CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a Coudewater (landgoed en boszone)_Toelichting

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Coudewater (landgoed en boszone)31.668 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Overige woonbestemmingen bevinden zich niet in de nabijheid van enige hinderlijke bedrijfsmatige activiteiten. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen is hiermee gewaarborgd. Daarbij kunnen de toegelaten bedrijfsmatige functies worden uitgevoerd zonder dat de bedrijven in hun belangen worden geschaad.

7.2

Duurzaamheid en energie

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Een van de gevolgen van de klimaatverandering is dat hoosbuien steeds vaker voorkomen met een ontwrichtend effect op de openbare ruimte Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de visie 'Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vast gestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op onderstaande vier thema's: a. b. c. d.

Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging). CO2-neutrale omgeving (energie). Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit). Duurzame mobiliteit.

Conform de visie houdt gemeente 's-Hertogenbosch rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en steeds hetere zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan behoud van en toename van vergroening en biodiversiteit van onze gemeente. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds aan het opwekken van duurzame energie. Daarin maken we ook stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch. Voor de herontwikkeling van Landgoed Coudewater is in opdracht van de initiatiefnemer een duurzaamheidsvisie opgesteld (Royal Haskoning, Duurzaamheidsvisie Landgoed Coudewater, d.d. 11 december 2020; bijlage 10). Daarin wordt de insteek en maatregelen uiteengezet die aansluiten op de vier duurzaamheidsthema's uit de vast gestelde visie 'Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch'.

Over de uitvoering en uitwerking van de duurzame ambities zijn met de initiatiefnemer concrete en praktisch meetbare afspraken gemaakt. 92

Per thema uit de visie komt het - samengevat - neer op: 1. Gezond, groen en klimaatbestendig De bijzondere groene en historische waarden van het gebied Coudewater worden waar mogelijk behouden en versterkt. De stedenbouwkundige kwaliteit van het plan worden gekoppeld aan de gemeentelijke opgaves van waterberging om wateroverlast, hittestress en droogte te voorkomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het aspect 'klimaatadaptatie'. Zonder meer zal kunnen worden voldaan aan de recente Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021. Gezondheid wordt bevorderd via de bestaande en nieuwe fysieke condities van de leefomgeving, zoals schone lucht, weinig lawaai, gebruik van (zoveel als mogelijk) materialen die in mindere mate belastend zijn voor het milieu en onze gezondheid en voldoende groen. De inrichting van het gebied beschermt de inwoners tegen ongezonde invloeden uit de omgeving. De (groene) inrichting van het gebied stimuleert bewoners tot gezond leven. Het verleiden tot gezond gedrag (onder meer bewegen) is een belangrijke kwaliteit van het gebied. Om tot concrete en meetbare realisatie van de duurzame ambities te komen, zal voor de ontwikkeling gebruik worden gemaakt van het NL-Greenlabel. NL-Greenlabel is een instrument om de duurzaamheid van een ontwikkeling inzichtelijk, concreet en meetbaar te maken.

Hierbij kent label A de hoogste duurzaamheidsscore, label G de laagste. Overeen gekomen is dat door initiatiefnemer met het plan ten minste een score B wordt behaald. Bij de ontwikkeling wordt extra belang gehecht aan het thema biodiversiteit en landschappelijke waarden. Natuur-inclusief bouwen maakt daar onderdeel van uit.. 2. CO2-neutrale gemeente De nieuwe gebouwen/woningen worden ten minste gebouwd volgens de meest recente bouwnorm BENG (Bijna Energie Neutral Gebouw) en zonder aardgas-aansluiting. Daarnaast zal ontwikkelaar extra maatregelen nemen die - ten opzichte van de geldende normen - leiden tot een 'plus' op de geldende duurzaamheidseisen. De ambitie daarbij is energie neutrale bouw. Voor een integrale benadering en toetsing van de diverse duurzaamheidsaspecten bij bouwwerken, zal gebruik worden gemaakt van de methodiek van 'GPR-gebouw'. GPR-Gebouw is een breed toegepaste software-module die in 1 oogopslag het aspect duurzaamheid (van de thema's energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde) van een gebouw in beeld brengt. Hiervoor is een ondergrens afgesproken van 7,5 wat overeenkomt met een bovengemiddeld duurzaam gebouw. Voor de bestaande (oudere) panden wordt niet uitgegaan van het 'van rechtens verkregen niveau', maar wordt een duurzaamheids-slag doorgevoerd.

