagnosticeert op aangrijpingspunten; hierbij ook gebruik maakt van formele observatieschema's en instrumenten zoals een risicotaxatie, maar ook inspeelt op het instrumentarium van familierechters en familieadvocaten; naar kinderen luistert en die informatie benut – ook naar het oordeel van die kinderen (en ouders) zelf en kan herkennen wanneer gedragswetenschappelijke (of medische) hulp is aangewezen; die met concrete adviezen de ontwikkeling van kinderen helpt in de nieuwe gezinssituatie; daarbij rekening houdt met wat het kind zelf kan en wil; bijdraagt aan de-escalatie van heftige conflicten, met extra aandacht voor het kind ook wat betreft veiligheid; hierin de GA ondersteunt, bijv. in de herkenning van potentieel of juist gesimuleerd gevaar; waar dat efficiënt is, GW-hulp inzet, zelf of via derden; niet alleen in de vorm van steun maar ook met andere strategieën t.b.v. van het creëren van een situatie waarin onderhandeling mogelijk is; geïntegreerd interdisciplinair werkt en GW-observaties en kennis vertaalt richting de andere disciplines; in staat is met een GA samen te werken, om de eigen effectiviteit en die van de GA te vergroten, met onderkennen van de rollen; erkent wanneer de GW-inzet minder goed is dan andere opties, of mogelijk niet of niet meer nodig.

GA en GW samen zijn meervoudig partijdig, moeten belangen van meerdere partijen op een neutrale en betrokken wijze kunnen dienen. Ze moeten beiden systemisch werken en kunnen schakelen tussen Zorg en Recht. Persoonlijk vraagt het vermogen los te laten en het contact weer aan te gaan. Beiden moeten bereid zijn deel te nemen in professionele kwaliteitsprocessen en research. De onderzoekers hebben voorgesteld aan de competenties toe te voegen: het kunnen voeren van een multidisciplinaire registratie, onder GA-regie.

80

6.9.4 GA-werkwijze voor iedereen? De GA-werkwijze is een methode die naar het oordeel van de ontwikkelaars in vrijwel alle situaties van complexe scheidingen mogelijk is als primaire aanpak (of het werkt als er al een lang juridisch voortraject is. Inzet als secundaire methode is een vraag op zichzelf, waar in hoofdstuk 9 nog op ingegaan wordt in verband met generalisatie van de bevindingen). In het bijzonder wordt de methodiek gelijkelijk van nut geacht in situaties van heel lage, gemiddelden of juist heel hoge opleiding, voor alle typen relaties (dus niet alleen huwelijk, geregistreerd partnerschap ook 'hokkers'; en ook samengestelde gezinnen), voor alle landen van herkomst of welk geloofsovertuiging ook, voor hetero- en homoseksuele relaties. Natuurlijk kleurt een specifieke achtergrond de GA-werkwijze, maar in principe op een vergelijkbare manier de 2-advocaatsituatie. Een orthodoxe patriarchale geloofsovertuiging (er zijn er vele) is vaak een uitdaging omdat principes kunnen botsen met rechtsbeginselen in Nederland. En als een partner of beide partners ook een niet-Nederlandse nationaliteit hebben kan er sprake zijn van een complexe juridische situatie, met name als in het 'andere' land een ander verhouding tussen kerk en staat bestaat wat betreft het familierecht. De kern van de GA-werkwijze is universeel: combineren van recht en gedragsbeïnvloeding.

De GA-werkwijze heeft een rode draad maar vraagt cf. het handboek wel afstemming op de situatie, op de specifieke omstandigheden en mogelijkheden. De GA-werkwijze werkt uiteraard niet als één van de partners naar een ander land is vertrokken, maar dan is ook de 2advocatenprocedure anders van aard. 6.10 Kostenaspecten van de GA-Pilot en het bijbehorende onderzoek Het subsidievoorstel voor de GA-pilot bevatte basisinformatie over het aantal zaken dat in behandeling e e zou worden genomen (gerekend vanaf intake). Dit aantal was gesteld op 100: 1/3 rode zaken; 1/3 e oranje zaken; 1/3 groene zaken. De groene zaken waren gebudgetteerd op €2.100 per zaak; de oranje op €4.682 per zaak en de rode op €10.454 per zaak, totaal €569.000 exclusief BTW, €637.000 inclusief BTW. Aan deze budget-inschattingen lag geen onderbouwing ten grondslag, omdat cijfers ontbreken over de huidige gemiddelde advocatentijd en huidige gemiddelde tarifering bij complexe zaken. Er was rekening gehouden met normbedragen rond toevoegingen, maar die ontberen een feitelijke basis. Bovendien is een normbedrag, vanwege de zeer grote feitelijke (kantoor)verschillen in uurtarief (zeg €150 tot naar verluid boven de €750), vertaalbaar naar een grote range in uren. In de praktijk werden 50 zaken aangemeld, degene die doorgingen en een intake kregen, hadden complexiteitscode oranje en rood.

De meeste aanvankelijk als oranje aangemelde zaken bleken tijdens de looptijd meer tijd te vragen dan begroot en verschoven naar 'financieel' rood, ook als ze inhoudelijk 'oranje' waren. De behandelde zaken zijn vrijwel allemaal afgerekend op de tariefstelling voor rode zaken. Dat zijn er 31 uitgaande van de CLIENTFLOW-registratie. Sommige zaken duurden aanmerkelijk duidelijk langer dan het budget voor rode zaken; daar kon niet worden voorzien in volledige uitbetaling van de uren van het GAGW-koppel. Dat geldt ook voor nog lopende zaken tijdens het eindigen van de onderzoeksperiode (1 december 2022). De projectbegroting is door de pilot-leiding in overleg met de opdrachtgever bijgesteld via budgetverschuivingen t.b.v. het primair proces en ondersteunende activiteiten (zie verder hoofdstuk 8.4.3). Voor het onderzoek, dat pas in de tweede termijn werd afgesloten was – gezien de taakstelling - een beperkt restbedrag beschikbaar.

81

82

7. De GARAGE-studie - Methoden van onderzoek 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is vanuit het perspectief van de Pilot-initiatiefnemers het idee beschreven dat ten grondslag ligt aan de GA-werkwijze (hoofdstuk 5), en de uitwerking van dat idee – de praktijk -in de GA-Pilot (hoofdstuk 6). Hieronder beschrijven de onderzoekers de opzet en technische uitvoering van het evaluatieonderzoek naar de GA-werkwijze, zoals toegepast in die GA-Pilot, en zoals gerapporteerd in hoofdstuk 8. Aan de ene kant is voor dergelijk evaluatieonderzoek wel een algemeen sjabloon te formuleren (zie paragraaf 7.3.1). Maar daarbinnen is er een groot aantal keuzes, dat hier wordt verantwoord. Sommige keuzes zijn niet los te zien van het feit dat de GA-Pilot al op punt van beginnen stond toen het evaluatieonderzoek nog moest worden ontworpen, en zijn niet los te zien van de daarmee samenhangende beperkte informatiepositie van de onderzoekers op het moment van opdrachtverstrekking. Andere keuzes hebben te maken met het feit dat het Pilot-team en professionals die werkzaam zijn in het juridisch domein onbekend zijn met empirisch onderzoek (feitenonderzoek) dat gebruikelijk is in soortgelijke evaluaties die worden toegepast in het medische en sociale domein.

