Bijlage 2 - Quick scan Duurzame Polder
Tekst van het document
Defensie Tabel 3.5 laat de aandachtspunten zien voor veiligheid vanuit defensie.
Tabel 3.5 Aandachtspunten veiligheid - defensie Aspect
Afstand
Afstand Nordex 117
Afstand Vestas V172
Status
radarstations
begrenzing op kaart
begrenzing op kaart
begrenzing op kaart
Barro (art. 2.6.2. lid 8 en lid 9; art. 2.6.9) (nee, tenzij): Toetsingszone verhoogde dekkingsgraad (15 km) Toetsingszone normale dekkingsgraad (75 km)1
laagvlieggebied militaire helikopters (Maas en Waal) (gebied GLV IX)
begrenzing gebied op kaart
begrenzing op kaart
begrenzing op kaart
regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters
Laagvliegroute helikopters en propellervliegtuig en (route VO)
begrenzing route op kaart
begrenzing op kaart
begrenzing op kaart
regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters
Het laagvlieggebied wordt gebruikt voor oefeningen met militaire helikopters. Binnen dit gebied mogen militaire helikopters vliegen op een minimale hoogte van: - Binnen de daglichtperiode: 30 meter boven hindernissen of lager indien noodzakelijk. - Buiten de daglichtperiode: 30 meter boven de grond of water of lager indien noodzakelijk.
1
De toetsingszones zijn is niet opgenomen op kaart omdat deze het volledige verkenningsgebied bedekt, met informatieverlies als gevolg.
29 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
De laagvliegroute wordt gebruikt voor militaire propellervliegtuigen en helikopters. Militaire propellervliegtuigen mogen in de laagvliegroute vliegen op een minimale hoogte van: - binnen de daglichtperiode: 250 voet (75 meter) boven hindernissen of de grond; - buiten de daglichtperiode: 1000 voet (300 meter) boven de grond. In opdracht van de provincie Gelderland heeft het Koninklijk Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) een onderzoek1 uitgevoerd naar de haalbaarheid van windturbines binnen zoekgebieden die in en nabij het laagvlieggebied en de laagvliegroute liggen. Dit rapport concludeert uit onder andere vliegbewegingen dat de laagvliegroute VO nauwelijks operationele betekenis heeft voor Defensie. Wel is er een operationele vliegcorridor op een deel van deze laagvliegroute, die het meest noordelijk deel van het verkenningsgebied van Duurzame Polder doorkruist. Toch merkt deze studie het zoekgebied voor Duurzame Polder aan als kansrijk gebied voor windenergie. Afbeelding 3.11 laat bovenstaande aandachtspunten op kaart zien.
Afbeelding 3.11 Aandachtspunten externe veiligheid (links: Nordex 117, rechts: Vestas V172, onder: vergrote legenda Nordex117)
3.3.4
Conclusie
Vanuit externe veiligheid gelden meerdere belemmeringen voor realisatie van windturbines in de Duurzame Polder. Dit gaat om realisatie op of nabij (beperkt) kwetsbare objecten, hoofdwaterwegen, rijkswegen en provinciale wegen, spoorwegen, boven- en ondergrondse hoogspanningsverbindingen en buisleidingen. Daarnaast gelden aandachtspunten, voortkomend uit adviesafstanden tot objecten als rijkswegen en hoogspanningsverbindingen of toetsingsvlakken voor laagvliegroutes of radar. Voor deze aandachtspunten geldt dat vervolgonderzoek in het MER moet uitwijzen of realisatie van een windturbine binnen deze adviesafstand of toetsingsvlak leidt tot ontoelaatbare effecten alvorens een ontheffing kan worden afgegeven.
1
Zie: https://www.groen-inzicht.nl/wp-content/uploads/2020/10/NLR-CR-2020-203.pdf.
30 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
3.4
Landschap
Het thema Landschap beschouwt de mogelijke effecten van windturbines op het landschap. Hierbij worden de bestaande landschappelijke kenmerken van het gebied geschetst aan de hand van provinciaal landschappelijk beleid. Omdat landschap geen belemmering (uitsluitingscriterium) vormt, biedt deze analyse enkel inzicht in aandachtspunten.
3.4.1
Landschap in de Duurzame Polder
De provincie Brabant heeft in een structuurvisie de landschappelijke kernkwaliteiten van Brabant beschreven. In de zogenaamde Gebiedspaspoorten1 beschrijft de visie de 12 Brabantse landschapstypen, zoals het Zeekleigebied, Land van Heusden en Altena en de Brabantse Wal. Per landschapstype beschrijft de provincie de natuurlijke basis, het ontginningslandschap en het moderne landschap. De Duurzame Polder ligt in het landschapstype Maaskant, wat gekenmerkt wordt door kommen en oeverwallen met de Maas als belangrijke ader. Afbeelding 3.12 laat de Gebiedspaspoorten zien.
Afbeelding 3.12 Overzicht Gebiedspaspoorten (bron: provincie Brabant)
De natuurlijke basis van Maaskant Maaskant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met hogere meer zandige oeverwallen en lager gelegen open komgronden. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door een brede dekzandrug die de overgang met het Brabant van het zand markeert. De dorpen langs de Maas liggen op de zogenaamde oeverwal, een hoger gelegen zandrug met een kleinschalig en besloten landschap met veel landschapselementen. De Duurzame Polder is grootschalig en open. De kilometerslange vergezichten zijn kenmerkend voor het gebied. Aan de zuidzijde van de polder liggen hoger gelegen zandgronden met een meer besloten landschap, de zo genaamde dekzandruggen.
1
https://www.brabant.nl/-/media/d69c4891ca6445eaac4aebf74f1dddfd.pdf?la=nl.
31 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Het ontginningslandschap van Maaskant Vanaf de middeleeuwen zijn de rivierkleigronden systematisch van dijken voorzien. Door de aanleg van dijken kreeg het water van de Maas minder ruimte en is een complex stelsel van overlaten ontwikkeld. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden de polders, omdat de komgebieden werden ontwaterd en ingericht voor de landbouw. De open rivierkleipolders worden omgeven door meer besloten oeverwallen. Het grondgebruik op de oeverwallen is gevarieerder dan in de polders. Op de oeverwallen is een halfopen landschap ontstaan met besloten delen met oeverwaldorpen en beplanting, en meer open delen tussen de kernen. Het moderne landschap van Maaskant Delen van de buitendijkse gebieden zijn nog steeds in gebruik voor de landbouw (grondgebonden veehouderij). De uiterwaarden worden echter steeds belangrijker voor ecologie en recreatie. De afwisseling van open en meer besloten gebieden is blijft kenmerkend voor het landschap van de oeverwallen. Door deze afwisseling in het landschap, wordt het gebied gekenmerkt door verschillende soorten van open weide- en akkergebieden en de halfopen oeverwallen.
De landschappelijke ambities in Maaskant De uitwerking van de Gebiedspaspoorten beschrijft de ambitie om het contrast tussen de oeverwallen en rivierkleipolders met overlaten te versterken, door onder andere: - het open karakter van de rivierkleipolders te versterken en openheid en rust voor weide- en akkervogels te behouden (specifiek voor de Beersche Overlaat); - de relatie tussen stad en land te versterken door onder andere de noordrand van Oss te benutten voor mogelijkheden voor verstedelijking, landbouw, recreatief uitloopgebied, waterberging en natuurontwikkeling; - de relatie tussen stad en land te versterken door de ecologische waarden van het landschap te versterken. Hierbij wordt gestuurd op het behouden of ontwikkelen van kenmerken van het landschap, waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van open weide- en akkergebied (zoals weidevogels, ganzen en smienten), waterlopen, dijken en het halfopen landschap goede indicatoren zijn.
