CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

De Gezinsadvocaat onderzoeksrapport Hart van Brabant

Commissie SOCIAAL 27 oktober 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Lokaal programma47.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

93

13. Het systeemsucces, de primaire uitkomst van de GA-Pilot, is cf. de opzet beoordeeld door een klein expertpanel aan de hand van de aangegeven criteria. Zoals het plan was, op basis van % doorloop naar convenant, doorlooptijden en aan de hand van % succes bij betrokkenen. Het antwoord staat in hoofdstuk 8.3. 14. De onderzoekers hebben op grond van de wekelijkse vergaderingen en geobserveerde gegevens, als ook vergelijking, sommige onderdelen kwalitatief kunnen beoordelen. Eveneens zijn enkele professionals in de regio die niet direct betrokken waren om hun mening gevraagd. 7.3.3 Specifieke methoden: fasering scheidingsproces Hieronder staat in figuur 7.1 het schema met de fasen die de onderzoekers hanteren voor de evaluatie. De donkergele vakken geven de specifieke GA-activiteiten aan die in het onderzoek (grotendeels) gedekt zijn. De blauwe vakken zijn ondersteunende activiteiten vanuit het GA-team, zoals ook in het handboek van de GA-Pilot te vinden is, maar is verder niet onderzocht. De ondersteunende activiteiten zijn deels specifiek voor de GA-werkwijze, zoals de triage en GA/GW-matching in de aanmeldingsfase, en deels aspecifiek, zoals registratie en supervisie. Figuur 7.1:

Fasering van de GA-Pilot

Het is gebleken dat later in het proces soms alsnog externe advocaten aan de cliënten werden toegevoegd. Daar was in het onderzoek geen rekening mee gehouden. De uitstroom is in lichtgeel aangegeven, de cliënten werden in de GA-Pilot niet vervolgd als zij het proces verlieten, ook werd niet systematisch vastgelegd wat er dan gebeurde. Hoewel de gegevensregistratie vanuit het onderzoek voorbereid was op follow-up is het daar niet van gekomen, daarom staat follow-up in lichtgeel aangegeven. De fasering maakt mogelijk op basis van datums van entree en exit, doorlooptijden te berekenen per fase en gecombineerd per fase. Kansen kunnen worden berekend op doorstroming of uitstromen op andere wijze (de lichtgele vakjes); we noemen dat kortheidshalve vaak 'stoppers', hoewel in de meeste gevallen niet sprake is van stoppen van het scheidingsproces, maar het overstappen naar een andere manier bijv. de reguliere advocatenprocedure. Soms echter stoppen ouders met het GA-proces.

94

Onbekend is hoe het daarna verderging, al is aannemelijk dat een deel de procedure met elk een eigen advocaat voortzetten. Er zijn speciale technieken gebruikt om de doorlooptijden te berekenen die rekening houden met twee situaties: gezinnen die in een fase stoppen, en gezinnen die bij sluiting van de observatietermijn nog in de fase zitten – in ons geval kwam dat niet voor bij de aanmeldingsfase, maar wel bij de GA-fase erna. Die technieken (de zgn. 'product-limit' methode) stellen ons in staat de gemiddelde doorlooptijd te schatten op basis van iedereen die in een fase instroomde, of die nu doorstroomde, stopte, of nu nog in het proces zit. Hoewel dat niet in de onderzoeksopdracht begrepen was, is ook een eventueel dynamisch kostenonderzoek hiermee voorbereid: een uitbreiding van deze methodiek ('sum-limit' methode) maakt het in de toekomst mogelijk om cumulatieve gemiddelde kosten per fase te berekenen. Als er voldoende aantallen zijn, kan door doorloopkansen en doorlooptijden te combineren met achtergrondkenmerken van het gezin (bijv. uit de risicotaxatie) via statistische methoden (logistische regressie) vastgesteld worden welke kenmerken van de ouders die kansen op vlotte overeenstemming en korte doorlooptijd vergroten of juist verminderen. In de GA-Pilot waren in 100 casus voorzien. Een voldoende aantal voor een exploratie met deze methode.

