Bijlage 3 - Rapport Verwey-Jonker
Tekst van het document
2020-1
2020-1
2021-1
2021-2
Verblijf Zwaar
Verblijf Licht
Pleegzorg
Maatwerk
LVB 4 en 5
LTA
Klinische Jeugdverslaving
Jeugdzorgplus
Verblijf Zwaar
Verblijf Licht
LTA
Jeugdzorgplus
0%
4%
Pleegzorg
1% Maatwerk
1%
4%
LVB 4 en 5
0% 4%
Klinische Jeugdverslaving
5%
Figuur 5.3 Voorzieningen op indicatieniveau op basis van startdatum
2022-1
Verwijzers Van het totaal aantal afgegeven/lopende indicaties in de onderzoeksperiode is te zien dat in meer dan driekwart van gevallen de gemeente de verwijzer is (77%). Voor 18% van de indicaties is de verwijzer een gecertificeerde instelling. De huisarts, jeugdarts, medisch specialist of de rechtelijke macht zijn in zeer weinig van de gevallen de verwijzers (zie figuur 5.4).
26
Figuur 5.4 Verhouding verwijzers voor het totaal aantal afgegeven indicaties (N=1696)
Figuur 5.5 Verwijzers op indicatieniveau op basis van startdatum
2022-1
100% 77%
80%
2021-2
60%
2021-1
40%
Jeugdarts
1%
2% Rechter, Officier van Jus��e, func�onaris Jus��ële jeugdinrich�ng
1%
Medisch specialist
3%
Huisarts
20%
2020-1
18%
Gemeente
Gecer�ficeerde instelling
0%
2020-1 0%
20%
40%
60%
80%
100%
Gecertificeerde instelling Gemeente Huisarts Jeugdarts Medisch specialist
Op basis van de startdatum van de indicatie is er gekeken of er bepaalde trends te zien zijn in het type verwijzers. Te zien is dat er in de eerste helft van 2021 een daling is in verhouding van de afgegeven indicaties door de gemeente. In die periode is er juist een toename van verwijzingen door de GI’s en /de huisartsen. (zie figuur 5.5).
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
5.2.
Cijfers nieuwe instroom verblijf 2021 – 2022
Per half jaar is er gekeken naar de nieuwe instroom van jongeren in verblijf. Onder nieuwe instroom verstaan we jongeren die in de beschikbare dataset geen eerdere indicatie voor verblijf hebben gehad. Wegens de onvolledigheid van de dataset is het mogelijk dat dit bij enkele jongeren wel het geval was maar dat wij deze data niet tot onze beschikking hebben. In figuur 5.6 is te zien dat de instroom vooral in de eerste helft van het jaar is, in de tweede helft stagneert het aantal nieuwe jongeren dat instroomt in verblijf. In 2020 stroomden er in totaal 146 jongeren in bij verblijf, in 2021 lag dit aantal lager, 27
namelijk op 121 jongeren. De relatief hoge instroom in verblijf in 2020 is mogelijk te verklaren door de overgang naar een nieuw registratiesysteem bij de gemeente, waardoor er een opvallend hoog aantal jeugdigen op 1 januari 2020 instroomden in verblijf.
Figuur 5.7 Gemiddelde leeftijd jongeren nieuwe instroom in verblijf 14,5
14,36 14
14
13,89
Figuur 5.6 Nieuwe instroom van individuele jongeren in verblijf 13,5
120
100
96
13
13,06
87 75
80 Absolute aantallen
12,93
60
50
12,5
12
46
2020-1
2020-2
2021-1
2021-2
2022-1
40
Wat betreft gender stromen er in de verschillende periodes iets meer jongens in dan meisjes. Alleen in het eerste half jaar van 2020 en het eerste half jaar van 2022 stromen er meer meisjes in dan jongens (zie figuur 5.8)
20
0 2020-1
2020-2
2021-1
2021-2
2022-1
Kenmerken jeugdigen die instromen in verblijf Van de jongeren die nieuw instromen valt er op dat deze groep per periode relatief jonger wordt. Waar de jongeren die instroomden in de eerste helft van 2020 gemiddeld nog 14,39 jaar oud waren, zien we dat in de eerste helft van 2022 dit nog maar 13,06 jaar is (figuur 5.7).
28
Figuur 5.8 Gender jongeren nieuwe instroom in verblijf
5.4.
2022-1
In de dossiers16 is beperkte informatie te vinden over het proces van besluitvorming en verwijzing. Wel is duidelijk dat voor een beslissing voor plaatsing in verblijf veel partijen betrokken zijn, inclusief ouders en jeugdige. De jeugdigen in de onderzochte dossiers vormen een zeer diverse groep. De zwaarte en aard van problematiek van de jeugdigen en hun gezinssituatie lopen sterk uiteen. Er zijn grofweg vier - sterk overlappende – ‘profielen’ te onderscheiden: 1) gezinnen met een conflictrelatie tussen ouders (complexe scheidingen), 2) gezinnen waar ernstige problematiek is bij ouders, 3) jeugdigen met ernstige gedragsstoornis/gedragsprobleem en 4) jeugdigen met behoefte uit huis te gaan (figuur 5.9). Hieronder gaan we per profiel in op de afwegingen en redenen voor plaatsing in jeugdhulp met verblijf.
38%
63%
2021-2
58%
42%
2021-1
55%
45%
2020-2
64%
2020-1
36%
48% 0%
20%
52% 40% Man
5.3.
60%
80%
Afwegingen en redenen
100%
Vrouw
Figuur 5.9 Profielen van jeugdigen in verblijf
Dossieranalyse
In dit deelonderzoek hebben wij 18 dossiers bekeken van jeugdigen die in 2021 of 2022 een indicatie voor jeugdhulp met verblijf hebben gekregen. Bij vier dossiers zijn aanvullende, verdiepende interviews afgenomen met professionals, jeugdigen en/of ouders. Daarbij gaat het om zowel jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel als jeugdigen die vanuit het vrijwillig kader in een verblijfsinstelling terechtkomen. Het onderzoek is gericht op de periode voorafgaand aan het verblijf. We gaan in op de afwegingen en redenen die genoemd worden voor plaatsing in verblijf (paragraaf 5.4), wat er is overwogen en ingezet voorafgaand aan de plaatsing in verblijf (paragraaf 5.5) en de knelpunten in het voorkomen van jeugdhulp met verblijf (paragraaf 5.6). 16 Er zijn verschillende soorten dossiers bekeken, namelijk: 1) Gemeentelijk dossier, en 2) Dossiers bij huidige aanbieder van het verblijf. In principe werd alleen het gemeentelijk dossier bekeken, tenzij dit er niet was of de informatie te beperkt was, in dat geval werd het dossier opgevraagd bij de huidige aanbieder waar de jongere verbleef.
29
Profiel 1: Gezinnen waar ernstige problematiek is bij ouders (psychische problemen, verslavingen) Van de 18 casussen is bij 6 gezinnen sprake van ernstige psychische aandoeningen en/of verslaving bij de ouder, waardoor een opvoedcrisis is ontstaan. Door deze problematiek is de ouder niet in staat zijn of haar opvoedvaardigheden te versterken en komen de veiligheid en/of ontwikkelkansen van de jeugdige onder druk te staan. Hechtingsproblematiek komt hierdoor veel voor en de psychische problematiek van ouders lijkt overgedragen te worden op het kind. Ouder staat niet altijd open voor hulp voor hun eigen problematiek of soms heeft de hulp gericht op ouders of het gezin onvoldoende effect. In veel van deze gezinnen is een jeugdbeschermingsmaatregel. Een voorbeeld is een alleenstaande vader die zorg draagt voor twee kinderen en een langdurige alcoholverslaving en trauma gerelateerde problematiek heeft. Het alcoholgebruik van vader leidde tot een onveilige situaties in het huishouden. Ook na behandeling blijft hij terugvallen in zijn verslaving. Binnen het netwerk wordt een pleeggezin gevonden, waar de kinderen permanent verblijven met pleegzorg.
problematiek bij de jeugdige en het gezin kunnen voorkomen. Een voorbeeld is een jeugdige met ADD, drugsgebruik en hechtingsproblematiek. De jeugdige heeft moeite met impulsbeheersing en heeft daardoor steeds meer afstand tot de buitenwereld. De thuissituatie is onhoudbaar, ook omdat moeder een verslaving heeft. De jeugdige wordt daarom tijdelijk geplaatst in een klinische instelling voor jeugdverslaving. Een ander voorbeeld is een jeugdige met een ernstige, aangeboren gedragsstoornis waarvan ouders na conflict uit elkaar gegaan zijn. Met zeer intensieve ambulante hulp wordt onvoldoende ruimte en veiligheid in het gezin gecreëerd. Hij wordt daarom geplaatst op een leefgroep. Zowel voor de ouder als de jeugdige was dit een grote vooruitgang; hij kan daar de zorg krijgen die hij nodig heeft en in het gezin is meer aandacht voor de andere kinderen.
