Bijlage 3a Coudewater (landgoed en boszone)_Toelichting
Tekst van het document
Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied zijn vanwege deze afstand op voorhand uitgesloten. Wel is, omdat een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied op voorhand niet is uit te sluiten, een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-calculator (paragraaf 5.4). Ook daaruit volgt dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied als gevolg van stikstofdepositie zijn uitgesloten. Verdere toetsing en vergunningverlening in verband met Natura 20000-gebied zijn niet nodig.
60
5.3.3 Natuurnetwerk Brabant: boszone Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). De boszone ten noorden van de Peter de Gorterstraat is onderdeel van het NNB. In de boszone zelf vinden geen ontwikkelingen plaats Eigendom en beheer zijn in handen van de stichting Brabants Landschap. Hoofdstuk 4 beschrijft de natuurbeheertypen die conform het Natuurbeheerplan in de boszone gelden. In het bos worden mitigerende maatregelen getroffen die samenhangen met de aanleg van de golfbaan en de ontwikkeling van het landgoed. Om externe effecten hier uit te sluiten moeten maatregelen worden genomen met betrekking tot licht en geluid, zowel tijdens de werkzaamheden als in de inrichting. Verder is het noodzakelijk om betreding van de boszone tussen zonsondergang en zonsopgang te verbieden, om verstoring van de das uit te sluiten. Als deze maatregelen worden genomen, is vervolgonderzoek in het kader van het NNB niet noodzakelijk. Naast de boszone zijn ook drie percelen aan de zuidkant van het plangebied onderdeel van het NNB.
Deze percelen zijn van het natuurbeheertype 'vochtig bos met productie' en sluiten aan op de ecologische verbindingszone van de Groote Wetering. Vochtig bos met productie bestaat uit loofbossen die gedomineerd worden door diverse boomsoorten zoals populier, es, esdoorn, beuk, haagbeuk, eik, iep en els. Het is een grotendeels gesloten bos met een weelderige ondergroei. Houtoogst is in dit beheertype een doel en vindt periodiek plaats met een hogere intensiteit dan in een 'vochtig bos zonder productie' en in geval van boomsoorten die oorspronkelijk van buiten Europa zijn ingevoerd en die dominant zijn over meer dan 20% van het areaal van het betreffende bosgebied, ook als er geen productiedoelstelling is. 5.3.4 Natuurnetwerk Brabant: ecologische verbindingszone Een ecologische verbindingszone (EVZ) is bedoeld om te zorgen voor een verbinding tussen natuurgebieden en moet dusdanig ingericht zijn dat specifieke soorten via de EVZ van het ene naar het andere (natuur)gebied kunnen bewegen. Omdat de snelheid en manier van bewegen tussen soorten enorm verschilt, zijn de doelsoorten bepalend voor de inrichting, beheer en mogelijk medegebruik van een EVZ. De Groote Wetering is aangewezen als een EVZ in het Natuurnetwerk Brabant. De EVZ langs de Groote Wetering verbindt de natuurwaarden van de Wamberg, Coudewater en de omgeving daarvan met de bossen en heide van de Hooge Heide.
Met de uitbreiding van de golfbaan is al invulling gegeven aan deze EVZ in dat plangebied. In dit plan wordt deze ontwikkeling doorgezet. In de systematiek van een EVZ is landgoed De Wamberg het beschermde leefgebied en kan Landgoed Coudewater zowel een kleiner onderdeel van dat leefgebied zijn, een stapsteen of een corridor. De Groote Wetering is als waterloop in elk geval de drager van de EVZ. Het landgoed geldt als stedelijk gebied waarin aan de zuidkant een corridor van 50 m wordt aangehouden, opgedeeld in 25 meter waar niet gebouwd mag worden en 25 meter waarin met een zorgvuldige inpassing voor natuurbehoud wel gebouwd mag worden. In dit deel van de ecologische verbindingszone is ruimte voor drie bijzondere woningen ('natuurwonen'). De woningen worden grotendeels opgetild en staan vrij in het landschap om planten en dieren vrij spel te geven (paragraaf 3.6.5). De corridor wordt ingericht op vier doelsoorten: das, kamsalamander, struweelvogels en kleine modderkruiper. Met deze maatregelen verbeteren de omgevingscondities significant, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB ter plaatse worden versterkt. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. De maatregelen voor de das worden uitgebreid beschreven in paragraaf 5.3.5. Voor de kamsalamander zijn langs de golfbaan poelen toegevoegd op kansrijke locaties langs de Groote Wetering.
Langs de Groote Wetering is hier een gevarieerd landschap aangelegd dat in het plangebied van het landgoed wordt doorgezet. Dit draagt niet alleen bij aan het leefgebied de das en dat van de kamsalamander maar ook aan dat van struweelvogels. Hetzelfde geldt voor elementen als bosjes, struwelen en ruigte. Voor de kleine modderkruiper en andere vissen is in de EVZ uitsluitend de Groote Wetering zelf van belang maar deze maakt geen deel uit van het plangebied.
61
5.3.5 Natuurtoets dassen Specifiek voor de das is een uitgebreide, nadere natuurtoets gedaan in het hele plangebied van de structuurvisie: landgoed, boszone en kampenlandschap (Natuurbalans - Limen Divergens, Natuurtoets Dassen Herontwikkeling Landgoed Coudewater, 12 maart 2018; bijlage 5). Met deze natuurtoets worden de kansen en knelpunten ten aanzien van de das in beeld gebracht op het (historisch) landgoed, het kampenlandschap (met een golfbaan) en de boszone. Al in de Structuurvisie Landgoed Coudewater is aandacht besteed aan de aanwezigheid van de das. In de structuurvisie zijn de plannen voor mitigatie en compensatie op hoofdlijnen uitgewerkt voor wat betreft het foerageergebied, de verbindingszone, de oversteek van de Peter de Gorterstraat en de inrichting van het bosgebied. De structuurvisie vormde daarmee een belangrijke basis voor deze natuurtoets. Hoewel de natuurtoets zoveel mogelijk rekening houdt met eerder onderzoek en eerdere plannen, zijn als gevolg van nieuwe omstandigheden en wetgeving mitigatie en compensatie aangepast: Uitgangspunt in de structuurvisie was een dassenonderzoek uit 2013 (Grontmij 2013). Het dassenonderzoek uit 2017 dat de basis is van deze natuurtoets heeft nieuwe inzichten aan het licht gebracht. Onder meer ten aanzien van ligging en begrenzing van primair en secundair foerageergebied.
Bij dit geactualiseerde dassenonderzoek is, in tegenstelling tot het onderzoek uit 2013, ook het gebied van het landgoed onderzocht op de aanwezigheid van leefgebied van de das, naast de boszone en het kampenlandschap. De berekening van voldoende primair en secundair foerageergebied is na de structuurvisie veranderd, omdat de particuliere gronden in het zuidoosten niet meer onderdeel van de ontwikkeling van de golfbaan zouden zijn. De Flora- en faunawet is per 1 januari 2017 vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Dit heeft verschillende gevolgen voor het uitvoeren van een effectbeoordeling voor dassen, vanwege veranderingen in de beschermde status van de soort, verbodsbepalingen en ontheffingsmogelijkheden.