Andere keuzes werden bepaald door de beschikbare middelen; middelen in de vorm van doorlooptijd van het onderzoek, middelen in de vorm van personele inzet van de GAGW-koppels en het Pilotsecretariaat, van beschikbare bestaande gegevens, en van personele tijd van de onderzoekers. Een enkele keuze werd in een laat stadium gemaakt toen er geen enkele mogelijkheid bleek tot het verwerven van externe referentie-informatie. We beschrijven in paragraaf 7.2 de totstandkoming van de onderzoeksopzet, in paragraaf 7.3 meer specifiek de gebruikte methoden. In paragraaf 7.4 staat een korte leeswijzer van hoofdstuk 8, de resultaten. Wetenschappelijke referenties zijn gemakkelijk te geven, maar gezien de afstand van de sector tot deze benadering en tot bijv. digitale literatuursystemen (i.h.b. PubMed) is daarvan afgezien; bij de hoofdonderzoeker zijn meer referenties beschikbaar. Overigens is de website van ZonMw, de Nederlandse sponsor van beleidsmatig gezondheidsonderzoek ook de nodige Nederlandstalige informatie te vinden, bijv. door raadplegen van de eisen die aan doelmatigheidsstudies worden gesteld. 7.2 Opzet van het onderzoek – ideevorming & realisatie De onderzoeksgroep (Triqs bv) werd eind februari 2021 benaderd. De GA-Pilot was al in een vergevorderd stadium van voorbereiding.

Daarnaast had het Pilot-team al een eerdere poging gewaagd met een ander onderzoeksbureau om een plan te maken voor dit onderzoek. Dit onderzoeksbureau kon na een lange periode van overleg en informatieoverdracht het onderzoek niet uitvoeren gegeven de beschikbare tijd en middelen. Op het moment dat Triqs startte met het maken van een onderzoeksplan was er geen systematische informatie over de voorgenomen praktische inrichting van de GA-Pilot beschikbaar (zoals het latere handboek GA). Verder waren er geen informatieve documenten uit de eerdere voorbereiding van onderzoek van het bureau dat hiervoor was benaderd. Alle mondelinge informatie werd in een korte tijdspanne verworven via de GA-projectleiding, i.h.b. mr. Cees van Leuven. De relatie met de projectleider mr. Cees van Leuven bouwde voort op een soortgelijk onderzoek en relatie in een eerder uitgevoerd feitenonderzoek naar contactverlies tijdens scheiding ('ouderverstoting'). Dat was primair een 'gevolgen' onderzoek en een systematisch stakeholdersonderzoek vooral onder belangengroepen van ouders en kinderen die met contactverlies te maken had. Dit onderzoek was geen 'interventie' onderzoek zoals de GA-Pilot. Wat beide onderzoeken wel gemeen hadden was dat er oplossingen moesten worden gevonden voor het ontbreken van referentie-informatie – in het geval van de GA-Pilot over de gewone praktijk van scheidingen.

Andere projecten uit het Scheiden zonder Schade programma bieden deze informatie niet.

83

7.2.1 Eerste keuzes Na het eerste contact tussen de GA-initiatiefnemers en Triqs als kandidaat-onderzoekgroep, is, ten behoeve van besluitvorming door de Pilot-leiding én opdrachtgever, door Triqs een eerste reactie gegeven op de mogelijkheid tot onderzoek (26 feb 2021), voortbouwend op ervaring met evaluatie van vergelijkbare complexe multidisciplinaire innovaties (zie ook paragraaf 7.2.4). De Pilot-projectleider mr. Van Leuven had eerder met de mogelijke onderzoeksleider prof. em. dr. Bonsel samengewerkt in het feitenonderzoek naar contactverlies/ouderverstoting. Er volgde een document dat de op dat moment belangrijkste keuzes vermeldt (21 maart 2021), met vragen waarvan de antwoorden tot meer definitieve keuzes moeten leiden (zoals over de vergelijkingsgroep). Die eerste reactie (26 feb 2021) geeft al de hoofdlijn aan die uiteindelijk gevolgd is (we parafraseren de e-mail tekst): [Begin citaat] ‘In bedrijfskundige zin is de [multidisciplinaire] GA-werkwijze een mooi voorbeeld van ‘business redesign’. Het projectlabel is ‘gezinsadvocaat’, maar het gaat om veel meer dan de substitutie van één functionaris in het oude model door een andere die iets anders werkt in het nieuwe model.

De nieuwe functionaris (GA) heeft (formeel) een radicaal ander setje van rechten/plichten in zijn werkrelaties; dat beïnvloedt het hele netwerk van relaties, niet alleen die van de advocaat met tal van partijen, maar ook van de anderen. ….. Een speltheoreticus zou opmerken dat de rules of the game wezenlijk veranderen, zodat het onder-handelingsproces anders zal verlopen. ….. Zoals helaas gebruikelijk is, is onzes inziens [dus volgens de onderzoekers] nog niet scherp omschreven welk probleem eigenlijk opgelost wordt. Dat lijkt makkelijk te formuleren maar dat is niet zo. Al was het maar omdat volgens de Pilot-leiding ook nu al sommige advocaten [aangesloten bij vFAS] ook nu al niet korte-termijn-partijdig opereren bijv. alleen hun cliënt(e), maar gericht zijn op een totaaloplossing met oog voor de kinderen. [Dus wat is systeemverandering en wat is uitvoeringsverbetering?] In de zorg onderzoeksector in ruime zin (dus met in begrip van complexe sociaal-medische interventies) heet een dergelijk project een multidisciplinair ontwikkel-project. Er zijn eigenlijk twee evaluatievragen: -

Is het mogelijk om een werkend geheel te krijgen van nieuwe werkrelaties van de GA, binnen een zakelijk model dat zero sum is (geen meerkosten genereert), duurzaam is, en nergens de huidige juridische basisstructuur overtreedt? Dit laatste betekent ook dat die nieuwe relaties pasbaar moeten zijn bij de diverse professionele rolmogelijkheden/standaards; acceptatie door de cliënt van die nieuwe werkrelaties is daarbij niet alleen voorwaarde, maar ook – in het onderzoek - een uitkomstvariabele. Om deze vraag te beantwoorden bestaan gevalideerde, gepubliceerde implementatie-evaluatiemethoden (ZonMw/TNO). Met het gebruik daarvan heeft de onderzoeksleiding van Triqs ruime ervaring;

-

Leidt dit werkende geheel tot betere uitkomsten?. Hier moet men aan uitkomstmaten denken zoals de uitkomst van ouders en kinderen individueel, en van hun onderlinge relaties, de doorlooptijd van de scheiding, de maatschappelijke kosten. Het is natuurlijk ook mogelijk juridische kwaliteit sec te beoordelen (daarbij inbegrepen effectuering, handhaving etc.).