3.4.2
Windturbines in het landschap van de Duurzame Polder
De Duurzame Polder wordt gekenmerkt door de grootschaligheid en openheid. Daarbinnen is het gebied rijk aan ecologisch en landschappelijk waardevolle weidevogel- en akkergebieden. Windturbines kunnen effect hebben op deze landschappelijke waarden en gebieden. De grootschaligheid en openheid is grofweg door het gehele verkenningsgebied gelijk. Windturbines kunnen de openheid aantasten, doordat het vrije beeld van de polder wordt verstoord. Windturbines tasten de grootschaligheid (en de beleving daarvan) van een gebied niet per definitie aan. Met windturbines in een open landschap kan de beleving van grootschaligheid ook toenemen. Voor zowel de aantasting van grootschaligheid als openheid, geldt dat hier op voorhand geen algemene uitspraken over te doen zijn. Dit volgt bij de beoordeling van de varianten in hoofdstuk 4. De landschappelijk waardevolle akkergebieden (rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten) concentreren zich in het midden van de Duurzame Polder (zie afbeelding 3.5 onder Natuur). Weidevogels leven verspreid door het gebied, hiervoor zijn geen afgebakende gebieden bepaald (zie ecologische risicoanalyse in bijlage I). Windturbines hebben mogelijk effect op de ecologische of landschappelijke waarden van deze gebieden aan. Of hier sprake van is, moet blijken uit nader landschappelijk onderzoek en visualisaties.
Deze bij de beoordeling van de varianten in hoofdstuk 4. Vanuit landschappelijk perspectief kan de hoeveelheid en omvang van windturbines verschil maken in de landschappelijke effecten. Er kan sprake zijn van veel kleinere windturbines, of juist een kleiner aantal grotere windturbines. Zo kan bijvoorbeeld een vijftal grote windturbines voor minder negatieve effecten zorgen dan een acht kleinere windturbines. Hoewel de grotere windturbines groter zijn en een grotere slagschaduw hebben, kan een groot aantal kleinere turbines veel verstorende effecten hebben. Zo geven deze in dit
32 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
scenario acht slagschaduwen en opgaande masten, ten opzichte van vijf (weliswaar grotere) schaduwen en masten. Dat kan zorgen voor een drukker beeld dan bij een kleiner aantal grotere windturbines.
3.4.3
Conclusie
Landschappelijke effecten kunnen worden bepaald met aanvullend onderzoek, en pas inzichtelijk worden gemaakt in de variantenstudie. Landschap leidt niet tot belemmeringen, maar wel tot aandachtspunten voor de inpassing.
3.5
Water
Het thema Water beschouwt de mogelijke effecten van windturbines op beschermde gebieden vanuit de drinkwatervoorziening. Dit wordt gedaan aan de hand van het aanwezige waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied.
3.5.1
Waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied
Drinkwater wordt gewonnen uit grondwater. Dit gebeurt binnen daarvoor aangewezen gebieden. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen het waterwingebied waar drinkwater wordt gewonnen en grondwaterbeschermingsgebied. Laatstgenoemde is een ‘schil’ rondom het waterwingebied om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Binnen het verkenningsgebied ligt een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied. Afbeelding 3.13 laat dit zien.
Afbeelding 3.13 Overzicht water in het verkenningsgebied
33 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Waterwingebied Het waterwingebied is het meest kwetsbare deel van de waterwinning, omdat hier daadwerkelijk drinkwater wordt gewonnen. Vanuit de Omgevingsverordening Noord-Brabant volgt een strikte bescherming voor deze gebieden. Het doel hiervan is te voorkomen dat de bodem en het grondwater daarin verontreinigd raakt door activiteiten die een risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater. In de Omgevingsverordening is bepaald dat binnen het wingebied alle werkzaamheden in of op de bodem verboden, waaronder constructies en werken. Het oprichting van bebouwing, constructies en werken is daarmee niet toegestaan. De Omgevingsverordening stelt dat vanuit een risicobenadering en het zeer kwetsbare karakter van de waterwingebieden is gekozen voor een absoluut verbod van dergelijke activiteiten. Daarmee vormt het waterwingebied een belemmering en zijn windturbines binnen het waterwingebied niet haalbaar. Grondwaterbeschermingsbied Het grondwaterbeschermingsgebied is een ‘schil’ rondom het waterwingebied met als doel de kwaliteit van het grondwater binnen het waterwingebied te beschermen. De Omgevingsverordening heeft ook voor deze gebieden beschermingsregels bepaald, echter zijn deze minder strikt dan voor het waterwingebied zelf. Zo is het verrichten van activiteiten in de bodem op een diepte van meer dan 3 meter enkel toegestaan onder voorwaarden.
Dit omdat hiermee de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen (zoals kleilagen) aangetast kunnen worden, waardoor de kwaliteit van het grondwater kan worden beïnvloed. Deze voorwaarden gelden voor onder andere grond- en funderingswerken. Een voorbeeld van een voorwaarde is de verplichting van het aanvullen van het bodemprofiel tot tenminste 3 meter onder het oude maaiveld volgen het oorspronkelijke bodemprofiel. Het grondwaterbeschermingsgebied vormt hiermee een aandachtspunt voor de realisatie van windturbines.
3.5.2
Conclusie
Windturbines zijn niet toegestaan binnen het waterwingebied, en enkel onder voorwaarden toegestaan binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Laatstgenoemde vormt een aandachtspunt bij de beoordeling van varianten.
3.6
Archeologie
Het thema Archeologie beschouwt de mogelijke effecten van windturbines op bekende en op verwachte archeologische waarden. In de ruimtelijke ordening worden bekende en verwachte archeologische waarden in beeld gebracht om gebieden met (mogelijke) archeologische waarden aan te duiden en passende onderzoeken uit te voeren.
3.6.1
Bekende archeologische waarden
Ligging in gebieden met bekende archeologische waarden betreft overlap met archeologische monumenten, aangeduid op de Archeologische Monumentenkaart (AMK). Deze archeologische monumenten zijn beschermd erfgoed onder de Erfgoedwet. Gemeenten hebben met het bestemmingsplan de bevoegdheid regels op te stellen voor bescherming van de archeologische monumenten. Aantasting van de waarden van deze archeologische monumenten is niet toegestaan. Werkzaamheden, zoals de bouw van een windturbine, binnen de contouren van een archeologisch monument zijn daarom gebonden aan verbodsbepalingen. Een uiterste mitigerende maatregel kan ex situ behoud zijn. Dit betekent dat het monument wordt opgegraven en zoveel mogelijk behouden blijft. Uitgangspunt blijft echter het in situ behoud van de archeologische waarden. Ligging binnen een archeologisch monument wordt daarom in voorliggende quickscan als belemmering gezien.
34 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 3.14 laat archeologische monumenten binnen de Duurzame Polder zien. Binnen het verkenningsgebied liggen een aantal archeologische monumenten. Dit omvat onder andere vroegere nederzettingen met sporen van bewoning uit de IJzertijd en/of Romeinse tijd.
Afbeelding 3.14 Overzicht bekende en verwachte archeologische waarden Duurzame Polder
3.6.2
Archeologische verwachtingswaarden
Ligging in gebieden met verwachte archeologische waarden is aangeduid aan de hand van data van de gemeenten. De data van de gemeente ’s-Hertogenbosch betreft de daadwerkelijke verwachtingswaarde. De data van de gemeente Oss betreft data van de dubbelbestemmingen ‘archeologie’ zoals vastgelegd in de bestemmingsplannen. Voor beide geldt dat de verwachtingswaarde geeft een indicatie voor te verwachten archeologische waarden in de grond. De kaart geeft een globaal beeld van de trefkans op archeologische resten in de bodem en onder water. De verwachting is gebaseerd op reeds bekende vondsten en de eigenschappen van de bodem. Afbeelding 3.10 laat de archeologische verwachtingswaarde binnen de Duurzame Polder zien. Bij ligging in gebieden met een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde kan zonder nader onderzoek bij uitvoering van de werkzaamheden gestuit worden op archeologische waarden, met mogelijke aantasting of vernietiging tot gevolg. Bij werkzaamheden binnen deze gebieden geldt dat archeologisch (bureau)onderzoek voor uitvoering van de werkzaamheden uitsluitsel moet geven over de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en de bijpassende maatregelen.