afbeelding 5.1: verblijfplaatsen en sporen das Foerageergebied 62
In het onderzoek voor de natuurtoets zijn in de boszone een hoofdburcht en drie bijburchten aangetroffen en in het kampenlandschap vier bijburchten, elk met (vlucht)pijpen die in verschillende mate in gebruik zijn (afbeelding 5.1). De acht verblijfplaatsen behoren samen tot één territorium of dassenfamilie. Het foerageergebied van deze dassenfamilie ligt ingeklemd tussen de Groote Wetering, de snelweg A59 en verschillende andere dassenterritoria in de directe omgeving. Binnen het foerageergebied is onderscheid tussen primair en secundair foerageergebied. Primaire foerageergebieden zijn essentieel voor de das en betreffen onder meer de graslandpercelen en bosschages op het landgoed, de boszone inclusief graslandpercelen maar exclusief het volkstuinencomplex en - na realisatie van de golfbaan - delen van de nieuwe inrichting van die golfbaan in het kampenlandschap. Secundair foerageergebied betreft vooral (maïs)akkers. Voor de herontwikkeling van het landgoed, de boszone en het kampenlandschap samen is een globale oppervlakteberekening gemaakt waaruit blijkt dat verlies van primair en secundair foerageergebied ruimschoots wordt gecompenseerd door omvorming van secundair naar primair foerageergebied en diverse optimalisaties in primair foerageergebied.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van verlies, optimalisatie en ontwikkeling van nieuw foerageergebied van de das in het hele gebied van de structuurvisie. Door de ontwikkeling van woningen en parkeerterrein gaat in de boszone en op het landgoed circa 7,4 hectare primair foerageergebied verloren. Veel compensatie vindt inmiddels plaats met de realisatie van de golfbaan in het kampenlandschap. Daarnaast wordt in de boszone het volkstuinencomplex omgevormd tot 0,6 hectare extra primair foerageergebied en wordt met de toevoeging en versterking van houtwallen 0,5 hectare primair foerageergebied geoptimaliseerd. Deze maatregelen vinden plaats door de stichting Brabants Landschap die de boszone van GGZ Oost-Brabant heeft overgenomen. Op het landgoed moet de corridor tussen de woningen en de golfbaan in primair foerageergebied worden geoptimaliseerd. De toevoeging en optimalisatie van primair foerageergebied is onderdeel van de mitigerende maatregelen. De aanleg van een ecologische verbindingszone langs de zuidgrens van het plangebied (toevoegen/versterken corridor 3) is nog niet opgenomen in de tabel. Alleen de tweede zone met een gemiddelde breedte van 55 meter is al goed voor een oppervlakte van 3,6 hectare (zie figuur 6 van het Inrichtingsplan Ecologische verbindingszone).
Mitigerende maatregelen Naast optimalisatie en ontwikkeling van nieuw (primair) foerageergebied zijn andere mitigerende maatregelen nodig om negatieve effecten op de das te voorkomen. Onder de voorwaarde dat alle mitigerende maatregelen worden genomen, worden de verbodsbepalingen van de Wnb ten aanzien van dassen niet overtreden. Een ontheffing van de Wnb voor dassen is daarmee niet aan de orde. De natuurtoets beveelt aan om de maatregelen voor te leggen aan en te bespreken met Stichting Das&Boom en/of de Dassenwerkgroep Noord-Brabant. In alle deelgebieden moeten de werkzaamheden zich beperken tot 63
de daglichtperiode. Niet alleen vanwege de vleermuis maar ook vanwege de das is in de uitvoeringsfase geen nachtelijke werkverlichting toegestaan. De werkzaamheden moeten worden begeleid door een deskundige op het gebied van de das. Ook bij het nader vormgeven van de inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de das (foerageergebied, corridors, kunstburcht en rustgebied) moet een deskundige op het gebied van de das worden ingeschakeld. Bij bestemmingsplan Coudewater (golfbaan en erven) - paragraaf 2.3 - is een aantal mitigerende maatregelen verplicht: het gebruik van de golfbaan is alleen toegestaan als deze mitigerende maatregelen worden gerealiseerd en in stand gehouden in zowel het kampenlandschap, de boszone als het landgoed. De mitigerende maatregelen in het kampenlandschap zelf zijn verwerkt in een inrichtings- en beheerplan. De mitigerende maatregelen in de boszone zijn mogelijk binnen de bestemming Natuur en vinden plaats door de stichting Brabants Landschap.
In afbeelding 5.2 zijn de maatregelen nader aangeduid: de ontwikkeling van een rustgebied rondom de burchten 1 en 2 met afsluiting door middel van boomstammen, takkenrillen of een raster en door omleiding van het wandelpad ten zuiden van de burcht; de plaatsing van informatieborden over de das (en met een verbod op betreding tussen zonsondergang en zonsopgang; zie boven); geen werkzaamheden in de kwetsbare periode van de das (globaal van december tot en met juli) binnen een straal van 50 meter rondom de vaste voortplantings- of rustplaatsen (tijdens uitvoeringsfase); geen werkzaamheden buiten de kwetsbare periode binnen een straal van 20 meter rondom de vaste voortplantings- of rustplaatsen (tijdens de uitvoeringsfase en gebruiksfase); omvorming van het volkstuinencomplex naar primair foerageergebied door omzetting naar grasland en verwijdering van de omheining; aanplant van houtwallen en/of hagen op de perceelsgrenzen van de graslanden; verbreden en/of versterken van de houtwal (corridor 2); verwijderen van niet-passeerbare (schapen)rasters (blauwe lijnen); spaarzaam omgaan met verlichting in het boswonen en op het parkeerveld zonder uitstraling van licht op de bosrand of op groenstructuren; inrichten van de randen van het boswonen met groenstructuren zoals hagen, struwelen en grasland; aanleggen en/of versterken van een minimaal 10 m brede groenstructuur ten westen en ten
noorden van het parkeerveld (corridor 3); aanleggen van een (in totaal) minimaal 15 m brede groenstructuur tussen het woongebied op het landgoed en de golfbaan bestaande uit gebiedseigen struwelen en heesters (corridor 4). Met het bestemmingsplan Coudewater (landgoed en boszone) worden de ruimtelijk relevante maatregelen in de boszone en op het landgoed geborgd. Het betreft de maatregelen die hiervoor vet gedrukt zijn. Deze zijn onderdeel van de voorwaardelijke verplichting (met een verwijzing naar een bijlage bij de regels) die geldt voor de nieuwe functies in de bestemmingen Gemengd en Woongebied. De gronden waarop de voorwaardelijke verplichting van toepassing is zijn voorzien van de bestemming Natuur. Hoewel het zwaartepunt van de dassenactiviteit verschuift naar de golfbaan en de boszone en de functionaliteit van het totale foerageergebied door herontwikkeling van het landgoed niet wordt aangetast, is wel van belang dat de das nog gebruik kan maken van het landgoed, met name in de groene randzones en de rustigere terreindelen.
Daarom zijn de volgende aanvullende mitigerende maatregelen noodzakelijk: spaarzaam omgegaan met verlichting zonder uitstraling van licht op bosranden of groenstructuren; aanleggen en/of versterken van een minimaal 15 meter brede groenstructuur tussen het landgoed en de golfbaan en binnen de ecologische verbindingszone, bestaande uit gebiedseigen struwelen en heesters, en in aansluiting op de bestaande corridor / ecologische verbindingszone in oostelijke richting. Corridor 4 ligt in noord-zuidrichting en ligt op de grens tussen het woongebied op het landgoed en de golfbaan; in totaal dient de breedte minimaal 15 meter te bedragen. Langs de Groote Wetering wordt een ecologische verbindingszone aangelegd, waarvoor in de planregels ook een voorwaardelijke verplichting is opgenomen. Deze gronden zijn in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van de bestemming Natuur. 64
afbeelding 5.2: mitigerende maatregelen das
5.4
Stikstof
Op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significante negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied: een project dat kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied kan significante gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Op grond van de Habitatrichtlijn mag alleen toestemming worden gegeven als een passende beoordeling de zekerheid geeft dat de natuurlijke kenmerken van een gebied niet worden aangetast. Omdat een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied (paragraaf 5.3.2) op voorhand niet is uit te sluiten, is een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-calculator: een voortoets in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Uit deze berekening moet blijken of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan of een project op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten (cumulatie) significant negatieve effecten kan hebben op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Als uit deze berekening blijkt dat op geen enkel Natura 2000-gebied de bijdrage aan de stikstofdepositie hoger is dan 0,00 mol/l/jaar, dan is op het gebied van stikstof geen toestemming in het kader van de Wnb nodig.
