Bijlage 3 - Rapport Verwey-Jonker
Tekst van het document
Jeugdigen met langdurige problematiek (gedragsstoornissen en -problemen) hebben vaak beschermd wonen in het vooruitzicht, of begeleid wonen met 24 uurs begeleiding. Voordat zij de volwassenenhulp in gaan, blijven zij echter vaak nog binnen de jeugdhulp, omdat verhuizen geen goede optie zou zijn, een Wlz-beschikking wordt 46
7
Deel 3: Instroom Jeugdbescherming
In ‘s-Hertogenbosch is het aantal jeugdigen in een jeugdbeschermingstraject de afgelopen jaren toegenomen. Hiermee zit de gemeente boven het landelijk gemiddelde. De gemeente ziet dat vooral in wijken met een lagere sociaaleconomische positie het aantal maatregelen hoger. In gezinnen waar de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doet is vaak sprake van complexe scheidingen. Deze samenhang is niet uniek voor ‘s-Hertogenbosch en zien wij op veel plekken in het land. In dit deelonderzoek trachten wij verklaringen te vinden voor de constatering dat er relatief veel jeugdbeschermingstrajecten zijn in ‘s-Hertogenbosch en welke aangrijpingspunten er zijn om dit terug te brengen. In hoeverre is er sprake van een probleem van onveiligheid? En/of ontbreekt er passend aanbod, om veiligheid te verbeteren en te voorkomen dat jeugdbescherming wordt ingezet?
Tabel 7.1 Indicaties jeugdbescherming Totaal aantal indicaties binnen de onderzoekperiode (1 januari 2020 – 30 juni 2022)
1.191
Aantal personen die een of meerdere indicaties hebben lopen binnen de onderzoeksperiode
593
Aantal personen met een indicatie
257
Aantal personen met meerdere indicaties
336
Figuur 7.1. Aantal jeugdigen met jeugdbescherming per half jaar 399
400 395 390
387
387
2021-1
2021-2
385 380 375 370 365 360
359 356
355
7.1.
Omvang inzet jeugdbeschermingsmaatregelen
Zoals in onderstaande tabel te zien is, waren er binnen de onderzoeksperiode in totaal 1191 indicaties jeugdbescherming, waarbij het gaat om 593 jeugdigen. Per halfjaar zien we een stijging van het aantal jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Dit betreffen jeugdigen die binnen de periode een lopende indicatie voor jeugdbescherming hebben (figuur 7.1).
350
7.1.1.
2020-1
2020-2
2022-1
Voorzieningen
Van het totaal aantal afgegeven/lopende indicaties in de onderzoeksperiode is te zien dat meer dan de helft van de indicaties ‘ondertoezichtstelling jaar 2+’ betreffen (53%). Meer dan een kwart betreft een ondertoezichtstelling jaar 1 (32%) en 15% voogdij: outputgericht. Voor voorlopige voogdij en ondertoezichtstelling via het Landelijke Expertise Team (LET) worden in verhouding relatief weinig indicaties afgegeven (zie figuur 7.2).
47
Figuur 7.2. Voorzieningen waarnaar verwezen wordt voor het totaal aantal afgegeven indicaties (N=1191)
Figuur 7.3. Voorzieningen op indicatieniveau op basis van startdatum 70%
53%
60%
60% 50%
50%
40% 40%
32%
30%
30%
20% 15%
20%
10%
Op basis van de startdatum van de indicatie is er gekeken of er bepaalde trends te zien zijn in de voorzieningen waarnaar verwezen wordt. Te zien is dat dit vrij stabiel is over tijd. In het eerste deel van 2022 is een lichte verschuiving te zien waarbij de ondertoezichtstellingen jaar 1 en jaar 2+ in verhouding afnemen en de indicaties voor voogdij toenemen (zie figuur 7.3).
2020-1
7.1.2.
2020-1
2021-1
2021-2
LET: Ondertoezicht jaar 1: output
Voorlopige Voogdij: outputgericht
Voogdij: outputgericht
Voogdij: outputgericht
Ondertoezichtstelling jaar 2+ (output)
Ondertoezichtstelling jaar 1 (output)
0%
Ondertoezichtstelling jaar 2+ (output)
0%
Ondertoezichtstelling jaar 1 (output)
0%
LET: Ondertoezicht jaar 1: output
10%
Voorlopige Voogdij: outputgericht
0%
2022-1
Verzoek tot onderzoek
Van het totaal aantal afgegeven/lopende indicaties in de onderzoeksperiode wordt iets meer dan de helft van de verzoeken (54%) door de gemeentelijke toegang gedaan. De andere helft (46%) van de verzoeken worden door de rechtelijke macht gedaan. In de data wordt dit niet verder gespecificeerd (zie figuur 7.4).
48
Figuur 7.4. Partijen die verzoek doen tot onderzoek voor het totaal aantal afgegeven indicaties (N=1191)
Figuur 7.5. Partijen die verzoek doen tot onderzoek op basis van instroomdatum 100% 90%
100%
80% 70%
80% 60%
60% 54% 46%
50% 40% 30%
40%
20% 10%
20%
0% 2020-1 Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
Gemeente
0%
Op basis van de startdatum van de indicatie is er gekeken of er bepaalde trends te zien zijn in de partijen die verzoek doen tot onderzoek. Te zien is dat er een grote verschuiving is, tot 2021 kwamen de meeste verzoeken van de gemeente zelf. Vanaf 2021 wordt het merendeel van de verzoeken tot onderzoek uitgevoerd door de rechterlijke macht (zie figuur 7.5).
2020-1
2021-1
2021-2
2022-1
Gemeente Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
7.2.
Cijfers nieuwe instroom jeugdbescherming 2021-2022
Per half jaar is er gekeken naar de nieuwe instroom van jongeren in jeugdbescherming. Onder nieuwe instroom verstaan we jongeren die in de beschikbare dataset geen eerdere indicatie voor jeugdbescherming hebben gehad. Wegens de onvolledigheid van de dataset is het mogelijk dat dit bij enkele jongeren wel het geval was. In figuur 7.6 is te zien dat er meer jeugdigen instromen in de eerste helft van het jaar. In de tweede helft van het jaar is het aantal nieuwe jeugdigen dat instroomt in de jeugdbescherming lager. In 2020 stroomden er in totaal 188 jongeren in, in 2021 lag dit aantal een stuk lager namelijk op 109 jongeren.
49
Figuur 7.6. Nieuwe instroom van individuele jongeren in de jeugdbescherming 160 140
136
Wat betreft gender stromen er steeds meer meisjes in naarmate de tijd vordert. Alleen in het tweede half jaar van 2020 is een piek van het aantal jongens te zien die instromen in de jeugdbescherming (Figuur 7.8). Figuur 7.8. Gender jongeren die nieuw instromen in de jeugdbescherming
120 100 76
80
2022-1
41%
59%
62 52
60
47
2021-2
47%
53%
40 20
2021-1
58%
42%
0 2020-1
2020-2
2021-1
2021-2
2022-1 2020-2
64%
37%
Kenmerken jeugdigen die instromen in jeugdbescherming Van de jongeren die nieuw instromen valt op dat deze groep tot 2021 relatief jonger wordt. Daarna neemt de leeftijd weer toe en komt het in de eerste helft van 2022 weer op hetzelfde niveau als begin 2020 (figuur 7.7).
2020-1
50% 0%
20%
50% 40% Man
Figuur 7.7. Gemiddelde leeftijd jongeren die nieuw instromen in de jeugdbescherming
7.3.
13 12,5
12,32
12,15
12 11,5 11
10,62
10,66
10,5 9,77
10
60%
80%
100%
Vrouw
Uitstroom jeugdbescherming
Per half jaar is er gekeken naar de uitstroom van jongeren uit de jeugdbescherming. Onder uitstroom verstaan we jongeren waarvan de laatste indicatie een einddatum heeft die al geweest is en op dit moment geen nieuwe indicatie voor jeugdbescherming heeft staan. In figuur 7.9 is geen duidelijk patroon te zien in de uitstroom. Zo neemt in 2020 de uitstroom af waarna deze eind 2021 exponentieel toeneemt. In 2020 stroomden er in totaal 75 jongeren uit de jeugdbescherming, in 2021 lag dit aantal een stuk hoger namelijk op 119 jongeren.
