Bijlage 3 - Bestemmingsplan Hoff van Hollantlaan 2-4, Rosmalen (toelichting en regels)
Tekst van het document
Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen De locatie bevat geen geschikte potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen. Wel kan het opgaand groen rond het plangebied potentieel dienen als foerageergebied en/of vliegroutes. Dit opgaand groen aan de oostzijde van het plangebied wordt behouden en binnen het plangebied worden verschillende groenelementen aangeplant. Licht gericht of uitstralend op opgaand groen dient te worden vermeden.
Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de
Hoofdstuk 4
50
Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Overige diersoorten en planten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen, beschermde vissen, beschermde ongewervelde soorten en beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten 4.8.3 Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Hierbij gelden uitsluitend de volgende aandachtspunten voor de uitvoering: Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid en/of opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Er is door Verhoeven milieutechniek B.V. een historisch vooronderzoek bodem en een verkennend bodemonderzoek (incl. onderzoek naar asbest in bodem) uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 8. Historisch vooronderzoek (NEN5725) Op basis van de resultaten van het historisch vooronderzoek wordt geconcludeerd dat op de locatie in het verleden diverse onderzoeken zijn uitgevoerd in de periode 1995-2014.
Aangezien enkel een beperkt onderzoek uit 1995 beschikbaar was ter inzage, waarbij geen noemenswaardige verontreinigingen waren aangetoond, kan geen uitspraak gedaan worden over actuele bodemkwaliteit ter plaatse.
Hoofdstuk 4
51
Voor zover als bekend hebben, naast de opslag voor chloor en zwavel voor de zwembaden van de voormalige sauna, geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Wel hebben er calamiteiten plaatsgevonden, zijnde diverse branden, en wordt perceel 4077 momenteel gebruikt voor de opslag van grond- en bouw-sloopmaterialen. Het kan derhalve niet worden uitgesloten dat hier de bodemkwaliteit is aangetast en dat mogelijk PFAShoudende blusschuim is toegepast in het verleden. Daarnaast zijn naar verwachting 3 tot 7 voormalige sloten binnen de locatie aanwezig geweest. Verder is bekend dat onder de elementenverhardingen puingranulaat is aangebracht. Gezien de periode van aanleg (vóór 1993), kan niet uitgesloten worden dat het puingranulaat vrij is van asbest. In het onderzoek wordt vastgesteld en geadviseerd dat, aangezien geen actuele bodemkwaliteitsgegevens bekend zijn, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden conform de NEN 5740, waarbij rekening dient te worden gehouden met de voormalige chlooropslag, diverse branden en sloop voormalige sauna, gedempte sloten, (voormalige) bebouwing en verhardingen. Tevens dient de eindsituatie vastgelegd te worden ter plaatse van de voormalige opslag voor chloor.
Daarnaast wordt geadviseerd ter een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren conform de NEN 5707 en/of NEN 5897, waarbij de (voormalige) bebouwing, diverse depots en aanwezige verhardingen met puinfundering aandachtspunten vormen. Middels een indicatief funderingsonderzoek kan verder de milieuhygiënische kwaliteit en indicatieve herbruikbaarheid van het puingranulaat worden vastgelegd. Verkennend bodemonderzoek (NEN5740) en onderzoek asbest in bodem (NEN5707) Voor de onderzoekslocatie is voor de algemene kwaliteit de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Wel vormden de voormalige watergangen en het voorkomen van PFAS in de (boven)grond een aandachtspunt. Algemene kwaliteit (inclusief eindsituatie chloride- en zwavelopslag) Op basis van de resultaten kan de gestelde verdachte hypothese worden verworpen, aangezien in zowel de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NEN-parameters zijn aangetoond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond voor barium aangetoond. De aangetoonde licht verhoogde gehalten in het grondwater betreffen maximaal overschrijdingen van de streefwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk.
Verder zijn er geen gehalten boven de detectielimiet aangetoond voor sulfaat en chloride, zowel ter plaatse van de chloride en zwavel opslag als in en het referentiemonster. Voor zwavel zijn vergelijkbare gehalten aangetoond bij zowel de chloride en zwavel opslag als in en het referentiemonster van respectievelijk 120 mg/kg d.s. en 100 mg/kg d.s. Onderzoek naar PFAS De grond voldoet voor wat betreft de PFAS-parameters aan de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) op basis van het handelingskader. De grond kan voor wat betreft de PFAS-parameters elders worden toegepast in de betreffende functieklasse, bij toepassing boven grondwaterniveau, op de landbodem en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Gebiedsspecifiek kunnen echter zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Verkennend onderzoek naar asbest in bodem Voor wat betreft asbest werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten de gestelde hypothese worden verworpen, aangezien zintuiglijk (> 20 mm) geen asbest is aangetroffen. Analytisch (< 20 mm) is in de grond geen asbest is aangetoond (behoudens in de volledige puinlaag ter plaatse van
Hoofdstuk 4
52
de parkeerplaats van het notariskantoor – welke geen onderdeel uitmaakt van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan, maar wel van het onderzoeksgebied in het kader van het bodemonderzoek – waar een gering gehalte van maximaal 5 mg/kg d.s. is aangetoond). Het aangetroffen gehalte voor asbest in de volledige puinlaag ligt ruim beneden de maximale samenstellingswaarde alsmede onder de norm voor nader onderzoek. 4.9.3 Conclusie Middels een bodemonderzoek van Verhoeven is de milieuhygiënische kwaliteit (inclusief asbest) van de bodem en puinverharding op de onderzoekslocatie (Hoff van Hollantlaan 2-5 te Rosmalen), in voldoende mate vastgelegd. Ook is een beeld gekregen van de eindsituatie ter plaatse van de voormalige chloride- en zwavelopslag. Zintuiglijk en analytisch zijn geen verontreinigen (NEN, asbest en PFAS) aangetroffen. Op basis van het indicatieve funderingsonderzoek kan gesteld worden dat er in een monster van de volledige puinlaag geen overschrijdingen van de maximale samenstellings-en/of emissiewaarden zijn aangetoond. De betreffende bodemvreemde laag voldoet daarom indicatief aan de kwaliteit van een niet-vormgegeven bouwstof. Daarnaast is met het asbestonderzoek aangetoond dat de bodemvreemde laag niet sterk verontreinigd is met asbest.
