CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Buitengebied, Maliskampsestraat 53_Toelichting

Gemeenteraad 4 juli 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied, Maliskampsestraat 5317.772 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter). Bedrijven in de omgeving In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven (meer) aanwezig. Het dichtstbijzijnde bedrijf is gesitueerd aan de Loofaert 9 in Berlicum. Dit betreft een veehouderijbedrijf met schapen. Het gaat hierbij niet om een intensieve veehouderij. Het bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 400 meter tot de nieuwe woningen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Aan de Maliskampsestraat 63a is een veehouderij (niet intensief) gevestigd. Er worden vleesstieren en vleesstierkalveren gehouden. De afstand van dit bedrijf tot het plangebied bedraagt ruim 500 meter waardoor er van negatieve effecten op de beoogde woningen en de bedrijfsvoering geen sprake kan zijn. Op een afstand van 380 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich sportpark Maliskamp (tennisvelden op 380 meter, voetbalvelden op 520 meter).

Voor tennisbanen en sportveldcomplexen met verlichting geldt op basis van de VNG-brochure een indicatief aan te houden afstand van 50 meter tot gevoelige objecten, zoals woningen. Aangezien de afstand tot de beoogde woningen groter is, vormen deze sportvelden geen belemmering voor het planvoornemen. De realisatie van de nieuwe woningen heeft anderzijds ook geen negatieve invloed op de bedrijfsvoering van de betreffende bedrijven of sportvelden. Daarnaast zijn er woningen op kortere afstanden tot deze bedrijven en sportvelden gesitueerd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de betreffende bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

44

5.4

Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen in de vorm van woningen mogelijk gemaakt.

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Maliskampsestraat (gedeelte met een snelheidsregime van 60 km/uur), Jos de Letterlaan en Torenstraatje. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van enkele 30 km/uur wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de geluidbelastingen van deze 30 km/uur wegen bepaald en beoordeeld. Ten behoeve van het planvoornemen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4. Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Voor de 30 km/uur weg Eikenburglaan en de Maliskampsestraat (gedeelte met een snelheidsregime van 30 km/uur) geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde van 48 dB op geen enkel toetspunt overschrijdt. Voor de gezoneerde wegen Maliskampsestraat (gedeelte met een snelheidsregime van 60 km/uur), Jos de Letterlaan en Torenstraatje geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met de documenten "Nota Hogere grenswaarden geluid voor gemeente 's-Hertogenbosch" d.d. augustus 2010 en "Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente 's-Hertogenbosch" d.d. 3 juni 2009.

Het geluidbeleid is gebiedsgericht ontwikkeld. Voor het gebied dorps landelijk waarin onderhavig plangebied is gelegen, geldt voor wegverkeerslawaai als ambitieniveau een geluidklasse van 43 t/m 48 dB (rustig) met een bovengrens van 48 t/m 53 dB (redelijk rustig). Omdat het onderzoek dateert van 2019 en er is gerekend met intensiteiten voor het jaar 2030 dienen de verkeersintensiteiten te worden opgehoogd met 0,5% per jaar. Bij vaststelling van te voorliggende bestemmingsplan in 2023 dient dus te worden opgehoogd met 1,5%. Uit ervaring weten we dat dit leidt to een verhoging van de geluidbelasting van maximaal slechts 0,1 dB. Hiermee wordt nog steeds voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Conclusie Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van een procedure hogere grenswaarden. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

5.5

Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving voor het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals opslag en transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.

45

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risico contouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De gemeente ‘s-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente ’s-Hertogenbosch, deel A t/m C).

Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, hierin is met een kleur (groen, oranje of rood) aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of zeer kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied (buiten de 325 meter van het spoor en wegen). Nieuwe kwetsbare objecten zijn hierin toegestaan. De verschillende risicobronnen zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling geïnventariseerd. . Transport over weg, spoor en water Gevaarlijk transport over de weg, het spoor en over het water vinden op grote afstand van het plangebied plaats en vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Inrichtingen Externe veiligheid als gevolg van inrichtingen is niet relevant voor het plangebied . Ondergrondse transportleiding Op een afstand van ruim 200 meter is een ondergrondse leiding aanwezig, waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Deze leiding ligt parallel aan de watergang de Grote Wetering, op grondgebied van de gemeente St. Michielsgestel. Het invloedsgebied voor het groepsrisico voor deze leiding is 140 meter. Het PR van deze leiding is gekoppeld aan een niet te bebouwen strook van 5 meter.

