CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

De Gezinsadvocaat onderzoeksrapport Hart van Brabant

Commissie SOCIAAL 27 oktober 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Lokaal programma47.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Na de afronding volgde de follow-up fase. Het was de bedoeling dat de GA en GW-nazorg aanboden; dat was verder niet geprotocolleerd en vond plaats afhankelijk van tijd en opportuniteit. Er was in de GAwerkwijze ook niet voorzien in een vast follow-up moment en een afsluiting, bijv. in de vorm van een praktische evaluatie met ouders en kinderen van hoe het was gegaan en hoe de zaak er nu voor staat (in het onderzoeksproces was daar wel rekening mee gehouden).

17

3.3.7 Aanpassingen in de GA-Pilot De grootste aanpassing was de beslissing, al in de voorbereidingsfase, om een GW als vaste partner van de GA te beschouwen, in plaats van een niet goed gepositioneerde deskundige die er vrijwel steeds bij is maar die geen formele plaats heeft. Een tweede aanpassing was het creëren van een omlijnde aanmeldingsfase waarin ten minstens drie sleuteltaken moesten worden vervuld: werving en triage, koppelen van een kandidaat-casus aan een GAGW koppel ('matching'), en de handling van de honorering van GA en GW. Een derde aanpassing was dat er operationele taken aan zowel het pakket van GA als dat van de GW werden toegevoegd. Een vierde aanpassing was het beperken van de nazorg, gezien het grotere, dan voorziene, tijdsbeslag van de GA-fase zelf. 3.3.8 GARAGE-studie De onderzoeksopzet en methodiek komt in 3.4 uitvoeriger aan de orde. In paragraaf 3.3.8 ligt de focus op de interactie van het onderzoek met de praktijksituatie van de GA-Pilot. Eerst bepsreken we de interactie met cliënten en daarna die met de professionals van de GA-Pilot. Cliënten. De scheidenden wisten bij aanvang (aanmelding) dat de GA-Pilot een proef was, inclusief een verplichte extra procedure (risicotaxatie). Ze konden beiden in principe ieder moment uit de proef stappen. Ze waren erover geïnformeerd dat vanaf de intake ook onafhankelijk onderzoek plaatsvond naar de GA-werkwijze.

Er is – bij gebrek aan onderzoeksregelgeving in het juridische domein – door de onderzoekers zoveel mogelijk gewerkt volgens de regels van medisch patiënten onderzoek. Ouders werden voor enquêtering eerst benaderd voor toestemming. Ook in de vragenlijst werd het vrijwillig karakter duidelijk gemaakt als ook de wijze waarmee met de informatie zou worden omgegaan (de informatie die met niemand zou worden gedeeld, niet met de ex-partner maar ook niet met GA en GW). Kinderen zijn niet benaderd omdat naar het oordeel van de onderzoekers daarvoor een vorm van externe ethische toetsing voor nodig is. (In principe waren de vragenlijsten daarvoor wel beschikbaar). Individuele informatie over cliënten (voortgang per casus, casusdetails) werden tussen secretariaat en onderzoekers alleen wachtwoord-versleuteld uitgewisseld. Externe datapresentaties waren steeds anoniem c.q. onherleidbaar. Professionals. Op het moment dat het onderzoeksvoorstel moest worden opgesteld, stond de GA-Pilot, ook wat praktische aspecten betreft, grotendeels in de steigers. Op dat moment was nog geen plaats ingeruimd voor procedures binnen het werkproces die met onderzoek samenhangen (bijv. registratie, enquêteren, coördinatie tussen Pilot en onderzoek, etc.). Ook de professionals waren niet voorbereid op bijv. tijdsbesteding aan het onderzoek in de vorm van vastlegging van gegevens.

Zij hadden te maken met het invullen van vragenlijsten op 3 zgn. peilmomenten: bij intake, na afronding van de GA-fase, en na goedkeuring van het convenant c.q. na afloop van de rechtszaak als het zover was gekomen. De vragenlijsten hadden in feite 2 doelen. Enerzijds vormden zij een multidisciplinaire standaardregistratie van de scheidingsprocedure als zodanig, niet specifiek gericht op de GA-werkwijze. Daarnaast waren er diverse vragen toegevoegd die direct gericht waren op de GA-werkwijze, vooral om ook zonder vergelijkingsmateriaal iets te kunnen zeggen over de effecten van de GA en de GW als zodanig, de reacties van de cliënten, en de toeschrijving van eventuele effecten aan de werkwijze. Tezamen leverden de peilmomentgegevens de feitelijke grondslag voor de evaluatie van deze Pilot, waaraan toegevoegd enkele gegevens rond de aanmelding. De gegevens zijn zoals beoogd ingevuld door de professionals: gespecialiseerde familierechtadvocaten, gedragswetenschappers met aantoonbare ervaring met jeugd- en volwassenenproblematiek, en gespecialiseerde familierechters en door de ouders. De professionals kregen daarbij steun van het secretariaat, want zij waren in de voorbereiding niet voorbereid op het moeten registreren van data.

18

3.3.9 Aanpassingen in de evaluatie De belangrijkste wijziging t.o.v. het onderzoeksplan is het opstellen van een volledige scheidingsregistratie, toen bleek dat van uniforme registratie door geen van de professionele stakeholders sprake was, laat staan van een multidisciplinaire casusregistratie. De ontwikkeling daarvan heeft veel aandacht gevraagd. Om de professionals ter wille te zijn kon registratie op 2 manieren plaatsvinden, op papier en digitaal. Daarbij is nog een gespreksleidraad geschreven om een aanmelding en de intake zodanig vorm te geven dat alle belangrijke vragen worden gesteld, inclusief de belangrijkste antwoordopties. De gekozen 'expliciete, gesloten' antwoordregistratie betekent dat ook vermeld wordt als iets niet het geval is. Dat is nodig, omdat de neiging bestaat alleen het belangrijkste te vermelden - niet-vermelding betekent zeker niet dat iets niet het geval is. Een tweede aanpassing van het onderzoeksplan is de opzet van de vergelijking. Er was op grond van voorafgaande gesprekken aangenomen dat er tenminste minimale informatie aanwezig was op casusniveau, van de juridische afloop van scheidingsprocessen in Nederland. Wellicht ook in relatie tot enkele basale kenmerken, zoals de aanwezigheid van kinderen in het gezin, betrokkenheid van instanties zoals Raad voor de Kinderbescherming, en doorlooptijd. Zo'n registratie is er niet.

Hierdoor kwam voor de vergelijking alle nadruk te liggen op de expert-panel methode, die wel was voorzien, maar als aanvullende methode. Een derde aanpassing van het onderzoeksplan betreft de analyse. Er was voorzien in een relevant aantal casus met primaire data (zeg, tenminste 2/3 van de 100), met diverse complexiteit, en met bij minstens de helft daarvan een follow-up van een half jaar. De werkelijkheid was anders. Enerzijds was de instroom veel bescheidener, en overwegend rood tot 'donkerrood': met name de deelnemende gemeenten legden hun zwaarste gevallen voor. Anderzijds was de doorstroming tijdens de aanmelding vlot (cf. plan <4 weken), maar vanaf intake trager dan gedacht, zodat uiteindelijk nog niet de helft van de gevallen een beslissing had ten tijde van het al verlate afsluitingsmoment op 1 december 2022, terwijl follow-up geheel ontbrak. Over deze misschatting heeft het onderzoeksteam het Pilot-team zo snel mogelijk geïnformeerd. De misschatting heeft alles te maken met het ontbreken van procesgegevens over de Nederlandse praktijk, waaronder die over doorlooptijd. Derhalve is er op basis van feiten alleen een korte termijn evaluatie, en zijn de aanwezige onderdelen van de casusregistratie voor het follow-up moment, inclusief de follow-up enquête voor de ouders, onbenut gebleven.

