Bijlage 2: vast te stellen bestemmingsplan ‘Noord, Klokkenlaan 2’ NL.IMRO.0796.0002433-1401
Tekst van het document
Het gaat om 11 van de 26 appartementen. De gevelbelasting bedraagt maximaal 56 dB. Daarmee wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Bij de gemeente ’s-Hertogenbosch kan een verzoek voor vaststelling van een hogere toelaatbare waarde worden ingediend. Als ontheffingscriterium kan worden aangedragen dat het woongebouw komt ter vervanging van bestaande bebouwing. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee kan een geluidreductie van maximaal 5 dB worden bereikt. De gevelbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. Het treffen van maatregelen in het overdrachtsgebied stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. In de bebouwde kom is het niet wenselijk om langs een weg een geluidscherm te plaatsen. Volgens het geluidbeleid moet elk appartement beschikken over een geluidluwe gevel en moet de gevelbelasting ter plaatse van de buitenruimte voldoen aan de ambitiewaarde van 53 dB. Om aan het geluidbeleid te kunnen voldoen en om, in het kader van de goede ruimtelijke ordening, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verkrijgen, worden er geluidmaatregelen getroffen.
Deze zijn onder andere het sluiten van de zijkant van balkons (parallel aan de Klokkenlaan), realiseren van gesloten balkons (wintertuinen) op de balkons gelegen aan de Klokkenlaan, en het realiseren van een (glazen) afscherming op het terras (begane grond) bij de hoekwoning blok D Kopgebouw parallel aan de Klokkenlaan en aansluitend, onder het balkon, doorgezet evenwijdig aan de Hambakendreef. Aangezien een hogere waarde wordt vastgesteld, dient er, ondanks het treffen van de geluidmaatregelen, rekening te worden gehouden dat er zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. In een separaat onderzoek zijn de geluidwerende maatregelen bepaald waarmee aan de gestelde eisen van afdeling 3.1 van het bouwbesluit wordt voldaan. K+ Adviesgroep (rapportnr. M19 492.402, d.d. 11 mei 2020) heeft een dergelijk onderzoek uitgevoerd, het onderzoek is als Bijlage 4 bij onderhavige toelichting toegevoegd. 31
Ligging waarneempunten (bron: K+ Adviesgroep) Ten aanzien van de niet gezoneerde weg Hambakendreef geldt dat dit een 30 km/h weg betreft. In het kader van de Wet geluidhinder worden geen restricties opgelegd aan het bouwplan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet wel een afweging worden gedaan. Bij deze afweging is gekeken naar de grenswaarden van de Wet geluidhinder. In waarneempunt 32, 33 en 34 zijn optredende geluidbelastingen bepaald hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale gevelbelasting bedraagt 50 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Conclusie Ten gevolge van wegverkeer op de Klokkenlaan wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB plaatselijk overschreden bij 33 van de 95 appartementen. Daar waar de gevelbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, doch lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB, wordt verzoek gedaan voor het vaststellen van een hogere grenswaarde en dient invulling gegeven te worden aan de eisen als gesteld in het geluidbeleid. Bij ieder appartement wordt door het afsluiten van de zijgevel van het balkon en/of door het realiseren van een wintertuin de gevelbelasting teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager.
Tevens moet op de begane grond bij de hoekwoning Blok D Kopgebouw een geluidscherm worden gerealiseerd parallel aan de Klokkenlaan en dit scherm dient, onder het balkon, doorgezet te worden evenwijdig aan de Hambrakendreef. De voorwaarde voor het verlenen van een hogere toelaatbare waarde is dat de betreffende appartementen dienen te beschikken over een geluidsluwe zijde. Daaronder wordt verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hier wordt met toepassing van diverse maatregelen als beschreven in Bijlage 3 en Bijlage 4 aan voldaan.
32
5.3.2 Railverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de zone van het spoortraject 's-Hertogenbosch-Utrecht. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1) en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten aanzien van railverkeerslawaai de gevelbelasting zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In het kader van de Wet geluidhinder worden ten aanzien van railverkeerslawaai geen restricties aan het voorliggende bouwplan opgelegd. 5.3.3 Industrielawaai Geluidszonering Het plangebied ligt niet in een zone voor industrielawaai zoals bedoeld in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder. Toetsing aan dit wettelijk kader is dan ook niet aan de orde.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1 Beleid Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
33
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art.