9,5 9 8,5 8 2020-1
2020-2
2021-1
2021-2
2022-1
50
Figuur 7.9. Uitstroom van individuele jongeren uit de jeugdbescherming 76
80 70
59
60 50
46
43
Wat betreft gender zijn er geen bijzonderheden zichtbaar, ongeveer de helft van de jongeren die uitstromen is jongen en de andere helft is meisje (zie figuur 7.11). Figuur 7.11. Gender jongeren uitstroom uit de jeugdbescherming
2022-1
53%
48%
2021-2
51%
49%
2021-1
49%
51%
40 29
30 20 10 0 2020-1
2020-2
2021-1
2021-2
2020-2
55%
45%
2020-1
59%
41%
2022-1
Kenmerken jeugdigen die uitstromen uit jeugdbescherming
0%
Van de jongeren die uitstromen valt er op dat deze groep per periode relatief jonger wordt. Waar de jongeren die uitstroomden in de eerste helft van 2020 gemiddeld nog 15,23 jaar oud waren, zien we dat in de eerste helft van 2022 dit nog maar 12,44 jaar is (figuur 7.10). Figuur 7.10. Gemiddelde leeftijd jongeren uitstroom jeugdbescherming 16
15,33
15,41 14,91
15 14 13
12,44 12,05
12 11
20%
40% Man
7.4.
60%
80%
100%
Vrouw
Afwegingen en redenen
In dit deelonderzoek hebben wij 18 dossiers bekeken van jeugdigen bij wie in de periode 1 januari 2020 tot 1 juli 2022 een jeugdbeschermingsmaatregel is opgelegd en uitgevoerd door Jeugdbescherming Brabant. Dossiers van andere jeugdbeschermingsorganisaties zijn niet meegenomen, omdat deze organisaties niet hebben meegewerkt aan dit onderzoek. Het gaat om ondertoezichtstellingen (OTS) en voogdijmaatregelen. Jeugdreclassering en preventieve interventies vanuit de jeugdbescherming vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het onderzoek is gericht op de periode voorafgaand aan het opleggen van de jeugdbeschermingsmaatregel. We gaan in op de redenen die genoemd worden voor de maatregel, wat er is overwogen en ingezet voorafgaand aan de maatregel. Bij vier dossiers zijn aanvullende, verdiepende interviews afgenomen met professionals, jeugdigen en ouders.
10 2020-1
2020-2
2021-1
2021-2
2022-1
51
In slechts 2 van de 18 onderzochte gezinnen is er sprake van een gezinssituatie met twee betrokken, samenwonende ouders die de jeugdige erkennen als hun kind. In 9 gezinnen is er sprake van een scheiding of aanstaande scheiding, waarvan er 7 te typeren zijn als een conflictueuze relatie tussen ouders. In 4 casussen is alleen een moeder in beeld. In één casus zijn beide ouders van de jeugdige overleden. De gronden voor jeugdbeschermingsmaatregelen zijn wettelijk vastgelegd. Voor een ondertoezichtstellingen is vastgelegd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek dat een ondertoezichtstelling wordt opgelegd wanneer 1) een minderjarige ernstig in de ontwikkeling wordt bedreigd, of 2) zorgen om ontwikkelingsbedreiging weg te nemen niet of onvoldoende worden geaccepteerd door ouders. Voor een ondertoezichtstelling geldt dat de verwachting moet zijn dat ouders binnen redelijke termijn in staat zullen zijn hun opvoedingsverantwoordelijkheid te kunnen waarmaken. Is dit niet zo, of is er sprake van misbruik van gezag, is ontheffing van ouderlijk gezag gerechtvaardigd (1:266) en wordt voogdij verlegd naar de jeugdbescherming. Aangezien jeugdbeschermingsmaatregelen aan bovengenoemde gronden zijn gebonden, zijn de afwegingen en redenen in grote lijnen bekend.
In de dossiers zijn ook geen voorbeelden te zien waar twijfels zijn over de gronden voor de maatregelen, hoewel ‘voldoende veiligheid’ niet door iedereen hetzelfde beoordeeld wordt, ook niet met gebruik van instrumenten als de LIRIK. Zo geeft een medewerker Toegang & Regie aan dat de ene gedragswetenschapper zich sneller zorgen maakt dan de andere en dat er ook binnen het team verschillen zijn in inschatting van (on)veiligheid.
Dit is met name zo bij complexe scheidingen: hier lijkt de algehele situatie meer aanleiding te zijn dan concrete incidenten. De precieze aanleiding en zwaarte van problematiek zijn echter niet goed af te leiden uit de dossiers: de besluiten worden onderbouwd maar het proces van afweging en de mogelijkheden tot alternatieve (vrijwillige) vormen van ondersteuning is in de dossiers niet of nauwelijks zichtbaar. De gesprekken van het Zorg- en Veiligheidshuis, de veiligheidstafel en jeugdbeschermingstafel zijn niet altijd opgenomen in het dossier, of zijn niet in detail omschreven. Duidelijk is wel dat jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel een diverse groep jeugdigen zijn, met als kenmerk dat zij allen in een situatie zaten waar er onvoldoende veiligheid en/of ontwikkelingsmogelijkheden waren in het gezin. Er zijn grofweg drie – sterk overlappende – profielen te onderscheiden: 1) gezinnen met een conflictrelatie tussen ouders (complexe scheidingen), 2) gezinnen waar ernstige (persoonlijke of psychiatrische) problematiek is bij ouders en 3) jeugdigen met ernstige gedragsstoornis/gedragsprobleem (figuur 7.12). Er is deels overlap met de groep jeugdigen in verblijf (zie paragraaf 5.4), doordat een deel van de jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel ook in verblijf terecht komt.
Hieronder gaan we per profiel in op de afwegingen en redenen voor de jeugdbeschermingsmaatregel. Figuur 7.12 Profielen van jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel
De precieze aanleidingen van de onveiligheid en onvoldoende ontwikkelkansen en de mogelijkheden om vrijwillige hulp in te zetten zijn echter niet altijd goed af te leiden. We zien grote verschillen in de invulling van de rapportages van raadsonderzoeken. Waar bij de ene casus heel duidelijk is wat de situatie zo onveilig maakt, is bij andere casussen de urgentie moeilijker te herleiden. 52
Profiel 1: gezinnen met een conflictrelatie tussen ouders (complexe scheidingen) In 7 van de 18 onderzochte casussen is sprake van een conflictueuze relatie tussen ouders. Ouders binnen dit profiel zijn dermate niet in staat goed met elkaar te communiceren, waardoor een (sociaal of fysiek) onveilige situatie voor kind(eren) ontstaat. In deze gezinnen vormen de kinderen en/of jeugdbeschermingsmaatregel soms onderdeel van de strijd in de complexe scheiding. In deze gezinnen zijn kinderen slachtoffer van het conflict tussen ouders, of erkennen ouders hun aandeel in de problematiek niet of onvoldoende. Ook bestaan er verschillende visies op opvoeding en wat voor hulp er nodig is in het gezin. Dit betekent dat hulp die wordt aangereikt geweigerd wordt of onvoldoende aan wordt meegewerkt. We zien hier ook terug dat omgangsregelingen en veiligheidsafspraken niet worden nageleefd. Profiel 2: gezinnen waar ernstige problematiek is bij ouder(s) In 9 van de 18 onderzochte casussen is sprake van ernstige problematiek bij een ouder (psychisch en/of verslavingsproblematiek), waardoor een opvoedcrisis ontstaat. In deze gezinnen lijden de kinderen onder de problematiek van de ouders en ontwikkelen hieruit eigen problematiek. Hier kan intergenerationele overdracht van trauma’s en hechtingsproblematiek spelen.
In de casussen zien we meerdere keren alleenstaande moeders die met ernstige psychische problematiek te maken hebben, waardoor zij tekortschieten in opvoedvaardigheden en het bieden van een veilige thuissituatie met voldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor de kinderen. Profiel 3: jeugdigen met ernstige gedragsstoornis/gedragsprobleem In 6 van de 18 onderzochte casussen staat het problematische gedrag van de jeugdige op de voorgrond. Het kan daarbij gaan om aangeboren gedrag (gedragsstoornis) of gedrag voortkomend uit problemen in het gezin (gedragsproblematiek). Het gedrag is zodanig complex en problematisch, dat de veiligheid en ontwikkelingskansen van de jeugdige en andere gezinsleden onder druk staat. In het onderzoek rond instroom jeugdhulp met verblijf kwamen we deze groep vaker tegen dan bij jeugdbeschermingsmaatregelen, omdat er bij
deze groep vaker sprake lijkt van vrijwillige uithuisplaatsingen of vrijwillige plaatsing in een verblijfsinstelling. Toch komt het voor dat er jeugdbeschermingsmaatregelen worden opgelegd bij gezinnen waar de problematiek van de jeugdige op de voorgrond staat en dit leidt tot opvoedstress en onvermogen bij ouders om een veilige en ontwikkelgerichte omgeving te bieden. In deze gezinnen is een overlap met de andere profielen; problematiek van jeugdige en ouders en conflicten tussen ouders lijken elkaar te versterken. Huiselijk geweld en seksueel misbruik In 6 van de 18 onderzochte dossiers wordt benoemd dat er huiselijk geweld in het gezin heeft plaatsgevonden. Dit wordt vaak als een van de belangrijkste redenen genoemd voor het opleggen van een jeugdbeschermingsmaatregel. Huiselijk geweld komt voor in alle drie de genoemde profielen. Het gaat daarbij om geweld tussen ouders, geweld van kind richting ouder en geweld van ouder richting kind. In één casus heeft ook geweld plaatsgevonden richting hulpverlening. In de casussen zijn geen voorbeelden waarin seksueel misbruik direct aanleiding is van een jeugdbeschermingsmaatregel, maar wel van trauma gerelateerde klachten door seksueel misbruik uit het verleden.