Kunnen significant negatieve effecten niet worden uitgesloten, dan is een vervolgonderzoek / passende beoordeling nodig. In opdracht van de initiatiefnemer is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Accent Adviseurs, Stikstofdepositieonderzoek Project Coudewater d.d. 10 december 2020; bijlage 6). In de aanlegfase - hoewel deze sinds juli 2021 is vrijgesteld en formeel geen toets behoeft - veroorzaken bouwmaterieel, -verkeer en -personeel stikstofemissie. In de gebruiksfase wordt stikstofemissie hoofdzakelijk veroorzaakt door verkeersbewegingen van bewoners, bezoekers en andere gebruikers. Als gebouwen gasloos worden gemaakt, veroorzaken deze gebouwen geen stikstofemissie. Het programma is een worst case-scenario met een groter programma voor sommige zwaardere functies met bijvoorbeeld hogere bezoekersaantallen, zoals horeca. In de voortoets is rekening gehouden met de gefaseerde 65
realisatie van het programma en met cumulatie in het geval het ene deelgebied al in gebruik is en andere deelgebieden nog worden aangelegd. De nieuwbouw wordt gerealiseerd vanaf de tweede helft van 2021 tot en met 2024. De transformatie van de bestaande gebouwen vindt plaats van 2025 tot en met 2029. In de berekening is uiteengezet welke werkzaamheden en welk gebruik in de onderscheiden rekenjaren plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de stikstofdepositie in alle rekenjaren niet hoger is dan 0,00 mol/l/jaar. Dit betekent dat er geen extra stikstofdepositie en dus geen negatieve effecten zijn op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ('Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek') of op verder gelegen Natura 2000-gebieden: er is voor dit plan geen toestemming in het kader van de Wnb nodig. De planning is inmiddels met een jaar vertraagd. Dit heeft geen invloed op de AERIUS-berekening.
66
Hoofdstuk 6 Cultuurhistorie en archeologie 6.1
Cultuurhistorie
De in 1870 gestichte psychiatrisch inrichting ligt op het landgoed van het voormalige klooster (later buitenplaats) Koudewater (Coudewater). De geschiedenis van Coudewater gaat terug tot 1434. In die tijd wordt in de streek, die Coudewater heet, door Milla van Campen op een landgoed van Peter de Gorter een dubbelklooster gesticht, ook wel Mariënwater genaamd, voor mannelijke en vrouwelijke religieuzen van de Orde van de H. Birgitta, in 1526 vermeld in een haardstedentelling. Na 1629 verlaten de mannelijke religieuzen het klooster (zoals ook elders in en rond de stad in verband met de inname van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik in september van dat jaar), de vrouwelijke religieuzen mogen blijven tot hun dood. Dat duurt tot aan 1713, dan komt het leeg en wordt het door de Staten van Holland verkocht aan een particulier, raadsheer Langell. Na diverse wisselingen van eigenaar wordt het landhuis in 1870 op initiatief van twee artsen, Dr. E. van den Bogaert en Dr. L. Pompe van het Geneeskundig Gesticht Reinier van Arkel in 's-Hertogenbosch aangekocht en uitgebreid tot een geneeskundig gesticht voor de verpleging en behandeling van psychiatrische patiënten. Zij stichten de "Maatschappij tot Verpleging van Krankzinnigen op het land".
Overeenkomstig de denkbeelden van die tijd wordt gekozen voor een situering op het platteland, vanwege de heilzame werking van het verblijven en werken in de frisse lucht. De verpleging werd toevertrouwd aan twee congregaties die hun hoofdzetel hadden in het Belgische Ronse, de Broeders van het Instituut voor Goede Werken voor de mannelijke patiënten en de Zusters van Barmhartigheid voor de vrouwelijke patiënten. Ten gevolge van een langslepend conflict verlaten de broeders in 1919 Coudewater en werd het sindsdien een psychiatrisch ziekenhuis met uitsluitend vrouwelijke verpleegkundigen en vrouwelijke patiënten. De laatste zusters verlaten Coudewater in 1985. Zowel de cultuurhistorische waarden van de 19de en 20ste eeuwse ontwikkelingen binnen de geestelijke gezondheidszorg als van de rooms-katholieke emancipatie als de cultuurhistorische waarde van de bebouwing, met een grote diversiteit aan typologieën en esthetische en gedetailleerde kwaliteiten van de architectonische ontwerpen, zijn van groot belang. De herkenbaar bewaard gebleven oorspronkelijke opzet in een landschappelijke situering is van belang, op deze plek buiten de kern Rosmalen met een landelijk karakter en als markant onderdeel van de historische bebouwing aan de Peter de Gorterstraat en de Berlicumseweg. Van het klooster resteert een onderdeel van het hoofdgebouw, c.q.
latere landhuis, dat eveneens de oudste kern vormt van het voormalige psychiatrisch ziekenhuis. De gebouwen op het terrein van Coudewater liggen in een landschappelijk aangelegde tuin, oorspronkelijk slecht begaanbaar via enkele toegangswegen (waaronder de Oude Berlicumseweg), maar is sinds ca. 1940 via een uitgebreid wegenstelsel ontsloten. De historische 67
bebouwing is rondom het oude hoofdgebouw (Mariënwater) gegroepeerd. De aan de noordoostelijke zijde gelegen begraafplaats is omgeven door een smeedijzeren hek. Grote delen van het voormalige landgoed met waterlopen en beplantingen (bomen) bezitten grote landschappelijke waarde.
Tekening van het Landgoed Coudewater in gebruik als psychiatrische inrichting (het meest centraal gelegen gebouw is het Hoofdgebouw/voormalige klooster Coudewater (afbeelding links: afgebeeld staat het Hoofdgebouw Gesticht Coudewater anno 1872) De oudste kaart waarop het gebied staat weergegeven dateert van rond 1740. Op die kaart is te zien dat het gebied aan de noordelijke zijde nog onontgonnen en een heidegebied was. Ten zuiden van dit heidegebied liep de huidige Peter de Gorterstraat. Ten zuiden van de Peter de Gorterstraat staan afwisselend percelen bouwland en bosgrond opgetekend. In het zuidelijke deel staat de 'Groote Wetering' weergegeven, waaraan het klooster 'Koudewater' (Coudewater) lag.
Indicatieve ligging van het gebied op een uitsnede van een kaart uit 1740 (le Fèvre & Draack 1740) Het landgebruik uit het begin van de 19de eeuw blijft grotendeels onveranderd tot aan het begin van de 20ste eeuw. Vanaf 1870 worden enkele percelen hakhout als bouwland in gebruik genomen. Als aan het eind van de 68
19de eeuw de bebouwing zich sterk uitbreidt wordt ook de 'Groote Wetering' verlegd. De waterstroom buigt vóór het kloosterterrein af naar het zuiden om uiteindelijk op de Wambergse Beek aan te sluiten. Nu heeft het gebied een parkachtige uitstraling. 6.1.1 Monumentaal complex Sinds de vestiging van de psychiatrische inrichting heeft het landgoed een dynamische ontwikkeling doorgemaakt. Zoals gezegd is in het hoofdgebouw nog een deel van het oude klooster zichtbaar. Vanaf 1870 werden in een hoog tempo paviljoens en ook een kapel bij het Hoofdgebouw gebouwd. Veel ervan is al gesloopt. Een aantal gebouwen - vrijstaande paviljoens, dienstwoningen en bijgebouwtjes - is behouden. De voormalige directeurswoning De Wetering en de paviljoens Milla de Campen en De Loofert behoren tot de oudste bebouwing op het landgoed. In de jaren ‘30 van de twintigste eeuw veranderden het gebruik van het terrein en de opvattingen over de behandeling van patiënten. Bebouwing als gevolg van die veranderingen zijn het gebouw van de Technische dienst en de Boerderij die toen werd vernieuwd en vergroot. In 1940 werd ook een nieuw kloostergebouw gebouwd voor de huisvesting van een groep Zusters van Barmhartigheid die ter versterking van het verplegend personeel naar Landgoed Coudewater overkwamen: klooster Emma.
