CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting en Regels vastgesteld bestemmingsplan Koksteeg 64, Vinkel

Gemeenteraad 13 december 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Koksteeg 64 Vinkel25.766 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën: -

Minimaal 30% sociale huur Minimaal 20% middenhuur en goedkope koop Maximaal 50% dure huur en (middel)dure koop.

Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt. Nieuwe woningen kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid en diversiteit van woonmilieus. Dit door het realiseren van (hoog)stedelijke woonmilieus met hoogbouw, compacte woonvormen en (collectieve) voorzieningen. Maar ook door het mogelijk maken van verdichting en verduurzaming van woonbuurten buiten het centrum en in groenstedelijke woonmilieus. In de dorpse woonmilieus worden ook op kleine schaal woningen toegevoegd. De gemeente stimuleert projecten die innovatief en vernieuwend zijn, bijvoorbeeld door circulair te bouwen of door toekomstige bewoners te betrekken en zeggenschap te geven. Daarnaast dienen projecten bij te dragen aan de hierboven genoemde opgaven. Toets op voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan biedt ruimte om de komende jaren 13 huur en/of koopwoningen toe te voegen in Vinkel. De ontwikkeling draagt bij aan de ambitie om in alle woonmilieus woningen toe te voegen, passend bij de wijk of (in dit geval) het dorp. In het programma zijn diverse woning typologieën opgenomen, met oog op diverse doelgroepen. Het gaat om vrijstaande woningen (zelfbouw), geschakelde woningen en een aantal seniorenwoningen. Dit programma past bij de kenmerken van het dorp Vinkel.

Hiermee wordt bijgedragen aan een divers woningaanbod zodat verschillende doelgroepen kunnen (blijven) wonen in Vinkel, waaronder senioren. Door ruimte te geven aan de zelfbouwwoningen wordt eigenaarschap bevorderd. Deze nieuwbouwwoningen geven een hoogwaardige ruimtelijke invulling aan het plangebied. Ook wordt er rekening gehouden met de gestelde eisen in het kader van ‘toekomstbestendig en duurzaamheid’. Zie paragraaf 4.4.7 voor een uitgebreide toelichting hierop.

25

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen de gestelde kaders in de gemeentelijke Woonvisie.

4.4.4

Welstand

Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen. Daarnaast gelden de algemene welstandscriteria als beoordelingskader. Op 11 oktober 2016 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch besloten om de ‘Maasdonkse Welstandsnota in 2017’ en verdere jaren in afwachting van de implementatie in het kader van de Omgevingswet in stand te houden. Voor Vinkel geldt derhalve nog steeds het welstandsbeleid van de voormalige gemeente Maasdonk, ‘Welstandsnota gemeente Maasdonk’ uit 2004. Toets op voorgenomen ontwikkeling Voor het gebied geldt welstandsniveau 1. Het plangebied valt onder deelgebied 1c Historisch dorpsgebied Vinkel. Onder dit niveau vallen de gebieden die om een zorgvuldige afstemming vragen van nieuwe bouwkundige ingrepen. Hoofdstuk 6 van bijlage 1: ‘Landschappelijk inpassingsplan’ weergeeft een beschrijving van het beeldkwaliteitskader waarin het bouwplan getoetst wordt aan de geldende welstandscriteria. Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat de geldende welstandseisen geen belemmering vormen voor de uitvoering van het plan.

4.4.5 Verordening bomen, water en groen ’s-Hertogenbosch 2021 Om de gevolgen van klimaatverandering voor ’s-Hertogenbosch te beperken is een verordening opgesteld voor bomen, het verwerken van hemelwater en grondwater en het aanleggen en beheren van groen. Deze verordening is vastgesteld door de gemeenteraad van ’s Hertogenbosch op 15 maart 2021. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen in juridisch opzicht geborgd. Op deze manier is voor iedereen duidelijk wat wel en niet mag en hoe de gemeente daarop toeziet. Grond- en hemelwater Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken. Bij iedere ontwikkeling, met een plangebied van groter dan 500 m² is het verplicht om hemelwaterberging te realiseren. Voor ontwikkelingen waarbij de oppervlakte van te realiseren nieuwe verharding en/of te wijzigen bestaande verharding 500 m² of meer bedraagt, geldt een norm van 60 mm hemelwatervoorziening per vierkante meter aan verharding. Voor kleinere oppervlaktes is dit 10 mm/m2.

Groennorm voor een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving Om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving is een groennorm vastgesteld. Wij introduceren hiervoor een nieuw instrument; de groenscore. Met de groenscore toetsen we of er voldoende groene elementen in het plan worden meegenomen. De uitwerking van deze groenscore is zowel kwantitatief in hoeveelheid groen (m2) als kwalitatief in de mate van biodiversiteit. Per gebied is een ondergrens van het percentage groen aangegeven (groennorm). Met het scoresysteem kan worden aangetoond of en op welke wijze bij het realiseren van meer dan 500 m² nieuwe verharding wordt voldaan aan de groennorm. Toets op voorgenomen ontwikkeling Er wordt op de volgende wijze invulling gegeven aan de groennorm en de grond- en hemelwaterberging in het plangebied: Grond- en hemelwater In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit een oppervlakte van ca. 5.000 m² aan verharding. In de nieuwe situatie wordt er ca. 4.000 m² aan verharding toegevoegd. Het aantal vierkante meters aan verharding in de nieuwe situatie is in deze dus minder dan het aantal m² aan verharding in de bestaande situatie.