Profiel 2: Jeugdigen met ernstig probleemgedrag Van de 18 onderzochte casussen staat bij 10 gezinnen het problematische gedrag van de jeugdige op de voorgrond. Het kan daarbij gaan om aangeboren gedrag (gedragsstoornis) of gedrag voortkomend uit problemen in het gezin (gedragsproblematiek). Het gedrag is dermate complex en problematisch, dat de veiligheid en ontwikkelingskansen van de jeugdige en andere gezinsleden onder druk staat. Het gezinsleven wordt bepaald door de problematiek van de jeugdige. Verblijf is dan meestal vrijwillig en noodzakelijk; (pleeg)ouders en ambulante hulpverlening hebben al veel geprobeerd maar de situatie is niet houdbaar. In deze gezinnen is vaak een sterke behoefte aan hulp en ontlasting. Netwerkplaatsing of pleeggezin is in die situaties meestal ook niet realistisch. De plaatsing in jeugdhulp met verblijf is voor deze gezinnen (en de jeugdige zelf) een stap vooruit; een verblijfssetting is passender voor de jeugdige en er kan weer voldoende aandacht naar de andere kinderen in het gezin. In deze casussen had een eerdere plaatsing in verblijf waarschijnlijk verergering van
“Hij vond het fijn hier te wonen, hij wilde niet meer thuis zijn. Het gaf hem veel rust. Natuurlijk was het hartstikke spannend.”
“Het merendeel komt hier vrijwillig. Ze willen ook graag hier zijn. Ze willen een andere situatie dan thuis hebben, niet gedwongen.” Begeleider verblijfsinstelling
Begeleider verblijfsinstelling
“In een aantal situaties wordt ook te lang geprobeerd. […] Soms is eerdere inzet [van verblijf] helpend, dan is het probleem gelijk opgelost.“ Medewerker Toegang & Regie
“Dit hadden ze veel eerder moeten doen, de gemeente was heel laat. Ze is al begonnen op haar 13e [met drugsgebruik], ze is nu bijna 16. Maar ik vind het wel fijn dat ze opgenomen wordt, want ik kan haar zelf niet meer handelen, Ik heb haar niet meer onder mijn controle en dat is heel vervelend. […] Ik had zelf aangegeven: luister, zij moet eigenlijk opgenomen worden, zij doet allemaal dingen die een 13 jarige niet mag doen. Ze ging om met jongens die veel ouder zijn dan haar. De gemeente gaf aan: ‘we moeten eerst dit proberen of dat 30
proberen’. Tweeënhalf jaar later gaf de gemeente aan dat het toch wel fijn was dat ze bij zo’n kliniek behandeld wordt. Maar ondertussen heeft ze zoveel [drugs] geslikt. Ik weet niet of ze normaal gaat doen na die 10 weken in de kliniek.” Vader van jeugdige die recent in verslavingskliniek is opgenomen
“De vechtscheiding was eigenlijk niet alleen tussen vader en moeder, maar ook familie van moeder en gedeelte van vaderskant. […] Iedereen sprak negatief over moeder, wat maakte dat de jongere continu in conflict raakte met zijn moeder en uitspraken deed die hij hoorde van volwassenen van de andere kant. Het was heel lastig daar iets in te doen.” Medewerker Toegang & Regie
Profiel 3: Gezinnen met een conflictrelatie tussen ouders (complexe scheidingen) In de 18 onderzochte casussen is er slechts één jeugdige waarvan de ouders samenwonend zijn. Ouders zijn veelal gescheiden, waarbij er in drie casussen duidelijk sprake is van een conflictscheiding. In deze gezinnen is sprake van een conflict tussen ouders dat zo ernstig is, dat de veiligheid thuis onder druk staat en/of de ontwikkelingskansen van jeugdigen beperkt worden door het conflict. Ouders komen niet tot een eenduidige visie op de opvoeding. Ouders erkennen hun aandeel in deze problematiek niet of zeer beperkt, wat het werken aan een oplossing moeilijk maakt. Er is weerstand tegen voorliggende hulp gericht op opvoeding en omgang met elkaar. Een plaatsing in een verblijfsinstelling wordt nodig geacht om de veiligheid van de jeugdige te borgen. Er is in deze gezinnen vaak ook een jeugdbeschermingsmaatregel. Een voorbeeld is een gezin met meerdere kinderen, waar ernstige zorgen zijn over de (fysieke) veiligheid van de kinderen. Ondanks dat ouders open stonden voor hulp, lukt het hen niet samen te werken, waardoor vrijwillige hulp onvoldoende opleverde en kinderen het slachtoffer bleven van het conflict tussen ouders. De kinderen zijn daarom uit huis geplaatst en wonen in een verblijfsinstelling.
“Ik denk, als ouders bij elkaar blijven en één team vormen in de opvoeding dat het minder snel fout gaat.” Vader van jeugdige in verblijfsinstelling
Profiel 4: Complexe gezinssituatie waardoor jeugdige en/of ouders een voorkeur voor verblijf hebben In ten minste 2 van de 18 gezinnen hebben jeugdigen en/of ouder een sterke voorkeur dat de jeugdige niet meer thuis woont. Dit is op zichzelf niet voldoende reden voor een indicatie jeugdhulp met verblijf, maar weegt in deze casussen wel sterk mee. In deze gezinnen is geen acute onveiligheid, maar de relatie tussen ouder(s) en kind is verstoord en er worden wel risico’s gezien in de relatie tussen ouder(s) en kind. Ouder(s) lijken verantwoordelijkheid over zorg en opvoeding te verleggen naar de jeugdhulp. Het kan ook meespelen dat de woning van ouder(s) niet passend is voor een jeugdige om verder op te groeien. In hoeverre het gesprek aangegaan wordt over plichten (naast de rechten) van ouderschap is niet duidelijk vanuit dossiers. Het gaat hier om jeugdigen tegen de volwassenleeftijd, die in jeugdhulp met verblijf geplaatst worden als stap voorafgaand aan zelfstandigheid. Een voorbeeld is een jeugdige waarvan de ouders op afstand van elkaar wonen. De jeugdige kan bij vader terecht, maar kan niet aarden in de woonplaats van vader. Eerder heeft de jeugdige bij moeder gewoond, maar dit liep niet goed, ook niet na inzet van multisysteemtherapie. Na een zoektocht wordt de jeugdige geplaatst in kamertraining in de woonplaats die zijn voorkeur heeft.
5.5.
Inzet voorafgaand aan verblijf
In alle onderzochte gezinnen werd voorafgaand aan de indicatie voor jeugdhulp met verblijf ambulante hulp geboden. De ambulante hulp hielp echter niet voldoende om de omstandigheden te creëren om veilig thuis te kunnen 31
blijven wonen. In de casussen zien we dat hulp niet voldoende aanslaat of niet tijdig kan worden ingezet, of dat bepaalde hulp wellicht helpend had kunnen zijn, maar niet is overwogen (zie paragraaf 5.6). Er zijn grofweg drie soorten hulp die ingezet werden voorafgaand aan plaatsing in verblijf: intensieve, ambulante gezinshulp, de inzet van hulp rondom zwangerschap en jong ouderschap, en de inzet van het sociaal netwerk van het gezin. 5.5.1.
Intensieve ambulante gezinshulp
In de dossiers is te zien dat intensieve ambulante gezinshulp wordt gezien als de laatste mogelijkheid om een plaatsing in verblijf te voorkomen. In enkele gezinnen is inderdaad zeer intensieve ambulante gezinshulp ingezet, vaak expliciet gericht op het voorkomen van verergering en de noodzaak tot inzetten van jeugdhulp met verblijf. In de dossiers zijn we tegengekomen: multisysteemtherapie (MST), Opname en Observatiegroep (O&O) en Intensieve, Ambulante Gezinsbegeleiding (IAG).
terechtkwam. In een andere casus was de intensiteit van het traject voor ouders te zwaar om te combineren met alle andere afspraken en hun werk. In één casus leidde O&O niet tot volledige terugkeer naar huis, maar kon het kind wel een gedeelte van de week thuis wonen. Ook wordt Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) genoemd in de casussen, een maatwerktraject voor gezinnen met meervoudige problematiek. In één casus is dit wel overwogen, maar niet opgestart, omdat het gezin niet aan de voorwaarden kon voldoen om te starten. In de andere casus had het traject niet voldoende effect om te voorkomen dat een jeugdige in verblijf terechtkwam.