Als er door graafwerkzaamheden grond van de locatie moet worden afgevoerd, mag de grond slechts onder voorwaarden hergebruikt worden. De bodemkwaliteit mag niet verslechteren door grondverzet. In overleg met de ODBN kan worden beoordeeld of de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek voldoende zijn voor het hergebruik van de grond op een andere locatie. Dit is onder andere vastgelegd in de Nota Bodembeheer 2019-2024 van de Omgevingsdienst Brabant Noord. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen tegen de voorgenomen herontwikkeling. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Provinciaal is het Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) van de provincie Noord-Brabant op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. In aansluiting is een Omgevingsvisie vastgesteld waarbij in de Interim Omgevingsverordening (IOV) al veel wijzigingen doorgevoerd zijn. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omge-
Hoofdstuk 4
53
vingswet en daarmee ook de Omgevingsverordening, zijn een aantal urgente onderwerpen alvast verwerkt in de Interim omgevingsverordening. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelstellingen en hoe het waterschap dit wil gaan halen voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het waterbeheerplan. Waterveiligheid, Klimaatbestendig en gezond watersysteem en Schoon Water zijn de drie belangrijkste aspecten. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie- en stimuleringsmiddelen. De Keur omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet afhankelijk van de werkzaamheden of activiteiten een vergunning aanvragen. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft een ‘Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021’ vastgesteld. Deze is onderdeel van het Beleidsplan ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig 2021. Om de gevolgen van klimaatverandering voor ’s-Hertogenbosch te beperken is een verordening opgesteld voor bomen, het verwerken van hemelwater en grondwater en het aanleggen en beheren van groen (verplicht bij verhardingstoename). Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen in juridisch opzicht geborgd. Mogelijke manieren om dit te realiseren zijn groene daken, greppels, vijvers, alternatieve hemelwatervoorzieningen of het aanleggen van open water. 4.10.2 Onderzoek Er is door Aeres een waterparagraaf opgesteld voor het planvoornemen. Zie voor de gehele rapportage bijlage 9. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.
Hoofdstuk 4
54
Door de bestaande hoogteligging van het plangebied is ter plaatse geen grondwateroverlast te verwachten. De gemiddelde grondwaterstand is ingeschat op circa 2,8 m +NAP en de GHG op circa 3,2 m +NAP (ca. 1 m-mv). Voor nieuwbouw is een bouwpeil van 20 cm boven de kruin van de weg geadviseerd. Dit komt net als bestaand neer op een minimaal bouwpeil van 4,2 m +NAP. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water geen overlast veroorzaakt ter plaatse van bebouwing of belendende percelen. Hierdoor wordt ter plaatse instroom voorkomen en is geen grondwateroverlast te verwachten. De onderzoekslocatie ligt niet een (grond)waterbeschermingsgebied. Binnen de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Aangrenzend zuidelijk bevindt zich een primaire watergang met een 5 meter brede beschermingszone aan de plangebiedzijde. Bij het planvoornemen zijn geen wijzigingen in het oppervlaktewater gepland. Binnen de beschermingszone mogen er zonder watervergunning geen obstakels geplaatst of gebouwd worden. Er zijn in de planvormingsfase diverse overleggen gepleegd met de gemeente en het waterschap over welke functies hier passend zijn en hoeveel ruimte er minimaal aanwezig moet zijn zodat onderhoudswerken vlot uitgevoerd kunnen worden.