Het verduurzamen en energiezuinig maken van oude en monumentale panden is daarbij maatwerk en de mogelijkheden worden per gebouw onderzocht, bepaald en verantwoord. Daarbij is het uitgangspunt dat ook maatregelen worden onderzocht dat bestaande panden - naast energiezuinig - op termijn ook aardgasvrij worden. Verder worden mogelijkheden bekeken voor het uitwisselen van reststromen d.m.v. warmteterugwinning. Een resterende energievraag wordt zoveel mogelijk ingevuld met duurzaam opgewekte energie. 3. Waardebehoud van grondstoffen Bestaande waardevolle gebouwen worden behouden, getransformeerd, verduurzaamd en hergebruikt. Uit het oog van grondstofgebruik is dat de ultieme vorm van duurzaamheid. Ten eerste is bij hergebruik van panden maar een fractie van grondstoffen nodig dan bij nieuwbouw. Verduurzaming zal het energieverbruik aanzienlijk doen verminderen, met als uiteindelijk doel aardgasloos. Voor de nieuwbouw wordt het materiaalgebruik (grondstoffen) tot een verantwoord minimum gereduceerd. Daarbij worden de nieuwe woningen met een lange levensduur ontworpen en gebouwd. Natuurlijk wordt hout toegepast met een duurzaam houtkeurmerk. Daarbij zullen alle nieuwe woningen worden voorzien van een 'materialenpaspoort'.

Een materialenpaspport bevat informatie over het soort toegepast materiaal en hoeveelheden, ook de wijze van monteren en de locatie van de materialen staan er in aangegeven. Hiermee worden de bouw-objecten een soort 'materiëlenbank'. Zo'n paspoort maakt hoogwaardig hergebruik van materialen mogelijk na eventuele sloop. Het draagt bijzonder bij aan een circulaire bouw' in de toekomst. 4. Duurzame mobiliteit Diverse maatregelen in het plan stimuleren gezond bewegen en leven. Elektrisch vervoer, zowel op de fiets als auto, zal worden gestimuleerd. Elektrische oplaadvoorzieningen hebben de aandacht bij deze ontwikkeling. Elektrische auto's worden gezien als rijdende baterijen. In de ontwikkeling wordt meegenomen dat elektrische 93

auto's (in de nabije toekomst) onderdeel moeten gaan uitmaken van een nieuw energiesysteem en zullen daarin ondersteunend zijn voor de noodzakelijk energieopslag en transitie. De haalbaarheid van (aanwezige) deelauto's (op de gezamenlijke parkeerplaatsen) wordt eveneens onderzocht. Nieuwe bewoners worden gestimuleerd om de 'fossiele mobiliteit' in te wisselen voor duurzame mobiliteit. Samengevat wordt met de ontwikkeling bijzonder aangesloten bij de vastgestelde visie 'Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch'. Initiatiefnemer geeft duidelijk uitvoering aan de duurzame koers die de gemeente voor ogen heeft. Initiatiefnemer loopt daarbij voorop op het gebied van 'duurzaam ontwikkelen'.

7.3

Geluidhinder

Wettelijk kader en beleidskader Bij een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met geluidbronnen en de mogelijke hinder daarvan voor mensen. In de Wet geluidhinder zijn voor geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Industrielawaai en spoorweglawaai zijn voor dit plan niet relevant, omdat deze geluidbronnen zich op grote afstand van het plangebied bevinden. Wel is vanwege de ligging binnen de geluidzones van wegen akoestisch onderzoek gedaan (Aveco de Bondt, Akoestisch onderzoek ontwikkeling Land van Coudewater d.d. 24 september 2021; bijlage 11). Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder geluidzones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidzone van een weg moet de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen aan grenswaarden voldoen. De breedte van een geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Voor de geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige functies binnen de geluidzones van deze wegen geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB.