In de onderzochte casussen is in enkele gevallen Multisysteemtherapie (MST) ingezet. Deze intensieve aanpak is bedoeld voor gezinnen waar één of meerdere kinderen (12 jaar en ouder) ernstige gedragsproblemen hebben. Het gaat om een intensieve behandeling thuis. In één van de casussen is MST ingezet, maar lukt het niet om passende vervolgzorg in te zetten, waardoor de situatie niet houdbaar bleef.
Jeugdbeschermingsorganisaties in ‘s-Hertogenbosch bieden de aanpak Begeleiding zonder maatregel, waarin een GI vanuit het vrijwillig kader intensieve begeleiding op maat biedt. Het gaat om gezinnen met kinderen (op komst) waarbij er zorgen zijn over de veiligheid van kinderen. Het is gericht op het herstel van ouderlijk oplossend vermogen, sociale en familiaire binding centraal staat. Begeleiding zonder maatregel wordt op verzoek van team Toegang & Regie ingezet voor een periode van maximaal 6 maanden. We zien geen toepassing van Begeleiding zonder maatregel, terwijl dit mogelijk wel een passend antwoord had kunnen zijn voor gezinnen waarbij een jeugdbeschermingsmaatregel werd overwogen, maar de situatie nog niet dusdanig was geëscaleerd dat er inzet vanuit het gedwongen kader werd ingezet. Mogelijk speelt mee dat er de afgelopen jaren weinig capaciteit was en een wachttijd bestaat voor jeugdbescherming.
Een andere vorm van ondersteuning die wordt ingezet is de Opname- en Observatiegroep (O&O). Een jeugdige verblijft kortdurend, 24 uur op een residentiële groep. Tijdens het verblijf wordt met ouders intensief gewerkt aan de voorwaarden om weer thuis te kunnen wonen. Voorwaarde is wel dat ouders vrijwillig meewerken en zelf ook hulp accepteren; dit leidde er in een casus toe dat ouders uiteindelijk niet meewerkten en de jeugdige in een verblijfsinstelling
Verder wordt Functional Family Therapy (FFT) genoemd in één casus, een kortdurende gezinsgerichte behandelmethode voor jongeren met gedragsproblematiek. Deze behandeling is gericht op het contact en sfeer tussen gezinsleden. In het gezin waar dit werd ingezet, werd eerst multisysteemtherapie (MST) overwogen, maar werd FFT uiteindelijk ingezet. De problemen werden echter niet minder. De problemen bleken meer vanuit verschillende gezinsleden 32
te komen, terwijl deze therapie – hoewel gezinsgericht – wel uitgaat van de problematiek van één jeugdige. Er was daarom een meer gezinsbrede aanpak nodig. 5.5.2. Inzet van werkwijzen rondom zwangerschap en jong ouderschap In de casussen zijn voorbeelden te zien van werkwijzen rondom het begeleiden van ouders bij zwangerschap en jong ouderschap. Bij een gezin met diverse problematiek is Veilige Start ingezet. Niet in alle casussen met jonge kinderen is echter te zien dat er ondersteuning is geweest bij het voorbereiden op ouderschap. Maar het ontbreekt soms ook bij casussen waar het wel passend lijkt. 5.5.3. Inzet van het netwerk In de dossiers zijn voorbeelden te vinden waarbij het sociaal netwerk een belangrijke rol had. Meest sprekend zijn jeugdigen die in een netwerkpleeggezin terechtkomen, met een indicatie voor pleegzorg. In die gevallen wordt pleegzorg ook niet als ‘jeugdhulp met verblijf’ ervaren, terwijl het volgens de definitie van de gemeente wel hieronder valt. Een voorbeeld is een gezin met een conflictueuze relatie tussen ouders, waar ouders alle hulp afhouden en heel verschillende visies op opvoeding hebben. De oma van het kind was in staat te communiceren met beide ouders en kon als netwerkpleegouder een plek bieden aan jeugdige.
Het komt ook voor dat de mogelijkheid van netwerkpleeggezin wel genoemd wordt in het dossier, maar dat dit schijnbaar niet verder onderzocht is. 5.5.4. Knelpunten in voorkomen (noodzaak voor) jeugdhulp met verblijf Uit de analyse van 18 dossiers van jeugdigen in verblijf komen drie typen knelpunten naar voren, in het voorkomen van (noodzaak tot) inzetten van een jeugdbeschermingsmaatregel: 1) knelpunten in motivatie en medewerking, 2) knelpunten in systeem of personele omstandigheden, 3) knelpunten in het aanbod.
5.5.5. Knelpunten in motivatie en medewerking In de dossiers is te zien dat ouders regelmatig hulp afhouden die volgens hulpverlening noodzakelijk is om verdere escalatie en zwaardere (gedwongen) hulp te voorkomen. Dit is vooral het geval bij ouders die zelf leiden onder zware problematiek. Ouders zijn dan vaak ambivalent in hun acceptatie en medewerking aan hulp voor hun eigen problematiek en problematiek rondom opvoeding. Zo wilde een ouder langer bedenktijd voordat het O&O traject zou starten. Deze ouder kon een baan krijgen die hij graag wilde en de kans groter maakte om een woning te krijgen met extra slaapkamer voor zijn kind, echter dit zou betekenen dat hij geen vrij zou kunnen krijgen tijdens het vaste bezoekmoment. Na een aantal extra weken bedenktijd, weigert de ouder het traject en wordt besloten de jeugdige in een pleeggezin te laten opgroeien. “Ik heb geen aanbod gemist. Wat ik mis is dan meer, zeg maar. de motivatie van moeder in dit geval om er iets mee te doen. Want natuurlijk, er zijn altijd hulpvormen voor ouders waarbij het lastig is met de jeugdige thuis.” Medewerker Toegang & Regie
5.5.6. Knelpunten in systeem of personele omstandigheden Wachttijden spelen een grote rol in het proces van verwijzing en besluitvorming. In de dossiers zien we dat hulpverleners meewegen welke wachttijd er is voor een interventie, waardoor soms niet de meest passende hulp wordt ingezet. Of er wordt tijdelijk ambulante hulp of een alternatieve vorm van hulp met verblijf ingezet tijdens de wachtperiode voordat de jeugdige de meest passende hulp ontvangt. “Mensen lopen vast. Dan heb je een jeugdige, daar is niet gelijk hulp in te zetten door wachtlijsten. Waardoor het verder escaleert en het niet meer haalbaar is thuis te zijn. Dat je daar eerder zou kunnen ingrijpen, zou misschien kunnen voorkomen dat inzet van verblijf nodig is.” Medewerker Toegang & Regie 33
“Daar kan ik heel kort in zijn. Eigenlijk hebben we zo afgesproken dat als een jeugdige dan is aangemeld, bij zo’n aanbieder, is die aanbieder eigenlijk ook verantwoordelijk voor die tijd ertussen. Maar zo’n aanbieder, ja, die heeft die wachtlijst. Die heeft niks anders, dus die kan eigenlijk niet veel meer dan misschien soms even een telefoontje of zo.” Medewerker Toegang & Regie
In de casussen zijn geen voorbeelden van gezinsopname te vinden. In gesprekken met professionals wordt benoemd dat zij dit vaker zouden willen inzetten, en als instrument zien om langdurig verblijf te voorkomen. De kans dat een gezinsopname binnen redelijke termijn kan worden ingezet, is echter nihil, waardoor het vaak niet meer geprobeerd wordt het te realiseren. De situaties die vragen om een gezinsopname zijn urgent, en het is niet met urgentie in te zetten. Escalaties in de overbrugging Soms komt het voor dat jeugdigen tussen verschillende soorten verblijf tijdelijk thuis moeten verblijven om de wachtperiode voor de volgende vorm van verblijf te overbruggen. Of dat jeugdigen tijdelijk in het netwerk verblijft tot er een plek beschikbaar is. Dit leidt regelmatig tot escalaties. Een voorbeeld is een jeugdige van 16 jaar die naar aanleiding van een incident op de leefgroep weer thuis bij zijn moeder ging wonen, waar het escaleerde, vervolgens kon hij in zijn netwerk terecht, waar het ook escaleerde. Vervolgens is elders een plek gevonden waar jeugdige kon verblijven en vanuit daar zou hij doorstromen naar een trainingshuis, waar hij op het laatste moment op de afgesproken tijd niet terecht kon door externe factoren. De jeugdige is opnieuw thuis gaan wonen, omdat er niet per direct een andere plek was, met nieuwe escalaties tot gevolg.
Overbrugging bij wachttijd verslavingszorg lijkt te ontbreken Jeugdigen moeten soms lange tijd wachten voor zij terechtkunnen bij (intramurale) verslavingszorg. Er lijkt weinig overbruggingszorg mogelijk voor deze groep jeugdigen en hun ouders. Een voorbeeld is dat een meisje met een verslaving zes maanden moest wachten om een traject verslavingszorg te starten. Bij instroom was zij inmiddels 17 jaar.
5.5.7.