3.6.3
Conclusie
Overlap met archeologische monumenten leidt tot een belemmering voor windturbines op die locatie. Ligging binnen gebieden met een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde leidt tot aanvullend onderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden. Hiermee wordt voorkomen dat bij uitvoering van werkzaamheden onverhoopt wordt gestuit op archeologische waarden.
35 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
3.7
Slagschaduw
De wieken van een windturbine draaien rond. Hierdoor ontstaan schaduwen, die meebewegen met het ronddraaien van de windturbine. De schaduw die een windturbine veroorzaakt heet slagschaduw. Deze slagschaduw reikt het verst als de zon laag staat, wat het geval is gedurende de winter, de ochtenduren en de avonduren. Het verschijnen en verdwijnen van de schaduw in, met name, een woning kan als zeer hinderlijk worden ervaren. Daarom zijn normen opgesteld die bepalen hoe lang (uren per jaar) slagschaduw op een gevoelig object (zoals een woning) mag optreden. In het Activiteitenbesluit (zie kader in 3.1 voor de status hiervan) is vastgesteld dat een stilstandvoorziening is vereist wanneer de afstand tussen gevoelige objecten, zoals woningen, en een windturbine minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw optreedt. Deze 20 minuten per dag voor 17 jaren is gemakshalve omgerekend naar een maximale periode van 5 uur en 40 minuten op jaarbasis. Het formaat van de turbine (hoogte en rotordiameter) heeft invloed op de grootte van de slagschaduw en daarmee op het potentiële aantal gehinderden. Daarnaast is ook de plaatsing - in relatie tot de positie van de zon - van windturbines ten opzichte van kwetsbare objecten van belang.
Afhankelijk van de plaatsing kunnen een groter aantal kleine turbines een groter slagschaduweffect veroorzaken dan een kleiner aantal grote windturbines.
3.7.1
Slagschaduwcontour van een windturbine
Voor de gebiedsanalyse is een indicatieve locatie van een windturbine binnen de Duurzame Polder gebruikt om een indicatie te geven van de slagschaduwcontour. Onderstaande afbeelding 3.15 laat deze indicatieve slagschaduwcontour zien. De figuur laat zien dat de slagschaduwcontour rondom een solitaire turbine een ‘vlinder’ vormt. De omvang van deze ‘vlinder’ neemt toe met de grootte (rotordiameter en ashoogte) van de turbine. Bij de ontwikkeling van specifieke turbineposities moet rekening gehouden worden met de slagschaduwcontour en de hinder op omwonenden. Als niet voldaan kan worden aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, moet een stilstandvoorziening toegepast worden. Hierdoor kan de turbine minder uren draaien, wat de energieopbrengst niet ten goede komt. Daarnaast kan dit gevolgen zijn voor de business case van het windpark.
Afbeelding 3.15 Indicatieve slagschaduwcontour windturbine (aantal uren slagschaduw per jaar per referentieturbine, met ‘geen slagschaduw buiten de ‘0 uur’ contour’ en ‘slagschaduw binnen de 05.40 uur norm’)
36 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
3.7.2
Conclusie
Vanuit wetgeving is het aantal uren per jaar waarop een woning slagschaduw mag ontvangen, beperkt. Bij de overschrijding van deze maximale slagschaduwduur moet de windturbine worden stilgezet. Slagschaduw speelt met name op zonnige dagen in de winter, in de ochtend- en avonduren. In deze perioden beslaat de slagschaduw het grootste gebied.
37 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
DEEL 3 - VERGELIJKING VARIANTEN OP MILIEUEFFECTEN
38 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
4 BESCHRIJVING VARIANTEN Dit hoofdstuk beschrijft de varianten die in deze quickscan worden beoordeeld op milieueffecten. De varianten zijn ontworpen in het zogenoemde ontwerpend onderzoek. Het ontwerpend onderzoek heeft vier denkrichtingen ontwikkeld, waarbinnen voor elk vier varianten zijn ingetekend. Totaal zijn daarmee 16 varianten in beeld voor de ontwikkeling van windenergie binnen de Duurzame Polder. De denkrichtingen hebben alle een eigen leidend ruimtelijk principe. Van de vier varianten binnen de denkrichtingen is ‘variant 1’ ontworpen met ‘turbinetype 1’. Dit is een windturbine met een tiphoogte van 210 meter. De overige drie varianten binnen de denkrichtingen zijn ontworpen met ‘turbinetype 2’. Dit is een windturbine met een tiphoogte van 260 meter. Beide turbinetypen vallen hiermee binnen de in deze quickscan gehanteerde bandbreedte van referentieturbines (zie paragraaf 2.3). Voor alle denkrichtingen is zijn per variant de volgende principes gehanteerd: - variant 1: turbinetype 1, binnen de energie-opgave en ruimtelijke kaders; - variant 2: turbinetype 2, binnen de energie-opgave en ruimtelijke kaders; - variant 3: turbinetype 2, maximale energieopbrengst, ruimtelijke kaders worden losgelaten; - variant 4: turbinetype 2, ‘special’: turbineposities buiten het zoekgebied, geen vaste ruimtelijke kaders vanuit het ontwerpprincipe en vaak een maximale energieopbrengst.
Onderstaande paragrafen geven een korte toelichting op de denkrichtingen en de daarbij horende varianten. Voor een uitgebreide toelichting op de (totstandkoming van) de varianten binnen de denkrichtingen wordt verwezen naar het document waarin de varianten zijn uitgewerkt (Ontwerpvarianten Duurzame Polder, 1 februari 2023).
4.1
Denkrichting 1: ‘een grootschalig hart’
Denkrichting 1 plaatst windturbines voornamelijk in het midden van de Duurzame Polder, in lijn met het ruimtelijk principe ‘een grootschalig hart’. De windturbines worden als één ruimtelijk cluster geplaatst in het ‘hart’ van de polder. De varianten omvatten achtereenvolgens het volgende aantal turbines: 26, 18, 22 en 30. Afbeelding 4.1 laat de vier varianten binnen deze denkrichting zien.
39 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 4.1 Varianten binnen denkrichting 1: ‘een grootschalig hart’
4.2
Denkrichting 2: ‘het wijde westen’
Denkrichting 2 plaatst windturbines voornamelijk op de as rondom het rustgebied voor smienten en ganzen in Duurzame Polder. Hiermee wordt het westelijk deel van het gebied gevrijwaard, in lijn met het ruimtelijk principe ‘het wijde westen’. De varianten omvatten achtereenvolgens het volgende aantal turbines: 25, 16, 20 en 26. Afbeelding 4.2 laat de vier varianten binnen deze denkrichting zien.
Afbeelding 4.2 Varianten binnen denkrichting 2: ‘het wijde westen’
4.3
Denkrichting 3: ‘een veelkleurig mozaïek’
Denkrichting 3 plaatst windturbines meer verspreid door de Duurzame Polder, in lijn met het ruimtelijk principe ‘een veelkleurig mozaïek’. Deze denkrichting houdt bestaande waarden zoveel mogelijk in stand, waardoor de windturbines op grotere afstand tot elkaar staan. De varianten omvatten achtereenvolgens het volgende aantal turbines: 23, 16, 21 en 25. Afbeelding 4.3 laat de vier varianten binnen deze denkrichting zien.
40 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 4.3 Varianten binnen denkrichting 3: ‘een veelkleurig mozaïek’
4.4
Denkrichting 4: ‘lange lijnen van oost naar west’
Denkrichting 4 plaatst windturbines zoveel mogelijk op de as van oost naar west binnen de Duurzame Polder, in lijn met het ruimtelijk principe ‘lange lijnen van oost naar west’. De varianten omvatten achtereenvolgens het volgende aantal turbines: 23, 15, 22 en 19. Afbeelding 4.4 laat de vier varianten binnen deze denkrichting zien.