De beoogde functies: ‘parkeren’ en ‘groen’ belemmeren in beheerstechnische zin niet de functie van deze obstakelvrije beschermingszone voor beheer en onderhoud. Er is naar aanleiding van een zienswijze van het waterschap nader overleg over gevoerd met het waterschap. Het plan is, als uitkomst van dit overleg, licht aangepast. De wijziging betreft een verschuiving van het fietsparkeren van de achterkant naar de zijkant van de gebouwen, en een lichte verschuiving van de gebouwen zelf (ca. 0,6 m.) naar de straatzijde van de Hoff van Hollantlaan. Op die manier kan de bestaande onderhoudsstrook tot de haag worden vrijgehouden van parkeren. Daarnaast is afgesproken dat de haag wordt verwijderd en is overeengekomen dat er grasbetontegels (als onderdeel van de zuidelijke parkeerstrook) in het laatste deel (ca. 2 meter) van de beschermingszone van de A-watergang kunnen worden opgenomen, vanwege de lokale omstandigheden. Om dit te borgen zijn er specifieke regels opgenomen over de vormgeving en inrichting van de beschermingszone. Deze zien toe op onder meer het voorkomen van opgaande beplantingen c.q. bomen en zien toe op het uitvoeren van de (parkeer)voorzieningen in halfverharding (grasbetontegels). Ook is een dubbelbestemming Waterstaat – Waterlopen opgenomen ter hoogte van de beschermingszone van de Awatergang, waardoor o.a. bouwwerken op die gronden uitgesloten zijn.
De bestaande bebouwing is/was aangesloten op het gemeentelijk gemengd stelsel. Bij de planontwikkeling wordt op eigen perceel een gescheiden stelsel aangelegd. De verwachte toekomstige afvoer uit het plangebied bedraagt circa 29 m³/dag met een verwachte piekafvoer van 2,8-3 m3/uur dat aangesloten wordt op het gemeentelijk rioolstelsel. Door de verplichting tot lokaal verwerken van hemelwater neemt de piekafvoer ten opzichte van de voorgaande situatie af waardoor de afvalwaterhoeveelheid naar verwachting zonder aanpassingen door het bestaande stelsel verwerkt kan worden. Te zijner tijd dient voor de gewijzigde rioolaansluiting bij de gemeente een aanvraag ingediend te worden. De voorkeursvolgorde voor de verwerking van het hemelwater is respectievelijk: hergebruik, infiltratie, bovengronds bergen, ondergronds bergen, afvoeren. Of opvang en hergebruik toepasbaar is in de hoogbouw wordt overwogen bij de verdere planuitwerking. Rekening houdend met de toepassing van halfverharde paden en grasbetontegels (440 m² half verharding en 977 m²grasbetontegels, totaal 1.417 m²) ter plaatse van de parkeerplaatsen bedraagt het toekomstig verhard oppervlak ca. 4.212 m². Hiervoor dient binnen de ontwikkeling een hemelwatervoorziening van ca. 295,2 m³ aangelegd te worden, waarbij de half verharding en grasbetontegels
Hoofdstuk 4
55
voor 50% zijn meegeteld, omdat het plan in zijn totaliteit robuust is opgesteld. De formele toets op het ontwerp volgt tijdens de vergunningsfase. Naast lokale infiltratie door de toepassing van halfverharding wordt een groot deel van het terrein ingericht als vaste plantentuin. Aanvullend kan een groendak op de nieuwbouw worden. Vooralsnog zal dit ter plaatse niet toegepast worden. Door (delen) van de beplante vlakken te verlagen functioneert dit deel van het gebied ook als wadi die in geval van extreme neerslag kan vollopen. Hiermee wordt eveneens aangesloten op de klimaatadaptieve doelstellingen voor deze omgeving. De benodigde waterberging kan volledig in het toekomstig verlaagd groen (1.240 m² gereserveerd, zie ook tekening en berekening wadi’s in bijlage 2 bij de waterrapportage) verwerkt worden. Door dit gereserveerde groen 30-40 centimeter verlaagd aan te leggen, wordt de benodigde waterberging grotendeels ingepast. Door de diverse wadi’s met elkaar te verbinden (leidingen) wordt er een robuust waterstelsel ontwikkeld. De afvoer van de halfverharde paden en parkeerplaatsen (50%) dient ook verwerkt te worden. Het is niet wenselijk om dit middels maaiveldprofilering naar de wadi’s af te leiden (terug richting het pand).
Bijkomend aan voorgaande kan ter hoogte van het parkeerterrein middels infiltratiekratten de resterende berging gerealiseerd worden middels een infiltratieveld, zodat minimaal de totaal benodigde waterberging van 295,2 m³ ter plaatse ingepast wordt. De noodoverloop van de wadi’s kan oppervlakkig middels een verlaging/geul in het terrein of middels overstortkolken via het IT-riool met een overstortput nabij de A-watergang (stuwpeil afstemmen op maximale waterhoogte in wadi) gerealiseerd worden.