Knelpunten in het aanbod
Cultuursensitieve zorg In de casuïstiek zien we veel gezinnen met een migratieachtergrond. In enkele gevallen is cultuursensitieve zorg ingezet. Hierbij bleef het vaak echter bij hulp bij vertalen en ontbrak inhoudelijke, cultuursensitieve ondersteuning. Niet in alle casussen zien we echter dat dit overwogen wordt, terwijl hier soms wel uitgesproken behoefte aan is of meerwaarde kan hebben. Beperkte integraliteit in aanbod Wanneer er bij een jeugdige meerdere (zware) problematieken gelijktijdig aanwezig zijn, leidt dit tot een moeilijke opgave in het bieden van passende zorg of het vinden van een passende vorm van jeugdhulp met verblijf. Organisaties die gespecialiseerd zijn in de ene problematiek, bieden geen ruimte aan jeugdigen met (ook) andere problematiek en vice versa. Zo vallen jeugdigen met meervoudige problematiek buiten de boot, of moeten lang wachten op een plek bij een instelling die wél ruimte biedt aan jeugdigen met meerdere typen problematiek. Zo komt het voor dat jeugdigen weer thuis komen te wonen, terwijl is vastgesteld dat het daar te onveilig is. In één casus met een jeugdige met meervoudige, psychiatrische problematiek bleek het ontbreken van een gezamenlijke visie van betrokken organisaties: niemand kon het eens worden over welke hulp passend was, waardoor jeugdige uiteindelijk weer thuis kwam te wonen, waar zij een gevaar voor zichzelf was.
Daarnaast bleek dat wanneer verslavingsproblematiek speelde bij ouders, de hulp voornamelijk gericht was de desbetreffende ouder. Hierdoor was er weinig aandacht voor de impact op kinderen, en werd niet gekeken of kinderen (of de partner van degene waar verslavingsproblematiek speelde) ook hulp nodig had.
34
5.6.
Conclusie
Jeugdhulp met verblijf is een brede groep vormen van hulp, bestemd voor een brede groep jeugdigen. Het biedt de mogelijkheid tot het bieden van een veiliger situatie van een jeugdige voor de korte of lange termijn. We zien een vrij stabiel verloop van het aantal jeugdigen in verblijf in de periode januari 2020 tot en met juni 2022. Uit de dossieranalyse blijkt dat jeugdhulp met verblijf vaak nodig is en soms zelfs eerder ingezet had mogen worden. Voor een specifieke groep jeugdigen is de thuissituatie geen geschikte plek om verder op te groeien en is jeugdhulp met verblijf niet te voorkomen. Er is echter ook een groep jeugdigen te zien waar mogelijk voorkomen had kunnen worden dat jeugdhulp met verblijf moest worden ingezet, door meer in te zetten in het veiliger of geschikter maken van de thuissituatie. Bij een aanzienlijke groep jeugdigen in verblijf lijkt de aanleiding voor de plaatsing in verblijf niet bij de jeugdige, maar bij (een van) de ouders te liggen. De reden dat jeugdigen in een verblijfsinstelling terechtkomen is vaak voor een belangrijk deel te herleiden naar individuele of relationele problematiek bij ouders. Zo zagen we dat bij verslaving of GGZ-problematiek bij ouders de reden van plaatsing in verblijf voor een belangrijk deel te herleiden is naar de problematiek bij ouders, meer dan bij de jeugdige zelf.
Ook bij complexe scheidingen zien we dat de reden voor een plaatsing in verblijf meer te herleiden is naar onveiligheid in het gezin door conflicten tussen ouders dan tot de problematiek van een jeugdige zelf. Conflicten tussen ouders, psychische problematiek en/of verslavingsproblematiek zorgen voor een thuissituatie die niet veilig of geschikt genoeg is om verder in op te groeien. Hoewel de oorzaak hier bij ouder(s) ligt, wordt de oplossing bij de jeugdhulp gezocht; hier is nu eenmaal meer dringende en dwingende ondersteuning mogelijk. Tot slot zijn er nog enkele jeugdigen waarbij een of beide ouders al jaren buiten beeld zijn of overleden zijn.
35
6
Deel 2: Uitstroom jeugdhulp met verblijf 16+
In dit hoofdstuk bespreken we de resultaten uit het tweede deelonderzoek waarin we kijken naar de uitstroom van jeugdigen in jeugdhulp met verblijf17. We gaan eerst in kenmerken van jeugdigen in verblijf van 16 jaar en ouder (paragraaf 6.1) en de uitstroomcijfers (vanuit ZorgNed) in de periode januari 2020 tot en met juni 2022 (paragraaf 6.2). Daarna gaan we in op de resultaten uit het dossieronderzoek en de verdiepende interviews (paragraaf 6.3 t/m 6.6). We sluiten af met een conclusie (paragraaf 6.7).
6.1.
Kenmerken van jeugdigen in verblijf van 16 jaar en ouder
In dit onderzoek zijn 63 dossiers bestudeerd van de in totaal 71 jeugdigen in verblijf van 16 jaar en ouder. Acht dossiers zijn niet bestudeerd, omdat de gemeente van deze jeugdigen geen dossier heeft en de aanbieder van verblijf niet meewerkte aan het onderzoek. 6.1.1.
Persoonskenmerken
Van de 71 jeugdigen in verblijf van 16 jaar en ouder is iets meer dan de helft meisje (n=37) en iets minder dan de helft jongen (n=34). De meerderheid van deze jeugdigen is tussen de 16 en 18 jaar oud, of tussen de 18 en 21 jaar oud; 4 jongeren zijn 21 jaar of ouder (zie tabel 6.1).
17 Onder jeugdhulp met verblijf verstaan wij de ‘producten’ residentieel verblijf (zwaar/licht), jeugdzorgplus, klinische jeugdverslaving, LTA, LVB 4 en 5, maatwerk, gezinsvervangend, gezinsgericht en pleegzorg. Zie ook hoofdstuk 3.
Tabel 6.1 Leeftijdscategorieën jeugdhulp met verblijf 16+ (per 1 juli 2022) Leeftijdscategorie
Aantal jeugdigen in verblijf
16-18
47
18-21
20
21+
4
Totaal aantal jeugdigen in verblijf 16+
71
6.1.2.
Type jeugdhulp met verblijf
Van de 63 bestudeerde dossiers van jeugdigen van 16 jaar en ouder in verblijf is iets minder dan de helft van de jeugdigen woonachtig in een pleeggezin. Ook wonen er 6 jeugdigen in een gezinshuis en 4 krijgen kamertraining. De overige jeugdigen wonen in een residentiële context. Tabel 6.2 Type jeugdhulp met verblijf 16+ (per 1 juli 2022) Type jeugdhulp met verblijf
Aantal jeugdigen 16+ per 1 juli 2022
Pleegzorg voltijd
29
Verblijf specialistisch - behandelgroep (zwaar)
8
Gezinsvervangend gezinsgericht - Zwaar
6
Verblijf intensief - 4/5 LVG / Driemilieuvoorzieningen
5
Verblijf basis kamertraining / woonbegeleiding
4
Verblijf specialistisch leefgroep (zwaar)
3
Verblijf intensief - Klinische jeugdverslavingszorg (gesloten groep)
3
Pleegzorg Deeltijd (weekendpleegzorg)
2
Verblijf specialistisch - ZZP 3 LVG
2
Verblijf intensief - oud provinciale jeugdzorg / Driemilieuvoorzieningen
1
*In dit onderzoek zijn JeugdzorgPlus en LTA niet meegenomen, omdat hier een ander onderzoek naar plaatsvindt. 36
6.2.
Figuur 6.2 Gemiddelde leeftijd jongeren uitstroom uit verblijf
Cijfers uitstroom uit jeugdhulp met verblijf
Per half jaar is er gekeken naar de uitstroom van jongeren uit verblijf. Onder uitstroom verstaan we jongeren waarvan de laatste indicatie een einddatum heeft die al geweest is en op dit moment geen nieuwe indicatie voor verblijf heeft staan. In figuur 6.1 is te zien dat de uitstroom per half jaar toeneemt, vooral in de eerste helft van 2022 is er een exponentiële groei van het aantal jongeren die uitstromen uit verblijf. In 2020 stroomden er in totaal 111 jongeren uit verblijf, in 2021 lag dit aantal iets hoger namelijk op 127 jongeren.
17,5
17,23
17
16,7
16,5 16
15,5
15,7
15,5 14,77
15 14,5
Figuur 6.1 Uitstroom van individuele jongeren uit verblijf
14
120
107
13,5 2020-1
2020-2
2021-1
2021-2
2022-1
100
6.3.
80 60
67 57
54
2020-1
2020-2
Aanleiding voor jeugdhulp met verblijf (16+)
Vaak zijn er meerdere redenen waarom een jeugdige in verblijf terecht komt. Redenen die in de dossiers worden genoemd staan weergegeven in tabel 6.3.