Het plangebied ligt op ruime afstand (<140 meter) van deze ondergrondse buisleiding, waardoor het Groepsrisico niet relevant te noemen is en ruimschoots wordt voldaan aan de belangrijke grenswaarde voor het PR.

46

Figuur 25: Uitsnede risicokaart (gedeelte plangebied aan de Maliskampsestraat blauw omlijnd)

Toets aan gemeentelijk EV-beleid De ontwikkeling van kwetsbare objecten (4-tal woningen) bevindt zich in een 'groen' gebied'. Dus, gelegen buiten de 325 meter van wegen/spoorwegen. In deze groene gebieden zijn kwetsbare objecten toegestaan met een beperkte verantwoording. Een advies van de veiligheidsregio is conform de afspraken niet noodzakelijk. Beperkte verantwoording van het groepsrisico De zelfredzaamheid kan als goed worden beoordeeld. De ontvluchting vanuit het plangebied van de risicobronnen af is goed. Er kan in alle richtingen ontvlucht worden. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en ze goed in staat zijn om zich zelf in veiligheid te brengen. De bestrijdbaarheid wordt als goed beoordeeld. Bluswater is rondom het plangebied naar alle waarschijnlijkheid goed en voldoende aanwezig om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden. Conclusie Op basis van bovenstaande bevindingen kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

47

5.6

Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof zoals PM10; PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit Niet In Betekenende Mate (NIBM) verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit Niet In Betekenende Mate bijdragen”. Het omslagpunt waarbij een project nog net geen bijdrage levert aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, ligt bij circa 1500 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal (waarvan 2% aan vrachtwagenbewegingen).

Deze aantallen worden met dit plan van 4 woningen nimmer bereikt, zodat gesproken kan worden van een project NIBM. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case scenario met een uiterst maximum van 8 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), daarmee maximaal 32 in totaal per etmaal, toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer NIBM bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.

Figuur 26: NIBM-tool 2019

Zoals aangegeven is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied aan de Maliskampsestraat onder respectievelijk 16 en 19 µg/m³ liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 48

(de fijnere fractie van fijnstof) hier beneden 12 microgram/m³. Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m³. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7

Bodem

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.

Onderzoeken In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek (februari 1998) Op basis van een verkennend bodemonderzoek (NIPA, project 98.2201, 17 februari 1998) dat in 1998 ter plaatse van de Maliskampsestraat 53 is uitgevoerd, bleek dat de zwartkleurige puin- en stortmateriaal houdende ondergrond van de vaste bodem ter plaatse van de bovengrondse dieselolietank sterk verontreinigd is met minerale olie. Verder bleek uit dat onderzoek dat de toplaag van het gehele terrein over het algemeen licht verontreinigd is met PAK en minerale olie. Tevens is EOX gemeten. De ondergrond van de vaste bodem en het grondwater van het gehele terrein waren niet noemenswaardig verontreinigd. De uitvoering van nader of aanvullend onderzoek daarvoor was niet noodzakelijk. Nader onderzoek (april 1998) De betreffende verontreiniging ter plaatse van de bovengrondse dieselolietank is nader onderzocht (NIPA, project 98.2258, 8 april 1998). Daaruit was een licht verhoogd oliegehalte gemeten. Ondanks dat de verontreiniging niet volledig in kaart was gebracht, lijkt deze beperkt. Verwacht werd dat de olie samenhing met het stortmateriaal ter plaatse. Geconcludeerd was dat er geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging.

Verkennend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek (2017) Ter plaatse van het plangebied is, door middel van een verkennend bodemonderzoek gecombineerd met een verkennend en nader asbestonderzoek, opnieuw onderzocht of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende is voor de toekomstige functie, wonen met tuin, zie Bijlage 5. Uit het onderzoek bleek dat aan de Maliskampsestraat 53 ter plaatse van de sleufsilo’s, de inritten en op het overig terrein in de bovengrond (tot maximaal 1,3 m-mv) bodemvreemde bijmengingen zijn, zoals puin, metselpuin en baksteen, aangetroffen. Ter plaatse van de westelijke oprit is tot een diepte van 1,3 m-mv eveneens een zwakke bijmenging met asbest aangetroffen. In de ondergrond waren op zintuiglijke wijze geen bijzonderheden aangetroffen. Uit de analyseresultaten bleek dat de grond maximaal licht verontreinigd is met koper, zink en PAK. De overige geanalyseerde parameters werden niet in verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetoond. De aangetroffen licht verhoogde gehalten waren niet direct te relateren aan de aangetroffen bijmengingen. De zintuiglijk schone ondergrond was niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. In het grondwater overschreden de parameters barium, molybdeen en/of zink de streefwaarden.

