BP Nieuwekampen 12-14 Vinkel - toelichting en regels
Tekst van het document
Welstand Maasdonk 2004
De gemeente heeft voor haar grondgebied een welstandsbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Welstandsnota Maasdonk, juni 2004, van de gemeente Maasdonk. Het doel van dit beleid is om invloed uit te oefenen op de esthetische kwaliteiten van de (te bouwen) bouwwerken. De gemeente hecht groot belang aan een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving. Het doel van de nota is de initiatiefnemer vooraf in alle openheid te informeren en inzicht te geven over de wijze waarop de welstandscommissie over bouwplannen zal adviseren. De criteria die bij deze advisering een rol spelen worden met deze nota meer geobjectiveerd en gemotiveerd. Elk bouwplan zal door de gemeente worden getoetst aan de welstandsaspecten en criteria zoals vastgelegd in de welstandsnota. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘gebied 7b zandgronden’ van de Nota. Er is geen sprake van een karakteristieke lint, zodat welstandsniveau 2 van toepassing is. De relevante welstandcriteria zijn hieronder weergegeven: Welstandscriteria Ligging de oriëntatie van de bebouwing op de kavel vertoont samenhang (kaprichting, gerichtheid op de weg); bijgebouwen staan niet op de voorgrond.
Massa de hoofdmassa’s en het kappensilhouet vertonen samenhang; aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex; de (woon)bebouwing bestaat uit 1 laag met een kap; bijgebouwen liggen op de achtergrond; van de bijgebouwen is de massa qua maat, schaal en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw; de vormgeving is afgestemd op de bestaande bebouwingskarakteristiek, gebiedseigen traditionele
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel architectuur. Materialen en kleuren de gevels zijn grotendeels uitgevoerd in baksteen; toepassing van rode of antracietkleurige dakpannen, bij voorkeur gebakken pannen; het materiaal- en kleurgebruik is afgestemd op de materialen en kleuren van het betreffende bouwblok; aan- en bijgebouwen zijn in materiaal en kleur afgestemd op de hoofdmassa. Conclusie De gemeente hanteert van de Welstandnota alleen nog welstandsniveau 1. Het plangebied ligt in niveau 2. Desalniettemin kan gezien de bestaande structuur van het perceel qua ligging en aanwezige bebouwing alsmede in relatie tot de aard van de activiteiten en de ligging in het landelijk gebied geconcludeerd worden dat aangaande de voorgenomen uitvoering van de bebouwing redelijkerwijs aan de welstandscriteria wordt voldaan. 3.3.4
Visie Bomen, Water en Groen s’-Hertogenbosch 2021
De Bossche Omgevingsvisie is een integrale visie op de fysieke leefomgeving. Hierin staan de ruimtelijke ambities voor de ontwikkeling van 's-Hertogenbosch en de prioriteiten en keuzes die daarvoor nodig zijn. De visie 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig is integraal onderdeel van deze Bossche Omgevingsvisie. Met de visie onderschrijft de gemeente de grote waarde van groen en water in de gemeente, met als streven een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving in 2050. Daarvoor zijn normen en richtlijnen opgeteld voor de leidende thema's groen, water en biodiversiteit. De gemeente nodigt bedrijven en burgers uit om zelf met initiatief te komen en samen de weg in te slaan naar een duurzaam 's- Hertogenbosch. Daarnaast zijn in de bijbehorende verordening Bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021 voorschriften opgenomen waarmee rekening wordt gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven. Zo worden bij nieuwe ontwikkelingen en projecten kaders gesteld aan de uitvoering om de aanleg van groen en natuurinclusief bouwen te stimuleren. Een van deze onderdelen is een puntensysteem voor de aanleg van voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen.
Ook dient bij iedere nieuwe ontwikkeling waterberging gerealiseerd te worden, bij voorkeur in het groen, en wordt bij nieuwe ontwikkelingen een substantieel aandeel aan groen gewaarborgd via een wijkspecifieke norm. Paragraaf 3.3.5 gaat nader in op de verordening. 3.3.5
Verordening Bomen, Water en Groen s’-Hertogenbosch 2021
Om de gevolgen van klimaatverandering voor ’s-Hertogenbosch te beperken is een verordening opgesteld voor bomen, het verwerken van hemelwater en grondwater en het aanleggen en beheren van groen. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen in juridisch opzicht geborgd. Op deze manier is voor iedereen duidelijk wat wel en niet mag en hoe de gemeente daarop toeziet. - Groen Om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving is een groennorm vastgesteld. Per gebied is een ondergrens van het percentage groen aangegeven. Voor het gebiedstype 'buitengebied’ (zie bijlage Groenkaart bij Verordening) geldt een norm van 50%. Het uitgangspunt is dat indien niet wordt voldaan aan de groennorm het plan, het project, de ontwikkeling, het initiatief of de activiteit wordt aangepast totdat er wel kan worden voldaan. De uitwerking van deze groenscore is zowel kwantitatief in hoeveelheid groen (m2) als kwalitatief in de mate van biodiversiteit. Toetsing aan de groennorm wordt gedaan aan de hand van een nieuw instrument; de groenscore. Met de groenscore wordt getoetst of er voldoende groene elementen in het plan worden meegenomen.
Een plan of project wordt onder meer beoordeeld op het oppervlak aan groen boven de gestelde norm voor de betreffende locatie, behoud van bestaand groen en bomen, beplanting van gebiedseigen en inheemse soorten, natuurinclusief bouwen (o.a. groene gevels) en andere voorzieningen voor faunasoorten. Ook het plaatsen van drachtbomen zorgt voor punten.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
Een nadere verantwoording en berekening van de groennorm is opgenomen in paragraaf 4.1.2 Landschappelijke inpassing en bijlage 4 Kwantitatieve- en kwalitatieve berekening groennorm, Nieuwekampen 12-14 Vinkel. Aan de betreffende groennorm van 50% wordt voldaan. De score bedraagt 69%. - Bomen en houtopstanden De verordening geeft aan welke regels de gemeente hanteert voor het vellen van houtopstanden (bomen), het verwerken van hemelwater en grondwater en het aanleggen en beheren van groen. De regels voor bomen en water zijn gebaseerd op de gemeentelijke regels die voorheen golden. Voor groen is een groennorm opgesteld. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in deze verordening regels opgenomen om bepaalde categorieën houtopstanden te beschermen. Volgens de Groene kaart, zoals genoemd in de Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021, zijn er binnen het plangebied geen belangrijke structuren of monumentale bomen te vinden. - Water Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte.
Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen voor perceeleigenaren om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd. Indien een ontwikkeling voorziet in meer dan 500 m2 oppervlakteverharding, moet een hemelwatervoorziening worden gerealiseerd die minimaal 60 mm hemelwater per m2 toename verhard oppervlak of vernieuwd bestaand verhard oppervlak kan verwerken. Dat kan bijvoorbeeld door een (of meerdere) centrale watervoorziening(en). Zie voor een nadere verantwoording paragraaf 4.2.6 Water. Conclusie Het initiatief voorziet naast de bedrijfsmatige ontwikkeling in een significante bijdrage aan groen, wateropvang in relatie tot verharding en bebouwing wordt energieneutraal uitgevoerd (klimaatbestendig bouwen). De ontwikkeling is derhalve in lijn met de Visie Groen en Klimaatbestendig / Verordening Bomen, Water en Groen. Voor een nadere verantwoording wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2 en 4.2.6.
3.4
Conclusie beleid
Op basis van de van toepassing zijnde (ruimtelijke) provinciale- en gemeentelijke beleidsregels is een nadere motivering en onderbouwing opgenomen. Het initiatief is in overeenstemming i.c. niet in strijd met de van toepassing zijnde ruimtelijke beleidsregels.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
Hoofdstuk 4
Planologische uitvoeringsaspecten
Het planologisch wijzigen van de bestemming in casu het toestaan van bedrijfsmatige activiteiten en de aanleg van groen / water op de gronden van het plangebied hebben een directe relatie tot de ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de effecten van het beoogde plan nader aan de orde gesteld.
4.1
Ruimtelijk
Vanuit planologisch oogpunt, rekening houdend met het provinciale en gemeentelijk beleid, én de toetsingscriteria aangaande een goede ruimtelijke onderbouwing is onderstaand een aantal van belang zijnde aspecten uitgewerkt. 4.1.1
Beeldkwaliteit / stedenbouwkundig
De beleidsuitgangspunten betreffende beeldkwaliteit en kenmerken voor het gebied zijn omschreven in de Structuurvisie Maasdonk en de toelichting bij het bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012 en de Welstandnota Maasdonk 2004. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het bepaalde in het provinciaal ruimtelijk beleid. De relevante (rechtstreeks) geldende kaders in relatie tot de omgevingsvisie en / of verordening zijn voor het plangebied in paragraaf 3.2.1 of 3.2.2 nader verantwoord en / of elders, waaronder in de paragraaf Water, nader uitgewerkt. Door onderhavige aanvraag / initiatief van het bestemmingsplan wijzigt de mate van bebouwing enigszins, maar de bedrijfsactiviteiten feitelijk niet. De (ruimtelijke) impact voor uitstraling van het bedrijf in casu de omgeving is nihil. Tevens voorziet het initiatief in een aanzienlijke bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, waarbij circa 7.370 m2 landschappelijk wordt ingericht. Het landschapsplan (zie bijlagen) is akkoord bevonden door de gemeente. De bebouwing voldoet aan de uitgangspunten van het bestemmingsplan en de welstandscriteria (zie paragraaf 3.3.3). Er is sprake van bebouwing met een ‘agrarische uitstraling’.
Het plan geeft concreet invulling aan een meer doelmatig gebruik van bebouwing en het terrein ten behoeve van het loon-/cultuurtechnisch bedrijf waarbij eveneens de ruimtelijke kwaliteit verbetert. Conclusie Van onevenredige aantasting van de beeldkwaliteit of kenmerken van het gebied is geen sprake. 4.1.2
Landschappelijke inpassing
In navolging van provinciale Omgevingsvisie (zie paragraaf 3.2.1) en de interim omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2) wordt het plangebied voorzien van een goede landschappelijke inpassing, welke in lijn is de genoemde beleidsuitgangspunten en is rekening gehouden met de gebiedskenmerken. Daarnaast worden vanuit de (gemeentelijke) Visie en Verordening Bomen, water en Groen ’s Hertogenbosch 2021 voorwaarden gesteld ter beperking van gevolgen van klimaatverandering in relatie tot het aanleggen en beheren van groen, bomen en verwerken van hemel- en grondwater (zie paragraaf 3.3.4 en 3.3.5). - Toetsing i.r.t. IOV De nadere voorwaarden omtrent landschappelijke inpassing zijn opgenomen in het “Afsprakenkader: voorwaarden uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap” welke zijn vastgesteld in het Regionaal Ruimtelijk Overleg Noordoost Brabant. Onderhavig plan is aan te merken op grond van de Notitie Toetsingskader als een categorie 3 (aanzienlijke ruimtelijke impact), zie paragraaf 3.2.4. Voor de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de landschappelijke inpassing c.q. bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, alsmede de mate van compenserende maatregelen, wordt verwezen naar het landschappelijke inpassingsplan, zoals opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan (zie bijlage 2 bij toelichting). Binnen het plangebied c.q.
op en nabij de gronden met de bestemming Bedrijf wordt zorggedragen voor een robuuste landschappelijke inpassing van in totaal circa 7.370 m2. Planologisch wordt de landschappelijke inrichting geborgd via de planregels behorend bij de bestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden, de bestemming Groen (zuidoostelijk deel van plangebied) en binnen de
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel bestemming Bedrijf middels daartoe strekkende aanduidingen ‘specifieke vorm van groen (respectievelijk Bedrijf) - landschappelijke inpassing’. Op en rondom de huidige bedrijfslocatie c.q. de woningen wordt het bestaande groen behouden. Aan de zuid- en zuidoostzijde van het bestemmingsvlak Bedrijf wordt een keerwand in combinatie met een grondwal en beplanting aangelegd, zodat een afscherming tussen de bedrijfsactiviteiten en de omgeving gerealiseerd wordt. Deze groenwal dient beheerd en onderhoud te worden. Hetgeen middels de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – landschappelijke inpassing’ planologisch geborgd is. De hoogte en breedte van de grondwal is, afhankelijk van de situering van de keerwand, opgenomen in het landschapsplan en via de planregels geborgd (bijlage 1 van planregels). De landbouwgronden wordt nader ingericht als kruidenrijk grasland, diverse beplanting en een poel. Bij de aanleg van de poel wordt rekening gehouden met de gemiddeld laagste grondwaterstand (-1,20 meter NAP) en hoogste grondwaterstand (-0,6 meter NAP) en het feit dat – ook in de zomer i.c. droge periodes – een waterniveau van 0,5 meter aanwezig is voor het beheer en behoud van vaste rust- en verblijfplaatsen van aanwezige – of zich te ontwikkelen soorten.