1.

2.

Bij het onderzoeken moeten secundair 2 elementen worden ingeweven. Aandacht voor de interfererende rol van veiligheidsoverwegingen/maatregelen (moeder, kind), zoals dat in het ouderverstotingsonderzoek naar voren kwam. Idealiter moet duidelijk worden of de nieuwe werkwijze deze veiligheid even goed dient, of bijv. deze problematiek vermindert. Aandacht voor de vraag of de gedragswetenschappelijke component uiteindelijk gericht is op, of leidt tot uitbreiding (meer invloed, groter tijdsbeslag, met als gevolg meer kosten, en meer afhankelijkheid van processen die de gedragswetenschapper bepaalt) of op juist op een uiteindelijk minder grote rol, ten faveure van het juridisch traject, door een gerichte korte inzet in het begin. ‘ [Einde citaat 26 februari 2021]

84

Zoals zal blijken is de grote lijn van dit eerste voorstel gevolgd, maar de secundaire elementen zijn niet extra belicht. In de onderzoeksvragen lag niet besloten de vraag of persoonlijke factoren (individueel, gezin) de eventuele effectiviteit van GA beïnvloeden, hoewel de onderzoekers daar wel voor zover mogelijk naar hebben gekeken. Die factoren zijn overigens voor het 2-advocaten-model onbekend. 7.2.2 Uitwerking tot definitief voorstel voor opdrachtgever (dd. 9 april 2021) We vatten hierna het definitieve voorstel samen, met enige kleine aanpassingen van later datum. Probleemstelling Bij complexe scheidingssituaties wordt een goed resultaat van het scheidingsproces, vaak in ultimo via een rechterlijke uitspraak, belemmerd door de juridische opzet van 2 partijen die elkaar bestrijden, met steun van advocaten en evt. gedragsdeskundigen. Een goed resultaat is daarbij een situatie die na de scheiding gebalanceerd is, die effectief ouder-functioneren van beide ex-partners te zien geeft, waarbij kinderen zich gezond ontwikkelen, en waarbij ouders en kinderen goed en gezond functioneren individueel, en in hun onderlinge relaties. De nadelen van de huidige situatie uiten zich in minstens 4 observaties (die dus ook ankerpunt zijn om verbeteringen te beoordelen): -

De doorlooptijd van de scheiding is lang, en het conflict zet zich na de uitspraak voort, bijv. in niet naleving of frustratie van de afspraken, of herhaalde rechtsgang; In het conflict worden beschuldigingen ingebracht van geweld en misbruik die normale afwikkeling van de scheiding verstoren; De kinderen tonen gedrag of signalen of problemen in het onderlinge contact, die wijzen op een onacceptabele opvoedings- of leefsituatie; daaronder contactverlies met één van ouders; De maatschappelijke kosten, niet alleen in de vorm van juridische proceskosten (belasting rechtbank), maar ook via allerlei maatschappelijke en zorginterventies, en via het inadequaat functioneren van ouders (bijv. werk) en door toedoen van de blijvende ontwikkelingsverstoring van het kind zijn onacceptabel hoog.

Vraagstelling Worden betere resultaten vastgesteld als er sprake is van een werkwijze met één, meer-partijdige zgn. gezinsadvocaat, waarbij het uitgangspunt is dat de juridische eenheid van het probleem niet de twee (ex-)partners zijn, maar één gezin (waar niet onder verstaan wordt dat ouders bij elkaar zijn). Beschrijving van de GA-werkwijze, de innovatie De GA-werkwijze houdt in (uitgangspunt april 2021) dat een scheidend ouderpaar zich wendt tot één GA, die volgens een bepaalde methodiek werkt, primair als zgn. regie-advocaat. Zij/hij ontrafelt als het ware de conflictpunten en de interactie/escalatie tussen de ouders; complexe scheidingen zijn scheidingen waarin in ieder geval op het laatste vlak problemen bestaan die de totstandkoming van een convenant en ouderschapsplan (wettelijk verplicht) verhinderen. De nadruk ligt op de andere werkwijze van de advocaat. Kort na het toekennen van de evaluatiestudie is door de GA-Pilot initiatiefnemers de GA-inzet aanzienlijk uitgewerkt in de vorm van procedures, zie ook het huidige GA-handboek (6.9). Wij noemen dat geheel van aanpakfilosofie plus de procedures 'de GA-werkwijze'. De belangrijkste onderdelen hiervan zijn, buiten het feit dat er per casus één GA is met een specifiek opleidingsprofiel: 1.

Naast de GA, is er per casus, een gedragswetenschapper (GW) betrokken, die in tijdsbesteding en rolvervulling gelijkwaardig met de GA optrekt. Zij trachten door samen te werken in een bepaald gespreksmodel de-escalatie tot stand te brengen en de veelal psychologische voorwaarden tot onderhandelen en compromissen aan te laten sluiten.

85

2.

Er is een aanmeldingsproces dat de scheidende ouders in verbinding brengt met de GAorganisatie; er is een triage (voldoen de ouders aan een aantal criteria, primair wat betreft complexiteit (oranje of rood), secundair wat betreft enkele praktische kenmerken voor deelname aan de pilot plus evaluatie), en als dat zo is matcht de GA-organisatie de ouders met een koppel van GA en GW; de GA-organisatie regelt de hiervoor noodzakelijke zakelijke acties richting ouders en professionals; in de GA-Pilot is geen sprake van vaste koppels van GA en GW; 3. Voor zover dit aanmeldingsproces instroom heeft via gemeentelijke loketten, is er een netwerkbeherende activiteit vanuit de GA-organisatie; die heeft eventueel ook met de toegang tot de rechter van doen; 4. Er volgt na aanmelding en acceptatie als 'geschikte GA-casus', een intakeproces met een bepaald protocol, waar een vorm van risicotaxatie vast is opgenomen. 5. In het daaropvolgende proces tussen GA, GW en ouders wordt geprobeerd de ouders – na voldoende de-escalatie - tot een minimale vorm van samenwerking en compromisbereidheid te krijgen, via drang en dwang, via inzichtvergroting, gewenning/aanvaarding en benadrukken van kind-belang. Aanvankelijk niet, maar toenemend tijdens de Pilot kunnen de GA en met name de GW ook zelf kleine operationele interventies doen, bijv.

psycho-educatie door de GW; de GA kan – niet als eindpunt maar als tussentijds middel – de rechtbank verzoeken op een specifiek onoplosbaar conflictpunt een zgn. deelbeslissing te doen, om voor het overige via overeenstemming/convenant tot een eindpunt te komen; 6. Tijdens het proces dat volgt op de intake, samen met wat we wel noemen de GA-fase, vindt maandelijks intervisie plaats waarbij experts casus-specifiek adviezen geven op inhoud en professioneel functioneren; van elke casus wordt tenminste éénmaal de intake/plan van aanpak besproken, en vaak ook later de voortgang; tussentijds desgewenst consultatie; 7. Als een interventie van de rechter noodzakelijk wordt geacht, wordt standaard eerst een scheidingsadvies team (SAT) geconsulteerd; in het bijzonder als een snelle deelbeslissing door de rechter gewenst wordt, wat een 'hobbel' moet wegnemen voor regeling van overige punten; 8. Het eindpunt van de GA-werkwijze is het convenant, dan wel de rechtszitting voor een eindbeslissing. De werkwijze om tot die eindpunten te komen, is niet anders dan anders ingericht; praktisch is het anders voor de rechter omdat de GA-werkwijze inhoudt dat reeds van een uitgebreid dossier sprake is waar anders de rechter veel informatie moet zien te achterhalen inclusief de persoonlijke dynamiek tussen de ouders.