De hypothese "onverdacht" ter plaatse van de onderzoekslocatie was formeel verworpen op basis van de verhoogde achtergrondwaarden in de bovengrond en verhoogde streefwaarden in het grondwater. Op basis van de Wet bodembescherming gaven de aangetroffen verhoogde waarden geen aanleiding voor aanvullend en/of nader onderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend en nader asbest en bodemonderzoek bleek dat er ter hoogte

49

van een voormalige stal, de waterput en de oostelijke inrit bodemverontreinigingen aanwezig waren. Ter plaatse van de voormalige westelijke stal, de sleufsilo’s en de inrit nabij het woonhuis was zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch was eveneens geen asbest aangetoond. Destijds is geadviseerd om de gehele locatie, gezien de toekomstige bestemming Wonen, te saneren tot de achtergrondwaarden voor asbest. Op basis van dit advies is een BUS-melding gemaakt voor een saneringsplan. Op basis van het saneringsplan is een saneringsbeschikking afgegeven. De sanering is uitgevoerd in december 2018 en januari 2019. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse is na deze sanering geschikt voor de functie wonen. Dit is bevestigd in onderzoek die zijn verricht in 2019 en 2021, nadat de gronden zijn gesaneerd. De rapportages van deze onderzoek zijn als Bijlage 6 en Bijlage 7 opgenomen. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Geur

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied, namelijk een agrarisch gebied kan geur hier een relevant aspect zijn. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd. Geurbelasting kan op twee manieren worden uitgedrukt. Voor de geurbelasting van landbouwhuisdieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactor is aangewezen, zijn er vaste afstanden vastgesteld. Onder geurbelasting als gevolg van intensieve veehouderij waar landbouwhuisdieren worden gehuisvest met een geuremissiefactor verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odourunits per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object, zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan in situaties worden berekend met het wettelijk vastgestelde luchtmodel V-stacks. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed.

De geurbelasting op een gebied is relevant voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat en dient beschouwd te worden om bijvoorbeeld woningbouw te realiseren. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het woon- en leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte. Veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en aan de in het Activiteitenbesluit genoemde minimaal aan te houden afstand(en) tot geurgevoelige objecten. Verder dienen op grond van de Wet milieubeheer beste beschikbare technieken te worden toegepast. Het Activiteitenbesluit geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van agrarische bedrijfsstoffen, zoals vrij liggende mestbassins. Voldoen aan de gestelde afstanden of aan het regime van de Wgv dient ter voorkoming van geurhinder. De Wgv biedt de mogelijkheid aan gemeenten om in afwijking van de wettelijk gestelde geurnorm afwijkende geurnormen vast te stellen om zodoende maatwerk te kunnen leveren voor de betreffende omgeving. Door de gemeente 's-Hertogenbosch is een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. De te hanteren geurnormen zijn voor agrarische bedrijven 10 odourunits/m3 op de gevel van de nieuwe woningen.

In de huidige situatie wordt geur geëmitteerd door de thans aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied, namelijk de veehouderijbedrijven aan de Loofaert 9 en de Maliskampsestraat 63a. Geurgevoelige objecten binnen het plangebied zijn de nieuwe woningen die in een landelijke omgeving komen te liggen. De genoemde veehouderijbedrijven zijn vanwege de geuremissie en ligging maatgevend is voor de (individuele) geurbeoordeling. Overige veehouderijen in de omgeving zijn vanwege de ruime afstand tot het plangebied en de totale geuremissie niet relevant voor de individuele geurbeoordeling. Zij zijn wel meegenomen in de achtergrondbelasting. Om tot een juiste afweging voor het aspect geur van deze veehouderij en andere veehouderijen in verdere omgeving te komen wordt hieronder nader ingegaan op de te verwachten voor- en achtergrondbelastingen ter plaatse van het plangebied. Voorgrondbelasting 50