26

In onderstaande tabel is een berekening van het totaal aantal m² aan waterberging incl. mogelijke oplossingen voor de waterberging weergegeven. De tabel laat zien dat met een totaal van ca. 4000 m² verharding er minimaal 237 m³ aan waterberging opgelost dient te worden. Om de waterberging in het plangebied op te kunnen lossen zijn de volgende 3 oplossingen overwogen: 1. Waterberging in de sloot aan de noordoostzijde 2. Berging van hemelwater onder het wegdek door middel van infiltratiegranulaat 3. De berging van het hemelwater in het openbaar gezien, onder het wegdek en woningen op eigen terrein In onderstaande tabel is af te lezen dat alle genoemde oplossingen voldoen aan de waterbergingseis conform de geldende verordening. Echter, in het plan is gekozen voor oplossing 1. Voor een uitgebreide toelichting op de waterhuishoudkundige aspecten binnen het plangebied, zie paragraaf 5.8 en Bijlage 5: ‘Memo Waterhuishouding’. Hiermee voldoet het plan aan de gestelde waterbergingseisen. Bestaande situatie Oppervlakte verhardingen en opstallen Nieuwe situatie Verhardingen openbaar Woningen

4950 m² sub m2

Verhardingen woningen

Totaal nieuwe situatie

OPLOSSING 1 Volledige berging hemelwater in sloot noord en oostzijde Oppervlakte sloot Lengte sloot Bergend vermogen sloot

m2 omschr m berging m3 berging 1875 m² 0,06 113 m³ 427 1256 m² 0,06 75 m³ 107 27 121 121 122 122 209 700 m² 7x vrijstaand á 100 0,06 42 m³ 125 m² 5x rijwoning a 25 0,06 8 m³ 3956 m²

237 m³

2 206 412 m³ Voldoet

OPLOSSING 2 Berging van hemelwater infiltreren onder wegdek Oppervlakte infiltratiegranulaat 800 Dikte infiltratiegranulaat 0,3 Bergend vermogen infiltratiegranulaat

240 m³ Voldoet

OPLOSSING 3 Hemelwater openbaar gebied onder wegdek en woningen op eigen terrein Oppervlakte infiltratiegranulaat 400 Dikte infiltratiegranulaat 0,3 Bergend vermogen infiltratiegranulaat Individuele infiltratiekratten per woning

120 m³ Voldoet openbaar gebied 125 m³ Voldoet particulier per woning

Tabel 1: Berekening waterberging Koksteeg 64 Vinkel

Groennorm voor een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving Conform de verordening ligt onderhavig plangebied binnen een ‘dorps- en landelijk woonmilieu’. Binnen dit milieu geldt een groennorm van minimaal 40%. Bij een toename van meer dan 500 m² verharding dient de kwantitatieve groenscore te worden ingevuld. Echter, in voorliggend plan is geen sprake van een toename van het aantal m² verharding in vergelijking met de bestaande situatie. Tabel 1 geeft weer dat er in de huidige situatie sprake is van 4.950 m² en in de nieuwe situatie er 3.965 m² aan verharding gerealiseerd wordt. Dit resulteert in een afname van 985 m² verharding. Derhalve is het invullen van de kwantitatieve score om de groennorm te kunnen bepalen niet noodzakelijk. Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavig plan in lijn is met de Verordening bomen, water en groen ’s-Hertogenbosch 2021.

27

4.4.6

Nota Parkeren 2021

Op 15 februari 2021 stelde de raad van 's-Hertogenbosch de 'Nota Parkeernormering 2021' vast. Om te bepalen hoeveel parkeerplaatsen bij een ontwikkeling benodigd zijn, heeft de gemeente parkeernormen geformuleerd. De nota dient ook als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waarvoor een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld of waarvoor een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan wordt aangevraagd. Paragraaf 5.12 gaat hier nader op in.

4.4.7

Visie Duurzaam ‘s Hertogenbosch 2019

In mei 2019 is de visie Duurzaam ‘s Hertogenbosch door de gemeenteraad vastgesteld. Duurzaamheid is een belangrijk speerpunt binnen de gemeente 's-Hertogenbosch, dat bij alle ontwikkelingen wordt betrokken. Naast volledig klimaatneutraal in 2050 heeft de gemeente de ambitie om in 2035 al een klimaatneutraal bebouwde omgeving te hebben. Dit is een flinke ambitie waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energiedoelstellingen zijn gericht op de volgende vier pijlers: 1. 2. 3. 4.