Verder houdt de GAwerkwijze in dat een deelbeslissing van de rechter soms snel wordt en kán worden gevraagd op een specifiek conflictpunt dat escalerend werkt, en compromisvorming blokkeert; 9. In de praktijk verzorgde het GAGW-koppel soms ook nazorg, na genoemde beslissing; 10. De GA-projectleiding heeft een adviserende rol in de casus van aanmelding tot eindpunt, niet alleen ten behoeve van inhoudelijke convergentie (bewaren kwaliteit van de interventie), maar ook voor een vlotte doorlooptijd, zonder delays. Het kan zo zijn dat in de reguliere scheidingspraktijken een afzonderlijk element hiervan ook voorkomt, maar het kenmerk van de GA-werkwijze is dat dit hele pakket van GA-specifieke en aspecifieke acties bij elke casus consequent en volledig wordt toegepast. Dat staat ook in het handboek GA. Uit evaluatieonderzoek van complexe interventies is bekend dat zo’n integraal pakket naast voordelen ook mogelijke nadelen heeft. Het voordeel is dat de kans maximaal wordt dat een effect zichtbaar is - als het idee werkt – en niet verstoord wordt door aspecifieke hindernissen. Het nadeel is dat het moeilijker is, bij aangetoonde effecten, de werking toe te schrijven aan juist het specifieke idee.

En dat op een later moment, bij verdere implementatie, de aspecifieke onderdelen worden 'vergeten' en niet in de implementatie (en bekostiging daarvan) worden meegenomen, met als gevolg een veel lagere effectiviteit. Hier geldt dat bijv. de maatregelen voor een korte doorlooptijd en de registratie. We komen hier later nog op terug.

86

7.2.3 Proefimplementatieproject: GA-Pilot Door de GA-initiatiefnemers is zgn. een proefimplementatie voorgesteld, een 'praktijkproef' (zie ook hoofdstukken 5 en 6). Dat wil zeggen dat tijdelijk in een afgegrensde regio, gedurende een aaneengesloten periode, geheel gewerkt wordt volgens de nieuwe werkwijze met alles erop en eraan. Er werd gewerkt met een groep cliënten die op een zo natuurlijk mogelijke manier instroomt zonder andere selectie dan regionale herkomst. De evaluatie omvatte niet de 'communication & outreach' van de GA-Pilot, oftewel de wijze waarop de 'faciliteit GA' bekend is gemaakt in de regio. Er waren twee sporen: enerzijds de spontane aanmelding (via andere professionals in de regio, die wisten dat het project speelde dan wel door de ouders zelf op basis van internetinformatie); anderzijds de aanmelding via gemeentelijke loketten; zie verder hoofdstuk 8.1. De wijze van aanmelding zorgde ervoor dat de aangemelde casus vaak complex waren. Zoals ook zal blijken vielen sommige gezinnen toch af zowel tijdens triage in de aanmeldingsfase, als later tijdens de formele intake, wat ondersteunt dat de GA-Pilot een enigszins natuurlijke praktijksituatie was. Volgens het GA-Pilot protocol ging het om 100 casus, 1/3 rood, 1/3 oranje, en 1/3 groen, waarbij deze kleurtypering op een risico-indeling betrekking had.

In de proefimplementatie zaten geen andere verbeteringselementen, zoals speciale support voor het kind, meer inzet van school, gezinsvertegenwoordiger, etc. 7.2.4 Research naast Pilot: het model van evaluatie van complexe zorgprogramma’s Het geplande bijbehorende evaluatieonderzoek diende van de Pilot-ervaringen gebruik te maken, maar de onderzoekers vonden eigenlijk geen goede voorbeelden in de juridisch praktijk die net als de Pilot een tijdelijke systeemverandering bestuderen op basis van allerlei geobserveerde uitkomsten bij de betrokkenen zelf. De aanpak om gebruik te maken op een systematische manier van de ervaringen in een proefproject bestaat wel in de medische en aangrenzend klinisch-psychologische zorg. Daar wordt bijna standaard bij overwogen, grote interventies gelijktijdig met een proefimplementatie het evaluatieonderzoek ernaar ontworpen, ook ten gerieve van de besluitvorming door zorgverzekeraars. Deze aanpak is inmiddels in honderden proefimplementatie-onderzoeken die door de Nederlandse overheid via ZonMw (in samenwerking met VWS en zorgverzekeraars) toegepast. De meerjarige onderzoeksprogramma’s hadden als titel Ontwikkelingsgeneeskunde, Kosten en Effectenonderzoek, Doelmatigheidsonderzoek, Goed Gebruik Geneesmiddelen, etc. Het succes van de formule is onomstreden.

Nederland heeft daarmee zowel beleidsmatig als qua onderzoeksexpertise een grote reputatie opgebouwd. Deskundigheid op dit multidisciplinaire onderzoeksterrein ligt bij afdelingen Health Technology Assessment, waarvan de meeste UMC’s er één hebben, maar ook daarbuiten bestaan ze (bijv. EUR – iMTA, TNO). De hoofdonderzoeker publiceerde onder andere over hart- en levertransplantatie, genetische screening, vernieuwde zwangerschapszorg i.v.m. kwetsbare zwangeren (hoog risicogroepen), integrale kraamzorg. Hier leidden proefimplementaties – na onderzoek en maatschappelijk debat – steeds tot systeemveranderingen. Deze feitengerichte evaluatieonderzoeken berustten op nauwkeurige analyse van allerlei aspecten van een proefimplementatie, waarbij tijdelijk volgens de nieuwe methode werd gewerkt, overigens zonder dat patiënten buiten het onderzoeksprogramma hier rechten aan konden/kunnen ontlenen. Er wordt dus tijdelijk een window of opportunity gecreëerd om de nieuwe werkwijze uit te proberen door de hiertoe samenwerkende stakeholders, waarbij het vaak laveren is in juridische zin - instanties creëren welwillend die juridische 'ruimte'. Dit lijkt sterk op de GA-Pilot situatie.