Dit geldt ook voor de aanleg van het talud aangaande de habitat voor bijvoorbeeld amfibieën. De nadere uitwerking i.c. inrichting van de landschappelijke inpassing is in totaal (dus bestaand en nieuw) opgenomen in bijlage 2 Landschappelijk inpassingsplan Nieuwekampen 12-14, maart 2024 en bijlage bij planregels inclusief de nadere duiding van de te onderscheiden plantvakken, de indeling per plantvak en de toelichting, bouwtechnische aspecten van keer-/grondwal bij het inpassingsplan. Op grond van deze gegevens is een calculatie / begroting opgesteld ter berekening van de (financiële) investering in relatie tot aanleg, aanplant, onderhoud, beheer e.d. (zie bijlage 5a) en de overige landschapsinvestering c.q. bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit (bijlage 5b). Deze berekeningen kwaliteitsverbetering landschap bevatten een concrete uitwerking van de inrichting en bijbehorende financiële aspecten (bijlage 5a en 5b). De beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant welke vanaf 20 juli 2022 van kracht is, heeft betrekking op ontwikkelingen welke gericht zijn op ‘woningbouw’. Aangezien dit in dit plan niet wordt voorzien, is de beleidsregel niet van toepassing. De planologisch-juridisch binding ter realisatie en behoud van de landschappelijke inpassing is middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd via de regels van het bestemmingsplan (zie artikel 5 Groen).
Op basis van de Handreiking kwaliteitsverbetering landschap en het voormelde dient compensatie plaats te vinden van het ruimtebeslag voor de nieuwe / beoogde ontwikkeling. Samenvatting: De waardetoename / - daling van de betrokken gronden van het plangebied leidt per saldo tot een toename van € 150.245,-. Op grond van de Handreiking i.c. provinciaal beleid dient 20% van de meerwaarde ‘gecompenseerd’ te worden, zijnde : € 30.049,De kosten voor landschappelijke inpassing / ontwikkeling bedragen, waaronder inrichtings-, aanlegen omvormings- en beheerskosten circa € 43.167,De kosten / investering welke gerelateerd zijn aan de kwaliteitsverbetering ter plaatse binnen het plangebied zijn derhalve, circa € 13.118,- hoger dan het bedrag dat is berekenend op grond van de handreiking kwaliteitsverbetering. De mate van landschappelijke inpassing en het zuinig ruimtegebruik zijn, in relatie tot de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten, in afdoende perspectief tot elkaar. Er is sprake van een gunstige verhouding tussen netto en bruto ruimtebeslag. Zowel aan de landschappelijke -/ruimtelijke voorwaarden gesteld op grond van het bestemmingsplan als de “provinciale” zorgplicht – vertaald via de Handreiking Kwaliteitsverbetering – is invulling gegeven (zie bijlage 2, 5a en 5a).
- Toetsing aan Verordening bomen, water en groen ‘s-Hertogenbosch In de gemeentelijke verordening, zie paragraaf 3.3.5, is opgenomen dat het verboden is om meer dan 500 m2 aan nieuwe verharding te realiseren zonder daarbij te voldoen aan de groennorm die voor een bepaald gebied, geldt (zoals opgenomen op de groenkaart in bijlage 3 van de Verordening) en te voldoen aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen in bijlage 4b van de Verordening.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
De berekening van de kwantitatieve- en kwalitatieve groen- en biodiversiteitsscore voor onderhavige ontwikkeling is opgenomen bij dit plan. Zie bijlage 4 bij de Toelichting. Het ontwikkelgebied is gelegen in het buitengebied conform indeling van Groenkaart. De bijbehorende groennorm bedraagt 50%. De groenscore (basis en aanvulling) bedraagt 69%. Aan de groennorm wordt derhalve voldaan. Opgemerkt wordt dat deze diverse oppervlakten niet gelijk zijn aan de oppervlakten zoals vermeld in paragraaf 2.3. In die paragraaf zijn de oppervlakte gerelateerd aan de planologische gebruiksfunctie i.c. bestemming. De berekening op grond van de verordening gaat uit naar de feitelijke (beoogde) inrichting, zie bijlage 2 bij toelichting. Conclusie Aan de provinciale- en gemeentelijke voorwaarden in relatie tot het leveren van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit c.q. de bijdrage aan het beperken van gevolgen voor klimaatverandering wordt voldaan.