Een vierde aanpassing is dat het onderzoekskader uiteindelijk ook de aanmeldingsfase omvatte, toen bleek dat de aanmeldingsfase wezenlijk was voor de GA-werkwijze. Dit gebeurde halverwege, wat de mogelijkheden beperkt nog aanvullende informatie te verzamelen onder hen die afvielen. Een vijfde aanpassing betreft de risicotaxatie. De onderzoekers hadden op basis van het concept, maar ook op basis van eigen ruime ervaring met de ontwikkeling en (landelijke) toepassing van risicotaxatie instrumenten, een semi-kwantitatief instrument gemaakt, dat escalatie inschatte, scoring toeliet en meerdere vormen van vertaling naar professioneel handelen. In figuur 3.2 (op de volgende bladzijde) staan de onderdelen, en voor de belangrijkste onderdelen (A, B en E) tonen we de vragen. Aan het einde van de studie bleek dat de GAGW-koppels in de praktijk alleen de oorspronkelijke risicotaxatie vragen gebruikt hadden (ca. 130 vragen, 30 ervan open), met een papieren invulling die verder niet is bewerkt, maar startpunt was voor het plan van aanpak. Gelukkig waren zij, m.m.v. het secretariaat, bereid de digitale risicotaxatie van de onderzoekers in te vullen die waar het de escalatieinschatting betrof op dezelfde basis was gebaseerd, maar aanzienlijk korter was, met uitsluitend gesloten antwoorden, geschikt voor scoring en vergelijking.

Zoals zal blijken kon hiermee voorspeld worden wat de duur (uren GAGW-koppel) van het proces zou worden. Niet geëvalueerd kon worden hoe adequaat deze instrumenten waren in het van tevoren bepalen van het plan van aanpak.

19

Figuur 3.2:

De GARAGE-risicotaxatie in vogelvlucht

Overziet men deze 5 belangrijkste aanpassingen, dan lijkt het glas halfleeg, maar het is o.i. meer dan halfvol. Het feitenonderzoek was omvattend van perspectief en ambitieus wat betreft de gegevensverzameling. Niet alles kon worden verzameld, ook omdat hiermee geen enkele ervaring in de branche bestaat. Maar wat er wel verzameld is, is van grote omvang.

20

Dat is mede te danken aan de zeer goede samenwerking tussen GA-uitvoerenden en de onderzoekers, zonder dat daarbij de onafhankelijkheid van het onderzoek in het geding kwam. 3.4 Onderzoeksmethoden: evaluatie-perspectief, onderzoeksvragen, dataverzameling in de Pilot 3.4.1 Eerste keuzes De onderzoeksgroep van Triqs is benaderd nadat een eerdere poging met onderzoekers om tot een feitelijk gericht onderzoek te komen was mislukt. Na het eerste contact tussen de GA-initiatiefnemers en Triqs, is door Triqs een startdocument opgesteld met vermelding van de op dat moment belangrijke keuzes (21 maart 2021), aangevuld met enkele vragen om tot een definitief ontwerp te komen bijv. waar het gaat om de vergelijkingsgroep. Het perspectief van het onderzoek, dat ook uiteindelijk gevolgd is, werd in de communicatie als volgt aangegeven (geparafraseerd citaat, met kleine aanvullingen voor de leesbaarheid): In bedrijfskundige zin is de (multidisciplinaire) GA-werkwijze een voorbeeld van 'business redesign'. Het projectlabel is 'gezinsadvocaat', maar het gaat om veel meer dan alleen de substitutie van 2 advocaten in het oude model door 1 advocaat in het nieuwe model die iets anders werkt (namelijk met een gedragswetenschapper).

De nieuwe functionaris (GA) heeft namelijk (formeel) een radicaal ander setje van rechten/plichten in de cliëntrelatie; dat het hele netwerk van relaties beïnvloedt, en niet alleen die van de advocaat met andere partijen, maar ook van de anderen onderling. ….. De 'rules of the game' met de cliënt veranderen, zodat het onderhandelingsproces met cliënten anders zal verlopen.... Om te kunnen evalueren zal je moeten formuleren welk probleem eigenlijk opgelost wordt door de nieuwe werkwijze, in meetbare termen die voor iedereen begrijpelijk en acceptabel zijn. Dat lijkt makkelijk maar dat is niet zo. …. Je moet ook het onderscheid kunnen maken tussen systeemverandering en uitvoeringsverbetering. Sommige advocaten (aangesloten bij vFAS) werken ook nu al niet korte-termijn-partijdig voor één ouder, maar zijn gericht op een totaaloplossing met oog voor de kinderen, dat valt eerder onder uitvoeringsverbetering. In een ander project is een zgn. gezinsvertegenwoordiger geïntroduceerd in het 2 advocatenmodel, dat is een beperkte wijziging. Weer een ander project ‘Gezamenlijke toegang’ maakt het mogelijk dat ouders zich gezamenlijk direct tot de rechter richten, maar net als bij de gezinsvertegenwoordiger is er geen strategie om tot een vruchtbare onderhandelingssituatie te komen; ook dit is een beperkte wijziging.

Bij de GA-pilot gaat het om een grote systeemverandering, een all-in pakket met een bepaalde filosofie. In de zorg-evaluatiesector heet een project zoals de GA-pilot een multidisciplinair ontwikkel-project, met een aanhangende 'technology assessment' … -

Je onderzoekt de feiten van een proefimplementatie om de haalbaarheid, houdbaarheid en de effecten en kosten vast te stellen. Daar staan altijd 2 typen evaluatievragen centraal: o Is het mogelijk om een werkend geheel te krijgen van de nieuwe GA-werkwijze binnen een zakelijk model dat zero sum is (geen meerkosten genereert), duurzaam is en nergens de huidige juridische basisstructuur overtreedt of hindert? Dat laatste betekent ook dat die nieuwe relaties toepasbaar moeten zijn bij de diverse professionele rolmogelijk-heden/standaards; acceptatie door de cliënt van die nieuwe werkrelaties is daarbij niet alleen voorwaarde, maar ook – in het onderzoek - een uitkomstvariabele. Om deze vraag te beantwoorden kan je gebruik maken van gevalideerde, gepubliceerde implementatie-evaluatiemethoden. o

Leidt dit werkende geheel tot betere uitkomsten, tot hogere effectiviteit. Hier moet je aan uitkomstmaten denken zoals de uitkomst van ouders en kinderen individueel, en van hun onderlinge relaties; aan proceskenmerken zoals doorlooptijd van de scheiding, het aantal uitvallers, maar ook het aantal scheidingen waarbij een rechtszaak is

21

vermeden; en de maatschappelijke kosten - er zijn veel kostenrubrieken van de ouders zelf, het rijk en de gemeente. Het is natuurlijk ook mogelijk juridische kwaliteit sec te beoordelen (daarbij inbegrepen effectuering, kans op beroep, etc.). Bij het onderzoeken moet je secundair 2 elementen inweven. 1. Aandacht voor de interfererende rol van veiligheidsoverwegingen/ maatregelen (moeder, kind), in het scheidingsproces, zoals dat in het ouderverstotingsonderzoek naar voren kwam. 2. Aandacht voor de vraag of de gedragswetenschappelijke component van de GA-werkwijze per saldo leidt tot uitbreiding van deze discipline (meer invloed, groter tijdsbeslag, meer afhankelijkheid van processen die de gedragswetenschapper bepaalt) of leidt tot een uiteindelijk minder grote rol, door effectieve diagnostische en/ of preventieve rol in de beginfase. (einde citaat) Het perspectief dat hier in spreektaal beschreven is, komt overeen met wat als standaard wordt toegepast in onderzoek (vaak van overheidswege) naar nieuwe medische of sociaal-medische zorg. 3.4.2 Probleemstelling en onderzoeksvragen Probleemstelling Bij complexe scheidingssituaties wordt een goed resultaat van het scheidingsproces, vaak in ultimo via een rechterlijke uitspraak, belemmerd door de juridische opzet van 2 partijen die elkaar bestrijden met steun van advocaten en evt. gedragsdeskundigen.

Een 'goed resultaat' is daarbij een situatie na de scheiding, die gebalanceerd is, en tot effectief ouderfunctioneren van de ex-partners leidt in beide éénoudergezinnen, en meer algemeen tot goed functioneren van beide ouders en kinderen (ook onderling). Meer specifiek zijn de nadelen van de huidige situatie: -

De doorlooptijd van de scheiding is lang en het conflict zet zich na de uitspraak voort, bijv. in niet naleving of frustratie van de afspraken, of herhaalde rechtsgang; In het conflict worden beschuldigingen ingebracht van geweld en misbruik die normale afwikkeling van de scheiding verstoren; De kinderen tonen gedrag of signalen of problemen in het onderlinge contact, die wijzen op een onacceptabele opvoedings- of leefsituatie; daaronder contactverlies met 1 van ouders; De maatschappelijke kosten, niet alleen in de vorm van juridische proceskosten (belasting rechtbank; rechtsbijstand), maar ook via allerlei maatschappelijke en zorginterventies (kosten proceszorg, Jeugdzorg gemeente), en inadequaat functioneren van ouders (bijv. werk) en blijvende ontwikkelingsverstoring van het kind zijn onacceptabel hoog.