Belangrijke startvraag in evaluatieonderzoeken is vaak: wat is de plaats van de nieuwe aanpak in het hele systeem, is er sprake van volledige vervanging of gedeeltelijke vervanging van een bestaande optie? Ook die startvraag herkennen we in de GA-Pilot situatie. En daarmee hangt deze vraag samen met wat ervoor nodig is om de juiste patiënten/cliënten bij de nieuwe (of juist bij de bestaande) aanpak te krijgen of wellicht te streven naar een volgorde van uitproberen.

87

Om hierachter te komen moet men o.a. de patiënten volgen die een andere aanpak krijgen (switchers) en de mogelijkheid van triage via risicotaxatie onderzoeken. Vergelijkbare vragen spelen ook bij de GAwerkwijze, en ons inziens ook bij andere Scheiden zonder Schade interventies. Doorgaans kennen zorginterventies fasen, diagnostiek-therapie-terugkoppeling. We zien iets analoogs bij de GA-Pilot, vooral als men het casusproces in fasen indeelt. Complexe zorginterventies zijn altijd multidisciplinair, en moeten dus zoeken naar een uniform taalgebruik, die voor alle disciplines duidelijk en meetbaar is – het is niet zo dat er compartimenten zijn die elk hun eigen wetenschap, proces en taal hebben. Inmiddels is die uniformering in zorgonderzoek na 30 jaar een feit. Dit element speelt ook bij de GA-Pilot, en vormt een uitdaging. Complexe zorginterventies bestaan altijd uit meerdere onderdelen, quick fix add-on interventies zijn een zeldzaamheid (en behoeven ook geen complex evaluatieonderzoek). Het kenmerk van meerdere onderdelen leidt soms tot de vraag wat nu precies het werkzame element is van een systeemverandering. Die vraag ontstaat ook als er diverse aspecifieke begeleidende activiteiten zijn. Dit is ook een belangrijk element in de GA-werkwijze evaluatie.

Die aspecifieke activiteiten kunnen soms ook een belangrijk maar ook een moeilijk zichtbaar te maken deel zijn van de (systeem)kosten – denk bij de GA-Pilot aan de kosten voor het netwerken, de matching, de supervisie, consultatie, de registratie, etc. Dat geldt ook voor de kosten verbonden met het behalen van het competentieniveau van uitvoerders. Bij de GA-Pilot speelt dat ook, en daarbij speelt ook dat voor een integraal kostenplaatje een vorm van registratie moet worden opgezet. Bij veel complexe interventies spelen ethische vragen op de achtergrond, de evaluatie moet daar actief op checken. Wij menen dat bij de GA-Pilot ook ethische vragen denkbaar zijn. Bijv. er wordt bij een door de wet verplicht proces (scheiden via de rechter i.v.m. minderjarige kinderen in het gezin) niet alleen juridische hulp afgedwongen maar ook medewerking gegeven aan hulp-zonder-hulpvraag door een gedragswetenschapper. De vragen in de risicotaxatie maar ook de vragen die i.v.m. de aanpak worden gesteld zijn psychologisch even vérgaand als die in klinisch-psychologische en psychiatrische hulpverlening. Er wordt ook door de GA/GW een gedragsmodificatie beoogd. Maar het element van consent (zoals in de WGBO voor zieken) en het element van shared-decision-making (inmiddels standaard in de medische zorg) ontbreekt. Weliswaar is dit instrumenteel t.o.v.

het doel (vermijden van een vechtscheiding) maar in de medische zorg is een ethisch anker dat nooit van zorg sprake kan zijn die instrumenteel is, en om die reden niet aan de WGBO-eisen hoeft te voldoen. Deze spelregels gelden ook voor de eerste hulp die noodzakelijk is. Het is de vraag hoe het hier zit, met vertakkingen in de sfeer van privacy en gegevensbescherming. Deze vragen waren geen onderdeel van de onderzoeksopdracht, maar worden wel gesteld bij evaluatie van complexe zorginterventies. Een andere ethische vraag betreft het trekken van de grens van zelfredzaamheid: hoe moet die worden getrokken. Kortweg: afwachten waar het mis gaat en de hopen dat je op tijd bent, of iedere scheiding kort screenen en de high risks eruit halen, en de medium risks wijzen op de mogelijkheden, met het risico van over-bemoeienis (de pendant van medicalisering). Last but not least blijkt uit evaluatieonderzoek van complexe zorginterventies – die doorgaans berust op een directe vergelijking - dat er heel vaak ook een performance element is, naast een systeemverbetering. Innovators zijn niet zelden koplopers in hun vakgebied en daarnaast is het zo dat de proefimplementatie door het element van onderzoek dwingt tot systematisch en alleen al daardoor effectiever werken. Ook zijn er minder wachttijden/delays om het protocol zo goed mogelijk te kunnen volgen.

Van de normale aanpak zijn de resultaten om die twee redenen vaak beter onder de proefimplementatie-omstandigheden. In veel situaties is het verschil tussen 'gewone aanpak binnen gewone praktijk' versus 'gewone aanpak binnen de proefimplementatie' groter dan tussen 'gewone aanpak' en de 'nieuwe aanpak' binnen de proefimplementatie. Oftewel performance versus systeem. Bij de GA-Pilot is evenzeer een pertinente vraag wat 'performance' is en wat 'systeem' is.

88

Omdat een langere doorlooptijd in zichzelf een grote negatieve impact heeft, of omgekeerd, een kortere looptijd pure winst is, moet men bezien of die vlottere doorloop door de proefimplementatieomstandigheden komt en of deze wezenlijk is voor de gehanteerde werkwijze. Bovenstaande evaluatiebenadering houdt praktisch altijd in dat tijdens de praktijkproef de gegevensverzameling voor het evaluatieonderzoek wordt ingebouwd. Zo mogelijk in de vorm van toevoegingen aan de reguliere gegevensvastlegging in (digitale) dossiers, plus vragenlijsten voor betrokken patiënten, plus instructies om de gegevensvastlegging (de normale en de additionele) zo uniform mogelijk te doen verlopen. Alles op een non-interferentiebasis waarbij het zorgproces niet mag worden verstoord. De zorguitvoerders en de patiënten hebben van meet af aan wel weet van de evaluatie, en van de situatie dat van hen iets gevraagd wordt; noodzakelijke maatregelen op het terrein van dataprivacy en informed consent moeten worden genomen. Dit alles en nog veel meer (bijv. AVGaspecten, intellectual property rechten) staan in een zgn. onderzoeksprotocol dat vooraf wordt afgesproken, zodat niemand voor verrassingen komt te staan en ook rekening houdt met enige extra werkzaamheden. Het protocol regelt onafhankelijk toezicht (Data Monitoring en Safety Board) en een onafhankelijke vertrouwensarts/professional.

