CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting en regels bestemmingsplan Herontwikkeling Terpeborch 1, Rosmalen

Gemeenteraad 30 januari 2024, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Herontwikkeling Terpeborch 1, Rosmalen29.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Vanuit planologisch oogpunt (beoordeling van het woon- en leefklimaat op basis van de gecumuleerde geluidbelasting) is tevens onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege deze 30 km/uur-wegen. Akoestisch onderzoek Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen onderzoeksrapportage. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder vanwege wegverkeer op de Rodenborchweg (ook met maatregelen in de vorm van schermen) tot maximaal 59 dB bedragen op de appartementen en 60 dB op de nieuwe woningen. Daarmee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt wel gerespecteerd. De gecumuleerde geluidbelastingen inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder vanwege wegverkeer op de Zusterbosweg en de Terpeborch (beide 30 km/uur-wegen) bedraagt de geluidbelasting op een deel van de appartementen meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar minder dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB die de Wet geluidhinder voor 50 km/uur-wegen stelt. Deze geluidbelastingen zijn ruimtelijk aanvaardbaar, maar zijn in het kader van de vereiste gevelwering conform het Bouwbesluit 2012 meegenomen in de cumulatieberekeningen. 37

Hogere waarden en (afschermende gevel)maatregelen Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dienen hogere waarden vastgesteld te worden, al dan niet in combinatie met het realiseren van afschermende voorzieningen (schermen), mede om te voldoen aan de randvoorwaarden die de gemeente 's-Hertogenbosch stelt in het gemeentelijk geluidbeleid aan het verlenen van een hoger waarde voor de nieuwe woningen. In het voorliggende geval is een geluidsscherm van 1,8 meter hoogte nodig in combinatie met balkonvoorzieningen. Met deze maatregel wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid en kunnen de hogere waarden worden verleend. De beschikking hogere grenswaarden is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Bij het bepalen van de vereiste gevelgeluidwering conform het Bouwbesluit 2012 dient uitgegaan te worden van de gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen en woningen. Conclusie Op basis van het akoestisch onderzoek wordt de ontwikkeling vanuit het oogpunt van wegverkeerslawaai inpasbaar geacht. Wel dient in het kader van de toekomstige omgevingsvergunning aangetoond te worden dat kan worden voldaan aan de binnenwaarde zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012. 5.3.2 Railverkeerslawaai Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond.

De beoogde ontwikkeling ligt op meer dan 300 meter van het ten zuiden gelegen spoortraject Rosmalen - Den Bosch. Gelet op de afstand en de tussenliggende bebouwing, vormt railverkeerslawaai geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.3.3 Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. In het voorliggende geval ligt het plangebied niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.4

Trillingen

Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Weg- of railverkeer en bepaalde indverlichtingustriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). Beoordeling Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron.

In het voorliggende geval is gelet op de afstand tot spoorwegen van meer dan 900 meter geen sprake van hinder als gevolg van trillingen. Vanuit wegverkeer zijn geen klachten in relatie tot trillingen bekend in de directe omgeving en wordt ook geen overlast in de vorm van trillingen verwacht. Vanuit dit kader 38

bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.5

Verlichting

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Beoordeling Bij het voorliggende plan is lichthinder niet relevant te noemen. Er is immers sprake van een woonfunctie die passend wordt geacht in de reeds bestaande woonomgeving. Andersom beredeneerd is vanuit de directe omgeving evenmin sprake van onevenredige lichthinder voor de beoogde functies binnen het plangebied. Er is immers slechts sprake van gangbare verlichting van het openbaar gebied. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Zoals beschreven in paragraaf 3.1 is er desondanks een verlichtingsplan opgesteld voor de beoogde ontwikkeling. Het verlichtingsplan is als bijlage 1 bij deze toelichting te raadplegen.

5.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden 39

onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit).

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Beoordeling Toetsing beleidsvisie De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw. Woningen worden beschouwd als kwestbare objecten. Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Beperkt/extra/kwetsbare objecten zijn binnen dit gebied toegestaan. Beschouwing risicobronnen Op basis van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Op figuur 5.1 zijn de belangrijkste risicobronnen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven.

