CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Quick scan Duurzame Polder

Commissie BEDRIJVIGHEID 17 april 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Discussienotitie Tussenrapport Denkrichtingen en varianten Duurzame Polder25.921 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Belemmeringen vanuit externe veiligheid Variant 4 binnen denkrichting 1 overlapt met de externe veiligheidscontour rondom kwetsbaar object, omdat één turbinepositie te dicht bij een kwetsbaar object staat. Dit is een belemmering vanuit externe veiligheid. Deze variant is daarom zonder maatregelen niet uitvoerbaar. Met schuifruimte is de overlap te vermijden, zonder daarbij afbreuk te hoeven doen het ruimtelijk principe van de denkrichting. Variant 4 binnen denkrichting 1 is daarom enkel uitvoerbaar met toepassing van schuifruimte. De overige varianten en denkrichtingen kennen op dit punt geen belemmeringen.

58 | 61

Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03

6.2

Vergelijking varianten op aandachtspunten

Uit de vergelijking van varianten op milieueffecten in hoofdstuk 5, volgt dat vanuit alle thema’s aandachtspunten relevant zijn voor de varianten. Voor een aantal van deze aandachtspunten geldt dat de varianten zich hierop onderscheiden (zie paragraaf 6.2.1). De andere aandachtspunten die in hoofdstuk 5 zijn beschreven, zijn relevant voor alle varianten en gelden daarom als algemene aandachtspunten voor het vervolg. Deze algemene aandachtspunten zijn toegelicht in paragraaf 6.2.2

6.2.1

Onderscheidende aandachtspunten

Tabel 6.1 laat een overzicht zien van de onderscheidende aandachtspunten per milieuaspect. Onder de tabel wordt kort een toelichting geven per milieuaspect waarop de varianten zich onderscheiden. Voor slagschaduw is een aparte tabel 6.2 opgenomen, omdat deze tabel een andere insteek heeft.

Tabel 6.1 Overzicht onderscheidende aandachtspunten per variant, met overlap aantal turbineposities per variant per denkrichting met milieuaspect. In groen gemarkeerd de cellen die zich onderscheiden door geen overlap te hebben met dat aspect. Voor slagschaduw is het aantal gevoelige bestemmingen binnen de slagschaduwcontouren opgenomen Aspect

Denkrichting 1

Variant

Denkrichting 2

Denkrichting 3

Denkrichting 4

1

2

3

4

1

2

3

4

1

2

3

4

1

2

3

4

45 dB met mit.

7

12

14

22

2

12

16

17

1

12

17

20

0

12

17

15

45 dB zonder mit en 42 dB contour met mit..

19

18

22

30

20

16

20

26

16

16

21

25

16

15

22

19

42 dB zonder mit.

26

18

22

30

25

16

20

26

22

16

21

25

21

15

22

19

bufferafstand bebouwde kom

0

0

0

3

0

0

0

6

0

0

0

6

0

0

0

4

ligging in NNB

3

2

2

2

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

½ rotordiameter tot NNB

7

3

4

4

0

0

0

1

0

0

0

0

1

0

0

0

0

0

3

3

0

0

0

0

0

0

2

1

4

2

3

3

gebied met hoge verwachtingswaarde

1

1

1

1

0

0

0

0

0

0

0

2

0

0

0

0

gebied met middelhoge verwachtingswaarde

1

0

0

1

1

0

1

1

2

1

1

1

0

0

0

1

80

94

188

50

65

91

89

Geluid

Natuur

Water grondwaterbeschermingsgebied Archeologie

Slagschaduw (aantal gevoelige bestemmingen i.p.v. aantal turbineposities) gevoelige bestemmingen

59 | 61

43

64

68

92

58

Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03

60

86

111

56

Onderscheidende aandachtspunten vanuit geluid Vanuit geluid gelden aandachtspunten vanuit het al dan niet toepassen van de strengere 45 of 42 dBgeluidnorm (zie 3.1) en het hanteren van de gemeentelijk vastgestelde bufferafstanden rondom de woonkernen. Toepassing strengere geluidnorm Zonder toepassing van mitigatie liggen vrijwel alle turbineposities van de varianten binnen de 45 en 42 dB geluidcontouren. Met toepassing van mitigatie geldt voor elke denkrichting dat variant 1 het minste overlap kent met de 45 dB contouren, waaruit volgt dat hiervoor de minste aandachtspunten en risico’s gelden als door het Rijk een strengere geluidsnorm wordt vastgesteld. Variant 1 van denkrichting 4 onderscheidt zich hierin van de andere varianten, door geen overlap te hebben met de 45 dB-geluidcontouren (met mitigatie). Mogelijk dat aanvullende maatregelen (schuifruimte of aanwijzen molenaarswoning) ertoe leidt dat dit ook het geval gaat zijn voor variant 1 binnen denkrichting 2 en 3. Variant 1 binnen denkrichting 1 onderscheidt zich van de andere varianten, omdat 7 van de 26 turbineposities binnen de 45 dB geluidcontouren liggen, ondanks toepassen van mitigatie. Gemeentelijke bufferafstanden tot woonkernen Tabel 6.1 laat zien dat varianten 1 t/m 3 van alle denkrichtingen buiten de gemeentelijk bepaalde bufferafstanden tot woonkernen liggen.

Voor alle denkrichtingen geldt dat variant 4 met meerdere turbineposities overlapt met deze contour. Voor deze varianten geldt dat schuifruimte mogelijk uitkomst biedt om de afstand tot woonkernen te vergroten. Vooralsnog geldt dat deze varianten niet uitvoerbaar zijn als de gemeenten vasthouden aan de door hen bepaalde bufferstanden tot woonkernen. Onderscheidende aandachtspunten vanuit natuur De varianten binnen denkrichting 1 onderscheiden zich van de andere varianten door ligging van meerdere turbineposities in of nabij NNB-gebied. Het risico op aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden is groter voor de turbineposities binnen dit gebied, dan voor de turbineposities daarbuiten. Hetzelfde geldt voor turbineposities nabij NNB-gebied, wat ook relevant is voor variant 4 (denkrichting 2) en variant 1 (denkrichting 4). Algemeen geldt dat het risico op negatieve effecten afneemt naarmate de afstand tot het NNB-gebied toeneemt. Voor alle varianten is overigens nader onderzoek nodig om uit te wijzen of en in welke mate de aanleg en het gebruik van windturbines een mogelijk significant negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Onderscheidende aandachtspunten vanuit water Tabel 6.1 laat zien dat geen van de varianten binnen denkrichting 2 overlapt met het grondwaterbeschermingsgebied.