Dit protocol is dus gelijktijdig op de proefimplementatie en het onderzoek van toepassing. Het beperkt aanzienlijk de ruimte om de interventie 'al doende' aan te passen, en evenzo kan het onderzoek niet veranderen van werkwijze. Als dat bij uitzondering gebeurt, is dat na expliciete toetsbare besluitvorming, omdat verandering van de werkwijze al snel de validiteit van het geheel vermindert. Een studie kan niet eerder plaatsvinden dan dat het onderzoeksvoorstel inclusief voorlichtingsmaterialen is voorgelegd én goedgekeurd door een medische ethische commissie (volgens CCMO-richtlijnen). De zorgverleners die de praktijkproef uitvoeren, en de onderzoekers werken procesmatig samen, maar met gescheiden rollen; het protocol bepaalt de agenda. Er is een gecombineerde projectleiding. In het geval van de GA-Pilot was sprake van een innovatie die technisch gezien niet essentieel verschilde van een complexe multidisciplinaire zorginnovatie, met vertakkingen in het sociale en psychische domein. Bovenstaand feiten-gericht evaluatieonderzoeksmodel kon naar de mening van de onderzoekers hier zonder fundamentele aanpassingen op worden toegepast, zowel inhoudelijk als procesmatig. Wel is duidelijk dat hier een juridisch zorgpad wordt geëvalueerd, wat enige aanpassingen noodzakelijk maakt.

De specifiek professionele aspecten van advocaten en rechters zijn gerespecteerd (met hun wettelijke verankering). Het fenomeen van meerdere belangen (GA: ouders, kinderen) is in zorgevaluaties niet onbekend (zwangere/ongeboren kind/vader in obstetrie; (ongeboren) kind/ouders in kindergeneeskunde, klinische genetica, public health). De juridische aspecten van het evaluatieonderzoek zelf kregen van de onderzoekers aparte aandacht. Onderzoek in de gezondheidszorg (inclusief klinisch-psychologische zorg) is verankerd in regelgeving, procedures, instituties. Daarmee is de bescherming van belangen van patiënten en hun naasten verzekerd (deze regelgeving is uiteindelijk verankerd in het Human Rights Charter); bij minderjarigen en wilsonbekwamen zijn de regels extra streng. In de juridische sector is nog geen formele regelgeving op dit terrein, samenhangend met ontbrekende traditie op empirisch onderzoeksterrein. Hierover kan men zich wel verbazen omdat ook kinderen betrokken zijn bij deze kwesties. De onderzoekers hebben evenwel zoveel mogelijk in dezelfde geest van de regels bij zorgonderzoek gehandeld. 7.2.5 Enige beperkingen In samenspraak met de Pilot-leiding hebben de onderzoekers voorgesteld het evaluatieonderzoek naar de GA, met dit beproefde algemene zorg-evaluatie model als referentie, in te richten.

Zoveel mogelijk zijn vrijwillig de procedures gevolgd die in dergelijk onderzoek standaard zijn, al was niet alles realiseerbaar. Er waren hiervoor meerdere redenen. Ten eerste werd de evaluatie pas opgezet nadat de GA-Pilot was uitgedacht en hiertoe procedurele en financiële afspraken waren gemaakt.

89

Ten tweede waren veel van deze evaluatieprocedures voor de Pilot-deelnemers totaal nieuw en het was niet altijd inzichtelijk wat nut en noodzaak was ondanks de verstrekte informatie. Ten derde ontbrak iedere vorm van registratie, ook monodisciplinair; dat betekende dat registreren als zodanig moest worden geïntroduceerd. Ten vierde was het voorziene onderzoeksbudget (totaal) niet afgestemd op het uitvoeren van een dergelijk feitenonderzoek. Voor de sturing is gekozen voor het model dat de projectleiders (aan de ene kant mr. Van Leuven en aan de andere kant prof. dr. Bonsel) elkaar intensief op de hoogte zouden houden en zouden betrekken in belangrijke beslissingen. Zij hadden vervolgens de taak hun projectteam en verdere uitvoerenden op de hoogte te houden, of bijv. voor te bereiden. Voor een geïntegreerde projectleiding was geen budgettaire ruimte. 7.3 Methodologische aanpak De hieronder geformuleerde uitgangspunten moet men zien als specificaties van de eerdergenoemd aanpak zoals die binnen zorgevaluaties gebruikelijk is (en gecanoniseerd in subsidievoorwaarden van ZonMW van het ministerie van VWS, zie bijv. https://www.zonmw.nl/nl/onderzoek-resultaten/ doelmatigheidsonderzoek/programmas/programma-detail/doelmatigheidsonderzoek/. Die vermelden o.a. expliciet aandacht te geven aan diversiteit/gender aspecten.

De context bij scheidingsrecht is natuurlijk niet geheel gelijk maar dergelijke aandachtspunten lijken hier in gelijke mate van belang, en hebben daarom aandacht gekregen. Een ander algemeen uitgangspunt van onze studie vormden de bevindingen van eerder verricht feitenonderzoek door dezelfde onderzoeksgroep i.s.m. met de GA-projectleider (CvL), naar contactverlies tussen kind en ouder (‘ouderverstoting’). Daar hadden de deelnemers, i.h.b. de kinderen belangrijke zaken gemeld en in dit onderzoek werd ook gesignaleerd dat genderaspecten van belang zijn bij de dynamiek van Nederlandse scheidingszorg. Hieronder beschrijven we eerst (7.3.1) de voorgenomen uitgangspunten die onze vertaling waren van evaluatieonderzoek principes, de opgedane ervaring in het contactverliesonderzoek, en de wensen van de opdrachtgever. Daarna beschrijven we de realisatie (7.3.2), na discussies met de betrokkenen en na confrontatie met de praktische aspecten van de GA-pilot, bijv. het ontbreken van een registratie. 7.3.1 Voorgenomen uitgangspunten van het evaluatieonderzoek 1. 2. 3.

4.

In het onderzoek worden 4 perspectieven gehanteerd: ouders, kinderen, professionals, en het systeem als zodanig. In het onderzoek is de casus de primaire eenheid van onderzoek, d.w.z. de ervaringen van een gezin (met kind) met de GA-werkwijze. De evaluatie gaat ervan uit dat gedurende een bepaalde periode de GA-werkwijze in een bepaalde vorm wordt aangeboden, bij voorkeur beschreven in protocol (werd: handboek). En dat deze werkwijze niet wijzigt gedurende de onderzoeksperiode. De evaluatie veronderstelt dat de rechtshulp (GA) en overige hulp (GW maar ook de verschillende elementen van coördinatie, supervisie, beslissingsondersteuning) geheel worden gefinancierd vanuit de GA-Pilot. Dat betekent, dat ouders die voor een toevoeging in aanmerking kwamen i.v.m. laag inkomen, geen eigen bijdrage behoefden te betalen en dat ouders die niet voor een toevoeging in aanmerking kwamen, de kosten van een mediator en/of advocaat konden besparen. We zijn ervan uitgegaan dat dit voordeel geen invloed had op de werving, en ook geen eigenstandige invloed op de effecten van de GA-werkwijze althans het gedrag van de ouders.