40

Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart voor het plangebied en de omgeving, met het plangebied aangeduid met een zwarte pijl. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. De PR 10-6-risicocontouren en invloedsgebieden van inrichtingen reiken niet aan het plangebied. Buisleidingen Op meer dan 1.000 meter ten zuiden van het plangebied ligt een ondergrondse gastransportleiding van de Gasunie (Z-523-01). De PR 10-6-risicocontour en het invloedsgebied van deze buisleiding reiken niet aan het plangebied. Transportroutes (weg/spoor) Het plangebied ligt op meer dan 900 meter afstand van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen, op ruim 1.750 meter van de A2 en op meer dan 1.900 meter van de A59. Over deze transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6-risicocontouren van deze transportroutes reiken niet aan het plangebied. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van het spoor. Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

Uit de inventarisatie van de risicobronnen blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van het spoortraject van 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de genoemde transportroutes ligt, kan op basis van artikel 8, lid 1, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit houdt op basis van artikel 7 van het Bevt in dat ingegaan dient te worden op: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoor, en 41

de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op het spoor een ramp voordoet. Bestrijdbaarheid Voor wat betreft de (spoor)wegen zijn gelet op de tussenliggende afstand uitsluitend risico's in verband met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario) relevant. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Zelfredzaamheid Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het maatgevende scenario), biedt ‘schuilen’ in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwingen AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Binnen het plangebied sprake is van permanente zorg en toezicht om de minder zelfredzame personen te begeleiden. Middels uitbreiding van het bedrijfsnoodplan met het toxisch scenario, zodat tijdig de ventilatie wordt afgesloten kan binnen geschuild worden. Ondanks dat er sprake is van niet-zelfredzame personen, wordt hiermee voldoende veiligheid geboden. Advies Veiligheidsregio In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld.

Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR het niet meer nodig om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in de gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken. Conclusies en restrisico's Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na het nemen van maatregelen. Vanwege de ligging van het plan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Uit het bovenstaande blijkt dat het plan in lijn is met vigerende wet- en regelgeving en het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Verder worden de beperkte restrisico's acceptabel geacht. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

42

5.7

Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Beoordeling Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m³.

Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Op de navolgende weergave van de berekening is te zien dat zelfs bij een aantal van 2.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal met een aandeel vrachtverkeer van 0,5%, een project niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals weergegeven in paragraaf 3.3 is in het voorliggende geval slechts sprake van een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

Figuur 5.2: Weergave berekening NIBM-tool d.d. 01-05-2023. Zoals reeds aangegeven, is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde. In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' is de actuele luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke NSL-Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in de omgeving van het plangebied onder 35 µg/m³ liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 20 µg/m³ gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m³. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door 43

nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt kortom geen belemmering.

5.8

Bodem

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Beoordeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing.

5.9

Geur

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de omgeving van het plangebied in de bebouwde kom van Rosmalen en op ruime afstand van agrarische gebieden, is geur hier geen relevant aspect. Ook bevinden er zich geen andere geurproducerende (industriële) bedrijven in de directe omgeving van het plangebied. Nader onderzoek kan achterwege blijven. Een goed woon- en leefklimaat vanuit het aspect geur is voldoende verzekerd.

5.10

Hoogspanningslijnen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

Beoordeling De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005 en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. In het voorliggende geval zijn geen hoogspanningslijnen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het 44

voorzorgsbeginsel staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

5.11

Water

In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan. Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Waterschapsbeleid Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Gemeentelijk beleid Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de 45

kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Voor het plangebied is afdeling 4.3 'Het lozen van grond en hemelwater' van de Verordening Bomen, Water en Groen van toepassing. Voor wat betreft hemelwater luiden de regels als volgt: Artikel 4.15 Verbod op het lozen van hemelwater art. 4.15 lid 1. Het is verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. art. 4.15 lid 2. De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarvoor geldt dat: a. bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken; b.

bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van minder dan 500 m² , de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 10 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken. Deze verplichting geldt niet indien voor de betreffende oppervlakte aan nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding, een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m² . art. 4.15 lid 3. In afwijking van het tweede lid geldt dat indien een perceel is aangesloten op drukriolering de eigenaar van het betreffende perceel de verplichting heeft het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken. art. 4.15 lid 4. Indien voor het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding een vergunning voor een andere activiteit is benodigd, worden bij de aanvraag voor die vergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een berekening van de wateropgave; b. een situatietekening van de hemelwatervoorziening. art. 4.15 lid 5. De hiervoor bedoelde hemelwatervoorziening dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding gerealiseerd te zijn.

Aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van het college als beheerder te worden uitgevoerd. Bestaande toestand In de huidige situatie is sprake van een kantoorpand, waarbij het bijbehorende terrein vrijwel geheel verhard is met betonklinkers. Het bestaande terrein is voorzien van straatkolken die lozen op de gemeentelijke riolering. De hemelwaterafvoeren van het dak van het bestaande kantoorgebouw zijn eveneens aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Onderstaand is de verhouding verhard en onverhard terrein in de bestaande situatie weergegeven: Totale oppervlakte perceel: 1.688 m² Verhard oppervlak: 1.500 m² Onverhard oppervlak: 188 m²

46

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave 1. Voor de tuinen van de twee-onder-één-kapwoningen wordt de bestaande terreinverharding gedeeltelijk verwijderd. De percelen van de woningen zijn circa 220 - 230 m² groot. Het op tekeningen aangegeven bebouwingsvlak van de twee-onder-één kapwoningen met bijgebouwen bedraagt circa 167 m². Er is sprake van een vermindering van verhard oppervlak c.q. bebouwd oppervlak. Het hemelwater dat op het toekomstige onverharde oppervlak valt, kan ter plaatse in de bodem infiltreren. 2. Het hemelwater van de daken van de twee-onder-één-kapwoningen wordt geïnfiltreerd in de ondergrond. Het perceel ligt op circa 3,7 meter +NAP, het grondwater bevindt zich op een hoogte van circa 2,5 meter +NAP. Voorgesteld wordt gebruik te maken van infiltratiekratten met omgekeerde waaierdeksel als noodoverloopvoorziening. De infiltratiekratten worden aangebracht in het terrein naast de woningen. Bij hevige regenval waarbij de capaciteit van de infiltratiekratten onvoldoende blijkt te zijn zal het regenwater via het omgekeerd waaierdeksel in de tuin overlopen c.q. overlopen naar het verlaagd aangelegde terrein voor de woningen. Het lager aangelegde terrein bestaat gedeeltelijk uit graskeien waardoor het water vertraagd wordt afgevoerd.

De verlaagd aangelegde bestrating krijgt tevens infiltratieputten met infiltratievoorziening waardoor hemelwater vertraagd wordt afgevoerd. Het terrein van de woningen wordt lager aangelegd dan het peil van de aangrenzende woningen. Hierbij wordt uitgegaan van een minimale berging van 60 mm per vierkante meter verharding. Aandachtspunt is dat de voorziening binnen 48 uur voor een volgende bui beschikbaar (leeg) moet zijn. Het bovenstaande leidt tot de volgende berekening voor de infiltratievoorziening voor de twee-onder-één-kapwoningen: 167 m² x 0,06 m/m² = 10,0 m³. Dat is circa 5 m³ bergingscapaciteit per woning. Als bij zeer extreme regenval zowel de infiltratievoorziening van de woning, de infiltratievoorziening van het verlaagd aangelegde terrein en ook de bergingscapaciteit van het terrein onvoldoende blijkt te zijn, zorgt een overloopvoorziening van het verlaagd aangelegde terrein naar de groenstrook langs Rodenborchweg, voor de afvoer van het overtollige hemelwater. Daardoor wordt een calamiteit met hemelwater binnen het plan voorkomen. Uit oogpunt van verkeersveiligheid kan het niet wenselijke zijn dat bij extreme regenval de Rodenborchweg nog extra waterbelasting krijgt.