3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit) Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw in de vorm van vier appartementengebouwen op de voormalige locatie van een basisschool en kinderdagopvang. Drie appartementengebouwen voorzien gezamenlijk in 63 sociale huurwoningen. Eén appartementengebouw voorziet in 32 wooneenheden voor begeleid wonen (woonzorg). De bewoners van het woonzorgcomplex worden als verminderd zelfredzaam beschouwd. De appartementengebouwen worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten.
De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Beperkt kwetsbare objecten zijn hierin toegestaan. 5.4.2 Beschouwing risicobronnen De onderstaande risicobronnen zijn aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling:
34
Uitsnede risicokaart december 2018 met relevante risicobronnen t.o.v. het plangebied (rood omlijnd) Inrichtingen Op 750 meter ten zuidoosten van het plan bevindt zich een tankstation met LPG (Hambakenweg 3). Het plangebied ligt ver buiten de risicocontouren en invloedsgebieden van dit LPG-tankstation. Het LPG tankstation levert derhalve geen belemmering op en het groepsrisico hoeft ook niet verantwoord te worden. Dit LPG-tankstation wordt derhalve verder buiten beschouwing gelaten. Eventuele belangen van het LPG-tankstation zullen vanwege deze ontwikkelingen – gezien de grote afstand en ligging buiten het invloedsgebied - tevens niet worden geschaad. Transportroutes De dichtst bijzijnde transportroute (met transport van gevaarlijke stoffen) betreft de A59 op circa 600 meter ten zuiden en oosten van het plangebied. Deze weg is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van basisnetroutes A2 en de spoorlijn Eindhoven-'s-Hertogenbosch. De risicobron is op ongeveer 2000 meter van het plangebied gelegen. Voor deze risicobronnen geldt dat ze geen PR 10-6 contour en plasbrandaandachtsgebied hebben.
Deze bronnen leggen dan ook geen harde beperkingen op aan de voorgenomen ontwikkeling Omdat het plangebied op meer dan 200 m van de hiervoor genoemde transportroutes is gelegen kan in deze situatie worden volstaan met het beschouwen van de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid:
Toxisch scenario Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de A2, de A59 en de spoorlijn Eindhoven-'s-Hertogenbosch. Ten gevolge van een incident op de weg of het spoor kan een toxisch 35
scenario optreden. Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen of -wagon lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving kan waaien. Bij een bepaald percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw de voorkeurshandeling. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. De zelfredzaamheid kan bevorderd worden door een goed alarmeringssysteem.
Bestrijdbaarheid Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.
Veiligheidsregio In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken. 5.4.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A2, de A59 en de spoorlijn Eindhoven-'s-Hertogenbosch Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Uit het vorenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: Het bestemmingsplan voldoet aan de belangrijke grenswaarde voor het PR en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in het Uitvoeringskader externe veiligheid van de gemeente 's-Hertogenbosch. Uit het voorgaande blijkt dat het (lage) GR van de nabije A2 als gevolg van dit plan niet zal wijzigen en derhalve geen belemmering hoeft te zijn voor het plan.
Aanvullende veiligheidseisen zijn conform de afspraken met de Veiligheidsregio niet nodig en niet gesteld gezien de grote afstanden tot de (op ruime afstand gelegen) risicobronnen (Rijksweg A2 en het LPG-tankstation). Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen harde belemmeringen voor onderhavig plan.
5.5
Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
36
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. De grens waarbij een plan als gevolg van extra verkeer niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ligt op meer dan 1500 vervoersbewegingen (van auto's) per etmaal. In paragraaf 3.3 is reeds toegelicht dat de verkeersgeneratie ten gevolge van 32 woonzorgeenheden en 63 sociale huurwoning wordt ingeschat op 424 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie blijft hiermee beneden de 1.500 vervoersbewegingen en draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan niet wettelijk te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen.
Uitsnede NIBM-tool Verder blijkt uit de landelijke Monitoringstool dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied voor beide stoffen onder de 35 µg/m3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3 voor beide stoffen). Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Gelet op de achtergrondconcentraties luchtkwaliteit ter plaatse, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat m.b.t. luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.