Wat een cruciale vraag is (zie paragraaf 8.4) is, is of de betalingsgarantie van de GA en GW (tot een plafond) in iedere casus tot eenzelfde tijdbesteding heeft geleid, als de situatie van een toevoeging of (met name) bij volledig eigen betaling van de advocaat, waar elk uur telt.

90

5.

De evaluatie gaat ervan uit dat in een gemarkeerde periode in een afgebakende regio een instroom van cliënten wordt gerealiseerd, die alleen nader worden geselecteerd via geformuleerde triagecriteria. Al deze cliënten worden voor de evaluatie gevolgd tot het eindpunt. De evaluatie wenste liefst 200 gezinnen, maar accepteerde 100 gezinnen als cohortgrootte. 6. Het beginpunt van het evaluatieonderzoek is de intake van de casus, niet een eventueel voorliggend aanmeldingsproces. Het eindpunt is een follow-up moment minimaal 6 maanden na convenant of rechtszitting (eindbeslissing), de twee mogelijke eindpunten van de GAwerkwijze. 7. Samenhangend met punt 5 wordt door de onderzoekers bijv. bij de evaluatie uitgegaan van een lineair model van het scheidingsproces, met afgegrensde fases, ook als bepaalde stappen in het proces worden herhaald. 8. Afzonderlijk onderwerp van evaluatie vormt de effectiviteit van de zgn. risicotaxatie op basis van de daarbij verzamelde gegevens en hierop gebaseerde diagnoses/beslissingen. 9. De beoordeling van de positieve en negatieve effecten berust op de optelsom van ervaringen, van iedere casus die is ingestroomd, inclusief degene die afvielen en een andere manier kozen. De te bestuderen effecten worden ontleend aan de genoemde probleemstelling (zie boven) en aan relevante meetbare gevolgen voor ouders, kinderen, en het juridisch systeem.

De effecten e die relevant zijn vanuit het 4 perspectief, de organisatie, worden niet vanuit de casus vastgesteld maar vanuit het functioneren van de GA-organisatie als geheel (in de implementatieperiode) via een aparte meetprocedure. 10. De kostengevolgen zijn geen specifiek onderdeel van het onderzoek. Indicatief kunnen zo nodig relevante kostenfeiten worden genoemd. 11. De opdrachtverlening hield nog geen besluit in over de methode van vergelijking; de beslissing tot een zogeheten empirische vergelijking, met ook gegevens over de normale gang van zaken. werd afhankelijk gemaakt van de beschikbaarheid van gegevens; in de GA-Pilot was niet voorzien in een parallel informatieverzamelend traject in een vergelijkingsgroep met de 2advocaten-benadering (aangeduid met 'controlegroep'). 12. Het systeem-succes, de primaire uitkomst van de GA-Pilot, zal in de evaluatie tenminste beoordeeld worden door een klein expertpanel, en wel aan de hand van % doorloop naar convenant, aan de hand van doorlooptijd, en aan de hand van % succes bij betrokkenen, zo nodig op subjectieve wijze geschat op basis van criteria. 13. Een kwalitatieve beschrijving van het functioneren van het systeem vindt plaats. 7.3.2 Gerealiseerde onderzoeksopzet in relatie tot de GA-Pilot Hierna beschrijven we de realisatie van de opzet, in het bijzonder wijzigingen hierin, met hun motivatie. 1.

2.

In het onderzoek zoals hier gerapporteerd ligt de nadruk op 2 perspectieven: dat van de ouders, en dat van het systeem als zodanig. Er was geen follow-up van betekenis meer mogelijk na datum convenant/zitting. Een belangrijk deel van de intakegezinnen was per 1 december 2022 nog in het proces, en bij hen die een beslissing hadden was dat zeer recent, en nooit 6 maanden of meer geleden. Het kind (via kind-uitkomsten) heeft in het onderzoek geen aparte aandacht gekregen in de vorm van observatie, gesprek of vragenlijst. De facto kreeg het kind ook niet veel extra aandacht in de GA-werkwijze: indien oud genoeg was er in het begin van de GA-procedure een gesprek met de GW. In het onderzoek is in overeenstemming met de opzet consequent de casus (het 'gezin') als de primaire eenheid van onderzoek aangehouden, d.w.z. het gaat om de ervaringen van een gezin met kind/kinderen met de GA-werkwijze. Het startpunt was uiteindelijk de aanmelding, het een eindpunt was uiteindelijk dat datum van het convenant of de rechtbank uitspraak; het studieresultaat is de optelsom van die ervaringen waarin elke casus even zwaar telt. Onderzoek

91

met de organisatie zoals gerealiseerd in de GA-Pilot zal separaat plaatsvinden voorjaar 2023 (RIGA-studie). 3. De filosofie van de GA-werkwijze is gedurende de GA-Pilot niet veranderd. Wel zijn er belangrijke wijzigingen en aanvullingen in de feitelijke werkwijze gerealiseerd na de start van de GA-pilot, zie hoofdstuk 6 en 7.2.2. De belangrijkste aanpassingen en wijzigingen zijn: Toevoegen van een gedragswetenschapper op één op één basis aan de GA toegevoegd voor elke casus; daardoor sprake was van een GAGW-koppel; de GW werd voor diverse taken ingezet; in feite is die obligate inzet onderdeel van de GA-werkwijze, in feite een belangrijker verschil met de bestaande praktijk, dan de werkwijze van de GA zelf (diens werkwijze kan ook in een 2-advocaten situatie grotendeels worden toegepast als beide advocaten bijv. volgens het vFAS protocol werken). Het creëren van een omlijnde aanmeldingsfase, met een organisatie die minstens 3 sleutelrollen had: triage, koppelen aan GAGW koppel ('matching'), en de handling van de honorering van de GA en de GW. De toevoeging van operationele taken aan zowel het pakket van GA als dat van de GW.

4.

5.

6.

7.

8.

Een niet goed te beantwoorden vraag is of de aanname juist is dat de convenanten en of gang naar de rechter verder 'gewoon' business as usual waren. Onderdeel van de GA-werkwijze is – indien herkend wordt dat een specifiek conflictpunt een overeenkomst op overige punten als ook een zorgregeling tegenhoudt – dat hier vlot een deelbeslissing bij de rechter wordt aangevraagd. Dat is minstens één keer gedaan met inderdaad het beoogde gevolg. De vraag is of die (wenselijke) snelheid, bijv. het proces als geheel een gunst was, een afspraak, of normaal ook zou zijn gerealiseerd. Eerder werd de studie goedgekeurd op basis van 100 casus (1/3 groen, 1/3 oranje, 1/3 rood). In de volledige financiering daarvan was voorzien, met een gedifferentieerd tarief naar risico (zie paragraaf 6.10). Uiteindelijk zijn 30-35 casus met een intake gefinancierd, zo goed als alle rood. Er is een aanzienlijk budget verschoven naar de elementen van networking met gemeente, coördinatie, supervisie, consultatie, beslissingsondersteuning van de GAGW-koppels. Gedurende 1 juli 2021 – 1 juli 2022 werden 46 gezinnen aangemeld, alle uit de afgebakende regio Zuidwest Brabant. Niet al deze cliënten zijn gevolgd tot een eindpunt, met name van gezinnen die afvielen tijdens aanmelding of intake wisten we niets. De GA-Pilot had niet voorzien in een follow-up protocol voor deze cliënten.