Daarmee onderscheidt deze denkrichting met bijbehorende varianten zich van de andere denkrichtingen. Voor de varianten 1 en 2 binnen de denkrichtingen 1 en 3 geldt hetzelfde, omdat ook hier geen turbineposities binnen het grondwaterbeschermingsgebied liggen. De varianten 3 en 4 binnen denkrichtingen 1 en 3 en de varianten binnen denkrichting 4 liggen binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Dit is een aandachtspunt, omdat activiteiten in de bodem binnen dit gebied gebonden zijn aan voorwaarden. Deze varianten onderscheiden zich daarmee van de bovengenoemde varianten. Onderscheidende aandachtspunten vanuit archeologie Tabel 6.1 laat zien dat vijf varianten vanuit verschillende denkrichtingen binnen gebieden met een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde liggen. De kans op het aantreffen van archeologische waarden is binnen deze gebieden hoger dan in gebieden met een lage(re) verwachtingswaarde. Daarmee onderscheiden deze varianten zich van de overige varianten. Voor alle varianten is overigens nader onderzoek nodig om uit te wijzen of en in hoeverre nader (specifiek) onderzoek nodig is om effecten op archeologie te voorkomen. Onderscheidende aandachtspunten vanuit slagschaduw Tabel 6.1 laat zien dat alle varianten een slagschaduwcontour veroorzaken waarbinnen gevoelige bestemmingen liggen.

Dit betekent dat voor alle varianten mitigerende maatregelen toegepast moeten worden om te kunnen voldoen aan de maximale slagschaduwduur die volgt uit het Activiteitenbesluit.

60 | 61

Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03

Hiervoor is voor elk van de varianten nader onderzoek nodig naar de mate waarin slagschaduw optreedt en de mate waarin mitigerende maatregelen (stilstandvoorziening) moet worden toegepast. Voor alle varianten geldt dat deze zonder mitigatie niet voldoen aan de slagschaduwnorm (05.40 uur) uit het Activiteitenbesluit. Wel zit er verschil in het aantal woningen dat binnen de slagschaduwcontouren van de verschillende varianten ligt. Bij variant 1 van denkrichting 1 zijn dat 43 woningen, en bij variant 4 van denkrichting 3 zijn dat 188 woningen.

6.2.2

Algemene aandachtspunten voor alle varianten

Naast onderscheidende aandachtspunten, gelden ook een aantal algemene aandachtspunten voor alle varianten. Deze zijn opgenomen in tabel 6.2.

Tabel 6.2 Algemene aandachtspunten vanuit milieu voor alle varianten Thema

Aspect

Toelichting

natuur

beschermde gebieden

-

nader onderzoek nodig naar de mate van aantasting en/of verstoring van Natura 2000-gebieden; nader onderzoek nodig naar de stikstofbijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden; nader onderzoek nodig naar de mate van aantasting en/of verstoring van NNB-gebieden; nader onderzoek nodig naar de mate van aantasting en/of verstoring van rust- en foerageergebied ganzen en smienten

beschermde soorten

nader onderzoek nodig naar de mate waarin vogels, vleermuizen en overige soorten worden verstoord of gedood als gevolg van aanleg en gebruik van de windturbines

veiligheid

defensie: laagvlieggebied, laagvliegroute, radargebieden

nader onderzoek nodig naar de effecten van windturbines op het laagvlieggebied en de laagvliegroute. Hetzelfde geldt voor radargebieden

landschap

algemeen

nader landschappelijk onderzoek nodig naar de effecten op o.a. ruimtelijk-visuele kenmerken

archeologie

algemeen

nader onderzoek nodig naar ligging van- en de trefkans op archeologische waarden op en nabij de turbineposities

61 | 61

Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03

Bijlage(n)

I BIJLAGE: ECOLOGISCHE RISICO-ANALYSE

Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Bijlage I | Concept 03

NOTITIE

Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Datum Status Referentie Auteur(s)

Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Grip op locatie Duurzame Polder Deel 2 Duurzame Polder Gemeente Oss 134741 7 Maart 2023 Definitief 134741/23-004.068 S.F. Apperloo MSc, V. van Os MSc M.M.K. Vanderschuren Msc M.M.K. Vanderschuren Msc.

Paraaf

I Kenschets en Instandhoudingsdoelstellingen (IHD) relevante Natura 2000 gebieden II Beschermingsregimes soorten

Bijlage(n)

Gemeente Oss -

Aan Kopie

1

CONTEXT

De gemeente Oss en de gemeente ’s-Hertogenbosch hebben het voornemen om een groot deel van beider duurzame energie-opgaven te realiseren in de polder tussen beide gemeentes: de Duurzame Polder. Het betreft primair de ontwikkeling van windenergie, maar beide gemeenten willen nadrukkelijk ook ontwikkelkansen benutten voor onder andere wonen, gezondheid, landbouw, natuur, water, bodem, klimaatadaptatie, cultuurhistorie en recreatie. Het verkenningsgebied Duurzame Polder wordt globaal begrensd door de kernen Rosmalen (zuidwestzijde), Kruisstraat en Geffen (zuidzijde), Oss (zuidoostzijde), de N625 (oostzijde) en de Maas (noord- en noordoostzijde). De Duurzame Polder is een grootschalig verkaveld komgebied en kent in de huidige situatie vooral een agrarisch gebruik. Afbeelding 1.1 toont de afbakening van het verkenningsgebied de Duurzame Polder. Deze notitie is onderdeel van de QuickScan Duurzame Polder en is ecologische risicoanalyse die inzicht geeft in de haalbaarheid van verschillende windpark varianten en mogelijke knelpunten en aandachtspunten vanuit ecologie, met name voor wat betreft beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) en beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Wnb). Er zijn in totaal vier denkrichtingen ontworpen met ieder vier varianten en met verschillende aantallen windturbines.

Het gaat om de volgende denkrichtingen, varianten en turbine-aantallen (die staan hieronder tussen haakjes): -

denkrichting 1: ‘Een grootschalig hart’:

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

-

· variant 1 (26), variant 2 (18), variant 3 (22), variant 4 (30); denkrichting 2: ‘Het wijde westen’: · variant 5 (25), variant 6 (16), variant 7 (20), variant 8 (26); denkrichting 3: ‘Een veelkleurig mozaïek’: · variant 9 (23), variant 10 (16), variant 11 (21), variant 12 (25); denkrichting 4: ‘Lange lijnen van oost naar west’: · variant 13 (23), variant 14 (15), variant 15 (22), variant 16 (19).