5.6
Bodem
Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. 37
Bodemsituatie In 2019 heeft ter plaatse van de locatie een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd door Anteagroup (projectnr. 0419076.114, d.d. 9 april 2019). Het onderzoeksrapport is als Bijlage 5 bij onderhavige toelichting toegevoegd. In onderstaande zijn de bevindingen en conclusies uit het rapport overgenomen. In het opgeboorde materiaal zijn lokaal de bodemvreemde bijmengingen baksteen en plastic waargenomen.
Toetsing Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat in de bovengrond, ter plaatse van boring 20 met sporen baksteen, licht verhoogde gehalten aan cadmium, zink en PCB's zijn aangetoond. In de overige bovengrond en de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten van de onderzochte parameters aangetroffen. Toetsing Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat de bovengrond met bodemvreemde bijmengingen lokaal indicatief voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Industrie. Het overgrote deel van de bovengrond en de ondergrond voldoen indicatief aan de kwaliteitsklasse 'Achtergrondwaarde (AW)'. Op basis van de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat lokaal in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan naftaleen is gemeten. De vooraf opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' dient formeel gezien verworpen te worden, vanwege de verhoogde gehalten in grond en grondwater. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen naar mening van het onderzoeksbureau geen milieuhygiënische belemmering voor de geplande herontwikkeling van woningbouw op het terrein.
Conclusie Tijdens het veldwerk is plaatselijk een lichte bijmenging met baksteen- en plasticresten geconstateerd in de bovengrond. Daarentegen is op het maaiveld en in het uitgegraven en opgeboorde bodemmateriaal visueel geen asbestverdachte materiaal aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk (op de locatie met bijmenging) licht verontreinigd met zink, cadmium en PCB. Verder zijn in de grond geen verhoogde gehalten van de onderzochte parameters waargenomen en is in het grondwater slechts sprake van een zeer lichte verhoging aan naftaleen. Uit de totale beoordeling blijkt dat de licht verhoogde gehalten zijn te relateren aan de plaatselijk geconstateerde bijmengingen in de grond. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om maatregelen te nemen en vormen daarnaast geen belemmering m.b.t. de voorgenomen ontwikkeling. Evenwel zal na sloop van de aanwezige opstallen ter plaatse een actualiserend onderzoek moeten plaatsvinden. Het bodemonderzoek kan zich beperken tot de bovenste halve meter van de locatie waar de sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.
5.7
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla. 38
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Ten noorden van het plangebied, op ca. 125 meter afstand, is een hoogspanningsleiding gelegen. Op basis van de Netkaart wordt geconcludeerd dat de hoogspanningsleiding een 150 kV-lijn betreft (zie onderstaande afbeelding).
Uitsnede Netkaart met plangebied bij oranje contour Voor de hoogspanningsleiding geldt een beschermingszone van 25 meter aan weerszijden van de leiding. Het plangebied is niet binnen deze beschermingszone gelegen. De zogenoemde indicatieve zone voor de 150 kV-lijn bedraagt 60 meter aan weerszijden van de leiding. Het beleidsadvies van VROM luidt dat bij ruimtelijke plannen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen, binnen de indicatieve zone, zoveel als redelijkerwijs mogelijk moet worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is, dan wel in de toekomst hoger kan worden dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Onderhavig plangebied ligt op een afstand van ca. 125 meter en is daarmee buiten de indicatieve zone gelegen. De ligging van het plangebied nabij de hoogspanningsleiding vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.8
Water
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.
39
De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan (2017). Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater 2017. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Uitgangspunten voor integraal waterbeheer De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:
Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. infiltratie/bergen 3. afvoer; Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Daarnaast kan water als kans worden gezien voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Waterparagraaf De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd.