Figuur 4.7: weergave waterbergingsmaatregelen (bron: Hoedemakers, bewerking Aeres Milieu)
Naar verwachting kan hemelwater ter plaatse voldoende snel infiltreren. Bij de aanleg van een absolute infiltratievoorziening zonder overloopmogelijkheden wordt geadviseerd voorafgaand infiltratieme-
Hoofdstuk 4
56
tingen uit te voeren om de doorlatendheid van de bodem te bevestigen. Indien de lokale doorlatendheid ontoereikend blijkt, kan een vertraagde afvoer van 2 l/s/ha naar de nabijgelegen A-watergang plaatsvinden. Hiervoor is een melding bij het waterschap benodigd. Door de aanvullende verwerking op eigen terrein boven de GHG wordt het planvoornemen klimaatrobuust ingericht en is ter plaatse geen wateroverlast te verwachten. Bovengenoemde betreft een mogelijke wijze van hemelwater. Afhankelijk van de aansluitingsvoorwaarden, het type voorziening en de wens vanuit de initiatiefnemer kan er een andere invulling gegeven worden. De exacte dimensionering van de afval- en hemelwaterafvoerstelsels wordt door de initiatiefnemer in een later stadium (bij omgevingsvergunning) uitgewerkt en voorgelegd aan de gemeente ter toetsing. Hierbij is het belangrijk dat de hemelwatervoorzieningen voldoen aan de eisen die vanuit de "Hemelwaterverordening" aan deze voorzieningen wordt gesteld (60 mm/m² compensatie van nieuwe verharding). Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten, de aanleg van een gescheiden stelsel en lokale hemelwaterverwerking wordt klimaatrobuust herontwikkeld en is door het planvoornemen geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten. 4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht is geworden. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot aan deze inwerkingtreding een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is geen archeologische dubbelbestemming van toepassing. Tevens ligt het plangebied volgens de archeologische verwachtingskaart in ze geheel in een in een zone met een lage archeologische verwachting. In dat geval is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
57
Echter bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 zal dan zo spoedig mogelijk melding gemaakt worden van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Culturele erfgoed. 4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen cultuurhistorisch waardevol gebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de rijks- en gemeentelijke monumenten en beeldbepalende objecten.
Verder zal de ontwikkeling aansluiten op de stedenbouwkundige patroon van de omgeving door de gekozen positionering en hoogte van de nieuwbouw. 4.12.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.13 Duurzaamheid Nederland staat voor ingewikkelde opgaven, met betrekking tot bijvoorbeeld huisvesting. Tevens dient er rekening gehouden te worden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuiten steeds vaker de openbare ruimte.
Hoofdstuk 4
58
De gemeente ’s-Hertogenbosch is bezig met verduurzaming. De gemeente heeft gesteld dat private projecten moeten bijdragen aan de gemeentelijke ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn, met al in 2035 een klimaatneutrale bebouwde omgeving. Dit kan met een optimale isolatie, toepassing van duurzame energiebronnen en een lagere EPc dan wettelijk voorgeschreven. De beoogde ontwikkeling wordt gasloos en klimaatadaptief ontwikkeld. Thema Gezonde en groene klimaatbestendige stad Het plangebied is gelegen aan “de rand” van Rosmalen en kenmerkt zich door een relatief klein bebouwd oppervlak t.o.v. het totaal. Er is daardoor veel ruimte voor een groene en zachte landing van het project in haar omgeving. Met uitzondering van de noodzakelijke kap van een enkele bestaande boom (zie ook paragraaf 3.4.3) wordt het plan gerealiseerd met zoveel mogelijk behoud van de bestaande groenstructuren en bomen rijen. Bij de terreininrichting zullen de gekapte bomen worden gecompenseerd door aanplant van nieuwe bomen en groenzones. Onderzocht zal worden of aanvullend op het beoogde groen er tevens nog voorzieningen/nestkasten voor vogels, en insecten opgenomen dienen te worden. Mede door de aanwezige en nieuw aan te planten bomen zal er niet tot nauwelijks sprake zijn van hittestress.
Middels het geluidsonderzoek is aangetoond dat het plan voldoet aan de gestelde geluidseisen waarmee, ondanks het nabijgelegen spoorwegtraject, ook op dit aspect er sprake is van een gezond leefklimaat. Thema Energie Er wordt door de initiatiefnemer gestreefd naar energieneutraliteit. In het kader van verdere planuitwerking tijdens het Definitief Ontwerp, zal uitwijzen of dit ook echt haalbaar is. Voor de woningen wordt in beginsel uitgegaan van het toepassen van het benodigde aantal zonnepanelen in combinatie met een individuele lucht-water warmtepomp met koeling én een WTW ventilatiesysteem. Tevens omvat het gebouw een aantal passieve maatregelen zoals bijvoorbeeld de grote doorlopende overstekken. Toepassing van passieve maatregelen beperkt de energievraag. Hierdoor voldoen de woningen aan de TO juli vereisten en wordt voldaan aan de eisen van een Bijna Energie Neutraal Gebouw. Indien na uitwerking in het Definitief Ontwerp blijkt dat er meer ruimte is voor het toepassen van aanvullende maatregelen (triple glas, extra kierdichting, hogere Rc waardes, zonnepanelen ) dan wordt deze extra ruimte daarvoor gebruikt, mits het geen negatieve invloed heeft op de MPG-score. Het exacte aantal zonnepanelen is op dit moment nog niet vast te stellen. De ambitie is om de platte daken, daar waar mogelijk uit te voeren als een groen dak.
Op gebouw A is er per 3 appartementen ruimte voor maximaal 7 zonnepanelen. Dit komt neer op gemiddeld 2 zonnepanelen per appartement, hetgeen waarschijnlijk voldoende is om aan de BENG-berekening te kunnen voldoen. Op gebouw B is er ruimte voor maximaal 18 zonnepanelen per 3 appartementen. Per appartement worden minimaal 3 zonnepanelen aangebracht (totaal 9 stuks) en bij de kopers-opties krijgen de bewoners de gelegenheid om zelf maximaal 3 zonnepanelen per appartement bij te kopen. Thema Grondstoffen – circulair De ambitie is om het toepassen van grondstoffen zoveel mogelijk te beperken waarmee het beoogde ontwerp van het gebouw kan worden uitgevoerd. De keuze van materialen zal met toepassing van het materialen paspoort (Madaster) worden afgewogen ten opzichte van de MPG-score van het gebouw. De juiste balans wordt daarbij ook gezocht in aantal zonnepanelen per woning in relatie tot de initiële energiebehoefte. Het aantal zonnepanelen kan invloed hebben op de MPG-score.