Groen en klimaatbestendig CO2-neutrale omgeving (Energie) Waardebehoud van grondstoffen (Circulariteit) en Duurzame mobiliteit

Toets op voorgenomen ontwikkeling Ten aanzien van het plan is per thema beschreven op welke wijze hier invulling wordt gegeven: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening) Het planvoornemen voorziet in een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving. De gezonde, groene leefomgeving wordt vormgegeven door groene landschappelijke inpassing rondom het plan. Hierin is in totaal circa 4000 m² ruimte gereserveerd voor landschapstuinen. Aan de rand van deze tuinen wordt een houtwal gerealiseerd en een waterbergende sloot. Zie paragraaf 3.7 ‘Landschappelijke inpassing’ voor een nadere toelichting op dit onderdeel. Daarnaast wordt het midden van het woonerf waar mogelijk voorzien in groen; in de vorm van beplanting en bomen. De voorzijde van de woningen komen uit op een gemeenschappelijk woonerf. Hiermee worden bewoners aangezet tot bewegen en kunnen omwonenden samen komen. De klimaat bestendige leefomgeving wordt vormgegeven door hemelwater te laten infiltreren in de bodem via de nieuw te realiseren sloot rondom het plangebied, en niet af te voeren richting de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hierdoor wordt verdroging en overbelasting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (met vervuiling tot gevolg) tegengegaan. Verder zet het planvoornemen in op natuur inclusief bouwen, waarbij het groen en water wordt geïntegreerd in het ontwerp.

Voor het vergroten van de biodiversiteit is gekozen voor inheemse plantensoorten in de landschapstuinen en houtwal. 2. CO2 neutrale omgeving (energie) Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Woningen gebouwd volgens het tegenwoordige BENG zijn optimaal geïsoleerd met onder meer betere kierdichting en als ontwerpopgave een verminderde energievraag. Daarbij moeten BENG-woningen ook voor een deel in hun eigen nodige energie voorzien. Alle woningen in het planvoornemen worden dan ook gerealiseerd zonder gasaansluiting. De woningen worden

28

verwarmd door gebruik te maken van bodemwarmte. Daarnaast voorziet het planvoornemen alle 13 nieuwbouwwoningen van zonnepanelen op het dak. Op deze manier voorzien de woningen in hun eigen energiebehoefte. Verder wordt ingezet op energiebesparing, zo voorziet het planvoornemen in goed geïsoleerde woningen. Verder dienen nieuwe woningen - tezamen met BENG - te voldoen aan een eis om oververhitting in woningen (mede door de warmere zomers en betere isolatie) te voorkomen. Koeling via de bodem levert hierbij een deel van een duurzame oplossing. Het is uiteindelijk aan de bewoners (zelfbouw) om te kiezen met welke soort installaties het beste kan worden voldaan aan zijn/haar behoefte. Bij de verbouwing van de bestaande woonboerderij is het streven dat de toekomstige eigenaren een verduurzamingslag zullen maken op de bestaande boerderij. Dit zal nader worden uitgewerkt op basis van de gewenste indeling en wens van de toekomstige eigenaren. Bij de uitwerking van het bouwplan zullen de gestelde duurzaamheidseisen nader uitgewerkt worden. 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Het planvoornemen voorziet in het gebruik van natuurlijke en duurzame materialen. Andere materialen die gebruik worden, zoals beton, kunststof etc. zijn te recyclen waardoor ook deze impact op de grondstoffenvoorraad beperkt is.

Daarnaast zal in de verdere uitwerking worden gekeken naar het hergebruik van sloopmaterialen. Bijvoorbeeld het hergebruik van slooppuin tot fundering onder het wegdek. 4. Duurzame mobiliteit Het planvoornemen betreft de bouw van 13 nieuwbouwwoningen. Elke woning krijgt de beschikking over voorzieningen voor de aanschaf van duurzame mobiliteit, zoals een eigen parkeerplaats voor de deur voor het opladen van een elektrische auto. De laadinfrastructuur en voertuigen zullen door de bewoners zelf moeten worden ingezet. Bij de vergunningsaanvraag voor het bouwen zal de inpasbaarheid van duurzame technieken concreet zijn uitgewerkt. Conclusie Het plan voldoet aan de gestelde duurzaamheidseisen van de gemeente ’s Hertogenbosch.

4.5

Conclusie relevant ruimtelijk beleid

Er kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen de relevante ruimtelijke beleidskaders.

29

5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

Inleiding Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Richtlijn Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ‘rustige woonwijk’.

Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter). Toets op voorgenomen ontwikkeling Het plan voorziet in de ontwikkeling van woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Onderstaande tabel weergeeft een overzicht van de bedrijven die in de directe omgeving gevestigd zitten, met bijhorende SBI-code, de milieucategorie en de bijhorende VNG-richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied. Bedrijf

SBI-code 2008

Categorie

VNG-richtafstand

Werkelijke afstand

Sportpark (Vinkelsestraat 108 a) Autobedrijf (Lindenlaan 14) Keukenwinkel (Lindenlaan 12a) Agrarisch bedrijf (Lindenlaan 8-10) Agrarisch bedrijf (Vinkelsestraat 161) Tuincentrum (Weerscheut 18)