In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Onderzoek waterberging Uitgangspunt van het hemelwaterbeleid is een bergingseis van 60 mm water (60 liter) per m2 afvoerend verhard oppervlak dat binnen het perceel geborgen of geïnfiltreerd moet worden. In onderhavige situatie zijn vier typen verhard oppervlak aan de orde: 1. Daken Totaal oppervlakte daken (afgerond): 2.117 m² x 60 mm = 127 m³ te bergen. 2. Gesloten elementverharding Totaal oppervlakte gesloten verharding (afgerond): 2.045 m² x 60 mm = 123 m³ te bergen. 3. Gesloten asfaltverharding Totaal oppervlakte gesloten verharding (afgerond): 515 m² x 60 mm = 31 m³ te bergen. 4. Half open verharding Totaal oppervlakte half open verharding (afgerond): 1.135 m² (50%) x 60 mm = 34 m³ te bergen. De totale bergingseis bedraagt daarmee 315 m3. Door Rienks Architects en MTD Landschapsarchitecten zijn diverse oplossingsrichtingen onderzocht om het hemelwater zo snel mogelijk bij de bron op te vangen middels een sedumdak (d.d. 28 april 2020, zie Bijlage 6 voor details). Door toepassing van een sedumdak op de vier appartementsgebouwen kan naar schatting 114,9 m3 water binnen het plangebied opgevangen worden.
De daken van de appartementen zullen naar waarschijnlijkheid ook benut gaan worden om PV panelen te plaatsen. Bij de combinatie van PV panelen en een sedumdak kan de dakbedekking worden uitgevoerd als een geballast systeem, waarbij geen bevestiging aan dakconstructie nodig is. Het 40
sedumpakket loopt ononderbroken door onder de PV panelen. Er dienen wel hogere standaards onder de PV panelen te worden toegepast zodat de begroeiing geen schaduw werpt op zonnepanelen.
Om in de resterende bergingseis, zijnde (315-114,9=) ca. 200 m3, te voorzien worden in totaal drie wadi's tussen de appartementsgebouwen in gerealiseerd. Uitgangspunt is laagte creëren met een maximale diepte van circa 500mm in een zo natuurlijk mogelijk beeld. De laagte krijgt een natuurlijke, organische vorm met een asymmetrisch profiel. In elke wadi wordt op het laagste punt een putdeksel aangebracht (open rooster deksel). Op deze putten wordt de regenwaterleiding van de flats aangesloten. De putten in de wadi’s staan in verbinding met het IT riool onder de parkeerplaatsen. De wadi’s komen pas vol water te staan op het moment dat het IT riool volledig gevuld is.
Inrichting waterberging (zie Bijlage 6 voor vergrote weergave) Afvalwater Op onderhavige locatie is overigens sprake van een gemengd rioolstelsel. De stromen vuilwater en hemelwater dienen in de nieuwe situatie gescheiden te worden aangeboden tot aan de perceelgrens. Deze gescheiden stromen kunnen later, na aanleg van een gescheiden rioolstelsel, hierop worden aangesloten. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden van het afvalwater wordt aangeboden aan de gemeentelijke riolering ter hoogte van de perceelgrens. Door het aanbrengen van een gescheiden stelsel zullen de woningen al zijn voorbereid op de toekomst. Grondwater en oppervlaktewater Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand ligt rond 2,0m +NAP. Het planvoornemen voorziet niet in een wijziging van de grondwaterstand. Tevens is het planvoornemen niet gelegen nabij oppervlaktewater. Ten aanzien van grond- en oppervlaktewater zijn er door het planvoornemen dan ook geen veranderingen te verwachten. De planlocatie is eveneens niet gelegen binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen.
41
Conclusie In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater, grondwater en afvalwater.
5.9
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Op dit moment wordt binnen de gemeente intensief gewerkt aan het verduurzamen van de gemeente ’s-Hertogenbosch, waarbij beoogd wordt een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente te zijn. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat het een gemeente blijft die door zijn inwoners als prettig en gezond wordt ervaren. Om dit te bereiken heeft de gemeente het visiedocument “Samenwerken aan een duurzaam ’s-Hertogenbosch” opgesteld. Het doel is te komen tot een gezond woon- en leefomgeving waarin schone energie centraal staat, je jezelf duurzaam verplaatst en waar verspilling van grondstoffen wordt tegengegaan. In het visiedocument Duurzaam 's-Hertogenbosch zijn de ambities verwoord in 4 pijlers. Ambitie 1: Een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente Inwoners van ’s-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte.
Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit. Ambitie 2: CO2 – neutrale gemeente ’s-Hertogenbosch gebruikt in 2050 alleen nog maar duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van ‘s-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto’s. Ambitie 3: Waardebehoud van grondstoffen In 2050 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn. Ambitie 4: Duurzame mobiliteit ’s-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden. Visie Om invulling te geven aan de ambities om tot een duurzame, klimaatadaptieve gemeente 's-Hertogenbosch te komen is ten behoeve van het planvoornemen door Zayaz een duurzaamheidsvisie opgesteld (Duurzaamheidvisie voor de ontwikkeling locatie Klokkenlaan, d.d. 22 september 2020). Deze duurzaamheidsvisie is bijgevoegd als Bijlage 7 bij deze toelichting.
Ten aanzien van het project is per pijler beschreven hoe aan de ambities invulling wordt gegeven. Om een inzicht te geven wat er op het gebied van duurzaamheid in voorliggend project wordt beoogd worden hieronder een aantal van de maatregelen en voorzieningen die getroffen worden en bijdragen aan het aspect duurzaamheid kort benoemd: 42
Stedenbouwkundige maatregelen, die ervoor zorgen dat de dagelijkse hoeveelheid gratis energie door de zon optimaal benut wordt; Bouwkundige maatregelen, zoals goed isoleren, hoge luchtdichtheid en opslag van energie in de gebouwmassa; Gebruik van energie uit reststromen zoals warmteterugwinning en gebruik van restwarmte; Gebruik van duurzame maatregelen, zoals zonne-energie en energie uit de bodem; Efficient gebruik van fossiele brandstoffen, zoals toepassing van hoog rendementinstallaties- en apparatuur, energie-efficientie verlichting, lage warmteproductie en juiste ventilatie.
Deze duurzaamheidsvisie gaat in op de duurzame ambities van gemeente 's-Hertogenbosch en omschrijft de mate waarin de vier appartementengebouwen een duurzame bijdrage aan de stad zullen leveren. Het streven hierbij is het ontwikkelen van nul-op-de-meter woningen. De strategie die Zayaz hiervoor gebruikt, is gebaseerd op de Trias Energetica. De Trias Energetica is een drie-stappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken. Door toevoeging van een vierde stap is bouwen naar nul-op-de-meter bouwen mogelijk. De vier stappen van het energieconcept zijn: 1. 2. 3. 4.
Beperk de energiebehoefte Gebruik energie uit reststromen Maximaal gebruik maken van duurzame bronnen Efficiënt gebruik maken van fossiele brandstoffen
Verder zijn de omschreven maatregelen en installaties afgestemd op het behalen van het BENG niveau die vanaf 1 januari 2021 verplicht is voor nieuwbouw ontwikkelingen. Tot slot is ingegaan op de aspecten klimaatadaptatie en biodiversiteit.
5.10
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet. Er is derhalve geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Op het plangebied ligt momenteel de bestemming maatschappelijk met een maximale bouwhoogte van 10 meter en er is in de huidige situatie sprake van een bebouwde omgeving (basisschool).
Ondanks dat er in de nieuwe situatie sprake zal zijn van hogere bebouwing en qua gebruik er sprake is van een groter oppervlak, is, mede gelet op de bedoeling van de wetgever met het Besluit m.e.r. en op basis van jurisprudentie hieromtrent, er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en dus is er geen vormvrije mer-beoordeling noodzakelijk. ad b. Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op ca. 3,3 km van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Gelet op de kenmerken van dit project, de plaats van dit project en de kenmerken van de potentiele effecten van dit project, zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde. Dit blijkt tevens uit de milieuparagrafen van dit bestemmingsplan en de uitgevoerde milieuonderzoeken.
43
5.11
Ecologie
5.11.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; 44
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.11.2 Quickscan flora en fauna en vleermuisonderzoek Regelink Ecologie en Landschap heeft middels een quickscan en vleermuisonderzoek een eerste inschatting van het effect van onderhavig planvoornemen op beschermde gebieden gemaakt en onderzocht welke beschermde flora en fauna mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de effecten van de ingreep hierop zijn. Het rapport (RA19151-02, d.d. 15 december 2019) is als Bijlage 8 bij onderhavige toelichting toegevoegd. De bevindingen en conclusies van de quickscan zijn tevens in onderstaande overgenomen. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het Natura 2000-gebied dat het dichtste bij het plangebied ligt is Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek. Dit gebied ligt op een afstand van 3,3 km van het plangebied (zie onderstaand figuur).