Onder voorwaarden is een hogere waarde toegestaan tot 53 dB (voor woningen binnen de zone van rijkswegen) of 63 dB (bij woningen gelegen binnen de zone van een weg met een binnenstedelijke ligging, in de regels overige wegen). Deze voorwaarden heeft de gemeente 's-Hertogenbosch vastgelegd in de Nota hogere grenswaarden geluid. Het beleid is gebiedsgericht: voor elk gebiedstype is een ambitiewaarde en bovengrens bepaald. Hierbij geldt de ambitiewaarde als basiskwaliteit en de bovengrens als maximaal toelaatbaar voor het betreffende gebiedstype. Voor het plangebied geldt het volgende: 1. Voor de eerstelijnsbebouwing die direct aangestraald wordt door de wegen geldt het gebiedstype ‘stromingszone’. In het plangebied betreft dit: a. de west- en noordgevel van het boswonen; b. de drie robuuste torens bij de Berlicumseweg en Milla de Campen; c. de parel in het groen nabij de Berlicumseweg. De ambitiewaarde van dit gebiedstype is 53 dB, de bovengrens is 63 dB. 2. Voor de rest van het plangebied geldt het gebiedstype ‘groen stedelijk’. Het gaat hierbij om een rustig, ruim opgezet gebied in het groen met overwegend woonfuncties, maar ook in beperkte mate voorzieningen en een ondergeschikte verkeersfunctie. De ambitiewaarde van dit gebiedstype is 48 dB, de bovengrens is 53 dB. Relevante wegen Voor het plangebied zijn de volgende wegen relevant: Peter de Gorterstraat.

De rijsnelheid op de Peter de Gorterstraat is 30 km/uur. De weg heeft geen geluidzone maar is in het kader van goede ruimtelijke ordening wel beschouwd. Wamberg. De Wamberg ligt ten zuiden van het plangebied, in het buitengebied. De rijsnelheid op deze weg is beperkt tot 50 km/uur. Omdat de weg buitenstedelijk ligt, is de zonebreedte 250 m. Berlicumseweg. De Berlicumseweg is een doorgaande weg tussen Berlicum en Rosmalen. Ter hoogte van Berlicumseweg 9-11 ligt de komgrens van de gemeente ’s-Hertogenbosch: de maximaal toegestane rijsnelheid gaat hier van 50 km/uur naar 80 km/uur. Omdat de weg gedeeltelijk binnen de bebouwde kom 94

ligt, is de zonebreedte 200 m. De rijksweg A59 heeft een zonebreedte van 600 m. De grens van het plangebied ligt op een afstand van circa 90 m van de rijksweg A59, gemeten vanaf de zuidelijke toe- en afrit van aansluiting Rosmalen (48). Hiermee ligt het grootste gedeelte van het plangebied binnen de zone van deze rijksweg. Ter hoogte van het plangebied liggen langs de rijksweg A59 geluidschermen met een hoogte van 5 m ten opzichte van het wegdek. Het plangebied ligt niet binnen de zone van de rijksweg A2: de afstand van het plangebied tot deze rijksweg is minstens 800 m. Omdat het plan naar verwachting wel binnen de invloedsfeer van deze weg ligt, is de geluidbelasting ervan in het het kader van een goede ruimtelijke ordening wel beschouwd. Geluidbelasting per woongebied Boswonen. De hoogste geluidbelasting vanwege de rijkswegen is 53 dB op de west-, noord- en oostgrens van de bestemmingsvlakken Woongebied voor boswonen. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde (van 48 dB) overschreden. De maximale ontheffingswaarde (van 53 dB voor Rijkswegen) niet. Daarmee voldoet de geluidbelasting aan de ambitiewaarde voor gebiedstype stromingszone en ook aan de bovengrens voor zowel gebiedstype stromingszone als gebiedstype groenstedelijk. Vanwege andere wegen is er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Robuuste torens.

De geluidbelasting vanwege de rijkswegen overschrijdt op de west-, noord- en oostgrens van het bestemmingsvlak Woongebied voor de robuuste torens de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Aan de noordgrens vanaf een hoogte van 16,5 m overschrijdt de geluidbelasting ook de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Vanaf een hoogte van 22,5 m is dit ook het geval aan de westgrens. De hoogste geluidbelasting bedraagt 59 dB aan de noordgrens op een hoogte van 28,5 m. Daarmee blijft de geluidbelasting gelijk aan of is ze lager dan de bovengrens van het gebiedstype stromingszone. De geluidbelasting vanwege de Berlicumseweg is aan de westgrens en het eerste deel van de noord- en de zuidgrens met maximaal 56 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde maar blijft beneden de bovengrens van het gebiedstype stromingszone. Dit woongebied heeft ook geluidbelasting vanwege de Peter de Gorterstraat, van ten hoogste 56 dB op de oostgrens. Deze 30 km/uur-weg heeft geen wettelijke geluidzone maar is beschouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Parel in het groen ten zuiden van Milla de Campen. De voorkeursgrenswaarde wordt aan de westgrens zowel vanwege de rijkswegen als vanwege de Berlicumseweg overschreden en vanwege de Berlicumseweg ook aan het eerste deel van de noordgrens.