931.G

3.1

50 m

Ca. 65 m

451, 452, 454

2

30 m

Ca. 300 m

4752

2

30

Ca. 273 m

0141, 0142

3.2

100 m

Ca. 276 m

0141, 0142

3.2

100 m

Ca. 196 m

4752

2

30 m

Ca. 276 m

Tabel 2: Overzicht dichtstbijzijnde bedrijven van het plangebied

Gelet op het bovenstaande, is te concluderen dat het plangebied buiten de geldende VNG-richtlijnenafstanden valt van alle genoemde bedrijven. Aangezien de nieuw te bouwen woningen zich buiten de VNG-afstanden bevinden, wordt hinder als gevolg van de aanwezige/bestemde bedrijvigheid niet verwacht. Daarbij zullen de belangen van de bestemde/aanwezige bedrijven door de komst van nieuwe gevoelige objecten niet worden geschaad. Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen planologische belemmering voor het plan.

30

5.3

Bodem en asbest

Wettelijk kader Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Onderzoeksresultaten Door Bakker Milieuadviezen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 2 toegevoegd aan de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat: -

De bovengrond op het terrein is in 5 mengmonsters onderzocht. In 3 van de 5 mengmonsters zijn geen overschrijdingen aangetroffen. In het mengmonster van 4 grondmonsters rondom de agrarische bebouwing (mm 1+3+6+10) zijn lood en zink licht verhoogd aangetroffen. Algemeen vormt de bodemkwaliteit ten aanzien van de parameters uit het NEN 5740-pakket derhalve geen bezwaar voor de bestemming wonen;

-

De onverdachte zandige ondergrond is in 2 mengmonsters onderzocht en deze zijn beide schoon voor alle NEN-5740-parameters;

-

Het grondwater uit peilbuis 10 bevat minimaal verhoogde gehalten aan barium en koper. Het grondwater uit peilbuis 21 (locatie bovengrondse tank) is geheel schoon voor alle NEN 5740-parameters.

-

Uit een door het erkende bureau Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek blijkt dat er op de overgang van de oprit naar het erf sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging met asbest. In 2 van de 9 gegraven inspectiegaten (namelijk de gaten 8 en 9) zijn veel asbestscherven aangetroffen. Het gaat om de meest gangbare variant ofwel asbesthoudend golfplaat. Het laboratorium geeft aan dat het zowel om witte asbest (chrysotiel) als blauwe asbest (crocidoliet) gaat. Het asbestgehalte in de inspectiegaten 8 en 9 bedraagt circa 15000 mg/kgds. Middels de inspectiegaten 1 t/m 7 is de asbestverontreiniging visueel afgeperkt en middels een analyse van het mengmonster van grond uit de gaten 4 t/m 7 (12 mg/kgds) is de verontreiniging analytisch afgeperkt. NB: de interventiewaarde voor asbest bedraagt 100 mg/kgds. De omvang van de sterke asbestverontreiniging bedraagt circa 12 * 6 * 0.3 m, ofwel 20 a 25 m3. Bij sterke asbestverontreinigingen geldt het minimale verontreinigingsvolume van 25 m3 niet. Hier is dus sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging.

-

Op een deel van het oostelijk gelegen grasland (daar waar de betonvloer van een voederkuil verwijderd is) was de toplaag ook puinhoudend. Ook hier is asbestonderzoek uitgevoerd. Visueel is hier geen asbest aangetroffen. Het asbestgehalte in het gezeefde monster bedraagt 34 mg/kgds. Dit ligt beneden de waarde voor nader onderzoek van 50 mg/kgds. De asbestverontreiniging dient in verband met de bestemmingswijziging middels een bodemsanering verwijderd te worden. Dit dient door erkende bedrijven uitgevoerd te worden (conform BRL 6000 en 7000). In de huidige situatie vormt het asbest in de bodem overigens geen risico omdat de verontreiniging zich bevindt onder bestrating en ophoogzand.

Conclusie De asbestverontreiniging zal voorafgaand de sloop en/of het bouwrijp maken verwijderd worden door een gecertificeerd bedrijf. Verder kan op basis van de resultaten van het bodemonderzoek geconcludeerd worden dat de bodem ten aanzien van de parameters uit het NEN-5740-pakket geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plan.

31

5.4

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 μg/m3.

Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Één van de categorieën waarvoor niet hoeft worden aangetoond dat ze in betekende mate bijdragen, betreft de bouw van 1500 woningen waarbij is uitgegaan van een verkeersgeneratie van tenminste 7500 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Toets op voorgenomen ontwikkeling Het voorgenomen plan voorziet in de bouw van 13 woningen. De verkeersaantrekkende werking van het woningbouwplan ligt daardoor ruim beneden de 7500 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het plan is daarmee aan te merken als ‘Niet in betekende matie (NIBM)’. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan. Om de luchtkwaliteit te meten wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool. Hierbij is het dichtstbijzijnde rekenpunt gelegen aan de ‘Weerscheut’ (Rekenpunt 222220) en wordt aangegeven dat de optredende concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 onder de helft liggen van de daarvoor geldende grenswaarden.