Onderzoeksvragen Worden betere resultaten van het scheidingsproces vastgesteld, als gewerkt wordt volgens de GAwerkwijze met één meerpartijdige zgn. Gezinsadvocaat die nauw samenwerkt met één gedragswetenschapper (samen een zgn. GAGW-koppel); beiden zijn gekwalificeerd en werken volgens een beschreven methodiek die op casusniveau als onderdelen heeft triage, risicotaxatie, de-escaleren en onderhandelingsbereid maken, het inroepen van de rechter voor eventuele snelle deelbeslissingen op knelpunten, en na een beslissing nazorg verlenen; een methodiek die op professioneel niveau consequent multidisciplinair werkt met supervisie, met zo min mogelijk tijdverlies werkt, en ingebedde aandacht heeft voor de kinderen; een methodiek die zo nodig kleine operationele interventies laat uitvoeren door het GAGW-koppel in plaats van door te verwijzen (bijv. psycho-educatie door de GW of het convenant opstellen door de GA. In de proefimplementatie van de GA-werkwijze zaten geen andere verbeteringselementen, zoals speciale support voor het kind, meer inzet van school, toepassen van gezinsvertegenwoordiger.

22

In de analyse is er verder vanuit gegaan dat effecten – indien aanwezig – primair het gevolg zijn van de systeemverandering en niet van betere performance als zodanig van de betrokken GA's en GW's ten opzichte van hun beroepsgenoten. 3.4.3 Research naast Pilot Het geplande evaluatieonderzoek diende van de GA-Pilot ervaringen gebruik te maken, d.w.z. van de meetbare gevolgen van de tijdelijke systeemverandering in de regio Midden-Brabant. Met die procedure als zodanig bestaat in Nederland zeer veel ervaring en deskundigheid, waarvan ook hier gebruikt gemaakt is. De hoofdonderzoeker van de GARAGE-studie publiceerde studies met een soortgelijke opzet wat betreft hart- en levertransplantatie, genetische screening in allerlei vorm, vernieuwde zwangerschapszorg i.v.m. (o.a.) kwetsbare zwangeren (hoog risicogroepen), integrale risico gestuurde kraamzorg. Hier gaven de resultaten van proefimplementaties – na onafhankelijk onderzoek en maatschappelijk debat – steeds aanleiding tot systeemveranderingen vaak met verbeteringen in de oorspronkelijke aanpak. In het geval van de GA-Pilot was sprake van een innovatie die technisch gezien niet essentieel verschilde van een complexe multidisciplinaire zorginnovatie, met vertakkingen in het sociale en psychische domein.

Bovenstaand feitengerichte evaluatieonderzoeksmodel kon naar de mening van de onderzoekers hier zonder fundamentele aanpassingen op worden toegepast, zowel inhoudelijk als procesmatig. De specifiek professionele aspecten van advocaten en rechters zijn gerespecteerd (met hun wettelijke verankering). Deze aanpak berust op nauwkeurige analyse op een aantal aspecten van een proefimplementatie, waarbij tijdelijk volgens de nieuwe methode werd gewerkt Er werd dus tijdelijk een window of opportunity gecreëerd door hiertoe samenwerkende stakeholders. Daarbij was het vaak laveren voor die juridische 'ruimte'; in de medische zorg is hier regelgeving voor gemaakt. Bovenstaande evaluatiebenadering houdt praktisch gezien in dat tijdens de praktijkproef de gegevensverzameling voor het evaluatieonderzoek wordt ingebouwd, zo mogelijk in de vorm van toevoegingen aan de reguliere gegevensvastlegging in (digitale) dossiers, plus vragenlijsten voor betrokken patiënten, plus instructies om de gegevensvastlegging (de normale en de additionele) zo uniform mogelijk te doen verlopen. Alles op non-interferentiebasis, dus het zorgproces niet verstorend. Om het geheel - research naast Pilot - te doen slagen, moeten zowel de interventie - de GA-werkwijze als het onderzoek zijn geprotocolleerd, met van tevoren aangegeven kaders, selectiecriteria meetpunten.

Hieraan is bij de GA-Pilot en de GARAGE-studie voldaan en door de korte voorbereidingstijd hebben een aantal onderzoekselementen pas gaande het onderzoek hun definitieve vorm gekregen. Zo is een deel van de uitkomstdefinities pas tijdens het onderzoek vastgesteld in samenspraak met de leiding van de GA-Pilot. Hoewel de Pilot-uitvoerders en de onderzoekers hun activiteiten op elkaar afstemden, waren de onderzoekers in hun werkwijze en gegevensverzameling geheel onafhankelijk. De brondata van het onderzoek zijn vooralsnog niet beschikbaar voor de Pilotmedewerkers. Ook de rapportage is met uitzondering van hoofdstuk 5 en 6 met beschrijving van het GAprincipe en de GA-Pilot, geheel door de onderzoekers opgesteld. 3.4.4 Ethische aspecten Bij dergelijke proefimplementaties-met-aangekoppeld-onderzoek spelen vaak ethische vragen op de achtergrond. Dit speelde ook rond de status van de gedragswetenschappelijke zorg tijdens de GA-fase (moet een individu daarvoor toestemming leveren op basis van een geïnformeerde beslissing), de status van de informatie van de risicotaxatie (onder wiens uiteindelijk beheer, met welke rechten van de ouders en de kinderen).

23

Geeft het instrumentele doel van de risicotaxatie (vermijden vechtscheiding) de persoonsinformatie (waaronder medische informatie uit die risicotaxatie) een andere, minder privacygevoelige status dan medische gegevens verzameld voor medische zorg? Deze vragen waren geen onderdeel van de onderzoeksopdracht, maar zijn wel gebruikelijk bij evaluatie van complexe zorginterventies. Een andere ethische, zo niet politieke, vraag betreft het trekken van de grens van zelfredzaamheid, een grens die bepalend is voor de vrijwillige toepassing van de GA-werkwijze. Hoe moet die grens worden getrokken. Moet je als samenleving of professional afwachten of het mis gaat in het scheidingsproces en hopen dat je op tijd bent om bij te sturen tot redelijke afspraken, of moet je iedere scheiding altijd kort screenen, en vervolgens de high risks eruit halen en aandringen (of meer) op een werkwijze als GA, terwijl de medium risks alleen op de GA mogelijkheid wordt gewezen; sommigen zijn beducht voor zo'n opgelegde screening vanwege het risico van over-bemoeienis (de pendant van medicalisering). De ethische aspecten van het evaluatieonderzoek zelf kregen van de onderzoekers aparte aandacht. Onderzoek in de gezondheidszorg is verankerd in regelgeving, procedures, instituties.

Daarmee is de bescherming van belangen van patiënten en hun naasten verzekerd (deze regelgeving is uiteindelijk verankerd in het Human Rights Charter); bij minderjarigen en wilsonbekwamen zijn de regels extra streng. In de juridische sector is nog geen formele regelgeving op dit terrein. De onderzoekers hebben evenwel zoveel mogelijk in dezelfde geest van de regels bij zorgonderzoek gehandeld. 3.5 Methoden van onderzoek: concrete uitwerking 1.

2.

3.

4.

5.

In het onderzoek ligt de nadruk op 2 perspectieven: dat van de ouders, en dat van het systeem als zodanig. De GA-werkwijze is primair onderzocht tot en met een convenant of eerste rechtszaak. Er was geen follow-up van betekenis mogelijk na datum convenant/zitting. Een belangrijk deel van de intakegezinnen was per 1 december 2022 nog in het proces en bij hen die een beslissing hadden was dat zeer recent en nooit 6 maanden of meer geleden. Het kind (via kind-uitkomsten) heeft geen aparte aandacht gekregen, dat was in de praktijk ook nauwelijks een aangrijpingspunt van de GA-werkwijze. Bovendien ontbraken de juridischethisch voorwaarden voor een benadering van de minderjarigen in onderzoeksverband. In het onderzoek is conform de opzet consequent de casus (het 'gezin') als de primaire eenheid van onderzoek aangehouden, d.w.z. het gaat om de ervaringen van een gezin met kind/kinderen met de GA-werkwijze, vanaf een startpunt tot een eindpunt; het studieresultaat is de optelsom van die ervaringen waarin elke casus even zwaar telt. Kort aanvullend onderzoek wat betreft de organisatie zoals gerealiseerd in de GA-Pilot als eenheid van onderzoek vindt separaat plaats voorjaar 2023 (RIGA-studie). De evaluatie gaat ervan uit dat de GA-werkwijze gedurende de Pilot niet verandert.