Voor alle denkrichtingen wordt bekeken welke varianten mogelijk een knelpunt/aandachtspunt vormen vanuit ecologie. De informatie uit deze notitie dient ter onderbouwing van de trechtering van de 16 varianten naar circa 5 varianten die nader onderzocht worden in het MER. Hoofdstuk 4 geeft de conclusie en doorzicht vervolg en een samenvattende tabel van de resultaten uit deze notitie.

Afbeelding 1.1 Verkenningsgebied (zwarte contour) Duurzame Polder

2

BESCHERMDE GEBIEDEN

Voor de realisatie van het windpark dient rekening te worden gehouden met beschermde natuurgebieden binnen en nabij het verkenningsgebied.

2.1

Natura 2000

Gebiedsanalyse Binnen het verkenningsgebied bevinden zich geen Natura 2000-gebieden. Wel bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden op relatief korte afstand van het verkenningsgebied. Het betreft Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Rijntakken’, op circa 700 meter afstand ten noorden en het Habitatrichtlijngebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (op circa 6,5 km), ten zuidwesten (afbeelding 2.1). In bijlage I

2 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

van deze notitie is een korte kenschets van deze gebieden en een overzicht van de instandhoudingsdoelen (IHD) die hierbinnen gelden opgenomen. Bij ingrepen in het gebied kan sprake zijn van (indirecte) effecten op één of meerdere van deze Natura 2000-gebieden. Fysieke effecten op Natura 2000 Fysieke effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering of verstoring (door geluid, licht, trillingen) zijn relevant als er werkzaamheden in of direct nabij een Natura 2000-gebied worden uitgevoerd. Een maatstaf die vaak gebruikt wordt als afstand voor fysieke effecten is ≤1,5km (zie afbeelding 2.1). Echter, kunnen fysieke effecten ook buiten deze contour optreden, wanneer soorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebieden, voor hun instandhouding afhankelijk zijn van het projectgebied. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor vogels die over het projectgebied heenvliegen tussen slaap- en foerageergebieden. Voor alle windturbinelocaties dient daarom te worden nagegaan, in welke mate de werkzaamheden zorgen voor een aantasting/verstoring van de aangewezen habitattypen of (leefgebieden van) aangewezen soorten.

Wanneer effecten op de aangewezen habitattypen of soorten kunnen leiden tot het potentieel niet behalen van de IHD van het betreffend Natura 2000-gebied is voor het voornemen op deze locaties nader onderzoek in de vorm van een Passende Beoordeling en een vergunning Wnb nodig. In het geval de Passende Beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning worden geweigerd (tenzij aan de ‘ADC-criteria’1 voldaan wordt). Stikstofeffecten op Natura 2000 Naast fysieke effecten kunnen werkzaamheden een effect veroorzaken op de kwaliteit van habitattypen/leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden als gevolg van een (tijdelijke) stikstofdepositietoename in de uitvoeringsfase (gebruik van stikstof emitterend materieel). Dit kan ook het geval zijn tijdens de gebruiksfase (bijvoorbeeld door veranderde verkeerssituatie, intensiever gebruik, et cetera). Zo is er binnen de Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’, ‘Vlijmens Ven-Moerputten & Bossche Broek’, sprake van stikstofgevoelige habitattypen die in de huidige situatie reeds te kampen hebben met een (sterke) overbelasting door stikstof. Bij een (tijdelijke) toename in stikstofdepositie kan al snel sprake zijn van significante negatieve effecten op de kwaliteit van de habitattypen.

Gezien stikstofeffecten ver kunnen reiken (>10 km), is dit effect relevant voor alle windturbinelocaties. Voor alle windturbinelocaties geldt daarom dat onderzocht dient te worden of er sprake is van een juridisch relevante stikstofbijdrage en wat de consequenties hiervan zijn. Er wordt aanbevolen om: - een verkennende stikstofberekening met AERIUS uit te voeren (voor zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase). Op basis van deze rekenresultaten kan worden beoordeeld of en welke vervolgstappen ten aanzien van stikstof nodig zijn. De conclusie van deze stap is een van de volgende adviezen: · advies dat geen vervolgstappen nodig zijn; · advies dat het opstellen van een Wnb Voortoets (in plaats van Passende Beoordeling) afdoende is; · advies dat verder gezocht moet worden naar oplossingen: verkennen aanpassing werkwijze/werkplanning/materieel, verkennen intern en extern salderen, Passende beoordeling, ADCtoets, inclusief verwachte kosten en termijn besluitvorming.

1

Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd dwingende redenen van groot openbaar belang (D) en dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 gewaarborgd blijft (C).

3 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Afbeelding 2.1 Ligging verkenningsgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling Tabel 2.1 geeft een overzicht van het aantal windturbines per variant in- of nabij (≤1,5km) een Natura 2000gebied. Geen van de varianten heeft windturbines in- of op minder dan ≤1,5km afstand van een Natura 2000-gebied. Dit betekent dat de kans op fysieke effecten op Natura 2000-gebieden klein is, maar niet dat deze bij voorbaat uitgesloten kunnen worden. Soorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000gebieden, kunnen voor hun instandhouding afhankelijk zijn van de duurzame polder (bijvoorbeeld vogels die over het projectgebied heenvliegen tussen slaap-en foerageergebieden). Daarom dient voor alle windturbinelocaties te worden nagegaan, in welke mate de werkzaamheden zorgen voor een aantasting/verstoring van de aangewezen habitattypen of (leefgebieden van) aangewezen soorten. Dit betekent dat er op voorhand geen verschillen zijn tussen de varianten en aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden. Er is mogelijk ook sprake van stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden. Gezien stikstofeffecten ver kunnen reiken (>10km) en het een relatief grote ruimtelijke ontwikkeling betreft dient voor alle windturbinelocaties onderzocht te worden of er sprake is van een juridisch relevante stikstofbijdrage. Hierdoor kan op voorhand geen onderscheid gemaakt worden tussen de varianten en zijn stikstofeffecten niet meegenomen in tabel 2.1.