Ze blijft echter met maximaal 51 dB binnen het ambitieniveau van het gebiedstype stromingszone en beneden de bovengrens van zowel het gebiedstype groenstedelijk als het gebiedstype stromingszone. Overige bestemmingsvlakken Woongebied. Bij de andere woongebieden wordt de voorkeursgrenswaarde (aan de noordgrens) vanwege de rijksweg weliswaar overschreden maar komt de geluidbelasting niet boven de maximale ontheffingswaarde van 53 dB uit en blijft ze beneden de bovengrens van het gebiedstype groenstedelijk. Geluidbelasting bestaande gebouwen De geluidbelasting vanwege de rijkswegen overschrijdt ook de voorkeursgrenswaarde op een aantal bestaande gebouwen die voor wonen kunnen worden herbestemd. Het gaat om Milla de Campen, het Hoofdgebouw, de Boerderij, De Hoeve en Parkzicht. De geluidbelasting is met maximaal 51 dB nergens hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Milla de Campen en Parkzicht hebben ook vanwege de Berlicumseweg met maximaal 52 dB op de westgevel van Parkzicht een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Ook hier blijft de hoogste geluidbelasting echter onder de maximale ontheffingswaarde. Er dient te worden gestreefd naar een binnenniveau van 33 dB. Bron- en overdrachtsmaatregelen In het akoestisch onderzoek worden ook geluidbeperkende maatregelen overwogen. Bij voorkeur worden maatregelen getroffen aan de bron van het geluid.

Mocht dit niet mogelijk zijn of onvoldoende doeltreffend zijn, dan worden maatregelen in de overdracht van het geluid afgewogen. Als ook overdrachtsmaatregelen niet 95

mogelijk zijn of onvoldoende doeltreffend zijn, worden maatregelen bij de ontvanger (gevelmaatregelen) getroffen. Als bronmaatregel stuit stillere wegdekverharding op overwegende bezwaren van financiële en technische aard: op de rijkswegen en de opstelvakken van de Berlicumseweg ligt al stiller asfalt en deze maatregel is met betrekking tot de Berlicumseweg en de Peter de Gorterstraat onvoldoende effectief. Bronmaatregelen zoals verlagen van de maximumsnelheid, verlagen van de verkeersintensiteiten, wijzigen van de samenstelling van het verkeer of wijzigen van de route voor zwaar vrachtverkeer zijn voor de rijkswegen en Berlicumseweg geen optie vanwege het doorgaande karakter van de wegen en voor de Peter de Gorterstraat evenmin omdat dit de enige ontsluitingsweg van het plangebied is. Wat betreft overdrachtsmaatregelen volgt uit de overwegingen in het onderzoek dat het verlagen van de geluidbelasting door het plaatsen van geluidschermen bij de rijksweg A59 onvoldoende effectief is en leidt tot overwegende bezwaren van financiële aard. Een geluidwal of -scherm bij de Berlicumseweg en/of de Peter de Gorterstraat stuit op overwegende bezwaren van landschappelijke en stedenbouwkundige aard. Ook het realiseren van een grotere afstand tussen de bron van het geluid en de ontvanger of het toepassen van afschermende bebouwing is een overdrachtsmaatregel.

In het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting inzichtelijk gemaakt en getoetst op de randen van de vlakken met de bestemming Woongebied. Naar verwachting liggen de gevels van de woningen niet op de randen van de ontwikkelvelden staan maar zullen de geluidgevoelige gebouwen binnen het ontwikkelveld op grotere afstand van de geluidbron worden gerealiseerd. Als gevolg daarvan kan een iets lagere geluidbelasting worden verwacht. Voor de ontwikkelvelden boswonen en robuuste torens is er tevens ruimte om een afschermende werking van gebouwen te creëren, door deze uit akoestisch oogpunt gunstig te positioneren ten opzichte van de geluidbron. Ontheffing hogere grenswaarde Het hoofdcriterium in het gemeentelijk geluidbeleid stelt dat een hogere grenswaarde alleen kan worden verleend als bron- en overdrachtsmaatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en/of er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Gebleken is dat bron- en overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, financiële of technische aard en dus niet mogelijk zijn. Daarom zijn hogere grenswaarden nodig. Deze kunnen in beginsel en onder voorwaarden worden verleend omdat de overschrijdingen niet de bovengrens van de betreffende gebiedstypen te boven gaan.