In het ontwerp van plan is op eigen terrein de mogelijkheid opgenomen om bij de herinrichting van de groenstrook een wadi aan te leggen al dan niet in combinatie met het openbaar groen langs de Rodenborchweg. De daken van de buitenbergingen worden voorzien van een groendak. De oppervlakte bedraagt circa 10 m². Een hemelwaterafvoer als overloopvoorziening voor het overtollig water loost in de grond/terrein. 3. Op de percelen van de twee-onder-één-kapwoningen zal plaatselijke bestrating voor inrit/parkeerplaatsen en terrassen worden aangebracht. Het hemelwater dat op deze bestrating valt zal afwateren en infiltreren op eigen terrein. Door de uitvoering van bovengenoemde punten 1 tot en met 3 wordt circa 450 m² verhard oppervlak ontkoppeld en geïnfiltreerd in de bodem.

4. De daken van de bergingen tegen de percelen Terpeborch 15-17 worden voorzien van een groendak. De noodoverloop loost op het onverharde terrein. Hierbij wordt circa 37 m² verhard oppervlak ontkoppeld. 5. Het dak van het bestaande kantoorgebouw wordt voorzien van een groendak. Bij de toepassing van een groendak op het bestaande kantoordak wordt de bestaande hemelwaterafvoer op de gemeentelijke riolering gehandhaafd en gebruikt als noodoverloop-voorziening voor het groendak. Om bij verstopping c.q. onvoldoende capaciteit bij extreme regenval overbelasting van de dakconstructie te voorkomen worden er noodoverlopen (spuwers) aangebracht. Praktische uitvoering: aangezien het afschot van het dak richting de hemelwaterafvoer (standleiding in het midden van het dakvlak gaat, zal deze noodoverloop voorziening bestaan uit een noodoverloop waarvan de bovenkant 40-50 mm is gelegen boven de dakbedekking in de nabijheid van de standleiding van de hemelwaterafvoer en vervolgens intern horizontaal verloopt naar de gevel. T.p.v. de gevel komt de afvoer als "spuwer" uit de gevel. 6. De hoofdmassa van het bestaande kantoorgebouw wordt uitgebreid. De oppervlakte is circa 30 m². Het dak van de uitbreiding wordt voorzien van een groendak. Een deel van de uitbreiding is de buitenruimte van het appartement op de verdieping. De afvoer daarvan zal lozen op / infiltreren in het terrein. 7.

De bestaande entree luifel wordt verwijderd. De nieuwe entreeluifels krijgen een afvoer die loost op eigen terrein. De luifels bevinden zich boven het verhard oppervlak. Het verhard oppervlak voert het water af naar 47

de infiltratievoorziening in het terrein. 8. Het dakterras van het appartement op de 1e verdieping heeft een omvang van 14 m². De bergingsopgave bedraagt 0,9 m³ (14 m² x 0,06 m/m² = 0,9 m²). De hemelwaterafvoer van het dakterras loost zijn water op / in het terrein door middel van de water-passerende bestrating en de infiltratievoorziening onder de bestrating van het terrein. Bij onvoldoende capaciteit bij hevige regenval vloeit het water over het terrein af richting groenstrook langs de openbare weg. Door de uitvoering van de punten 4, 5, 6, 7 en 8 wordt circa 412 m² verhard oppervlak ontkoppeld, geïnfiltreerd in de bodem c.q. gebufferd in groendak.

9. Het bestaande parkeerterrein achter en naast het terrein is nagenoeg volledig verhard. Een relatief groot deel van de bestrating wordt verwijderd t.b.v. een groenstrook langs de perceelsgrens, tuinen en buitenruimte. Ook komen er hagen en bomen die zorgen de opname van water, verkoeling en natuurinclusief bouwen. 10. De nieuwe appartementen op de begane grond, in het te transformeren kantoorgebouw krijgen een terras/buitenruimte. Het op de verharding vallende hemelwater zal afwateren en infiltreren op eigen terrein. Nieuwe toestand - overzicht oppervlaktes 1. Tuinen/groenvoorziening/graskeien: oppervlak circa 581 m² onverhard oppervlak. 2. Bergingen op terrein en dak bestaand kantoorgebouw inclusief uitbreiding: dakoppervlak circa 412 m², voorzien van groendak, alternatief infiltratie in bodem (geldt voor buitenberging 2 onder 1 kapwoningen). 3. Terrein: verhard oppervlak circa 514 m², bestrating waterdoorlatende uitvoering, 167 m². Voor de traditionele bestrating van 476 m² dient te worden voorzien in een voorziening van 31 m³ (514 m² x 0,06 m). Daarnaast 86 m² traditionele bestrating opgenomen i.v.m. toekomstige aan te leggen terrassen door bewoners. Daarvoor is 5 m³ vertraagde afvoercapaciteit nodig (86 m² x 0,06 m). Daarnaast telt de oppervlakte van de water-passerende bestrating voor 50% mee in de berekening verhard oppervlak.