Om deze reden is hiermee in de dataverzameling rekening mee gehouden. Het uiteindelijke aantal van 34 instroom, en hiervan 13 afgeronde gevallen was evenwel veel te klein; als de GA-Pilot (zie onze aanbevelingen) wordt voortgezet kan dat eventueel alsnog plaatsvinden. In paragraaf 8.1 wordt het maximaal mogelijke gedaan om op basis van de CLIENTFLOW-gegevens de cliëntstroom van de GA-Pilot te beschrijven. Feitelijke vergelijking zou wenselijk zijn, maar die referentiegegevens zijn – zoals eerder genoemd - niet beschikbaar. 7.3.4 Uitvoering dataverzameling: wanneer? Door wie? Na voorbereiding en gesprekken met betrokkenen is geconcludeerd dat op basis van de fasering in het casus-proces vier markeringspunten kunnen worden onderscheiden waar informatie kan worden verzameld, we noemen we dat de 4 peilmomenten (PM1 t/m PM4). Zie figuur 7.2. Figuur 7.2:

Onderzoeksregistratie van de GA-Pilot

95

We bespreken nu bovenstaande figuur 7.2, die op eerdergenoemde fasering is gebaseerd. Aan de rechterkant zijn de gegevensprocessen symbolisch weergegeven. Het meest rechts staat een oranje kolom CLIENTFLOW. Dat betreft de CLIENTFLOW registratie op het niveau van de GA-Pilot door de coördinator/het secretariaat. CLIENTFLOW houdt alle kerndata bij, en enkele kenmerken (zie verder paragraaf 8.1) en, dat is bijzonder, geeft bij elke gegevensmutatie real time een geactualiseerde versie van berekende kengetallen. In wezen kijkt CLIENTFLOW terug in de tijd (wat gebeurde er tot nu toe), vandaar dat de pijl in het oranje vak van beneden naar boven wijst. Links hiervan staat een aantal groene blokjes, met hierin PM1, PM2, PM3 en PM4 (PM=peilmoment). Het totaal heet de (digitale) peilmomenten-registratie, die door de onderzoekers is ontworpen in overleg met het GA-team. Dit is een inhoudelijke registratie op casusniveau, door de GA (dus niet het secretariaat). PM1 is registratie op het moment van intake; allerlei kenmerken van ouders en gezin worden vastgelegd, daaronder de conflictpunten en het escalatieniveau; PM1 is ten dele opgezet als risicotaxatie maar beknopter dan de 128 vragen van de GA-Pilot (zie verder paragraaf 8.2 en paragraaf 8.6). PM1 vastlegging vindt plaats door de GA, en wordt niet aangepast aan veranderingen – het is dus een cross-sectionele registratie.

PM2 is een registratie van alles wat er tijdens de GA-fase gebeurd is, de GA-fase die begrensd wordt – aan het begin, de intake, en aan het eind - door een convenant, rechtszaak/eindbeslissing door rechter, of incidenteel een verzoening. In PM2 wordt het proces op hoofdlijnen beschreven vanuit het perspectief van de GA. PM2 kijkt terug, want de invulling vindt plaats als het besluit tot convenant of een eindbeslissing bij de rechter vragen is gevallen. In PM2 waren gegevens (vragen) opgenomen die het mogelijk moesten maken bij een geconstateerd positief effect van de GA-werkwijze, deze toe te schrijven aan (elementen van) de werkwijze. Dat zou ook de bewijskracht vergroten, in onze situatie omdat er geen vergelijkingsgroep is. Dat is niet helemaal gelukt om twee redenen. In de eerste plaats waren te weinig cliënten doorgestroomd (n=13) en waren de PM2 formulieren nog niet helemaal ingevuld bij het stoppen van de gegevensinvoer op 1 dec 2022. Daarnaast werd een aantal elementen van de door ons voorgestelde werkwijze pas 'standaard' na de start van de Pilot en de bijbehorende gegevensregistratie of werd pas laat bekend (enkele van de blauwe vakjes in figuur 7.1); PM2 vraagt dus niet naar die nieuwe elementen. Al met al wordt van PM2 maar beperkt gebruikt in paragraaf 8.2. In PM3 was kerninformatie opgenomen over de inhoud van convenant of rechtszaak (eindbeslissing).