Er zijn echter enige belangrijke wijzigingen/aanvullingen gerealiseerd (zie paragraaf 3.3), waarmee ten dele nog rekening kon worden gehouden in het onderzoek. De Pilot-uitvoerders actualiseerden het handboek wat betreft deze wijzigingen. Een enkele werd met de opdrachtgever besproken. De evaluatie veronderstelt dat de rechtshulp (GA) en overige hulp (GW maar ook de verschillende elementen van coördinatie, supervisie, beslissingsondersteuning) geheel wordt gefinancierd vanuit de GA-Pilot. Dat betekent dus voor ouders die voor een toevoeging in aanmerking komen i.v.m. laag inkomen, dat deze geen eigen bijdrage behoefden te betalen en dat ouders die niet voor een toevoeging in aanmerking komen zich de kosten van een mediator en/of advocaat bespaarden. Er is vanuit gegaan dat dit voordeel geen invloed had op de werving, en ook geen eigenstandige invloed op de effecten van de GA-werkwijze althans het gedrag van de ouders. De vraag is of de betalingsgarantie van de GA en GW (tot een plafond) in iedere casus tot eenzelfde tijdbesteding heeft geleid, als de situatie van een toevoeging of (met name) bij volledig eigen betaling van de advocaat. De evaluatie ging ervan uit dat in een gemarkeerde periode in een afgebakende regio een instroom van cliënten wordt gerealiseerd, die alleen nader worden geselecteerd via

24

geformuleerde triage criteria. Al deze cliënten worden voor de evaluatie gevolgd tot het eindpunt. De evaluatie ging uit van 100 gezinnen als cohortgrootte, met een qua complexiteit evenredige verdeling in groen, oranje en rood. De afbakening in regio en tijd is gerealiseerd (Midden-Brabant; 12 maanden inclusie). De cliëntenstroom niet, naar aantal (ruim 30 i.p.v. 100) en complexiteit (overwegend rood). Uitvallers zijn niet gevolgd, omdat de GA-Pilot hierin niet voorzag. 6. Het beginpunt van het evaluatieonderzoek is verschoven naar de aanmelding, toen bleek dat de aanmeldingsfase wezenlijk was voor de GA-werkwijze. Een noodzakelijke verandering was het afzien van een follow-up meting (beoogd was na 1 jaar of minimaal na 6 maanden) omdat ook de eerst afgeronde casus, pas kort voor de sluiting van de studie waren afgerond. De evaluatie berust op inschatting van de GA-fase effecten tot aan convenant dan wel rechtszitting. 7. Er is door de onderzoekers een fasenmodel gehanteerd. Het nut daarvan - bijv. voor de analyse van doorlooptijden en voor schattingen van de integrale kostengevolgen - kon maar deels worden getoond omdat de follow-up ontbrak. 8. De effectiviteit van de risicotaxatie zoals uitgevoerd door het GAGW-koppel kon niet vastgesteld worden om redenen die hiervoor zijn vermeld.

De taxatie informatie werd niet gebruikt voor triage, maar wel voor het bepalen van het plan van aanpak in elke casus. De effectiviteit van het risicotaxatie instrument van de onderzoekers kon op onderdelen wel worden vastgesteld bijv. voor triage en tijd/kostenschatting. Hier ontnam het ontbreken van follow-up een belangrijke mogelijkheid tot evaluatie; goede instrumenten kunnen zeer effectief en efficiënt zijn in zorgtoeleiding. 9. De beoordeling van de positieve en negatieve effecten van de GA-werkwijze berust in het hele rapport, zoals beoogd, consequent op de optelsom van ervaringen, van iedere casus die is ingestroomd, inclusief degene die afvielen en een andere manier kozen, al is hiervan vaak erg weinig bekend. De bestudeerde effecten (proces, inhoud) zijn direct ontleend aan de probleemstelling, de onderzoeksvragen, en de onderscheiden perspectieven. Zoveel mogelijk werd gebruik gemaakt van bewezen vragenlijsten of registratieconcepten aangepast zo nodig aan de context. 10. De kostengevolgen waren geen beoogd onderdeel van het onderzoek, toch is er een indicatieve economische en financiële analyse gedaan, deels met externe gegevens, deels met waargenomen gegevens, en deels op basis van schattingen van de Pilot-leiding. Er werd door de onderzoekers aandacht besteed aan de preventie van 'zich strategisch arm of rijk rekenen'. 11.

Er werd een directe vergelijking met bestaande gegevens in enigerlei vorm beoogd, met als secundaire methode een expert-based methode. Omdat over geen enkel onderdeel van scheidingsproces sprake is van een casus-gebaseerd registratiesysteem, ook niet monodisciplinair, was dat onmogelijk. Dat was misschien wel de meest verrassende 'uitkomst' van het evaluatieonderzoek. Wat bijgehouden wordt door sommige stakeholder zijn gegevens vaak nog weer opgesplitst - op basis van kosteneenheden. Ook bij eerdere Pilots is dergelijke informatie niet ad hoc verzameld. Feitelijke directe vergelijking bleek dus niet mogelijk. 12. Voor de GA-Pilot is besloten een in opzet (tijd, scope) volledige maar beknopte multidisciplinaire casus-registratie op te zetten, in gebruik voldoende aan de strengste AVGeisen; die kon door GAGW-koppels worden gebruikt (maar eventueel ook voor een 2 advocatenbenadering). De invulling hiervan gebeurde door de GA, GW, medewerkers van het secretariaat en onderzoeksteam, als ook door de ouders. 13. Het systeem-succes, de hoofduitkomst van de GA-Pilot, is primair beoordeeld door een expertpanel aan de hand van de aangegeven criteria uit het onderzoeksvoorstel. Zoals het plan was op basis van % doorloop naar convenant, doorlooptijden en aan de hand van % succes bij betrokkenen.

25

14. Rapportage van de resultaten vindt in zes blokken plaats, steeds op basis van de verzamelde feiten en met technische presentatiemethoden die horen bij de te beantwoorden onderzoeksvraag 3.6 Resultaten 3.6.1 Opzet In figuur 3.3 staat het schema van de gegevensverzameling, geordend naar de fasen van het juridisch scheidingsproces met in 3 kleuren de verschillende databronnen: registratiegegevens in groen, andere empirische gegevens (casus-modelpresentaties, expert-panel oordelen) in lichtblauw, en externe gegevens in violet, waarbij in ieder geval de kostenstudie van Batterink van bureau Significant moet worden genoemd. De zwarte pijlen zijn de werkelijke stromen van cliënten en data in het proces. De rode pijlen de stroom van informatie voor de rapportage, hier in 6 onderscheiden blokken. Figuur 3.3:

Gegevens in relatie tot gerapporteerde uitkomsten, in 6 blokken

BLOK 1 zijn de resultaten betreft de cliëntenstroom, d.w.z. de belangrijkste kenmerken van de aangemelde gezinnen, de verwijzers, en de doorlooptijd. We gebruiken hiervoor de aanmeldingen registratie. BLOK 2 bevat de resultaten van de intake, met onder andere de risicotaxatie informatie en de impact op ouders en kinderen van de scheidingssituatie. Omdat de follow-up meting niet kon plaatsvinden binnen het tijdsbestek van de studie, ontbreekt hier de geplande vergelijking van de situatie bij het begin (intake) van het scheidingsproces, en 6 maanden na het convenant/ de rechterlijke eindbeslissing.