Oppervlakte water-passerende bestrating 167 m² x 0,5 x 0,06 m) resulteert in 5 m³. Dit wordt gerealiseerd door de (nieuwe) bestrating lager en de waterpasserende bestrating circa 10-15 cm lager aan te leggen dan het peil dan de bestaande bestrating en de aanliggende bebouwing (zie figuur 5.3). De bestaande bestrating ter plaatse van het nieuwe binnenhofje ligt nu ook al lager dan de overige bestrating. De parkeervakken met water-passerende bestrating en de aangrenzende groenstroken zorgen voor de vertraagde afvoer. Door een verlaging van 10 cm over een oppervlakte van circa 375 m² van de bestrating, water-passerende bestrating en de groenstroken van het nieuwe binnenhofje kan eenvoudig een bergingscapaciteit van 37,5 m³ gerealiseerd. Als dit in combinatie gedaan wordt met het vervangen van de bestaande riolering door een water-infiltrerende uitvoering, die tevens aangesloten wordt op een infiltratievoorziening onder de bestrating, dan kan op praktische wijze goed voldaan worden aan de eisen. Deze lager gelegen bestrating krijgt een noodoverloop voorziening richting de Rodenborchweg om bij extreme regenval er voor te zorgen dat er geen problemen ontstaan. Het terrein van het plangebied ligt hoger dan de openbare weg (Rodenborchweg) De meeste buien in die in Nederland vallen blijven binnen de norm van 40 mm/m².

In het ontwerp is er daarom voor gekozen om in het terrein een infiltratievoorziening op te nemen die deze buien kan opvangen. Slechts enkele buien per jaar zijn heviger. Deze vallen binnen de norm van 60 mm/m². Deze buien kunnen tot gevolg hebben dat een paar keer per jaar er korte tijd plasvorming met een plasdiepte van 20 mm kan ontstaan. Deze plassen worden vertraagd afgevoerd. Voor zeer extreme regenval is in het ontwerp een noodoverloopvoorziening opgenomen. De voorziening loost op de groenstrook langs de Rodenborchweg. Deze voorziening kan een verlaging in het terrein zijn maar ook een gootje. De totale bergingscapaciteit die voor de infiltratie in het terrein moet worden opgenomen is voor de traditionele bestrating 36 m³ + water-passerende bestrating 5 m³ + traditionele bestrating terrassen 5 m³ + hemelwaterafvoer dakterras eerste verdieping 0,9 m³ = 41 m³. De bergingscapaciteit die daarvoor in het terrein wordt opgenomen 40/60 x 41 m² = 27,3 m³. 4. Daken buitenruimte appartementengebouw en 2 onder 1 kapwoningen: oppervlak circa 181 m².

48

Figuur 5.3: Weergave verlaagde bestrating. In de onderstaande tabel is het totaalbeeld cijfermatig weergegeven, waarbij in de rechterkolom wordt verwezen de kleuren op figuur 5.4. Een exemplaar op schaal van figuur 5.4 is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen.

49

Plandeel

Oppervlakte

Oppervlakte plangebied

1.688 m²

Oppervlakte perceel te transformeren

1.250 m²

Oppervlakte percelen twee-onder-een-kap

438 m²

1. Oppervlakte groene daken

412 m² (geel)

2. Oppervlakte traditionele daken

181 m² (blauw)

3. Oppervlakte traditionele bestrating

560 m² (arcering bestrating)

4. Oppervlakte water-passerende bestrating

167 m² (roze)

5. Oppervlakte groen

382 m² (groen)

Totaal groene daken (1) + groen oppervlak (5) + waterpasserende bestrating (4): 412 m² + 328 m² + 167m² x 0,5 = 823,5 m².