Afbeelding 4.4 Varianten binnen denkrichting 4: ‘lange lijnen van oost naar west’
41 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
5 VERGELIJKING VARIANTEN Dit hoofdstuk laat de beoordeling van de varianten op milieueffecten zien. De varianten, zoals beschreven in hoofdstuk 4, worden hierbij geprojecteerd op de milieu-informatie zoals gepresenteerd in hoofdstuk 3. Voor elk van de milieuthema’s is onderscheid te maken in belemmeringen (uitsluitingscriteria) en aandachtspunten. De onderstaande paragrafen beschrijven daarom per milieuthema of er sprake is van overlap met belemmeringen, en zo ja voor welke varianten dit geldt. Daarnaast worden de aandachtspunten per thema en aspect voor de denkrichtingen en daarbij horende varianten inzichtelijk gemaakt. Mede op basis van deze belemmeringen en aandachtspunten vanuit milieu, kunnen bestuurders een trechtering maken van 16 varianten naar circa vijf alternatieven. Voor alle in de quickscan onderzochte milieuthema’s zijn kaarten opgenomen met de milieu-informatie en één variant per denkrichting. Deze variant representeert de ‘worst-case’-variant binnen de denkrichting, ofwel de meeste turbineposities met overlap met belemmerings- of aandachtsgebieden vanuit desbetreffend milieuthema. Daarnaast laten tabellen zien hoe de effecten van de overige varianten zich verhouden tot de effecten van de ‘worst-case’-variant. Door niet voor alle varianten aparte kaarten op te nemen, wordt de omvang van de quickscan beperkt. Geluid vormt hierop een uitzondering.
Gezien de complexiteit van geluid, zijn hiervoor per denkrichting twee afbeeldingen opgenomen, één voor turbinetype 1 en één voor turbinetype 2.
5.1
Vergelijking varianten - wonen en geluid
Voor het thema wonen en geluid zijn de varianten geprojecteerd op de geluidcontouren zoals gepresenteerd in paragraaf 3.1. Hierbij is de ‘47 dB Lden met mitigatie’ als belemmering beschouwd. Binnen deze contour rondom geluidsgevoelige objecten is het wettelijk niet mogelijk om windturbines te plaatsen (zie ook 3.1). De geluidcontour die volgt uit toepassing van de 45 dB Lden WHO-richtlijn wordt beschouwd als aandachtspunt. Daarmee is ligging binnen deze contour geen uitsluitingscriterium, maar vormt het vanwege de mogelijke aanpassing van de wettelijke normstelling in het Activiteitenbesluit, een aandachtspunt. Hetzelfde geldt voor toepassing van de bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB Lden van de gemeente Oss. Onderstaande paragrafen tonen de beoordeling van de belemmeringen en aandachtspunten voor het thema wonen en geluid. Voor de belemmeringen is kaartmateriaal opgenomen. Hiermee wordt de overlap tussen turbineposities binnen de varianten met de geluidcontouren van 47 dB Lden met- en zonder mitigatie in beeld gebracht. De overlap van turbineposities binnen de varianten met de 45 dB Lden met- en zonder mitigatie is inzichtelijk gemaakt middels een tabel.
5.1.1
Belemmeringen voor varianten
Met toepassing van mitigerende maatregelen (draaien van de windturbines in een stillere geluidsmodus), ligt geen van de windturbines binnen de 47 dB Lden geluidcontour rondom gevoelige bestemmingen. Zonder toepassing van mitigerende maatregelen liggen binnen alle opstellingsvarianten meerdere turbineposities binnen de 47 dB Lden geluidcontour. Dit betekent dat dan niet wordt voldaan aan de norm, tenzij maatregelen worden doorgevoerd. Tabel 5.1 laat dit zien.
42 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Tabel 5.1 Overlap aspecten milieuthema geluid (belemmeringen) met aantal turbineposities per variant per denkrichting* Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
47 dB met mit.
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
47 dB zonder mit.
10
13
16
25
8
13
17
22
11
13
18
22
9
14
19
18
* de varianten 1 (turbinetype 1) zijn geprojecteerd op de geluidcontouren van de Nordex117 (referentieturbine ondergrens). De overige varianten zijn geprojecteerd op de geluidcontouren van de Vestas V172 (referentieturbine bovengrens).
Onderstaand wordt per denkrichting in beeld gebracht welke turbineposities overlappen met de 47 dB Lden geluidcontouren. Voor elke denkrichting zijn twee varianten in beeld gebracht: variant 1 (turbinetype 1) op de geluidcontouren van de Nordex117 en variant 4 (turbinetype 2) op de geluidcontouren van de Vestas V172. Dit omdat variant 4 voor alle denkrichtingen de meeste turbineposities met overlap met deze geluidcontouren bevat. Daarmee is de worst-case situatie in beeld gebracht. Generiek is op basis van tabel 5.1 te concluderen dat, als de 47 dB norm in het Activiteitenbesluit door het rijk met nieuwe regelgeving wordt herbevestigd, alle varianten uitvoerbaar zijn, mits mitigatie wordt toegepast. Variant 4 binnen denkrichting 1 kent het meest overlap met de 47 dB Lden geluidcontour (zonder mitigatie). De denkrichtingen zijn als geheel beperkt onderscheidend ten opzichte van elkaar. Vergelijking belemmeringen denkrichting 1 ‘grootschalig hart’ Afbeelding 5.1 laat de ligging van de varianten 1 en 4 binnen deze denkrichting ten opzichte van de 47 dB geluidcontour met en zonder mitigatie zien.
Afbeelding 5.1 De 47 dB Lden geluidscontour met en zonder mitigatie (links: variant 1, rechts: variant 4)
Geen van de varianten overlapt met de 47 dB Lden geluidcontour met toepassing van mitigatie. Zonder toepassing van mitigatie overlappen voor alle varianten meerdere turbineposities met de 47 dB Lden geluidcontour. Het aantal overlappende turbineposities varieert van 10 tot 25 (zie tabel 5.1). Dit is een aandachtspunt, waaruit volgt dat deze varianten (bij handhaving van de huidige geluidnorm) enkel uitvoerbaar zijn met toepassing van mitigatie. Molenaarswoningen ‘Molenaarswoningen’ of ‘woningen in de sfeer van de inrichting’ zijn woningen waarvan de bewoners ook initiatiefnemer en mede-eigenaar van het windpark zijn. Onder strikte juridische voorwaarden is het hiermee mogelijk om af te wijken van de gebruikelijke normen die gelden als bescherming van omwonenden tegen bijvoorbeeld geluid of slagschaduw. Dit maakt het mogelijk om windturbines op een kortere afstand van deze molenaarswoningen te plaatsen dan de nu gehanteerde afstanden voor ‘reguliere’ woningen waarbij de
43 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
geluidcontour van 47 dB vaak maatgevend is. Dit leidt ertoe dat potentieel meer gebieden in aanmerking kunnen komen voor het ontwikkelen van windturbines. Vergelijking belemmeringen denkrichting 2 ‘het wijde westen’ Afbeelding 5.2 laat de ligging van de varianten 1 en 4 binnen deze denkrichting ten opzichte van de 47 dB Lden geluidcontour met en zonder mitigatie zien.
Afbeelding 5.2 De 47 dB Lden geluidscontour met en zonder mitigatie (links: variant 1, rechts: variant 4)
Geen van de varianten overlapt met de 47 dB Lden geluidcontour met toepassing van mitigatie. Zonder toepassing van mitigatie overlappen voor alle varianten meerdere turbineposities met de 47 dB Lden geluidcontour. Het aantal overlappende turbineposities varieert van 8 tot 22 (zie tabel 5.1). Dit is een aandachtspunt, waaruit volgt dat deze varianten (bij handhaving van de huidige geluidnorm) enkel uitvoerbaar zijn met toepassing van mitigatie. Vergelijking belemmeringen denkrichting 3 ‘een veelkleurig mozaïek’ Afbeelding 5.3 laat de ligging van de varianten 1 en 4 binnen deze denkrichting ten opzichte van de 47 dB geluidcontour met en zonder mitigatie zien.