4.2
Milieu
Naast de planologische aspecten dient eveneens rekening te worden gehouden met de milieuhygiënische aspecten. De meest relevante aspecten voor onderhavig project zijn uitgewerkt. 4.2.1
Bedrijven en milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling, in dit geval een vormwijziging inclusief vergroting van een bestaand bestemmingsvlak Bedrijf en oprichten van behoort een nadere ruimtelijke afweging, er moet sprake zijn / blijven van een goede ruimtelijke ordening in casu een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een belangrijke factor voor het behouden en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving (aanvaardbaar woon- en leefklimaat) is een juiste afstemming tussen bedrijvigheid, wonen, recreëren en natuur. In de ruimtelijke ordening wordt daarom rekening gehouden met de milieuhinder van bedrijven/activiteiten ten opzichte van milieugevoelige functies. De bedrijfsactiviteiten van initiatiefnemer zijn als volgt – overeenkomstig planologische situatie – te duiden op grond van de SBI-indeling: SBI
activiteit
afstand
- 773
Verhuur van machines / werktuigen 3.1
50 mtr
- 016
Dienstverlening akker-/tuinbouw (b.o. > 500 m2) 3.1
50 mtr
- 024
Dienstverlening aan bosbouw 50 mtr (w.o. opslag groenmaterieel) 3.1
Gezien de aard van de activiteiten van het bedrijf van initiatiefnemer én de omvang van de bestaande- en beoogde bedrijfslocatie aan de Nieuwekampen 12 te Vinkel (bedrijfsoppervlakte > 500 m2) is, uitgaande van de richtlijn, een milieucategorie 3.1 van toepassing. Bij deze categorie hoort, op grond van het criterium geluid, een richtafstand van 50 meter. De toetsingscriteria gelden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de directe omgeving van de bedrijfslocatie zijn meerdere woonobjecten (gevoelige functies) aanwezig. Ten noorden van het plangebied betreft dit Nieuwekampen 10a én ten oosten Nieuwekampen 28. In figuur 1 en figuren 9 en 10 zijn deze woonobjecten zichtbaar alsmede de feitelijke afstanden.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
Bij initiatiefnemer is sprake van een bestaand bedrijf met feitelijke activiteiten en een planologisch en milieukundig regime (zie planregels). De afstand tot het dichtstbijzijnde gevoelige object (Nieuwekampen 10a) is – al vele decennia – gelijk (zie figuur 9). Door onderhavige ontwikkeling wordt de feitelijke afstand tussen de grens van het bestemmingsvlak Bedrijf en de bestaande woning Nieuwekampen 10a vergroot met tenminste enkele meters. De bestaande afstand bedraagt circa 30 meter en wordt door de vormwijziging van het bestemmingsvlak Bedrijf vergroot naar 32 meter (noordwestelijke begrenzing van bestemmingsvlak Bedrijf (zie figuur 10)). Aan de noordoosten wordt de feitelijke afstand met meer dan 10 meter vergroot (zie verschil tussen grens bestemmingsvlak Bedrijf in figuur 9 en 10). Door de wijziging van de begrenzing aan de noordzijde is de uitoefening van de bestaande activiteiten (nu op-/overslag) feitelijk niet meer mogelijk, vanwege de bestaande bedrijfsbebouwing en de rijroute. De opslagactiviteiten en dergelijke worden verplaatst in zuidelijke richting van het plangebied (zie bijlage 2). Tevens is aan de noordzijde een keerwand aanwezig met een hoogte van 2,5 meter, welke vanwege de wijziging van het bestemmingsvlak Bedrijf een stukje in zuidelijke richting wordt verplaatst en zorgt voor afscherming van het geluid.
In bijlage 2 is de lengte / positie en hoogte van de keerwand weergegeven. Hiermee komt de keerwand dichter nabij de rijroute van het verkeer (de geluidsbronnen) binnen de inrichting en zal derhalve voor meer reductie zorgen. De keerwanden (ten noorden, zuiden en zuidoosten van het plangebied) zijn qua positie, lengte en hoogte via het landschapsplan (bijlage 2) en de planregels geborgd. De afstand tot het oostelijk gelegen woonobject (Nieuwekampen 28) blijft gelijk (=32,5 meter), zie figuur 9 en 10. De uitbreiding van het bedrijfsvlak in zuidelijke richting leidt niet tot verkleining van de feitelijke afstanden tussen de grenzen van de bestemmingsvlakken. Door het feitelijk verplaatsen van de bestaande opslag en bewerkingsactiviteiten welke thans aan de noordzijde plaatsvinden naar het zuidelijke deel van het plangebied wordt de milieurelevante invloed vanuit de inrichting door deze ontwikkeling relatief kleiner c.q. neemt af. Dit geldt in eerste aanleg tot de woning Nieuwekampen 10a. Aangaande woning Nieuwekampen 28 wordt voorzien in een robuuste keerwand om de geluidsuitstraling te minimaliseren. Initiatiefnemer zal de keerwand met een hoogte van 4 meter zodanig uitvoeren dat een ‘geluidslek’ vermeden wordt. De keerwanden worden tevens voorzien van een beplante grondwal (zie bijlage 2).
De ontwikkeling leidt derhalve niet tot inbreuk op de bestaande ruimtelijke ordening i.c. het aanvaardbare woon- en leefklimaat (ter plaatse van Nieuwekampen 10a), maar van een optimalisatie c.q.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel een positief effect op het verminderen van relevante milieuhinder.
Gezien de aard van de activiteiten is, zoals voormeld, met name het criterium geluid relevant. In dit kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door GBS Milieutechniek te Breda. Het onderzoek met rapportnummer R2021.013 van 22 april 2021 is bijgevoegd (zie bijlage 6). In het onderzoek is inzake de toetsing van een goed woon- en leefklimaat aangesloten bij de VNG-Publicatie Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009. De locatie is gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Op grond van de toetsingstappen is een nadere verantwoording uitgevoerd. De resultaten en overwegingen zijn in hoofdstuk 7 van het rapport opgenomen. Zie ook paragraaf 4.2.3 (geluid). - verkeersaantrekkende werking De verkeersafwikkeling van het bedrijf bestaat al vele decennia in hoofdzaak uit het verlaten van de locatie in de ochtend, voor het uitvoeren van werkzaamheden op de locatie van opdrachtgever én aan het eind van de dag terugkeren naar de inrichting. Afhankelijk van de werkzaamheden én het soort in te zetten machine/werktuig komen de voertuigen ook gedurende de tussenliggende periode op de bedrijfslocatie (heen en weer). De bedrijfsactiviteiten vallen binnen de grenzen van het Activiteitenbesluit. Een actuele-/passende melding van de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten is verricht op 21 december 2016 en geaccepteerd op 7 maart 2017 (zaaknummer 6569049).