Hoofdstuk 4
59
Thema Mobiliteit De locatie van het plangebied ligt op een steenworp afstand van het treinstation van Rosmalen. Van daar uit is per trein de rest van Nederland prima ontsloten. Voorts geldt dat op verglijkbare afstand de locatie is gelegen aan de fietsroute F59, gelegen tussen Oss en ’s-Hertogenbosch. Door te voorzien in voldoende stallingsruimte voor (elektrische) fietsen draagt het plan bij aan het stimuleren van de mobiliteit per fiets. De fietsparkeerplaatsen aan de entreezijde buiten de gebouwen worden geschikt gemaakt middels loze leidingen voor het toepassen van oplaadmogelijkheden. Afhankelijk van de vraag wordt gekeken naar het realiseren van oplaadpunten voor de fietsen. Gezien de loze leidingen is dit makkelijk te realiseren. In de mogelijkheid voor het aanleggen van laadpalen voor elektrische auto’s wordt voorzien middels een loze leiding nabij alle parkeerplaatsen die gelegen zijn aan de entreezijde van de appartementen (ca. 25 stuks). Bij de bouw van gebouw B worden twee laadpalen aangelegd.
4.14 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als bijlage 10. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.
De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 4
60
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische (bindende) kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentelijke standaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels (zoveel mogelijk) standaard is.
5.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. In dit geval is uitsluitend de enkelbestemming 'Centrum' opgenomen. Daarnaast zijn er twee dubbelbestemmingen (betreffende archeologie) en enkele maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding opgenomen, alsmede een bouwvlak. De juridische betekenis van deze aanduidingen is in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden. De bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht.
5.3 Toelichting op de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken. Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemmingen en aanduidingen opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindenomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden aan. Ook geven de regels onder bestemmingen bevoegdheden aan tot het stellen van nadere eisen en/of de plicht voor een werk, geen bouwwerk zijnde, een omgevingsvergunning aan te vragen. Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene aanduidings-, bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels; Overgangs- en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels voor elk bestemmingsplan te vinden, namelijk de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel. Inleidende regels De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn opgenomen in de regels.
Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de provinciale verordening. In artikel 2 is vastgelegd hoe bij toepassing van de regels er wordt gemeten.
Hoofdstuk 5
61
Bestemmingsregels De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving bouwregels nadere eisen afwijken van de bouwregels specifieke gebruiksregels afwijken van de gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Wonen De twee beoogde woongebouwen worden bestemd als ‘Wonen’. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor het wonen in de vorm van woningen (eventueel in combinatie met aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten), tuinen, erven, terreinen en (andere) bijbehorende voorzieningen als groen, water, parkeren, geluidwerende voorzieningen en bergingen. Binnen de bestemming mogen maximaal 95 gestapelde woningen worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - zorgwoningen’ is het gebruik van de woningen beperkt tot zorgwonen. Middels een afwijkingsbevoegdheid kan hiervan in de toekomst worden afgeweken ten gunste van reguliere woningen.
Gebouwen moeten binnen de twee opgenomen bouwvlakken worden gebouwd, uitgezonderd één trappenhuis in het binnenterrein van het oostelijke woongebouw. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. De bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend bijgebouwen en overkappingen, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Voor geluidwerende voorzieningen is hiertoe een specifieke aanduiding opgenomen bij de buitenruimte aan de zuidwestkant van het plangebied. Binnen de bestemming is een aantal voorwaardelijke verplichtingen c.q. nadere regels opgenomen, die onder meer zien op de realisatie van minimumpercentages sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen, het realiseren van trillinghinder reducerende maatregelen en het realiseren van landschappelijke inpassing. Groen Rondom de beoogde woongebouwen wordt een groot deel van het terrein groen ingericht. Deze gronden hebben dan ook grotendeels de bestemming ‘Groen’ gekregen en zijn bestemd voor groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, paden en speelvoorzieningen. Binnen de bestemming mogen kleinschalige gebouwen, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Ook aan de zuidkant van het plangebied is een strook bestemd als ‘Groen’. Binnen
Hoofdstuk 5
62
deze zone zijn nadere voorwaarden gesteld aan de inrichting in verband met de beschermingszone van de aangrenzende A-watergang. Verkeer – Verblijfsgebied De beoogde parkeerterreinen aan de noordwest en aan de zuidkant van het plangebied, evenals de toegangsweg tot dit parkeerterrein, worden bestemd als ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, straten, paden, verblijfsgebied, parkeervoorzieningen, verkeersvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen als groen, water en nutsvoorzieningen. Binnen de bestemming mogen kleinschalige gebouwen, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Aan de zuidzijde is een functieaanduiding opgenomen, waarbinnen uitsluitend halfverharding en onverharde voorzieningen toegestaan zijn in verband met de daar aanwezig beschermingszone van de A-watergang. Algemene regels In de algemene regels komen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk zijn tot slot de voor elk bestemmingsplan op te nemen overgangs- en slotregels opgenomen.