50

Figuur 5.3: Weergave waterbergende voorzieningen.

Vergelijking verharding bestaande en toekomstige situatie Huidige toestand Oppervlakte plangebied

1.688 m²

Totaal verhard oppervlak plangebied

1.500 m²

51

Nieuwe situatie Totaal verhard oppervlakte

1.153 m²

Oppervlakte groendak bergingscapaciteit > 25mm/m²

412 m²

Te infiltreren oppervlakte

741 m²

Nieuwe toestand - overzicht capaciteit infiltratievoorzieningen Overzicht capaciteit infiltratievoorzieningen Plandeel

Oppervlakte

Inhoud

1. Traditionele bestrating

514 m² + 86 m2 = 600 m² x 0,06 m/m²

36 m³

2. Water-passerende bestrating

167 m² x 0,5 x 0,06 m/m²

5,0 m³

3. Dakterras appartement verdieping

14 m² x 0,06 m/m²

0,9 m³

Van plandelen 1+2+3 wordt 0,04 m/m² door bodeminfiltratie ondergronds opgevangen en 27,9 m³ 0,02 m/m² bovengronds. 36,0 m³ + 5,0 m³ + 0,9 m³ = 41,9 m³ x (0,04/0,06) 4. Dak twee-onder-een kapwoningen

167 m² x 0,06 m/m²

Totale capaciteit infiltratievoorzieningen 27,9 m³ + 10,0 m³

10 m³ 37,9 m³

Conclusie Met de voorgestelde uitwerking van de omgang met hemelwater en afvalwater, wordt een verbetering ten opzichte van de huidige situatie bereikt en wordt voldaan aan de vereisten zoals opgenomen in de Verordening Bomen, Water en Groen.

5.12

Duurzaamheid

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) Inwoners van 's-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit. CO2 neutrale omgeving (energie) 's-Hertogenbosch gebruikt in 2050 alleen nog maar duurzaam opgewekte energie.

De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van 's-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto's. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) In 2050 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn. Duurzame mobiliteit 52

's-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden.

Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving Hemelwaterberging Hemelwaterberging wordt op de volgende manieren toegepast in het plan: De groenstructuur langs de Rodenborchweg krijgt een impuls door het planten van extra bomen. De noodzakelijke geluidwerende voorziening aan de noord- en oostzijde van het perceel wordt uitgevoerd als groen/begroeid geluidscherm. Er worden groene daken toegepast. Opname van hemelwater en vertraagde afvoer van hemelwater. Een deel van de bestaande terreinverharding wordt blijvend verwijderd. Tevens wordt extra groen geplant voor de opname en het vasthouden van hemelwater. Bodembedekkers, hagen, heesters en bomen. De hemelwaterriolering van het dak van het bestaande kantoorgebouw wordt ontkoppeld van de aansluiting op het gemeentelijke riool. Groendaken zorgen voor opname van hemelwater, vertraagde hemelwaterafvoer van overtollig water. Het overtollige water wordt opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein. Het voorkomen van hittestress Het tegengaan van hittestress door de volgende maatregelen: De bestaande gevels van het bestaande kantoorgebouw worden aan de buitenzijde aanvullend geïsoleerd. Daardoor optimale benutting van de bestaande gebouwmassa voor temperatuurregeling aan de binnenzijde van de woning. De gevels van het bestaande kantoorgebouw krijgen overwegend een lichte kleurstelling.