De geuremissie op de nieuwe woningen afkomstig van het bedrijf Maliskampsestraat 63a is in het kader van de ontwikkeling van woningbouw aan de Maliskampsestraat 61 apart berekend. Uit de berekeningen volgt dat op geen enkel punt van de locatie Maliskampsestraat 61 de norm van 10 odourunits/m3 wordt overschreden. Zelfs de norm voor een bebouwde kom (stedelijk gebied van 1,0 odourunits/m3) wordt niet overschreden. Aangezien de Maliskampsestraat 53 nog verder van het veehouderijbedrijf is gelegen, mag worden aangenomen dat ook hier de norm niet wordt overschreden. De voorgrondbelasting is zeer gering en zorgt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Achtergrondbelasting Uit de regionale geurkaart (december 2019) blijkt dat ter plaatse van de locatie Maliskampsestraat 53 een achtergrondbelasting aanwezig is van minder dan 5 odourunits/m³. Dit is (zeer) gering en betekent dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Figuur 28: Regionale geurkaart met legenda (bron: ODBN-regio 2019.2) Omdat zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting klein zijn, is hier niet te zeggen welke van de twee maatgevend is. Dit is in deze situatie ook niet relevant, immers beiden geven aan dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit geur zijn er dan ook geen belemmeringen ten opzichte van de nieuw te bouwen woningen aan de Maliskampsestraat 53. Ook de bedrijfsvoering van Maliskampsestraat 63a wordt niet onevenredig in zijn belangen geschaad. Conclusie Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van het aspect geur voor de voorgenomen ontwikkeling en andersom.

5.9

Water

Beleid Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem 51

nagestreefd. Zowel waterkwantiteit- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd. De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan (2017). Hierin staat dat ingezet wordt op een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Hierin is eveneens het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedsspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021. De doelen van het waterschap Aa en Maas zijn vastgelegd in de Keur (2015). De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Uitgangspunten voor integraal waterbeheer De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. infiltratie/bergen 3.

afvoer; Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Daarnaast wordt water gezien als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. Afvalwater en hemelwater De huidige situatie is dat hemelwater dat op daken en bestrating valt, afgevoerd wordt op het omringende terrein in het plangebied. In de nieuwe situatie zal dit tevens zo blijven.

Al het water zal zo dicht mogelijk op de plaats waar dit valt, geïnfiltreerd worden in de bodem. Er zal sprake zijn van een hydrologische neutrale situatie. Met behulp van het toetsingsinstrumentarium Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO-tool) zal een berekening voor de compenserende berging voor het nieuw verwachte verhard gebied worden uitgevoerd. Er geldt een waterbergingsopgave van 60 mm per m² oppervlakte verharding. Deze opgave geldt voor het gehele oppervlak dat men vervangt of renoveert. Het hemelwater en huishoudelijk afvalwater wordt gescheiden afgevoerd. Het afvalwater wordt afgevoerd naar het riool aan de Maliskampsestraat. Voor het hemelwater geldt de waterbergingsopgave. Het beleid van de gemeente is dat het afvalwater aan de perceelgrens gescheiden wordt aangeleverd. Eventueel overtollig hemelwater (meer dan 60 mm) kan gescheiden en bovengronds worden aangeboden op de perceelgrens. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 780 m² aan bebouwing. De aan te leggen verharding ten behoeve van de op- en afrit, paden en terrassen wordt worst-case ingeschat op circa 800 m². In totaal zal dus circa 1.600 m² extra verhard en bebouwd oppervlak worden gerealiseerd. Op basis van gemeentelijk beleid dient 1.600 x 0,06 = 96 m³ waterberging te worden gerealiseerd.

De realisatie van de 4 nieuwe woningen komt tot stand in combinatie met het landschappelijke inrichtingsplan. Onderdeel van het landschappelijk inrichtingsplan is de realisatie van een poel alsmede een natte zone. Binnen deze voorzieningen is voldoende ruimte aanwezig om aan de waterbergingsopgave van 96 m³ te voldoen. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft de gronden binnen het plangebied in eigendom. Zij zijn verantwoordelijk voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inrichting waaronder de realisatie van

52

de natte zone en de poel. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen, zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de bestaande riolering. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen, zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mogen niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Oppervlaktewater Het perceel grenst aan een leggerwatergang. Waterschap Aa en Maas is hierover bevoegd gezag. In de Keur van het waterschap is geregeld dat wanneer er sprake is van werkzaamheden die verricht gaan worden in of nabij een A-watergang er een watervergunning dient te worden aangevraagd. Tevens is een verbod opgenomen om binnen 5,00 meter breedte uit de insteek aan beide zijden van een A-watergang obstakels te plaatsen of te hebben. Gelet op de waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze zone, de beschermingszone, vrij te houden van alle obstakels.

Het oprichten van obstakels is alleen mogelijk als deze in overeenstemming zijn met de Keur. Conclusie In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied Maliskampsestraat 53 bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater, grondwater en afvalwater. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de waterbergingsopgave getoetst, en zijn een berekening en tekening met voorzieningen onderdeel van de aanvraag.