Gezien de kortstondige momenten van aan- en afvoerbewegingen bestaat de geluidsbelasting naar de omgeving, alsmede de verkeersbelemmering voor de overige weggebruikers, uit kortstondige periodes en momenten. Door goede (reeds aanwezige) gedragsregels ten aanzien van het rijden op de openbare weg, zijn adequate maatregelen genomen om belemmering en verkeersonveilige situaties, zoveel als mogelijk, te voorkomen. De werkzaamheden en daarmee de verkeersbewegingen zijn sterk seizoen gebonden en weersafhankelijk. Binnen de inrichting vinden geluidveroorzakende activiteiten plaats, zoals manoeuvreren, activiteiten in
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel de werkplaats, handelingen inzake op- en overslag en bewerken van groenmaterieel zoals takken en stobben (w.o. versnipperen) en van – beperkte hoeveelheden – aan zand, grond, e.d. Milieutechnisch zijn deze activiteiten geborgd via het Activiteitenbesluit zoals opslag en behandelen (zeven en versnipperen (zie ook akoestisch onderzoek)) alsmede de daarmee gepaard gaande normen/eisen voor bodem, lucht, stof, geur en geluid. Bij de toetsing van de veranderingsmelding is gebleken dat het niet aannemelijk is dat de geluidsnormen worden overschreden. Dit initiatief voorziet niet in een aanzienlijke wijziging of toename van activiteiten. Voor een nadere verantwoording wordt verwezen naar het uitgevoerde akoestisch onderzoek (bijlage 6). De duur van de activiteiten binnen de inrichting zijn dagelijks relatief beperkt, bestaande uit het starten van de machines, verlaten locatie, aankomst locatie, voorbereidende werkzaamheden volgend werk (bijv. aan-/afkoppelen machines of parkeren). Reparatie en onderhoud vinden in de werkplaats plaats. Deze werkzaamheden vinden in een afgesloten ruimte plaats. De geluidsbelasting is daarbij zeer beperkt, circa 75 dB(A). Voornoemde is ook herleidbaar op grond van de VNG-brochure. Voor agrarische activiteiten is ten aanzien van het aspect ‘geluid’ de aanduiding C – van continu – opgenomen.
Kortom de geluidsintensiteit kan dag en nacht plaatsvinden. Voor de activiteit ‘loon- en verhuurbedrijven’ is deze aanduiding niet van toepassing. Er is geen sprake van verkeersaantrekkende werking uitgaande van het bedrijf. De verkeersbewegingen zijn direct verbonden met de aard en omvang van het bedrijf. De VNG-brochure (2009) kent een index voor verkeersaantrekkende werking. Voor loon-/verhuurbedrijven groter dan 2.000 m2 (bedrijfsoppervlak) is een aanduiding “2”: potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking opgenomen. Gezien de aard en omvang van het bedrijf van initiatiefnemer is deze potentie verwaarloosbaar. Het aspect ‘indirecte hinder’ is in paragraaf 4.2.3 opgenomen. - Toetsingscriteria overig In relatie tot de bedrijfsactiviteiten is bovenstaand voornamelijk een toetsing uitgevoerd in relatie tot het aspect ‘geluid’. Een afweging op grond van ‘geur’, ‘stof’ en ‘gevaar’ is eveneens evident. Gerelateerd aan de bedrijfsactiviteiten is ‘geur’ en ‘gevaar’ niet relevant. Binnen de inrichting(en) vinden geen processen of activiteiten plaats met een relevante geur- of gevaarcomponent. Voor zover wel aan de orde (bijv. opslag brandstof / opslag groenmaterieel) wordt voldaan aan de daartoe relevante regelgeving qua opslageisen en bijvoorbeeld brandveiligheid.
Daarnaast zijn de werkelijke afstanden tot relevante gevoelige objecten vele malen groter dan de richtafstand (10 meter t.b.v. geur / gevaar). In relatie tot het aspect ‘stof’ is op grond van de VNG –brochure een richtafstand, gerelateerd aan de bedrijfsactiviteiten van 30 meter, opportuun. In relatie tot de opslag van zand/grond is eveneens de NER van toepassing. Ongeachte de planologische wijzigingen en herindeling van de activiteiten wijzigt de feitelijke afstand van de bedrijfsperceelsgrens tot de meest nabij gelegen relevante woning (nr. 28) niet. De daadwerkelijke afstand tussen de opslagdepots en bestaande woning bedraagt circa 38 meter. Door de aanwezige- / of te realiseren voorzieningen en maatregelen zorgt initiatiefnemer ervoor dat stofhinder wordt voorkomen (keerwanden (4 mtr), landschappelijke inpassing, mogelijkheden tot nathouden van stuifgevoelige stoffen, e.d.) of zich conform de van toepassing zijnde milieuregelgeving (Activiteitenbesluit) redelijkerwijs buiten de inrichting kan verspreiden. Conclusie Op grond van het aspect ‘milieuzonering’ is op grond van het voorgaande en de concrete toetsing op het onderdeel geluid (bijlage 6) verantwoord dat de ontwikkeling niet leidt tot een nadelig effect voor de leefomgeving voor de geluidgevoelige bestemmingen c.q. leiden tot een significant negatief effect op het bestaande aanvaardbare woon- en leefklimaat. 4.2.2
Bodem
Op grond van de Wet bodembescherming of ten gevolge van de vereisten op grond van de Wet Milieubeheer (voor bedrijfsactiviteiten) kan een onderzoek van de bodemgesteldheid een vereiste zijn. Onderhavig planologische wijziging heeft geen directe relatie met milieurelevante activiteiten met een dusdanig bodemrisico dat een verkennend bodemonderzoek vereist is.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
Het bedrijf is een zogenaamde type B-inrichting conform de melding Activiteitenbesluit. Voor de opslag en handelingen met bouwstoffen, grond of groenmateriaal kan aansluiting worden gezocht bij de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Op grond van dit besluit zijn, voor zover van toepassing (voor parkeren/stallen voertuigen/materieel of opslag van niet-significant bodembedreigende stoffen kan volstaan worden met een kerende vloer of voorziening), bodembeschermende maatregelen voorgeschreven. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering ter realisatie van dit plan. 4.2.3
Geluid / mobiliteit / parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een oordeel gegeven te worden van de verkeersaantrekkende werking, De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een projectafwijkingsbesluit, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Een eventueel akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Onderhavig plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. De feitelijke omvang van de bedrijfsactiviteiten wijzigt per saldo niet. De omvang van het bedrijf en derhalve de bestaande verkeersbewegingen blijven gelijk aan de huidige – milieutechnische – situatie (melding Acitiviteitenbesluit 21 december 2016).