Bij de verlening van de hogere grenswaarden gelden de volgende criteria: indien mogelijk moet de afstand tussen de geluidbron en de nieuwe geluidgevoelige bestemming worden vergroot. Met name in de uitwerking van de bouwplannen voor de robuuste torens en het boswonen moeten dit criterium nader worden overwogen. indien mogelijk moeten bronmaatregelen (bijvoorbeeld stillere wegdektypen) worden getroffen; indien mogelijk moeten overdrachtsmaatregelen worden getroffen; het stedenbouwkundig ontwerp moet zodanig vorm worden gegeven dat zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat; in ieder geval bij woningen/appartementen moet de buitenruimte (tuin/balkon) voldoen aan de ambitiewaarde van het betreffende gebied; de woning moet tenminste één geluidsluwe gevel bezitten; bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidklasse ‘onrustig’ moet bij een aanvraag om bouwvergunning een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bouwbesluit waarbij voor de geluidbelasting wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting indien daar sprake van is. Dit laatste geldt ook voor de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in de bestaande (te transformeren) panden.

De conclusie van het akoestisch onderzoek is dat door uit akoestisch oogpunt optimaal positioneren en ontwerpen van de robuuste torens en de (rij)woningen in het boswonen dit plan voldoende ruimte biedt om aan de hand van de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te creëren. In de regels van het bestemmingsplan - in de bestemmingen Gemengd en Woongebied - wordt verwezen naar de voorwaarden in het (ontwerp)besluit tot ontheffing van de voorkeursgrenswaarden, op basis van het gemeentelijk geluidbeleid. Deze voorwaarden moeten vervolgens - als voorwaardelijke verplichting 96

worden gerealiseerd en in stand gehouden voor het gebruik conform de bestemming. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouw wordt door middel van akoestisch onderzoek inzichtelijk gemaakt dat de (gecumuleerde) geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in het plan zoveel mogelijk voldoet aan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB, ambitiewaarden en bovengrenzen uit het gemeentelijk geluidbeleid, maar in ieder geval voldoet aan de voorwaarden zoals zijn gekoppeld het besluit voor de hogere grenswaarden zoals berekend op de randen van de bestemmingsvlakken Woongebied. Met het voldoen aan de gestelde voorwaarden wordt ter plaatse van de nieuwe woningen een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat gewaarborgd.

7.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. In het onderzoek naar externe veiligheid worden het plaatsgebonden risico en het groepsrisico onderzocht. Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). In opdracht van de initiatiefnemer is een inventarisatie van de externe-veiligheidsrisico's uitgevoerd (Kragten, Externe veiligheid Land van Coudewater te Rosmalen d.d. 30 september 2020; bijlage 12): Het plangebied bevindt zich niet binnen de invloedsgebied van een waterweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, binnen de 1%-letaliteitsafstand van buisleidingen of binnen de plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Deze risico's en een verantwoording daarvan zijn niet aan de orde. Op circa 140 m van het plangebied - het deel met kwetsbare objecten zoals woningen - ligt de rijksweg A59. Deze weg heeft geen plaatsgebonden risicocontour en geen plasbrandaandachtsgebied (PAG).

Een verantwoording van eventuele risico's als gevolg hiervan is ook niet aan de orde. Op grond van de ligging nabij de rijksweg A59 moet de hoogte van het groepsrisico door middel van een RBM II-berekening inzichtelijk worden gemaakt. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van brandbare gassen en toxische vloeistoffen die over deze weg worden vervoerd, moeten de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijk stoffen over de weg (BLEVE en toxisch scenario) meegenomen in deze verantwoording conform het verantwoordingskader kwetsbare objecten (30-325 meter wegen). Op circa 1.100 m van het plangebied ligt de spoorlijn Nijmegen-Den Bosch. Deze spoorlijn heeft geen plaatsgebonden risicocontour en geen PAG. Een verantwoording van eventuele risico's als gevolg hiervan is niet aan de orde. Wat het groepsrisico betreft ligt het plangebied wel in het invloedsgebied van de spoorlijn. Overeenkomstig het gemeentelijk Uitvoeringskader externe veiligheid moet voor de voorkomende risico's (toxisch scenario) een motivatie worden gegeven conform het verantwoordingskader kwetsbare objecten (> 325 m spoor/wegen). Gezien de ligging binnen 200 m van de rijksweg A59 is de hoogte van het groepsrisico kwantitatief vastgesteld door middel van een RBM II-berekening (Kragten, Externe veiligheid weg Land van Coudewater te Rosmalen d.d. 1 oktober 2020; bijlage 13).