5.10

Duurzaamheid

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. 2. 3. 4.

Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) CO2 neutrale omgeving (energie) Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Duurzame mobiliteit

Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch. Hierna is per thema beschreven op welke wijze invulling wordt gegeven aan het onderwerp 'duurzaamheid' in het voorliggende plan.

53

1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening) 's-Hertogenbosch gaat voor een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. We spelen in op veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Voldoende waterberging helpt wateroverlast te voorkomen en maakt ons beter bestand tegen droogte. We willen onze gemeente zichtbaar vergroenen, met name in de bebouwede stedelijke omgeving. Groen vergroot de biodiversiteit, bevordert de gezondheid van ons inwoners en heeft een verkoelende werking. De voorgenomen ontwikkeling (van 4 woningen) voorziet in de realisatie van circa 800 m² aan bebouwing en een even zo grote hoeveelheid aan verharding rondom de woningen. Hoewel de verharding ten opzichte van de eerdere situatie (van het agrarische bedrijf met stallen) afneemt, wordt op basis van het gemeentelijk hemelwaterbeleid met het plan zo'n 96 m³ waterberging gerealiseerd. Deze berging zal gerealiseerd worden middels een waterpoel, welke onderdeel is van een groter landschappelijk inrichtingsplan. Buiten de woningen met aangrenzende verhardingen, blijft het resterende deel van het plangebied groen en onverhard. Delen krijgen een natuurbestemming in plaats van een agrarische. Ze worden daarmee in het inrichtingsplan ook anders ingericht, namelijk ten gunste van de biodiversiteit.

Aangezien de verharding ten opzichte van de eerder vergunde situatie afneemt, is een 'gemeentelijke groennorm' hier niet aan de orde. Desondanks worden de percelen met veel en biodivers groen ingericht. Voor de groene inrichting van het plangebied wordt verwezen naar de inhoudelijke beschrijving van de landschappelijke inpassing en natuurcompensatie. 2. CO2 neutrale omgeving (energie) Energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. In 2050 wil de gemeente klimaatneutraal zijn. Het liefst al in 2045. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. Om de doelstelling te realiseren zijn we al bezig met verschillende maatregelen. Eén van die maatregelen is het opwekken van duurzame (schone) energie met wind en zon. En vooral ook energiebesparing. Het recente bestuursakkoord (2022-2026) beschrijft concrete maatregelen om een serieuze bijdrage te leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld het realiseren van windturbines in de duurzame polder, het realiseren van zonnevelden en - in stappen - overgaan naar een aardgasvrije gemeente. Daarnaast wordt voor bestaande woningen fors ingezet op energiebesparing.

De beoogde woningen worden naar verwachting in 2023 gerealiseerd. Op dit moment is de bouwnorm BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw) en gasloos. Het uitgangspunt is dat deze woningen energieneutraal worden gebouwd. Een energieneutrale woning wekt zelf alle energie op die de woning en bewoners verbruiken. Daarvoor worden meestal zonnepanelen gebruikt, vaak in combinatie met een warmtepomp. Dit uitgangspunt sluit aan bij het doel van de gemeente om in 2050 (of al in 2045) energieneutraal te zijn. 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Circulariteit heeft alles te maken met het waardebehoud van grondstoffen. Van alle grondstoffen is slechts een beperkte voorraad aanwezig op aarde. Circulair bouwen betekent gebruik maken van materialen met een klein mogelijke milieubelasting. Met de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) wordt de milieu-impact van een gebouw herleid tot één getalswaarde. De MPG becijfert de milieu-impact van alle materialen en installaties die in een gebouw worden toegepast gedurende alle levensfasen. Die wordt uitgedrukt in één getal: de schaduwprijs per vierkante meter bvo per jaar. Hoe lager de MPG, hoe kleiner de milieu-impact. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning moet een MPG-berekening worden ingeleverd. De toegestane MPG is momenteel maximaal 0,8. Het Rijk wil de eis uiterlijk in 2030 aanscherpen tot een grenswaarde van 0,5.

Het uitgangspunt voor de nieuwbouw is dusdanige bouwmaterialen te gebruiken zodat een lagere MPG wordt behaald dan het wettelijk minimum. Hiermee worden de ambities van de gemeente 's-Hertogenbosch nagestreefd. 4. Duurzame mobiliteit Duurzame mobiliteit heeft alles te maken met 'schoon' vervoer. We werken aan een gezondere leefomgeving door minder uitstoot van luchtvervuilende stoffen als stikstof en fijnstof, en minder geluidsoverlast. Voor wat betreft de beoogde woningen is het uitgangspunt om iedere woning te voorzien van ten minste één elektrisch laadpunt voor auto. Fietsen kunnen eenvoudig worden opgeladen middels een stroompunt (in een berging).