7.5.
Hulp die wordt overwogen in plaats van een jeugdbeschermingsmaatregel
Voorafgaand aan een jeugdbeschermingsmaatregel worden in de gezinnen meestal altijd andere vormen van hulp overwogen of ingezet. Alleen wanneer er acute onveiligheid is, komen andere hulpvormen niet (zichtbaar) ter sprake; dit was in 2 van de 18 dossiers het geval. Wanneer andere hulpvormen worden overwogen, gaat het in deze dossiers om 1) opvoedondersteuning, 2) integrale, intensieve gezinsondersteuning, 3) behandeling van individuele problematiek, 4) opvang in het netwerk en 5) therapie gericht op omgang/relatie. Daarbij moet opgemerkt worden dat de dossiers geen volledige weergave geven van het proces van afweging. Wij gaan hieronder in op de hulpvormen die wel expliciet benoemd worden in de dossiers. 53
7.5.1.
Opvoedondersteuning
Beperkingen in de opvoedvaardigheden zijn een belangrijke aanleiding voor een jeugdbeschermingsmaatregel. Voorafgaand aan een jeugdbeschermingsmaatregel wordt daarom vaak opvoedondersteuning overwogen of ingezet. In de casussen zien we terug dat ouders deze vorm van hulp weigeren of onvoldoende meewerken, waardoor het niet op gang komt of niet effectief kan worden uitgevoerd. Een voorbeeld is een gezin met gescheiden ouders, waar beide ouders gezag hebben. Omdat één van de ouders geen toestemming gaf voor opvoedondersteuning (waar ook kinderen gezien worden), kon dit niet opgestart worden. Het komt ook voor dat de problematiek bij ouders te zwaar blijkt voor deze vorm van vrijwillige hulp: ouders willen wel maar vanwege hun persoonlijke problematiek lukt het niet. De vrijwillige hulp leidt dan tot onvoldoende verbetering van de ontwikkelkansen en veiligheid. 7.5.2. Integrale, intensieve gezinsondersteuning Wanneer alternatieven voor een jeugdbeschermingsmaatregel worden overwogen, ligt het voor de hand om intensieve, ambulante gezinsondersteuning in te zetten. Dit kan een waardevolle aanvulling in het aanbod zijn om jeugdbeschermingsmaatregelen mogelijk te voorkomen, wanneer de hulpvraag te zwaar is voor bijvoorbeeld opvoedondersteuning. In de onderzochte dossiers zijn nauwelijks aanwijzingen te vinden dat dergelijke ondersteuning overwogen is.
In één casus is de interventie Begeleiding zonder maatregel aangevraagd, maar afgewezen. Dit is een interventie van jeugdbeschermingsorganisaties binnen het vrijwillig kader, gericht op de ontwikkeling van kinderen in het gezin veilig te stellen, door herstel van het ouderlijk oplossend vermogen en versterken van banden binnen gezin en familie. De reden van afwijzing was dat de jeugdbescherming op dat moment geen personele ruimte had om de begeleiding uit te voeren; het advies was om een verzoek tot onderzoek (VTO) in te dienen.
“Eerder hadden we de mogelijkheid om begeleiding zonder maatregel in te zetten. Ik durf bij al deze casussen te zeggen dat als ik dat had ingezet, als laatste kans voor het gedwongen kader, dat het gedwongen kader niet nodig was.” Medewerker Toegang & Regie
7.5.3.
Behandeling van individuele problematiek
In de dossiers is te zien dat individuele problematiek zoals verslaving, psychische problematiek bij ouders of kind de belangrijkste aanleiding kan zijn voor de jeugdbeschermingsmaatregel. De behandeling van deze individuele problematiek wordt daarom besproken, om de noodzaak van inzet van een jeugdbeschermingsmaatregel te voorkomen. Ook hier zien we dat ouders de problematiek die door hulpverleners wordt gezien, niet zelf erkennen, of dat ouders niet of onvoldoende meewerken in de behandeling. Een voorbeeld is een jeugdige met trauma gerelateerde problematiek. De rechter heeft bepaald dat wanneer deze therapie niet start een jeugdbeschermingsmaatregel nodig is. Ouders komen er echter niet toe om therapie van hun kind daadwerkelijk op te starten. Enige tijd later is de therapie nog steeds niet in gang gezet en wordt overgegaan tot een ondertoezichtstelling. “Al die persoonlijkheidsproblematiek, als ouders daar niets aan veranderen… En dan moet alles vanuit jeugdwet ingezet worden, terwijl de problemen bij volwassenen liggen.” Medewerker Toegang & Regie
“Ik zeg altijd: het kind is het product van het systeem. Er was van alles aan de hand met deze moeder. Je kunt niet zeggen: beste moeder/vader: ga maar aan jezelf werken en dit is een verplichting. Het liefst zou je systeemhulp hebben gehad. Mee bezig geweest, maar er moet stabiliteit zijn, toen stond moeder niet achter plaatsing in een pleeggezin” Medewerker jeugdbescherming
54
7.5.4. Inzet van het netwerk In de dossiers is in de meeste gevallen geen analyse van het netwerk van het gezin vindbaar. Wel is te zien dat inzet van het netwerk wordt overwogen als manier om veiligheid te creëren. In deze gevallen kwam dit niet van de grond omdat de problematiek van de jeugdige te zwaar was voor de betreffende familieleden, of konden familieleden ook geen veilige thuissituatie bieden aan de jeugdige. Een voorbeeld is een alleenstaande moeder waar grootouders meerdere avonden in de week kwamen helpen, maar dit was niet voldoende om de alleenstaande moeder in het gezin te ontlasten. 7.5.5. Omgang tussen gezinsleden (relatie- en systeemtherapie, scheidingsinterventies) De aanleiding van jeugdbeschermingsmaatregelen kan een conflictueuze relatie tussen ouders zijn of tussen ouder en kind zijn. In verschillende voorbeelden worden behandelingen voorgesteld specifiek gericht op relaties binnen het gezin. Een voorbeeld is een gezin waar multisysteemtherapie (MST) is ingezet, maar dit had onvoldoende effect om de veiligheid in het gezin te versterken. In een andere casus kwam systeemtherapie niet van de grond, omdat gezinsleden hun aandeel in de problematiek niet erkenden; zij zagen alleen problematiek bij de jeugdige.
7.6.
Knelpunten in voorkomen (noodzaak van) jeugdbeschermingsmaatregel
Er zijn geen aanwijzingen dat er jeugdbeschermingsmaatregelen worden ingezet, terwijl dit niet strikt noodzakelijk is. In alle dossiers is de noodzaak duidelijk op het moment dat de jeugdbeschermingsmaatregel is opgelegd. In de periode voor het besluit zijn wel knelpunten te herkennen in het voorkomen van de uiteindelijke noodzaak om tot een maatregel over te gaan. Uit de analyse van 18 dossiers van jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel
komen drie typen knelpunten naar voren, in het voorkomen van (noodzaak tot) inzetten van een jeugdbeschermingsmaatregel: 1) knelpunten in motivatie en medewerking, 2) knelpunten in samenwerking, 3) knelpunten in het systeem 7.6.1.