Door menselijke invloeden in het tussenliggende gebied als gevolg van de aanwezigheid van stedelijk gebied en grote wegen zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De ingreep draagt niet bij aan verdroging, maar mogelijk wel aan stikstofdepositie. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 2.4, lid 1. Voor de ingreep moet daarom een Aerius-berekening worden uitgevoerd.
Ligging plangebied (rode stip) t.o.v. Natura 2000-gebieden Nipa Milieutechniek b.v. heeft een inschatting gemaakt van de stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen in de realisatiefase en de gebruiksfase (rapportnr. 18079-5, d.d. 23 september 2020, zie Bijlage 9). De stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden is berekend met de Aeriuscalculator (zie Bijlage 10). De uitkomst is dat er zowel in de realisatie- als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar optreden. Er is daarom geen noodzaak om een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet aan te vragen. 45
NNB Het plangebied is niet gelegen in het NNB. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 700 m van het NNB (zie onderstaand figuur). Gelet op de afstand, ongeveer 700 m, en de inrichting van het tussenliggende gebied met gebouwen en de A59, is een negatieve invloed van de ingreep op het NNB uit te sluiten. Hierdoor is het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur niet van toepassing.
Ligging plangebied (rode contour) t.o.v. NNB Conclusie gebiedsbescherming De ingreep heeft geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De ingreep leidt mogelijk wel tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Om na te gaan of dit het geval is, is voor de ingreep een Aerius berekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het bouwplan (realisatiefase en gebruiksfase) niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De ingreep vindt niet plaats binnen het NNB en heeft hier ook geen negatieve invloed op. Hierdoor is het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur niet van toepassing. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Soortenbescherming Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen aanwezig of te verwachten. Indien het verwijderen van beplanting uitgevoerd wordt tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot het vernielen of verlaten van nesten met eieren of jongen of komt de functionaliteit van de nesten in gevaar. Dit zijn overtredingen van artikel 3.1, lid 1 en 2, van de Wet natuurbescherming.
Dit is te voorkomen door deze werkzaamheden uit te voeren buiten de periode dat broedende vogels aanwezig zijn.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Uit de resultaten blijkt dat binnen het plangebied, in het te slopen gebouw, drie zomerverblijfplaatsen en drie of vier paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Uit voorzorg moet er vanuit gegaan worden dat er vier zomer- en paarverblijfplaatsen in het gebouw aanwezig zijn. In de Klokkenlaan is een laan met bomen aanwezig, welke gebruikt wordt als vliegroute door vleermuizen. Deze laan blijft bij de ingreep ongemoeid. Aantasting van de waargenomen vliegroute tijdens of als gevolg van de ingreep is niet te 46
verwachten. Andere essentiële functies voor vleermuizen zijn niet aanwezig in het plangebied. Door de sloop verdwijnen de waargenomen zomer- en paarverblijfsplaatsen en kunnen vleermuizen worden verstoord of gedood. Dit zijn overtredingen van artikel 3.5, lid 1, 2 en 4. Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van soorten uit de groep Zoogdieren redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De ingreep leidt voor deze soorten dan ook niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van onder dit beschermingsregime vallende beschermde soorten uit de overige soortgroepen planten, reptielen, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Daarmee is ook een negatief effect op deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. De ingreep leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten Beschermingsregime andere soorten Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van onder dit beschermingsregime vallende beschermde soorten uit de soortgroepen planten, zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden redelijkerwijs kan worden uitgesloten of dat zij voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.