54

5.11

Flora en Fauna

Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). 55

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, bevindt zich op circa 5,9 kilometer afstand ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de bouw van 4 woningen en de aanleg van ruim 2 hectare natuur betreft, is een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet uit te sluiten. Daarom is een stikstofberekening uitgevoerd, zie Bijlage 8.

Uit het vervolgonderzoek met een AERIUS-berekening blijkt dat in zowel de aanleg- als gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 9. Uit het onderzoek blijkt onderstaande. Beschermde plantsoorten Er zijn geen beschermde plantsoorten of resten van beschermde plantensoorten aangetroffen en worden daarmee uitgesloten. Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie- en paarplaatsen van vleermuizen kon niet worden uitgesloten. In de bebouwing waren geschikte openingen in de daken vastgesteld waarin vleermuizen konden verblijven. De voormalige gebouwen vormden onderdelen in lijnvormige landschapselementen waarop vleermuizen zich konden oriënteren.

Na de sloop van de bebouwing zouden vleermuizen zich mogelijk minder kunnen oriënteren. Negatieve effecten op vliegroutes konden derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen, zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er sporadisch een gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en/of laatvlieger als gevolg van de aanwezige ecotopen (verhardingen e.d.). Het plangebied en directe omgeving is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. Effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen in het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde overige zoogdieren uitgesloten. Voor de steenmarter hadden de te slopen opstallen geen functie omdat deze werden gebruikt door mensen. Mogelijk komen in het

56

plangebied bosmuis, veldmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Noord-Brabant. Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 24 mei 2019 waren geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Voor huismus en gierzwaluw waren de opstallen geschikt. Onder de onderste rij dakpannen konden huismussen broeden en in de daken was er een kleine kans op verblijfplaatsen van de gierzwaluw. Op meerdere plaatsen waren ook sporen van vogels vastgesteld die afkomstig konden zijn van gierzwaluw. In het opgaand groen direct rond de woning konden algemene broedvogels broeden voorkomen zoals merel, winterkoning en roodborst. Gedurende het veldonderzoek op vrijdag 24 mei 2019 waren merel en roodborst vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels zijn het groen en de bebouwing volgens de protocollen verwijderd c.q. gesloopt. Op deze manier is voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming werden overtreden. Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. In het plangebied komen mogelijk gewone pad, grote groene kikker en bruine kikker voor.

Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Noord-Brabant. Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en direct rond het plangebied, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten. Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. Overige Gezien de aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen. Vervolgonderzoek en ontheffing Wet natuurbescherming Vervolgonderzoek Tijdens het vervolgonderzoek was vastgesteld dat in de voormalige woning een verblijfplaats aanwezig was van de gewone dwergvleermuis. Als tijdelijk alternatief zijn op 24 maart 2020 verblijfkasten gehangen aan vier bomen die staan op het grasveld tegenover het plangebied. Door de korte afstand tot het plangebied en omdat gewone dwergvleermuizen voor met name paarverblijfplaatsen ook bomen gebruiken, vormen deze locaties een geschikt alternatief. De permanente voorzieningen worden geïntegreerd in de nieuwbouw. In het totaal moeten 4 kasten worden geïntegreerd in de nieuwbouwwoningen (1 per woning).

Deze moeten minimaal 3 meter hoog worden geplaatst. Vleermuizen zijn warmteminnend. Daarom dienen kasten zoveel mogelijk naar het zuiden georiënteerd te zijn (dus niet in de noordelijke gevels). Ten aanzien van de huismus is uit vervolgonderzoek duidelijk geworden dat er onder de dakrand van de reeds gesloopte woning 4 broedlocaties aanwezig waren. Als tijdelijk alternatief zijn binnen een straal van 200 meter 8 huismuskasten aan gevels gehangen op minimaal 3 meter hoogte vrij van verstoring van de werkzaamheden. Als permanente compensatie moeten in de nieuwbouw 8 inbouwkasten te worden geplaatst. Nestlocaties en verblijfplaatsen van de Gierzwaluw zijn tijdens het vervolgonderzoek niet vastgesteld. De resultaten van het vervolgonderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het Activiteitenplan zoals opgenomen als Bijlage 10. Ontheffing Wet natuurbescherming