Hoofdstuk 5
63
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, omdat er nieuwe hoofdgebouwen (woningen) worden voorzien. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, lid 1 Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Op onderhavig bestemmingsplan zijn de genoemde bepalingen van toepassing op basis van het overgangsrecht van de Omgevingswet. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd.
De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure. Omdat onderhavig bestemmingsplan vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd als ontwerp, is hierop het hiervoor genoemde oude recht van toepassing. 6.2.1 Omgevingsdialoog Voor voorliggend initiatief is een omgevingsdialoog gevoerd. Met het oog op de plannen hebben op
Hoofdstuk 6
64
7 september 2022 en op 19 april 2023 informatieavonden plaatsgevonden. Omgevingsdialoog 1 Tijdens de informatieavond van 7 september 2022 werden de direct omwonenden geïnformeerd over de ontwikkeling van voor Hoff van Hollantlaan 2-4. In het algemeen kan op basis van de gevoerde omgevingsdialoog gesteld worden dat de omwonenden overwegend positief staan tegenover de ontwikkeling. Wel zijn er enkele verschillende opmerkingen gemaakt die kunnen worden gezien als aandachtspunten. Onderstaande worden de belangrijkste onderwerpen en vragen die te spraken kwamen tijdens de bijeenkomst weergegeven, met daarbij reactie en hoe deze aandachtpunten worden aangepakt en verwerkt in het planontwerp. Verkeer Over verkeer kwamen er vragen over mogelijkheid van een tweede inrit en de locatie van de inrit naar de voorgenomen woningbouw. De inrit zal op de plek van de huidige ontsluiting van de notarissen komen. Vanuit de gemeente is gebleken dat zij de aanleg van een tweede inrit geen goed oplossing vinden. Verder kwamen er vragen over de snelheid waarmee wordt gereden op de Hoff van Hollantlaan, en hoe lichthinder wordt voorkomen door naar binnen schijnende koplampen bij de nieuwe uitrit, die aanzienlijk meer gebruikt zal gaan worden. Deze punten zullen worden meegenomen bij de verdere uitwerking en planontwerp en worden afgestemd met de gemeente.
Parkeren Over het aspect parkeren waren de aanwezige bezorgd over waar de overige auto’s en bezoekers zullen parkeren . Zo kwamen er vragen over waar de bezoekers parkeren en de opmerking dat er bewoners zijn met 2 auto’s. Met het planvoornemen zal het aantal parkeerplaatsen worden voorgeschreven in de nieuwe parkeernota 2021 van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Er zullen inderdaad mensen wonen met 2 auto’s maar de cliënten van Buro3O zullen géén auto hebben. Dat heft elkaar op. Verder is bij de berekeningen van de parkeercapaciteit rekening gehouden met bezoekers-parkeren, dat op eigen terrein moet worden ingepast. Geluid Op het gebied geluid kwam de vraag wat het effect is van het plaatsen van de gebouwen dwars op het spoor. Het levert mooie doorkijkjes op, maar wordt het geluid juist niet versterkt. Hierop is gecommuniceerd dat dit bij de geluidsberekening verder is onderzocht, maar de verwachting is dat de plasticiteit van de woonblokken zullen bijdragen aan het dempen van het geluid. Verder werd de vraag gesteld of er geluidsmetingen kunnen plaatsvinden om te kijken wat het effect is van het plan op de geluidsbelasting van de woningen van Kattenbosch.
Deze vraag zal verder worden afgestemd met de geluidadviseur Landschap Over het landschap en de inrichting is gecommuniceerd dat de beukenhagen langs de Hoff van Hollantlaan behouden blijven en meegenomen worden in het landschapsplan, want die versterken het karakter van de Hoff van Hollantlaan. Er wordt ook regelmatig onderhoud aan gepleegd. Verder is beantwoordt dat er géén hek om het terrein heen. Naar aanleiding op aanmerkingen of er veel verlichting in het plan komt die lichtoverlast kan veroorzaken bij de in de omgeving gelegen woning zal samen met onze landschapsarchitect ook een lichtplan uitgewerkt voor deze ontwikkeling. Daar zijn geen hoge lichtmasten voor nodig zoals op de parkeerplaats van Perron 3.
Hoofdstuk 6
65
Omgevingsdialoog 2 Voor de beoogde ontwikkeling is er op woensdagavond 19 april 2023 een tweede omgevingsdialoog plaatsgevonden. Deze omgevingsdialoog bestond uit een informatieavond waarvoor bewoners uit de omgeving voor uitgenodigd waren voor de ontwikkelingen aan de Hoff van Hollantlaan 2-4. Tijdens de omgevingsdialoog waren er 20 bewoners uit Kattenbosch aanwezig. De omgevingsdialoog startte met een inleiding door een van de ontwikkelaars van Pickkers Consult BV. Daaropvolgend werd er een inleiding op het plan gegeven. Tijdens de omgevingsdialoog zijn er vragen gesteld door de omwonenden. De belangrijkste besproken vragen worden hieronder behandelt, deze zijn ingedeeld per thema. Voor het volledige verslag van de omgevingsdialoog wordt er verwezen naar bijlage 11. Verkeer De eerste vraag met betrekking tot verkeer ging over de entree van de auto’s en fietsen. De auto-entree ligt op de plek waar voorheen de entree van de sauna was aan de Hoff van Hollantlaan. Hierlangs kan de parkeerplaats aan de achterzijde bereikt worden. Fietsers kunnen dezelfde weg nemen, of kunnen via de parkeerplaats van Perron 3 het terrein betreden. Tevens werd er een vraag gesteld welke maatregelen genomen worden om de snelheid op de Hoff van Hollantlaan te verminderen.