Het oprichten van bedrijfsgebouwen en het gebruik van de ten zuiden gelegen gronden danwel het inrichten van het terrein leiden niet tot een nadere toetsing. Ook wordt de afstand tot gevoelige objecten in de omgeving – relatief – niet kleiner (zie ook paragraaf 4.2.1). Aan de noordzijde wordt de afstand tussen de bestemmingsvlakken (Bedrijf respectievelijk Wonen) vergroot (zie figuur 9 en 10) en aan de oostzijde blijft de afstand, ongeacht de uitbreiding van het terrein in zuidelijke richting, gelijk (zie figuur 10). De verkeersbewegingen en daarmee gepaard gaande geluidsbelasting van en naar de inrichting zal vanwege de ontwikkeling niet wijzigen. In de huidige feitelijke situatie vinden er in de representatieve bedrijfssituatie geen transportbewegingen in de periode tussen 19.00 en 6.00 uur plaats. Deze bewegingen zijn derhalve in het akoestisch onderzoek ook niet opgenomen aangezien deze voor de nadere ruimtelijke afweging van de onderhavige ontwikkeling niet relevant zijn. In de planregels is een gebruiksverbod opgenomen. De geluidsrelevante effecten gerelateerd aan onderhavige ontwikkeling zijn nader onderzocht (zie akoestisch onderzoek, GBS Milieutechniek te Breda, rapportnummer R2021.013 d.d. 22 april 2021 (bijlage 6)). De nadere verantwoording en overweging is in hoofdstuk 7 van het rapport opgenomen.
Als maatregel is aan de zuidoostzijde van de bedrijfslocatie een keerwand met een hoogte van 4 meter (tevens wand van opslagvakken) opgenomen welke direct aansluit aan de bestaande bedrijfsloods. Ook aan de noord- en zuidzijde van het plangebied worden ten behoeve van afscherming keerwanden geplaatst. Aangaande indirecte hinder en overigens ook aangaande overige aspecten in relatie tot het object Nieuwekampen 10a zij opgemerkt dat er sprake is van een reeds langdurige situatie. De mobiliteit of verkeersbewegingen ansich wijzigen niet vanwege onderhavige planologisch wijziging. De voorgenomen veranderingen hebben geen nadelig effect voor de leefomgeving. Van verkeersaantrekkende werking is geen sprake. De verkeersbewegingen zijn gerelateerd aan de ‘eigen’ bedrijfsactiviteiten. Parkeervoorzieningen zijn op eigen terrein aanwezig. De conclusies zijn als volgt (zie hoofdstuk 6 van het rapport):
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
Conclusie Het aspect geluid / mobiliteit geeft geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan. 4.2.4
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet heeft de volgende drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen. In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met Europese- en nationale wetgeving en beleid ten aanzien van de bescherming van natuur. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. - Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) - voorheen Ecologische Hoofdstructuur - is een samenhangend netwerk van bestaande- en nog te ontwikkelen - belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. - Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten.
Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplanting- of rustplaatsen van dieren, dan wel ontworteling of vernieling van plantensoorten; er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Beoordeling natuurwaarden i.r.t. plangebied - Gebieds-/soortenbescherming Het plangebied ligt niet in of in direchte nabijheid van een gebied welke door de provincie is aangewezen als een gebied welke behoort tot het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Op circa 500 meter ten zuiden van het plangebied ligt een aangewezen NNN-gebied. De overige gebieden liggen op grotere afstand (zie figuur 11). Het plangebied bestaat uit een bestaande bedrijfslocatie én een deel ‘agrarische grond’.
Het plangebied ligt binnen landelijk gebied, derhalve behoeft uitsluitend een oordeel plaats te vinden op soortenbescherming: de aanwezigheid van beschermde soorten op of nabij de onderhavige locatie en de eventuele wettelijke consequenties hiervan volgens de Wet Natuurbescherming (ontheffing / vrijstelling). Het plangebied (landbouwgrond) is van oudsher al vele jaren in gebruik geweest voor agrarische doeleinden waarbij voortdurend bewerkingen (maaien, weiden van vee, rollen, etc.) plaatsvinden. Door deze bewerkingen welke vanaf circa februari tot oktober, in afwisselende mate, gemiddeld eens per twee weken plaatsvinden, is de kans op de aanwezigheid van permanente verblijf- of broedplaatsen van beschermde flora – en fauna welke hierdoor permanent verstoord worden uit te sluiten. Dit blijkt ook uit een visuele beoordeling / quickscan (medio maart 2021) ter plaatse van dit deel van het plangebied, waarbij geen specifiek permanente verblijf- of broedplaatsen zijn aangetroffen. Zie ter illustratie de weergave van het onderzoeksgebied (figuur 12). Het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied Vlijmens Ven e.a, zie ook hierna, ligt op een afstand van circa 9,0 kilometer, ten westen van de planlocatie (zie figuur 13).
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
In relatie tot de beoogde ontwikkeling is door Brabant Eco een quickscan flora- en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd (zie bijlage 7: Ecologische quickscan Nieuwekampen 12 te Vinkel, Brabant Eco / Frenk van de Wal, rapport 2022-BE-0338, 28 mei 2022). De resultaten / conclusies luidden als volgt (zie ook volledige rapport):
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
Met referte naar het uitgevoerde onderzoek wordt de aanwezigheid van beschermde flora – en fauna uitgesloten. Ten alle tijden dient de zorgplicht op grond van de Wnb in acht te worden genomen. - Stikstof In navolging van het bepaalde in de Wnb dient voor een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling – al dan niet via een voortoets gemaakt te worden om te beoordelen of (eventueel met mitigerende maatregelen) met zekerheid kan worden vastgesteld dat het plan of project de natuurwaarden niet aantast. Deze verplichting vloeit voor uit de Habitatrichtlijn. Door Nederland is dit toestemmingsregime geïmplementeerd in de Wnb. Middels het zogenaamde Programma Aanpak Stikstof (PAS) is er vanaf 2015 een integraal programma, waarmee voor activiteiten die stikstof uitstoten en kunnen neerslaan op een Natura-2000 gebied ("stikstofdepositie") bepaald kan worden wat de invloed al dan niet is. Het gaat dan bijvoorbeeld om uitbreidingen van veehouderijen, de aanleg van woonwijken en wegen en industriële activiteiten. Stikstofdepositie kan een negatief effect hebben op de natuur. In veel Natura 2000-gebieden is sprake van een overschrijding van de 'kritische depositiewaarde' voor stikstof voor het specifieke habitattype in het betrokken gebied.