Afbeelding 5.3 De 47 dB Lden geluidscontour met en zonder mitigatie (links: variant 1, rechts: variant 4)
Geen van de varianten overlapt met de 47 dB Lden geluidcontour met toepassing van mitigatie. Zonder toepassing van mitigatie overlappen voor alle varianten meerdere turbineposities met de 47 dB Lden geluidcontour. Het aantal overlappende turbineposities varieert van 11 tot 22 (zie tabel 5.1). Dit is een
44 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
aandachtspunt, waaruit volgt dat deze varianten (bij handhaving van de huidige geluidnorm) enkel uitvoerbaar zijn met toepassing van mitigatie. Vergelijking belemmeringen 4 ‘lange lijnen van oost naar west’ Afbeelding 5.4 laat de ligging van de varianten 1 en 4 binnen deze denkrichting ten opzichte van de 47 dB Lden geluidcontour met en zonder mitigatie zien.
Afbeelding 5.4 De 47 dB Lden geluidscontour met en zonder mitigatie (links: variant 1, rechts: variant 4)
Geen van de varianten overlapt met de 47 dB Lden geluidcontour met toepassing van mitigatie. Zonder toepassing van mitigatie overlappen voor alle varianten meerdere turbineposities met de 47 dB Lden geluidcontour. Het aantal overlappende turbineposities varieert van 9 tot 19 (zie tabel 5.1). Dit is een aandachtspunt, waaruit volgt dat deze varianten (bij handhaving van de huidige geluidnorm) enkel uitvoerbaar zijn met toepassing van mitigatie. Conclusie vergelijking varianten - belemmeringen wonen en geluid De denkrichtingen zijn als geheel beperkt onderscheidend ten opzichte van elkaar. Alle varianten, binnen alle denkrichtingen zijn uitvoerbaar met toepassing van geluidsmitigatie. Zonder toepassing van mitigatie liggen bij alle varianten 8 tot 20 turbineposities binnen de 47 dB Lden geluidcontour. Hieruit volgt dat de varianten (bij handhaving van de huidige geluidnorm) enkel uitvoerbaar zijn met toepassing van mitigerende maatregelen.
5.1.2
Aandachtspunten voor varianten
Toepassing van de 45 dB geluidcontouren Toepassing van de 45 dB Lden geluidcontouren rondom geluidgevoelige objecten leidt tot meer overlap met turbineposities binnen de varianten. Dit komt omdat de omvang van de geluidcontouren rondom de gevoelige bestemmingen toeneemt naarmate de geluidnormen strenger worden (zie ook paragraaf 3.1). De normen uit het Activiteitenbesluit worden herzien, waardoor op dit moment niet is uit te sluiten dat een strengere norm wordt vastgesteld. Deze quickscan loopt echter niet vooruit op de herziening van de normstelling, waarmee een strengere norm niet bij voorbaat als belemmering wordt beschouwd. Daarom is het toepassen van de 45 dB Lden WHO-richtlijn in deze quickscan meegenomen als aandachtspunt, niet als (uitsluitende) belemmering. Onderstaande tabel 5.2 laat zien hoeveel turbineposities per variant overlappen met de 45 dB Lden WHO-richtlijn rondom geluidgevoelige objecten, zowel met als zonder toepassing van mitigatie.
45 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Tabel 5.2 Overlap aspecten milieuthema geluid (aandachtspunten) met aantal turbineposities per variant per denkrichting Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
45 dB met mit.
7
12
14
22
2
12
16
17
1
12
17
20
0
12
17
15
45 dB zonder mit.
19
18
22
30
20
16
20
26
16
16
21
25
16
15
22
19
De tabel laat zien dat voor elke variant binnen de denkrichtingen het aantal turbineposities dat binnen de 45 dB Lden WHO-richtlijn toeneemt ten opzichte van de 47 dB Lden norm. Zonder toepassing van mitigatie liggen vrijwel alle turbineposities binnen de geluidcontouren. Met toepassing van mitigatie geldt voor elke denkrichting dat variant 1 het minste overlap kent, waaruit volgt dat hiervoor de minste aandachtspunten en risico’s gelden als door het Rijk een strengere geluidsnorm wordt vastgesteld. Variant 1 binnen denkrichting 1 vormt hierop een uitzondering, omdat 7 van de 26 turbineposities binnen de geluidcontouren liggen, ondanks toepassen van mitigatie. Hieruit volgt dat denkrichting 1 zich op dit aspect onderscheidt ten opzichte van de overige denkrichtingen. Toepassen van de gemeentelijke bufferafstanden tot de bebouwde kom In de gemeenteraden is vastgesteld dat het zoekgebied voor windturbines een minimale afstand aan moet houden van de bebouwde kom: - Oss: tenminste 2 kilometer van de huidige bebouwde komgrens; - ’s-Hertogenbosch: tenminste 1 kilometer tot bebouwde kom van de kernen (en gerekend vanaf de grens van het bestemmingsplangebied ‘De Groote Wielen Noordoosthoek’. Afbeelding 5.5 laat de ligging van de variant 4 (denkrichting 1) en variant 1 (denkrichting 1) in relatie tot de gemeentelijk bepaalde bufferafstanden tot woonkernen zien.
Afbeelding 5.5 De worst-case (links) en best-case (rechts) variant in relatie tot de gemeentelijk bepaalde bufferafstanden tot woonkernen
Tabel 5.3 laat per variant zien hoeveel turbineposities binnen de gemeentelijk bepaalde bufferafstanden tot de woonkernen van gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch liggen.
46 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Tabel 5.3 Overlap aspecten milieuthema geluid (aandachtspunten) met aantal turbineposities per variant per denkrichting Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
bufferafstand bebouwde kom
0
0
0
3
0
0
0
6
0
0
0
6
0
0
0
4
Uit de tabel volgt voor alle denkrichtingen dat varianten 1 t/m 3 niet overlappen met de gemeentelijke bufferafstanden. Voor variant 4 geldt in alle denkrichtingen dat meerdere turbineposities overlappen met de bufferafstanden en daarmee binnen een afstand van respectievelijk 1 of 2 kilometer tot woonkernen liggen. Toepassen van de bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB Lden van de gemeente Oss. In de gemeente Oss is voor het reeds ontwikkelde windmolenpark Elzenburg - De Geer een bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB Lden bepaald. Uit de gebiedsanalyse in deel 1 van deze quickscan (zie paragraaf 3.1.2) volgt dat zonder toepassing van mitigatie geen tot nauwelijks zoekruimte is voor inpassing van de Vestas V172 windturbine. Hieruit volgt dat binnen alle denkrichtingen voor de varianten 2, 3 en 4 geldt dat alle windturbineposities binnen de geluidcontouren van de 42 dB Lden streefwaarde liggen, zie ook onderstaande tabel. Tabel 5.4 laat per variant zien hoeveel turbineposities binnen de geluidcontouren liggen die volgen uit de bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB Lden van de gemeente Oss.
Tabel 5.4 Overlap aspecten milieuthema geluid (aandachtspunten) met aantal turbineposities per variant per denkrichting Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
42 dB met mit.
19
18
22
30
20
16
20
26
16
16
21
25
16
15
22
19
42 dB zonder mit.
26
18
22
30
25
16
20
26
22
16
21
25
21
15
22
19
Uit de tabel volgt dat voor alle denkrichtingen geldt dat variant 1 grotendeels overlapt met de geluidcontouren. Alle varianten 2, 3 en 4 overlappen volledig met de geluidcontouren. Hieruit volgt dat bij toepassing van de 42 dB Lden streefwaarde, geen van de varianten uitvoerbaar is.