Knelpunten in motivatie en medewerking
Een van de gronden voor een jeugdbeschermingsmaatregel is dat ouders onvoldoende meewerken aan (vrijwillige) hulp om de veiligheid en ontwikkelmogelijkheden in het gezin te versterken. Dit geldt met name bij casuïstiek waar ouders een conflictueuze relatie hebben en bij ouders met zware problematiek hebben (GGZ/verslavingsproblematiek). Het komt voor dat ouders uitgesproken weigeren mee te werken aan hulp. In die gevallen is de route naar een jeugdbeschermingsmaatregel duidelijk en helder. Maar ook gebrek aan medewerking bij wel geaccepteerde hulp komt voor; dit leidt vaak tot lastige afwegingen in wat voldoende medewerking is en wat niet. “Vrijwillig kader: het zat er wel in, maar zeker bij multiprobleemgezinnen is het vaak: niet meewerken. Hier was het: moeder wilde niet tekenen” Medewerker jeugdbescherming
“Toch gaat er vaak weer veel tijd in zitten. Toch proberen of ouders op een of andere manier gemotiveerd gaan raken. Soms zijn we lang mee bezig, terwijl je eigenlijk weet dat het hem niet gaat worden. Je voelt wel aan of mensen open staan om met elkaar in gesprek te gaan.” Medewerker Toegang & Regie
In 5 van de 18 onderzochte casussen worden trauma’s genoemd als (mogelijke) oorzaak van problematiek bij jeugdige en in het gezin en als aanleiding voor een jeugdbeschermingsmaatregel. Trauma’s kunnen gediagnostiseerd zijn, maar professionals hebben ook vaak vermoedens van trauma gerelateerde problematiek, maar kunnen dit niet helemaal doorgronden. Vaak is er ook weerstand bij ouders tegen onderzoek en behandeling van trauma’s. 55
7.6.2. Knelpunten in samenwerking In de gezinnen is in alle gevallen sprake van problematiek op meerdere domeinen, waaraan verschillende organisaties en hulpverleners gebonden zijn. Samenwerking is in die gevallen van belang, zodat de aanwezige ondersteuning in samenhang wordt aangeboden. Samenwerking kent echter knelpunten op verschillende niveaus. Samenwerking volwassenenzorg De samenwerking tussen jeugdhulp en volwassenenzorg verloopt in de meeste gevallen niet goed. Waar jeugdhulp vaak wel op zoek is naar de integraliteit en oorsprong van problematiek vaak bij ouders ligt, komt samenwerking nauwelijks van de grond. In de gezinnen is vaak ggz-zorg of verslavingszorg aanwezig. Deze disciplines hebben een individuele benadering en onderwerpen als ouderschap en opvoeding krijgen weinig aandacht. “Ik merk dat nog steeds veel hulpverleners gericht op volwassenen niet zo goed kijken wat dit betekent voor kinderen, omdat ze dat hun taak niet vinden. […]. Ze hebben ook geen kennis van jeugd. Als aan de bel wordt getrokken, dan is het pas als het misgaat.” Medewerker Toegang & Regie
Bovendien zijn aanpakken in de ggz en verslavingszorg aan afgebakende, individuele doelen verbonden, waardoor ruimte maken voor samenwerking niet altijd mogelijk wordt geacht. Voor samenwerking en informatie delen is ook toestemming nodig van de betreffende ouders. Deze verzoeken worden niet altijd ingewilligd door ouders, vooral als het om informatie van hun eigen hulpverlener of behandelaar gaat (huisarts, ggz-zorg, etc.). Dit recht is geborgd in de privacywetgeving. Het niet hieraan willen meewerken zorgt er echter voor dat een integrale benadering moeilijk te realiseren is en de achterliggende oorzaken niet verhelderd worden door jeugdhulpprofessionals. De oplossing voor de problemen in het gezin wordt dan toch in de jeugdhulp/jeugdbescherming gezocht, terwijl de oorzaak daar niet ligt.
“Jeugdbescherming zegt: wij zijn er puur en alleen voor het kind. […] Soms mis ik het grote geheel. Laten we met alle partijen die in hele gezin zitten. Schuldhulpverlening, hulp voor volwassenen een keer om tafel zitten en een heel plan maken. Nu wordt er in eilandjes gewerkt. Nu wordt er veel ingezet. Dat kost veel geld en dingen die spaak lopen omdat partijen heel erg binnen hun kader blijven werken. Iedereen zegt: ‘hoort niet bij mij’. Medewerker Toegang & Regie
“Samenwerking met volwassenen ggz, dat gebeurt gewoon niet, om heel eerlijk te zijn. […] Snap het ook wel. Ggz heeft voor volwassenen een andere wetgeving, financiering: “we krijgen geen geld om dit soort overleggen te plegen”. Gaat ten koste van behandeltijd, snap ik dan ook wel weer.” Medewerker Toegang & Regie
Samenwerking onderwijs In de dossiers zien we dat de samenwerking met scholen sterk verschilt per casus en scholen vaak pas laat in het proces worden betrokken, bij escalatie of grote zorgen rondom een jeugdige. Ook hier kan toestemming van ouders om contact op te nemen met school in de weg staan; dit mogen jeugdhulpprofessionals niet zonder toestemming. In de meeste dossiers lijken er echter ook geen pogingen/verzoeken gedaan te zijn om school en hulpverlening met elkaar te verbinden. Samenwerking Toegang & Regie en jeugdbeschermers Binnen team Toegang & Regie en de jeugdbeschermingsketen worden knelpunten in samenwerking ervaren, vooral waar het gaat om informatiedelen. Wanneer een jeugdbeschermingsmaatregel wordt opgelegd, gaat de regie naar de jeugdbescherming en is team Toegang & Regie niet of nauwelijks nog betrokken. Bij Toegang & Regie bestaat een behoefte aan meer inzicht in wat er precies is ingezet tijdens een periode dat een jeugdbeschermingsmaatregel liep en wat de effecten van een jeugdbeschermingsmaatregel waren. Wanneer zij uitstromen, is hier nu nauwelijks inzicht in. Dit maakt het voorkomen van 56
nieuwe instroom moeilijker, omdat er beperkingen in kennis zijn over wat werkt, en wat niet. Vanuit jeugdbescherming wordt een behoefte uitgesproken om meer samen op te trekken met team Toegang & Regie in de laatste fase van een jeugdbeschermingsmaatregel, om overdracht naar vrijwillige hulpverlening te versterken. Nu komen jeugdigen vaak vrij plotseling terug bij team Toegang & Regie, zonder dat er ruimte is voor geleidelijke, warme overdracht. Tot slot wordt benoemd dat de samenwerking met Veilig Thuis als vluchtig wordt ervaren. Vooral wanneer ouders niet meewerken aan vrijwillige hulpverlening – iets wat dus vaak voorkomt – is het terugleggen bij Veilig Thuis meestal niet mogelijk en wordt gestuurd op het aanvragen van een jeugdbeschermingsmaatregel. “Ik heb het idee dat ouders maar JA roepen tegen Veilig Thuis en zodra wij in het vrijwillig kader erin gaan, en adviezen geven die ze niet leuk vinden dan gaan ze weigeren. Dan kan ik weinig vanuit het vrijwillig kader en mis ik de samenwerking met Veilig Thuis om het samen op te pakken. Soms wil ik het dan terugleggen bij Veilig Thuis, maar dan zeggen ze: ga maar naar beschermtafel.” Medewerker Toegang & Regie
7.6.3.