60
40 20 0 2021-1
2021-2
2022-1
Leeftijd bij uitstroom uit verblijf jeugdigen die uitstromen uit verblijf Van de jongeren die uitstromen valt er op dat deze groep per periode relatief jonger wordt. Waar de jongeren die uitstroomden in de eerste helft van 2020 gemiddeld nog 17,23 jaar oud waren, zien we dat in de eerste helft van 2022 dit nog maar 14,77 jaar is (figuur 6.2).
37
Tabel 6.3 Redenen voor jeugdhulp met verblijf Aanleiding voor jeugdhulp met verblijf
Omschrijving
Aantal keer genoemd
Gediagnostiseerde gedragsproblematiek bij JG
Jeugdige heeft ernstige gedragsstoornis/-problematiek (bijv. ASS)
42
Onvermogen bij opvoeding
Ouders zijn niet in staat een goede, veilige opvoeding te bieden
25
Ouders uit beeld of overleden
Ouders zijn uit beeld bij jeugdige (overleden, in detentie, vertrokken)
25
Overige vastgestelde problematiek bij JG (bijv. verslaving, eetstoornis)
Jeugdige heeft ernstige problematiek
21
Verslavingsproblematiek en/of ggz-problematiek bij ouders
Ouders hebben ernstige problematiek (verslaving, psychische problemen)
20
Onveiligheid door huiselijk geweld vanuit ouders (partnergeweld / KiMi)
Huiselijk geweld in het gezin zorgt voor onveiligheid.
18
Geweld door jeugdige
Jeugdige gebruikte geweld tegen ande- 18 re gezinsleden.
Onveiligheid door conflictueuze partnerrelatie
Ouders hebben een conflict dat zorgt voor onveiligheid in het gezin
14
Niet-gediagnostiseerde problematiek bij JG
Er is een sterk vermoeden van problematiek, maar deze is niet vastgesteld/ gediagnostiseerd.
13
Onvrede over thuissituatie
Jeugdigen vinden de thuissituatie zo onprettig, dat ze niet meer thuis willen wonen.
9
6.4.
Toekomstplannen
In het Uitvoeringsplan 2020-2023 Jeugdhulp Noordoost Brabant is vastgesteld dat aanbieders een toekomstplan opstellen, wanneer een jeugdige met jeugdhulp de leeftijd van 16,5 jaar bereikt. Op deze manier kan onder andere geanticipeerd worden op de uitstroom en bijpassende woonvorm. Deze opgave is de verantwoordelijkheid van lokale teams en zorgaanbieders. Aan deze afspraak blijkt nog geen invulling te zijn gegeven; in geen van de dossiers zijn voorbeelden te vinden van concrete toekomstplannen. In de dossiers is überhaupt
weinig aandacht voor het toekomstperspectief voor een jeugdige, ook bij jeugdigen die ouder zijn dan achttien jaar. Een voorbeeld is een jeugdige van 18 jaar die ruim anderhalf jaar in een specialistische leefgroep woont. Er is wel gesproken over het opstellen van een toekomstplan rondom ‘zelfredzaamheid’ en ‘zinvolle daginvulling’, maar dit is nog niet uitgevoerd. Ook in de pleegzorg ontbreken toekomstplannen. Een voorbeeld is een jeugdige van 19 jaar in een pleeggezin. Verlengde pleegzorg is aangevraagd, maar er is geen informatie te vinden over waar de jeugdige naartoe werkt en wat pleegzorg en pleeggezin hieraan kunnen bijdragen. Een ander voorbeeld is een jeugdige van 17 jaar in een specialistische behandelgroep. In gesprekken met hulpverleners geeft hij aan dat hij graag zelfstandig zou willen wonen, maar hier nog geen zicht op is. Hij heeft er moeite mee, dat er geen toekomstperspectief is. Deels kan het eraan liggen dat toekomstplannen wel besproken worden in gesprekken, maar niet worden gedocumenteerd. Dit is problematisch voor overdracht, zeker wanneer het gaat om de overdracht naar volwassenenzorg. Maar ook zien we in de dossiers terug dat jeugdigen zelf aangeven perspectief te missen; niet weten wat hun toekomst is en de overgang naar volwassenheid voor hen nog ver weg is, terwijl zij de volwassenenleeftijd hebben bereikt of bijna bereiken.
Een voorbeeld is een jeugdige in verblijf (intensief) waarbij benoemd wordt dat er bij 17,5 jaar een plan moet zijn, voor wanneer de jeugdige volwassen wordt. Er wordt wel gesproken over ontwikkelpunten, maar meestal niet direct gelinkt aan mogelijke uitstroom of (integraal) toekomstplan. Ook bij pleegzorg ontbreekt vaak visie op toekomst. Een concreet toekomstperspectief ná verlengde pleegzorg is hier niet beschreven; dit wordt vooruitgeschoven naar een later moment, wanneer ook verlengde pleegzorg afloopt. In de dossiers komt naar voren dat de ontwikkeling van een jeugdige veranderlijk kan zijn, zeker in de latere tienerjaren, wat professionals belemmert om vooruit te blikken op woontoekomst en uitstroomvoorwaarden. In één dossier wordt wel verwezen naar een opgesteld toekomstplan, maar dit is niet vindbaar in het gemeentelijk dossier.
38
Er zijn ook een aantal ‘goede’ voorbeelden waarbij we zien dat volwassenzorg wel al voor de 18e verjaardag aanhaakt Bij wegvallen voogd bij 18 jaar vallen er ook doelen weg (of iemand die doelen stelt) Bij jeugdigen die een voogd hebben (ontzegging ouderlijk gezag) valt bij de 18e verjaardag de voogdij weg. Daarmee valt er ook een partij weg die doelen stelt met de jeugdige. In principe zou een ambulant begeleider deze rol kunnen overnemen, maar jeugdigen komen hier niet altijd voor in aanmerking, bijvoorbeeld omdat daar niet voldoende aanleiding toe is of zij geen specifieke, uitgesproken hulpvraag hebben. Een voorbeeld is een meisje van bijna 18 jaar in een gezinshuis, met een zeer belast verleden. Bij het bereiken van haar 18e verjaardag stopt de voogdij en is onduidelijk waar zij zal komen te wonen. In het dossier zijn geen toekomstperspectief of doelen besproken. Na overdracht jeugdbescherming geen/weinig dossieropbouw bij gemeente In de casussen waar naast verblijf ook een jeugdbeschermingsmaatregel loopt, valt op dat er meestal nauwelijks of geen dossiervorming bij de gemeente meer is. De regie ligt in deze gevallen bij de jeugdbescherming, echter als het gaat om toekomstige volwassenzorg maakt dit sturing en zicht houden door gemeente en toegang moeilijk. Daarnaast is het belangrijk vanwege de instroom in de Wmo.
6.5.
Belemmeringen uitstroom 16+
over deze knelpunten. Er zijn meestal wel onderzoeksplannen te vinden die zich richten op de problematiek van de jeugdigen (en hun gezin), maar in deze plannen is weinig aandacht voor mogelijkheden en knelpunten voor uitstroom. Omdat er niet op een structurele, gelijkvormige manier naar uitstroommogelijkheden wordt gekeken, is het op basis van de dossiers vaak niet met zekerheid te zeggen aan welke uitstroomcriteria een jeugdigen voldoet en welke niet. Wel was op basis van de dossiers af te leiden welke problematiek speelt en in hoeverre deze de uitstroom beperkt. 6.5.1.
Inkomen/financiële zelfstandigheid als knelpunt voor uitstroom
In ruim de helft van de dossiers worden inkomen en financiële zelfstandigheid niet beschreven (figuur 6.3). Bij 27 jeugdigen wordt financiële zelfstandigheid wel expliciet benoemd als aandachtspunt of knelpunt. In deze dossiers is te zien dat jeugdigen hun administratie en financiën nog niet zelfstandig kunnen bijhouden. Bij uitstroom hebben zij daarom hulp nodig bij financiën, omdat zij anders onverstandige financiële beslissingen zouden nemen en/of schulden opbouwen. Dit hoeft geen belemmering te zijn voor uitstroom uit verblijf, maar wanneer jeugdigen zelfstandiger gaan wonen, is wel hulp nodig hierbij. In de dossiers zien we weinig tekenen van samenwerking met werk & inkomen, wel zijn er enkele jongeren bij wie bewind voering is aangevraagd vanaf hun 18e verjaardag. In geen van de dossiers is echter expliciet aandacht voor inkomen. Dit terwijl inkomen voor uitstroom een belangrijke voorwaarde is, ook wanneer jeugdigen uit huis gaan om te studeren en ouders niet meebetalen.