Uit deze berekening blijkt dat het groepsrisico zowel in de bestaande als in de toekomstige situatie hoger is dan 10% van de oriëntatiewaarde (maar dat ze ook onder die oriëntatiewaarde blijft): de verandering van de personendichtheid leidt niet tot een hoger groepsrisico. In de verantwoording van het groepsrisico (Kragten, Verantwoording groepsrisico Land van Coudewater te Rosmalen d.d. 5 oktober 2020; bijlage 14) is vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A59 en het spoor rekening gehouden met het maatgevende toxische en BLEVE-scenario. Met het oog op bestrijdbaar en beheersbaarheid is het plangebied voor de brandweer via twee van elkaar onafhankelijk aanvalswegen bereikbaar. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid van bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobronnen. Met het oog op de zelfredzaamheid worden binnen het plangebied geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen: het plan betreft de realisatie van grondgebonden woningen en appartementengebouwen. Uitgangspunt is dat eventueel minder zelfredzame personen door zelfredzame personen in veiligheid kunnen worden gebracht. Bij een toxische wolk moeten ramen en deuren goed gesloten kunnen worden. Omdat het plan overwegend nieuwbouw betreft, zal in 97

de uitwerking voldoende aandacht worden geschonken aan de luchtdichtheid van de woningen. Ook moeten in de uitwerking de vluchtmogelijkheden worden geoptimaliseerd: goed aangegeven vluchtwegen, loodrecht van de bron af en niet doodlopend. Advies veiligheidsregio Bij wet is bepaald dat voor een ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare objecten in de nabijheid van risicobronnen advies wordt gevraagd aan de Veiligheidsregio. Voor onderhavig plan is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio heeft op 15 september 2020 advies uitgebracht op het plan (zie bijlage 15) en heeft de volgende aanbevelingen: Er moeten zichtbare vluchtwegen van de risicobron aflopend worden gerealiseerd. Bewoners moeten geïnformeerd worden over de aanwezige risico's en het handelingsperspectief. De inrichting van het plangebied dient te worden uitgevoerd conform de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening.

7.5

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. De achtergrondconcentraties in Nederland van overige stoffen (zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, ozon, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen) zijn dusdanig laag dat geen overschrijding van de normen voor de luchtkwaliteit te verwachten is. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen het project draagt alleen 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging conform het Besluit NIBM en Regeling NIBM. Een project is twee gevallen 'niet in betekenende mate': 1. het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; 2. het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 µg /m³).

In opdracht van de initiatiefnemer is een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd (BRO, Luchtkwaliteitsonderzoek Land van Coudewater te Rosmalen d.d. 12 november 2020; bijlage 16). Uit de tabel met rekenresultaten (zie hieronder) blijkt dat als gevolg van het plan de normen voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) niet worden overschreden. Er wordt ruimschoots voldaan aan de normstelling voor de luchtkwaliteit die geldt voor deze maatgevende stoffen. Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor dit plan.

Tabel: Rekenresultaten luchtkwaliteitsonderzoek

98

7.6

Bodemkwaliteit

Voor een herziening van het bestemmingsplan voor een ruimtelijke ontwikkeling moet in het kader van de Wet bodemkwaliteit worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, bijvoorbeeld bij graafwerkzaamheden. Om de bodemkwaliteit binnen het plangebied te kunnen beoordelen, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (SGS Search, Verkennend bodemonderzoek Coudewater d.d. 23 mei 2018; bijlage 17). Hieruit volgt dat de bodem over het algemeen licht verontreinigd is met zware metalen, PAK's en PCB's. Plaatselijk zijn matig tot sterk verhoogde gehalten aan PAK's of lood aangetroffen. Ook is plaatselijk puin met asbest aangetroffen. Omdat uit de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek op enkele plaatsen een matig tot sterk verhoogd gehalte aan PAK's of lood is aangetoond, is een nader bodemonderzoek uitgevoerd (Aeres Milieu, Nader bodemonderzoek Land van Coudewater d.d.