Knelpunten in systeem / personele omstandigheden
In heel Nederland staat er grote druk op het systeem van jeugdhulp en jeugdbescherming. Ook in ‘s-Hertogenbosch is dit het geval, wat voor grote knelpunten zorgt en de sfeer en aanpak binnen jeugdhulp en jeugdbescherming in grote mate bepaalt. In de periode dat dit onderzoek liep waren er wachttijden bij Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, jeugdbeschermingsorganisaties en aanbieders van o.a. jeugdhulp met verblijf. Het proces van de jeugdbeschermingstafel is eveneens langdurig. Ook in de volwassenenzorg, waar deze gezinnen ook veel mee te maken hebben, bestaan momenteel lange wachttijden. Tot slot heeft ook de gemeentelijke toegang te maken met hoge werkdruk, met wachttijden tot gevolg. Passende zorg is daarom niet altijd tijdig
in te zetten, ook niet in gezinnen waar dit hard nodig is. In de dossiers is te zien dat situaties verergeren gedurende wachttijd, waardoor kansen gemist worden om noodzaak jeugdbeschermingsmaatregel te voorkomen. Uit gesprekken met professionals blijkt ook dat bepaalde zorg niet eens wordt aangevraagd, omdat hiervoor te langen wachttijden bestaan. “Ik heb laatst de Raad [voor de Kinderbescherming] gebeld. Dan zeggen ze: 17,5 jaar? Dan hoef je het niet meer te doen. […] Voordat het onderzoek gedaan zou worden is zij al 19 jaar.” Medewerker Toegang &Regie
“Als je een OTS binnenkrijgt bij 17,5 jaar. Je moet dan mensen leren kennen, een verzoek tot onderzoek (VTO) schrijven, dan ligt het bij de Raad, duurt 3 maanden. Dan moet het ook op zitting komen, dan kijk ik niet eens naar wachttijd van de Raad.” Medewerker jeugdbescherming
De wachttijden voor vrijwillige hulp zorgen ervoor dat de noodzaak tot inzet van jeugdbeschermingsmaatregelen groeit. Dit legt vervolgens weer druk op de jeugdbescherming, waar tevens wachttijden bestaan. In de periode waar dit onderzoek zich op richt, bestond ook voor een ondertoezichtstelling een maandenlange wachtlijst. Hierdoor worden ondertoezichtstellingen vaker verlengd, omdat bijvoorbeeld pas in de vijfde maand van de looptijd daadwerkelijk gestart kan worden met uitvoer van de maatregel. In de tussentijd zorgt dit weer voor verhoging van druk bij team Toegang & Regie, omdat jeugdbescherming en aanbieders in de jeugdhulp niet voor overbrugging kunnen zorgen. De opnamestop bij jeugdbescherming leidde tot oploop in wachtlijsten bij ons> We moeten heel lang betrokken zijn. Waarbij soms ook echt wel problematiek is opgelopen. Het werd onrustiger in het gezin omdat er geen duidelijkheid was. Wij waren contactpersoon maar als ouder weigert, kun je niet zoveel. Pappen en nathouden op iets wat wel risicovol is.” Medewerker Toegang & Regie 57
7.6.4. Knelpunten in aanbod In gesprekken met professionals komt naar voren dat er niet zozeer behoefte is aan nieuw aanbod van zorg en ondersteuning, maar vooral behoefte is aan het kunnen benutten van het bestaande aanbod. Door knelpunten in het systeem (paragraaf 7.5.3) is dit aanbod in de huidige situatie niet goed te benutten. Uit de dossieranalyse komt naar voren dat het meerwaarde kan hebben als het bestaande aanbod vaker ingezet kan worden. Aanbod interventies rondom scheidingen Hoewel de conflicten tussen ouders vaak aanleiding vormen voor een jeugdbeschermingsmaatregel, zien we weinig tekenen van hulp ingezet rondom scheidingen. Hulp raakt vaak pas betrokken in ver stadium van escalatie. Soms zijn ouders wel vanwege andere persoonlijke problematiek reeds in beeld bij hulpverlening, maar is niet duidelijk in de dossiers in hoeverre hierbij aandacht is voor (jonge) kinderen en de conflicten tussen ouders. Ouders lijken moeilijk te motiveren voor hulp rondom scheiding, vaak komt deze hulp pas op gang tijdens de jeugdbeschermingsmaatregel. Of soms is wel eerder scheidingshulp ingezet, maar vervallen ouders weer in oude patronen. “Het is heel onduidelijk, wat het echt oplevert op lange termijn. Je zet zoiets in, dat wordt positief afgerond.
Dan gaat het ook echt even weer goed, en dan is weer terugval en gaan ze weer terug naar wat ze gewend en dat is allebei vechtmodus aan. Je mist daar eigenlijk nazorg. ”
Aanbod cultuursensitieve zorg In 5 van de 18 casussen wordt benoemd dat gezinnen een migratieachtergrond hebben. Jeugdhulpprofessionals hebben hierdoor vaak aanvullende zorgen, omdat er taalproblemen zijn, maar ook omdat er culturele verschillen zijn in opvattingen rondom opvoeding en ouderschap. De inzet van cultuursensitieve zorg is beperkt. Voor gezinnen uit specifieke landen/culturen is er wel ondersteuning (maatschappelijk werk) beschikbaar, of beperkt zich tot vertalers. Voor gezinnen met een zwaardere zorgvraag is dit moeilijker te realiseren. Ook voor gezinnen met een culturele achtergrond die minder vaak voorkomt in de gemeente, is cultuursensitief aanbod beperkt of afwezig. Dit maakt het voor jeugdhulpverleners moeilijker om aan te sluiten bij het gezin en passend hulp in te zetten en de noodzaak van jeugdbeschermingsmaatregelen te voorkomen. “Ik zie wel, veel mensen met een niet Nederlandse achtergrond in onze zaken. Zou fijn zijn als je daarin aanbod helpt dat cultureel kan aansluiten. […] Toch met telefonische tolk diensten: er komt een verhaal terug waarvan ik denk: lastig dat er een vertaalprobleem is.” Medewerker Toegang & Regie
“Soms wordt het vooral op taal ingezet, maar niet hoe je je cultuur kunt verweven met de Nederlandse cultuur. We hebben best wel een beeld hoe de opvoeding en gezin moet zijn. Andere cultuur heel anders. Sommige dingen zijn niet oké. Je kind een tik geven, bijvoorbeeld” Medewerker Toegang & Regie
Medewerker Toegang & Regie
“Ik denk wel dat het helpend zou zijn, voorliggende ondersteuning voor het voorkomen van vechtscheidingen. Het lastige is, wij raken pas betrokken op moment dat het al misgelopen is, wat is lastig. Wat is moment dat het ingezet wordt. Op moment dat ze besloten hebben dat ze gaan scheiden? Dat is al laat, vechtscheiding ligt er vaak al onder (niet altijd, absoluut niet). Het sluipt er ook in. Moeilijk te bepalen: wanneer ga je iets inzetten? Is lastig, op moment dat ze denken: we gaan scheiden, dat je meteen inspringt om in goede banen te leidden” Medewerker Toegang & Regie
Inzet netwerk niet altijd zichtbaar onderzocht In de meeste dossiers zijn geen tekenen van een systematische, methodische netwerkanalyse te vinden. Team Toegang & Regie is wel getraind met de methode VERVE, maar dit wordt niet structureel toegepast. Ook in de raadsonderzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming en verslagen van de Jeugdbeschermingstafel wordt het onderwerp ‘netwerk’ niet altijd besproken. Betrokkenen geven aan dat er wel altijd aandacht naar gaat, maar dat dit 58
meestal niet methodisch wordt aangepakt. De -TOP3-methodiek, die ten tijde van het onderzoek wordt geïntroduceerd in ‘s-Hertogenbosch kan bijdragen, maar is wel een tijdsintensieve werkwijze. Inzicht in effectieve interventies scheidingen Zoals benoemd zijn complexe scheidingen vaak aanleiding voor een jeugdbeschermingsmaatregel. Professionals geven aan dat er moeilijk zicht is te krijgen op effectieve maatregelen rondom scheidingen. “Ik mis: wat werkt nou echt, wat weten we nu wat echt werkt op de langere termijn. Ik heb ook bij Oosterpoort aangegeven hoeveel procent werkt nu daadwerkelijk. Oosterpoort heeft dat helemaal niet Oosterpoort is daar ook mee bezig, om daar meer zicht op te krijgen.” Medewerker Toegang & Regie
Sociale kaart ‘s-Hertogenbosch en omgeving kent een rijk aanbod aan werkwijzen rondom jeugdigen en gezin. Het blijkt echter moeilijk zicht te houden op wat er aan mogelijkheden zijn en waar er wachttijden bestaan. “Er mist denk ik nog heel veel, maar ik merk dat ik soms ook te weinig zicht heb op wat er is. Voorheen werkten we veel met het buurtteam samen en die hadden heel veel zicht op wat er allemaal was binnen voorliggend veld. Ik merk dat nu het veel meer gescheiden is, dat het voorliggend veld ook verdwijnt uit je zicht. Mensen bellen naar KOO en KOO maakt de schifting of 1) voorliggend of 2) doorzetten. Ik merk dat we daardoor überhaupt vrij weinig met het voorliggend veld te maken hebben, ja behalve als MEE of Farent er in zit. Volgens mij is er heel veel [in het voorliggend veld], maar niet dat wij weten.”
“Instroom in jeugdbescherming verlagen? We krijgen ze er niet eens in! We hebben heel veel complexe zaken en gaan niet snel meer naar de beschermtafel. […] Ik vraag me af of we het kunnen terugdringen. En ook alles wat er niet meer doorheen komt [bij de beschermtafel]. Ik denk eerder dat [jeugdbescherming] soms meer nodig is. Medewerker Toegang & Regie
Juridische kennis in team Toegang & Regie Medewerkers van team Toegang & Regie krijgen rondom gezinnen met jeugdbeschermingsmaatregelen te maken met zeer diverse en vaak complexe juridische vraagstukken. Expertise op dit gebied wordt gemist binnen het team.