26

BLOK 3 bevat resultaten over de ingeschatte GA-werkwijze op basis van waargenomen verandering het aantal conflicten, escalatieniveau, en andere indicatoren. BLOK 4 bevat de resultaten van het expert-panel, dat op grond van gedetailleerde presentaties van de 13 voltooide casus een uitspraak deed over de effectiviteit van de GA-werkwijze, op basis van criteria die ontleend waren aan de probleemstelling en de onderzoeksvragen. BLOK 5 bevat de resultaten van de kostengevolgen, op basis van een combinatie van gegevens uit de alle registraties van de GA-Pilot, een belangrijke kostenstudie van Batterink, en specifieke schattingen door het GA-team. BLOK 6 bevat kwalitatieve observaties rond het functioneren van de GA-werkwijze, op basis van bovenstaande informatie en vergelijking met soortgelijke processen. 3.6.2 Blok 1: De cliëntenstroom, verwijzing, uitval en doorlooptijden In de GA-Pilot werden 46 cliënten officieel aangemeld in de periode 1 juli 2021 - 1 juli 2022. Daarvan stroomden 34 (ca. 3/4) door naar de intakefase. Cliënten werden in ruim de helft van de gevallen via een gemeenteloket aangemeld (Tilburg, Waalwijk). Ongeveer 1/3 van de cliënten kwam uit eigen initiatief. De relatievorm was voor de helft 'gehuwd', bij 1/10 van de gezinnen was er sprake van gezag over de kinderen van slechts 1 ouder (de moeder). Incidenteel was er een samengesteld gezin (externe informatie).

Over leeftijd, werk/inkomen, opleiding, etniciteit, geloof/culturele achtergrond en andere sociaal-demografische zaken is niets bekend van de groep aanmelders. Het kindertal was gemiddeld voor een Nederlands gezin met kinderen; wel leek - vergelijkende gegevens ontbreken - de leeftijdsrange van de kinderen (we nemen de oudste als norm) - jong, in 1/3 van de gezinnen waren alle kinderen onder de 5 jaar. De risico-indeling in kleuren geeft 28% rood, en 50% oranje aan (later doorgaans verschuivend naar rood). Van deze indeling is ten tijde van het onderzoek gebleken dat de kleur geen echte risico-indicator is, maar in primaire zin diende voor declaratie doeleinden, met daarbij gaandeweg geen verschil meer tussen casus (bijna steeds rood). In de scenariostudie naar kostengevolgen wordt voorzichtig van 60% oranje en 40% rood uitgegaan. Waarom 12 casus afvielen in de aanmeldingsfase heeft gelijkelijk met vader, moeder of beiden gezamenlijk te maken. Soms lijkt een goede aansluiting tussen verwijzer en het aanmeldingsteam te ontbreken. Een warmere overdracht tussen verwijzer en aanmeldingssecretariaat had dat misschien kunnen verbeteren. De doorlooptijd in de aanmeldingsfase is vlot (zie figuur 3.4).

Rekent men de aanmelders mee die eigenlijk niet of nauwelijks contact hadden met het aanmeldteam (snelle 'stoppers'), dan is de doorlooptijd gemiddeld 24 dagen; 50% van de aanmeldingen duurde in dat geval 18 dagen of korter; rekent men de stoppers niet mee, dan is het gemiddelde 30 dagen, met 50% een maximale aanmeldingstijd van 22 dagen. Dit is een hoofdresultaat van de GA-Pilot: 50% van de casus wordt binnen 10 maanden afgesloten, 80% binnen 13 maanden. Maar er zijn ook hier enkele lastige langdurende casus. De gemiddelde casusduur is 10,1 maand.

27

Figuur 3.4: Doorlooptijden aanmeldingsfase (incl. stoppers), n=46 (A); en van intake tot eindpunt, n=34 (B) A

B

Deze cijfers laten zich helaas niet vergelijken met de gewone scheidingspraktijk waarover geen gegevens bestaan, maar bij complexe casus wordt vaak over doorlooptijden van gemiddeld veel meer dan een jaar gesproken; dan zou dit een bekorting zijn. In de volgende paragraaf spreekt het expert-panel zich uit over de doorlooptijd in 13 afgeronde casus, waarbij uiteraard geldt dat deze afgeronde casus relatief meer de 'snelle' casus van de 34 intake-casus bevat. Daar meent het panel dat bekorting aannemelijk is, ondanks de obligate betrokkenheid van de gedragswetenschapper. Weliswaar gaat daar extra tijd mee gepaard (de 'investering') maar die lijkt te lonen door de de-escalatiewinst. Hoewel we aannemelijk achten dat de doorlooptijd relatief kort is, is een evenwichtig oordeel pas mogelijk als alle ca. 25 casus die met convenant of zaak worden afgesloten tot dat eindpunt zijn gevolgd; het is evenwel moeilijk denkbaar dat de gemiddelde duur meer dan 1 jaar zal worden.

28

3.6.3 Blok 2: Het scheidingsproces en de scheidenden op peilmomenten tijdens de GA-werkwijze In deze resultaatanalyse beschrijven we de groep die een intake kreeg, dus daadwerkelijk met de GAwerkwijze te maken heeft gekregen. We hebben daarbij steeds gekeken of er verschillen waren tussen 4 groepen: de groep die alsnog afviel (n=6), de groep die afgerond is (n=15), de groep die nog niet is afgerond maar minder dan 9 maanden bezig is (n=5) en de groep die langer dan 9 maanden bezig is (n=5), samen 31 gezinnen. Figuur 3.5:

Rolverdeling ouders ten tijde van intake (n=31)

De gemiddelde leeftijd van de scheidenden was ca. 40 jaar, in alle groepen, vrouwen en mannen even oud (in deze groep). Het opleidingsniveau was ca. 50% MBO of minder, 50% HBO of hoger, in deze groep bij vrouwen gemiddeld wat hoger dan bij mannen. Mannen werkten in meerderheid fulltime, vrouwen 3-4 dagen per week. De rolverhoudingen thuis lijken traditioneel (zie figuur 3.5). We laten hierna de 3 belangrijkste van 8 onderdelen van het GARAGE-risicotaxatie instrument zien in figuur 3.6 - 3.9: de scheidingsachtergrond, de actuele conflictpunten, en het escalatieniveau, alles ten tijde van de intake, dus de start van het GA-proces. Figuur 3.6:

Scheidingsgrond(en) ten tijde van intake (n=31)

Duurzame ontwrichting 'without a cause' is de meest frequente scheidingsgrond. Minst genoemd worden een traumatische gebeurtenis, overspel, en seksualiteitsproblemen. Huiselijk geweld in enige vorm wordt bij gemiddeld ruim 40% van de casus gemeld. Er zijn enige verschillen tussen de 4 groepen. Een convenant wijst op een gemiddeld lager aantal scheidingsgronden, nl. 2,1 i.p.v. 2,5.

29

Figuur 3.7:

Conflictpunt(en) tijde van intake (n=31)

Als men kijkt naar de conflictpunten dan ziet men dat opvoeding, omgangsregeling, wonen en alimentatie de harde kern vormen. Maar het is ook duidelijk dat bij de convenanten het aantal conflictpunten in het algemeen, en van deze harde kern van 4 conflictpunten in het bijzonder, een flink stuk lager ligt. Dit wordt bevestigd door de kwantitatieve scheidingslast, in figuur 3.8. De gerealiseerde convenanten (n=15 van de 31 in deze tabel), hebben duidelijk een wat lagere scheidingslast (aangegeven met de lichtgroene vakjes). Figuur 3.8:

Aantal conflictpunt(en) tijde van intake (n=31)

Tenslotte tonen we de resultaten van het escalatieniveau ten tijde van de intake op het niveau van de individuele vragen.

30

Figuur 3.9:

Escalatieniveau ten tijde van intake (n=31)

Uit figuur 3.9 wordt duidelijk dat al bij de intake een aanmerkelijk verschil in escalatieniveau bestaat tussen de groep bij wie gedurende de studie een convenant werd bereikt, en bij wie niet. De groep die stagneert, veel meer nog dan de groep die tijdens de intake afvalt, heeft een veel hoger escalatieniveau. Samengevat laten de cijfers zien dat de groep die aan de GA-Pilot meedeed veel scheidingsgronden had, een groot aantal conflictpunten kende en een hoog escalatieniveau had. Vergelijking met andere groepen is niet mogelijk, maar het is onaannemelijk dat in een 'gewone scheiding' deze profielen zouden zijn gevonden. De onderzochten lijken een doorsneegroep gezinnen qua opleidingsniveau met traditionele kenmerken rond arbeidsparticipatie en rolverdeling thuis. Mogelijk is in deze regio van een gemiddeld traditioneler gezinsleven sprake dan in Nederland. Of dit een rol speelt bij complexe scheidingen is door ontbrekende referentiegegevens moeilijk te zeggen. De gerapporteerde gezondheid en kwaliteit van leven van beide ouders is ernstig verstoord, bij vader nog wat meer dan vroeger (zie figuur 3.10).