Vanaf de jaren ‘50 veranderden opnieuw de opvattingen over de behandeling en huisvesting van patiënten. De nadruk kwam veel meer op arbeids- en creatieve therapieën. Hiervoor werden nieuwe paviljoens gebouwd. Ook kwamen er nieuwe voorzieningen, zoals het ontspanningscentrum De Uythof in 1954 en het winkel- en bankfiliaal ‘t Luifeltje in 1968. Met de bouw van een nieuw klinisch centrum in 1971 werden alle klinische diensten die eerder over veel gebouwen waren verspreid in één nieuw gebouw ondergebracht: de Kliniek. In jaren ‘70, ‘80 en ‘90 zijn verspreid over het landgoed nog tal van paviljoens en bijgebouwtjes toegevoegd. De dynamische ontwikkeling van de bebouwing op Landgoed Coudewater heeft geleid tot een bebouwingsstructuur waarin gebouwen uit diverse periodes naast elkaar liggen, gegroepeerd in een hoogwaardige parkachtige omgeving. Het centrale deel van het landgoed wordt gekenmerkt door massieve bouwvolumes, zoals het Hoofdgebouw, Milla de Campen en Emma. Op de overgangen naar het beekdal zijn meer kleinschalige, statige en decoratieve villa’s gesitueerd. In dit centrale deel en aan de zuidwestzijde van het landgoed is nu sprake van bijzonder ensemble, met een duidelijke stedenbouwkundige samenhang en een karakteristieke landschappelijke eenheid.
Hier is de sfeer en het karakter van het landgoed goed herkenbaar en is cultuurhistorie als ruimtelijke drager dan ook belangrijk (paragraaf 3.3). Dit deel van het landgoed is op 17 mei 2001 als complex aangewezen als rijksmonument (reg.nr. 522391) en is in het aanwijzingsbesluit als volgt gewaardeerd: Het complex is van algemeen belang. Het bezit cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van de in de negentiende en twintigste eeuw deels samenvallende ontwikkelingen binnen de geestelijke gezondheidszorg en de rooms-katholieke emancipatie -in casu de Congregatie van de Broeders van het Instituut voor Goede Werken en de Congregatie van Zusters van Barmhartigheid- voor bestemming, verschijningsvorm, bedrijfsmatige opzet en locatie; daarnaast in het geval van de graven tevens van een sociale ontwikkeling. Daarnaast heeft het complex cultuurhistorische waarde vanwege de grote diversiteit aan typologieën die alle tezamen een zeer compleet beeld geven van een karakteristiek maar in de tijd steeds veranderend psychiatrisch complex. Het bezit architectuur- en kunsthistorische waarden vanwege het exemplarische belang van de stijlendiversiteit voor de architectuurgeschiedenis.
Daarnaast vanwege de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van de architectonische ontwerpen in combinatie met het bijzondere materiaalgebruik en de zeer gedetailleerde ornamentiek, deels in de interieurs en, in het geval van de kloosterkapel, van de inventaris. Het complex bezit ensemblewaarde als essentieel onderdeel van een historisch gegroeid ensemble in de geestelijke gezondheidszorg. Daarnaast bezit het ensemblewaarden vanwege de situering op een plek buiten de kern van Rosmalen met een landelijk karakter en als markant onderdeel van de historische bebouwing aan de P. de Gorterstraat en de Berlicumseweg. Het complex is van belang wegens de gaafheid van de architectonische hoofdvormen en grote delen van de interieurs evenals de herkenbaar bewaard gebleven oorspronk elijke opzet in een landschappelijke situering. Verder wegens de zeldzaamheid van een als uitgebreid complex bewaard gebleven ensemble, in casu bestaande uit het hoofdgebouw, de voormalige directeurswoning, de voormalige damesvilla (paviljoen De Loofert), de voormalige herenvilla (paviljoen Milla de Campen), het voormalige klooster met kloosterkapel en twee grafmonumenten. 69
De monumentaliteit en karakteristiek is minder aan de oostkant van het landgoed met bebouwing uit de periode na 1970. Hier stonden tot voor kort vooral paviljoens zonder architectonische samenhang. Een aantal van die gebouwen is al gesloopt voorafgaand aan de structuurvisie, zoals de paviljoens op de hoek van de Peter de Gorterstraat en de Berlicumseweg. Zulke gebouwen lagen ook aan de noordkant van het landgoed, aan de andere kant van de Peter de Gorterstraat. Hier is eerder onder meer Het Anker (de verpleegstersflat) gesloopt. In de aanloop naar dit bestemmingsplan zijn, overeenkomstig de categorisering in de structuurvisie en vervolgens de ontwikkelstudie, ook andere gebouwen gesloopt, om plaats te bieden aan tegelijkertijd versterking en herontwikkeling van het landgoed, zoals de Kliniek, De Vonder en Spreeuwenburg. .
Overzicht gebouwde beschermde monumenten Verspreid over het plangebied liggen 6 rijksmonumenten en 3 gemeentelijke monumenten. Deze locaties zijn reeds opgenomen op de meest actuele monumentenkaart van de gemeente 's-Hertogenbosch. Zie hieronder het overzicht en kaartje met de beschermde monumenten: rijksmonument met reg.nr: 32717: Hoofdgebouw (Mariënwater) rijksmonument met reg.nr. 522392: paviljoen De Wetering (voormalige directeurswoning) rijksmonument met reg.nr. 522393: paviljoen De Loofert rijksmonument met reg.nr. 524982: 2 grafmonumenten op begraafplaats rijksmonument met reg.nr. 524983: Milla de Campen rijksmonument met reg.nr. 524984: Emma, voormalig klooster met -kapel gemeentelijk monument met reg.nr SOM0014: Berlicumseweg 9-11 (voormalige boerderij) gemeentelijk monument met reg.nr. SOM0015: Berlicumseweg 13 (voormalig tramstation) gemeentelijk monument met reg.nr. SOM0252: Peter de Gorterstraat 7, 7a en 7b (wederopbouwboerderij)
70
Overzicht met beschermde rijks- (rood) en gemeentelijke (groen) monumenten 6.1.2 Rijksmonumenten De verschillende rijksbeschermde onderdelen zijn als ensemble van grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde. In het stedenbouwkundig plan blijven deze monumenten vanzelfsprekend behouden. Als belangrijk onderdeel van cultuurhistorie als ruimtelijke drager wordt de cultuurhistorische waarde van de monumenten verder ontwikkeld door ze in het landschappelijk ensemble beter uit te lichten, onder meer door de sloop van minder waardevolle bebouwing en door een inrichting van het park dat zichtlijnen herstelt en ontwikkelt. Hoofdgebouw De oudste kern van het complex wordt gevormd door het voormalige 17de-eeuwse kloostergebouw (Berlicumseweg 8, reg.nr. 327717 ) met 18de-eeuwse zijvleugels. Na de vestiging van het psychiatrisch ziekenhuis werd dit gebouw het hoofdgebouw en werden hieraan al snel diverse vleugels aangebouwd. Hierdoor ontstond globaal een carré waarvan de oudbouw de zuidzijde vormde. Deze, in de late negentiende en vroege twintigste eeuw aangebouwde vleugels zijn inmiddels weer verdwenen, wat deels de openheid van het gebied direct ten noorden van dit oude hoofdgebouw verklaart.
71
Milla de Campen Milla de Campen (Berlicumseweg 8b, reg.nr. 524983) werd in 1910 gebouwd als herenvilla. Het gebouw onderging belangrijke verbouwingen in 1932 en in het laatste kwart van de twintigste eeuw. Het gebouw is ontworpen in neorenaissancestijl op een deels onderkelderde L-vormige plattegrond met twee bouwlagen onder schild- en zadeldaken. Kenmerken zijn de ligterrassen op gietijzeren kolommen, op de verdieping aan de westgevel en de noordgevel, en de deels verhoogde terrassen rond het gebouw.