Tabel 2.1 Aantal windturbines per variant binnen of nabij (≤1,5km) Natura 2000-gebieden. Denkrichting 1

Denkrichting 2

Denkrichting 3

Denkrichting 4

Variant

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

Aantal turbines binnen Natura 2000

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

4 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Denkrichting 1

Denkrichting 2

Denkrichting 3

Denkrichting 4

Variant

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

Aantal turbines binnen <1,5km

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

2.2

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Gebiedsanalyse Langs de Maas en Hertogswetering en verspreid in het verkenningsgebied zijn enkele percelen van het NNN-netwerk van de provincie Brabant aanwezig (ook wel Natuurnetwerk Brabant/NNB) (zie afbeelding 2.2). De Hertogswetering is aangeduid als ecologische verbindingszone (EVZ). Bij werkzaamheden in/aan onderdelen van dit NNB (inclusief de EVZ), is nader onderzoek in de vorm van een ‘nee, tenzij’-toets noodzakelijk, waarin wordt nagegaan of en in welke mate het voornemen een mogelijk significant negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Ook dient bij werkzaamheden nabij het NNB erop te worden gelet dat ook eventuele werkterreinen/transportroutes nodig voor de aanlegfase buiten de grenzen van dit NNB worden opgezet. Wanneer negatieve effecten niet zijn uit te sluiten kunnen de werkzaamheden geen doorgang vinden, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Tevens is in de provincie Noord-Brabant externe werking ten aanzien van het NNB een toetcriterium. Dit houdt in dat voor projecten binnen de invloedssfeer van het NNB moet worden nagegaan in welke mate deze de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB beïnvloeden.

De ecologische waarden van het NNB kunnen indirect worden aangetast als gevolg van geluid, licht, betreding, schaduwwerking, windturbulentie, et cetera Hoe groot de verstoringscontour is waarbinnen dergelijke effecten kunnen optreden is van verschillende factoren afhankelijk (beheertype, tussenliggende landschapselementen en barrières, et cetera). In het algemeen geldt echter dat hoe verder van het NNB windturbines worden gerealiseerd, hoe kleiner de kans dat sprake is negatieve effecten als gevolg van externe werking.

5 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Afbeelding 2.2 Ligging van het plan gebied ten opzichte van het NNB

Beoordeling Bij de beoordeling van het NNB is gekozen voor contour van ½ rotordiameter om een eerste vergelijking te maken tussen de varianten. Voor de varianten die binnen het NNB en deze contour vallen is er een hoger risico op negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Dit betekent echter niet dat er geen effecten zijn op het NNB buiten deze contour. Tabel 2.2. geeft een overzicht van het aantal windturbines per variant dat zich in- of ½ rotordiameter van een NNB gebied bevindt. Een aantal windturbines van denkrichting 1 vallen binnen de contouren van het NNB. Dit zijn drie windturbines van variant 1, en twee windturbines van variant 2, 3 en 4. Dit betekent dat voor deze windturbinelocaties mogelijk een hoger risico is op aantasting van het NNB. De varianten van denkrichtingen 2, 3 en 4 hebben geen windturbines in het NNB. Er zijn ook een aantal windturbines van denkrichting 1, 2 en 4 die zich binnen de contouren van ½ rotordiameter van het NNB bevinden. Variant 1 heeft het hoogste aantal windturbines binnen deze contour en de varianten van denkrichting 3 hebben geen windturbines binnen deze contour. Voor de windturbinelocaties binnen de ½ rotordiameter is er ook een hoger risico op negatieve effecten op het NNB.

Echter kunnen er ook buiten deze contour negatieve effecten optreden, omdat er op voorhand geen vaste verstoringscontour kan worden bepaald. Daarom is voor alle windturbinelocaties nader onderzoek nodig in de vorm van een ‘nee, tenzij’-toets, waarin wordt nagegaan of en in welke mate het voornemen een mogelijk significant negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Afbeelding 2.3 geeft per denkrichting de variant met het hoogste aantal windturbines in het NNB of binnen de ½ rotordiameter van het NNB.

6 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Tabel 2.2 Aantal windturbines per variant in het NNB en binnen ½ rotordiameter van het NNB. Blauwe vakjes geven hoogste aantal windturbines per denkrichting weer. Denkrichting 1

Denkrichting 2

Denkrichting 3

Denkrichting 4

Variant

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

Aantal turbines in NNB

3

2

2

2

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Aantal turbines binnen ½ rotordiameter NNB

7

3

4

4

0

0

0

1

0

0

0

0

1

0

0

0

Afbeelding 2.3 Variant per denk richting met het hoogste aantal windturbines binnen het NNB of ½ rotordiameter van het NNB.

2.3

Groenblauwe mantel

Gebiedsanalyse Naast het NNB zijn er in de interim omgevingsverordening van Noord-Brabant gebieden opgenomen als verbinding tussen het NNB en landelijk gebied: de Groenblauwe mantel (zie afbeelding 2.4). De waarden in de Groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van kwel, beekdalen), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Daarom vormt de ontwikkeling van windturbines binnen de groenblauwe mantel een aandachtspunt.

7 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Afbeelding 2.4 Ligging van het plan gebied ten opzichte van de Groenblauwe mantel.

Beoordeling Het overgrote deel van de varianten vallen buiten de groenblauwe mantel. Er zijn een aantal windturbines van varianten die wel in de groenblauwe mantel vallen. Echter bevinden de meeste van deze windturbines zich ook in het NNB of de ½ rotordiameter contour van het NNB. De windturbines die in de groenblauwe mantel vallen en niet in het NNB of de ½ rotordiameter van het NNB vormen een aandachtspunt vanuit provinciaal beleid. Aangezien de groenblauwe mantel dient als versteking van leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB zijn windturbines binnen de groenblauwe mantel niet wenselijk. Mogelijk bied schuifruimte een alternatief voor de enkele windturbines binnen de groenblauwe mantel en buiten het NNB en de ½ rotordiameter van het NNB.

2.4

Rust- en foerageergebied ganzen en smienten

Gebiedsanalyse Een deel van de Duurzame Polder is in de Interim Omgevingsverordening van Noord-Brabant aangewezen als rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten. In deze gebieden waarborgt de provincie de noodzakelijke rust voor ganzen en smienten. Binnen de aangewezen gebieden moet zoveel mogelijk rust heersen en mogen de daar aanwezige ganzen niet worden verjaagd, gevangen of geschoten. Deze gebieden situeren zich in het midden en ten noordoosten van het verkenningsgebied (zie afbeelding 2.5). In ganzenrustgebieden geldt een 'nee, tenzij'-beleid. Windparken zijn hier niet toegestaan (artikel 2.60) tenzij: In de periode 1 november tot 1 april, de volgende soorten niet opzettelijk worden verontrust: - brandganzen; - grauwe ganzen; - kolganzen;

8 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

-

rotganzen; taigarietganzen; toendrarietganzen; smienten (Interim Omgevingsverordening, 2022).