31

Figuur 3.10:

Zelf gerapporteerde problemen op verschillende kwaliteit van leven domeinen (EuroQol-5D-5L instrument plus extra domeinen (n=31)

Deze gezondheidsvragen waren door de onderzoekers opgenomen, omdat aandacht voor kwaliteit van leven en mentale gezondheid normaliter geen expliciete aandacht krijgen terwijl ze, dat bleek ook bij het expert-panelonderzoek, vaak wel problemen te zien geven. Daar lijkt wel alle reden voor, en voor uitbreiding van een dergelijke meting tot de kinderen. Met specifieke, goed gevalideerde en algemeen in gebruik zijnde meetinstrumenten is vastgesteld dat ten tijde van de intake sprake is van een gemiddeld angst- en depressieniveau, dat voor velen aanleiding zou kunnen of moeten zijn tot doktersbezoek (volgens Nederlandse normen). Bij intake valt een minderheid (10 van 22) als paar binnen de marge van psychisch voldoende gezond. Bij de rest is er minstens 1 ouder met een serieus probleem, veel vaker is dat de vader. Van de kinderen kon niet veel worden vastgesteld. De gerapporteerde contactkwaliteit – het gaat hier om de zwaarste categorie scheidingscasus - lijkt nog mee te vallen (zie figuur 3.11). Wel is de het vaderkind contact minder, wat uiteraard met de asymmetrische zorg-rolverdeling kan samenvallen. Figuur 3.11:

Contactkwaliteit beide ouders met eerste en evt. tweede kind (n=31, 26)

Daarnaast is aan beide ouders in een ouderenquête gevraagd naar de kinder-situatie, en daarbij – als dat relevant was – te rapporteren over het kind met wie het slechtste ging. Over het algemeen is er wel impact van de scheidingssituatie op de kinderen, maar (gelukkig) meestal van beperkte aard. De meeste problemen liggen in de sfeer van emotie (regulatie), zoals snelle stemmingswisselingen. Verder valt op dat er consistent problemen op school zijn. Er is verder geen school-rapportage in de GA-werkwijze waarmee deze informatie valt te verifiëren – ook in de GA-werkwijze is de rol van school en bijv. de schoolmentor of schoolpsycholoog weinig prominent. In het onderzoek van contactverlies/ ouderverstoting vonden kinderen dit een gemis. Opmerkelijk is de zorg van beide ouders, maar meer nog die van de vaders, over te snelle seksuele ontwikkeling van hun kinderen. Zowel deze zorgen als het verschil tussen vaders en moeders is vermoedelijk van alle tijden; we kennen geen referentiegegevens behalve die uit het ouderverstotingsonderzoek waar ouders deze zorg ook hadden.

32

Positief opvallend is dat er in dit stadium volgens beide ouders weinig problemen tussen de kinderen onderling zijn (als er 2 of 3 kinderen zijn). Samenvattend wordt er scheidingsimpact op de kinderen gerapporteerd door beide ouders, met name op terrein emotioneel functioneren en school (wat ook daarmee samen kan hangen); vaders maken zich wellicht iets meer zorgen over emoties en de te vroege seksuele ontwikkeling, moeders over gezondheid (beide gevallen minimale verschillen). Het was interessant dat ouders van één gezin het doorgaans over de impact op hun kinderen eens zijn. De antwoordpatronen zijn veel gunstiger dan de antwoorden die ouders op dezelfde vragen gaven bij de enquête naar contactverlies (ouderverstoting), maar of ze anders zijn of ze normaal zijn t.o.v. een gemiddelde scheiding of de normale bevolking is onbekend. De bevindingen ondersteunen indirect het argument dat consequente samenwerking met een GW vanaf het begin rationeel is, en in theorie doelmatig: in minder dan de helft van de ouderparen kampt tenminste 1 van de ouders met ernstige psychische problemen, volgens algemeen aanvaarde medische criteria; dat maakt hen niet handelingsonbekwaam maar wel veel minder competent om effectief te handelen in de situatie dat er zowel emotioneel als materieel het uiterste gevraagd wordt. Zij zijn er vermoedelijk ernstiger aan toe dan de kinderen.

3.6.4 Blok 3: Na afloop van de GA-fase: heeft de GA-werkwijze gewerkt? Figuur 3.12 informeert over het beloop van de conflictpunten, beoordeeld door de GA direct na afloop van de GA-fase. Figuur 3.12:

Invloed van GA-werkwijze op de conflictpunten die ten tijde van intake bestonden, naar het oordeel van de GA ten tijde van de afronding (n=17)

De GA-werkwijze doet niet alle conflicten verdwijnen. Van de eerder genoteerde conflicten is 1/3 verdwenen en is 1/5 via afspraken geregeld, samen de helft. Veertig procent blijft bestaan, en soms komen er conflicten bij, of worden weer actief. Uit het feit dat, met één uitzondering, steeds convenanten bereikt zijn, kan men opmaken dat de programmatische de-escalerende tactiek van de GAGWwerkwijze werkt. De helft van de conflicten is er nog, maar dat staat een convenant niet in de weg. Figuur 3.13 laat zien, hoe dat oplossen of accepteren in z’n werk is gegaan; dat is per type conflict aangegeven. De beoordeling (was er sprake van: berusting in een enigszins nadelige afspraak, compromis, uitruil of drang/dwang) is afkomstig van het GAGW-koppel.

33

Figuur 3.13:

Oordeel van de GAGW over de wijze waarop conflictpunten uiteindelijk zijn geadresseerd, vanuit perspectief van beide ouders (n=11 ouderparen)

Bij veruit de meeste conflictpunten lukte het een compromis te sluiten, een balans van geven en nemen, soms op het punt zelf, soms via uitruil met andere punten. Maar soms, en dat is nadrukkelijk ook een strategie van de GAGW-werkwijze, is er een 'verliezer', bijv. wanneer de keuze van de woonplaats van de beide ouders hoe dan ook, en ook onvermijdelijk, altijd een nadeel voor één van de ouders inhoudt. De GAGW-werkwijze reikt in principe de middelen aan die dat verlies dragelijk maken, deels via emotionele weg, deels via cognitieve weg, bijv. refererend aan het belang van het kind. Opvallend is wel dat als er sprake is van berusting, dat de vader 'verliest', moet inleveren op de wensen die hij bij aanvang heeft. Samenvattend maakt de gedetailleerde informatie in deze paragraaf aannemelijk dat de GA-werkwijze deels werkt door het letterlijk oplossen van conflicten of het bereiken van een compromis, en deels door het acceptabel laten zijn of worden voor beide ouders dat ze niet in alles hun zin krijgen. Ook in een situatie dat 1 van hen er psychisch niet goed aan toe was bij de intake (wat vaak het geval is). Er blijkt van vaders meer gevraagd. Hij is er slechter aan toe, maar moet bovendien toegeven op z’n wensen – de stress kan hierbij deels uit de verwachting, dat het niet helemaal gaat lukken, voortkomen.

Er waren helaas geen follow-up gegevens die het mogelijk hadden gemaakt verschillen over de tijd te laten zien, bijv. ook of die compromis-geneigdheid duurzaam was en of afspraken werden nagekomen. Dit onderzoek maakte veel gebruik van oordelen en observaties van de professionals. Die zijn in overgrote meerderheid vrouw. Hoewel er binnen dit onderzoek verder geen gelegenheid voor was, is het ons inziens, belangrijk aandacht te hebben voor evt. gender effecten, met dit keer de man als mogelijk benadeelde. Het is immers opvallend dat de man/vader negatiever wordt beoordeeld, de meeste gezondheidsschade heeft, en ook meer moet berusten. 3.6.5 Blok 4: Het expert-panel oordeel over effectiviteit van de GA in 13 afgeronde casus De 13 casus die rond 15 november waren afgerond, zijn voorgelegd aan een expertpanel van 3 leden ter beoordeling. Hierbij is een strikte wetenschappelijke procedure gevolgd om tot uiteindelijk een casusgebaseerd oordeel te komen over effectiviteit en daarmee samenhangende kostengevolgen van de GAwerkwijze. De procedure startte met het opstellen van een gedetailleerde procesbeschrijving, die bij de werving van panelleden is gebruikt. Niet alleen werd de rol beschreven van de expert-panelleden en andere aanwezigen, ook werd het te gebruiken model voor presentatie van iedere casus en werd het casusbeoordelingsformulier meegestuurd.