72
De Wetering De voormalige directeurswoning De Wetering (Berlicumseweg 10, reg.nr. 522392) werd in het laatste kwart van de negentiende eeuw gebouwd. Het betreft een gedeeltelijk onderkelderd tweelaags bakstenen pand met kapverdieping. De overstekken hebben een kenmerkende chaletstijl. Ten oosten van de villa bevindt zich het oorspronkelijke koetshuis: De Schakel. Dit gebouw hoort niet bij het rijksmonument maar blijft in het stedenbouwkundig plan en dit bestemmingsplan ook behouden. Ook de ijzeren loopbrug richting De Wetering en het sierhekwerk langs de Berlicumseweg horen niet bij het rijksmonument maar zijn voor het ensemble zeer waardevol.
73
De Loofert Ten zuidoosten van het Hoofdgebouw (Berlicumseweg 12, reg.nr. 522393) werd in 1903 een villa voor dames gebouwd, later genoemd Paviljoen De Loofert. Oorspronkelijk verzorgden de Zusters van Barmhartigheid hier de vrouwelijke patiënten. De lommerrijke omgeving strookt met het toenmalige denkbeeld dat een situering op het platteland in de frisse lucht heilzaam werd geacht voor patiënten en personeel. Het gedeeltelijk onderkelderde gebouw in neo-renaissancestijl heeft een I-vormige plattegrond met twee bouwlagen en een kapverdieping. Tussen de kopbouwen aan de rechter gevel bevindt zich een over de gehele gevellengte lopend tweelaags terras met bijzondere ornamentiek. De afwisselende detaillering in met name de vensterpartijen zijn van belang. Ook de ensemblewaarden zijn van belang met de historisch functioneel-ruimtelijke relatie met de omliggende groenvoorzieningen, wegen en waterloop en de bewaard gebleven oorspronkelijke opzet in een landelijke setting met terrassen en gazons. Ook de brug en het hekwerk met een kenmerkende poort zijn zeer waardevol voor dit ensemble.
74
Emma Klooster Emma (Peter de Gorterstraat 1f, reg.nr. 524984) werd gebouwd tussen 1938 en 1940 en bestaat uit een voormalig klooster met bijbehorende kloosterkapel. Het gebouw heeft een carrévormig grondplan en telt twee bouwlagen en een kapverdieping. De voor-, linker- en achtervleugel, gesitueerd om een binnentuin, vormen het kloosterdeel; in de rechtervleugel bevindt zich de kapel. Het klooster werd gebouwd voor huisvesting van zusters van de Congregatie van Zusters van de Barmhartigheid, die naar Coudewater kwamen om het tekort aan verplegend personeel op te vangen. Daarnaast werden de al op Coudewater aanwezige zusters, die tot dan toe in de patiëntenpaviljoens verbleven, in het klooster gehuisvest. Het klooster werd tot in 1985 bewoond door de Zusters van Barmhartigheid. Daarna is het bij een verbouwing tot patiëntenpaviljoen in- en uitwendig aangepast en deels gemoderniseerd. De kloosterkapel is grotendeels bewaard gebleven. Het vloerniveau aan de buitenzijde is opgehoogd om kapel en klooster voor rolstoelers beter toegankelijk te maken.
75
Begraafplaats De begraafplaats van Coudewater (reg.nr. 524982) bevindt zich in de noordoosthoek van het terrein, aan de Peter de Gorterstraat. Op de begraafplaats zijn twee grafmonumenten rijksmonument, omdat ze de herinneringscultus rond de stichters van Landgoed Coudewater, de grafcultuur in de geestelijke gezondheidszorg en de rooms-katholieke emancipatie op een bijzondere manier uitdrukken. Centraal op de as van het middenpad liggen achter elkaar het grafmonument van Dr. E. van den Bogaert uit 1880 en het grafmonument van Dr. L. Pompe uit 1901. Dr. E. van den Bogaert en Dr. L. Pompe, voorheen verbonden aan het Geneeskundig Gesticht Reinier van Arkel in Den Bosch, waren de initiatiefnemers voor Coudewater en hebben de psychiatrische inrichting in 1870 gesticht. Aan weerszijden bevinden zich voornamelijk zustersgraven.
76
6.1.3 Gemeentelijke monumenten Ook de gemeentelijke monumenten blijven in het stedenbouwkundig plan behouden, als belangrijk onderdeel van cultuurhistorie als ruimtelijke drager. Naast de gemeentelijke monumenten op het historische landgoed is ook de voormalige boerderij Peter de Gorterstraat 2, aan de overzijde in de boszone, een gemeentelijk monument binnen het plangebied: een laat 19de-eeuwse landarbeiderswoning. Boerderij De uit 1926 daterende wederopbouwboerderij (reg.nr.SOM0252) bestaat uit een lang, driebeukig stalgedeelte evenwijdig aan de straat en een breder, dwars op de kopse zijde geplaatst woongedeelte. De boerderij is traditioneel van opzet; beide delen omvatten een begane grondniveau en een zolderverdieping onder een hoog zadeldak met wolfseinden.
Berlicumseweg 9-11 Hoewel Berlicumseweg 9-11 (reg.nr. SOM0014) zich ten zuiden van de oostelijke aftakking van de Berlicumseweg bevindt, en daarmee buiten het terrein van Coudewater, bestaat er wel een directe functionele relatie tussen dit gebouw en het complex als (dubbele) dienstwoning. Dit vrijstaande, L-vormige woonhuis is in drie bouwfasen tot stand gekomen. Het oudste bouwdeel is van oorsprong waarschijnlijk een 17de- of 18de-eeuwse kortgevelboerderij en is met de lange zijde naar de straat gekeerd. In de linker achterhoek van Berlicumseweg 9 ligt een kelder met troggewelven. De houten liggers van het gewelf wijzen op de 17de- of 18de-eeuwse oorsprong. Tegen de lange zijde van dit bouwdeel is, vermoedelijk aan het einde van de negentiende eeuw, een tweelaags bouwdeel met een rechthoekige grondslag en een plat dak tot stand gekomen. Samen vormen deze bouwdelen Berlicumseweg 9. Het jongste, eveneens rechthoekige bouwdeel (Berlicumseweg 11) is omstreeks 1900 aan de linkerzijde dwars tegen de bestaande bebouwing aangezet. Dit bouwdeel heeft twee niveaus onder een plat dak. Achter op het erf staat een vroeg 20ste -eeuws bakhuisje.
77
Berlicumseweg 13 Berlicumseweg 13 (SOM0015) is een vrijstaand, L-vormig woonhuis uit de late negentiende eeuw, aan de zuidzijde van de Berlicumseweg, nabij een, in oorsprong 19de-eeuwse brug over de Groote Wetering. Het pand is van oorsprong een tramstation en bestaat uit twee bouwdelen. Het rechterdeel dat met de lange zijde naar de straat is gekeerd had oorspronkelijk de functie van wachtruimte. Links van de wachtruimte bevindt zich het tweede bouwdeel dat hier haaks op staat. 6.1.4 Overige gebouwen Naast de rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is een aantal gebouwen op het landgoed in de structuurvisie en de ontwikkelstudie als karakteristiek gecategoriseerd, omdat ze cultuurhistorische waarde hebben of karakteristiek en medebepalend zijn voor de kwaliteit van het landgoed: De Dennen, Parkzicht, Veldzicht, de Technisch Dienst, De Uythof en het Mortuarium. In de ontwikkelstudie is, binnen de kaders van de structuurvisie, door GGZ Oost-Brabant besloten om als vertrekpunt Veldzicht, de Technische dienst en De Uythof niet aan te wijzen als te behouden gebouwen: specifieke, vooral utilitaire gebouwen met beperkte bouwkundige kwaliteit die centraal gelegen sterk beperkend zouden zijn voor de herontwikkeling van het landgoed (paragraaf 2.2). De andere karakteristieke gebouwen blijven wel behouden en krijgen een nieuwe bestemming: Parkzicht, De Dennen en het Mortuarium.