De ingreep leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten. Bescherming van houtopstanden Omdat de ingreep plaatsvindt binnen de bebouwde kom houtopstanden is de artikel 4.2. van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Conclusie soortenbescherming Aangenomen mag worden dat in het plangebied geen vogelsoorten broeden waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Aangenomen moet worden dat in het gebouw vier zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Bij de sloop van het gebouw kunnen gewone dwergvleermuizen worden gedood of verstoord en worden vaste verblijfplaatsen van deze soort weggenomen. De ingreep kan daarom leiden tot overtredingen van de Wet natuurbescherming artikel 3.5, lid 1, 2 en 4. Met de volgende maatregelen, ontleend aan het Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis, zijn deze overtredingen te voorkomen:
ruim van te voren dienen in de omgeving van het plangebied vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Dit betreft een uitwendig toe te passen kast en geldt als tijdelijke maatregel. De kasten moeten tegen gevels van gebouwen opgehangen worden, op tenminste drie meter hoogte. Tussen de muur en de kast moet tochtstrip aangebracht worden. Indien gewenst kunnen de kasten geschilderd worden in een kleur die overeenkomt met de muur waartegen ze worden bevestigd. Per weg te nemen verblijfplaats dienen er vier van deze kasten opgehangen te worden. Er kunnen ook direct permanente voorzieningen worden gerealiseerd door het toepassen van inbouwkasten. Ook deze kasten moeten op tenminste drie meter hoogte worden aangebracht. De kasten moeten tenminste een even grote spreiding hebben als de verblijfplaatsen bij de te slopen school. Ze moeten tenminste zes maanden, vallende in de periode eind maart eind oktober, voor de ingreep worden aangebracht. Voorafgaande aan de sloop van het schoolgebouw moeten er vleermuis werende maatregelen getroffen worden. Daarmee is te voorkomen dat bij de sloop vleermuizen worden gedood. Deze maatregel moet worden uitgevoerd in overleg met een vleermuisdeskundige.
Indien uitwendige kasten zijn toegepast dienen bij de nieuwbouw binnen het plangebied voorzieningen te worden getroffen die als permanente verblijfplaats door gewone dwergvleermuizen gebruikt kunnen worden, zoals een toegankelijke spouw. De hiervoor genoemde maatregelen moeten verder worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol (zie Bijlage 13). Degenen die betrokken zijn bij de sloop van de school dienen van de inhoud van dit protocol op de hoogte te zijn en het protocol moet op het werkterrein aanwezig zijn. Zie het Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis voor nadere voorwaarden. Onder genoemde voorwaarden is aannemelijk dat overtredingen van de Wet natuurbescherming worden voorkomen en kan de ingreep zonder ontheffing van deze wet worden uitgevoerd. 47
Soorten die onder het beschermingsregime 'andere soorten' vallen komen niet voor binnen het plangebied of zijn door de Provincie Noord-Brabant vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van deze soorten zijn geen vervolgstappen nodig. Omdat de ingreep plaatsvindt binnen de bebouwde kom is artikel 4.2. van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Mogelijk zijn voor het kappen van de bomen nog wel gemeentelijke en/of provinciale verordeningen van toepassing. De gemeente kan men hier verder over inlichten.
5.12
Archeologie en cultuurhistorie
5.12.1 Archeologie Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart De archeologische verwachtingswaarde conform de archeologische verwachtingskaart is in het geldende bestemmingsplan vertaald middels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie'. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden. Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 100 m2 en meer dan 50 cm beneden maaiveld. Het plangebied heeft een omvang van circa 1 hectare en hier is woningbouw gepland, waarvan de diepte van de ingrepen afgestemd kan worden op de archeologische waarde. Archeologisch onderzoek waarmee de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate wordt vastgesteld is hierom noodzakelijk.
48
Onderzoek Raap Archeologisch Adviesbureau B.V. (d.d. 27 november 2018, zie Bijlage 14) heeft een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd.. Op basis van het veldonderzoek kan vastgesteld worden dat het plangebied behoort tot de overgang van het rivierengebied naar het dekzandgebied. Oorspronkelijk was sprake van een pakket komklei dat het onderliggende dekzand afdekte. Waarschijnlijk tijdens het bouwrijp maken voor de aanleg van de huidige woonwijk is ter plaatse van het plangebied de komklei bijna volledig afgegraven tot in het ongeroerde dekzand en weer aangevuld met ophoogzand. Hier zijn zodoende geen intacte archeologische resten meer te verwachten. Alleen in de zuidwesthoek van het plangebied is de bodem nog wel intact, al heeft ook hier ophoging plaatsgevonden. In de komklei zelf worden geen archeologische verwacht. De komklei was te slap en nat voor menselijk gebruik, laat staan bewoning. In het dekzand is de aanwezigheid van archeologische resten echter niet uit te sluiten, zeker aangezien is vastgesteld dat sprake was v an een door komklei afgedekte intacte veldpodzolgrond. De ouderdom van de hierin te verwachten resten is niet te bepalen, zolang de ouderdom van het afdekkende kleipakket onbekend is.