Derhalve hoeft voor het planvoornemen geen onderzoek inzake luchtkwaliteit te worden uitgevoerd. Conclusie Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het plan.

5.5

Geurhinder veehouderijen

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied, landelijk gebied, is geur hier een relevant aspect. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd. Geurbelasting kan op twee manieren worden uitgedrukt. Voor de geurbelasting van landbouwhuisdieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactor is aangewezen, zijn er vaste afstanden vastgesteld. Onder geurbelasting als gevolg van intensieve veehouderij waar landbouwhuisdieren worden gehuisvest met een geuremissiefactor verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odourunits per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object, zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan in situaties worden berekend met het wettelijk vastgestelde luchtmodel V-stacks. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. De geurbelasting op een gebied is relevant voor

32

een beoordeling van het woon- en leefklimaat en dient beschouwd te worden om bijvoorbeeld woningbouw te realiseren. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het woon- en leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte. Wettelijk kader Veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en aan de in het Activiteitenbesluit genoemde minimaal aan te houden afstand(en) tot geurgevoelige objecten. Verder dienen op grond van de Wet milieubeheer beste beschikbare technieken te worden toegepast. Het Activiteitenbesluit geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van agrarische bedrijfsstoffen, zoals vrij liggende mestbassins. Voldoen aan de gestelde afstanden of aan het regime van de Wgv dient ter voorkoming van geurhinder. De Wgv biedt de mogelijkheid aan gemeenten om in afwijking van de wettelijk gestelde geurnorm afwijkende geurnormen vast te stellen om zodoende maatwerk te kunnen leveren voor de betreffende omgeving. Door de gemeente ’s-Hertogenbosch is een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. In de verordening zijn afwijkende afstandswaarden en geurnormen gedefinieerd voor een aantal gebieden. Het plan valt buiten de in de verordening opgenomen gebieden met afwijkende eisen.

Hierdoor is de wettelijke geurnorm en zijn de wettelijke afstandseisen voor het plan van toepassing. In de huidige situatie wordt geur geëmitteerd door de thans aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Geurgevoelige objecten binnen het plangebied zijn zowel de bestaande woning als de nieuwe woningen die in het buitengebied, maar wel in de bebouwde kom, van de gemeente ‘s Hertogenbosch komen te liggen. Nabij het plangebied (aan de Vinkelsestraat 159 en de Lindenlaan 8) zitten 2 veehouderijen gevestigd die vanwege haar geuremissie en ligging maatgevend is voor de (individuele) geurbeoordeling. Overige veehouderijen in de omgeving zijn vanwege de ruime afstand tot het plangebied en de totale geuremissie niet relevant voor de individuele geurbeoordeling. Zij zijn wel meegenomen in de achtergrondbelasting. Onderzoeksresultaten Om tot een juiste afweging voor het aspect geur van deze veehouderij en andere veehouderijen in verdere omgeving te komen is door E. Consultancy op 16 juni 2021 een geurrapportage opgesteld. Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 toegevoegd aan de toelichting van dit bestemmingsplan. Er kan worden geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm voor de voorgrondbelasting van 3,0 ouE/m³ plaatsvindt ten gevolge van de veehouderijen.

De maximale voor- en achtergrondbelasting bedraagt respectievelijk 1,1 en 3,2 ouE/m³ voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 3,89% en 5,2%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de veehouderijen goed tot zeer goed zal zijn. Ter plaatse van de geurgevoelige locaties wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderijen de gemeentelijke verordening. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt omdat wordt voldaan aan de wettelijk geldende richtafstanden. Tevens zijn er in de loop der jaren meerdere geluidsgevoelige objecten, op een kortere afstand dan onderhavig plan, van de bestaande veehouderijen gerealiseerd. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe geurgevoelige bestemmingen wordt tevens acceptabel geacht. Conclusie Op basis van het onderzoek geurhinder veehouderijen wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen in het kader van ‘geur: veehouderijen’ gelden.

5.6

Gezondheid

Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-rapporten) Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is

33

door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen).

GGD-richtlijn medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid Het document ‘GGD-richtlijn medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid’ is in 2020 vastgesteld. De richtlijn beschrijft de huidige kennis over veehouderij en gezondheid. Ook geeft de richtlijn input voor gezondheidskundige adviezen voor omwonenden in verschillende situaties. Denk aan de uitbreiding of vestiging van veehouderijbedrijven of de gebiedsinrichting van het platteland. Er is veel gezondheidswinst te behalen wanneer goed wordt nagedacht over de ruimtelijke inrichting, dus bij het opstellen van omgevingsvisies en plannen. Daarom is de GGD bij voorkeur vroeg in dit proces betrokken. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. Toets op voorgenomen ontwikkeling Het plangebied ligt binnen een afstand van 2 km van een geitenhouderij. Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen 2 km van geitenhouderijen iets meer longontsteking voorkomt dan daarbuiten.