Naast de karakteristieke gebouwen op het historische landgoed heeft ook het badhuis in het noordoosten van het plangebied, aan de overzijde van de Peter de Gorterstraat 2 een beeldbepalende waarde. Van de gebouwen die in de ontwikkelstudie als 'te behouden of te amoveren' zijn gecategoriseerd (Peter de Gorterstraat 1, 3, 9 en 11, de Kliniek en De Hoeve) blijft alleen De Hoeve behouden voor een bijzondere woonvorm. Daarnaast is er in het stedenbouwkundig plan ook voor gekozen om een aantal gebouwen die in de ontwikkelstudie als 'te amoveren' zijn aangewezen toch te behouden: de Karschuur, de Hooimijt, de aggregaatruimte en de ijskelder. Deze utilitaire gebouwen kunnen worden gebruikt voor buurtactiviteiten of gemeenschappelijke opslag van bijvoorbeeld groot gereedschap. Dit past bij het gezamenlijk gebruik, beheer en onderhoud van het park en bevordert de sociale samenhang. Parkzicht Parkzicht bevindt zich aan de zuidwestzijde van het terrein, op korte afstand van de Berlicumseweg. Door de 78
ligging aan de rand van het terrein is het gebouw, vooral gezien vanaf de Berlicumseweg, beeldbepalend voor het ensemble. Dit gebouw werd in 1874 gebouwd als een (dubbele) dokterswoning. In de jaren ’50 vond een ingrijpende verbouwing plaats, waarbij aan het exterieur vooral wijzigingen plaatsvonden aan de vier kopgevels: openingen werden vergroot en voorzien van nieuwe invullingen. Bij de hoofdentree werd een portiek gecreëerd. Omdat vooral de meest in het oog springende gevels werden gewijzigd, bepaalt deze verbouwing in belangrijke mate het huidige beeld, al bleef de zeer markante oorspronkelijke hoofdvorm behouden en bleven ook andere gevels grotendeels intact.
De Dennen In de jaren ’90 van de negentiende eeuw werden buiten het complex van het Hoofdgebouw nieuwe paviljoens gebouwd. Hiervan resteert alleen nog De Dennen uit 1892 dat daarmee tot de oudste gebouwen van het landgoed behoort. De Dennen werd gebouwd als woonpaviljoen en bestond uit een tweelaagse vleugel aan de westzijde, een enkellaagse vleugel aan de oostzijde met daartussen een enkellaags verbindingslid. In 1959 onderging het gebouw een zeer ingrijpende verbouwing, waarbij alle gevelopeningen werden gewijzigd en het verbindingslid met een bouwlaag werd verhoogd. Hiermee verdwenen de oorspronkelijke gevelarchitectuur en deels de duidelijk herkenbare scheiding tussen de oost- en westvleugel. De architectuurhistorische waarde is daarom beperkt maar het gebouw heeft wel belangrijke cultuurhistorische waarde vanwege de hoge ouderdom en de nog grotendeels bewaard gebleven indeling met een afwisseling van slaapzalen en kleinere slaapkamers.
79
Mortuarium Het Mortuarium bevindt zich direct ten oosten van de kapel bij klooster Emma. Dit gebouw is in de huidige opzet tot stand gekomen in 1951, waarbij waarschijnlijk resten van een ouder gebouwtje werden hergebruikt. De eenvoudige maar verzorgde traditionele architectuur met stalen ramen en de opvallend vormgegeven entree heeft architectuurhistorische waarde. Dit geldt ook voor het interieur met een centrale opbaarruimte met karakteristieke, deels gebogen wanden. Het gebouw heeft ook cultuurhistorische waarde vanwege de kenmerkende functie voor Coudewater en vanwege de relatie met de nabijgelegen kapel.
Badhuis 80
Het voormalig badhuisje is stedenbouwkundig van belang vanwege de relatie met landgoed Coudewater en het nabij gelegen Maliskamp. Het object vormt samen met de gelijktijdig aangelegde zwemvijver een interessant bebouwd accent in de bosstrook tussen de Peter de Gorterstraat en de rijksweg A59. Architectuurhistorisch gezien is het een mooi voorbeeld uit het interbellum, met een ingetogen en in een traditionele en functionele baksteenarchitectuur ontworpen badhuisje. Het is van cultuurhistorische betekenis als een bijzonder en markant voorbeeld van de historische ontwikkeling van psychiatrisch ziekenhuis Coudewater. De zwemvijver en het badhuisje werden in de jaren '30 van de vorige eeuw in opdracht van het psychiatrisch ziekenhuis Coudewater opgericht ter ontspanning van de patiënten. Het huisje met zwemvijver markeert daarmee mede het sociale aspect van Coudewater. Het badhuisje met zwemvijver is voor 's-Hertogenbosch bijzonder en zeldzaam.
De Hoeve Paviljoen De Hoeve bevindt zich aan de noordzijde van het landgoed, even ten noordoosten van het klooster. Het werd gebouwd in 1976, tegelijk met het paviljoen Spreeuwenburg. Dat gebouw is wel gesloopt, onder meer om de zichtlijnen op Milla de Campen te herstellen. In 1990 is De Hoeve gerenoveerd, waarbij aan de zuidwestzijde verschillende wooneenheden werden aangebouwd. Het gebouw is samengesteld uit diverse, hoofdzakelijk tweelaagse, rechthoekige volumes met lessenaarsdaken waarvan de lage zijde naar de buitenzijde van het gebouw zijn gericht. Hoewel het gebouw niet of nauwelijks cultuurhistorische waarde heeft met een weinig uitgesproken architectuur en een beperkte ouderdom - is het wel behouden omdat het als onderdeel van de recentere geschiedenis van het landgoed een interessante voor zijn tijd typerende opzet heeft en omdat het nog functioneel is en eenvoudig kan worden opgewaardeerd: sloop zou niet duurzaam zijn.
81
Karschuur De Karschuur bij de Boerderij blijkt uit een vergelijking van terreinplannen tussen 1953 en 1971 op deze plaats gebouwd. De schuur heeft, boven een lage gemetselde muur, geheel van gepotdekselde horizontale delen samengestelde gevels waarbij de noordzijde geheel open is en het dak hier voorbij de zijgevel steekt. Hoewel het gebouw door de beperkte ouderdom en eenvoudige opzet beperkte architectuurhistorische waarde heeft, vormt het samen met de Boerderij (en voorheen het Witte Huis als een bijgebouw van de boerderij, een mestplaats en een varkensschuur) een karakteristiek ensemble waarin de oorspronkelijke erfopzet herkenbaar is; zie ook paragraaf 3.6.4).
Hooimijt Hoewel de windvaan op de open hooiberg, aan de noordoostzijde van het grote grasveld achter het Hoofdgebouw, de datering '1926' draagt, staat het gebouw niet op bouw- en situatietekeningen of op luchtfoto's uit deze tijd. Er is twijfel of de hooiberg, ondanks de datering, bij de boerderij heeft behoord of zelfs voor de huidige locatie op het landgoed heeft gestaan. Omdat de hooiberg vrijwel zeker van elders naar de huidige locatie werd verplaatst, is de cultuurhistorische waarde en de waarde voor het ensemble beperkt. Sowieso is de huidige locatie niet oorspronkelijk, omdat zich hier tot de sloop in 1988 Paviljoen Beukenhof bevond. Niettemin is ervoor gekozen om de hooiberg te behouden: na eventuele verplaatsing kan ze voor 82
buurtactiviteiten een belangrijke rol vervullen.