Het betreft echter slechts een kleine zone waar de bodem intact is, waarvan nog niet zeker is of deze door de toekomstige bouwwerken bedreigd wordt. Advies Voor het grootste deel van het plangebied waar de bodem verstoord is, worden geen restricties gezien ten aanzien van de verdere planontwikkeling. Voor de zuidwesthoek van het plangebied, waar de bodem intact is en archeologische resten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd bodemingrepen te voorkomen of te beperken tot boven het intacte niveau. De archeologie wordt verwacht in het dekzand op 160 cm –mv / 1,87 m +NAP. Maar voor het verhaal van de plek, waarbij het dekzand door rivierafzettingen wordt afgedekt, en de datering daarvan, is ook de komklei van belang. De intacte top daarvan bevindt zich op 120 cm -Mv / 2,27 m +NAP. Indien behoud niet mogelijk is, dan wordt verder onderzoek nodig geacht. Gezien de beperkte omvang van de intacte zone en het feit dat de toekomstige ingrepen nog niet bekend zijn, kan de vorm van dit onderzoek pas goed bepaald worden als er meer inzicht bestaat over de aard en diepte van de ingrepen. Los daarvan wordt geadviseerd bij eventueel vervolgonderzoek aandacht te schenken aan de profielopbouw en mogelijkheden te bieden tot het doen van dateringsonderzoek naar de komklei. Selectiebesluit Het selectiebesluit (d.d.
17 januari 2019, zie Bijlage 15) beschrijft dat de gemeente 's-Hertogenbosch niet kan instemmen met het advies om een archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied te laten uitvoeren. Op basis van de resultaten wordt de kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige vindplaatsen als laag ingeschat. Wel blijft de wettelijke meldingsplicht voor archeologische vondsten van toepassing. De archeologische verwachting voor het plangebied kan worden bijgesteld naar laag. De dubbelbestemming archeologie komt daarmee te vervallen. In zijn algemeenheid is men wel gebonden aan de wettelijk meldingsplicht. Indien men bij de graafwerkzaamheden archeologische vondsten aantreft, is men wettelijk verplicht deze te melden. Men kan hiervoor contact opnemen met de gemeentelijke archeoloog. 5.12.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant wordt geconcludeerd dat zich binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en/of cultuurhistorisch waardevolle elementen bevinden. Ook zijn er geen gemeentelijke monumenten of beeldbepalende panden binnen het plangebied gelegen.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
49
50
Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1
Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische (bindende) kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentelijke standaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels (zoveel mogelijk) standaard is.
6.2
Toelichting op verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. In dit bestemmingsplan zijn uitsluitend de bestemmingen 'Groen', 'Maatschappelijk', 'Verkeer' en 'Wonen' opgenomen. Daarnaast zijn er enkele maatvoeringsaanduidingen en vier bouwvlakken op de verbeelding opgenomen. De juridische betekenis van de aanduidingen zijn in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden. De bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht.
6.3
Toelichting op de planregels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken. Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemming en aanduiding opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindenomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden aan. Ook geven de regels onder bestemmingen bevoegdheden aan tot het stellen van nadere eisen en/of de plicht voor een werk, geen bouwwerk zijnde, een omgevingsvergunning aan te vragen. Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene aanduidings- bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels; Overgangs en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels voor elk bestemmingsplan te vinden, namelijk de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel.
Inleidende regels De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). In 51
artikel 2 is vastgelegd hoe er bij toepassing van de regels wordt gemeten. Bestemmingsregels De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving bouwregels nadere eisen afwijken van de bouwregels specifieke gebruiksregels afwijken van de gebruiksregels In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Groen Om de beoogde groene uitstraling tussen de woonbebouwing planologisch juridisch vast te leggen krijgen de tussengedeelten in het plangebied de bestemming 'Groen'. Binnen deze bestemming is slechts beperkt bebouwing met geringe afmetingen ten behoeve van de bestemming mogelijk. Ook zijn waterhuishoudkundige voorzieningen voor hemelwaterberging binnen deze bestemming mogelijk. Parkeren binnen de bestemming 'Groen' is in beginsel uitgesloten. Omwille van de flexibiliteit kan het college met een afwijkingsbevoegdheid onder voorwaarde medewerking verlenen aan parkeerplaatsen in het groen.