De gemeente ziet graag dat jeugdigen van 16 jaar en ouder waar mogelijk uitstromen, om zo zelfstandig mogelijk te leven en ruimte te maken voor jongeren inwoners die moeten wachten op een plek in verblijf. De gemeente onderscheidt vijf domeinen waarop uitstroom belemmerd kan worden (de ‘big five’): 1) inkomen, 2) werk/onderwijs, 3) sociaal netwerk, 4) hulp en ondersteuning en 5) woningaanbod. In de dossiers van jeugdigen in een verblijfsinstelling van 16 jaar en ouder is in veel gevallen zeer beperkte informatie vindbaar 39
Figuur 6.3 Inkomen/financiële zelfstandigheid als knelpunt voor uitstroom 35
33
30 25 20
Figuur 6.4 Daginvulling jeugdigen in verblijf 16+
14
15
Ook andere problemen kunnen ervoor zorgen dat het vinden van passend werk, vooral voor de langere termijn, voor jeugdigen in verblijf soms een uitdaging is. Een voorbeeld is een jeugdige met gedragsproblematiek, die snel agressief kan worden. Het vinden van een werkplek waar men (langdurig) om kan gaan met deze problematiek wordt benoemd als uitdaging voor uitstroom.
11
40
10
35
3
5
38
2 30
0 ? = niet benoemd
0 = geen knelpunten
1 = aandachtspunt 2 = knelpunten die 3 = knelpunten die bij uitstroom uitstroom sterk uitstroom (vrijwel) belemmeren onmogelijk maken
25 18
20 15
6.5.2. Onderwijs en werk als knelpunt voor uitstroom
10 10 5
Ruim de helft van de jeugdigen volgt onderwijs en bijna een derde heeft betaald werk. Slechts een kleine minderheid heeft geen dagbesteding volgens de laatste informatie in het dossier. Ondanks dat veel jeugdigen dagbesteding door onderwijs/werk hebben (figuur 6.4), kan werk/onderwijs een aandachtspunt zijn (figuur 6.5 en figuur 6.6).
3
5
3
0 School
Werk
Dagbesteding Arbeidsmatige dagbesteding
Geen
Onbekend
Figuur 6.5 Werk als knelpunt voor uitstroom
Bij een deel van de groep jeugdigen in verblijf 16+ is sprake van schoolverzuim of ervaren jeugdigen problemen op school zoals concentratieproblemen. Het niet volgen van onderwijs of het niet vinden van een passende vervolgopleiding is dan ook een aandachtspunt of belemmering voor uitstroom uit verblijf. Onderwijs wordt gezien als een randvoorwaarde voor andere uitstroomeisen rond werk en inkomen. Toch zijn er voorbeelden waar het afbreken van school er juist toe leidt dat jeugdigen passend werk vinden; in de dossiers is te zien dat jeugdigen zichzelf niet geschikt vinden voor het schoolsysteem en liever aan het werk gaan. Een voorbeeld is een jeugdige uit een gezin met meervoudige problematiek. Er was veel schoolverzuim en jeugdige vond zelf een fulltime baan.
40 35
35
30 25 20 15
11
10
7
8
5
2
0 ? = niet benoemd
0 = geen knelpunten
1= aandachtspunt bij uitstroom
2 = knelpunten die uitstroom sterk belemmeren
3 = knelpunten die uitstroom (vrijwel) onmogelijk maken 40
Figuur 6.6 Onderwijs als knelpunt voor uitstroom 30 25 25 20 15
13
12 10
10 5
3
0 ? = niet benoemd
0 = geen knelpunten
1 = aandachtspunt 2 = knelpunten die 3 = knelpunten die bij uitstroom
uitstroom sterk uitstroom (vrijwel) belemmeren
onmogelijk maken
kan komen door conflicten tussen ouders, met name bij complexe scheidingen, die ervoor zorgen dat terugkeer naar huis belemmerd wordt. Ouders kunnen kinderen geen veilige opgroeiklimaat bieden en jeugden worden slachtoffer van loyaliteitsconflicten of getuige van huiselijk geweld. Een voorbeeld is een jeugdige in kamertraining die vanaf haar vroege jeugd structureel mishandeld is; terugkeer naar huis zou haar opnieuw in een onveilige situatie brengen. Een ander voorbeeld is een jeugdige van 16 jaar in een pleeggezin waar ouders drugs gebruikten en er veel agressie en geweld was. Uitstroom naar huis is hier niet denkbaar. Het komt voor dat jeugdigen tijdelijk naar een (crisis)verblijf gaan, maar uiteindelijk langdurig in verblijf komen, omdat de thuissituatie ondertussen niet verbeterd is. Een voorbeeld is een jeugdige van 17 jaar die tijdelijk op een crisisplek terechtkomt, nadat geweld thuis is geëscaleerd. Hij heeft meervoudige problematiek, waaronder trauma gerelateerde stoornis en ASS. De veiligheid thuis verbetert niet, waardoor hij in een driemilieuvoorziening terechtkomt.
Een van de mogelijkheden is dat jeugdigen terugkeren naar het gezin, of dat gekeken wordt of ze bij andere familieleden kunnen wonen. Of dit tot de mogelijkheden behoort, is afhankelijk van de reden van instroom en de huidige gezinssituatie. Voor een deel van de jeugdigen is het gezin een logische plek om (terug) naar uit te stromen nadat zij in verblijf hebben gezeten. Niet alle jeugdigen hebben echter een thuissituatie die veilig of passend genoeg is om naar terug te keren.
Niet accepteren van hulp Een andere reden die vaak benoemd wordt in de dossiers is dat sprake is van tekortkomingen in de opvoedvaardigheden van ouders en/of onveiligheid thuis, zoals ook in de voorgaande paragraaf beschreven. In de dossiers is te zien dat ouders (ambulante) hulp soms afhouden of nadrukkelijk weigeren, waardoor uitstroom naar huis niet meer tot de mogelijkheden behoort. Een voorbeeld is een jeugdige van 18 jaar die na een korte periode in crisis verblijf terug mocht naar huis, mits ouders akkoord gingen met de inzet van multisysteemtherapie (MST). Ouders weigerden dit echter en jeugdige is daarom in een trajecthuis terechtgekomen. Ze werkt daar toe naar zelfstandig wonen.
Onveiligheid in het gezin Zo waren de ouders bij 25 van de 63 jeugdigen uit beeld, doordat zij geen contact meer hebben, naar het buitenland zijn vertrokken, in detentie zitten of zijn overleden. Daarnaast komt het voor dat jeugdigen wel contact hebben met ouders, maar de thuissituatie nog steeds te onveilig is voor de jeugdige. Dit
Risico’s sociaal netwerk Een ander knelpunt is de onveiligheid die jongeren zelf veroorzaken. Zoals het hebben van ‘verkeerde vrienden’, waardoor zij bij uitstroom mogelijk (opnieuw) risico lopen om in aanraking te komen met criminaliteit. Of het hebben van verslavingsproblematiek, soms ontstaan tijdens hun verblijf.
6.5.3. Sociaal netwerk als knelpunt voor uitstroom
41
Uitstroom naar familie Naast terugkeer naar het gezin hebben sommigen een ander familielid hebben waar zij terechtkunnen. Echter hebben andere dit niet, wat de mogelijkheden tot uitstroom beperkt. Uit de dossiers werd vaak niet mogelijk welke andere familieleden er zijn, en of zij iets zouden kunnen betekenen. 6.5.4. Hulp en ondersteuning als knelpunt voor uitstroom De meest genoemde knelpunten hebben betrekking op de benodigde hulp/ ondersteuning die jeugdigen nodig hebben en de uitstroom belemmeren. Deze hulp kan geboden worden in de huidige verblijfscontext, maar niet (zomaar) wanneer zij uitstromen naar een andere woonvorm. Behandeling en begeleiding vaak nodig bij jeugdigen met belast verleden Bij jeugdigen met een belast verleden vereist de stap naar zelfstandigheid begeleiding en vaak ook behandeling van opgelopen trauma. Jeugdigen werken vaak op hun huidige verblijfplek aan herstel, of zijn juist net op een passende en veilige plek beland en traumabehandeling moet nog starten. Soms staan jeugdigen niet open voor traumabehandeling, maar zien hulpverleners wel de noodzaak vanwege gedrag dat de jeugdige vertoont. Een voorbeeld is een jeugdige van 17 jaar met een lichtverstandelijke beperking wiens ouders ernstig tekort schoten in het bieden van veiligheid en ontwikkelkansen. Met ambulante hulp is geprobeerd dit te verbeteren, maar dat bleek niet voldoende te zijn.