7.7.
Conclusie
Het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen neemt de afgelopen jaren toe. Uit de dossieranalyse blijkt dat in geen enkel dossier twijfels waren over de gronden waarom een jeugdbeschermingsmaatregel is ingezet. De groep jeugdigen die een beschermingsmaatregel opgelegd heeft gekregen is divers, maar alle jeugdigen zaten in een situatie waar onvoldoende veiligheid en/of ontwikkelingsmogelijkheden waren in het gezin. Drie belangrijke kenmerken – vaak overlappend – kunnen onderscheiden worden; complexe, conflictueuze scheiding tussen ouders; ernstige problematiek bij ouders; ernstige gedragsproblematiek bij de jeugdige. De exacte aanleiding om een beschermingsmaatregel op te leggen is echter niet altijd duidelijk terug te lezen in de dossiers, vooral bij complexe scheidingen. De besluiten worden altijd onderbouwd, maar het proces waarin alternatieven van hulp en ondersteuning worden afgewogen is niet of nauwelijks zichtbaar in de dossiers.
Medewerker Toegang & Regie
59
De oorzaak van de toename is niet met zekerheid af te leiden uit cijfers en dossiers, maar duidelijk is dat een druk ligt op de jeugdhulp door het ontstaan van wachttijden, het uitblijven van integrale analyse en aanpak van problematiek en het uitstellen van inzet van passende hulp. Hierdoor wordt – in sommige gevallen heel bewust expliciet – een jeugdbeschermingsmaatregel aangevraagd, omdat vrijwillige hulp niet tijdig ingezet kan worden. Hoewel de aanleiding voor een jeugdbeschermingsmaatregel vaak voor een belangrijk gedeelte in de problematiek van ouders en/of de relatie tussen ouders, is de interventie vaak op de jeugdige gericht. De hulp die uiteindelijk wordt ingezet is erop gericht om kinderen veilig te stellen en is niet zozeer gericht op de ouders, maar op het kind. De oorzaak van het probleem wordt zo niet aangepakt. Bovendien herkennen of erkennen ouders de problematiek vaak niet, weigeren hulp of zijn ze niet voldoende gemotiveerd om hulp te accepteren, waardoor hulp in het vrijwillige kader niet lukt. Een meer ‘dringende’ vorm van hulp gericht op de relatie en omgang tussen ouders zou een manier kunnen zijn om de oorzaak van problematiek die leidt tot een jeugdbeschermingsmaatregel aan te pakken.
Een knelpunt hierbij is dat jeugdbescherming enkel mandaat heeft voor het verplichten van interventies gericht op het kind, en het daarom niet mogelijk is om ouders te verplichten hulp te accepteren voor eigen problematiek (zoals verslaving) of het huiselijk geweld dat speelt. Tot slot komt uit zowel de interviews als dossierstudie naar voren dat niet zozeer behoefte is aan nieuw aanbod, maar dat vooral oplossingen gezocht dienen te worden voor het kunnen benutten van het bestaande aanbod. Zo zou in sommige gevallen mogelijk eerder hulp ingezet kunnen worden zodat een scheiding niet escaleert, en is het aanbod rondom effectieve interventies voor complexe scheidingen beperkt, net als cultuursensitieve zorg en juridische kennis. Ook zou het inzetten van het netwerk structureler bekeken kunnen worden, en meer doorgevraagd aangezien jongeren vrij snel zeggen dat hier geen mogelijkheden zijn.
60
8
Conclusies
De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft uitgesproken de hulp aan jeugdigen te willen verbeteren, zodat jeugdigen zo veilig en zo kansrijk mogelijk en zoveel mogelijk thuis opgroeien. Naar aanleiding van eerder uitgevoerd onderzoek en signalen vanuit de praktijk zijn er een drietal deelonderzoeken uitgevoerd: 1.
Deelonderzoek 1: instroom jeugdhulp met verblijf. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: Hoe komt het dat de instroom in jeugdhulp met verblijf in ‘s-Hertogenbosch is gestegen, en welke aangrijpingspunten zijn er om de instroom in jeugdhulp met verblijf terug te brengen?
2.
Deelonderzoek 2: uitstroom jeugdhulp met verblijf 16+. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: Hoe komt het dat de uitstroom uit jeugdhulp met verblijf in ‘s-Hertogenbosch stagneert, en wat is nodig voor een duurzame uitstroom van jeugdigen van 16 jaar en ouder?
3.
Deelonderzoek 3: instroom jeugdbescherming. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: Hoe komt het dat er in ‘s-Hertogenbosch relatief veel jeugdbeschermingstrajecten zijn, en welke aangrijpingspunten zijn er om dit terug te brengen?
Conclusies per deelonderzoek Voor de conclusies van de afzonderlijke onderzoeken, zie 5.7 (instroom jeugdhulp met verblijf), 6.7 (uitstroom jeugdhulp met verblijf 16+) en 7.7 (instroom jeugdbescherming).
Overkoepelende conclusies Gemeente ’s-Hertogenbosch geen uitschieter in aantallen en instroom Op basis van CBS-data en lokale registratiedata stellen we vast dat het aantal en de instroom van jeugdigen in verblijf in ‘s-Hertogenbosch de afgelopen jaren redelijk stabiel is gebleven, vergelijkbaar met referentiegemeenten. De gemeente ‘s-Hertogenbosch is dan ook geen uitschieter als het gaat om aantal of instroom van jeugdigen in verblijf. Kijkend naar de uitstroom van jeugdigen in verblijf van 16 jaar en ouder zien we ook daar geen stagnering. We zien de leeftijd bij uitstroom juist dalen door de tijd heen. Wat we wel zien is een lichte stijging van het aantal jeugdbeschermingstrajecten, al is de nieuwe instroom (jeugdigen die niet eerder jeugdbescherming kregen) wisselvallig. Kijkend naar de informatie uit de onderzochte dossiers kunnen we stellen dat zowel verblijf als jeugdbescherming ingezet worden waar dit nodig is en over het algemeen in het belang zijn van de veiligheid en ontwikkelkansen van de jeugdigen. Deze bevindingen tonen aan dat al veel goed gaat in ‘s-Hertogenbosch en de instroom en uitstroom niet heel anders zijn dan elders in het land. Dat al veel goed gaat, wil echter niet zeggen dat er niets te verbeteren valt.
We zien een aantal mogelijkheden om de oorzaken van instroom in jeugdhulp met verblijf of jeugdbescherming te voorkomen en zien ook kansen voor het bevorderen van omstandigheden voor veilige uitstroom. Oorsprong problemen deels in systeemwereld Uit de analyse van dossiers blijkt dat een deel van de instroom-, doorstroom- en uitstroomproblemen hun oorzaak hebben in de systeemwereld. Wachttijden en capaciteitsproblemen spelen een belangrijke rol in de jeugdhulp en jeugdbescherming en zijn lastig aan te pakken, zeker voor individuele professionals, organisaties of zelfs een gemeente. Het beleid van de gemeente ’s-Hertogenbosch stuurt erop om opvoed- en opgroeiproblemen zo vroeg mogelijk te signaleren, aan te pakken en jeugdigen, gezond, veilig, kansrijk en waar mogelijk 61
thuis te laten opgroeien. Het uitvoeren van dit beleid is echter lastig door genoemde problemen in het systeem (o.a. wachttijd en capaciteitsproblemen). Hierdoor blijft passende hulp bij opvoedvragen vaak te lang uit, waardoor opvoedvragen uitgroeien tot opvoedproblemen die ouders vaak niet meer zelf aankunnen, zeker als zij ook zelf over beperkte draagkracht of opvoedvaardigheden beschikken. Tekorten aan personeel en wachttijden in alle onderdelen van de keten (vrijwillige jeugdhulp, Veilig Thuis, jeugdbescherming) vormen een belemmering in het preventief werken, waardoor de instroom in zwaardere vormen van hulp toeneemt. Tegelijkertijd is door diezelfde tekorten en wachttijden ook te weinig passend ambulant aanbod beschikbaar om veilige uitstroom te faciliteren. Er is daardoor vaker verlengde jeugdhulp nodig voor achttienplussers. Samenhang problematiek vraagt om meer integraliteit Uit het dossieronderzoek blijkt verder dat dat bij het merendeel van de casussen sprake is van een combinatie van problemen bij zowel jeugdigen als hun ouders. Problemen op het gebied van onder andere onderwijs, werk, inkomen en gezondheid van de ouders hangen sterk samen met jeugdproblematiek en worden nog weinig in samenhang, integraal benaderd.