IJskelder Zuidwestelijk van het hoofdgebouw, in een glooiing in de landschappelijke tuin, bevindt zich een ijskelder (locatie van het zwarte sterretje op de afbeelding hieronder). Een ijskelder is een gemetselde, met aarde bedekte en meestal door bomen beschaduwde kelder, die in de winter gedeeltelijk met ijs werd gevuld en waarin in de zomer voedsel koel kon worden gehouden. Waarschijnlijk is de ijskelder aangelegd in het begin van de 20ste eeuw.
6.1.5 Historisch-geografische elementen Binnen het plangebied bevindt zich een aantal historisch-geografische elementen zoals waterlopen, perceleringen en wegen die herkenbaar zijn op de kadastrale minuutkaart van circa 1820. Een aantal van deze elementen is vermoedelijk al veel ouder en direct gerelateerd aan de ontwikkeling van het gebied vanaf de Middeleeuwen. Voor deze historisch-geografische elementen geldt dat behoud (of versterking) voorop staat. In afbeelding 6.1 is een uitsnede opgenomen van de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente. Bij ruimtelijke ingrepen in het plangebied zal de cultuurhistorische inventarisatiekaart als kader worden gebruikt voor het opstellen van randvoorwaarden aan de geplande ingrepen. De meeste historisch-geografische elementen zijn voorzien van de bestemming Water of Verkeer en de monumenten zijn beschermd op grond van de Erfgoedwet of Erfgoedverordening. Voor het overige wordt in het stedenbouwkundig plan zoveel als mogelijk rekening gehouden met cultuurhistorische infrastructuur.
83
afbeelding 6.1: uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart kaart gemeente 's-Hertogenbosch
6.2
Archeologie
De archeologische waarden en verwachtingenkaart van de gemeente 's-Hertogenbosch vormt de basis voor het archeologiebeleid dat op 15 juni 2010 door de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch is vastgesteld. Voor dit beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De beleidskaart vormt de onderlegger voor bestemmingsplannen. Op deze manier kunnen binnen bestemmingsplannen de archeologische waarden en verwachtingen als dubbelbestemmingen worden opgenomen en meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het bestemmingsplan Coudewater, zoals vastgesteld op 18 december 2012, zijn destijds voor Coudewater dubbelbestemmingen opgenomen. Bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan zijn ook de archeologische waarden en verwachtingen in dit gebied nog eens kritisch bekeken. Door gebruik te maken van een geactualiseerde archeologische waarden en verwachtingenkaart konden de archeologische kenmerken van dit gebied aanzienlijk worden aangescherpt. Tegelijkertijd is voor die gebieden waar ontwikkelingen waren gepland, archeologisch onderzoek uitgevoerd om te kunnen bepalen of er belangrijke archeologische vindplaatsen aanwezig waren en zo ja, of deze werden bedreigd door de voorgenomen ingrepen.
84
afbeelding 6.2: uitsnede geactualiseerde archeologische waarden en verwachtingenkaart Aanvullend archeologisch onderzoek Bureau- en booronderzoek In het kader van de herontwikkeling van landgoed Coudewater zijn verschillende archeologische onderzoekstrajecten opgestart. Het onderzoeksproces is gefaseerd opgezet en bestond uit een bureauonderzoek, een verkennend booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek. Het bureau- en booronderzoek heeft de bestaande archeologische verwachting eerst nader onderzocht en uitgewerkt (afbeelding 6.3; BAAC, 24 mei 2020; bijlage 7).
85
afbeelding 6.3: archeologische waarden en verwachtingskaart voor het plangebied Coudewater op basis van het bureau- en booronderzoek van BAAC in 2020 Omdat het booronderzoek alleen heeft plaatsgevonden op die locaties die bij de toekomstige ingrepen worden verstoord, hadden de aanpassingen in de archeologische verwachting alleen betrekking op deze zones. Voor de overige gebieden binnen het bestemmingsplan vormt de geactualiseerde waarden- en verwachtingenkaart (afbeelding 6.2) de basis. Proefsleuvenonderzoek Op basis van de resultaten uit het bureau- en verkennend booronderzoek (afbeelding 6.3) is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in de zones waar de archeologische verwachting hoog en middelhoog waren. Deze onderzoeken zijn ook gefaseerd en in nauw overleg met de archeologen van de gemeente 's-Hertogenbosch uitgevoerd (ADC, december 2021; bijlage 8). Uit het proefsleuvenonderzoek kwamen twee zones naar voren waar mogelijk behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig waren: In de zone direct ten noorden van de Peter de Gorterstraat (Boszone 1, 2 en 3) en in de zone ten oosten van het oude klooster 86
(LG9). In de rest van het gebied leek de ondergrond te veel verstoord door de bebouwing van de afgelopen jaren of ontbraken simpelweg aanwijzingen voor vindplaatsen.
afbeelding 6.4: projectie van de te onderzoeken gebieden op de kadastrale minuutkaart van 1832 In het gebied ten noorden van de Peter de Gorterstraat (Boszone 1, 2 en 3; afbeelding 6.4) werd in de proefsleuven een groot aantal langwerpige structuren gevonden bestaande uit rijen van kuilen. Dergelijke structuren worden vaak geïnterpreteerd als landweren of andere verdedigingslinies. Door de aanleg van greppels, palenrijen en kuilen kunnen aanvallers te voet en te paard namelijk niet of met heel veel moeite een gebied binnenvallen. Er waren echter ook andere interpretaties mogelijk. Wellicht was er sprake van een door mensen aangelegde strook van bomen en struiken om stuifzand tegen te gaan, een zogenaamde zandvang. Het gebied ten noorden van de Peter de Gorterstraat was lange tijd een woest heidegebied met actieve stuifduinen. De zandvang kan speciaal zijn aangelegd om het stuivende zand weg te houden van het kloosterterrein. Het toponiem Zandvang is ook bekend uit de directe omgeving van het gebied al is niet bekend op welk gebied dit toponiem precies betrekking heeft. Een derde en laatste optie was dat de kuilen ook simpelweg kunnen zijn ontstaan als gevolg van zandwinning. Dit zand was dan vermoedelijk vooral nodig om gebieden op en rond het kloosterterrein op te hogen om het geschikt voor bewoning te maken.
Helaas werd er tijdens het onderzoek maar weinig vondstmateriaal aangetroffen waarmee zowel de functie als de datering van de kuilenrijen kon worden achterhaald. Het weinige aardewerk uit de kuilen wijst op een aanleg in de 16de eeuw. Over de functie van de kuilenrijen is ondanks uitgebreid onderzoek niet veel duidelijk geworden. Een landweer of verdedigingslinie lijkt desondanks niet aannemelijk. Hiervoor liggen de kuilen te dicht bij elkaar en ontbreekt ook een duidelijke, doorlopende structuur. Een functie als zandvang is niet uitgesloten maar ook voor deze functie lijken de plantgaten dan wel erg dicht bij elkaar te liggen. De interpretatie als zandwinningskuilen is daarom wellicht het meest voor de hand liggend. Op basis van het onderzoek is de vindplaats aan de noordkant van de Peter de Gorterstraat niet als behoudenswaardig aangemerkt.
87
afbeelding 6.5: voorbeeld van de rijen met rechthoekige kuilen zoals die in Boszone 1 en 2 zijn gevonden. Vermoedelijk kunnen deze kuilen worden toegeschreven aan zandwinning in de 16de eeuw In het gebied direct ten oosten en noordoosten van het klooster (LG9; afbeelding 6.4) werden bij het proefsleuvenonderzoek twee brede en diepe grachten gevonden. Deze grachten leken aanvankelijk parallel te lopen maar tijdens aanvullend sleuvenonderzoek kon het precieze verloop van de grachten niet nader worden bepaald. Dit had ook deels te maken met de beperkte ruimte voor het onderzoek door de aanwezigheid van kabels en leidingen en monumentale bomen. Tijdens het onderzoek naar een van de grachten kon wel worden vastgesteld dat deze een beschoeiing van twijgen heeft gehad. Het weinige vondstmateriaal onderin de gracht wijst op een aanleg of gebruik in de 18de eeuw. Op kaartmateriaal uit de 19de eeuw zijn wel grachten rond het klooster te zien maar niet op deze exacte locatie. Toch moeten deze grachten lang hebben open gelegen want uit het archeologisch onderzoek kwam naar voren dat ze in de 20ste eeuw zijn gedempt. Over de precieze ouderdom en functie van deze gracht(en) kon helaas weinig informatie worden verzameld. Ondanks de beperkte informatie heeft de gemeente 's-Hertogenbosch voor de zone met de grachten de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd.