Afbeelding 2.5 Ligging van het verkenningsgebied ten opzichte van rust- en foerageergebieden ganzen en smienten

Beoordeling Tabel 2.3 geeft een overzicht van het aantal windturbines per variant dat zich binnen het rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten bevindt. Van alle varianten bevinden zich meerdere windturbines binnen de contouren van het rust- en foerageergebied. Denkrichting 1 variant 4 heeft het hoogste aantal windturbines binnen het gebied. Aangezien van iedere variant windturbines binnen het rust- en foerageer gebied vallen geldt voor alle varianten een ‘nee, tenzij’-beleid en zal nader onderzocht moeten worden wat de effecten van een windpark in en buiten het gebied zijn. Dit is afhankelijk van het voorkomen (onder andere periode van voorkomen en vliegroutes) van verschillende ganzen en smienten. Er is daarom op voorhand ook geen rekening gehouden met een verstoringscontour rondom het rust- en foerageergebied, omdat de verstoringscontour verschillend kan zijn per vogelsoort (A&W, 2021). Afbeelding 2.6 geeft van iedere denkrichting de variant met het hoogste aantal windturbines binnen het rust- en foerageergebied.

9 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Tabel 2.3 Aantal windturbines per variant in het rust- en foerageergebied. Blauwe vakjes geven hoogste aantal windturbines per denkrichting weer. Denkrichting 1

Denkrichting 2

Denkrichting 3

Denkrichting 4

Variant

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

Aantal turbines in rust- en foerageergebied

13

10

13

17

8

6

6

6

8

4

8

6

11

6

9

6

Afbeelding 2.6 Variant per denk richting met het hoogste aantal windturbines binnen het rust- en foerageergebied.

2.5

Weidevogelgebieden

De Duurzame Polder is onderdeel van de Beerse Overlaat1, een belangrijk gebied voor weidevogels. Eerder is door SOVON onderzoek gedaan naar vogels van de Beerse Overlaat en verstoring van vogels door windturbines in het gebied (SOVON, 2019). Uit het onderzoek lijken broedende weidevogels en overwinterende zwanen met name gevoelig voor de plaatsing van windturbines in het gebied. Vanuit de gemeente Oss zijn in het bestemmingsplan de komgebieden aangewezen als weidevogelgebieden. Echter, worden vanuit de Provincie Noord-Brabant in de Interim Omgevingsverordening geen beschermde weidevogelgebieden aangewezen. Daarom wordt de bescherming

1

De Beerse Overlaat is een vroegere verlaging in de dijk van de linkeroever van de maas tussen de dorpen Gassel en Lienden, in de voormalige gemeente Beers. In de middeleeuwen mocht de Beerse Overlaat overstromen. In 1942 werd de overlaat gesloten. Het gebied is een belangrijk gebied voor vogels van open agrarisch gebied.

10 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

van weidevogels niet meegenomen onder gebiedsbescherming, maar onder soortenbescherming in deze notitie.

3

BESCHERMDE SOORTEN

Gezien de grote omvang van het verkenningsgebied is het niet mogelijk om op niveau van individuele soorten een beoordeling te doen van het potentieel voorkomen. Wel is in voorliggend hoofdstuk een overzicht gegeven van waar er ‘hotspots’ van beschermde soorten aanwezig zijn of worden verwacht. Hiervoor is beroep gedaan op bekende waarnemingsgegevens en verspreidingskaarten (NDFF), gevoeligheidskaarten voor vogels (SOVON) en luchtfoto’s. Bijzondere aandacht is hierbij besteed aan de (mogelijke) aanwezigheid van vogels en vleermuizen. Dit in verband met het verhoogd risico op sterfte van deze soorten bij het in werking treden van windturbines.

3.1

Vogels

Eén van de soortgroepen die het meeste aandacht vereist bij windturbineprojecten is de groep vogels. Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) onder het beschermingsregime ‘Vogelrichtlijn’. Er geldt een algemeen verbod op het opzettelijk verstoren/doden van individuen of het vernielen van nestplaatsen (zie ook bijlage II). Bij het plaatsen van windturbines bestaat de kans op een overtreding van één of meer van deze verbodsbepalingen, zowel in de aanlegfase (verstoren broedende vogels, aantasten/vernietigen nesten, et cetera) als in de gebruiksfase (doden individuen door aanvaring, verstoren). De gevoeligheidskaart vogels van SOVON (zie afbeelding 3.1) geeft in kleuren het relatieve verschil weer tussen gebieden van de kans dat windturbines een negatief effect zullen hebben op zowel broed− als niet−broedvogelpopulaties. In roodtinten de gebieden met de hoogste kans, in blauw en wit de gebieden met de laagste kans. Het verkenningsgebied bevindt zich globaal in een oranje-rode zone. Dit betekent dat de kans op negatieve effecten op vogels in het gehele gebied relatief hoog is. Dit heeft met name te maken met het hoog aantal (niet-)broedvogels dat in deze omgeving wordt verwacht (zie linkse kaart). De kans op belangrijke trekroutes in dit gebied is volgens de kaart laag (zie rechtse kaart).

Afbeelding 3.1 Gevoeligheidskaart vogels in het kader van windenergie. Links: Gevoeligheidskaart (niet-)broedvogels, Rechts: Gevoeligheidskaart vogeltrek; met globale aanduiding van het verkenningsgebied (zwarte cirkel) [bron: SOVON.nl]

11 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Om een beter beeld te krijgen van de aanwezigheid van vogels en de verdeling hiervan binnen het verkenningsgebied zelf, zijn waarnemingsdata van de afgelopen 3 jaar opgevraagd (NDFF). Op basis van deze gegevens is een heatmap gemaakt (afbeelding 3.2). Hieruit blijkt dat de meeste waarnemingen van vogels worden gedaan in het centrale gedeelte van het verkenningsgebied. De plekken waar de vogelwaarnemingen sterk geconcentreerd zijn lijken een natuurlijkere inrichting te hebben (bijvoorbeeld natte gebieden, natuurvriendelijke akkerranden en eendenkooien met kwelders (zie afbeelding 3.3)). Daarnaast worden ook langs de noordelijke rand van het verkenningsgebied relatief veel vogels waargenomen. Let wel, deze kaart is enkel indicatief en er kan hier sprake zijn van een waarnemerseffect: op locaties waar meer mensen komen worden ook meer waarnemingen gedaan, waardoor de hoeveelheid waarnemingen niet representatief is voor de daadwerkelijke dichtheid van vogels. Het is dan ook niet mogelijk om op voorhand uitspraken te doen over het verwachte aantal en soortensamenstelling van vogels in de omgeving en de verschillen hierin tussen verschillende gedeelten van het verkenningsgebied te kwantificeren. In ieder geval zijn voor alle windturbinelocaties negatieve effecten op vogels te verwachten.