5.2
Vergelijking varianten - natuur
Afbeelding 5.6 laat de beoordeling van varianten voor het thema natuur op kaart zien. Voor alle denkrichtingen is hierbij de variant getoond met de meeste turbineposities binnen door de provincie beschermde gebieden voor natuur. Dit betreft voor alle denkrichtingen variant 1.
47 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 5.6 Vergelijking varianten - natuur: de worst-case variant per denkrichting
Tabel 5.5 laat per denkrichting en variant zien hoeveel windturbineposities binnen een van de beschermde gebieden liggen. Onder de tabel wordt voor de eventuele belemmeringen en aandachtspunten toegelicht of en in hoeverre de varianten zich onderscheiden op deze aspecten.
Tabel 5.5 Overlap aspecten milieuthema natuur met aantal turbineposities per variant per denkrichting Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
ligging in Natura 2000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1,5 km tot Natura 2000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
ligging in NNB
3
2
2
2
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
½ rotordiameter tot NNB
7
3
4
4
0
0
0
1
0
0
0
0
1
0
0
0
rustgebied ganzen en smienten
13
10
13
17
8
6
6
6
8
4
8
6
11
6
9
6
Voor het thema natuur is op voorhand is niet te spreken van belemmeringen, omdat het wel of niet aan de orde zijn van een belemmering volgt uit de risicoanalyse en aanvullend ecologisch onderzoek. Daarom gelden alle aspecten als aandachtspunten, die verder worden onderzocht in het MER. De aandachtspunten worden hieronder beschreven, waarbij voor meer uitgebreide informatie wordt verwezen naar de ecologische risicoanalyse in bijlage I.
48 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
5.2.1
Aandachtspunten voor varianten - beschermde gebieden
Natura 2000 Tabel 5.4 en afbeelding 5.6 laten zien dat geen van de varianten in of binnen 1,5 kilometer tot Natura 2000gebieden ligt. Dit betekent dat fysieke effecten op Natura 2000-gebieden door vernietiging niet aan de orde is. Effecten door verstoring van vogels binnen vogelrichtlijngebied is niet op voorhand uit te sluiten. Dit geldt voor alle varianten. Voor alle varianten is nader onderzoek nodig om te bepalen in welke mate de realisatie en gebruiksfase van windturbines zorgt voor aantasting en/of verstoring van de Natura 2000-gebieden. Hetzelfde geldt voor stikstofeffecten. De effecten door stikstofemissie tijdens de aanlegfase kunnen verder reiken dan de grenzen van het verkenningsgebied. Daarom moet in een vervolgfase worden onderzocht in hoeverre het project leidt tot welke stikstofbijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden. De varianten zijn hierop niet onderscheidend. Daarmee onderscheiden de varianten zich niet op het aspect Natura 2000. Natuurnetwerk Brabant Tabel 5.4 en afbeelding 5.6 laten zien dat de varianten binnen denkrichting 1 binnen een NNB-gebied liggen. Daarnaast liggen binnen deze varianten meerdere turbineposities binnen een ½ rotordiameter tot het NNBgebied, hierdoor is sprake van overdraai over het NNB.
Voor de andere denkrichtingen geldt dat enkel variant 4 van denkrichting 2 en variant 1 van denkrichting 4 binnen ½ rotordiameter tot het NNB-gebied liggen. De varianten binnen denkrichting 1 onderscheiden zich hiermee van de overige varianten. Voor de varianten binnen denkrichting 1 geldt dat ligging binnen het NNB-gebied betekent dat aantasting van de beschermde natuurwaarden in dit gebied niet kan worden uitgesloten. Het risico op aantasting van deze beschermde waarden is groter voor de turbineposities binnen dit gebied, dan voor de turbineposities daarbuiten. Een ‘nee-tenzij’-toets is noodzakelijk om uit te wijzen of en in welke mate de aanleg en het gebruik van windturbines een mogelijk significant effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Ook voor de varianten die binnen ½ rotordiameter geldt dat effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Daarnaast kunnen ook effecten optreden buiten deze afstand van ½ rotordiameter. Hierbij geldt generiek dat het risico op negatieve effecten afneemt naarmate de afstand tot het NNB-gebied toeneemt. Voor alle varianten is nader onderzoek nodig om uit te wijzen of en in welke mate de aanleg en het gebruik van windturbines een mogelijk significant negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB.
Bij deze toets wordt tevens de ligging in of nabij de groenblauwe mantel beschouwd (zie bijlage I). Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Tabel 5.4 laat zien dat bij alle varianten één of meerdere turbineposities binnen het rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten liggen. Voor denkrichting 1 zijn dit de meeste turbines, namelijk tussen de 13 en 17. Voor alle varianten geldt dat een ‘nee, tenzij’-toets doorlopen moet worden om in beeld te brengen wat de effecten op het rust- en foerageergebied zijn. De effecten op dit gebied hangen af van het voorkomen van ganzen en smienten, samenhangend met de vliegroutes en periode waarin de ganzen en smienten in het gebied zijn. Omdat alle varianten binnen het gebied liggen, onderscheiden de varianten zich beperkt op dit aspect. Compensatiegebieden Natuurzone De Groote Wielen Noordoosthoek In het ontwerp bestemmingsplan Natuurzone De Groote Wielen Noordoosthoek (ter inzage gelegd vanaf27 december 2022) heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch een aantal natuurcompensatiegebieden aangewezen. Deze gebieden grenzen aan de ecologische verbindingszone van het NNB. Voor twee varianten geldt dat één turbinepositie overlapt met één van de compensatiegebieden. Het gaat om variant 4 van denkrichting 1 en variant 3 van denkrichting 3. De overige varianten overlappen niet met de natuurcompensatiegebieden.
49 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
5.2.2
Aandachtspunten voor varianten - beschermde soorten
Diersoorten kunnen beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Dit gaat onder andere om vogels en vleermuizen, waar voor beide sprake is van een verhoogd risico op sterfte door windturbines. In paragraaf 3.2 en de ecologische risicoanalyse (bijlage I) is een overzicht gegeven van concentratiegebieden (‘hotspots’) waar beschermde soorten aanwezig zijn of worden verwacht. Vogels Alle varianten overlappen met concentratiegebieden van beschermde vogelsoorten. Dit is met name een aandachtspunt in het zuidwesten en oosten van het zoekgebied. Door de overlap met concentratiegebieden zijn significant negatieve effecten op beschermde vogelsoorten door verstoring en/of sterfte niet op voorhand uit te sluiten. Voor alle varianten dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. De locaties waar de vogelwaarnemingen geconcentreerd zijn, hebben een meer natuurlijke inrichting. Dit betreft natte gebieden, natuurvriendelijke akkerranden en eendenkooien met kwelders. Windturbines in deze gebieden vormen een groter risico op verstoring en/of sterfte van vogels. Binnen alle varianten staan één of meer windturbines in of nabij de concentratiegebieden van waargenomen vogels. Hetzelfde geldt voor de ligging nabij jaarrond beschermde nesten. Daarom geldt dat voor vogels en jaarrond beschermde nesten voor alle varianten aanvullend onderzoek verricht moet worden.
Dit volgt in de milieuonderzoeken in het MER. Als uit het onderzoek blijkt dat beschermde vogels of jaarrond beschermde nesten vernietigd of verstoord worden, is een ontheffing nodig en zijn maatregelen nodig om verstoring en/of vernietiging te voorkomen. Vleermuizen Alle varianten overlappen met concentratiegebieden van beschermde vleermuissoorten. Dit is met name een aandachtspunt in het midden en oosten van het zoekgebied. Door de overlap met concentratiegebieden zijn significant negatieve effecten op beschermde vleermuizen door verstoring en/of sterfte niet op voorhand uit te sluiten. Voor alle varianten dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. De locaties waar de vleermuiswaarnemingen geconcentreerd zijn worden gekenmerkt door landschapselementen zoals watergangen en bomenrijen. Windturbines nabij deze landschapselementen vormen een groter risico op verstoring en/of sterfte van vleermuizen. Overige soorten Alle varianten overlappen met concentratiegebieden van overige beschermde soorten. Door de overlap met concentratiegebieden zijn significant negatieve effecten op overige beschermde soorten door verstoring en/of sterfte niet op voorhand uit te sluiten. Voor alle varianten dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd.