Door de dubbelbestemming op te nemen blijft dit gebied bij toekomstige ingrepen beschikbaar voor archeologisch onderzoek. De geplande werkzaamheden voor de nieuwbouwlocaties kunnen hier wel zonder beperkingen plaatsvinden omdat deze specifieke zones voldoende archeologisch zijn onderzocht en dus kunnen worden vrijgegeven.
afbeelding 6.6: doorsnede van een van de grachten (blauw) zoals die in zone LG9 werd aangetroffen Archeologisch onderzoek rond het oude klooster Min of meer gelijktijdig met de onderzoeken binnen de ontwikkelvelden heeft de gemeente 's-Hertogenbosch archeologisch onderzoek laten uitvoeren rond het klooster van Coudewater. Dit onderzoek kwam voort uit het voornemen van de gemeente om de oude kern rond het klooster van Coudewater als beschermd gemeentelijk archeologisch monument aan te wijzen. De begrenzing van dit monumentterrein is grotendeels gebaseerd op 88
bureauonderzoek. Aanvullend hierop is een archeologisch proefsleuvenonderzoek (BAAC, 8 april 2022; bijlage 9) opgezet dat tot doel had om een aantal onduidelijkheden rondom het bestaande kloostergebouw Mariënwater te verhelderen. Op een tekening uit circa 1750 is te zien dat er haaks op het bestaande gebouw andere gebouwen staan. Er was in bepaalde bronnen ook sprake van aparte vleugels voor mannen en vrouwen aan weerszijden van een kapel. Waar deze kapel precies heeft gelegen en hoe deze vleugels dan hebben gelegen ten opzichte van elkaar en de kapel is echter onduidelijk. Vanwege de aanwezigheid van oppervlakteverharding, kabels en leidingen en monumentale bomen kon het proefsleuvenonderzoek maar beperkt van omvang zijn. Rond het hoofdgebouw zijn verschillende archeologische resten gevonden uit de tijd van het klooster en daarna. Ten noorden van het huidige hoofdgebouw zijn paalkuilen, kuilen, greppels en een fundering van een muur gevonden uit de Late Middeleeuwen of Vroege Nieuwe Tijd. De opvallendste vondst is gedaan ten zuidwesten van het gebouw: hier bevindt zich namelijk een intact ondergronds gewelf van baksteen. Dit zou een overkluizing van een waterloop kunnen zijn die richting de kloostergebouwen liep. De vroegste datering van het gewelf, ligt vermoedelijk in de 16de eeuw.
Vlakbij het gewelf werd ook een vloer van hergebruikte bakstenen gevonden dat gelijktijdig lijkt met het gewelf. Helaas kon van dit vloerniveau niet worden vastgesteld tot welk gebouw het heeft behoord. De oude kern van het kloosterterrein is in april 2022 als gemeentelijk archeologisch monument aangewezen (SOM1028).
afbeelding 6.7: opname van het gewelf dat is aangetroffen tijdens het archeologisch onderzoek. Vermoedelijk is het een 16de eeuwse overkluizing van een waterloop die richting het kloostergebouw Mariënwater liep Aanvullend op het kloosterterrein zijn nog proefsleuven gegraven in een zone direct ten oosten van het klooster. Deze zone die samenvalt met zone LG9 zou mogelijk ook nog onderdeel kunnen zijn van de oude kern. Tijdens dit onderzoek zijn echter geen archeologische sporen van het kloosterterrein gevonden, de grondverbetering en ophogingen dateren waarschijnlijk uit de 19de eeuw. Dit deel van het kloosterterrein vormt daarom geen onderdeel van de behoudenswaardige vindplaats en is ook geen onderdeel van het gemeentelijk archeologisch monument. Aan het deel van het plangebied dat is aangewezen als gemeentelijk archeologisch monument is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' toegekend. Op een aantal locaties in het plangebied is op de 89
kadastrale minuutkaart van circa 1820 bebouwing zichtbaar. Deze geïsoleerde bebouwing en de bijbehorende erven zijn archeologisch gezien van groot belang omdat op deze plekken in de ondergrond vaak nog resten van oudere (erf)bebouwing aanwezig zijn. Deze zones hebben in het bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' gekregen. Voor de zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Voor de zones met een lage archeologische verwachting wordt normaal gesproken geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Een uitzondering geldt echter voor de zones waar begraven bodems aanwezig kunnen zijn. Deze zones kunnen het best omschreven worden als gebieden met en onbekende archeologische verwachting. Zoals hiervoor staat beschreven, bevindt zich ten noorden van de Peter de Gorterweg zo'n zone. Voor deze zone is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen.
90
Hoofdstuk 7 Milieuaspecten Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.
7.1
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering zorgt in beginsel voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Richtlijn Bij het beoordelen van bedrijvigheid welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-Handreiking "Bedrijven en Milieuzonering". De VNG-brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. Het scheiden van functies via milieuzonering bij gevoelige objecten en sterk milieubelastende activiteiten is nodig om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen nabij gevoelige objecten, maar ook om zulke bedrijven een goed en duurzaam werkklimaat te garanderen zodat bedrijven hun activiteiten kunnen uitvoeren binnen de gangbare hindernormen. Bij milieuzonering wordt een bepaalde (hinder) afstand aangehouden tussen woning en een bedrijfsmatige activiteit.
Volgens de VNG-Handreiking zijn ook gebieden toelaatbaar waarbij gevoelige functies (zoals woningen) direct naast lichte bedrijvigheid (zoals winkels en daghoreca) mogelijk is. In zulke gebieden wordt juist bewust functiemenging nagestreefd om een grotere levendigheid en sociale cohesie tot stand te brengen. Het plan Binnen onderhavig plan wordt 'functiemenging' nagestreefd. In het plan worden op gebouwniveau diverse lichte bedrijfsmatige functies toegelaten bij en naast wonen. Functiemenging wordt hier bewust nagestreefd om sociale cohesie (ontmoeten) te bevorderen en een grotere levendigheid in het gebied na te streven. In de 91
VNG-Handreiking is daartoe een aparte lijst opgenomen van lichte functies die zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving dat ze aanpandig aan woningen kunnen plaatsvinden. De in dit plan toegelaten functies sluiten hierbij aan. Het gaat hierbij om maatschappelijke en kantoorachtige functies, ambachtelijke en bijzonder lichte bedrijvigheid, detailhandel en daghoreca. De eisen uit het Bouwbesluit voor de fysieke scheiding tussen wonen en zulke lichte bedrijvigheid zijn daarbij toereikend om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Overigens is het zo dat bedrijven altijd verplicht zijn te voldoen aan de geldende hindernormen uit het Activiteitenbesluit. Verwacht wordt dat deze lichte functies/bedrijven hun activiteiten prima kunnen uitvoeren binnen de gangbare hindernormen van het Activiteitenbesluit in de nabijheid van woningen. Een hinderlijke situatie wordt derhalve niet verwacht. Naast de 'gemengde bestemmingen' bevindt zich binnen het plangebied (nabij Berlicumseweg 10 en 12) een klein rioolgemaal waar met het aanhouden van voldoende afstand hinder als gevolg van geluid en met name geur dient te worden voorkomen. Voor dit rioolgemaal is functiescheiding aan de orde en geldt een indicatieve hinderafstand van 30 meter voor het maatgevende aspect geur. Binnen deze afstanden zijn in beginsel geen woningen toegestaan.