57

Bij besluit van 29 november 2020 met kenmerk Z/121676 heeft de provincie Noord-Brabant aan de Gemeente 's-Hertogenbosch een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend (zie Bijlage 2 van de regels). Dit besluit is inmiddels onherroepelijk en heeft betrekking op het beschermen van de huismus en gewone dwergvleermuis. De vergunning ziet zowel op de (reeds verrichte) sloop als op de compenserende maatregelen na uitvoering van de bouw. Omdat de gemeente dan niet meer eigenaar zal zijn van de gronden, wordt ter nakoming van de gestelde voorschriften een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen die verband houdt met het aanbrengen en in stand houden van 1 inbouwsteen per woning van het type VL-01 of VL-04 van Vivaro Pro t.b.v. de gewone dwergvleermuis en 2 inbouwstenen per woning van het type HMP2 van Faunaprojecten t.b.v. de huismus. Conclusie De aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes) en broedvogels met vaste rust en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw) kon op basis van de quick-scan niet worden uitgesloten. Op basis van het uitgevoerde vervolgonderzoek is door het bevoegd gezag een vergunning verleend. Naar aanleiding van het uitgevoerde vervolgonderzoek zijn tijdelijke huismuskasten in de omgeving geplaatst die na afloop van de bouw in de nieuwe woningen een permanente plaats krijgen.

Bij de bouw van de woningen zal aan de voorwaarden en voorschriften van deze vergunning moeten worden voldaan zodat voldoende zeker is gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. De verleende ontheffing is als bijlage opgenomen bij de regels en het voorzien in mitigerende maatregelen (permanente voorzieningen voor de huisvesting van de dwergvleermuis en huismus) is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Natuurinclusief bouwen wordt gestimuleerd door middel van een verankering in het beeldkwaliteitsplan en de kavelpaspoorten die zijn opgesteld voor de verkoop van de bouwkavels.

5.12

Archeologie

In 1992 werd in Valetta (Malta) door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. Het doel van dit verdrag is het archeologische erfgoed (alle overblijfselen, voorwerpen en andere sporen van de mens uit het verleden) te beschermen als bron van het Europese gemeenschappelijk geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. In het verdrag zijn drie uitgangspunten ten aanzien van de omgang met archeologie geïntroduceerd: Het streven naar het behouden van archeologie in de bodem, het zogenaamde 'behoud in situ'; Het betrekken van archeologie in processen van ruimtelijke ordening; Het de 'verstoorder betaalt'-principe. Dit komt erop neer dat degene die de grond wil verstoren (de initiatiefnemer van een bepaald project) de kosten voor archeologisch onderzoek en de uitwerkingvan de resultaten voor rekening dient te nemen. Deze uitgangspunten zijn voor Nederland uitgewerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze op 1 september 2007 in werking getreden wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Ontgrondingenwet, de Wet milieubeheer, de Woningwet en de Wet op de ruimtelijke ordening. In de Wamz is o.a.

bepaald dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening moeten houden met vastgestelde (of gekende) archeologische waarden dan wel te verwachten archeologische waarden. In 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. Deze Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft in het kader van haar wettelijke taken ten aanzien van Erfgoed in het algemeen en Archeologie in het bijzonder voor het gehele grondgebied een archeologische waarden- en verwachtingenkaart en een archeologische beleidskaart opgesteld. Met behulp van de archeologische beleidskaart worden archeologische waarden en verwachtingen vervolgens opgenomen in de gemeentelijke bestemmingsplannen zodat deze planologisch beschermd zijn. Archeologische verwachtingswaarde Om te kunnen bepalen wat de archeologische waarden en verwachtingen is voor de drie deelgebieden gekeken naar de meest actuele archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente 's-Hertogenbosch. Volgens deze kaart geldt voor het Sprokkelboschveld een hoge archeologische verwachting. Deze hoge verwachting is grotendeels gebaseerd op het feit dat in de ondergrond een 58