Dit geldt met name in de gebruiksfase, wanneer er de kans bestaat op aanvaringsslachtoffers als gevolg van de windturbines. Ongeacht de uiteindelijke locatiekeuze zal aanvullend onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk zijn. Verspreid over het verkenningsgebied zijn verder nest-indicerende waarnemingen bekend van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is onder de Wnb (afbeelding 3.4). Het gaat daarbij verspreid over de polders voornamelijk om buizerd, maar ook boomvalk en roek. Andere soorten als huismus, ooievaar en steenuil zijn voornamelijk nabij de randen van het verkenningsgebied waargenomen, in de nabijheid van menselijke bebouwing. Echter, ook in gedeelten van het gebied waar geen bekende (recente) waarnemingen zijn van jaarrond beschermde nesten, kunnen deze wel voorkomen, met name in grotere bomen (bijvoorbeeld buizerd, sperwer, ransuil) en in woonhuizen en boerderijen (bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw, steenuil). Indien bomen worden gekapt of in deze omgeving trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd (bijvoorbeeld door heien voor het aanbrengen van de fundering van windturbines), is mogelijk een nader soortenonderzoek naar jaarrond beschermde nesten nodig binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden. Dit geldt dus voor alle windturbinelocaties van verschillende varianten.

Indien uit het onderzoek blijkt dat jaarrond beschermde nesten vernietigd of verstoord worden, is een ontheffing nodig en maatregelen om verstoring en/of vernietiging te voorkomen.

12 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Afbeelding 3.2 Waarnemingen van vogels in het verkenningsgebied in de periode 2020 - 2023.

Afbeelding 3.3 Aanduiding eendenkooien met kwel. (bron: Het Verhaal van de Polder, bijlage bij het Eindrapport Verkenning Duurzame Polder)

13 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Afbeelding 3.4 Nest-indicerende waarnemingen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten binnen het verkenningsgebied in de periode 2020 - 2023.

Beoordeling Vogels komen verspreid over het gebied voor. Echter, lijken de plekken waar de vogelwaarnemingen sterk geconcentreerd zijn een natuurlijkere inrichting te hebben (bijvoorbeeld natte gebieden, natuurvriendelijke akkerranden en eendenkooien met kwelders). Windturbines in deze gebieden vormen voor vogels waarschijnlijk een hoger risico op verstoring en/of sterfte. Van alle varianten zijn er windturbines die in of nabij de concentratiegebieden van vogels vallen. Ook zijn er waarnemingen van jaarrond beschermde nesten nabij windturbinelocaties van verschillende varianten. Voor het voorkomen vogels en jaarrond beschermde nesten moet aanvullend onderzoek verricht worden en kan er op voorhand geen onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende varianten.

3.2

Vleermuizen

Ook vleermuizen vormen één van de soortgroepen waar windturbines naar verwachting de grootste negatieve effecten op zullen hebben. Naast het verbod op het vernietigen van essentiële onderdelen van het leefgebied, geldt voor deze soorten (vallend onder Wnb beschermingsregime ‘Habitatrichtlijnsoorten’) ook een verbod op het verstoren (bijvoobeeld door geluid, licht trillingen) en het doden (bijvoobeeld door aanvaringslachtoffers/ barotrauma). Waarnemingen van vleermuizen van de afgelopen 10 jaar zijn verzameld en weergeven in een heatmap (afbeelding 3.5). Het betreft voornamelijk waarnemingen van overvliegende of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF). Op de heatmap is te zien dat met name in het centrale gedeelte van het verkenningsgebied veel waarnemingen van vleermuizen bekend zijn. Het betreft hier vermoedelijk een waarnemerseffect (langs een weg, in stedelijk gebied), en ook in de rest van het verkenningsgebied zijn vleermuizen te verwachten. Ook zijn binnen het verkenningsgebied potentieel belangrijke landschapselementen voor vleermuizen, die mogelijk van belang zijn als

14 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

foerageergebieden en vliegroutes voor vleermuizen. Het betreft aaneengesloten, lijnvormige bomenrijen en geschikte watergangen. Bij windturbinelocaties in de directe omgeving van deze elementen bestaat een hogere kans op het voorkomen van grote aantallen overvliegende vleermuizen. Gebieden die sterk verstoord zijn (bijvoorbeeld industriegebieden, snelwegen) en gebieden met een zeer open karakter (bijvoorbeeld intensief agrarisch gebruikt gebied) hebben relatief weinig potenties voor vleermuizen, omdat hier weinig voedsel, beschutting en verblijfplaatsen te vinden zijn en/of de verstoring door licht en geluid relatief hoog. Voor wat betreft vleermuizen verdienen dergelijke locaties dus de voorkeur bij de realisatie van windturbines. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat hoewel het risico voor vleermuizen op deze locaties lager is, ook hier negatieve effecten te verwachten zijn. Dit geldt met name in de gebruiksfase, wanneer er de kans bestaat op aanvaringsslachtoffers als gevolg van windturbines. Ongeacht de uiteindelijke locaties van de windturbines zal dan ook aanvullend onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk zijn.

Afbeelding 3.5 Waarnemingen van vleermuizen in het verkenningsgebied in de periode 2013 - 2023.

Beoordeling Vleermuizen komen verspreid over het gebied voor. Echter, lijken er landschapselementen te zijn waar vleermuiswaarnemingen sterk geconcentreerd zijn (bijvoorbeeld watergangen en bomenrijen). Windturbines in of nabij deze landschapselementen vormen voor vleermuizen waarschijnlijk een hoger risico op verstoring en/of sterfte. Van alle varianten zijn er windturbines die in of nabij de concentratiegebieden van vleermuizen vallen. Voor het voorkomen vleermuizen moet aanvullend onderzoek verricht worden en kan er op voorhand geen onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende varianten.

15 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

3.3

Overige soorten

Naast vogels en vleermuizen zijn er nog een heel aantal andere soorten beschermd onder de Wnb. Een overzicht van deze soorten waargenomen in het verkenningsgebied in de afgelopen 10 jaar is opgenomen in onderstaande tabel. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de soorten beschermd onder de beschermingsregimes Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en (niet-vrijgestelde) ‘Andere soorten’ van de Wnb (art. 3.10). Voor ieder van deze soortenregimes gelden onder de Wnb een aantal verbodsbepalingen (zie bijlage II). Waarnemingen van overige soorten zijn over het hele gebied verspreid. Het lijkt er wél op dat grotere concentraties zich voornamelijk bevinden bij delen die een natuurlijkere inrichting lijken te hebben (onder andere door de aanwezigheid van water bijvoorbeeld bij eendenkooien). In een uitgebreide natuurtoets kan de kans op aanwezigheid van deze soorten voor iedere windturbinelocatie nader worden bepaald en kan worden beoordeeld in welke mate negatieve effecten kunnen optreden.