Deze model-presentatie is als idee ontleend aan vergelijkbare presentatievormen die in het medische domein gehanteerd worden in grote multidisciplinaire overleggen rond patiëntbehandeling, bijv. in de oncologie.

34

Het onderzoeksteam definieerde aan de hand van deze methodiek en aan de hand van de eerder vastgestelde uitkomsten (inhoud, proces) en de veronderstelde belangrijkste bepalende factoren, deze model-presentatie. De pagina volgorde volgde in grote lijnen de stappen waarin in complexe zorgproblemen tot beoordeling wordt gekomen. Het formulier werd tevoren ook door leden van het Pilot-team beoordeeld op volledigheid. De standaardisatie beoogde onder meer te vermijden dat elk GAGW-koppel zijn eigen informatieselectie zou maken, met een eigen onderliggende redeneervorm. Ook was het doel om door standaardisatie het mogelijk te maken om in korte tijd aan collega-experts alle essentiële elementen voor te leggen (achteraf gaven alle betrokkenen aan dat dat zeer goed gelukt was), voor een onderling vergelijkbaar oordeel. We tonen hier pagina 1 en 2 (van totaal 6) van de presentatie, met fictieve gegevens (figuur 3.14). Figuur 3.14:

Eerste 2 pagina’s van de standaard-casuspresentatie in de expert-panelstudie

Net als bij de model-presentatie, hield ook het definiëren van het beoordelingsformulier een aantal keuzes in, nl. het vertalen van de beoogde succescriteria in meetbare termen (aan de hand van een casus-beoordeling). Immers, het uitgangspunt was succes van de GA-werkwijze primair vastgesteld moest worden via de optelsom van ervaringen in de GA-Pilot. Het onderzoeksteam heeft met het Pilotteam invulling gegeven aan die meetbare criteria (indicatoren) van succes, onderscheid makend tussen 4 inhoudscriteria en 5 procescriteria; de procescriteria concentreerden zich op de de-escalatierol van de GA-werkwijze.

35

Met deze instrumenten bij de hand en na overeenstemming tussen Pilot-leiding en het onderzoeksteam over de minimale kwalificatie, werden 3 kandidaat panelleden bereid en geschikt gevonden. Deze leden waren juridisch hooggekwalificeerd, op het terrein van familierecht extra gekwalificeerd, en hadden ieder ruime multidisciplinaire en leidinggevende werkervaring. Zij kenden elkaar niet in functionele zin, en waren in net iets verschillende werkvelden actief. Pilot-leiding en onderzoeksleiding stemden unaniem in met de panelkeuze. Digitale kennismaking van panel met de onderzoeksleiding en Pilotleiding vond kort voor de sessie (op 2 achtereenvolgende dagen) plaats. De panel-procedure in praktische zin startte met het maken van een uniforme samenvatting van elke casus (n=13), via het standaard-presentatieformulier. De informatie van deze casus werd door de onderzoeksmedewerkers onveranderd uit de registratie gehaald, en op 1 punt aangevuld door informatie van het GAGW-koppel waar het ging om een beschrijving van hun eigen functioneren in de GA-werkwijze. Soms moest een enkel missend gegeven alsnog worden nagevraagd. De sessies vonden plaats op een neutrale locatie, met voorzieningen zoals grote presentatieschermen, Teams-verbindingen en opname apparatuur. De beschikbaarheid van Teams-verbindingen bleek essentieel toen zich een coronageval voordeed.

Er was een presentatieschema, waarbij elke casus werd gepresenteerd door het GAGW-koppel dat de casus onder haar hoede had. Grofweg was er 45 minuten beschikbaar, 50/50 verdeeld tussen a. presenteren en vragen beantwoorden van het panel, en b. evalueren met het formulier en de consensus/dissensus checken. De tijd ontbrak voor een technische try-out, en een oefensessie met het panel. Tijdens de panel-sessie op locatie waren aanwezig, naast de 3 panelleden, de onderzoeksleider, de Pilotprojectleider, en de directeur van Triqs voor de technische instrumentering. De onderzoeksleider had in het begin (casus 1) de rol om het proces toe te lichten, maar de panelleden gaven na 1 casus aan ook dit procedurele voorzitterschap over te willen en kunnen nemen, wat is gehonoreerd. Het expert-panel voerde de evaluatie van de overige 12 casus geheel zelfstandig uit zodat ook letterlijk niet van enige beïnvloeding sprake was. Een en ander kan niet los gezien van het hoge expertise niveau en de goede interactie tussen de panelleden. Hierdoor kon achteraf worden vastgesteld dat de panelprocedure tot in detail de vooraf gemaakte opzet heeft gevolgd. Alle betrokkenen gaven ook zelf - nog vóór de analyse - aan dat althans de procedure aan de vooraf gestelde verwachtingen had voldaan.

Er is in de analyse vastgesteld dat de panelleden daadwerkelijk volstrekt onafhankelijk oordeelden, hun inschattingen waren vergelijkbaar ('convergent') maar niet identiek, niet unaniem. De score-regels waren – net als andere elementen van de studie - met opzet steng gemaakt, om 'rijk rekenen' te voorkomen en niet te snel succes aan de GAwerkwijze toe te schrijven. Het eindresultaat van de panel-beoordeling is dat de GA-werkwijze in deze 13 casus overtuigend, in alle gevallen, tot inhoudelijke meerwaarde c.q. vergrote effectiviteit heeft geleid; in 2/3 werd duidelijke deescalatie vastgesteld. Dat het niet in alle gevallen tot de-escalatie heeft geleid wordt o.a. verklaard door de strenge eisen: tenminste 2 van de 5 escalatieaspecten moest er duidelijk op vooruit zijn gaan met convergentie tussen de beoordelaars. Ook was een enkele casus wat lichter van complexiteit (binnen de selectie van deelnemers voor de Pilotstudie) zodat grote de-escalatiestappen dan moeilijker te maken zijn. Maar natuurlijk was er ook een geval waarin de GA-werkwijze niet wezenlijk invloed had op het escalatieniveau (maar niettemin een convenant wist te realiseren). In antwoord op de onderzoeksvragen stelde het panel vast dat er een grote verschuiving plaatsvond van rechtszaken naar convenanten, dat calamiteiten worden voorkomen, en dat de doorlooptijd in deze casus sterk is bekort.

36

De werkwijze van het GAGW-koppel kwam in de presentatie duidelijk naar voren, met een per casus geïndividualiseerde aanpak van GA en GW samen (nooit de GA alleen), geheel conform de werkwijze beschrijving. De GW en de GA pasten desgewenst hun rol aan; de GW zorgde steeds voor het minimaal noodzakelijke communicatieniveau, en de GA voor de focus op onderhandelingssituatie en de balans. In verschillende casus was duidelijk hoe niet volgtijdelijk maar tegelijk, door GA en GW samen, werd gewerkt aan gedrag, zorgregeling en zaken, met de mogelijkheid op ongelijksoortige domeinen te dealen. Dat vereist scholing, ook in teamplay. De expert-panelstudie had enkele beperkingen. Allereerst de selectie van casus en het aantal casus. De 13 casus waren gemiddeld wat minder complex dan de nog niet afgeronde zaken, maar het is belangrijk erbij stil te staan dat dit nuances van 'rood' zijn. Onbedoeld konden we vaststellen dat de GA-werkwijze ook bij lichtere zaken (oranje) effectief is. Het kleine aantal casus veroorzaakt wel a priori statistische onzekerheid, maar de bewijskracht was hier groter dan het kleine aantal suggereert omdat ook de tussenstappen naar meer effectiviteit zijn vastgesteld. Een tweede voorbehoud betreft de korte follow-up (eigenlijk: het ontbreken daarvan). Onbekend is hoe houdbaar de convenantoplossingen zijn.