De invuller was de juridisch medewerker van de rechtbank of de GA. PM3 is dus net als PM1 eenmalige peilingsinformatie. Omwille van beperken van de belasting van de rechtbank is PM3 wat betreft het aantal vragen kort gehouden. De informatie van PM3 was vitaal voor de uitvoering van het expertpanel onderzoek in paragraaf 8.3, en wordt daar beschreven. PM4 was in opzet geformuleerd, maar is uiteindelijk niet operationeel gemaakt, omdat er geen cliënten waren voor wie het eindpunt 6 maanden of meer geleden was, bij het sluiten van de studie (1 december 2022). De opzet van PM4 is net als PM2, terugkijkend van aard: de periode van eindpunt (convenant of rechtszaak) tot het moment van afnemen van PM4 wordt beschreven als ook de actuele situatie 6 maanden na de beslissing (of enig ander moment, bijv. een jaar). De onderzoekers hadden al bij de start aan het GA-team op het risico gewezen dat PM4 niet realiseerbaar zou kunnen zijn, maar bij aanvang van de GA-Pilot was er optimisme onder de uitvoerders over de doorlooptijd. De onderzoekers zijn van mening dat het noodzakelijk is, voor een volwaardig oordeel over de GAwerkwijze, dat follow-up onderzoek met PM4 uitgevoerd zou moeten worden. Op dit punt wordt in hoofdstuk 9 nog op teruggekomen. Tenslotte is er in figuur 7.2 nog een derde paarse kolom, van rechtsaf gerekend, met 2 blokjes OUDERENQUÊTE 1, en ouderenquête 2.

Het typografische onderscheid maakt duidelijk dat OUDERENQUÊTE 1 ten tijde van PM1 wel is afgenomen, maar ouderenquête 2 niet.

96

Ouderenquête 2 was beoogd ten tijde van PM4 en had met een vergelijkbare inhoud als ouderenquête 1, met daaraan toegevoegd vragen over het 'gehoord' zijn en het 'gehoord' voelen. OUDERENQUÊTE 1 beschrijft de gezichtspunten van beide ouders afzonderlijk, en de situatie rond het kind. Het primaire doel van was de verandering vast te stellen tussen intakemoment en het tijdstip van enquête 2, met bijzonder aandacht voor veranderingen bij het kind (accepterend dat de informatie van de ouders kwam; er was nu eenmaal niet voorzien in de kosten voor een onafhankelijke kind-meting.) Verder was een secundair doel enige onderdelen van de risicotaxatie informatie – vastlegging door GA/GW – te vergelijken met de zelfmeting door ouders. Enige informatie over de kinderen uit Ouderenquête 1 zal worden gerapporteerd (paragraaf 8.2). Deze is evenwel geen onderdeel van de evaluatie – daarvoor was de vervolgmeting nodig geweest. 7.3.5 Uitvoering casus-dataverzameling: ontwikkeling en inhoud PM-registratieformulieren Het secretariaat van de GA-Pilot hield elementaire gegevens van iedere casus in een Excel formulier bij. Met de onderzoekers samen is dit Excel formulier tot een summiere basisregistratie omgebouwd, genaamd CLIENTFLOW. De inhoud wordt uitgelegd in paragraaf 8.1, waar deze gegevens worden gebruikt.