Deze jeugdige kwam uiteindelijk in een pleeggezin terecht, maar is volgens betrokkenen gebaat bij verlengde pleegzorg, zodat jeugdige zich sociaal-emotioneel verder kan ontwikkelen in een veilige thuissituatie. Voor deze jeugdigen is ‘verblijf’ een mogelijkheid om een achtergebleven ontwikkeling in te halen die ontstaat is vanuit de jeugd. Bij veel jeugdigen is sprake van een onverwerkt trauma, vrijwel altijd ontstaan door traumatische gebeurtenissen in het gezin (huiselijk geweld, misbruik). Dit lijkt een knelpunt te zijn in de route naar zelfstandigheid, want deze trauma’s belemmeren waarschijnlijk het functioneren van jeugdigen, waardoor ze problemen ervaren bij school of het vinden van
werk, en daardoor het ook financieel niet rond krijgen. Hierdoor hebben zij meer begeleiding nodig. Het gaat dus niet alleen om het verwerken van trauma’s, wat eventueel ook ambulant behandeld kan worden, maar om het totale plaatje waardoor uitstroom niet wenselijk of moeilijk is. Behandeling moet eerst afgerond worden voor (positieve) uitstroom Zeker bij verslaving en traumabehandeling is het niet wenselijk om de behandeling en leefsituatie te onderbreken. Of soms voor duurzaam behoud van behandeling is het wenselijk dat jongere nog iets langer in jeugdhulp met verblijf woont, bijvoorbeeld na behandeling voor verslaving. Het komt ook voor dat jeugdigen pas kort in beeld zijn. Een voorbeeld is een jeugdige die gedurende haar hele jeugd mishandeld is en pas na haar 17e in beeld is bij hulpverlening. De instroom is hier zo laat gebeurd, dat uitstroom nog niet aan de orde is. Wachttijden belemmeren uitstroom Door wachttijden komen jeugdigen soms later terecht bij de verblijfplek waar ze hulp ontvangen om uit te stromen. Wachttijden belemmeren daarmee uitstroom, omdat daardoor pas later gericht gewerkt kan worden aan uitstroom. Hierdoor zijn jeugdigen op hun 18e verjaardag vaak er nog niet aan toe om uit te stromen omdat ze dan (eindelijk) op een plek zitten waar ze de juiste begeleiding krijgen om uit te stromen.
Een voorbeeld is een jeugdige van 18 jaar die pas op zijn 17e in een specialistische leefgroep terechtkwam, nadat hij hiervoor maanden op de wachtlijst had gestaan. De wachttijd zorgde voor uitstel van het werken aan verbetering en het creëren van een toekomstperspectief. Een ander voorbeeld is een jeugdige van 17 jaar die op een wachtlijst staat voor klinische opname in een verslavingskliniek. De wachttijd leidt ertoe dat zij pas op volwassen leeftijd kan starten met het traject; verlate instroom zorgt logischerwijs voor verlate uitstroom.
42
Zelfzorg is vaak aandachtspunt Vaak is persoonlijke verzorging een aandachtspunt bij uitstroom: jeugdigen hebben dit niet geleerd door ouders, zijn door ouders verwaarloosd en/of besteden door eigen problematiek onvoldoende aandacht aan zelfzorg. Dit wordt niet benoemd als knelpunt voor uitstroom, maar is wel een aandachtspunt voor de stap richting zelfstandigheid. Een voorbeeld is een jeugdige van 18 jaar in een pleeggezin, die volgens de pleegouders nog onvoldoende zelfstandig is. Zelfzorg en hygiëne is hier een onderdeel van: de pleegouders moeten hem erop aansturen te wassen/douchen. Zonder verlengde pleegzorg zou het proces van verzelfstandigen verstoord worden. Voor sommige jeugdigen is instellingscontext voorlopig hoogst haalbare Bij ernstige gedragsstoornissen is het voor sommige jongeren lastig te functioneren buiten een instellingscontext. De instelling biedt een overzichtelijke, aangepaste wereld voor een groep kwetsbaren. Het is voor hen prettig om in zo’n omgeving te wonen en verhuizen is niet gewenst, zeker niet wanneer zij er pas kort wonen. Sommige jeugdigen wonen al jaren in een instelling en zijn gewend om altijd begeleiders om zich heen te hebben. Ook zijn er meerdere voorbeelden van mislukte thuisplaatsingen of mislukte overplaatsingen van gesloten naar open verblijf, waarbij de overgang naar meer zelfstandigheid nog te groot bleek.
Een voorbeeld is een jeugdige met ernstige gedragsproblematiek in een specialistische leefgroep. Door agressie en automutilatie kan hij niet alleen of met andere jeugdigen en zelfstandig wonen is voor betrokkenen ondenkbaar. De huidige leefgroep heeft positieve invloed op zijn problematiek, waardoor hij daar voorlopig zal blijven wonen. Problematiek jeugdige of afwijzing Wlz aanleiding langere jeugdhulp nodig Bij een deel van de jeugdigen lijkt het erop dat ze erbij gebaad zijn om langer in jeugdhulp te blijven, en nog niet toe zijn aan een ‘volwassen’ voorziening zoals begeleid wonen. Of dit traject dient goed begeleid en overdragen te worden, en de volwassen voorziening moet goed toegerust zijn op deze problematiek. Het gaat dan om jeugdigen met bijvoorbeeld een belast verleden, beperkt
verstandelijk vermogen, gedragsproblemen, of concentratiestoornissen: ze zijn vaak minder snel toe aan volwassenheid. Daar passen de werkwijzen en voorzieningen die geboden kunnen in de jeugdhulp wellicht meer bij, of de volwassenenzorg zal beter moeten aansluiten op de hulpbehoefte van deze jeugdigen. In enkele casussen wordt een aanvraag vanuit Wlz ook afgewezen, en is de oplossing een verlenging van de jeugdwet. Een voorbeeld is een zeer kwetsbare jeugdige van 18 jaar in een verblijfsinstelling (intensief). Hij heeft ‘hand-aanhand’ begeleiding nodig bij dagelijkse bezigheden en volgt geen onderwijs. De betrokken professionals zien geen enkele mogelijkheid tot zelfstandig wonen, ook niet in de toekomst. Een Wlz-indicatie is aangevraagd, maar afgewezen, omdat er geen perspectief op zelfstandigheid zou zijn. Voor hem is verlengde jeugdwet toegekend voor drie jaar, met de afspraak om in het laatste jaar een Wmo indicatie aan te vragen voor een passende vervolgplek (beschermd wonen). 6.5.5. Woonruimte als knelpunt voor uitstroom Voor uitstroom uit verblijf is zicht nodig op een volgende woonplek. In de dossiers wordt woonruimte niet vaak genoemd als reden dat een jeugdige niet kan uitstromen; knelpunt zit meer in het nog niet kunnen bepalen wat voor woonvorm er passend is. In enkele gevallen is woonruimte wél benoemd als concrete belemmering voor uitstroom.
Eén jeugdige in kamertraining is in principe klaar om uit te stromen, maar heeft nog geen woning kunnen vinden. Ook heeft hij geen steunend netwerk waar hij tijdelijk kan verblijven. Hij mag daarom langer op de plek blijven wonen. De krappe woningmarkt wordt in andere casussen wel benoemd als zorg voor de toekomst, maar niet als concrete belemmering voor uitstroom nu.
43
“Je weet dat een woning niet lukt, dus je moet ergens een kamer vinden of [jeugdige] bij iemand kunnen onderbrengen. Beschermd wonen is dan vaak meest gunstige oplossing.” Medewerker Toegang & Regie
Figuur 6.7 Woontoekomst van jongeren, expliciet en geschat
Woonruimte voor zelfstandig wonen
7
Thuis bij (pleeg)ouders of familie 1
18
5
6.5.6. Combinaties van knelpunten voor uitstroom Er zijn geen patronen te ontdekken in de combinaties van knelpunten voor uitstroom. De grootste groep jeugdigen heeft alleen hulp/ondersteuning als knelpunt voor uitstroom, gevolgd door de combinatie van knelpunten in netwerk en in hulp/ondersteuning. Voor de rest zijn het meer unieke combinaties, al is in die combinaties vaak ook sprake van een knelpunt in hulp/ ondersteuning.
6.6.
Begeleid zelfstandig wonen (niet 24 uurs)
Begeleid zelfstandig wonen (24 uurs)
3
2
Beschermd wonen
7
5
Geen dossier
10
8 0
Woontoekomst
In het Regionaal Beleidsplan Jeugdhulp 2020-2023 wordt benadrukt dat in het onderwerp wonen aandacht moet krijgen in de toekomstplannen van jeugdigen. Zo kan er geanticipeerd worden op woonbehoeften en kunnen op basis hiervan afspraken gemaakt worden met woningcorporaties. Door het ontbreken van deze toekomstplannen is er weinig informatie te vinden over de woontoekomst van jeugdigen. Bij 20 jeugdigen is in de dossiers expliciet benoemd welke beoogde woonvorm er voor uitstroom uit verblijf (zie figuur 6.7), maar dit zit vaak verscholen in gespreksverslagen en notities. Bij de overige 43 dossiers is de woontoekomst niet besproken of nog onzeker; hierbij hebben wij een inschatting gemaakt van de eerste stap in de woontoekomst na uitstroom verblijf (zie ook figuur 29).