Het aanbrengen van het groendak op het bestaande kantoorgebouw draagt bij aan de natuurlijke koeling van het gebouw en de onderliggende woningen. Het aanbrengen van groendaken op de bergingen. Het verwijderen van bestrating en het aanbrengen van groen en groene hagen. Het planten van extra bomen voor de groenstructuur. Bij de uitwerking van de aanvraag omgevingsvergunning zal nader invulling worden gegeven aan maatregelen waardoor oververhitting wordt voorkomen. In het geval dat uit de BENG-berekening voor het energielabel blijkt dat oververhitting leidt tot extra noodzakelijke maatregelen. In dat geval zal gekozen worden voor bouwkundige maatregelen. Zoals als een spuiventilatie raam voor nachtventilatie en zonwering. Biodiversiteit De biodiversiteit wordt behouden en versterkt: Door toepassing van groene daken (zie ook figuur 5.3 in paragraaf 5.11). Door de toepassing aanplant van meer groen zoals het planten van bodembedekkers, hagen en bomen. De op het terrein aanwezige vleermuiskasten worden gehandhaafd. Zie ook figuur 5.4. In het plan wordt een insectenhotel opgenomen, tegen de zijgevel van de bergingen, één en ander op advies van een ecoloog. Zie ook figuur 5.4.

53

Figuur 5.4: Locatie insectenhotel (rode pijl) en vleermuiskasten (blauwe pijlen)

CO2 neutrale omgeving (energie) Twee-onder-een-kap-woningen De twee-onder-een-kap-woningen worden prefab geproduceerd. Daardoor optimalisering bouw- en productieprocessen. Minder transportbewegingen voor de realisering maar ook minder afval bij de productie. Daardoor minder energie nodig voor de productie van materialen en de bouw van de woningen. De woningen zijn optimaal geïsoleerd waardoor zij weinig energie gebruiken. De woningen zijn gasloos. De woningen wekken eigen energie op d.m.v. zonnepanelen. Door de vergroening is minder energie nodig voor koeling. De vergroening heeft een positief effect op de woningen in dit plan als ook voor de woningen in de directe omgeving. Bij de aanvraag omgevingsvergunning moet ook specifiek worden aangegeven hoe oververhitting wordt voorkomen.

54

Herbestemming bestaand kantoor De isolatie van de schil en de kierdichting van het te transformeren kantoorgebouw worden op het huidige nieuwbouwniveau gebracht. In overleg met installatieadviseur wordt duurzame installaties aangebracht. De meest duurzame oplossing is dat het pand en de woningen kunnen worden aangesloten op een laagtemperatuur netwerk in de wijk. Echter de gemeente en de wijk is nog niet zover dat op korte termijn een dergelijk netwerk zal worden aangelegd. Bij de transformatie wordt uitgegaan van zogenaamde "no-regret"-maatregelen. Waardoor dat in de toekomst wel mogelijk is. Daarbij zijn individuele oplossingen maar ook collectieve (gebouw)oplossingen mogelijk. Afhankelijk van de beschikbaarheid zal worden ingezet op het aardgasloos maken van het bestaande pand. Indien nog noodzakelijk zal de installatie geschikt zijn voor duurzaam geproduceerd gas. De maatregelen voor het tegengaan van hittestress dragen bij aan een natuurlijke wijze van koeling. Daardoor besparing op eventueel noodzakelijke energie voor koeling. Balkons voor de appartementen op de verdieping zijn vaste bouwkundige zonwering voor de ramen van de woningen op de begane grond. Als uit de BENG-berekening voor het energielabel blijkt dat oververhitting leidt tot extra noodzakelijke maatregelen, zal gekozen worden voor bouwkundige maatregelen.

Zoals als een spuiventilatie raam voor nachtventilatie en zonwering. Waardoor energieverbruik voor koeling wordt voorkomen c.q. zoveel mogelijk tot een minimum wordt beperkt. Waardenbehoud van grondstoffen (circulariteit) Bestaand kantoorgebouw De bouwdelen van het bestaande pand worden zoveel mogelijk behouden. Daar waar noodzakelijk aangepast voor de herbestemming. Concreet houdt dat bij dit plan in het behoud van de hoofddraagconstructie, fundering, begane grondvloer, verdiepingsvloer. Ook de staalconstructie die een belangrijk onderdeel vormt van de hoofddraagconstructie wordt behouden, aangepast en daar waar noodzakelijk uitgebreid. Gevels waarbij alleen de bestaande gevelkozijnen worden verwijderd. Beperkte alleen noodzakelijke gevelaanpassingen om het kantoorgebouw de uitstraling te geven voor de nieuwe woonbestemming. Hergebruik van bestratingsmaterialen. De twee-onder-een-kap-woningen Worden prefab geproduceerd. Daardoor worden deze optimaal geproduceerd. Daardoor minder energie nodig voor de productie van materialen. Efficiënte productie waardoor minder afval tijdens de bouw. Tijdens de productie vrijkomend afval wordt hergebruikt als grondstof. Prefab woningen zijn aan het eind van hun levensduur eenvoudig te demonteren. Vrijkomende materialen en bouwdelen kunnen een herbestemming krijgen in andere gebouwen c.q. als grondstof voor nieuwe materialen.

De nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan de eisen MPG-berekening. Duurzame mobiliteit Door de ligging binnen de bestaande bebouwde kom van Rosmalen, met alle direct benodigde voorzieningen op loop- en korte fietsafstand, draagt dit plan bij aan duurzame mobiliteit. De wijk De Overlaet heeft een stedenbouwkundige opzet en structuur waarbij de auto bij de aanleg van de wijk een ondergeschikte rol heeft gekregen. Ondanks dat indertijd het terugdringen van het autogebruik nog geen maatschappelijk en beleidsthema was. Langzaam verkeer is voor een belangrijk deel gescheiden van het autoverkeer. De wijk wordt gekenmerkt door woonerven die gelegen zijn aan ontsluitingswegen. Kenmerk van woonerven is dat de auto ondergeschikt is aan het langzaam verkeer. In de bestaande omgeving draagt dit onbewust bij aan bewuste vervoerkeuzes door de toekomstige bewoners. In het plan worden nog geen deelauto's opgenomen. Er worden nog geen laadpalen aangelegd. Wel wordt daar 55

al technisch rekening mee gehouden. Daarin volgt het project het beleidsplan "Elektrisch rijden en laden in gemeente 's-Hertogenbosch". In dat plan wordt geleidelijk en bewust in samenspraak met de omgeving, laadpalen aangelegd in de openbare ruimte. Gezien het vinden van een goede balans tussen elektrische auto's, brandstofauto's en de hoeveelheid parkeerplaatsen in de gehele wijk een goede beleidskeuze. Conclusie In het kader van de beoogde ontwikkeling worden diverse maatregelen getroffen die leiden tot verduurzaming ten opzichte van de huidige situatie. Dit geheel in lijn met het streven van de gemeente 's-Hertogenbosch naar verduurzaming.

5.13

Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. Beoordeling Ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet, dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. Ad b.

Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op circa 8,5 km van Natura 2000-gebied Rijntakken, op circa 5,6 km van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek en op circa 13 km van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De beoogde ontwikkelingen in het plangebied hebben gelet op de aard en beperkte omvang in combinatie met de grote afstand tot Natura 2000-gebieden, geen significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstanden zijn hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zoals beschreven in de als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegde aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving.

Het bevoegd gezag heeft dan ook besloten dat in het kader van de voorgenomen activiteit geen milieueffectrapportage nodig is.

56

5.14

Ecologie

5.14.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming

57

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.14.2 Onderzoek In verband met de voorgenomen ontwikkelingen is een verkennend flora- en fauna onderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die als Bijlage 9 bij deze toelichting is opgenomen.

Beschermde soorten Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij het renoveren en verduurzamen van het kantoorpand, en het realiseren van negen wooneenheden binnen het pand, mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels en vleermuizen. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende muizensoorten en egel binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Op de overige soortgroepen wordt geen negatief effect op beschermde soorten (of functies) verwacht. Broedvogels - rekening houden met broedseizoen bij werkzaamheden Binnen het onderzoeksgebied zijn ten tijde van het veldonderzoek geen jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen en/of nesten van algemene broedvogels aanwezig. Hoogstwaarschijnlijk komen soorten als merel en heggemus wel voor in de omgeving van het onderzoeksgebied. Van deze soorten is niet uit te sluiten dat zij tot broeden komen in de aanwezige struikbegroeiing en de klimop rondom het kantoorpand. Het is verder niet uit te sluiten dat in de periode tot aan en tijdens de werkzaamheden, alsnog vogels gaan broeden in een van de aanwezige bomen binnen het onderzoeksgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13586447/1