Het PAS strekt enerzijds tot herstel en behoud van de in het PAS opgenomen Natura 2000-gebieden en creëert daarmee tegelijkertijd ook ruimte voor economische activiteiten. In het PAS is een pakket van maatregelen vastgesteld (herstelmaatregelen en PAS-bronmaatregelen) dat samen met autonome ontwikkelingen moet leiden tot vermindering van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van die toekomstige 'winst' wordt beschikbaar gesteld voor economische activiteiten ("ontwikkelruimte"). Middels een uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) geoordeeld dat het PAS in strijd met de Habitatrichtlijn is vastgesteld. Bijlage 2 van het PAS, artikel 2 van het (vervallen) Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof en artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zijn onverbindend verklaard c.q. vernietigd. Voormelde heeft tot gevolg dat het toetsingskader, zoals opgenomen in het PAS en het daarbij behorende ‘rekenprogramma’ Aerius, geactualiseerd is. Alhoewel voor een bestemmingsplan het PAS-beoordelingskader niet van toepassing is (was), dient indien er sprake is van een (ruimtelijke) ontwikkeling c.q.
activiteiten waarvan niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er geen toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is (0,00 mol/ha/jaar), waar de kritische depositiewaarde is bereikt, wel een passende beoordeling te worden uitgevoerd (artikel 2.8, tweede lid, Wnb). De in de inleiding benoemde ontwikkeling heeft mogelijk significant negatieve gevolgen vanwege stikstofdepositie op het meest dicht nabij gelegen Natura 2000-gebied Vlijmens Ven e.a. of de Rijntakken (zie figuur 13). Wanneer de ontwikkeling bijvoorbeeld gepaard gaat met extra verkeersbewegingen of er nieuwe activiteiten (planologisch) plaats mogen vinden welke leidden tot een toename aan stikstofuitstoot (i.c. depositie) op Natura-2000 gebieden zal ter onderbouwing een voortoets / passende beoordeling moeten worden uitgevoerd.
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
Een geactualiseerde versie van het programma AERIUS is beschikbaar. Op grond van een berekening gerelateerd aan de bedrijfsactiviteiten i.c. (voortoets) stikstofdepositie wordt geconcludeerd dat de wijziging (gebruiks- of bouwfase) niet leidt tot een significante toename (> dan 0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofemissie op een Natura-2000 gebied. De voortoets stikstofdepositie inclusief aerius-berekeningen is bijgevoegd (bijlage 8). De gehanteerde bedrijfsgegevens en – uitgangspunten in de voortoets zijn in beginsel gebaseerd op de vigerende milieumelding op grond van het Activiteitenbesluit van 21 december 2016. Tevens is rekening gehouden met ‘worst- case’ scenario c.q. zijn hogere bronnen / emissie opgenomen (bijvoorbeeld totaal aan verkeersbewegingen van 120). Deze aantallen kunnen derhalve afwijken van de feitelijke situatie of de uitgangspunten van het recente akoestisch onderzoek (bijlage 6) betreffende de ruimtelijke geluidseffecten. Met in achtneming van de ‘worst-case’- benadering blijkt dat er geen sprake is van een depositie op Natura-2000 gebieden welke groter is dan 0,00 mol / ha / jaar. Conclusie Het initiatief heeft geen specifieke- of dermate onenredige aantasting op de belangen / waarden welke op grond van de Wet natuurbescherming beschermd dienen te worden, dat uitvoering van het plan hierdoor niet mogelijk zou zijn.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
4.2.5
Luchtkwaliteit
Op basis van de EU- richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2) en stikstofoxiden (NOx), zwevende deeltjes (PM10) en lood (Pb) in de lucht (Pb EG L163) dient Nederland de wettelijke luchtkwaliteitsnormen voor bovengenoemde stoffen en tevens voor koolmonoxide (CO) en benzeen (C6H6) vast te leggen. Het vorige Besluit Luchtkwaliteit 2005 is na de inwerkingtreding van de “Wet Luchtkwaliteit (Wlk)” vervallen. Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 5 Wet Milieubeheer (zie Staatsblad 2007, nr. 414, d.d. 30 oktober 2007). In artikel 5.16 Wm (lid 1) is opgenomen onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer aan één van de voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid. De voorwaarden zijn: a. b. c. d.
er is geen sprake van een feitelijke en dreigende overschrijding van een grenswaarde; de concentratie van de betreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. In het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) en bijbehorende Regeling is opgenomen wanneer ‘projecten’ geen aantoonbare gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Het bestemmingsplan voorziet in een vormwijziging en vergroting van het bestemmings-/bouwvlak waarbij eveneens de mate van bedrijfsbebouwing wordt vergroot. De in dit kader relevante bronnen betreffende de verkeersbewegingen. Feitelijk heeft onderhavig initiatief niet of nauwelijks invloed op de bestaande verkeersbewegingen. Milieutechnisch is de vigerende melding op grond van het Activiteitenbesluit van toepassing. Ook op basis van het akoestisch onderzoek (toetsing i.h.k.v. ruimtelijk spoor) blijkt dat het aantal bewegingen niet toeneemt. Ter benadering van het aspect ‘luchtkwaliteit’ is derhalve uitgegaan van de bestaande verkeersbewegingen c.q. een worst-case scenario van 120 bewegingen per etmaal (cf.
uitgangspunten Voortoets, bijlage 8), waarbij 80% van de bronnen als zware bron / vrachtverkeer wordt beschouwd. De NIBM tool is een rekentool voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit. Hiermee is op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Aan de hand van de NIBM-tool is bezien of via het aantal verkeersbewegingen wordt voldaan aan de hiervoor geldende norm. Zoals benoemd is uitgegaan van een worst-case scenario waarbij alle bestaande bronnen als ‘extra’ zijn aangemerkt en eveneens als ‘zware bronnen’ zijn beschouwd. Op basis van deze uitgangspunten blijkt dat de blootstelling aan luchtverontreiniging (dus feitelijk van de bestaande situatie) zeer beperkt is en niet leidt tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s (zie figuur 14). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar. De bestaande situatie c.q. het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek is niet aan de orde. Worst-case berekening voor de bijdrage van het (extra) verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit (in dit plan; uitgaande van de bestaande situatie)
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.2.6
Water
Bij planologische ontwikkelingen dient beoordeeld te worden of er consequenties zijn voor het waterbeheer op en in de ondergrond. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater). -Beleid * Nationaal niveau: Er zijn geen nationale belangen in het geding. * Provinciaal niveau: Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.