Paragraaf 7.3.5 gaat verder in op de ontwikkeling van de drie (veel uitgebreider) peilmoment registratieformulieren die ook daadwerkelijk in de GA-Pilot zijn gebruikt (PM1, PM2, PM3); PM4 laten we buiten beschouwing maar het concept volgde dezelfde lijn als hieronder wordt beschreven. Ook wordt Ouderenquête 1 beschreven die ten tijde van PM1 door de ouders wordt ingevuld. Er is door de onderzoekers voor ieder peilmoment een digitaal registratieformulier ontwikkeld, met verantwoording voor het Pilot-team; voor de ouderenquête is iets vergelijkbaars opgesteld. Onderstaande informatie is uit deze brondocumenten afkomstig. Voor alle registratieinformatie en de ouderenquêtes geldt dat deze informatie digitaal is vastgelegd op een beveiligde (Nederlandse) Cloud server, beheerd door Triqs, met een toegangsprotocol. 7.3.5.1 Algemeen Er waren enkele uitgangspunten gemeenschappelijk aan PM1-PM4, ontleend aan de werkwijze in evaluatie-onderzoeken op het terrein van zorg. -

-

-

Inhoud en vastleggingsmoment dienden zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande praktijk; PM1 is zo ontworpen dat het de bestaande intake op papier kon vervangen; Waar mogelijk wordt gewerkt met vragen met gesloten antwoordvorm, en een escapeantwoord 'anders, nl…'; dat bekort invulduur en bevordert uniformering en gegevensgebruik; De vastlegging van gegevens voor de evaluatie maar ook voor eigen gebruik door de GA/GW was digitaal, met een specifiek toegangsproces (AVG-proof in overeenstemming met de hoogste eisen); maar directe digitale vastlegging door de GA bleek niet vanzelfsprekend. Verder zijn ook parallel papieren invulversies ontworpen, waarvan na invulling de gegevens digitaal overgenomen konden worden; door de bestaande praktijk van papieren dossiervoering was het moeilijk die digitale werkwijze te introduceren. Voor de inhoud van die formulieren heeft het onderzoeksteam met de GA-projectleiding samengewerkt; het eindproduct (PM1-PM3) kon en kan – minus de GA-onderzoeksvragen – direct als multidisciplinair scheidingsdossier worden ingezet, in een multi-stakeholderomgeving, AVG-proof. De ouderenquêtes werden separaat afgenomen, de info daarvan research-gericht en was niet voor het behandelend GAGW-koppel toegankelijk.

97

7.3.5.2 Peilmoment 1 (PM1) Wanneer PM1? De data van PM1 worden bij voorkeur vastgesteld op het moment dat een kandidaat-gezin zich meldt, tijdens de intake. Regelmatig werd PM1 pas veel later ingevuld, deels veroorzaakt door het feit dat PM1 – anders dan beoogd - geen onderdeel vormde van het primair proces. De invuller: GA. Uitgangspunt PM1 -

-

Het verifieert geschiktheid voor deelname aan de GA-Pilot en aan het onderzoek, zoveel mogelijk 'automatisch' op basis van criteria; Het maakt mogelijk de flow (kansen) naar de GA te bepalen en de reden van uitval voor de GAprocedure; in statistische analyses van doorlooptijden kan PM1 helpen versnellende/ vertragende factoren op te sporen; Het maakt vergelijking mogelijk met andere datasets over scheidingsprocessen door ouders/ kinderen en het scheidingsconflict op kenmerken te matchen; Het maakt een beknopte risicotaxatie mogelijk, die voor allerlei doelen gebruikt kan worden.

Inhoud PM1 1.

2. 3. 4. 5. 6.

7.