De GA-werkwijze geeft zulke goede korte-termijn-resultaten dat voorzichtigheid geboden is. Zoals echter in andere paragrafen wordt getoond, zijn de expertpanelresultaten volledig convergent met de uitkomsten van andere bewijsmiddelen. En ook: zelfs een halvering van het GA-effect is nog steeds grote winst. Een derde voorbehoud is de gebrekkige informatie over kindeffecten, die zich vooral in het natraject moeten tonen. Daar kon ook het panel niet veel over zeggen. Dat wil overigens niet zeggen, dat de GAwerkwijze niet relevant is voor het kind. De werkwijze grijpt langs verschillende wegen aan op mechanismes die nadelige kindeffecten veroorzaken. Dat gaat niet alleen over de ouderlijke omgang (met elkaar en met de kinderen), maar ook om de doorlooptijd, en de vroegtijdige inschatting van de pedagogische situatie. Dus gunstige kindeffecten kunnen worden verwacht, ook volgens het panel. Het vierde is dat we niets kunnen zeggen over subgroepen, en vooral niet over subgroepen naar complexiteit/risico. Dat vereist grotere aantallen, en een uniforme (liefst over Nederland zoals in de zorg, er zijn daar diverse nationale risicosystemen) risicotaxatie met ruimere inclusiecriteria. De winst hiervan zou zijn dat we (zekerder) zouden weten of er een drempelrisico is waaronder hulpverlening ook zonder GW kan.

Volgens de expert-panel resultaten is het voordeel altijd aanwezig, maar in absolute termen (uiteraard) kleiner bij lager risico. Uit de kostenparagraaf blijkt dat vanuit een financieel oogpunt dat er nog steeds sprake is van een positieve balans ten gunste van de GA-werkwijze. Als het voordeel ook bij grootschaliger toepassing altijd aanwezig blijkt (zoals bij de 13 casus), ontstaat de vraag of juridische scheidingshulp niet standaard GA-werkwijze als evidence-based standaard moet kiezen, waarvan alleen gemotiveerd kan worden afgeweken. 3.6.6 Blok 5: Kostengevolgen Als laatste is een inschatting gemaakt van de kosten-gevolgen van het werken volgens de GA-werkwijze. Daarin was in het onderzoeksvoorstel niet voorzien, maar tijdens het onderzoek bleek dat – al dan niet terecht- telkenmale economische en financiële vragen werden gesteld. In de registratie waren met opzet vragen opgenomen om althans een indicatie van kosten van de GAGW-werkwijze te kunnen geven binnen het geobserveerde proces. Die informatie wordt hier eerst gegeven. Daarna volgt een zgn. scenario-analyse, volgens dezelfde beginselen waarmee ook bij zorgvraagstukken of bij publieke vraagstukken in het algemeen beslissingsondersteuning wordt gerealiseerd. Maar gegeven de randvoorwaarden is de uitvoering relatief eenvoudig gebleven. Voor de details wordt naar het betreffende hoofdstuk 8.4 verwezen.

Allereerst de kostenrapportage binnen de studie die zich richtte op de uitvoerenden van de GA-werkwijze.

37

Figuur 3.15:

Gerapporteerde tijdbesteding tot beslissing

In peilmoment 2 zijn tijdbestedingsvragen gesteld aan de GA en GW, dat – terugkijkend – werd ingevuld als de GA-fase was afgerond en een convenant wordt opgesteld of een zaak wordt gestart (verzoekschrift). De belangrijkste informatie is de tijdbesteding in uren. In bovenstaande figuur 3.15 zijn de gegevens samengevat, gemiddeld over 17 afgeronde casus (medio december 2022). Op de eerste regel staat dat de GA gemiddeld 28,6 uur besteed aan live-sessies met ouders samen. De standaardafwijking, een maat voor spreiding, is 15,4 uur, en de range van de middelste 50% van de observaties is 20 – 40 uur (dat heet de 25-75 percentiel range). In de eerste kolom staan ook de gemiddelden van de andere tijdbestedingen. In de laatste kolom staat '%Nul-antwoorden'. Het cijfer geeft aan welk percentage van de casus in het geheel niet deze categorie tijdbesteding nodig had. De GA e is altijd nodig, dus daar staat 0%. Maar op de 3 regel staat bij 'Ouders afzonderlijk' 47%, wat er op wijst dat in de helft van de gevallen – doorgaans de meest complexe – ook afzonderlijke gesprekken met de ouders noodzakelijk waren. Niet in alle gevallen werd met de kinderen gesproken (24%, te jong).

De GA besteedde 6,2 uur aan Teams-sessies (NB met name coronabesmetting van 1 van de deelnemers leidde hier soms toe), en een kleine 6 uur aan overleg met de ouders apart, en ongeveer net zoveel aan overleg met de kinderen. Totaal ongeveer 46 uur GA-tijd, en 31,1 uur GA-tijd. Totaal is het 77 uur. (NB de eerst voltooide casus zijn relatief iets lichter). Daar komen nog als regel korte consultaties bij, gesprekken met andere professionals. Deze realisaties wijken fors af van de begrote en vergoede tijd; circa 80% van de GAGW-koppels beschouwden de vergoeding niet acceptabel, in een definitieve situatie. Voor de scenario-analyse zijn we daarom van een realistisch aantal vergoede uren uitgegaan voor de GA, met 2 tariefstellingen. De totale tijdbesteding per casus lag tussen de 60 en 102 uur, zie de antwoorden bij 'Totaal GA+GW'. Als dat willekeur zou zijn, of 'persoonlijke filosofie' van de afzonderlijke advocaat, zou dat zorgelijk zijn, zeker in het licht van de gestandaardiseerde manier van werken. Maar er bleek een zeer duidelijk verband te zijn met de complexiteit van de scheiding in het bijzonder het aantal conflicten (figuur 3.16). Grofweg kwam er voor ieder conflictpunt 12 uur totaaltijd GA+GW bij, met een vaste voet van 10 uur.

38

Figuur 3.16:

Relatie conflictpunten met totale tijd GA (A) en GA+GW samen (B)

A

B

De escalatie-index bij intake en het aantal scheidingsgronden deed er nauwelijks toe. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de tijden gechargeerd zijn; de meting is opgehangen aan afzonderlijke ontmoetingsmomenten van onderscheiden duur, en bij overdrijving (die altijd een willekeurig element bevat) zou nooit zo’n mooi verband zichtbaar zijn geworden. Opvallend genoeg was er geen enkele relatie met het escalatieniveau. Dat lijkt ons bij nader inzien geruststellend. Waarschijnlijk, en daar zijn verschillende aanwijzingen voor, leidt de GAGW-werkwijze er inderdaad toe dat men kan onderhandelen in de 'tipping point' zone, maar evengoed is er dan in de ene situatie meer te onderhandelen dan in de andere. Wij zagen ook dat de belangrijkste variabele factor voor afzonderlijk de uren van de GW, het aantal kindgesprekken is, ook een teken van validiteit van de waarnemingen. Samengevat: - De GA-werkwijze kost gemiddeld meer tijd dan de initiatiefnemers hadden voorzien, en valt buiten bereik van de huidige arrangementen voor toevoegingen; - Er is een zeer goede transparante verklaring voor de variatie in tijdbesteding, met indirecte aanwijzingen dat de beoogde de-escalatie inderdaad plaatsvindt.

39

Na deze interne kostenbeschrijving vond een zgn. Scenario-analyse plaats die ook van deze informatie gebruik maakt. Deze bestond uit de volgende stappen. Stap 1. Het hele scheidingsproces wordt in fasen ingedeeld, met beslissingsknopen, waar gezinnen doorstromen, of uitvallen. Stap 2. Per fase (of subfase) worden zoveel mogelijk kostendragers onderscheiden, waaronder we hier afzonderlijk te kwantificeren maatschappelijke inspanningen (arbeid, materiële middelen) verstaan. Het gaat om de in aanvang grootste kostendragers, en dan met name degene die variëren met de uitkomsten van de GA-werkwijze. Ook worden effectparameters gedefinieerd (zoals bijv. OTS, uithuisplaatsing, etc.). Stap 3. Er worden cijfers gehangen aan de kansen op doorstroming, op gebruik van bepaalde diensten. Voor de standaardwerkwijze en voor de GA-werkwijze; evenzo worden bedragen gehecht aan de kostendragers. Stap 4. Het hele scenario wordt doorgerekend voor de GA-werkwijze, en voor de standaardwerkwijze, en het verschil wordt bepaald. Er zijn 4 mogelijkheden: 1. GA-werkwijze is duurder en niet effectiever, 2. De GA-werkwijze is goedkoper, maar minder effectief, 3, GA-werkwijze is duurder maar ook effectiever en 4. De GA-werkwijze is goedkoper en ook effectiever. Situatie 1 is eenvoudig: niet doen, ook situatie 4 is eenvoudig: wel doen. Beide komen niet vaak voor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13419318/1