De gemeente en de initiatiefnemers zijn in overleg over deze verkeer remmende maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van verkeersplateaus. Maar daarover zijn nog geen besluiten genomen. Architectuur Een bewoners is kritisch op het gebruik van veel lichte kleuren, met betrekking tot mogelijke vervuiling van de gevels op lange termijn. De architect licht toe dat er bij lichte tinten metselwerk gelet dient te worden op de detaillering van de gevels. Hiernaar zal aandacht gaan vanuit de ontwikkelaars. Ook wordt er gevraagd wat fijnstof betekent voor het onderhoud aan de gebouwen. Hiervoor zal ook aandacht zijn vanuit de ontwikkelaars. Landschap Over het landschap kwam het verzoek van een van de aanwezigen voor een samenwerking met de groencommissie van Kattenbosch. Op basis daarvan zijn contactgegevens uitgewisseld met beiden partijen. Tot slot kwam er een vraag of er nieuwe bomen op terrein geplaatst worden. De tekening van de landschapsarchitect laat zien waar de nieuwe bomen, struiken en heester gesitueerd zijn. In het definitieve initiatief zal dit verder uitgewerkt worden. Appartementencomplex Er wordt gevraagd naar de doelgroepen voor gebouw A, dit betreft Bureau 3O. Cliënten van Bureau 3O zijn jongeren met psychische of psychosociale kwetsbaarheid die nog niet of nog onvoldoende regie over hun eigen leven/dagtaken kunnen voeren.
Zij hebben in gebouw A een zelfstandige, eigen woonruimte, maar kunnen een beroep doen op begeleiding. Er zijn meerdere gezamenlijke ruimten voor ontmoeting met de andere bewoners. Tevens wordt er gevraagd naar de categorie waarin de appartementen van gebouw A verhuurd gaan worden. Hierover vindt nog afstemming plaats, in ieder geval onder de liberalisatiegrens. Welke woningbouwvereniging de eigenaar wordt van gebouw A is nog niet bekend. Er wordt gewaarschuwd voor illegale stortingen op het terrein tot aan de bouw, hiernaar zal aandacht gaan. Tot slot wordt er gevraagd of er een vergelijkbare entree komt als bij de Hoff van Hollantlaan 6-7. Dit is niet het geval.
Hoofdstuk 6
66
Installaties Er wordt gevraagd naar de locatie van de installaties van de gebouwen. Deze zullen geconcentreerd worden in het middel van de gebouwen, zo veel mogelijk uit het zicht. De zonnepanelen zullen zoveel mogelijk achter de dakrand geplaatst worden. Er wordt gevraagd naar geluidsoverlast met betrekking tot de installaties. Het verzoek om geluid producerende delen van de installaties naar het spoor te richten wordt meegenomen. Tot slot wordt er gevraagd waardoor er niet is gekozen voor geothermie, dit is niet haalbaar door de beperkte schaal van het project. 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Van de volgende instanties is een reactie gekomen: Waterschap Aa en Maas (e-mail van 26 juli 2023); Veiligheidsregio Brabant Noord (brief d.d.
23 juni 2023); Provincie Noord-Brabant (brief van 4 augustus 2023); Brabant Water (e-mail van 10 augustus 2023); Hieronder volgt een samenvatting van de vooroverlegreacties en aangegeven is op welke wijze met de reacties is omgegaan. De reacties zelf zijn als bijlage 12 bij de toelichting opgenomen. Daarnaast hebben Tennet, Gasunie, Rijkswaterstaat en Prorail hebben gereageerd en laten weten geen opmerkingen te hebben. Waterschap Aa en Maas Het waterschap geeft aan dat de beoogde parkeerplaatsen in de beschermingszone van de A-watergang zijn gelegen. Dit acht zij in beginsel niet mogelijk vanwege de functie, welke een obstakel vormt voor doelmatig onderhoud. Aan beide zijden van deze watergang geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter, gemeten vanaf de insteek ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud. Binnen deze beschermingszone is de Keur van toepassing. Het realiseren van obstakels binnen de beschermingszone mag alleen als hiervoor door het waterschap een (water)vergunning is verleend. Deze vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. Er zijn overleggen gevoerd over dit onderwerp en het inrichtingsplan is zodanig aangepast dat geen sprake meer is van een belemmering voor het beheer en onderhoud van de watergang.