5
5
Expliciet benoemd in dossier
6.6.1.
10
15
20
25
30
Inschatting op basis van codering
Uitstroomkoers per groep jeugdigen
Typologieën jeugdigen in verblijf 16+ In de dossiers zijn een aantal typologieën te herkennen waaraan jeugdigen voldoen. Uit de analyse komen vijf typologieën naar voren. Deels overlappen deze: jeugdigen kunnen voldoen aan kenmerken van meer dan één typologie.
Soms is het zichtbaar in gespreksverslagen tussen professionals en jeugdige, dat erover gesproken is, of dat jeugdige een voorkeur heeft. Vier jeugdigen van 16+ volgen kamertraining, een vorm van jeugdhulp met verblijf die sterk gericht is op verzelfstandiging en uitstroom naar regulier wonen. 44
Tabel 6.4 Typologieën jeugdigen in verblijf 16+ Typologie
Omschrijving en woontoekomst
Aantal jeugdigen 16+ (meerdere kenmerken mogelijk)
1) Thuis in pleeggezin
Jeugdigen wonen ‘als thuis’ bij hun pleegouders. Hier blijven zij wonen tot zij natuurlijk uitstromen (studeren, werken, samenwonen). Twee van deze jeugdigen verblijven bij een familielid of naaste van het gezin (netwerkpleeggezin) . Verlengde pleegzorg wordt ingezet tot 21 jaar, als zij erbij gebaat zijn tot die tijd thuis te wonen.
19
4) Jeugdigen met langdurige problematiek
5) Jeugdigen in herstel
6.7.
De jeugdige heeft jeugd-eigen problematiek die zal voortduren 12 na de 18e of zelfs 21e verjaardag. Hierdoor past de jeugdhulp beter bij hen dan volwassenen zorg. Dit heeft te maken met de specifieke problematiek die zij hebben. Jeugdigen die in een pleeggezin wonen, blijven daar vaak langer wonen (verlengde pleegzorg). Afhankelijk van de aard van de problematiek is er een tussenstap van begeleid zelfstandig wonen, maar uiteindelijk werkt deze groep naar zelfstandig wonen. De ingeschatte woontoekomst van deze groep is: Thuis bij pleeggezin of familie Begeleid zelfstandig wonen (24- of niet 24 uurs) Woonruimte voor zelfstandig wonen De jeugdige woont in een verblijfsinstelling. Vaak begon dat tijdelijk, maar werd permanent. Qua problematiek kunnen zij uitstromen, maar de situatie thuis is te onveilig. Ze blijven daarom voorlopig in de verblijfsinstelling, totdat zij klaar zijn zelfstandiger te wonen. Bij deze groep spelen vaak onverwerkte trauma’s. Deze groep blijft vaak langer in behandeling in de jeugdhulp, voordat zij kunnen bewegen richting zelfstandiger wonen, met een eventuele tussenstap van begeleid zelfstandig wonen. De ingeschatte woontoekomst van deze groep is: Begeleid zelfstandig wonen (24- of niet 24 uurs) Woonruimte voor zelfstandig wonen
Jeugdigen werken toe naar zelfstandigheid, maar moeten eerst hun verslaving, eetstoornis of andere acute problematiek overwinnen. Zij krijgen hiervoor behandeling, die tot na de 18e verjaardag kan duren (mede door wachttijden).
14
De ingeschatte woontoekomst van deze groep is: Woonruimte voor zelfstandig wonen Begeleid zelfstandig wonen (24 of niet-24 uurs)
De ingeschatte woontoekomst van deze groep is: Woonruimte voor zelfstandig wonen Thuis bij (pleeg)gezin of familie
3) Jeugdigen uit onveilige gezinssituatie
18
De ingeschatte woontoekomst van deze groep is: Beschermd wonen (Wmo of Wlz) Begeleid zelfstandig wonen (24-uurs)
Voor hen ligt de toekomst meestal in zelfstandig wonen, hoewel ze vaak nog een aantal jaar bij het pleeggezin blijven wonen na de 18e verjaardag (verlengde pleegzorg). Zo hebben zij nog wat meer tijd om zich voor te bereiden op zelfstandigheid.
2) Verlengde jeugdproblematiek
Jeugdige woont in een verblijfsinstelling en zal waarschijnlijk nog lange tijd in een instellingscontext leven. De inschatting is dat een hoge mate van zelfstandigheid niet realistisch is. Voor hen wordt toegewerkt naar een Wlz of Wmo-indicatie voor beschermd wonen. Wlz-indicaties worden echter ook afgewezen binnen deze groep.
16
Conclusie
In dit deelonderzoek hebben wij onderzocht hoe het komt dat de uitstroom van jeugdigen met verblijf stagneert en wat er nodig is voor duurzame uitstroom van jeugdigen van 16 jaar en ouder. In tegenstelling tot het beeld dat bij de gemeente bestaat, zien we geen duidelijke stagnatie van uitstroom, zeker niet bij de groep 16+ in verblijf. De gemiddelde leeftijd bij uitstroom daalt juist in de periode januari 2020 tot juni 2022 van ruim 17 jaar tot bijna 15 jaar. Op peildatum 1 juli 2022 zijn er 71 jeugdigen met een beschikking verblijf (behalve Jeugdzorgplus en LTA), waarvan we 63 dossiers hebben bekeken. Iets minder dan de helft van deze 63 jeugdigen woont in een pleeggezin en krijgt pleegzorg. Voor duurzame uitstroom moet geanticipeerd worden op de toekomst en moet gefocust worden op wat de voorwaarden zijn om de volgende stap te maken richting zelfstandigheid en uitstroom uit jeugdhulp met verblijf. Toekomstplannen ontbreken echter in de dossiers en het toekomstperspectief en woontoekomst zijn onderbelicht. Dossiers zijn sterk gericht op problematiek en behandeling, en minder op de volgende stappen richting zelfstandigheid. Dit geldt zowel voor pleegzorg en gezinshuizen als voor residentieel verblijf. 45
De meest voorkomende knelpunten voor uitstroom zijn te vinden binnen het domein hulp/ondersteuning. In de dossiers is te lezen dat jeugdigen nog niet uitstromen vanuit jeugdhulp met verblijf, omdat de problematiek die zij hebben volgens betrokken professionals het best aangepakt kan worden binnen de huidige verblijfssetting. Volwassenenzorg zou nog niet voldoende aansluiten bij hun hulpbehoefte. Daarnaast komt voor dat Wlz-beschikkingen worden afgewezen bij jeugdigen die nog geen perspectief hebben op zelfstandig wonen, waardoor zij langer in jeugdhulp met verblijf wonen. De reden dat zij niet uitstromen naar Wmo-voorzieningen is niet helder.
afgewezen of dat zij nog in behandeling zijn binnen de verblijfsinstelling. Tot slot heeft de groep Jeugdigen in herstel – jeugdigen in een klinische verblijfssetting met acute problematiek – vaak zicht op zelfstandig wonen, maar afhankelijk van zwaarte van problematiek met een tussenstap van begeleid zelfstandig wonen.
Naast hulp en ondersteuning wordt in de dossiers gesproken over knelpunten rondom het netwerk van de jeugdige. De reden dat jeugdigen in een verblijfscontext wonen is vaak dat de thuissituatie niet passend of veilig is. Van de 63 bestudeerde dossiers van jeugdigen in verblijf 16+, woonden slechts twee jeugdigen in een pleeggezin binnen het netwerk. Een grondige analyse van het sociaal netwerk van het gezin is echter nauwelijks vindbaar in de dossiers, waardoor er mogelijk kansen onbenut blijven. Wat betreft de woontoekomst zien we dat bij het merendeel van de dossiers geen expliciete informatie te vinden is over de woontoekomst van de jeugdige. Jeugdigen in een pleeggezin werken meestal toe naar zelfstandig wonen, maar blijven ook vaak nog enige jaren binnen het pleeggezin wonen met verlengde pleegzorg. Voor jeugdigen die nog in behandeling zijn voor problematiek binnen de jeugdhulp, geldt hetzelfde, maar bij deze groep is er vaak een tussenstap van begeleid zelfstandig wonen in het vooruitzicht. Jeugdigen die uit een onveilige gezinssituatie komen en in een verblijfsinstelling wonen zullen vaker begeleid zelfstandig wonen nadat zij uitstromen uit jeugdhulp met verblijf, maar werken ook toe naar zelfstandig wonen op termijn.