Identificatie en benaderingsinformatie. Afhankelijk van het aantal kinderen en follow-up items bestaat dit domein uit 50 tot 73 items. Hiervan zijn 34 tot 53 open vragen en 12 tot 18 gesloten vragen. Scheiding & Inclusiecriteria. Dit domein bevat 6 items, waarvan 3 open vragen en 3 gesloten vragen. Exclusiecriteria Pilot. Dit domein bestaat uit 8 items, alle gesloten vragen. Exclusiecriteria RESEARCH. Dit domein bestaat uit 2 items, beide gesloten vragen. Overige data. Hier kan de GA, overige opmerkingen over de inclusie, exclusie en deelname kwijt. Dit domein bevat 2 item, een open vraag. SHORT FORM Risico-taxatie. Deze vragen worden door de intaker ingevuld in het digitale invulformulier, na afloop van het eerste of (zo nodig) tweede intake consult, en berusten exclusief op haar/zijn taxatie (na gesprek met de cliënten). Deze risicotaxatie gaat dus om de minimumset van gegevens die nodig is voor welke beslissing dan ook (om die reden zijn informatievelden verplicht). Waar ex-partners wellicht niet willen antwoorden en de GA geen schatting kan geven, is een 'n.v.t.' categorie toegevoegd. Er is een indeling in een aantal modules (zie ook figuur 6.4 op blz. 74). Afhankelijk van het aantal kinderen bestaat deze SHORT FORM uit 81 tot 87 items.

Hiervan zijn 74 gesloten vragen en 13 open vragen; de opzet is dat totaalscoring mogelijk is, maar omdat deze risicotaxatie informatie niet voor dat doel is gebruikt, is er alleen een voorlopig scoringsmodel ontwikkeld (zie hoofdstuk 8.2). Daarin is met itemoptelling per module gewerkt bij de vragen over scheidingsachtergrond, conflictpunten, en escalatie (omgewerkt tot index). Ervaringen en verwachtingen & Oordeel GA over deelname en risicotaxatie. Dit domein bestaat uit 14 items, waarvan 4 gesloten vragen en 10 open vragen. Deze informatie kan in een later stadium gebruikt worden om het finetunen van de GA-werkwijze mogelijk te maken. De vraag in de huidige versie gaat niet expliciet in op de GW.

Hoe PM1 invullen? De vastlegger van het PM1 formulier is de intake professional, de GA en of GW. Invulling is primair digitaal, met enkele hulpmiddelen die bij een digitale invulformulier mogelijk zijn, zoals een beschermde toegang. Dat laatste werkt als volgt. De Pilot-coördinator beheerde een lijst met (professionele) emailadressen van de GA en GW-professionals. De Pilot-coördinator kon een unieke link naar deze professional sturen waarmee deze toegang kreeg tot een (eerder door Triqs) aangemaakt digitaal gezinsdossier, voor een specifiek Peilmoment.

98

Het e-mailadres van de professional diende als extra verificatie voor de toegang. Zolang het dossier incompleet of niet was ingevuld had de GA/GW toegang en mutatierecht, na complete invulling alleen inzagerecht. De GA/GW had de mogelijkheid een pdf-print te maken voor het eigen (papieren) dossier. Op verzoek van de Pilot-leiding zijn aanvullende materialen ontwikkeld. Allereerst een PM1-checklist. Dit is een papieren formulier van 9 bladzijden, bedoeld voor de GA, waarop alle inhoudselementen van PM1 staan (de vragen, de items), in de volgorde van het moederdocument, met ook aanduiding van de antwoordopties. Het is een soort hand-out, die de GA kan gebruiken ten tijde van een intake, om te raadplegen en om ervoor te zorgen dat de GA alles in het gesprek geadresseerd wordt. Dit alles verhoogt de efficiëntie van het invullen door de GA van het digitale invulformulier. Het belang zit niet alleen in de compleetheid (alle topics) maar ook de detaillering van sommige antwoorden – standaardisering leidt hier tot vergrote precisie en vergelijkbaarheid tussen invullers. Nu heeft iedere advocaat en GW’er vaak haar/zijn huisstijl. Voor de vaststelling van de PM1 wordt aangenomen dat de intake gezamenlijk is, maar soms lukt dat niet. Dan moet de GA sommige vragen inschatten, daar is bij de antwoordopties rekening mee gehouden. Ten tweede is er een PM1-selfreport.