Tabel 3.1 Overzicht waargenomen soorten in het verkenningsgebied en de directe omgeving in de periode januari 2013 - januari 2023 volgens de NDFF. Ook soorten die niet zijn waargenomen, maar waarvan het voorkomen binnen het verkenningsgebied te verwachten is op basis van recente verspreidingsgegevens zijn opgenomen. Soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn zijn vetgedrukt, soorten van de Vogelrichtlijn zijn schuingedrukt. Soortgroep

Soorten

flora

(geen)

vleermuizen

gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis laatvlieger rosse vleermuis water vleermuis

grondgebonden zoogdieren

bever bunzing damhert das eekhoorn hermelijn steenmarter wezel wolf

vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten

boomvalk buizerd gierzwaluw havik huismus kerkuil ooievaar ransuil roek

16 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Soortgroep

Soorten slechtvalk steenuil

Amfibieën

heikikker kamsalamander poelkikker rugstreeppad

Reptielen

(geen)

Vissen

grote modderkruiper noordzeehouting

Ongewervelden

veldparelmoervlinder rivierrombout teunisbloempijlstaart

Afbeelding 3.6 Waarnemingen van beschermde soorten (Habitatrichtlijn anders dan vleermuizen en niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’) in het verkenningsgebied (NDFF data afgelopen 10 jaar). Vleermuizen en vogels zijn hier buiten beschouwing gelaten. Het lijkt erop dat grotere concentraties zich voornamelijk bevinden bij delen die een natuurlijkere inrichting lijken te hebben (onder andere door de aanwezigheid van water bijvoorbeeld bij eendenkooien).

Beoordeling Overige soorten komen verspreid over het gebied voor. Van alle varianten zijn er windturbines die in de concentratiegebieden van overige soorten vallen. Voor het voorkomen van overige soorten moet aanvullend

17 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

onderzocht verricht worden en kan er op dit voorhand geen onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende varianten.

4

CONCLUSIE EN DOORZICHT VERVOLG

In tabel 4.1 is een overzicht opgenomen van het aantal windturbines per variant in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000, NNB en rust- en foerageergebied). Het voornemen voor de plaatsing van de windturbines op de voorgestelde locaties wordt vanuit deze ecologische scan vooralsnog haalbaar geacht mits er een goede onderbouwing is waarom in het zoekgebied geen varianten zijn afgewogen die geheel buiten natuurwaarden liggen (NNB, vogelhotspots et cetera). Voor het verkrijgen van een ontheffing is uiteindelijk een goede onderbouwing nodig waarom varianten met minder negatieve effecten op natuur niet zijn gekozen. Daarnaast zijn er verschillende risico’s waarvoor nader onderzoek en mogelijk mitigerende maatregelen dienen worden uitgewerkt.

De belangrijkste risico’s die hierbij zijn geïdentificeerd zijn: - potentiële verstoring aangewezen soorten van Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’; - potentiële verzuring/vermesting van aangewezen habitattypen en leefgebieden van soorten van Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ voor alle windturbinelocaties; - potentiële aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB bij met name de windturbinelocaties van de varianten van denkrichting 1; - potentiële verstoring van ganzen en smienten in het rust- en foerageergebied voor alle windturbinelocaties; - aanvaringsrisico vogels bij alle windturbinelocaties, met name een verhoogd risico bij natte gebieden, natuurvriendelijke akkers en eendenkooien met kwelders; - aanvaringsrisico vleermuizen bij alle windturbinelocaties, met name een verhoogd risico langs watergangen en bomenrijen. Op basis van deze eerste scan is, zodra de plaatsingszones vastgesteld zijn, vervolgonderzoek noodzakelijk vanuit wetgeving en beleid in de vorm van: - een verkennend stikstofonderzoek; Middels een berekening met de AERIUS-Calculator dienen de te verwachten stikstofdeposities van het project op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in kaart gebracht te worden. Dit is zowel relevant voor de aanlegfase als de gebruiksfase.

Naar verwachting maakt het met betrekking tot stikstofuitstoot niet uit waar de uiteindelijke windturbinelocaties zich bevinden. - een uitgebreide QuickScan ecologie (gericht op alle beschermde soorten) voor alle definitieve locaties waar windturbines gerealiseerd zullen worden; - nader soortgericht veldonderzoek vogels voor alle windturbinelocaties; · het verkenningsgebied is geschikt, en naar verwachting van belang, voor een groot aantal vogels. Het gaat hierbij zowel om broedvogels, weide- en akkervogels, als overwinterende (water)vogels (ganzen, eenden, et cetera). Gegevens met betrekking tot vlieg- en migratieroutes en specifieke leefgebieden van deze soorten zijn van belang voor een gedegen afweging van alternatieve windturbinelocaties; · voor broedvogels dienen bestaande nestplaatsen in kaart gebracht te worden. De hiervoor benodigde onderzoeksinspanning is afhankelijk van de te verwachten soorten (volgt uit de QuickScan ecologie). Deze informatie is noodzakelijk om te bepalen in hoeverre er sprake is van vernietiging en/of verstoring van (jaarrond beschermde) nestplaatsen; · voor overige vogelsoorten dient een inschatting gemaakt te worden van het aanvaringsrisico.

Op basis van een bureaustudie (terreinkenmerken, verspreidingsdata, literatuur et cetera) kan een selectie gemaakt worden van relevante vogelsoorten die (1) in het gebied te verwachten zijn en (2) een relatief hoog aanvaringsrisico kennen. Vervolgens kan de daadwerkelijke aanwezigheid van relevante soorten in het gebied worden onderzocht in het veld. Deze gegevens kunnen bijdrage aan een afweging tussen windturbinelocaties die voor vogels het minst ongunstig is; · met betrekking tot in het gebied overwinterende (water)vogels is aanvullend onderzoek nodig in de vorm van het in kaart brengen van vliegbewegingen van deze soorten. Het onderzoek wordt in de

18 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

-

-

winterperiode uitgevoerd, en bij voorkeur rond de avondschemering, wanneer vogels zich verplaatsen tussen foerageergebieden en slaapplaatsen. In de avondschemering is bovendien in de toekomstige situatie de kans op aanvaringsslachtoffers het grootst, aangezien het aantal vliegbewegingen relatief hoog is en de windturbines minder goed zichtbaar zijn dan bij daglicht; nader soortgericht veldonderzoek vleermuizen voor alle windturbinelocaties. Om een inschatting te kunnen maken van welke soorten vleermuizen aanvaringsslachtoffer kunnen worden van de windturbines, en in welke aantallen, is een vleermuisonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan worden uitgevoerd met behulp van transectmetingen en/of metingen vanaf vaste locaties. Middels deze metingen wordt het soortenspectrum en de activiteit van vleermuizen verspreid over het verkenningsgebied en in verschillende periodes onderzocht. Deze gegevens kunnen worden gebruikt om per specifieke locatie het slachtofferrisico in kaart te brengen; een goede onderbouwing waarom het uiteindelijk echt noodzakelijk is dat er windturbines geplaatst worden op locaties waar het negatieve effect op natuur groter is dan ergens anders. Dit is nodig om een ontheffing of vergunning te krijgen.