Naast beleidskader is dit plan ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Het waterplan bevat geen specifieke beleidsdoelstellingen voor het plangebied. De nadere regels omtrent water(kwaliteit) en gezien de ligging van het plangebied t.a.v. grondwaterbeschermingsgebieden zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (zie paragraaf 3.2.2). Op 3 december 2021 is het RWP vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.
* Gemeentelijk niveau: De visie en het beleid ten aanzien van het watersysteem heeft de gemeente verwoord in de Visie Groen en Klimaatbestendig (zie paragraaf 3.3.4) waarin is opgenomen dat de gemeente een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem wil creëren. Dit beleid is verankerd in de
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen (zie 3.3.5). De verantwoording van de in de verordening genoemde aspecten omtrent Water zijn in onderhavige paragraaf opgenomen. * Waterschap Aa en Maas: Onderhavig plangebied ligt in het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2022-2027. Voor het plangebied is de Brabant Keur van toepassing. > Brabant Keur: Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De 'Keur' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap (Aa en Maas). Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.
De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap. > Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater: De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1.
Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid. 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m); 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een watervergunning nodig. > De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’: De beleidsnota bevat acht uitgangspunten. De manier waarop deze zijn gehanteerd bij het onderhavige initiatief is cursief aangegeven. 1. Gescheiden houden van schoon en vuil water: binnen de huidige bedrijfsvoering /-inrichting is hier reeds in voorzien. De nieuwe bebouwing omvat geen voorzieningen waarbij vuil bedrijfsafvalwater vrijkomt. Het schone hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater of opgevangen in de poel / wadi (infiltratie). Een riolerings-/afwateringsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel, bestaand en nieuw, juli 2023 is opgenomen in de bijlage van de toelichting (bijlage 9); 2.
Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer".: Het hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen / gebufferd in (aanwezige) en nieuw aan te leggen wadi’s
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel (zie bijlage 2 en 5); 3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen: Het nieuw in te richten terrein wordt voorzien van semi-verharding en deels verharding / bebouwing. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het eventueel afspoelend water wordt ter plaatse opgevangen c.q. kan inzakken in bodem; 4. Water als kans: Is niet van toepassing / aan de orde; 5. Meervoudig ruimtegebruik: Is niet van toepassing / aan de orde; 6. Voorkomen van vervuiling. Het plan leidt niet tot vervuiling. Er is sprake van opslag van inerte stoffen/goederen; 7. Wateroverlastvrij bestemmen: De nieuwe ontwikkeling ligt op een relatieve hoogte, zodat kans op wateroverlast niet aan de orde is. 8. Waterschapsbelangen: Er zijn gezien de ligging nabij de Kleine Wetering waterschapsbelangen aan de orde. Het initiatief voorziet echter in het vergroten van de afstand van de bedrijfsactiviteiten tot aan de Kleine Wetering. De relatieve – negatieve – invloed van gevolgen voor de waterhuishouding nemen dienaangaande af. -Watersysteem * Bodem: Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. De ter plaatse aanwezige bodem betreft Kamppodzolgrond. De waterdoorlatendheid is goed.
* Oppervlaktewater: Ten noorden van het plangebied ligt een A-watergang ‘Kleine Wetering’ met een beschermingszone van 5 meter ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud (zie figuur 15). In de huidige situatie is hier reeds rekening mee gehouden. Het initiatief voorziet in het vergroten van de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en de waterloop. De Keur stelt ten aanzien van de beschermingszone onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels, in welke vorm dan ook. In het betreffende plan staan binnen deze beschermingszone conform bestaand gebruik een haag en enkele bomen. Het realiseren van obstakels binnen de beschermingszone mag alleen als hiervoor door het waterschap een (water)vergunning is verleend. Een vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. In de beleidsregel van de Keur “werken en objecten in de watergang en beschermingszone” is opgenomen aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Middels dit initiatief wordt de begrenzing van het bestemmingsvlak Bedrijf, welke nu grenst aan de A-watergang, gewijzigd zodat bestaande bedrijfsactiviteiten en aanwezige obstakels / verharding verplaatst worden tot grotendeels buiten de beschermingszone van 5 meter.
Enkel aan de noordwestzijde van het plangebied is / blijft een deel van de obstakels (bestaande bomen en haag, welke al meer dan 25 jaar aanwezig zijn) behouden binnen de beschermingszone. Gezien de bestaande situatie, welke als zodanig bij het Waterschap bekend is en met regelmaat wordt beoordeeld, is voor deze obstakels geen vergunning op grond van de Waterwet benodigd. Het overige deel van de beschermingszone wordt vrijgemaakt van belemmerende obstakels. * Grondwater: De grondwatertrap is in het plangebied IV. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich tussen de 50 – 70 cm ( = -0,6m +NAP) onder maaiveld.
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel
-Hemelwater * Verhard oppervlak: Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. Gestreefd wordt naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. In onderstaand overzicht is weergegeven welke wijzigingen optreden qua oppervlakteverdeling van het bedrijfsterrein c.q. een deel van het plangebied: Oppervlakte
Huidige situatie (m2)
Nieuwe situatie (m2)
-Daken / bebouwing (bedrijf/wonen)
(ongeveer) 2.610
(ongeveer) 3.137
-Terrein verhard
(ongeveer) 5.145
(ongeveer) 6.708
-Terrein onverhard (ongeveer) 2.545 (tuin/groen/doorlatend verharding)
(ongeveer) 3.705
TOTAAL
13.550
10.300
De feitelijke toename aan verhard oppervlakte c.q. terrein en bebouwing bedraagt derhalve circa 2.100 m2. Inzake de verantwoording van de ‘groennorm’ (paragraaf 3.3.5 en 4.1.2) is rekening gehouden met genoemde oppervlakte. De waterberging dient derhalve 126 m3 te zijn c.q. te kunnen bevatten. In het inrichtingsplan zijn de wadi’s / poel / retentievoorzieningen (bestaand en nieuw) opgenomen met een totale capaciteit van 1.200 m3 (400 + 800 m3) De maatvoering van de huidige wadi en de nieuw te realiseren poel, alsmede de bergingscapaciteit zijn weergegeven in de tekeningen van het landschappelijk inrichtingsplan (zie bijlage 2). Het plan / initiatief is reeds voorgelegd aan het Waterschap ‘Aa en Maas’ / plantoetser. De reactie is als volgt:
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Nieuwekampen 12-14 Vinkel