5.3
Vergelijking varianten - veiligheid
5.3.1
Belemmeringen voor varianten
De belemmeringen vanuit veiligheid volgen uit wet- en regelgeving waarin externe veiligheidsafstanden zijn bepaald. De belemmeringen zijn in paragraaf 3.3 uitgewerkt. Op één variant na, overlapt geen van de varianten met belemmeringen vanuit externe veiligheid. Dit maakt dat externe veiligheid op voorhand geen belemmering vormt voor de varianten. De uitzondering is variant 4 binnen denkrichting 1, zie afbeelding 5.6. Van deze variant overlapt één turbinepositie (de meest noordoostelijke turbinepositie) met de veiligheidscontour rondom kwetsbaar object. Dit is mogelijk met schuifruimte op te lossen. Vooralsnog onderscheidt deze variant 4 binnen denkrichting 1 zich ten opzichte van de overige varianten. Afbeelding 5.7 laat dit zien.
50 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 5.7 Vergelijking varianten - veiligheid: de worst-case variant (variant 4 van denkrichting 1)
5.3.2
Aandachtspunten voor varianten
De aandachtspunten vanuit veiligheid volgen uit beleid en de Handreiking Risicozonering Windturbines en zijn van toepassing op externe veiligheid en defensie. De aandachtspunten zijn in paragraaf 3.3 uitgewerkt. De varianten en denkrichtingen zijn niet onderscheidend op de aandachtspunten vanuit externe veiligheid. Alle varianten liggen met meerdere turbineposities binnen het laagvlieggebied Maas/Waal. Daarnaast overlapt voor alle varianten ten minste één turbinepositie met de laagvliegroute voor propellervliegtuigen en helikopers. Voor het realiseren van bebouwing (zoals een windturbine) geldt geen restrictie, maar wel een toetsingsverplichting. Zowel het laagvlieggebied als de laagvliegroute vormen hiermee niet op voorhand een belemmering, maar wel een aandachtspunt. Voor alle varianten wordt de ligging binnen het laagvlieggebied en nabij de laagvliegroute als aandachtspunt meegenomen richting de eventuele milieuonderzoeken in het MER.
5.4
Vergelijking varianten - landschap
Omdat landschap geen belemmering (uitsluitingscriterium) vormt, biedt deze analyse enkel inzicht in aandachtspunten.
5.4.1
Aandachtspunten voor varianten
Voor het thema landschap zijn visualisaties gemaakt die een indicatie geven van het landschappelijk beeld dat ontstaat bij realisatie van windturbines binnen de Duurzame Polder. Deze visualisaties zijn vanuit 5 zichtpunten binnen het verkenningsgebied gemaakt. Deze zichtpunten liggen aan de rand van de woonkernen of op nabijgelegen wegen. Hiermee wordt een realistische indicatie geschetst van de landschappelijke veranderingen door de realisatie van windturbines, gezien vanuit locaties waar veel mensen
51 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
wonen of komen. Voor elk van de denkrichtingen zijn per zichtpunt twee varianten gevisualiseerd, namelijk de variant 1 (turbinetype 1) en een van de andere varianten met turbinetype 2. Om de omvang van deze quickscan te beperken, is onderstaand per zichtpunt één visualisatie opgenomen die een representatief beeld schetst van het zicht op windturbines vanuit die locatie. Om een vertekend beeld door de verschillende configuraties van varianten te voorkomen, is voor alle zichtpunten de visualisatie van variant 2 van denkrichting 4 afgebeeld. Dit omdat binnen deze variant de turbineposities het meest verspreid door het verkenningsgebied liggen, en de variant is opgebouwd met turbinetype 2 (de grote turbine). Afbeelding 5.8 laat hierdoor vanuit alle zichtpunten een landschappelijk beeld zien van deze variant. In bijlage II zijn per denkrichting alle visualisaties opgenomen.
Afbeelding 5.8 Landschappelijke visualisaties van variant 2 van denkrichting 4
Afbeelding 5.8 laat zien dat voor alle varianten geldt dat de windturbines in meer of mindere mate zichtbaar zijn vanuit de vijf zichtpunten verspreid door de Duurzame Polder. Voor alle zichtpunten geldt dat het zicht over de open polder verandert door de windturbines in de verte. Vanuit de dorpskernen zelf, zijn de windturbines naar verwachting minder zichtbaar. Dit omdat het zicht versperd wordt door bomen of bebouwing in of rondom de woonkernen. De varianten in denkrichting 1 zijn relatief geclusterd binnen de Duurzame Polder. Daarmee zijn de windturbines binnen deze denkrichting vanuit de oostkant van het gebied (Oss) minder zichtbaar, maar vanuit de westkant (’s-Hertogenbosch) juist meer zichtbaar. Voor de meer verspreide varianten van de overige denkrichtingen, geldt dat de windturbines vanuit een groter gebied zichtbaar kunnen zijn. Ook geldt over het algemeen dat een meer verspreide opstelling en/of opstellingen die beperkt aansluiten bij de
52 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
hoofdstructuren in het landschap, leiden tot een minder herkenbare opstellingsstructuur en daarmee tot een rommeliger beeld. Concluderend kan gesteld worden dat de varianten binnen de denkrichtingen zich beperkt onderscheiden op landschap. Voor alle varianten treden landschappelijke effecten op, omdat voor alle varianten geldt dat de windturbines zichtbaar zijn vanuit meerdere zichtpunten en locaties binnen de Duurzame Polder. Voor alle varianten geldt daarom dat nader milieuonderzoek de landschappelijke effecten verder in kaart moet brengen.
5.5
Vergelijking varianten - water
Afbeelding 5.9 laat de vergelijking van varianten voor het thema water op kaart zien. Voor alle denkrichtingen is hierbij de variant getoond met de meeste turbineposities binnen relevante gebieden vanuit het thema water.
Afbeelding 5.9 Vergelijking varianten - water: de worst-case variant per denkrichting
Tabel 5.6 laat ligging van het aantal turbineposities per variant van de denkrichtingen binnen een van de aspecten vanuit het thema water zien. Onder de tabel wordt voor de eventuele belemmeringen en aandachtspunten toegelicht of en in hoeverre de varianten zich onderscheiden op deze aspecten.
Tabel 5.6 Overlap aspecten milieuthema water met aantal turbineposities per variant per denkrichting Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
waterwingebied
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
53 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
grondwaterbeschermingsgebied
0
0
3
3
0
0
0
0
0
0
2
1
4
2
3
3
5.5.1
Belemmeringen voor varianten
Uit tabel 5.5 volgt dat geen van de varianten binnen de denkrichtingen overlapt met het waterwingebied. De belemmeringen vanuit dit aspect zijn daarmee niet van toepassing. Daaruit volgt dat alle varianten op voorhand haalbaar zijn vanuit het thema water.
5.5.2
Aandachtspunten voor varianten
Tabel 5.5 laat zien dat geen van de varianten binnen denkrichting 2 overlapt met het grondwaterbeschermingsgebied. Daarmee onderscheidt deze denkrichting met bijbehorende varianten zich van de andere denkrichtingen. Voor de varianten 1 en 2 binnen de denkrichtingen 1 en 3 geldt hetzelfde, omdat ook hier geen turbineposities binnen het grondwaterbeschermingsgebied liggen. De varianten 3 en 4 binnen denkrichtingen 1 en 3 en de varianten binnen denkrichting 4 liggen binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Dit is een aandachtspunt, omdat activiteiten in de bodem binnen dit gebied gebonden zijn aan voorwaarden. Een eis hierbij is dat de kwaliteit van het grondwater binnen het drinkwatergebied niet wordt aangetast. Voor deze varianten wordt de ligging binnen het grondwaterbeschermingsgebied als aandachtspunt meegenomen in het MER.