De provincie heeft uit voorzorg, tot meer bekend is, een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Omgekeerd zou dit kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 km van een geitenhouderij deze risico's niet ten goede komen. Op dit moment zijn er geen wettelijke normen of landelijke richtlijnen voor deze problematiek. Het is een aspect waarnaar nader onderzoek wordt verricht. Meer duidelijkheid over mogelijke maatregelen aan de bron wordt pas over 1 â 2 jaar verwacht. Over de huidige stand van zaken hebben wij initiatiefnemers geïnformeerd. Wij hebben hen ook verzocht het procesrisico te aanvaarden en om deze informatie in voorkomende gevallen door te leggen aan eventuele huurders of kopers. Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘gezondheid’ geen negatieve werking heeft op het plan.

5.7

Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de zone van ‘dorps landelijk’ van de Koksteeg. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB.

34

Onderzoeksresultaten Om de gevelbelasting op de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft E. consultancy op 1 juli 2021 een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het gehele onderzoeksrapport is als bijlage 4 toegevoegd aan deze toelichting. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Koksteeg en de Vinkelsestraat, die slechts deels gezoneerd zijn. De geluidsbelasting wordt als gevolg van de gehele weg getoetst. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 40 dB en voldoet aan het ambitieniveau van het gebiedstype “agrarisch gebied”. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.8

Water

Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. Gemeente ’s-Hertogenbosch In de Visie Groen en Klimaatbestendig (2021) staat dat we in ’s-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en vergroenen zijn hiervoor belangrijke uitgangspunten. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021. Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3.

Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - Schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - De waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - De kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - De betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

35

Toets op voorgenomen ontwikkeling Waterhuishoudkundige aspecten Ten behoeve van het voorgenomen plan aan de Koksteeg 64 te Vinkel zijn de waterhuishoudkundige aspecten nader beschreven in de Memo Waterhuishouding. In deze memo worden de wateraspecten in het plangebied getoetst aan de wateropgave van zowel het waterschap als gemeente. De Memo Waterhuishouding is als bijlage 5 toegevoegd aan deze toelichting. Algemene beschrijving plangebied Het plangebied ligt aan de rand van het dorp Vinkel en heeft een oppervlakte van circa 11.500 m². Volgens de AHN ligt het maaiveld van het plangebied op een hoogte tussen +5,80 en +6,40 m NAP. In de huidige situatie bevinden zich in het plangebied een boerderij en boerderijwoning. De voormalige silo en stallen worden afgebroken en hier komen nieuwe woningen voor in de plaats. De bestaande boerderijwoning zal in de toekomstige situatie getransformeerd worden tot een 2^1kapwoning. Ten westen en noordwesten van het plangebied bevinden zich sloten. De gemeente heeft aangegeven dat de bodems van de sloten ongeveer op het niveau van de grondwaterstand liggen en soms droog staan. In nattere perioden staat er water in. Daarnaast zijn de sloten volgens de gemeente watervoerend. Volgens de Klimaateffectenatlas ligt het plangebied in een infiltratiegebied.

Volgens het binnen het plangebied uitgevoerde bodemonderzoek bestaat de bodem vanaf maaiveld tot in ieder geval circa 3,0 m-mv uit zand. Tijdens het bodemonderzoek is een grondwaterstand aangetroffen van circa 1,5 m-mv. Volgens Arcgis is de gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG in het plangebied circa 1,0 tot 1,5 m-mv.

Afbeelding 12: Ligging plangebied en weergave Grondwatertrappen

Toets op gemeentelijk beleid Het plangebied ligt in de gemeente ’s Hertogenbosch. In de verordening bomen, water en groen staat dat bij het realiseren van nieuwe verharding of bij het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwd verhard oppervlak moet kunnen verwerken. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van 3.955 m² verharding, wat gelijk staat aan een bergingsopgave van 238 m³. Het plan is om de waterberging te realiseren in een nieuw te graven zaksloot aan de noord- en oostzijde van het plangebied. Zie onderstaande afbeelding.

36

Afbeelding 13: Weergave bestaande en nieuwe sloten plangebied

De nieuwe sloot heeft een totale lengte van 206 meter. Om in de sloot 60 mm te kunnen bergen bij een waking van 30 cm, dient de sloot de volgende dimensies te hebben: • • • •

Breedte insteek : 3,65 m; Talud : 1:1,5; Bodembreedte : 0,50 m; Diepte : 1,05 m.

De maximale waterdiepte van de sloot is dan 0,75 m en de bergingscapaciteit is 247 m³; voldoende voor de vereiste berging van 60 mm. Bij een GHG in het plangebied van 1,0 m-mv (dit is 0,05 m boven de bodem van de sloot), zal er gemiddeld genomen circa 46 dagen per jaar (12,5% van de tijd) grondwater in de sloot staan. Bij een extreem hoge grondwaterstand van 0,40 m-mv staat er 0,65 m grondwater in de zaksloot. In dat geval kan in de zaksloot, boven het grondwater, tot aan maaiveld nog 255 m³ worden geborgen. Extreme neerslag situatie Ook in een extreme neerslagsituatie mag geen wateroverlast optreden. Voor een extreme bui, waarbij 90 mm in 1 uur valt (T=250) moet er voor de toename aan verhard oppervlak van 3.955 m² in het plangebied 356 m3 hemelwater worden verwerkt. Bij een grondwaterstand op het niveau van de GHG kan in de zaksloot tot aan maaiveld 449 m³ worden geborgen. Dit betekent dat de volledige bui van 90 mm ruimschoots verwerkt kan worden in de zaksloot.