dekzandrug aanwezig is. Bovendien zijn tijdens een archeologisch onderzoek in dit gebied aanwijzingen voor bewoning in de prehistorie gevonden. In een groot deel van het deelgebied zijn de archeologische resten in de ondergrond echter verstoord door bodemverstoring. Voor dit verstoorde deel geldt dus geen archeologische verwachting meer. Voor het deelgebied bij het Eikenburgbos en het deel bij het perceel Maliskampsestraat 53 geldt volgens de actuele waarden- en verwachtingenkaart een middelhoge verwachting. Beide deelgebieden liggen op een dekzandwelving en dergelijke zones waren ondanks hun relatief lage ligging nog steeds aantrekkelijke bewoningslocaties in het verleden. Op het perceel Maliskampsestraat 53 heeft een agrarisch bedrijf gezeten met grote opstallen. Bij de aanleg maar ook bij de sloop van de opstallen is de ondergrond dermate sterk verstoord dat hier geen behoudenswaardige vindplaatsen meer te verwachten zijn. De middelhoge archeologische verwachting is voor deze zone dus weggevallen. Voor de rest van dit deelgebied is in opdracht van de gemeente een archeologische bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Bijlage 11). Doel van het onderzoek was om te kunnen bepalen of er in dit gebied inderdaad sprake is van een dekzandwelving of dat er wellicht nog hogere dekzandkoppen aanwezig zijn.

Ook is tijdens het onderzoek gekeken of de ondergrond in dit deelgebied nog intact is of dat er in het verleden bodemverstoringen hebben plaatsgevonden. Uit het onderzoek is gebleken dat het plangebied op een geleidelijke overgang van een dekzandvlakte naar een dekzandrug ligt. Van een echte gradiëntsituatie is geen sprake, zodat de kans op vindplaatsen van jager-verzamelaars laag wordt ingeschat. Bovendien blijkt de bovengrond volledig te zijn opgenomen in een regelmatig geploegde bouwvoor. Vondsten die op het pleistocene oppervlak zijn achtergelaten, zullen daardoor verstoord zijn. Diepere grondsporen kunnen daaronder nog wel intact zijn, vanaf een diepte van 50 - 80 cm -mv. Met name in de noordelijke helft van dit deel van het plangebied, waar sprake is van een podzolgrond kunnen deze niet worden uitgesloten, zoals ook is gebleken uit een bekende vindplaats 700 meter ten westen van het plangebied met eenzelfde landschappelijke ligging. Wel moet worden vermeld dat de (prehistorische) landbouwer ten noorden van het plangebied betere alternatieven voorhanden had, omdat de gronden hier aanzienlijk hoger gelegen en beter ontwaterd zijn. In het plangebied stond het grondwater, ondanks de droge zomer relatief hoog. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige vindplaatsen lijkt in dit deelgebied dus zeer beperkt te zijn.

Conclusie Op basis van de archeologische verwachtingen in de drie deelgebieden is voor de zones met een hoge en middelhoge verwachting in het bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Conform het archeologische beleid van de gemeente 's-Hertogenbosch betekent dit dat bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm een onderzoeksplicht geldt. Specifiek voor deelgebied Maliskampsestraat 53 is op basis van het uitgevoerde onderzoek bepaald dat het aantreffen van behoudenswaardige vindplaatsen weliswaar beperkt is, maar ter controle is wel besloten om tijdens de aanleg van de poel in het plangebied een archeologische inspectie uit te voeren. Indien hierbij geen archeologische resten worden aangetroffen, dan kan de ontgraving onbelemmerd voortgaan. Indien wel resten worden aangetroffen, dan worden deze binnen de contouren van de poel gedocumenteerd en indien behoudenswaardig, opgegraven.

59

60

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1

Algemeen

In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

6.2

Toelichting op de bestemmingen

6.2.1 'Natuur' De landschappelijke inrichting als compenserende maatregel wordt juridisch-planologisch geregeld binnen de bestemming 'Natuur'. De gronden hier zijn voornamelijk bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de natuur en/of landschapselementen. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een hoogte van maximaal 3 meter. Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' is een toegang tot het boererf togestaan.

61

6.2.2 'Verkeer - Verblijfsgebied' Het gezamenlijke erf centraal op het boerenerf is voorzien van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een hoogte van maximaal 3 meter. Voor kunstobjecten en verlichting is een bouwhoogte van maximaal 10 meter van toepassing. 6.2.3 'Wonen' Het voormalige agrarische bouwvlak is in dit bestemmingsplan grotendeels bestemd als 'Wonen'. Binnen deze bestemming zijn voor de woningen separate bouwvlakken opgenomen waarin tevens de maximale goot- en bouwhoogte per woning zijn vastgelegd. Uitgangspunt is dat alle functies, dus ook bergingen etc, binnen het bouwvlak van de hoofdbouwmassa worden ondergebracht. Behalve bij de hooimijt-woning dienen bij de woningen 2 parkeerplaatsen inpandig te worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan maakt geen losstaande erfbebouwing mogelijk. 6.2.4 Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' Met het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' waar ingevolge het gemeentelijk beleid een verwachtingswaarde voor geldt, worden eventuele aanwezige archeologische waarden beschermd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12940937/1