Het beginpunt van het evaluatieonderzoek is verschoven van intake naar de aanmelding, toen bleek dat de aanmeldingsfase wezenlijk was voor de GA-werkwijze. De onderzoekers konden evenwel maar in zeer beperkte zin informatie hierover verzamelen (wat gerealiseerd is, staat in hoofdstuk 8.1). De grootste opzetverandering van de evaluatie was het bekorten van de evaluatieperiode per casus; er is namelijk geen follow-up geweest tijdens de onderzoeksperiode, dus er was ook geen follow-upmeting. Het eindpunt werd het convenant zelf of de rechtbankuitspraak. De evaluatie moest derhalve berusten op een inschatting van de GA-fase effecten tot aan convenant dan wel rechtszitting. Daar wordt in hoofdstuk 8.3 uitgebreid bij stilgestaan. Er is met succes door de onderzoekers een fasen-model gehanteerd. Het nut daarvan kon maar deels worden getoond omdat de follow-up van beslissingen (convenant, eindbeslissing) niet heeft plaatsgevonden binnen de studie (zie 6.). De impact van de GA-werkwijze in juridische zin moet blijken uit meer convenanten – die duurzaam blijken – in plaats van die 2-advocaten-rechtszittingen die een complex beloop kennen. De effectiviteit van de zgn. Risicotaxatie op basis van de daarbij verzamelde gegevens en hierop gebaseerde diagnoses/beslissingen kon niet worden vastgesteld (wat niet wil zeggen dat zij ontbrak).

De risicotaxatie is ook niet als triage instrument te zijn gebruikt (bij aanmelding, of later in het proces voor bijv. voortzetting van de GW-inzet).

92

Er was door de onderzoekers in overleg met het GA-Pilot team een digitale compacte risicotaxatie gemaakt, met digitaal formulier, gebruikmakend van basisinformatie uit de GAPilot inclusief een deel van de risicotaxatievragen; verder is voortgebouwd op ruime ervaring van de onderzoekers met ontwerp en onderhoud van dergelijke systemen in de zorgpraktijk. De opzet om dit compacte formulier ook te gebruiken of te testen is niet gerealiseerd, al is de informatie achteraf wel ingevuld, met name door de GA-secretariaatsmedewerkers. Het niet kunnen evalueren van het risicotaxatie systeem zoals gebruikt, had twee redenen: Het bleek dat in de GA-Pilot geen sprake was van een formeel risicotaxatie systeem met een beslissingsprotocol voor zorg (wat, door wie, in welke vorm) op basis van (gekwantificeerd) risicoprofiel, of bijv. een voorstel tot al dan niet voortzetting van de GWondersteuning op basis van het escalatieniveau. Er is geen routekaart in het GA-handboek die bijv. aan de hand van een uitslag met bepaalde scores boven een risicodrempel, een voorstel tot risicolevel of GA-aanpak doet.

Er is voor zover we konden nagaan ook geen vast gespreksmoment bepaald, direct na afloop van een (voltooide) risicotaxatie, waarin de risico uitslag met de gevolgen wordt besproken met de cliënt(en)/ ouder(s), met verificatie/eventueel correctie van opvallende inschattingen en een situatie met shareddecision-making. Het formulier (128 items) is meer voor de GW (en GA) zelf bedoeld ter oriëntatie, en is onmisbaar bij het opstellen van het plan van aanpak. Van het formulier is niet bekend hoeveel overeenkomst er is tussen twee invullers bij dezelfde cliënt (uniformering); voldoende overeenkomst is noodzakelijk bij gebruik als formeel risicotaxatie instrument. Een tweede reden van het niet evalueren is dat de uitgebreide risicotaxatieformulieren van het GA-team op papier zijn ingevuld. Er was niet voorzien (ook niet juridisch) in het overtypen van de 128 antwoorden/beoordelingen waarvan sommige kwalitatief. Zoals gezegd, medewerkers van het GA-secretariaat hebben nog wel achteraf de compacte onderzoeksvariant van de risicotaxatie in het evaluatie-registratiesysteem ingevuld. Daardoor kan wel iets over risicoprofielen worden gezegd (zie paragraaf 8.2), maar niet iets over nut en noodzaak, omdat de link naar voorstellen/besluiten er niet is. 9.

De beoordeling van de positieve en negatieve effecten van de GA-werkwijze berust in het hele rapport inderdaad consequent op de optelsom van ervaringen, van iedere casus die is ingestroomd, inclusief degene die afvielen en een andere manier kozen, al is hierover vaak erg weinig bekend. De te bestuderen effecten zijn inderdaad direct ontleend aan de probleemstelling en de perspectieven; zie hiervoor paragraaf 8.3. 10. Onderzoek naar de kosten is in de gegevensverzameling (deels) voorbereid, maar een kwantitatieve analyse was niet in de opdracht opgenomen. De kwalitatieve analyse vindt men in paragraaf 8.4.4. 11. Er bleek over geen enkel onderdeel van scheidingsonderzoek sprake te zijn van een registratiesysteem; niet monodisciplinair, en zeker niet multidisciplinair. Deze verrassende 'uitkomst' van het evaluatieonderzoek had veel gevolgen voor het onderzoek. Een vergelijkend onderzoek op basis van feiten bleek niet mogelijk. Zelfs over doorlooptijden bestaat geen referentie-informatie (waarbij dan ook de 'stoppers' worden meegenomen). Het ontbreken van enige digitale infrastructuur op dit terrein, en ook van enige traditie rond uniforme gegevensvastlegging (er is ook geen data uitwisseling of dossier-sharing bij scheidingsprocessen) heeft geleid tot een zeer grote onderzoeksinspanning van de onderzoekers om dit in de GA-Pilot zelf vast te leggen. E.e.a.

door interactie met de GAPilotleiding. Er is besloten om een in opzet (tijd, scope) volledige, maar inhoudelijk beknopte, registratie op te zetten; die kon door GAGW-koppels worden gebruikt (ook voor een 2 advocatenbenadering) en die in gebruik voldeed aan de strengste AVG-eisen. 12. Ondanks de intensieve gemeenschappelijke voorbereiding (zie verderop in dit hoofdstuk) is die zgn. peilmomentenregistratie niet voor de GA-Pilot zelf gebruikt, alleen voor research doeleinden; ze is ook primair via het Pilotsecretariaat ingevuld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13419318/1