Aansluitend bij de huidige praktijk van advocaten, is er een papieren formulier ontwikkeld waarin vrijwel alle vragen door de beide ouders afzonderlijk kunnen worden beantwoord, in de thuissituatie, zonder de GA als interviewer/moderator. Een selfreportformulier scheelt tijd in de zin van kostenbesparing voor de GA die het invullen aan een secretarieel medewerker kan overlaten. Dit scheelt weer doorlooptijd en kosten: er is geen afspraak voor nodig. Uiteraard zit aan sommige vragen die als selfreport worden gevraagd, op een later moment een vorm van verificatie vast als het antwoord afwijkend is. Enkele PM1-vragen kunnen niet selfreport worden gevraagd en moeten altijd live door de GA worden gesteld. 7.3.5.3 Ouderenquête 1 (OQ1) ten tijde van PM1 Wanneer OQ1? De (papieren) ouderenquête wordt tijdens het intakegesprek uitgereikt aan ouders afzonderlijk, en op een later moment ingenomen. De ouders krijgen te horen dat de informatie alleen voor de onderzoekers beschikbaar is. Uitgangspunt OQ1 De ouderenquête geeft informatie over de ouders zelf, de conflictbeleving, de impact op de kinderen, en geeft hun mening over de GA-werkwijze, de gezinsadvocaat en de rechter.

De ouderenquête zou volgens plan 2 keer worden afgenomen (in vrijwel dezelfde vorm), bij de intake en (tenminste) 6 maanden na het convenant of de rechterlijke uitspraak, waardoor verandering direct kan worden gemeten, en dus de impact van convenant/rechterlijke uitspraak op de situatie. De tweede keer zouden achtergrondkenmerkvragen vervallen, en vragen over het ervaren GA-proces worden toegevoegd. De vragen zijn deels nieuw, gericht op de GA en escalatie(beleving). Maar grotendeels zijn het bestaande vragen, deels ontleend aan eerder onderzoek op het terrein van personen met psychosociale problemen, deels (bijv. over de impact op de kinderen) ontleend aan het CoVeNaS onderzoek naar complexe scheidingen (Bonsel, G.J., Öztürk, S.A., Weynschenk A., 2020). De bestaande vragen zijn dus getest en eerder toegepast. Inhoud OQ1 Hieronder staan de 8 domeinen van de ouderenquête. Als er CoVeNaS staat, zijn de vragen gebruikt van de CoVeNaS enquête. Bij alle onderwerpen wordt een vraag gesteld over de rol van de gezinsadvocaat; deze toevoeging wordt hieronder niet apart benoemd. A. Achtergrondgegevens (CoVeNaS). Dit domein bevat de minimale informatie om de ouderenquête ook zonder bijkomende gegevens (uit bijv. PM1) te analyseren.

99

B.

Dit domein heeft 6 items over demografische en sociale achtergrond, 3 gesloten vragen en 3 vragen waarbij het antwoord een getal is. C. Werk en inkomen (CoVeNaS). Dit domein meet de impact van de scheiding op verschillende aspecten van werk en inkomen. O.a. de invloed op prestatie, ziekteverzuim, etc. Dit domein bestaat uit 6 items, waarvan 5 gesloten vragen en 1 open vraag. D. Verdeling taken en gezag. In de intake is ruim aandacht voor de feitelijke verdeling van gezinstaken en gezag/zeggenschap over de kinderen. Die feitelijkheid is een belangrijk uitgangspunt voor het juridisch proces. In de ouderenquête wordt er gevraagd hoe de ouder hier tegenaan kijkt: wat is de gegroeide praktijk, is er meer of minder in consensus. Dat kan belangrijk zijn als bij een omgangsregeling de situatie van voor de scheiding als uitgangspunt wordt genomen, zeker als de huidige verdeling door een ouder als zeer ongewenst gezien wordt en wellicht ook bijdragend aan de scheiding. Deze antwoorden kunnen uiteraard tussen de ouders onderling verschillen en verschillen van de inschatting van de GA/GW. Dit domein bestaat uit 11 items, alle gesloten vragen. E. Hulp bij scheiding (CoVeNaS). Een aspect waar vaak weinig over bekend is, is de rol van anderen (familie, vrienden, sociaal netwerk) in het scheidingsproces.