Effect op de naastgelegen agrarische percelen Uit de onderstaande afbeelding blijkt het volgende: • De afstand waarbinnen de berekende stijging van de grondwaterstand (aan weerszijden van de zaksloot) • Meer dan 0,5 m is, bedraagt circa 0,5 m (circa 4 uur na start van de infiltratie); • de afstand waarbinnen de berekende stijging van de grondwaterstand (aan weerszijden van de zaksloot) • Meer dan 0,1 m is, bedraagt circa 4,5 m (circa 22 uur na start van de infiltratie); • Na circa 40 uur is de berekende grondwaterstandstijging overal kleiner dan 0,1 m.

37

Het berekende gebied, waarbinnen de grondwaterstand als gevolg van infiltratie vanuit de zaksloot (tijdelijk) significant stijgt, beperkt zich dus tot enkele meters aan weerszijden van de zaksloot. Dit zal niet leiden tot wateroverlast op de naastliggende percelen.

Afbeelding 14: Verplaatsing waterfront in de bodem naast de zaksloot, door infiltratie vanuit de zaksloot

Afvalwater Het perceel is aangesloten op een drukriolering; hierop mag alleen het huishoudelijk afvalwater worden aangesloten, geen (overtollig) hemelwater of bedrijfsmatig afvalwater). Het afvalwater van de nieuwbouwwoningen zal op de bestaande drukriolering worden aangesloten. Resultaten Watertoets Voor dit plan is er een digitale watertoets uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 6 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de watertoets blijkt dat de ‘normale’ watertoetsprocedure gevolgd dient te worden. Dit betekent dat er nader overleg plaats dient te vinden met het Waterschap Aa en Maas. Advies Waterschap AA en Maas De verschillende onderdelen in de waterparagraaf zijn beoordeeld door het Waterschap. Aan de hand van deze beoordeling is te concluderen dar er geen ruimtelijke waterbelangen binnen het plangebied van toepassing zijn. Echter, de waterparagraaf is in eerste instantie summier beschreven en dient te worden aangevuld met een beschrijving van het waterhuishoudkundige systeem. Verder zijn er geen opmerkingen en wordt op een correcte wijze verwezen naar het actuele beleid. De genoemde opmerkingen zijn verwerkt in de waterparagraaf van deze toelichting. Conclusie Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor de verdere ontwikkeling van het plan. Verder is het gemeentelijk beleid van toepassing.

Hierin staat dat hemelwater moet worden afgekoppeld en op eigen terrein met worden geïnfiltreerd. Het plan kan en zal aan deze uitgangspunten voldoen.

38

5.9

Ecologie

Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); • Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); • Andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing

39

of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoeksresultaten GRAS advies heeft op 29 juni 2021 een quickscan flora/ fauna en AERIUS-berekening uitgevoerd. Beide onderzoeksrapporten zijn als bijlage 6 en 7 toegevoegd aan het bestemmingsplan. Natura 200-gebieden Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek op ca. 11,5 km afstand van het projectgebied en wordt hiervan gescheiden door agrarisch gebied en de bebouwde kom van Vinkel en ‘s Hertogenbosch. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 12,5 km) van het projectgebied. Gelet op de ligging van het projectgebied en de beperkte impact van de ingreep, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten.

Een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op Natura 2000-gebieden is niet aannemelijk, maar kan desgewenst nader onderzocht worden middels een AERIUS-berekening. Er is geen sprake van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden, het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. AERIUS-berekening Voor de beoogde herontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd van de stikstofemissies als gevolg van de bouw en het gebruik. Uit de berekening blijkt dat de kritieke overschrijding van stikstofdepositie van 0.00 mol/ha/j op de dichtbijzijnde Natura2000-gebieden niet wordt overschreden. Het aspect ‘stikstof’ vormt daarom geen belemmering voor het betreffende project en er is geen ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebieden) Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland betreft het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en enkele aangrenzende percelen op 700 m afstand van het projectgebied.

Aangezien het projectgebied buiten de begrenzing van het NNN ligt en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing ten aanzien van NNN niet noodzakelijk. Houtopstanden Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Daarmee is het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing op het projectgebied. Vleermuizen De stallen zijn open en bevatten geen spouwmuren of dakbeschot waar gebouwbewonende vleermuizen achter of tussen kunnen kruipen. Ook de schuren bevatten geen openingen die geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen om achter te kruipen. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn in de schuren en stallen op het terrein. Het woonhuis bevat wel holtes en scheuren die groot genoeg en geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Daarnaast zijn ook uitwerpselen gevonden aan de achterkant van het huis. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het projectgebied kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten.