Op basis van deze onderzoeken kan worden bepaald of en welke mitigatie en vervolgstappen nodig zijn. Verschillende mitigerende maatregelen om mortaliteit van vogels en vleermuizen als gevolg van aanvaringen met windmolens te verkleinen zijn momenteel in ontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn: - het kiezen voor een locatie waar minder negatief effect is op beschermde natuurwaarden; - het zwart verven van een rotorblad om de zichtbaarheid te vergroten; - het werken met een slim cameradetectiesysteem dat langsvliegende vogels detecteert en de windturbines dan tijdelijk stil kan leggen; - het standaard periodiek stilleggen van de windturbines (stilstandvoorziening); - het aanpassen van windturbinetype of specifieke technische aspecten om mortaliteit te verkleinen.

19 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Tabel 4.1 Aantal windturbines in beschermd natuurgebied per denkrichting en variant. Per denkrichting is in blauw aangegeven welke variant het slechts scoort op Natura 2000, NNB en rust- en foerageergebied. Varianten

Natura 2000

NNB

fysieke effecten: ligging in Natura 2000 gebied

fysieke effecten: ligging <1,5km

Rust- en foerageergebied ganzen en smienten

aantasting: Ligging in NNB gebied

verstoring: ligging binnen ½ rotor diameter NNB

verstoring: ligging in het rust- en foerageergebied

denkrichting 1 : een grootschalig hart 1

0

0

3

13

13

2

0

0

2

10

10

3

0

0

2

13

13

4

0

0

2

17

17

5

0

0

0

0

8

6

0

0

0

0

6

7

0

0

0

0

6

8

0

0

0

1

6

9

0

0

0

0

8

10

0

0

0

0

4

11

0

0

0

0

8

12

0

0

0

0

6

13

0

0

0

1

11

14

0

0

0

0

6

15

0

0

0

0

9

16

0

0

0

0

6

denkrichting 2 : het wijde westen

denkrichting 3 : een veelkleurig mozaïek

denkrichting 4 : lange lijnen van oost naar west

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

5 1

2 3 4 5 6 7 8 9

LITERATUUR Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden (2021). Verstoring en draagkracht in en rond het Natura 2000-gebied Fochteloërveen. Analyse van effecten en perspectieven voor kwalificerende nietbroedvogels en kraanvogels. A&W-rapport 20-252; Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, 19 juli 2022: https://noord-brabant.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9930InterimOvrgc-0422; kaart natuurbeheerplan provincie Noord Brabant: https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=aadeed0954ee4cebaa058ed0ae6a4c40; Natura2000.nl, geraadpleegd op 10 januari 2023; NDFF-ecogrid database (ndff.nl), geraadpleegd 11 januari 2023; notitie Reikwijdte en Detailniveau MER Duurzame Polder, 24 mei 2022; SOVON.nl; SOVON Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines, 2019; https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR628718.

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

I BIJLAGE: KENSCHETS EN INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN (IHD) RELEVANTE NATURA 2000 GEBIEDEN In de hiernavolgende paragrafen is voor ieder van de relevante Natura 2000-gebieden aanwezig in de directe omgeving van het verkenningsgebied een korte kenschets gegeven alsook een overzicht van de instandhoudingsdoelen (IHD) [bron: natura2000.nl].

I.1 Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat 4 deelgebieden: Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal. Alleen van het deelgebied Uiterwaarden Waal wordt een korte kenschets gegeven, omdat dit gebied zich nabij het verkenningsgebied bevindt. Het deelgebied Uiterwaarden Waal omvatten het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. De Waal moet in perioden met hoge rivierafvoer twee derde van de Rijnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrij-afstromende Rijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem. In perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en 'vormt' de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een breed, voornamelijk laaggelegen, hoogdynamisch winterbed. De reliëfrijke uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, bosjes, bomenrijen, moerasgebiedjes en geïsoleerde oude riviertakken (strangen en geulen). Veel uiterwaarden zijn vergraven voor zand en/of kleiwinning. In het westelijk deel van het gebied liggen de Rijswaard en de Kil van Hurwenen met oude riviermeanders, aangrenzende oeverlanden en stroomruggen.

Daarnaast liggen er enkele grote plassen, die ontstaan zijn door zand- en kleiwinning. Deze uiterwaarden bevatten soortenrijke glanshaverhooilanden, stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding plaatsvindt. Rijntakken is aangeduid als Vogel- en Habitatrichtlijngebied en is aangewezen voor 12 broedvogels, 30 nietbroedvogels, 14 habitattypen en 12 habitatrichtlijnsoorten. Een overzicht van deze habitats en doelsoorten en de bijhorende IHD is opgenomen in onderstaande tabel.

22 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

23 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

I.2 Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Het Vlijmens Ven, de Moerputten en het Bossche Broek vormen samen één gebied ten zuidwesten van 'sHertogenbosch. Hier gaat het beekdal van de Dommel over in het laagveengebied van de ‘Naad van Brabant’. Door de ligging in deze overgangszone zijn in het gebied basenminnende water- moeras- en graslandvegetaties aanwezig. Het Vlijmens Ven is een kwelgebied waar kranswiervegetaties wordt aangetroffen in sloten. De Moerputten is een natuurreservaat met een groot areaal aan blauwgrasland en elzenbroekbos. Het Bossche Broek is een moerassig gebied in de benedenloop van de Dommel, waar blauwgraslanden aanwezig zijn. Vlijmens Ven, Moerputten en het Bossche Broek is aangeduid als Habitatrichtlijngebied en is aangewezen voor zeven habitattypen en zeven habitatrichtlijnsoorten. Een overzicht van deze habitattypen en doelsoorten en de bijhorende IHD is opgenomen in onderstaande tabel.

24 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

25 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

II BIJLAGE: BESCHERMINGSREGIMES SOORTEN Verbodsbepalingen per beschermingsregime Wnb Vogelrichtlijnsoorten: Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. ‘Andere soorten’: Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of - te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

26 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

www.witteveenbos.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12513615/1