In eerder onderzoek viel op (bij complexe scheidingen) hoe vaak ex-partners weinig tot geen informele of professionele hulp vroegen. Daarnaast kwam het voor dat ongevraagde hulp (niet alleen van familie) een conflict vergrotende rol had in de scheiding. De rol van deze hulp is van belang bij de vraag of de leden van een gezin niet of juist wel steun ondervinden op weg naar de nieuwe situatie. Een domein bestaat uit 16 items, 15 gesloten vragen en 1 open vraag. F. Kind gevolgen (CoVeNaS). Deze vragen zijn gericht op het kind c.q. de kinderen. Er is net als bij de CoVeNaS studie niet voor ieder kind afzonderlijk antwoord gevraagd, maar er is gevraagd de antwoorden te geven voor dat kind dat naar het ouderlijk oordeel de meeste negatieve gevolgen ervaart. Afhankelijk van het aantal kinderen zijn er 20-26 vragen, 18-21 gesloten vragen en 2-5 open vragen. G. Gezondheidsgevolgen (EQ-5D-5L, GAD-2, PHQ-2, verder aangeduid met EQ5D, GAD, en PHQ]. Hier wordt met enkele zeer korte vragenlijsten, waarvan er één ook gebruikt is in CoVeNaS, naar de gezondheid (EQ5D) en de psychische klachten (GAD, PHQ) van de ouder gevraagd. De EQ5D is wereldwijd de meest gebruikte algemene, korte gezondheidsvragenlijst. De GAD en PHQ zijn wereldwijd de meest gebruikte korte vragenlijsten voor angst/stress en depressie.

Al deze instrumenten zijn uitgebreid gevalideerd, sekseneutraal, en er bestaan zeer veel referentiegegevens van (controlegroep niet nodig). Dit domein kent totaal 14 korte items, 13 gesloten vragen en een VAS thermometer om de gezondheid aan te duiden (0-100). H. Gezinsadvocaat: verwachtingen. In de voorliggende onderdelen wordt af en toe specifiek gevraagd naar de mening van de cliënten over de scoop van de gezinsadvocaat. Bij deze vragen – ontwikkeld voor dit onderzoek, gaat het meer algemeen over verwachtingen/opvattingen. Het zijn 10-11 vragen (7-8 gesloten), afhankelijk van het antwoord op een van de vragen krijgt de ouder nog een vraag extra of niet. Hoe OQ1 invullen? Alle ouderenquêtes zijn telefonisch, nadat de intake heeft plaatsgenomen, afgenomen door medewerksters van het GA-Pilot team o.l.v. Berthe Boogaarts. Voor het telefonisch interviewen ontvingen zij instructie door de onderzoekers. Zij ontvingen verder een unieke code (link) voor iedere casus, die online 1 van 2 oudervragenlijsten kon openen die voor die casus beschikbaar waren. Telefonisch stelden zij iedere vraag, en zijn de antwoorden digitaal ingevoerd, zo nodig het getypte antwoord verifiërend bij de ouders. De telefonische interviewers hadden de beschikking over de papieren versie van de ouderenquête, als handout voor zichzelf.

De ouderenquête moest beslist door de ex-partners afzonderlijk worden ingevuld. Er is vooraf ook gevraagd aan de ouders om anderen niet mee te laten luisteren (met het telefooninterview) en om niet met anderen (of de ex-partner) over de informatie te spreken.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13419318/1