Indien de werkzaamheden aan het woonhuis inpandig plaatsvinden, de aanwezige holtes en scheuren in de buitenmuren intact blijven en er geen zware trillingen of geluid in de muren en daken gegenereerd wordt, resulteert dit niet in verlies van eventuele verblijfplaatsen of verstoring van dieren en is aanvullend onderzoek naar beschermde vleermuizen niet noodzakelijk.

40

Huismussen De aanwezige stallen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten en nestmogelijkheden. Deze zijn niet aangetroffen. Het dak van het woonhuis bevat openingen onder de dakpannen die groot genoeg zijn voor huismussen om onder te kruipen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is daarom niet uit te sluiten. Indien de werkzaamheden aan het woonhuis inpandig plaatsvinden en er geen zware trillingen of geluid in de muren en daken gegenereerd wordt, resulteert dit niet in verlies van eventuele verblijfplaatsen of verstoring van dieren en is aanvullend onderzoek naar beschermde huismussen niet noodzakelijk. Er zijn huismussen gezien op het dak van Koksteeg 66. Deze woning ligt direct ten zuiden van het projectgebied. De aangelegde tuin van het woonhuis binnen het projectgebied grenst aan de Koksteeg 66. Het is redelijkerwijs niet uit te sluiten dat de tuin onderdeel is van het leefgebied van de huismussen. Indien de inrichting van de tuin intact blijft na de beoogde ontwikkeling of de kwaliteit van het leefgebied voor de huismussen verbetert wordt, is aanvullend onderzoek niet benodigd. Vogels Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het projectgebied gebruiken als broedlocatie.

Een nader onderzoek is niet noodzakelijk, onder voorwaarde dat er buiten het broedseizoen om gewerkt wordt, of eventuele nesten in de bosschages tijdens het broedseizoen niet verstoord worden. Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘ecologie’ onder de gestelde voorwaarden geen belemmering vormt voor de uitvoering van onderhavig plan.

5.10 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Onderzoeksresultaten Greenhouse advies heeft op 23 juni 2021 een zowel een verkennend archeologisch bureau, - als veldonderzoek uitgevoerd. Het gehele onderzoeksrapport is als bijlage 8 toegevoegd aan de toelichting van dit bestemmingsplan. Op korte afstand zuidoostelijk van het plangebied is een zeer spoorrijke archeologische vindplaats (met een hoge informatiewaarde) bekend, voornamelijk daterend in de Romeinse Tijd.

Voor het plangebied geldt op basis van het bureauonderzoek een hoge verwachting voor alle archeologische perioden, met name uit de Romeinse tijd. Het verkennende booronderzoek heeft uitgewezen dat binnen een groot deel van het plangebied een (sterk) verstoorde bodemopbouw aanwezig is (70-150 cm -mv). Enkel in de zuidoostelijke hoek (richting de voetbalvelden) lijkt de bodemverstoring zich te beperken tot de bouwvoor (25 – 40 cm). Daartoe kan de hoge verwachting in de zuidoostelijk hoek gehandhaafd blijven en binnen de rest van het perceel worden afgezwakt naar laag. Conclusie Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om eventuele bodemingrepen in de zuidoostelijke zone die tot op of in de gele zandondergrond (Chorizont / dieper dan de bouwvoor) reiken vooraf te laten gaan door een nader inventariserend veldonderzoek.

41

Op dit soort dekzandgronden en vanwege de directe nabijheid van een archeologische vindplaats uit de Romeinse tijd, wordt geadviseerd dit inventariserend veldonderzoek te laten bestaan uit een archeologisch proefsleuvenonderzoek. Doel hiervan is het opsporen van eventueel aanwezige archeologie (dat anders verstoord zou worden) en het dan gelijk te waarderen volgens de gebruikelijke waarderingssystematiek (SIKB). Op basis van het proefsleuvenonderzoek kunnen dan de vervolgstappen worden bepaald door de gemeente. In de zuidoostelijke zone worden enkel een aantal bomen en een haag geplant. Tevens zal de grond ook nog eens opgehoogd worden waardoor de bodem verstorende activiteiten op deze locatie gering blijven. Derhalve is vervolgonderzoek op deze locatie niet benodigd. Voor de rest van het plangebied wordt geadviseerd om de voorgenomen bodemingrepen niet vooraf te laten gaan door nader archeologisch onderzoek (vrijstelling) vanwege de daar waargenomen relatief diepe bodemverstoringen (tot in de oorspronkelijke C-horizont). De voorgenomen bodemingrepen zullen daar naar verwachting geen archeologie (meer) verstoren. Indien daar tegen de verwachting in alsnog archeologische of bouwhistorische waarden worden aangetroffen dient altijd direct contact te worden opgenomen met de bevoegde overheid in het kader van de wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet.

Besluit bevoegd gezag Het bevoegd gezag heeft besloten om het advies voortkomend uit het bureau- en inventariserend veldonderzoek over te nemen. Wel blijft de vondstmeldingsplicht van kracht. Mochten er tijdens de werkzaamheden vermoedens rijzen van aanwezig archeologische indicatoren dan dient dit onmiddellijk bij het bevoegd gezag te worden gemeld (art. 5.10 Erfgoedwet).

5.11 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico’s – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10−6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het

42

GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11979771/1