5.6
Vergelijking varianten - archeologie
Afbeelding 5.10 laat de vergelijking van varianten voor het thema archeologie op kaart zien. Voor alle denkrichtingen is hierbij de variant getoond met de meeste turbineposities binnen relevante gebieden vanuit het thema archeologie.
54 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 5.10 Vergelijking varianten - archeologie: de worst-case variant per denkrichting
Tabel 5.7 laat ligging van het aantal turbineposities per variant van de denkrichtingen binnen een van de aspecten vanuit het thema archeologie zien. Onder de tabel wordt voor de eventuele belemmeringen en aandachtspunten toegelicht of en in hoeverre de varianten zich onderscheiden op deze aspecten.
Tabel 5.7 Overlap aspecten milieuthema archeologie met aantal turbineposities per variant per denkrichting Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
archeologisch monument
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
gebied met hoge verwachtingswaarde
1
1
1
1
0
0
0
0
0
0
0
2
0
0
0
0
gebied met middelhoge verwachtingswaarde
1
0
0
1
1
0
1
1
2
1
1
1
0
0
0
1
5.6.1
Belemmeringen voor varianten
Uit tabel 5.6 volgt dat geen van de varianten binnen de denkrichtingen overlapt met een archeologisch monument. De belemmeringen vanuit dit aspect zijn daarmee niet van toepassing. Daaruit volgt dat alle varianten op voorhand haalbaar zijn vanuit het thema archeologie.
55 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
5.6.2
Aandachtspunten voor varianten
Ligging in gebieden met verwachte archeologische waarden geldt als aandachtspunt voor de varianten. De verwachtingswaarde geeft een indicatie voor te verwachten archeologische waarden in de grond. Tabel 5.6 laat zien dat 12 varianten vanuit verschillende denkrichtingen binnen gebieden met een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde liggen. De kans op het aantreffen van archeologische waarden is binnen deze gebieden hoger dan in gebieden met een lage(re) verwachtingswaarde. Voor deze varianten geldt dat nader (bureau)onderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden uitsluitsel moet geven over de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en de bijpassende maatregelen. De archeologische verwachtingswaarde is echter indicatief van aard, waardoor ook in gebieden met een lager verwachtingswaarde gestuit kan worden op archeologische waarden. Daarom geldt dat voor alle varianten nader milieueffectonderzoeken in het MER moet uitwijzen of en in hoeverre nader (specifiek) onderzoek nodig is om effecten op archeologie te voorkomen.
5.7
Vergelijking varianten - slagschaduw
Afbeelding 5.11 laat de vergelijking van varianten voor het thema slagschaduw op kaart zien. Voor alle denkrichtingen is hierbij de variant getoond met de meeste gevoelige bestemmingen binnen de slagschaduwcontouren.
Afbeelding 5.11 Vergelijking varianten - slagschaduw (5:40 uur-norm): de worst-case variant per denkrichting
Tabel 5.8 laat ligging van het aantal gevoelige bestemmingen binnen de slagschaduwcontouren (05.40norm) van de turbineposities binnen de varianten zien. Onder de tabel wordt voor de eventuele belemmeringen en aandachtspunten toegelicht of en in hoeverre de varianten zich onderscheiden op deze aspecten.
56 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Tabel 5.8 Overlap aantal gevoelige bestemmingen met milieuthema slagschaduw (5:40 uur-norm) per variant per denkrichting Aspect
Denkrichting 1
Denkrichting 2
Denkrichting 3
Denkrichting 4
Variant
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
1
2
3
4
gevoelige bestemmingen
43
64
68
92
58
60
86
111
56
80
94
188
50
65
91
89
5.7.1
Vergelijking aandachtspunten
Tabel 5.7 laat zien dat alle varianten een slagschaduwcontour veroorzaken waarbinnen gevoelige bestemmingen liggen. Dit betekent dat voor alle varianten mitigerende maatregelen toegepast moeten worden om te kunnen voldoen aan de maximale slagschaduwduur die volgt uit het Activiteitenbesluit. De slagschaduwcontour van variant 1 van de denkrichtingen overlapt het minst met gevoelige bestemmingen. Binnen de slagschaduwcontour van varianten 3 en 4 liggen de meeste gevoelige bestemmingen. Dit geldt voor alle denkrichtingen en komt voort uit de toename van het aantal en de meer verspreid liggende turbineposities binnen deze varianten. Deze varianten onderscheiden zich hierdoor op dit aspect beperkt ten opzichte van de varianten 1 van de denkrichtingen. Hinder door slagschaduw is te mitigeren door toepassing van een stilstandvoorziening. De mate waarin dit moet worden toegepast, hangt af van de locatie van de windturbine en de ligging ten opzichte van nabijgelegen woningen. Daarnaast is de inrichting van het algehele windpark relevant. De configuratie van de windturbines heeft invloed op de reikwijdte van de slagschaduwcontour, en daarmee op het aantal woningen dat daarbinnen ligt. Voor alle varianten moet bij nadere uitwerking de mate waarin hinder door slagschaduw optreedt verder worden onderzocht in het MER.
Hetzelfde geldt voor de mate waarin stilstandvoorziening moet worden toegepast.
57 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
6 CONCLUSIE: OVERZICHT VERGELIJKING VARIANTEN Dit hoofdstuk beschrijft de conclusie van de vergelijking van varianten. Hierbij beschrijft paragraaf 6.1 de conclusie van vergelijking van varianten op belemmeringen. Paragraaf 6.2 beschrijft dit voor de aandachtpunten. Hierbij is -gelijk aan de rest van deze quickscan- de volgende definitie van belemmeringen en aandachtspunten gehanteerd: - belemmeringen: dit zijn fysieke beperkingen, of beperkingen vanuit wet- en regelgeving, die de ontwikkeling van windenergie en bijbehorende infrastructuur op een bepaalde locatie onmogelijk maakt; en - aandachtspunten: gebieden waarvoor vanuit beleid en/of de aard en omvang van effecten beperkingen of aandachtspunten gelden. Het beleid maakt afwijking van de regels echter mogelijk, bijvoorbeeld met ‘nee-tenzij’ of ‘ja-mits’-voorwaarden.
6.1
Vergelijking varianten op belemmeringen vanuit milieu
Uit de vergelijking van varianten op milieueffecten in hoofdstuk 5, volgt dat met name belemmeringen vanuit geluid relevant zijn voor meerdere varianten. Daarnaast kent één variant binnen een belemmering vanuit externe veiligheid. Onderstaand wordt een toelichting gegeven op deze belemmeringen. Voor alle varianten geldt dat deze niet overlappen met overige belemmeringen, zoals ligging in waterwingebieden of overlap met een archeologisch monument. Belemmeringen vanuit geluid: 47 dB-geluidcontour Zonder toepassing van geluidmitigerende maatregelen, overlappen binnen alle varianten meerdere turbineposities met de 47 dB-geluidcontour rondom geluidgevoelig objecten. Dit betekent dat geen van de varianten op voorhand haalbaar is zonder toepassing van een regulier toegepaste geluidmitigatie van 3 dB. Bij toepassing van de regulier toegepaste geluidmitigatie, geldt dat geen van de varianten binnen de 47 dB geluidscontour rondom gevoelige objecten liggen. Als de 47 dB contour uit het Activiteitenbesluit wordt herbevestigd, zijn alle varianten met toepassing van mitigatie, uitvoerbaar. Indien de 45 dB richtlijn van de WHO of een 42 dB richtlijn zou worden toegepast, neemt de overlap aanzienlijk toe. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 6.2.