Bovendien, wanneer hulp voor de ouders niet beschikbaar of aanvaard wordt, wordt vaak jeugdhulp ingezet in het kader van veiligheid en ontwikkelkansen voor de jeugdigen; ook wanneer de oorsprong van problematiek niet bij de jeugdige, maar bij ouders ligt. Dit omdat er vanuit de jeugdhulp nu eenmaal meer dringend en dwingend kan worden ingezet. Dat zien we overigens niet alleen in ‘s-Hertogenbosch, maar ook in andere gemeenten gebeuren. Een integrale benadering vraagt van jeugdprofessionals om te zorgen dat er ook (dringend of dwingend) hulp komt voor problematiek van ouders, naast de jeugdhulp. Dit blijft echter lastig te realiseren, omdat hiertoe geen formele mogelijkheden zijn. Momenteel is er een afwegingskader jeugdhulp in ontwikkeling, dat wellicht kan helpen bij een
betere afbakening van wat wel en niet op te lossen is binnen de jeugdhulp18. Gevaar is natuurlijk dat er jeugdigen tussen wal en schip vallen, wanneer zowel jeugdhulp als volwassenenzorg geen oplossing biedt. Vandaar ook dat de samenwerking tussen de verschillende domeinen zo belangrijk is. Jeugdhulp nog beperkt toekomstgericht, toekomstplannen ontbreken De gemeente ’s-Hertogenbosch wil graag dat er toekomstgericht gewerkt wordt en vanuit de regionale samenwerking is afgesproken dat elke jeugdige van 16 jaar en ouder een toekomstplan krijgt. De onderzochte dossiers laten zien dat hier nog belangrijke stappen gemaakt moeten worden. Vanuit de dossiers en interviews vonden we weinig informatie over stappen richting uitstroom, zoals doelen die gerealiseerd moeten zijn om de stap naar huis of zelfstandig(er) wonen te kunnen maken of wat ambulant nog nodig zou zijn. Het in kaart brengen van deze stappen en doelen is nuttig zodat dit tijdig georganiseerd kan worden. Ook dit is een aandachtspunt dat niet alleen in ‘s-Hertogenbosch actueel is. We weten al jaren dat perspectief bieden en toekomstgericht werken lastig is in de jeugdhulp en ook in de jeugdbescherming. Er is dan ook een richtlijn toekomstgericht werken in ontwikkeling. Tevens is het dossier toekomstgericht werken van het Nederlands Jeugdinstituut interessant in dit kader19.
Nazorg verblijf en jeugdbescherming vraagt aandacht Samenhangend met bovenstaande is ook de nazorg nog een punt dat aandacht vraagt. Nazorg wordt vaak pas laat georganiseerd/ingezet, terwijl daar tijdens verblijf of tijdens een jeugdbeschermingstraject al gestart mee kan worden. Een veelgehoord probleem is dat degenen die de nazorg uitvoeren niet goed weten wat er van hen verwacht wordt en de instelling hoort juist niet terug
18 https://www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2023/01/222310_Belang_van_zorgvuldig_ afwegen.pdf. 19 https://www.nji.nl/van-jeugd-naar-volwassenheid/toekomstgericht-werken-in-begeleiding-naarvolwassenheid
62
of de nazorg nu helpend was, welke doelen wel en niet zijn gerealiseerd en wat dat betekent voor de jeugdige en diens naasten. In de dossiers is hiervoor nog weinig tot geen aandacht. Wellicht dat er in de dossiervorming ruimte kan worden gemaakt voor nazorg, waarbij doelen worden opgesteld zodat de partij die de nazorg uitvoert ook weet wat te doen en waarin ook terugkoppeling vanuit nazorg naar de instelling of jeugdbeschermer wordt voorzien. Uiteraard is dit aanvullend op een warme overdracht die nooit mag ontbreken. Werk en onderwijs onderbelicht in dossiers jeugdigen De onderwerpen onderwijs en werk krijgen weinig aandacht in de onderzochte dossiers en de interviews bevestigen dat deze thema’s soms onderbelicht worden in de praktijk. Integraal werken betekent niet alleen een integraal zorgaanbod; ook school, arbeidsmarkt en werk horen daarbij en dit zou dus een thema moeten zijn dat in elk dossier terugkomt en ook doorloopt in het nazorgtraject.
Samenwerking volwassenenzorg vraagt aandacht Tot slot blijkt dat het verbinden van problematiek van ouders en jeugdigen tot grote uitdagingen lijdt. Ouders zijn vaak niet bereid openheid te geven over hun problematiek, zeker waar dit gaat om verslavingen en psychische problematiek. Huisartsen en behandelaars zijn terughoudend in samenwerking en zonder toestemming van ouders mag informatie niet zomaar gedeeld worden. In een lopend onderzoek naar pilots rondom samenwerking tussen volwassenen-ggz en jeugdhulp zien we dat problematiek in gezinnen nu vaak nog individueel wordt aangepakt, vooral waar het gaat om volwassenenzorg20. Ouderschap is nog nauwelijks een onderwerp van aandacht in de volwassenenzorg, terwijl jeugdhulp nauwelijks mogelijkheden heeft om zich op de problematiek van de ouders te richten. Er liggen dan ook kansen in het verbinden van deze domeinen, om richting gezinnen met een samenhangend, gezamenlijk aanbod te komen, met een gezamenlijke afweging wat wel, niet, nu, of later, wordt ingezet.
Systeemgericht aanbod is beperkt Kijken we naar de hulpvormen die we gezien de combinatie van ouder- en kindproblematiek zouden verwachten, dan zien we dat systeemgericht aanbod beperkt wordt ingezet. Vaak worden er in plaats van systeemgerichte interventies wel interventies ingezet gericht op opvoedondersteuning, maar bijvoorbeeld geen integrale gezinsaanpak of mediation voor ouders. Het wordt niet duidelijk uit de dossiers of een dergelijk aanbod wel is overwogen maar niet passend leek of dat het ook niet is overwogen. Hetzelfde geldt voor meer cultuursensitief aanbod. Is dit aanbod beschikbaar en zo ja, voor welke groepen zou dit iets kunnen betekenen om de oorzaken van problematiek meer op maat aan te pakken? Professionals benadrukken daarbij dat cultuursensitieve zorg verder gaat dan alleen vertalen en maatwerk vraagt. ‘s-Hertogenbosch kent een diverse bevolking en elke cultuur heeft natuurlijk andere eigenschappen.
20 Gilsing et al., verwacht begin 2023.
63
9
Reflectie en aanbevelingen
De conclusies van dit onderzoek leiden tot een aantal aanbevelingen en ontwikkelrichtingen voor de gemeente ’s-Hertogenbosch. In dit hoofdstuk gaan we in op 14 punten die direct of indirect kunnen bijdragen aan het voorkomen van oorzaken dat jeugdigen instromen in jeugdhulp met verblijf en jeugdbescherming en het bevorderen van omstandigheden voor veilige uitstroom. 1. Zet in op doorlopende monitoring, evaluatie en dialoog Terugkijkend op dit onderzoek bevelen we aan een doorlopende monitoring te ontwikkelen, waarbij gemeente en aanbieders gemakkelijk inzicht krijgen in ontwikkelingen in de jeugdhulp – zowel cijfermatig als kwalitatief – en tijdig met elkaar bespreken hoe ontwikkelingen te verklaren zijn en wat kan bijdragen aan verbetering. De gemeente heeft nu onvoldoende actueel zicht en grip op onder andere ontwikkelingen in instroom en uitstroom in jeugdhulp met verblijf en jeugdbescherming, wat het uitvoeren van beleid en de mogelijkheden tot bijsturen in de weg staat. Belangrijk bij een dergelijke vorm van monitoring is om de cijfers altijd aan te vullen met praktijkkennis en verhalen van cliënten en professionals, zodat een zo accuraat mogelijk beeld verkregen wordt. Vervolgens is het belangrijk om in gesprek te blijven over ontwikkelingen in cijfers en praktijk.
In het opzetten van een doorlopende manier van monitoring en evaluatie is gemeente Utrecht een goed voorbeeld. Zij doen dit met cijfers en verhalen en gebruiken die informatie ook in een verbetercyclus. Ook de gemeente Roosendaal heeft daarmee goede ervaringen21. Rotterdam doet dat met hun wijkprogrammering ook.
21 Sondeijker, F., Helderman, J.K., Zwart, O. de, Kruijf, J. de & Kwakernaak, M. (2021). Eigenwijs transformeren. Utrecht/Nijmegen: Verwey-Jonker Instituut / Radboud Universiteit Nijmegen.