19 augustus 2020; bijlage 18).Uit de resultaten van dat onderzoek blijkt dat: ter plaatse van deellocatie A een puntverontreiniging met PAK in de ondergrond van 1 tot 1,5 m beneden maaiveld aanwezig is. ter plaatse van deellocaties B en C is bij het nader onderzoek geen sterke verhoging meer aangetroffen in de bodem. de bovengrond ter plaatse van deellocatie D blijkt sterk verhoogd met lood. Het gaat om een locatie in de bestemming Groen. Vanwege de ligging nabij het Hoofdgebouw is de omvang van de verontreiniging ingeschat op circa 35 tot 40 m3 (circa 70 tot 80 m2 x 0,5 m laagdikte). Er is sprake van een ernstige bodemverontreiniging. Ook ter plaatse van deellocatie E is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood. Grotendeels is deze verhoging met lood in de baksteen en/of puinhoudende humeuze bodemlaag tot circa 1,2 m beneden maaiveld aangetoond. De sterke verhoging is aangetroffen in een historisch ophoogpakket zuidelijk, oostelijk en noordelijk van Peter de Gorterstraat 11 (de voormalige aardappelschuur respectievelijk clubhuis). Noordelijk is de sterke verhoging plaatselijk tot circa 2,5 m beneden maaiveld aangetroffen. De omvang van de sterke verhoging is gezien de ligging nabij het gebouw en het talud ingeschat op circa 560 m3 (circa 385 m2 x 1,2 m laagdikte + 65 m2 x 1,5 m laagdikte).

De verontreinigingen hoeven niet met spoed te worden gesaneerd: ze zijn horizontaal en verticaal ingekaderd en in de huidige situatie is er geen sprake van risico's voor volksgezondheid en milieu. Deellocatie A ligt echter ter plaatse van het woongebied robuuste torens en moet voorafgaand aan de realisatie van dat woongebied worden gesaneerd (met daarbij een Plan van Aanpak (PvA) en BUS-melding). Hetzelfde geldt voor deellocatie E: deze locatie ligt in het woongebied lobben en moet ook voorafgaand aan de realisatie daarvan worden gesaneerd (met daarbij een PvA en BUS-melding). Na sanering van deze deellocaties is de bodem geschikt voor de functies die dit bestemmingsplan er toestaat. Locatie D ligt weliswaar in de bestemming Groen maar dichtbij het Hoofdgebouw. Of sanering hier noodzakelijk, is afhankelijk van het toekomstig gebruik. De mogelijke hoeveelheid te saneren grond is is in totaal indicatief geraamd op 600 m3. Omdat uit het verkennend bodemonderzoek plaatselijk puin met asbest is aangetroffen, is ook naar aanleiding daarvan een onderzoek uitgevoerd (Aeres Milieu, Verkennend onderzoek asbest Land van Coudewater, d.d. 17 augustus 2020; bijlage 19). Plaatselijk - in één mengmonster - is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. In alle overige monsters is geen asbest aangetroffen.

De resultaten van dit onderzoek geven geen aanleiding voor een nader bodemonderzoek: wat betreft asbest is de bodem geen belemmering voor het plan. Geconcludeerd kan worden dat de bodem - zo nodig na sanering van de verontreinigende locaties - geschikt is voor de geplande functies.

99

afbeelding 7.1: locaties met bodemverontreiniging

7.7

M.e.r.-beoordeling

Voor ruimtelijke plannen moet een m.e.r.(-beoordeling) worden opgesteld als er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. of als er voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet is vereist. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Dit plan kan worden aangeduid als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in bijlage D 11.2. Voor dit plan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling gedaan (BRO, Aanmeldingsnotitie Bestemmingsplan Coudewater (landgoed en boszone), 18 december 2020; bijlage 20). Uit deze beoordeling en uit een vergelijking met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect, sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.

De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Het opstellen van een m.e.r. is dan ook niet nodig. Op grond van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer heeft het college hierover op 19 oktober 2021 een besluit genomen.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11655339/1