Er is in dat opzicht zicht op een vergunning en in de watertoets is hier nader op ingegaan. Het waterschap heeft hier recent een ander standpunt over ingenomen en daarover vindt nader overleg plaats. Verder geeft het waterschap aan dat de beschrijving van het hydrologisch neutraal summier en onduidelijk is beschreven en dat de onderbouwing van de grondwaterstand ontbreekt. De watertoets is op deze onderdelen aangepast. Veiligheidsregio Brabant Noord In het kader van de planvorming heeft over het ontwerp meermaals overleg met de Veiligheidsregio plaatsgevonden. Bij schrijven van 21 maart 2021 heeft de veiligheidsregio uitgangspunten voor een
Hoofdstuk 6
67
veilig ontwerp meegegeven. Bij brief van 23 juni 2023 geeft de veiligheidsregio aan dat de adviezen zijn opgenomen/meegenomen. Tevens constateert de veiligheidsregio dat het aantal woningen is verminderd, wat positief is voor het aspect externe veiligheid. Provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant geeft aan dat het plan is overeenstemming is met de provinciale belangen. Brabant Water Brabant Water geeft aan dat de bebouwing op tenminste 3 meter tot de leiding TL 76 AC 600 mm moet komen te staan en dat deze strook ook vrij toegankelijk moet blijven. Bestrating is wel mogelijk. Een fietsenstalling in de vorm van een overkapping nabij de leiding is wel mogelijk zolang deze maar niet op de leiding wordt geplaatst. Struikgewas en groen nabij de leiding vormen geen probleem, maar bomen zijn niet toegestaan en diepwortelend struikgewas ook niet. Een grondwal of geluidsscherm binnen deze 3-meter zone is ook niet toegestaan. In het inrichtingsplan is met bovenstaande aandachtspunten en voorwaarden rekening gehouden. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 11 december 2023 gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd.
Tijdens deze termijn heeft eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar kunnen maken bij de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch. De terinzagelegging is bekendgemaakt in het Gemeenteblad d.d. 8 december 2023 en via de gemeentelijke website. De stukken lagen vanaf 11 december 2023 gedurende 6 weken in de publieksruimte van het Stadskantoor ter inzage. Daarnaast waren ze in te zien via de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl en een link op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode zijn er 10, waarvan 9 ontvankelijke, zienswijzen ingediend. Mede naar aanleiding van de zienswijzen is het plan op een aantal punten aangepast. Voor een volledig overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar de ‘Nota van zienswijzen bestemmingsplan ‘Hoff van Hollantlaan 2-4, Rosmalen’ dat als bijlage 16 bij deze toelichting is opgenomen. Daarnaast zijn enkele ambtshalve wijzigen doorgevoerd in verband met ondergeschikte wijzigingen in het inrichtings- en bouwplan. Het plan is vervolgens ter gewijzigde vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
Hoofdstuk 6
68
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Bezonningsstudie Bijlage 2: Bomeninventarisatie Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Onderzoek trillingen Bijlage 5: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 6: Quickscan flora en fauna Bijlage 7: Stikstofonderzoek Bijlage 8: Bodemonderzoeken Bijlage 9: Waterparagraaf Bijlage 10: M.e.r. aanmeldnotitie Bijlage 11: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 12: Vooroverlegreacties Bijlage 13: Landschapsplan Bijlage 14: Toelichting berekeningswijze kwalitatieve groenscore Bijlage 15: Strategie bestaande bomen Bijlage 16: Nota van Zienswijzen
Hoofdstuk 6
69
Hoff van Hollantlaan 2-4, Rosmalen
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 9
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
10
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Groen Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Leiding - Water Waterstaat - Waterlopen
10 11 12 17 18
Hoofdstuk 3
Algemene regels
20
Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels
20 21 22 23
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
24
Artikel 12 Artikel 13
Overgangsrecht Slotregel
24 25
2
Bestemmingsplan "Hoff van Hollantlaan 2-4, Rosmalen" (vastgesteld)
REGELS
Hoofdstuk 6
71
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan Hoff van Hollantlaan 2-4, Rosmalen met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002546-1401 van de gemeente 's-Hertogenbosch; 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.4
aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.8
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.9
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
4
Bestemmingsplan "Hoff van Hollantlaan 2-4, Rosmalen" (vastgesteld)
1.10
betaalbare koopwoning
een sociale koopwoning als bedoeld in artikel 1, lid b van de 'Doelgroepenverordening betaalbare woningbouw 's-Hertogenbosch 2023', 1.11
bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 1.12
bouwen
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; 1.13
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.14
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.15
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel; 1.16
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.17
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.18
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.19
detailhandel
bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
Bestemmingsplan "Hoff van Hollantlaan 2-4, Rosmalen" (vastgesteld)
5
1.20
dove gevel
een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.21
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.22
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.23
geluidgevoelige ruimte
een geluidgevoelige ruimte als bedoeld in de Wet geluidhinder; 1.24
gestapelde woning
een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen; 1.25
hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.26
huishouden
een persoon, of groep personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit 2 of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'; 1.27
huurwoning
huurwoning als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder d van het Besluit ruimtelijke ordening; 1.28
kamerverhuur / verkameren
het al dan niet bedrijfsmatig verhuren of aanbieden van kamers binnen een woning, niet zijnde inwoning, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken van wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- en/of wasgelegenheid en/of toilet;
6
Bestemmingsplan "Hoff van Hollantlaan 2-4, Rosmalen" (vastgesteld)
1.29
kantoor
het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen; 1.30