2.
Werk met een integrale, verklarende analyse: dat helpt om te komen tot een meer integrale aanpak In de dossiers lijkt steeds één organisatie met óf de ouders óf een jeugdige aan de slag te gaan op een specifiek onderdeel van de problematiek. Een gedegen, gezamenlijke, integrale analyse van wat er speelt in een gezin op de verschillende leefdomeinen, wat dat integraal vraagt, wie daar regie op gaat voeren samen met het gezin, welke partijen er betrokken gaan worden en hoe gekozen aanbod in samenhang tot doorbraken kan leiden, zijn we in de onderzochte dossiers niet tegen gekomen. Dit terwijl we weten dat problematiek binnen gezinnen sterk samenhangt en wordt overgedragen van persoon op persoon en van generatie op generatie. Een gezamenlijke, integrale analyse van problematieken en krachten in het gezin – inclusief individuele problematiek bij ouders – kan bijdragen aan het inzetten van meer passende hulp en het afstemmen van zorg op elkaar. Ook kan het eraan bijdragen dat achterliggende problematiek wordt verhelderd en wordt aangepakt: jeugdhulp met verblijf is nu te vaak het antwoord op een probleem dat primair bij ouders ligt. Starten met zo’n gedegen analyse aan de voorkant maakt dus ook dat er meer samenhang komt in de aanpak. Het is van belang dat deze analyse gedegen gebeurd, door experts en dat deze bekend en gedragen zijn door betrokken partijen.
In de MDA++-pilots22 in Friesland, Drenthe, Breda, Tilburg en Rotterdam is geoefend met het uitvoeren van een dergelijke analyse in gezinnen. Wellicht is het inspirerend om met een of enkele van hen – want ze doen het ook allemaal net weer anders – van gedachten te wisselen hierover. Binnenkort verschijnt ook het rapport over de effecten van MDA++, daarin is ook informatie te vinden over de analysefase die heel positief gewaardeerd wordt en een van de werkzame bestanddelen van de MDA++ aanpak vormt.
22 De Multidisciplinaire Aanpak (MDA++ ) voorziet in een bundeling van psychosociale, medische, forensische en justitiële specialisten in de aanpak van kindermishandeling, huiselijk en seksueel geweld. Specialistisch: alle professionals hebben kennis over het effect van trauma’s, van ernstige vormen van geweld op individuen en relaties: de 1e +. Multi-sectoraal: samenwerking tussen de hulpverleningsketen, de veiligheidsketen en het medische zorgcircuit: de 2e +.
64
3. Maak gebruik van beschikbare expertise Naast de inzet van lokale experts zou bij de integrale verklarende analyse en de mogelijke oplossingsrichtingen zou meer gebruikgemaakt kunnen worden van het Regionaal Expertteam Noordoost-Brabant en Bovenregionale expertisenetwerken; hiervan zien we in de onderzochte dossiers nog nauwelijks voorbeelden, ondanks de hoge complexiteit. Waar het gaat om gezinnen met huiselijk geweld zal de uitrol van de TOP3-methodiek moeten bijdragen aan integrale analyses. 4. Overdenk preventiestrategie vanuit verschillende profielen De jeugdigen in de onderzochte dossiers vormen een zeer diverse groep. De zwaarte en aard van problematiek van de jeugdigen en hun gezinssituatie lopen sterk uiteen. Er zijn grofweg vier – sterk overlappende – ‘profielen’ te onderscheiden: 1) gezinnen met een conflictrelatie tussen ouders (complexe scheidingen), 2) gezinnen waar ernstige problematiek is bij ouders, 3) jeugdigen met ernstige gedragsstoornis/gedragsprobleem en – alleen bij jeugdhulp met verblijf - 4) een lastige gezinssituatie en daardoor behoefte bij ouders en/of jeugdige dat jeugdige uit huis gaat. Preventiestrategieën voor de verschillende profielen Hoewel de profielen sterk overlappen als jeugdigen eenmaal in verblijf of jeugdbescherming zitten, loont het toch om te kijken wat deze groepen nu eerder nodig hadden gehad (preventie).
Als de conflictrelatie tussen ouders de aanleiding is voor problematiek bij de jeugdige (profiel 1), dan had relatietherapie, mediation of een andere meer systeemgerichte aanpak wellicht uitkomst kunnen bieden voor – in ieder geval – een deel van de groep. En als ernstige psychische problematiek of verslaving bij ouders op de voorgrond staat (profiel 2) en zij daardoor niet meer optimaal voor hun kind kunnen zorgen, dan is de vraag of dat binnen de jeugdzorg moet/kan worden opgelost, of dat volwassenen-ggz hier aan zet is. Probleem is dat de problematiek van ouders vaak pas zichtbaar wordt als het met de kinderen niet goed gaat. Via de jeugdgezondheidszorg of het onderwijs is vaak wel contact met ouders en we zien ook
dat soms bij het onderwijs al eerder signalen bekend zijn. Samenwerking met dergelijke partijen is cruciaal om hierin een doorbraak te creëren. De vraag is ook of dit onderwerp al besproken is met bijvoorbeeld de volwassenen-ggz en huisartsen, want ook de volwassenen-ggz kent professionele standaarden over hoe er aandacht moet zijn voor de rol als ouder bij patiënten. Bovendien zijn er effectieve preventieve interventies gericht op de kinderen van ouders met psychische of verslavingsproblematiek (KOPP/KOV). Bij profiel 3, waarbij ernstige problematiek van jeugdigen op de voorgrond staat, lijkt het passend dit binnen de jeugdzorg op te lossen. Ook hier is het gewenst dit zo vroeg mogelijk te doen, zodat opschaling van jeugdhulp zonder verblijf naar jeugdhulp met verblijf of jeugdbescherming in een deel van de gevallen voorkomen kan worden. Jeugdigen die de behoefte hebben uit huis te gaan (profiel 4) hebben dat niet zonder reden; er speelt veel in de gezinnen waarin ze opgroeien en er zijn vaak heftige conflicten tussen ouders of tussen ouders en jeugdige. Wellicht dat voor deze groep wel al in een eerder stadium systeemgericht had kunnen worden gekeken en gewerkt, in combinatie met bijvoorbeeld time-out mogelijkheden door steungezinnen. Dit soort mogelijkheden lijken op basis van de onderzochte dossiers en de afgenomen interviews niet of slechts beperkt te worden benut.
Hierin is mogelijk winst te behalen. Al zullen er ook altijd gezinnen blijven bestaan waarin jeugdhulp met verblijf of jeugdbescherming de enige en noodzakelijke optie zijn om de veiligheid en ontwikkelkansen van de jeugdige te waarborgen. 5. Benut sociale netwerken door methodisch werken In de casussen zijn een aantal goede voorbeelden te vinden van hoe het netwerk van het gezin een belangrijke rol kan spelen in het creëren van veiligheid, het verlichten van stress binnen het gezin en het voorkomen van zwaardere jeugdzorg. Dit zijn vaak mensen uit het netwerk die al langer een belangrijke rol spelen in het gezin, zoals grootouders of goede vrienden van ouders. In verreweg de meeste casussen is echter onduidelijk of een degelijke analyse van het netwerk is uitgevoerd. Ook zagen we geen voorbeelden waar mensen het uit het netwerk betrokken werden die tot dan toe nog geen grote rol speelden. 65
Het methodisch analyseren van het netwerk en vergroten van de inzetbaarheid van het netwerk kan bijdragen aan een grotere rol van familie, vrienden en buren bij gezinnen met problematiek en het verlagen van (noodzaak tot) instroom in verblijf en jeugdbescherming. Ook meer aandacht voor het netwerk van het kind is van belang (naast aandacht voor school/grootouders); waar het kind even kan ontladen en/of ouders door ontlast kunnen worden. Ook aandacht voor meerderjarige kinderen is noodzakelijk: hebben zij bijvoorbeeld een positieve of negatieve invloed op hun minderjarige broertje of zusje? Wellicht zijn er mogelijkheden om sociale netwerkstrategieën opnieuw onder de aandacht te brengen, (her)scholing te bieden en netwerkanalyse op te nemen als cruciaal (en noodzakelijk) onderdeel van de afweging rondom verblijf. Andere vormen van ondersteuning zoals mentoring, maatjesprojecten, steungezinnen of de rol van sport of scouting kunnen ook helpend zijn voor de jeugdige en de ouders. In de onderzochte dossiers zijn we inzet van dit soort vormen van ondersteuning niet of nauwelijks tegen gekomen.